CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

06 Bijlage Regionale visie Land- Tuinbouw Noord-Limburg

Commissie Wonen 12 oktober 2021, gemeente VenrayBij agendapunt: Afgeven van verklaring van geen bedenkingen Timmermannsweg 110.11.294 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

NAAR EEN TOEKOMSTBESTENDIGE LAND- EN TUINBOUW

REGIONALE VISIE LAND- EN TUINBOUW NOORD-LIMBURG

Versie 5.0 Noord-Limburg, april 2019

2

INHOUDSOPGAVE 1. Inleiding

2. Trends en ontwikkelingen

3. Effecten en impact op de leefomgeving

4. Naar een toekomstbestendige land- en tuinbouw

5. Afstemmingsprotocol

6. Uitvoeringsprogramma

Bijlagen:  Bijlage 1. Begrippenlijst  Bijlage 2. Matrix criteria toekomstbestendige locaties:  Bijlage 3. Bestuursafspraken maart 2018  Bijlage 4. Monitoringsoverzicht mestverwerking

3

1. INLEIDING 1.1 POL 2014: Balans in het landelijk gebied In het in 2014 vastgestelde Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL 214) heeft de provincie de ambitie vastgelegd om in Limburg een leef- en vestigingsklimaat van voortreffelijke kwaliteit te realiseren. Daarbij gaat het niet alleen om het stedelijk gebied maar zeker ook over het landelijk gebied. Het creëren van een nog aantrekkelijker landelijk gebied is van belang voor de kwaliteit van de woon- en leefomgeving in de hele provincie. Aandacht gaat daarbij uit naar de samenhang en balans tussen de diverse functies in het landelijk gebied. De land- en tuinbouw is van oudsher één van de grootste ruimtegebruikers in het landelijk gebied. Ontwikkelingen in deze sector, zoals schaalvergroting en intensivering, zijn dus ook direct van invloed op de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Ook vormt de land- en tuinbouw één van de belangrijkste economische sectoren in Limburg. Dat geldt zeker voor Noord Limburg dat zich profileert als Greenport Venlo en op die manier een prominente plaats heeft in de economische structuur van Nederland. Niet alleen vanwege de primaire agrarische productie, maar ook voor de aan deze sector verbonden andere bedrijvigheid, zoals logistiek, verwerking, dienstverlening, bouw, enzovoorts.

Tevens zijn onderwijs en innovatie sterk met de agrarische sector verbonden, zoals we dat zien in de ontwikkeling van Brightlands Campus bij Venlo. De provincie Limburg heeft de ambitie om de sterke economische positie van de land- en tuinbouw te behouden en tegelijkertijd de kwaliteit van het landelijk gebied te verbeteren. 1.2 Regionale afspraken gevraagd Bewust van de regionale verschillen in Limburg heeft de provincie de gemeenten uitgedaagd om op regionaal niveau bepaalde POL-thema’s verder uit te werken, zoals voor land- en tuinbouw. Doel is om te komen tot regionale afspraken over deze thema’s. In Noord-Limburg is in overleg met de provincie afgesproken dat de volgende land- en tuinbouwonderwerpen regionaal worden uitgewerkt: - Schone stallen; - Leegstand; - Mestverwerking; - Agglomeratielandbouw; - Intensieve teelten; - Revitalisering glastuinbouw. In het POL staat voor alle ruimtelijke functies (waaronder agrarische) ‘dynamisch voorraadbeheer’ centraal. Daarmee bedoelt de provincie dat het niet meer gaat om groeien in kwantiteit, maar in kwaliteit. Immers voor veel functies is er in Limburg een te groot (ruimtelijk) aanbod ten opzichte van de vraag. Niet alleen teveel, maar ook de kwaliteit van het aanbod sluit vaak niet aan bij de vraag, bijvoorbeeld door veroudering van gebouwen.

Vanuit de overtuiging dat er beter op kwaliteit kan worden gestuurd als er sprake is van schaarste zal het aanbod worden teruggebracht. Oftewel: sturen op kwaliteit gaat hand in hand met sturen op kwantiteit. Ook in het landelijk gebied speelt dit onderwerp een rol als het gaat om het bieden van ontwikkelingsruimte in relatie tot de verwachte groei van leegstaande agrarische gebouwen. 1.3 Relatie met andere onderwerpen Voor de thema’s natuur, landschap en water heeft de provincie haar beleid in het POL 2014 volledig uitgewerkt en worden geen specifieke regionale uitwerkingen verwacht. Vanwege de grote ruimtelijke impact van de transities in de land- en tuinbouw en de regionale ambitie om hierbij integraal te sturen

4

op ruimtelijke kwaliteit heeft de regio parallel aan de POL-uitwerkingen een Ruimtelijk Kwaliteitskader (RKK) voor alle functies in het landelijk gebied ontwikkeld. Dit RKK geeft vanuit de regionale identiteit aan welke ruimtelijke waarden een rol spelen bij een kwalitatieve afweging van nieuwe ontwikkelingen. Niet alleen in relatie tot de POL-uitwerkingen ‘vrijetijdseconomie’ en ‘energie’, maar ook de opgaven op het gebied van natuur, landschap, cultuurhistorie en water. 1.4 Focus en doel Voorliggend document bevat de regionale visie land- en tuinbouw voor Noord-Limburg, die is opgesteld als uitwerking van het POL 2014. De regio Noord-Limburg bestaat uit de 8 gemeenten die in afbeelding 1 zijn weergegeven. Deze POL-uitwerking heeft als doel om te komen tot regionale bestuursafspraken over het ruimtelijk beleid ten aanzien van land- en tuinbouw. Voorliggende visie heeft dus niet tot doel om met economisch beleid de agrarische sector te ondersteunen. 1.5 Leeswijzer Als eerste beschrijft hoofdstuk 2 de verschillende trends en ontwikkelingen, zowel in de land en tuinbouw zelf als in de context die de sector beïnvloed. Vervolgens worden in hoofdstuk 3 de effecten van die trend op de fysieke leefomgeving benoemd vanuit een ruimtelijke bril. In hoofdstuk 4 wordt de regionale visie beschreven om te komen tot een toekomstbestendige land- en tuinbouw.

Tenslotte bevatten de hoofdstukken 5 en 6 het regionale afstemmingsprotocol respectievelijk het uitvoeringsprogramma, die de uitvoering van het beleid moeten ondersteunen.

5

2. TRENDS EN ONTWIKKELINGEN 2.1 Historisch perspectief De land- en tuinbouw in Noord-Limburg heeft zich door de eeuwen heen ontwikkeld. Tot zo’n 60 jaar geleden was een gemengd grondgebonden agrarisch bedrijf het algemene beeld. Daarna is decennialang specialisatie leidend geweest voor de agrarische bedrijfsontwikkeling. Sinds intensieve veehouderij en glastuinbouw hun intrede hebben gedaan is ook de grondgebondenheid voor een deel van de sector minder belangrijk geworden. Hierdoor is de combinatie van akkerbouw, tuinbouw en veeteelt binnen één bedrijf tegenwoordig een zeldzaam verschijnsel in ons landelijk gebied. Tevens heeft het beroep van boer zich ontwikkeld naar manager. De agrarisch ondernemer is niet langer slechts producent van agrarische producten, maar moet ook thuis zijn op het vlak van boekhouden, wet- en regelgeving, personeelsbeleid, onderhandelen, marketing en communicatie. 2.2 Trends in de agrarische sector In de agrarische sector is een aantal bedrijfseconomische ontwikkelingen zichtbaar, waardoor we een steeds breder spectrum aan agrarische bedrijven zien. Hierdoor is het onmogelijk geworden om de bedrijven te beschrijven door ze in ‘hokjes’ te stoppen. Ieder bedrijf is uniek. Wel kunnen, in algemene zin, de verschillende trends worden benoemd die zich in de agrarische sector voordoen.

