05 Toelichting Westsingel 1 Venray
Tekst van het document
bedrijfsgebondenheid een afwegingsgrond die wordt betrokken bij het al dan niet vaststellen van hogere waarden. Het heersende geluidniveau op locatie kan door de ligging aan de drukke West- en Zuidsingel als relatief hoog worden beschouwd. Borging binnen geluidniveaus en te treffen maatregelen Bij verlening van een hogere waarde wordt in het kader van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen door de gemeente Venray verlangd dat de initiatiefnemer middels akoestisch onderzoek aantoont dat de uitwendige scheidingsconstructie van de woning, bijvoorbeeld door toepassing van extra voorzieningen, voldoende is om een binnengeluidniveau van 33 dB voor wegen spoorverkeerslawaai en van 35 dB(A) voor industrielawaai te garanderen. De geluidbelasting bij de beoogde ontwikkeling aan de Westsingel te Venray exclusief aftrek van artikel 110g bedraagt bij appartementen complex A ten hoogste 61 dB. Bij appartementen complex B ten hoogste 62 dB. Bij het zorgcomplex ten hoogste 64 dB. Met een gevelwering welke ten minste 20 dB bedraagt op basis van het Bouwbesluit, zal het binnenniveau ten hoogste 41, 42 en 44 dB bedragen en wordt niet voldaan aan de eisen van het Bouwbesluit.
Bij de aanvraag omgevingsvergunning bouw zal doormiddel van een gevelweringonderzoek aangetoond moeten worden dat een voldoende karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructies (GA,K) gerealiseerd kan worden om aan een binnenniveau van 33 dB te voldoen. De geluidbelasting bij de beoogde levensloop bestendige woningen exclusief aftrek van artikel 110g bedraagt ten hoogste 53 dB. Met een gevelwering welke ten minste 20 dB bedraagt op basis van het Bouwbesluit, zal het binnenniveau ten hoogste 33 dB bedragen en wordt voldaan aan de eisen van het Bouwbesluit. Spoorweg- en industrielawaai In de nabijheid van het plangebied zijn geen spoorlijnen of bedrijven gelegen waardoor dit aspect geen belemmering vormt. Conclusie Het aspect ‘Geluid’ vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.
5.1.6
Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste besluiten zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt.
28
Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag.
Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten weten bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron Inrichtingen (Bevi)
Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen.
Buisleidingen (Bevb)
Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen1.
een
Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)
Wanneer sprake groepsrisico of oriëntatiewaarde.
het de
is
van toename van overschrijding van
Bij buisleidingen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer: 1. Het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of; 2. De toename minder is dan 0,1 keer oriëntatiewaarde of; 3. Personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. 1
29
In artikel 7 van het Bevt is opgenomen dat bij het toevoegen van nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten een verantwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden. Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit to vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ (art. 3.1. Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’ enzovoort. Toetsing Met behulp van de risicokaart is beschouwd of risicobronnen in de omgeving van het plangebied een risico vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. In figuur 8 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven.
Figuur 8. Uitsnede risicokaart. Plangebied blauw omcirkeld.
Risicovolle inrichtingen Ten oosten van het plangebied is aan de Leunseweg 47a een tankstation gelegen. Bij dit tankstation is een LPG-vulpunt, -reservoir en -afleverinstallatie aanwezig. De risicocontouren behorende bij de LPG-afleverinstallaties bedragen ten hoogste 15 meter en de risicocontouren behorende bij het LPG-vulpunt en -reservoir bedragen ten hoogste 25 meter. Gezien de ligging van het plangebied op circa 675 meter van het tankstation, is het plangebied buiten de risicocontouren gelegen. Ten aanzien van het LPG-vulpunt en het -reservoir is tevens sprake van een invloedsgebied. Deze invloedsgebieden reiken tot een afstand van 150 meter. Hier is het plangebied niet binnen gelegen waardoor het groepsrisico niet verantwoord dient te worden.
30
Risicovol transport over (spoor- of water-) wegen In de directe omgeving van de planlocatie vindt geen risicovol transport plaats over wegen, spoorwegen of waterwegen waardoor dit aspect geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Buisleidingen In de directe omgeving van de planlocatie is geen buisleiding gelegen waardoor dit aspect geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Conclusie Ten aanzien van het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen.
5.1.7
Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot een gevoelige functie dient te zijn (zogenaamde richtafstanden). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. De beoogde (zorg)woningen betreffen geen bedrijf of inrichting welke moet worden getoetst aan een minimumafstand tot andere gevoelige objecten. Omdat de beoogde (zorg)woningen gevoelige objecten betreffen, is gekeken naar de omliggende functies en de bijbehorende aan te houden afstanden tot gevoelige objecten. De richtafstanden welke zijn opgenomen in de VNG-publicatie worden aangehouden om te bepalen of er genoeg ruimte zit tussen bedrijven en gevoelige objecten. Deze afstanden zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ en kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. In het geval dat een locatie is gelegen binnen een ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden met 1 stap worden verkleind. Een gemengd gebied heeft verschillende kenmerken.