Intensivering van productie Een ontwikkeling die al decennia gaande is in de agrarische sector, is de intensivering van de productie op één locatie. Deze ontwikkeling lijkt nog niet ten einde. In eerste instantie vond dit met name plaats in de veehouderij en glastuinbouw, maar nu zien we de intensivering ook steeds meer plaatsvinden in de tuinbouwsector in de open lucht. Voorbeeld hiervan is de toenemende vraag aan teeltondersteunende voorzieningen. Dit heeft te maken met diverse aspecten: het minder weersafhankelijk willen zijn, milieuaspecten, arbotechnisch, kostprijs en kwaliteit van het product. Schaalvergroting De intensivering in de land- en tuinbouw gaat vaak gepaard met schaalvergroting. Drijfveer hierachter is van oorsprong de noodzaak voor enerzijds kostprijsverlaging en anderzijds opbrengstverhoging om economisch gezond te blijven. Tegenwoordig komt het ook voort uit de noodzakelijke minimum omvang die nodig is voor rentabiliteit van technische investeringen en duurzaamheid. Ketenintegratie (verbreden met activiteiten in de productieketen) Een trend die de afgelopen 10 jaar steeds meer zichtbaar is geworden, is de verbreding van activiteiten binnen de productieketen. Het landbouwbedrijf richt zich niet meer alleen op de primaire tak (produceren van landbouwproducten), maar beweegt zich verder in de productiekolom.

Deze versterking in de keten leidt tot synergievoordelen binnen een agrarisch bedrijf en uit zich in uiteenlopende combinaties van activiteiten, waarbij in ieder geval twee vormen kunnen worden onderscheiden: • Bedrijven die uit oogpunt van kostenreductie en risicospreiding investeren in bedrijfsactiviteiten als mestverwerking, energieproductie (op basis van biomassa, incl. mest) en veevoederverwerking; • Bedrijven die zich richten op het creëren van toegevoegde waarde aan het primaire product in de vorm van extra bewerking en marketing. Met deze verbreding worden activiteiten aan agrarische bedrijven toegevoegd die voorheen vrijwel uitsluitend op een bedrijventerrein voorkwamen en qua verschijningsvorm daar ook bij passen (denk aan een wasstraat, een verpakkingsafdeling, laaddocks met bijkomende vrachtauto’s, een

6

covergistingssilo, etc.). Vaak wordt de term agglomeratielandbouw voor gebruikt. Door deze ontwikkeling neemt de diversiteit aan typen agrarische bedrijven toe. Kennisgedreven ontwikkeling Een derde trend die zichtbaar is, is de kennisgedreven ontwikkeling van agrarische bedrijven. Natuurlijk is kennisgedrevenheid in de ontwikkeling van de land- en tuinbouw al van oudsher aanwezig. Echter, als gevolg van digitalisering is een nieuwe dynamiek ontstaan waarmee bedrijven zich kunnen onderscheiden. Bijvoorbeeld door gebruik te maken van blockchain en precisielandbouw. Kringlooplandbouw Mede als gevolg van de kennisgedreven ontwikkeling is er hernieuwde aandacht voor kringlooplandbouw ontstaan. Dit is een manier van landbouw bedrijven waarbij geen of zo weinig mogelijk verlies van stoffen naar het milieu en de omgeving plaatsvindt. Het is onderdeel van de ‘biobased economy’ waarin fossiele grondstoffen worden vervangen door biologische grondstoffen. Drijfveren zijn verduurzaming, economische kansen voor nieuwe producten, energie- en grondstofzekerheid en verbetering van de economie in de landbouw.

Verbreden (met andere niet-agrarische activiteiten) Naast de voorgaande economische verdienmodellen die gericht zijn op het concurrerend blijven als agrarisch bedrijf, is ook sprake van een ontwikkeling gericht op de verbreding van bedrijven met nietagrarische activiteiten (zoals zorgboerderijen, recreatie, kinderopvang, natuurbeheer en een boerderijwinkel). Er is sprake van een grote diversiteit aan activiteiten, waarbij er in de meeste gevallen sprake is van kleinschaligheid. Ook leggen nagenoeg alle vormen nieuwe verbindingen tussen platteland en stad. Dit draagt bij aan de beleving van het platteland in een periode waarin de afstand tussen de primaire voedselproductie en de consument juist steeds groter is geworden. Stoppers Tenslotte is er een duidelijke trend waarneembaar dat agrarische bedrijven stoppen wegens met name het ontbreken van bedrijfsopvolgers (of kopers), al dan niet in combinatie met een slecht economisch perspectief of het bereiken van een pensioengerechtigde leeftijd. Hierdoor zal de leegstand in het landelijk gebied van Noord-Limburg fors toenemen.

Uit het Alterra-rapport ‘Vrijkomende agrarische bebouwing in het landelijk gebied’ (maart 2014) blijkt dat:  de oppervlakte aan vrijkomende agrarische bebouwing in sommige gemeenten in Noord-Limburg tot 2030 kan oplopen tot meer dan 40% van het in 2014 gebruik zijnde oppervlakte;  circa 50% van de vrijkomende agrarische bebouwing mogelijk geen nieuwe functie krijgt. Hierdoor dreigt deze bebouwing onverkoopbaar te worden en dit zal leiden tot blijvende leegstand. Deze 50% komt op basis van het rapport van Alterra in Noord-Limburg overeen met circa 52 hectare. Bij het opstellen van het rapport heeft Alterra gebruik gemaakt van algemene (landelijk geldende) aannames. Ten aanzien van hergebruik wijkt de situatie in Noord-Limburg in negatieve zin af van deze aannames. De verwachting is dat de mogelijkheden van hergebruik in Noord-Limburg beperkter zijn vanwege het overaanbod aan woningbouwplannen en bedrijventerreinen voor de komende jaren. Daarnaast wordt herinvulling bemoeilijkt omdat de agrarische bebouwing niet geschikt of te grootschalig is. Dit heeft tot gevolg dat er in Noord-Limburg een grotere kwantitatieve leegstand van agrarische opstallen wordt verwacht dan de circa 52 hectare die Alterra heeft becijferd.

7

2.3 Ontwikkelingen buiten de sector Van oudsher wordt de ontwikkeling van de agrarische bedrijven bepaald door economische motieven, innovaties op productieniveau en wet- en regelgeving. In toenemende mate wordt de ontwikkeling ook beïnvloed door andere externe ontwikkelingen:  er worden maatschappelijke discussies gevoerd over de toenemende zorg over gezondheid, over de kwaliteit van voedsel, herstel van biodiversiteit en over het belang van de groene leefomgeving.  er is een toenemende vraag naar lokaal danwel regionaal geproduceerd voedsel.  er zijn ‘technische’ opgaven die op de sector afkomen, zoals klimaatadaptatie en energietransitie en circulaire economie. Deze opgaven hebben invloed op de bedrijfsvoering, de inrichting van de bedrijfskavel en de vormgeving van gebouwen. Dit kan een grote impact hebben op het ruimtegebruik.  in toenemende mate hebben de niet-agrarische bewoners (bijv. burgers) en gebruikers (bijv. de recreant) in het landelijk gebied invloed op de ontwikkelingen in hun directe omgeving , dus ook op de agrarische sector. De kwaliteit van de woon- en leefomgeving is niet alleen van belang voor onze inwoners, maar ook voor de bezoekers van de regio. De afgelopen decennia is de vrijetijdseconomie een belangrijke economische drager van Limburg geworden, waarbij een groot deel van recreatieve activiteiten plaatsvindt in het landelijk gebied.

Wat de precieze effecten zijn voor de ontwikkeling van de agrarische sector in het algemeen en de individuele bedrijven in het bijzonder is op dit moment nog niet te zeggen. Ook kunnen wettelijke en beleidsmatige ontwikkelingen buiten de grenzen van Limburg (Brabant, Duitsland, België) invloed hebben op ontwikkeling in de agrarische sector in Noord-Limburg.

2.4 Beleidsmatige ontwikkelingen Omgevingswet De Omgevingswet zal op 1 januari 2021 worden ingevoerd. Deze wet heeft als doel om op een meer integrale wijze en samen met alle betrokkenen op een andere manier te werken aan de kwaliteit van de leefomgeving. Hierdoor kan meer ruimte ontstaan voor de realisatie van initiatieven. Een concrete procesmatige verandering is de introductie van de ‘omgevingsdialoog’. Doel is om de omgeving aan de voorkant beter te betrekken bij de planvorming, zodat een plan kan worden ontwikkeld waarvoor draagvlak bestaat. Nog voordat een vergunning wordt aangevraagd, dient de initiatiefnemer met de omgeving in gesprek te gaan. Een andere manier van werken vraagt ook om andere invulling van visie, beleid en regels. Voor gemeenten geldt dat zij aan de slag moeten gaan met het opstellen van een omgevingsvisie en een omgevingsplan. Door het Rijk wordt al een tijdje gewerkt aan de Nationale Omgevingsvisie (NOVI), waarvan een concept op hoofdlijnen beschikbaar is. Provincie Limburg is in 2018 gestart met een proces om te komen tot een Provinciale Omgevingsvisie (POVI) als opvolger van het POL 2014. Voor de gemeenten in Noord-Limburg betekent dit dat de kaders uit de regionale POL-uitwerkingen, waarvan onderhavige er één van is, vertaald worden in de gemeentelijke omgevingsvisies.

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Van het Nationale Omgevingsvisie zijn de hoofdlijnen inmiddels bekend. De NOVI zal de gewenste ontwikkeling van de fysieke leefomgeving beschrijven. Begin 2017 heeft het Rijk een viertal prioriteiten benoemd zijnde: 8

   

Duurzaam economische groeipotentieel voor Nederland; Ruimte voor klimaatverandering en energietransitie Sterke, leefbare en klimaatbestendige steden en regio’s met voldoende ruimte om te wonen, werken en bewegen; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Vooruitlopend op de ontwerp NOVI heeft het kabinet aan een drietal onderwerpen extra urgentie toegekend. Naast klimaatverandering en energietransitie, en verstedelijking wordt uitdrukkelijk aandacht gevraagd voor het landelijk gebied. Mede op basis van de landbouwvisie van het Rijk zullen richtinggevende ruimtelijke keuzes moeten worden gemaakt om de noodzakelijke transitie in gang te zetten. Hierbij wil het kabinet aansluiten met de lopende processen zoals het natuurbeleid, het Klimaatakkoord en de afspraken in het Interbestuurlijke Programma Vitaal Platteland. De kwaliteiten en karakteristieken van landschap, natuur, bodem en het watersysteem vormen de basis voor deze aanpak. Richtinggevend hierbij is dat:  Het areaal natuurgebied zal (overeenkomstig de provinciale afspraken) worden vergroot om de biodiversiteit te herstellen en de internationale natuurdoelen te kunnen halen;  Kringlooplandbouw en natuurinclusieve landbouw worden gestimuleerd. Zorgvuldig gebruik van natuurlijke hulpbronnen, het duurzaam beheren van bodem en het minimaliseren van emissies staan daarbij centraal;  Voor het landelijk gebied een geïntegreerde gebiedsaanpak nodig is, waarbij opnieuw gekeken wordt hoe de ruimte efficiënt en zorgvuldig kan worden gebruikt.

Visie Landbouw, Natuur en Voedsel: waardevol en verbonden Begin september 2018 heeft het rijk de visie Landbouw, Natuur en Voedsel: Waardevol en Verbonden, gepresenteerd. In deze visie zijn een groot aantal van de in de paragrafen 2.2 en 2.3 beschreven trends nader geduid. Het is helder dat de tijd is aangebroken voor een structurele verandering in de positie van de primaire sector in de samenleving. De uitstoot van broeikasgassen moet drastisch omlaag en het gebruik van grondstoffen, hulpbronnen en de natuurlijke omgeving moet zorgvuldiger. Het mag niet langer zo zijn dat de landbouw en natuur tegenover elkaar staan. Voor de verbetering van de biodiversiteit heeft de landbouw een belangrijke sleutel in handen. Echter, de landen tuinbouw kan dat alleen waarmaken als het hele systeem en alle deelnemers daarin, van boer tot burger, meewerken. Concreet betekent dit, dat het anders moet: van een voortdurende verlaging van de kostprijs van producten naar een voortdurende verlaging van het gebruik van grondstoffen door een efficiëntere benutting in kringlopen. De visie pleit voor kringlooplandbouw en een sterke verbinding tussen landbouw en natuur. Het doel is dat Nederland in 2030 koploper is in de kringlooplandbouw.

Los van vertrouwen in de kracht van de samenleving om de omslag naar kringlooplandbouw te maken zal de (Rijks)overheid meedenken en waar nodig faciliteren dan wel regie nemen.

9

3. EFFECTEN EN IMPACT OP DE LEEFOMGEVING 3.1 Effecten van bedrijfsontwikkelingen De bedrijfseconomische ontwikkeling van agrarische bedrijven, zoals geschetst in paragraaf 2.2, heeft effecten op de leefomgeving. In z’n algemeenheid zijn de volgende effecten zichtbaar: 

De agrarische bedrijfsgebouwen worden steeds groter, waardoor de hoeveelheid bebouwing in het landelijk gebied toeneemt. Als gevolg van deze schaalvergroting domineren de agrarische gebouwen het landschap meer dan voorheen.

De verschijningsvorm en architectuur van agrarische bedrijfsgebouwen verandert door de wijziging van materiaalgebruik, omvang en vorm van gebouwen en voorzieningen. Ook de toevoeging van bijvoorbeeld logistieke activiteiten dragen daar aan bij. De agrarische bouwblokken gaan steeds meer lijken op industriële bebouwing zoals we die kennen op bedrijventerreinen. De verschillen tussen stedelijk en landelijk gebied neemt af. Dit raakt de identiteit en beleving van het landelijk gebied.

In de vollegrondstuinbouw is sprake van een intensivering van grondgebruik. Tegelijkertijd neemt ook het gebruik van teeltondersteunende voorzieningen toe waarbij ook de omvang van de voorzieningen toeneemt. Dit leidt tot minder emissie van nutriënten en het hergebruik van water. Daarnaast heeft dit effecten op de (recreatieve) beleving van het landelijk gebied en op andere omgevingsfactoren, zoals biodiversiteit, bodemkwaliteit en grond- en oppervlaktewater.

Schaalvergroting, intensivering en verbreding leiden in algemene zin tot een toename van zwaar vracht- en landbouwverkeer in het landelijk gebied. Dit leidt tot een toename van de belasting van de wegen die niet zijn aangelegd voor dergelijk verkeer. Dit heeft gevolgen voor enerzijds het beheer van de wegen en anderzijds de veiligheid van andere weggebruikers. En is daarmee van invloed op de (recreatieve) beleving van het landelijk gebied.

Intensivering en schaalvergroting heeft ook effecten op de verschillende milieu- en gezondheidsaspecten, zoals ammoniak, geur, fijnstof en infectieziekten. Hierdoor is het woon- en leefklimaat de afgelopen decennia onder druk komen te staan. Mede als gevolg hiervan staat, ingegeven vanuit het maatschappelijke welzijn, in diverse gemeenten het draagvlak van de sector onder druk. Tegelijkertijd maken intensivering en schaalvergroting om te investeren in milieu- en duurzaamheidsmaatregelen. Dit kan leiden tot minder druk op woon- en leefklimaat.

Het proces van schaalvergroting enerzijds en stoppende ondernemers anderzijds leidt tot meer vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen in het landelijk gebied.

Door de verkoop van agrarische bedrijfswoningen neemt het aantal burgers in het landelijk gebied toe. Dit kan belemmerend zijn voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de agrarische bedrijven.

Langdurige leegstand van agrarische bebouwing kan leiden tot verloedering, gevaarlijke situaties, verrommeling en illegaal gebruik van leegstaande gebouwen, inclusief ondermijning van het gezag. Hierdoor komt de aantrekkelijkheid van het landelijk gebied voor recreanten onder druk te staan.

10

De problematiek rondom de toename van het aantal stoppers en de toenemende leegstand is meer dan een ruimtelijke opgave. Agrariërs hebben hun pensioen van oudsher ‘belegd’ in de waarde van de bedrijfskavel en de agrarische gebouwen. Als deze onverkoopbaar wordt dan heeft dat effect op het inkomen en het welzijn van een deel van gestopte agrariërs. Stoppers kunnen na verloop van tijd in financiële problemen komen. Brede sociaal-maatschappelijke problemen in het landelijk gebied liggen dan op de loer.

Langdurige leegstand van agrarische bedrijfsgebouwen bemoeilijkt de asbestopgave. Vanaf 2025 mogen er namelijk geen asbestdaken meer op agrarische bedrijfsgebouwen liggen. Het realiseren van deze opgave wordt moeilijker doordat gebouwen leeg komen en de eigenaar geen geld heeft voor de sanering van de daken.