Dit kan bijvoorbeeld een lint zijn waar meerdere functies naast elkaar zijn gevestigd of een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg is gelegen. Een gemengd gebied kent hierdoor al een hogere milieubelasting, waardoor er kleinere richtafstanden mogen worden aangehouden dan bij een rustige woonwijk. In de omgeving van het plangebied zijn voornamelijk woonbestemmingen gelegen waardoor gesproken kan worden van een rustige woonwijk. De aan te houden afstanden conform de VNG-publicatie mogen daarom niet met 1 stap worden verkleind. In onderstaande tabel is getoetst of voldaan kan worden aan de VNG-afstanden. De werkelijke afstand heeft betrekking op de afstand van de woningen binnen het plangebied tot het bestemmingsvlak van omliggende functies.
31
Tabel 3 Richtafstanden conform VNG publicatie functies omgeving planlocatie
Adres
Functie
Richtafstand
Langstraat 90 Langstraat 100 Langstraat 110
Fietsenwinkel Huisartsenpraktijk Tankstation (zonder LPG) Autobedrijf Zorgcomplex Sportcomplex
Blauwververstraat 2 Blauwververstraat 14 Sportlaan 1
Voldaan?
10 meter 10 meter 30 meter
Werkelijke afstand 50 meter 20 meter 125 meter
30 meter 10 meter 50 meter
125 meter 125 meter 85 meter
Ja Ja Ja
Ja Ja Ja
Uit tabel 3 blijkt dat aan de minimum richtafstanden van functies in de omgeving kan worden voldaan. De afstand tussen het beoogde zorgcomplex (milieucategorie 1) en de woningen binnen het plangebied bedraagt minimaal 10 meter waardoor ook aan deze minimum richtafstand kan worden voldaan. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
5.1.8
Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen Bij ontwikkelingen is het van belang om te kijken of er door of nabij het plangebied kabels, leidingen en hoogspanningslijnen zijn gelegen waar rekening mee gehouden moet worden. Kabels en leidingen Uit het bestemmingsplan en de risicokaart (paragraaf 5.1.6) komt naar voren dat er geen kabels in het plangebied aanwezig zijn die een beschermingszone in het kader van de te voeren planologische procedure hebben. Hoogspanningslijnen Op circa 2,6 kilometer ten oosten van het plangebied is een hoogspanningslijn gelegen. Deze afstand is voldoende groot waardoor dit niet voor een belemmering zorgt.
5.1.9
Niet Gesprongen Explosieven Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Het gehele grondgebied van de gemeente Venray heeft in de Tweede Wereldoorlog onder vuur gelegen. Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven (NGE). Met behulp van het explosievenonderzoek worden de aanwezigheid en risico’s van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht. De gemeente Venray adviseert bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detectieonderzoek uit te (laten) voeren. Dit onderzoek dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de bestemmingsplanprocedure niet juridisch afdwingbaar. Het is echter te allen tijden de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving.
32
5.1.10
Duurzaamheid De gemeente Venray heeft de ambitie om in 2030 energieneutraal zijn. Het streven is nieuwbouwwoningen met een zo hoog mogelijke energieprestatie te realiseren. De nieuwe woningen binnen het plangebied worden gasloos gebouwd en zullen voldoen aan de vereisten voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen (Beng) waardoor deze zeer energiezuinig zijn. Daarnaast krijgt 20% van de gronden een groene invulling waardoor het plan bijdraagt aan het verminderen van hittestress en wordt een waterberging aangelegd om het regenwater binnen het perceel op een goede manier te kunnen laten infiltreren (zie paragraaf 5.2). Voorliggend bestemmingsplan voorziet dus in de duurzaamheidsambities van de gemeente Venray.
5.2
Water Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. Werd in het verleden het water en de waterlopen voornamelijk gevormd en veranderd naar de wensen van inrichters en gebruikers, blijkt de laatste jaren steeds meer dat dit kan leiden tot waterproblematiek. Hierbij kan gedacht worden aan verdrogingsverschijnselen, maar ook aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevigere weersveranderingen ten aan zien van droogte en extreme regenbuien. Bij de locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies moeten de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen. Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. In dit kader is er dan ook een waterparagraaf opgesteld. In de onderstaande waterparagraaf wordt beschreven op welke wijze in het plangebied met water en water-gerelateerde aspecten wordt omgegaan.
5.2.1
Waterbeleid Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Venray als het Waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. Concreet betekent dit dat er sprake moet zijn van gescheiden schoon- en vuilwaterstromen die afzonderlijk worden verwerkt. Vanuit de gemeente Venray en het Waterschap Limburg gelden daarbij de volgende uitgangspunten: 1. Afkoppelen van 100% van het verhard oppervlak, waarbij de beslisboom verantwoord afkoppelen van toepassing is; 2. De trits vasthouden-bergen-afvoeren is van toepassing, waarbij hergebruik dan wel infiltratie van schoon regenwater de voorkeur heeft; 3. Verontreiniging van het water dient door bronmaatregelen voorkomen te worden; 4. Grondwateroverlast dient voorkomen te worden; 5. Een gelimiteerde afvoer naar het oppervlaktewatersysteem is toegestaan; 6. Bij inbreidingslocaties dient een voorziening gerealiseerd te worden met een minimale inhoud van 60 mm (waarbij het Waterschap overigens 100 mm adviseert) met een overloop naar maaiveld of oppervlaktewater. De infiltratievoorziening(en) dient binnen 24 uur leeg te zijn.