Door de beperkte hergebruiksmogelijkheden kan het moeilijker worden om cultuurhistorisch erfgoed en karakteristieke en beeldbepalende bebouwing in stand te houden. Hiervoor is het namelijk van groot belang dat er een economische drager aanwezig is, die het financieel verantwoord maakt het erfgoed voor verval te behoeden. Verval van deze waardevolle bebouwing wordt door langdurige leegstand een reële dreiging.

3.2 Impact van bedrijfsontwikkelingen De hiervoor beschreven effecten zullen per bedrijfsontwikkeling een andere impact op de leefomgeving hebben. Wat in het ene gebied een enorme impact heeft, kan in een ander gebied juist heel goed passen en zelfs versterkend werken. In Noord-Limburg zien we die verschillen terug, omdat er binnen de regio verschillen zijn in de agrarische en landschappelijke structuren (en de interactie tussen beide). In het Ruimtelijk Kwaliteitskader Noord-Limburg worden deze beschreven in de vorm van de verschillende gebiedstypen in de regio. Daarnaast maakt iedere ondernemer z’n eigen keuzen, waardoor de effecten per bedrijf op een omgeving anders kunnen uitvallen. Ook voor bedrijven met dezelfde bedrijfsactiviteiten die liggen in eenzelfde gebied kan de impact van de effecten op omgeving verschillend uitvallen. Hierdoor is onmogelijk om op voorhand de impact van de hiervoor beschreven effecten op een generieke wijze te beschrijven voor de verschillende thema’s bedrijfstypen zoals onderscheiden in het POL 2014: intensieve veehouderij, leegstand, mestverwerking, agglomeratielandbouw, intensieve teelten en glastuinbouw. De impact is immers van situatie tot situatie verschillend. Dit betekent dat de impact per initiatief steeds opnieuw bepaald moet worden. Het is dan ook mogelijk om die impact door aanpassing van een plan te verkleinen of zelfs weg te nemen.

Dit vraagt om maatwerk per initiatief.

11

4. NAAR EEN TOEKOMSTBESTENDIGE LAND- EN TUINBOUW 4.1 Ruimte voor een omgevingsbewuste land- en tuinbouw Land- en tuinbouw krijgt de ruimte, maar kent ook z’n grenzen Het vertrekpunt is dat de land- en tuinbouw in de regio Noord-Limburg een sterke economische sector is en kan blijven. Dit is alleen mogelijk indien de ontwikkeling van agrarische bedrijven ook blijft bijdragen aan de (ruimtelijke) kwaliteit van het landelijk gebied. Land- en tuinbouw is immers een integraal onderdeel van het landelijk gebied. De regio Noord-Limburg zet namelijk ook in op het behouden en versterken van een aantrekkelijk landelijk gebied. Kwaliteit staat in alle opzichten voorop. Het gaat hierbij om kwaliteit van wonen, werken én recreëren. Dit betekent dat alle aanwezige of toe te voegen functies in balans met elkaar moeten kunnen functioneren. Zodat er ook voor de toekomst ontwikkelingsruimte voor de land- en tuinbouw in Noord-Limburg blijft; ook dat is een belangrijke kwaliteit van de regio. Door de regionale en lokale verschillen én de dynamiek van een breed pallet aan ontwikkelingen zijn de effecten van agrarische ontwikkelingen op gebieds- en locatieniveau minder goed te voorspellen. Om die reden wordt naast de algemene kaders ook sterk ingezet op het sturen op gebiedskwaliteit als leidend principe. Maatwerkoplossingen komen hier uit voort.

Dit vraagt een grotere interactie tussen ondernemer, omgeving en overheid. Voor agrarische bedrijven betekent dit dat ze omgevingsbewust moeten acteren. Anders gezegd betekent dit, dat het landelijk gebied ruimte biedt voor de doorontwikkeling van de land- en tuinbouw naar een sector die marktgericht én omgevingsbewust is. Dit laatste staat centraal in voorliggende visie en heeft een tweeledige betekenis. Enerzijds gaat het om het bewustzijn van en open stellen voor de belangen van relevante partijen in de omgeving. Anderzijds gaat het om het bewustzijn van de effecten en impact van plannen op de kwaliteit van de fysieke (leef)omgeving. Andere manier van werken gevraagd Een omgevingsbewuste land- en tuinbouwsector vraagt om een andere manier van werken. Niet alleen door de agrarisch ondernemers, maar zeker ook van omwonenden, belangenorganisatie én overheid. Het gaat om een integrale procesaanpak Om de gewenste kwaliteit te kunnen behouden of realiseren is het nodig dat de bij initiatieven betrokken partijen samenwerken aan maatwerkoplossingen. Dit vraagt om een omgevingsdialoog, waarin betrokken partijen met elkaar overleggen over een initiatief of ontwikkeling. Uiteraard moeten de ontwikkelingen passen binnen het beleids- of kwaliteitskader dat door overheden is opgesteld is.

Om de gewenste manier van werken te kunnen uitvoeren kunnen deze kaders natuurlijk niet bestaan uit generieke en gedetailleerde beleidsregels om initiatieven te toetsen. Deze kunnen juist averechts werken. In een dialoog tussen partijen gaat het dus niet om het toetsen van regels, maar staat de vraag ‘wat is eigenlijk de bedoeling’ centraal. Het gaat om de inhoud. Oftewel, denken en discussiëren over wat de doelen en wensen voor de gewenste kwaliteit van de omgeving zijn. Inzicht en begrip krijgen in elkaars doelen en belangen. Deze manier van werken doet recht aan de lokale en regionale

12

verschillen; een kenmerkende kwaliteit van de regio. En bovendien zijn we zo beter in staat om te anticiperen op de (nu nog niet bekende) ontwikkelingen en innovaties in de agrarische sector. Wel kunnen we reageren en afwegen vanuit de gewenste kwaliteit. En dan spelen economische belangen daarbij ook een rol. Toekomstbestendigheid kan per locatie verschillen Niet elke bedrijfslocatie biedt dezelfde ontwikkelingsruimte voor de verschillende agrarische bedrijfsactiviteiten, op de korte dan wel lange termijn. Het toekomstperspectief voor een agrariër wordt dan ook voor een belangrijk deel bepaald door de kwaliteit van de locatie. Idealiter liggen alle agrarische bedrijven op ‘toekomstbestendige locaties’. Dit zijn locaties waar ondernemers voor de langere termijn hun agrarisch bedrijf passend bij de omgeving kunnen doorontwikkelen. Dit biedt enerzijds bepaalde zekerheden voor de ondernemer en anderzijds sluit een bedrijfsontwikkeling aan op de kenmerken van een gebied. Vanuit dit beginsel zijn de bedrijfslocaties het vertrekpunt en worden de ontwikkelingsmogelijkheden per individueel geval benaderd. Als de overtuiging bestaat dat een bedrijf op een zeer goede en gewenste locatie ligt, wordt gekeken of de beoogde ontwikkeling een bijdrage kan leveren aan het behouden of verbeteren van de omgevingskwaliteit.

Dit laatste kan ook betekenen dat in de omgeving van een bedrijf maatregelen worden getroffen om een locatie toekomstbestendig te maken, bijvoorbeeld door aanpassing van infrastructuur.

4.2 Integrale procesaanpak De agrarische sector kenmerkt zich door een grote dynamiek waardoor de ruimtevraag en de ruimtelijke effecten in de toekomst voortdurend zullen wijzigen. Ook maatschappelijke ontwikkelingen hebben hun weerslag op de omgeving en zijn daarmee van invloed op de ruimtelijke (on)mogelijkheden. Dit heeft tot gevolg dat gebiedsontwikkeling vanaf de tekentafel tot het verleden behoort. Gebruikers en bewoners van het gebied zijn steeds meer leidend in het ontwikkelproces. De ontwikkelingen in het landelijk gebied zijn daardoor nu en in de toekomst steeds minder goed te voorspellen dan voorheen. Om de agrarische sector in een aantrekkelijk landelijk gebied toekomst te kunnen bieden, moeten we niet langer via regels probleemgericht sturen, maar toegroeien naar een kaderstellend beleid waarbij sturing op kwaliteit het leidend principe is. De ontwikkeling van plannen verloopt via een open proces dat vraagt om een passende aanpak waarbij doelen, en niet regels, leidend zijn en de rollen van alle betrokken deelnemers wijzigen. Oftewel een aanpak die gebaseerd is op inhoudelijke discussie vanuit een open houding. De omgevingsdialoog. Uitgangspunt is dat bij alle betrokken partijen de intrinsieke motivatie aanwezig is om gezamenlijk te zoeken naar juist die dingen die iedereen belangrijk vindt.

Er is dan geen ruimte voor partijen die zoeken naar een oplossing om het individueel gelijk te halen. Een dialoog is gericht op communicatie (elkaar goed informeren/inzicht te verkrijgen) en een verkenning van de (inhoudelijke) belangen, wensen en zorgen van initiatiefnemer en omwonenden. Dit vraagt om flexibiliteit en creativiteit van alle betrokkenen in het planproces. Als de omgevingsdialoog niet leidt tot een wederzijds begrip en een gedragen plan, valt de procesgang terug op geldende (generieke) regels en procedures. Vandaar dat het belangrijk is dat initiatiefnemer, omwonenden en overheid zorgvuldig met het traject omgaan. Een omgevingsdialoog als interactief proces is voortdurend in ontwikkeling en zal op termijn leiden tot een verdere verdieping van de dialoog als instrument versus vastleggen van beleid en regelgeving. Daarmee is omgevingsdialoog niet een vervanging van beleid en regelgeving, het is een samenspel om te komen tot een toekomstbestendige agrarische sector. 13

In de praktijk is reeds herkenbaar dat een ondernemer (in de geest van de omgevingswet) steeds vaker in de voorbereiding de omgeving en overheid meeneemt om zijn ideeën te delen en reacties op te halen. Ook de overheid treedt steeds meer proactief op door gesprekken te initiëren en het geven van duidelijke kaders die ruimte bieden voor maatwerk. In het kader van de invoering van de Omgevingswet zullen gemeenten nog verder handen en voeten aan moeten geven aan deze manier van werken.

4.3 Toekomstbestendige locaties In de dialoog met de ondernemer wordt het initiatief vanuit een drietal invalshoeken belicht: 1. Er wordt gekeken naar het beleid dat vorm en inhoud geeft aan de vaste dynamiek en ambitie van de gemeente en de regio. Centrale vraag daarbij is: Draagt het plan bij aan de ambitie van de regio en/of de gemeente? 2. Er wordt ook gekeken naar het ontwikkelingsperspectief van het gebied. Centrale vraag daarbij is: Past het plan binnen het gebied en kan het een meerwaarde leveren aan het behalen van de ambities voor het gebied? 3. Daarnaast wordt gekeken naar het ontwikkelingsperspectief van de locatie zelf. Centrale vraag daarbij is: Past het initiatief (en de bedrijfsambitie) op de locatie, gelet op de omgevingsfactoren en is er voldoende economisch toekomstperspectief voor het bedrijf? Uiteindelijk kan aan de hand van de drie invalshoeken in beeld worden gebracht in hoeverre er sprake is van een toekomstbestendige locatie. Wanneer een ontwikkeling onvoldoende past binnen de drie invalshoeken, wordt bekeken of een maatwerkoplossing mogelijk is. Daarbij wordt de functionele wens aangepast aan de ruimtelijke mogelijkheden. De bestaande situatie stuurt daarmee de mogelijkheden voor het gebruik. Dit vraagt om een wil tot flexibiliteit van de initiatiefnemer, de mensen die de bestaande situatie verdedigen en de gebruikers.

Dit hoeft overigens niet te betekenen dat we altijd kunnen komen tot een oplossing. Soms zijn er gewoon geen mogelijkheden, of hebben we met de beleidsuitgangspunten bepaalde ontwikkelingen bewust uitgesloten. Onderstaande afbeelding verduidelijkt deze benadering:

In de navolgende paragrafen worden de drie invalshoeken vanuit regionaal perspectief ingevuld.

14

4.4 Invalshoek ‘Beleid’ Het in een omgevingsdialoog met alle betrokkenen bieden van ruimte voor initiatieven staat in deze visie centraal. Echter dit betekent niet dat alles mogelijk is. Immers, het doel hiervan is de kwaliteit in het landelijk gebied te behouden dan wel te vergroten. Binnen het beleidskader dat door overheden wordt vastgesteld kan maatwerk worden geboden om op kwaliteit te kunnen sturen. Daarbij speelt de opgave op welke manier we om willen gaan met de verschillende effecten van de bedrijfsontwikkelingen in de land- en tuinbouw, zoals beschreven in hoofdstuk 3. Dit kan per gemeente en gebied verschillen, maar gemeenten in Noord-Limburg zijn overtuigd dat ook op regionaal niveau een beleidskader nodig is. In deze paragraaf zijn door de gemeenten in Noord-Limburg doelen en uitgangspunten vastgelegd, die zij samen delen en nodig achten om samen te kunnen sturen op kwaliteit. Binnen dit kader is op lokaal niveau verdere uitwerking of aanvulling van het beleidskader mogelijk. Het beleidskader is opgebouwd aan de hand van de trends die zijn beschreven in hoofdstuk 2 en de bedrijfstypen die in het POL-beleid (zie hoofdstuk 1 en 3) worden onderscheiden.

4.4.1. Intensivering en ketenintegratie Als gevolg van trends als kostenverlaging, schaalvergroting en uitbreiding van activiteiten binnen de keten ontstaat er in het buitengebied een (agrarische)bedrijvigheid die er anders uit gaat zien (verschijningsvorm, andere activiteiten, transport), dan we traditioneel gewend zijn. Deze trends en effecten zijn met name waarneembaar bij agglomeratielandbouw, glastuinbouw, intensieve teelten, intensieve veehouderij en mestverwerking. Om te kunnen sturen op de effecten van deze trends op de omgeving zijn voor deze categorieën beleidsuitgangspunten geformuleerd. a. Beleidsuitgangspunten agglomeratielandbouw De geleidelijke uitbreiding van activiteiten binnen de keten is niet meer weg te denken als ontwikkeling binnen de agrarische sector. Voor het behoud van de economische betekenis van de agrarische bedrijven is agglomeratielandbouw onder voorwaarden acceptabel. •

De ontwikkeling van een bedrijf met een primaire agrarische tak naar een agglomeratielandbouwbedrijf is meestal een geleidelijke ontwikkeling. De doorgroei van agglomeratielandbouw in het buitengebied is alleen acceptabel in gebieden waar deze ontwikkeling ruimtelijk inpasbaar is en er sprake is van een ‘toekomstbestendige locatie’.

•

Incidenteel zal er sprake zijn van de vestiging van een volledig nieuw agglomeratielandbouwbedrijf (met ondergeschikte agrarische activiteiten) in de regio. Indien dit aan de orde is, wordt in eerste instantie ingezet op vestiging op een bedrijventerrein (mede in het licht van de regionale herstructureringsopgave voor bedrijventerreinen). Indien dit niet haalbaar is, wordt gezocht naar mogelijkheden om dit bedrijf te vestigen op een bestaande toekomstbestendige locatie in het landelijk gebied.

b. Beleidsuitgangspunten glastuinbouw De regio wil de doorontwikkeling van glastuinbouwbedrijven blijven faciliteren op locaties die zowel aansluiten bij de behoefte van de sector als passend zijn in de omgeving. Dit vraagt om kwalitatief goede ontwikkelruimte op de juiste plek. Daarbij kan het wenselijk zijn dat de planologische ontwikkelingsruimte voor ontwikkelingsgebieden glastuinbouw en solitaire locaties wordt heroverwogen: voldoet deze aan de huidige wensen bezien vanuit bedrijfsontwikkeling en ruimtelijke kwaliteit.

15

•

Er is behoefte aan een behoud van ontwikkelmogelijkheden voor glastuinbouwbedrijven op de juiste plek (zijnde een “toekomstbestendige locatie”). Hierbij zijn maatwerk en flexibiliteit een voorwaarde. Gemeenten brengen op lokaal niveau de ontwikkelingsgebieden met een “laag ontwikkelingspotentieel op basis van de huidige marktvraag” in beeld en brengen waar nodig het aantal m2 ontwikkelingsgebieden terug. Vormverandering en vergroting, op toekomstbestendig gelegen gebieden, in combinatie met kwaliteitsverbetering is bespreekbaar.

•

Vanwege de grote dynamiek in de sector, de bovenregionale belangen van de Greenport Venlo en de lokale verschillen worden heroverwegingen (zoals hierboven bedoeld) op lokaal niveau in overleg met lokale ondernemers en omgeving gemaakt.

•

Fasering van het aanbod van nieuwe gronden voor glastuinbouw is gewenst om te voorkomen dat tegelijkertijd teveel ruimte op de markt komt.

•

Voor solitair gelegen glastuinbouwbedrijven wordt op lokaal niveau een heroverweging gemaakt over de beschikbare planologische ruimte en daar waar locaties niet toekomstbestendig zijn gelegen is er geen ruimte voor vergaande schaalvergroting.

c. Beleidsuitgangspunten intensieve teelten Vanwege de ambities op het gebied van land- en tuinbouw wil de regio ruimte geven voor intensieve teelten. Door de invloed van de intensivering van vollegrondstuinbouw op de ruimtelijke kwaliteit is zorgvuldigheid vereist ten aanzien van de locatie van deze bedrijven en van de benodigde gronden. •

Als er sprake is van een ‘toekomstbestendige locatie’ die ruimtelijk inpasbaar is, wordt deze ruimtebehoefte gefaciliteerd. Bij het zoeken naar grootschalige locaties worden de mogelijkheden binnen de ontwikkelingsgebieden glastuinbouw betrokken.

d. Beleidsuitgangspunten intensieve veehouderij Uitgangspunt is het behoud van ontwikkelmogelijkheden voor de intensieve veehouderij, rekening houdend met milieuaspecten, kwaliteit van de natuur en de gezondheid van de mens. Om deze ontwikkeling op de juiste plek (‘toekomstbestendige locaties’) te laten plaatsvinden zal maatwerk en flexibiliteit nodig zijn. In het kader van het POL2014 heeft de provincie het begrip ‘schone stallen’ geïntroduceerd om te komen tot een verdere vermindering van de emissie uit stallen. Onder regie van de provincie wordt door de regio samengewerkt om dit doel te bereiken. Doelstelling is een toekomst waarbij veehouderijbedrijven geen of geen noemenswaardige overlast voor de omgeving veroorzaken. Belangrijk strategie hierbij is het bevorderen van het breed toepassen van BBT (Best Beschikbare Technieken) voor het verminderen van de emissie. Tegelijkertijd is er de zorg bij de veehouderijsector over de kosten om meer te investeren in ruimtelijke kwaliteit en in vermindering van emissies. Er is een verdienmodel nodig om de investeringen te bekostigen. Dit vraagt aandacht voor een geleidelijke invoering van de aanscherpingen rondom schone stallen. •

Uitgangspunt is dat geen nieuwvestiging van intensieve veehouderijbedrijven meer plaatsvindt, maar dat ingezet wordt op hergebruik op vrijkomende agrarische locaties. Hierop is een uitzondering mogelijk: o indien sprake is van een groot maatschappelijk belang om negatieve effecten op het woon- en leefmilieu op te lossen door het verplaatsen van een intensieve veehouderij; o indien er geen toekomstbestendige locaties beschikbaar zijn.

16

•

Het is ongewenst dat emissieruimte die ontstaat door verplaatsende of stoppende bedrijven op “niet-toekomstbestendige” locaties door andere bedrijven weer wordt opgevuld. Om de ontwikkelingen op de juiste locatie te laten plaatsvinden is het ook van belang dat stoppende bedrijven op minder goede locaties ook daadwerkelijk stoppen en er geen ongewenste ‘doorstart’ gaat plaatsvinden.

•

Via handhaving en voorlichting wordt het naleven van de vergunningsvoorwaarden bevorderd met speciale aandacht voor het gebruik van stalsystemen met luchtwassers.

•

Onderzocht wordt of het wenselijk is om het recht op het automatisch omschakelen van diercategorieën binnen een IV bestemming in te perken. Onderzocht wordt voor welke diercategorieën en gebieden deze inperking gewenst is en welke juridische mogelijkheden er zijn om vrije overschakeling naar een andere diercategorie aan banden te leggen.

e. Beleidsuitgangspunten mestverwerking De gemeenten faciliteren de bestaande mestverwerkingsinitiatieven. Als er nieuwe kansrijke initiatieven ontstaan wordt afgewogen in hoeverre nog medewerking wordt verleend aan bestaande (veelal langlopende) initiatieven waar nauwelijks voorgang zit in de realisatie. •

Uitgangspunt is dat in de regio niet meer ruimte voor mestverwerking wordt geboden dan nodig is om de hoeveelheid mest die in de regio wordt geproduceerd te verwerken.

•

Mestverwerking is een vorm van agglomeratielandbouw. De beleidsuitgangspunten van agglomeratielandbouw zijn ook van toepassing op mestverwerking.

•

Bij nieuwe grootschalige initiatieven wordt in eerste instantie ingezet op vestiging op bedrijventerreinen. Indien dit niet haalbaar is, wordt gezocht naar bestaande toekomstbestendige locaties in het landelijk gebied.

4.4.2. Verbreden In z’n algemeenheid staat de regio open voor de doorontwikkeling van alle vormen van kleinschalige land- en tuinbouw, inclusief de verbreding met niet agrarische functies. •

Gemeenten stimuleren de mogelijkheden voor dit type agrarische bedrijven binnen de gebieden waar mogelijkheden tot verweving van functies het grootst zijn. Dit zijn veelal gebieden met een kleinschalig karakter en waar een groot aantal niet-agrarische functies, zoals natuur, water, recreatie en wonen veel voorkomen.

4.4.3. Kennisgedreven en kringlooplandbouw De ontwikkeling van agrarische bedrijven wordt steeds meer gedreven door kennis, innovatie en de ambities en technologische mogelijkheden op het gebied van kringlooplandbouw. Vanuit economische en maatschappelijke (duurzaamheid) invalshoek ondersteunt de regio deze ontwikkeling. Omdat sprake is van een relatief nieuwe ontwikkeling weten we nog niet wat de ruimtelijke effecten hiervan zijn. Om die reden kent de regio op dit moment nog geen ruimtelijke beleidsuitgangspunten voor deze ontwikkeling.

17

4.4.4. Stoppers Er is reeds nu sprake van leegstand en de verwachting is dat deze zal toenemen doordat meerdere agrarische bedrijven komende jaren gaan stoppen. De aanpak van leegstand vraagt om een integrale benadering, waarbij een oplossingsrichting moet worden gezocht in een brede coalitie van provincie, gemeenten en zakelijke stakeholders (bijv. banken, LLTB, makelaars) gericht op een integrale aanpak (zowel het economisch, ruimtelijk als sociaal domein). De regio wil bijdragen aan het oplossen van de leegstandsproblematiek in het landelijk gebied in relatie tot (de ontwikkeling van) toekomstbestendige locaties, dynamisch voorraadbeheer en ruimtelijke kwaliteit. •

de gemeenten werken daarom alleen mee aan de herbestemming van vrijkomende agrarische bebouwing als er, vanuit de nieuwe functie beredeneerd, sprake is van een toekomstbestendige locatie.

•

de gemeenten werken alleen mee aan nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf als er geen bestaande agrarische bedrijfslocatie voorhanden is, die als een toekomstbestendige locatie voor het nieuw te vestigen bedrijf kan worden gezien.

•

de herbestemming van vrijkomende agrarische bebouwing wordt slechts toegestaan indien dat in overeenstemming is met de regionale bestuursafspraken over alle POL-thema’s;

•

De regio wil bijdragen aan de oplossing van de asbestopgave in het landelijk gebied. De gemeenten werken daarom niet mee aan het herbestemmen van vrijkomende agrarische bebouwing indien een aanwezig dak van asbest niet wordt gesaneerd.

•

Een beperkte verruiming van het lokale beleid voor nieuwe gebruiksfuncties in vrijkomende agrarische bebouwing is mogelijk voor het tijdelijk toestaan van functies die een financiële drager vormen voor de sloop van de bebouwing op termijn.

4.5 Invalshoek ‘Gebied’ De locatie van een initiatief kan worden beschreven aan de hand van het (grotere) gebied dat het ligt. Vanuit deze invalshoek gaat het om de invloed van een initiatief op de kwaliteiten en ambities van het betreffende gebied. Dit wordt het ontwikkelingsperspectief van een gebied genoemd. Het ontwikkelingsperspectief van een gebied kan op verschillende schaalniveaus worden verwoord. Om invulling te geven aan het regionale belang is het Ruimtelijk Kwaliteitskader (RKK) opgesteld. Hierin wordt enerzijds de regionaal ruimtelijke samenhang verwoord en verbeeld en anderzijds het belang van deze samenhang vastgelegd. Bij initiatieven wordt het RKK als hulpmiddel en inspiratiebron ingezet om vanuit een regionale bril het ontwikkelingsperspectief van een gebied in beeld te brengen. Vanwege de grote dynamiek in het landelijk gebied wordt gewerkt vanuit het principe van ontwikkelingsperspectief. Gekeken wordt welk perspectief een gebied heeft op basis van de ontwikkelingen in het verleden, heden en de verwachtingen naar de toekomst. Ontwikkelingen die hierbinnen passen worden een kans geboden. Voorwaarde is dat deze ontwikkeling resulteert in een verbetering van het perspectief van het gebied.

In een werklandschap is de verbreding van een weg een gewenste kwaliteit terwijl in een toeristisch landschap juist het behouden van een smalle weg als fietspad een passende kwaliteit is. Het gaat om de kwaliteit die past bij die omgeving. Er wordt dus niet op voorhand gekozen om de concrete ontwikkelingsmogelijkheden per gebied vast te leggen

18

omdat die mogelijkheden vooral voortkomen uit de initiatieven uit het gebied. De afweging blijft een lokale aangelegenheid.

4.6 Invalshoek ‘Locatie’ Vanuit het besef dat iedere locatie uniek is, wordt ieder initiatief op locatieniveau beschreven. In de omgevingsdialoog worden naast het economische ontwikkelingsperspectief van een bedrijf de effecten van een initiatief voor de directe omgeving in beeld gebracht en besproken. De effecten op de directe omgeving worden beschreven aan de hand van in ieder geval de volgende aspecten:  Landschap;  Infrastructuur;  Cultuurhistorie;  Natuur/ecologie;  Duurzaamheid;  Klimaatadaptatie;  Woon- en leefklimaat; In bijlage 2 is beschreven wat onder deze aspecten wordt verstaan.

19

5. AFSTEMMINGSPROTOCOL Algemeen Het afbakenen van de lokale, regionale en de provinciale rollen in de regionale samenwerking krijgt vorm in de POL-uitwerkingen en is vastgelegd in het “Regionaal Afstemmingsprotocol NoordLimburg”. Dit protocol is door gemeenten en provincie gezamenlijk bestuurlijk vastgelegd. Het afstemmingsprotocol bestaat uit een drietal vormen van afstemming:  Informeren: het verzamelen en uitwisselen van informatie. Afhankelijk van de casus c.q. problematiek kan ook gezamenlijk een nadere oriëntatie plaatsvinden om het vraagstuk/ probleem helder(der) te krijgen en wie eigenaar/ belanghebbende/ beslisser is;  Afstemmen: in gezamenlijkheid wordt de informatie afgewogen en eisen geformuleerd waar oplossingen aan moeten voldoen. Het kan ook betekenen dat er gevraagd wordt om alternatieven en/ of ongewenste (bij)effecten in beeld te brengen;  Instemmen: komen tot een gezamenlijk geaccepteerd en gedragen besluit (en dus een vervolgstap op afstemming). Per POL-thema is dit protocol verder ingevuld aan de hand van de beleidskaders die gezamenlijk worden afgesproken. Hierna is per onderwerp beschreven op welke manier sprake is van regionale afstemming bij initiatieven; concreet is dan aangegeven welke vorm van afstemming aan de orde is: informeren, afstemmen of instemmen.

Borging van afspraken Initiatieven waar het afstemmingsprotocol betrekking op heeft, worden in eerste instantie besproken in de projectgroep landelijk gebied. Daar worden ze voorzien van een gedragen advies. Vervolgens wordt het advies doorgeleid naar het RCO en het PHO Ruimte. Mochten gemeenten de afspraken niet of onvoldoende nakomen, dan spreken de regiogemeenten elkaar hier in eerste instantie op aan. Als dit niets of onvoldoende oplevert, kan de provincie op verzoek van één (of meer) gemeente(n) haar instrumentarium inzetten om naleving van de afspraken te bevorderen. De provincie kan ook uit eigen beweging haar instrumentarium inzetten om naleving van de afspraken te bevorderen of zelfs af te dwingen. Agglomeratielandbouw Agglomeratielandbouw is een relatief nieuwe ontwikkeling bij bestaande agrarische bedrijven waarvan we nog niet op voorhand kunnen vastleggen wat wel en niet wenselijk is en wat het regionale belang is. Om op de hoogte te blijven van de trends/ontwikkelingen bij bestaande agrarische bedrijven zal door de gemeenten gezamenlijk wel de vinger aan de pols worden houden door elkaar te informeren. Bij een initiatief voor de vestiging van een nieuw agglomeratielandbouwbedrijf in de regio wordt eerst onderzocht of vestiging op een bedrijventerrein mogelijk is. Pas nadat daaruit blijkt dat dit niet haalbaar is, kan vestiging in het landelijk gebied plaatsvinden.

Als dit aan de orde is, is afstemming met de regio nodig. Glastuinbouw Bij uitbreiding van een ontwikkelingsgebied glastuinbouw is instemming van de regio vereist. Bij inkrimpen van een ontwikkelingsgebied glastuinbouw is afstemming met de regio nodig.

20

Bij de lokale afweging rond ‘niet-toekomstbestendige ontwikkelingsgebieden glas‘ (zie acties) vindt ook regionale afstemming plaats. Intensieve teelten: De ontwikkeling op gebied van intensieve teelten is voornamelijk een kwaliteitsvraagstuk, waarbij initiatieven vooral een lokale afweging vragen. Gemeenten informeren elkaar bij nieuwe initiatieven die groter zijn dan in het bestemmingsplan is toegestaan. Intensieve veehouderij Initiatieven voor uitbreiding en nieuwvestiging van intensieve veehouderijbedrijven is geen regionaal belang, maar vraagt een lokale afweging. Gemeenten informeren elkaar bij nieuwe initiatieven die niet (direct) in het bestemmingsplan passen. Als er sprake is van gemeentelijk beleidsontwikkeling ter voorkoming van gezondheidsrisico’s zal er regionaal worden afgestemd. Deze behoefte kan ontstaan als gevolg van nadere informatie over het rapport ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden’. Mestverwerking Op dit moment is sprake van een evenwicht in vraag en aanbod van mestverwerkingscapaciteit, als alle op 1 januari 2018 bekende plannen worden uitgevoerd (zie bijlage 4). Indien er nieuwe initiatieven voor mestverwerking worden ingediend die mest van derden mogen verwerken, dan vraagt dit om regionale instemming. Er is sprake van een nieuw initiatief als deze niet voorkomt in het monitoringsoverzicht.

Leegstand Bij initiatieven voor de herinvulling van vrijkomende agrarische bebouwing (VAB’s) kan sprake zijn van strijdigheid met andere regionale visies die in het kader van de POL-uitwerkingen zijn opgesteld. Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk om deze toets zelf uit te voeren en waar nodig af te stemmen met de regionale ambtelijke werkgroepen voor de POL-thema’s werklocaties (bedrijventerreinen en kantoren), wonen en vrijetijdseconomie.

21

6. UITVOERINGSPROGRAMMA Voorliggend document bevat een visie op de ruimtelijke ontwikkeling van de land- en tuinbouw in de regio Noord-Limburg. De geschetste inhoudelijke beleidslijnen en handelswijze wordt ondersteund door een aantal acties om de visie tot uitvoering te kunnen brengen of verder te ondersteunen. In deze paragraaf zijn de belangrijkste acties vermeld. In een aantal gevallen zijn dit acties die vanuit iedere gemeente afzonderlijk dient te worden opgepakt in een aantal andere gaat het om een regionale actie. Daarbij wordt ook een structurele en actieve samenwerking met stakeholders op poten gezet. Algemeen Deze visie kent beleidsmatige uitspraken, welke door de individuele gemeenten moeten worden doorvertaald in lokaal beleid. Tevens omvat deze visie een vernieuwende werkwijze zoals het voeren van een dialoog met initiatiefnemers en het integraal afwegen van belangen. Om de gestelde doelstellingen en ambities van deze visie te bereiken wensen gemeenten, gezamenlijk met provincie Limburg en diverse stakeholders (zoals LLTB, Waterschap , Natuur en Milieufederatie, etc.), te leren experimenteren. Tevens willen gemeenten ontwikkelingen en ervaringen monitoren om er samen van te kunnen leren en om inzichtelijk te krijgen of de ingezette koers kan worden voortgezet of moet worden bijgesteld. Actie Leren, experimenteren en implementeren visie Land- en tuinbouw.

Denk o.a. aan het laten landen in de organisatie, het stimuleren dat er gebruik wordt gemaakt van de visie en afstemming met andere regionale visies (dwarsverbanden).

Actor Lokaal/ Regio/ Provincie

Termijn Continu

Actor Lokaal/ Regio/ Provincie

Termijn Continu

Actor Lokaal

Termijn 2019-2021

Lokaal

2019-2021

Regio

2019-2021

Regio

2019-2021

Agglomeratielandbouw Actie Om op de hoogte te blijven van de trends/ontwikkelingen houden gemeenten samen de vinger aan de pols. Door casussen met elkaar te bespreken zal gaandeweg een beter beeld ontstaan van de consequenties van (diverse vormen van) agglomeratielandbouw. Dan kan worden bezien of er een gemeenschappelijke lijn uitkomt die vraagt om regionaal beleid.

Glastuinbouw Actie Gemeenten brengen voor hun grondgebied de ontwikkelingsmogelijkheden van zowel de ontwikkelingsgebieden glas als de solitaire locaties in beeld op basis van de criteria voor ‘toekomstbestendige locaties’. Afhankelijk van de trends in de glastuinbouw brengen gemeenten de ‘niet-toekomstbestendige’ gelegen ontwikkelingsgebieden in beeld en brengen waar nodig de m2 ontwikkelingsgebied glas terug. Hierbij wordt meegenomen of deze gebieden nog geschikt zijn voor nieuwvestiging van glastuinbouw of dat deze enkel geschikt zijn voor uitbreiding van de bestaande glastuinbouwbedrijf. De regio onderzoekt of de aanwezige planologische ruimte op niettoekomstbestendige locaties kan of moet worden ingeperkt. Dit kan gewenst zijn als sprake is van een planologisch overschot aan ontwikkelingsmogelijkheden en het voorkomen van ongewenste ontwikkelingen op niet-toekomstbestendige locaties. De regio onderzoekt of het wenselijk is om de voormalige provinciale referentiemaat voor solitair glastuinbouw lokaal los te laten indien het ‘toekomstbestendige locaties’ betreft.

22

Intensieve teelten i.r.t. acties Glastuinbouw en Regionaal Ruimtelijk Kwaliteitskader (RKK) Actie Aan de hand van het ruimtelijk kwaliteitskader zal op lokaal niveau een nadere analyse plaatsvinden welke gebieden zich bij uitstek lenen voor grootschalige (nieuwe) initiatieven voor intensieve teelten.

Actor Lokaal

Termijn 2019-2021

Intensieve veehouderij Onder de vlag van het project “schone stallen”, wat onder regie van de Provincie Limburg wordt uitgevoerd, worden de volgende acties uitgevoerd: Actie Gemeenten brengen de latente ruimte binnen vergunningen en bestemmingsplannen in beeld en brengen deze, waar mogelijk en nuttig geacht, terug. De mogelijkheid en toepasbaarheid van toekomstige wetgeving voor het verminderen van de overlast van IV-bedrijven worden in gezamenlijkheid beoordeeld. Hierbij wordt bezien of er tot aan de invoering van nieuwe wetgeving een interim beleid (ter voorkoming van gezondheidsrisico's binnen bestaande wetgeving) noodzakelijk en mogelijk is. Regio en provincie zoeken naar mogelijkheden om ervoor te zorgen dat emissieruimte die ontstaat door verplaatsende of stoppende bedrijven op “niet-toekomstbestendige” locaties niet vanzelfsprekend door andere bedrijven weer wordt opgevuld. Onderzocht wordt of het wenselijk is om het recht op het automatisch omschakelen van diercategorieën binnen een IV bestemming in te perken. Provinciaal/regionaal wordt onderzocht voor welke diercategorieën en gebieden inperking gewenst is en welke juridische mogelijkheden er zijn om vrije overschakeling naar een andere diercategorie aan banden te leggen. Per gemeente wordt dit onderzocht en wordt er op gemeentelijk niveau een besluit genomen.

Gemeenten kunnen een eigen afwegingskader opstellen welke overschakeling zij wel en niet wenselijk vinden. Gemeenten zullen zich inspannen om ervoor te zorgen dat op bedrijfslocaties die per 1 januari 2020 niet voldoen aan het besluit emissiearme huisvesting de benodigde vervolgstappen worden gezet.

Actor Provincie Lokaal

Termijn 2019-2021

Provincie/ Regio

2019-2021

Provincie/ Regio

2019-2021

Provincie/Regio/gemeenten

2019-2020

Gemeenten

1 januari 2020

De provincie verzorgt de jaarlijkse monitoring van de invloed van de IV-sector op de kwaliteit van de leefomgeving in het kader van het “manifest duurzame veehouderij”. De gemeenten leveren daarin een bijdrage door zorg te dragen voor een actueel bestand met gemeentelijke omgevingsvergunningen voor de IV-sector.

Provincie

Jaarlijks

Schone stallen Het actieprogramma Schone Stallen wordt in de hele regio uitgerold.

Provincie

2025

Actor Regio/ Provincie

Termijn 2019

Mestverwerking Actie Regio en provincie maken afspraken over op welke wijze de informatie wordt bijgehouden, zodat de monitoring ook daadwerkelijk uitgevoerd kan worden.

23

Kringlooplandbouw en natuurinclusieve landbouw Actie Om op de hoogte te blijven van de trends/ontwikkelingen en het voorkomen van mogelijke ruimtelijke belemmeringen voor wat betreft de thema’s kringlooplandbouw en natuurinclusieve landbouw houden gemeenten samen de vinger aan de pols. Door casussen met elkaar te bespreken zal gaandeweg een beter beeld ontstaan van de ruimtelijke wensen en behoeften vanuit het perspectief kringlooplandbouw dan wel natuurinclusieve landbouw. Dan kan worden bezien of er een gemeenschappelijke lijn uitkomt die vraagt om regionaal beleid.

Actor Regio

Termijn continu

Actie De regio doet onderzoek naar de mogelijkheid om tijdelijk nieuwe gebruiksfuncties in vrijkomende agrarische bebouwing toe te staan indien dat een financiële drager vormt voor sloop van de bebouwing op termijn.

Actor Regio

Termijn 2019

De regio wil een instrument ontwikkelen om excessieve verloedering van leegstaande bebouwing in het landelijk gebied tegen te gaan. De regio stelt daarom een handvat ‘excessenregeling’ op, welke lokaal kan worden uitgewerkt.

Regio

2019

De provincie Limburg rolt de monitoring van leegstaande en vrijkomende agrarische bebouwing verder uit over de regio. De gemeenten participeren in dit project.

Provincie

2019

Gemeenten geven uitvoering aan het Plan van aanpak Perspectief Stoppende agrarisch ondernemers.

Gemeenten en provincie

2019-2020

Stoppende agrarische bedrijven

24

Bijlage 1. Begrippenlijst Agglomeratielandbouw: nieuwe vorm van land- en tuinbouw waarbij primaire productie gekoppeld wordt aan andere onderdelen van de productieketen (verwerking, verpakking en opslag van producten, verwerken reststromen e.d.), veelal grootschalig en met industriële uitstraling (bron: POL 2014) Intensieve veehouderij: het hebben van een bedrijfsmatige tak van varkens, kippen, vleeskuikens, stieren voor roodvleesproductie, geiten, eenden, pelsdieren, konijnen, kalkoenen of parelhoenders waarvoor een milieuvergunning is verleend (ontleent aan Reconstructieplan Noord- en Midden-Limburg, waarbij de diercategorie geiten is toegevoegd). Nieuwvestiging agrarisch bedrijf: Het toekennen van een agrarisch bouwvlak op een locatie waar volgens het vigerend bestemmingsplan geen agrarisch bouwvlak is voorzien. Dit kan een onbebouwde locatie zijn (zonder bouwmogelijkheden) of bijvoorbeeld een locatie waar sprake is van bebouwing zoals een burgerwoning binnen de bestemming Wonen. Nieuwvestiging intensieve veehouderij: Het toekennen van een functie-aanduiding voor intensieve veehouderij op een locatie waar volgens het vigerend bestemmingsplan geen intensieve veehouderij is voorzien.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10595677/1