33
5.2.2
Waterhuishoudkundige situatie Binnen het plangebied moet een duurzaam waterhuishoudkundig systeem worden aangelegd om de hoeveelheid regenwater te verwerken die gelet op het ter plaatse aan de orde zijnde (nieuw) afvoerend verhard oppervlak (bebouwing inclusief erfverhardingen) binnen het plangebied valt. Het planvoornemen voorziet in de herontwikkeling van het perceel waarbij bestaande bebouwing en verharding wordt gesloopt en verwijderd en plaats maakt voor nieuwe bebouwing en verharding. Als gevolg van de herontwikkeling neemt de oppervlakte aan verharding in de nieuwe situatie toe. Er dienen dus maatregelen genomen te worden om het water binnen het plangebied te kunnen verwerken. Hierbij wordt de waterbergingsnorm van de gemeente Venray (60 mm voor elke m2 aan te leggen verhard oppervlak) gehanteerd en dient de infiltratievoorziening binnen 24 uur leeg te zijn. De gezamenlijke oppervlakte aan verharding in de toekomstige situatie bedraagt circa 7.035 m2. Dat houdt in dat er een infiltratievoorziening van (7.035 x 0,06 =) 422,1 m3 aangelegd dient te worden. Het voornemen bestaat echter om een gedeelte van de gebouwen uit te voeren met groene daken en de parkeerplaatsen uit te voeren met grastegels. Voor deze maatregelen kan een reductie van 50% voor de bergingsopgave worden gerekend waardoor de aan te leggen infiltratievoorziening een kleinere omvang heeft dan 422,1 m3.
Uit een eerste voorlopige berekening blijkt dat de benodigde infiltratievoorziening een omvang heeft van 367,6 m3. Middels de aanleg van een wadi en infiltratiekoffers zal deze hoeveelheid water geborgen worden. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zal dit aspect nader worden uitgewerkt. De eisen waar de voorziening aan moet voldoen zijn opgenomen in de Toetssteen openbare ruimte (TOR) 2022. Gezien de grootte van het perceel zijn er op dit punt geen belemmeringen te verwachten. De afvoer van huishoudelijk afvalwater dient plaats te vinden via het aanwezige rioleringssysteem. De te realiseren woningen zullen daartoe worden aangesloten op de gemeentelijk riolering in de Westsingel. De gemeente Venray streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het pakket duurzaam bouwen. Er zal derhalve, voor zover relevant, geen gebruik worden gemaakt van uitlogende bouwmaterialen.
5.3
Natuur
5.3.1
Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De beleidsmatige natuurbescherming die voorheen was vastgelegd in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is opnieuw vastgelegd, maar heeft een andere naam gekregen namelijk Natuur Netwerk Nederland (NNN). Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten. Bij negatieve
34
effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Natura 2000 De planlocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen gebied behorende bij Natura 2000 is ten noordoosten van het plangebied op een afstand van circa 3,4 kilometer gelegen en betreft ‘Boschhuizerbergen’. Daarnaast is op circa 8,1 kilometer ten westen van het plangebied het Natura 2000-gebied ‘Deurnsche Peel & Mariapeel’ gelegen. Ontwikkelingen kunnen een significant negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden door onder andere een aanzienlijke toename van het aantal verkeersbewegingen en sloop- en bouwwerkzaamheden. Met AERIUS calculator kan de stikstofdepositie door een ruimtelijke ontwikkeling in kaart worden gebracht. Uitkomsten tot 0,00 mol per ha/jaar zijn de basis om te kunnen concluderen dat het plan niet vergunningsplichtig is voor de Wet natuurbescherming (Wnb), wat betreft het onderdeel stikstof. Doordat de Wet stikstofreductie en natuurverbetering door een uitspraak van de Raad van State vernietigd is, is de bouwvrijstelling voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten niet meer van toepassing.
Hierdoor is het uitvoeren van stikstofdepositieberekening voor de aanlegfase van voorgenomen ontwikkeling noodzakelijk. Deze berekening is uitgevoerd en opgenomen in bijlage VI bij deze toelichting. Voor de gebruiksfase dient, gezien het aantal verkeersbewegingen van en naar de planlocatie in de beoogde situatie toeneemt met 224,8 verkeersbewegingen per etmaal (zie paragraaf 5.6.1), eveneens een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. De stikstofdepositieberekening is eveneens opgenomen in bijlage VI. Bij het invoeren van de 224,8 verkeersbewegingen is rekening gehouden met 10% filevorming. Conclusie Uit de resultaten van de AERIUS berekening volgt dat er als gevolg van de aanleg- en gebruiksfase 0,00 mol/ha/jaar stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Natuur Netwerk Nederland De planlocatie is tevens niet binnen een gebied gelegen behorend tot het Natuur Netwerk Nederland. Het meest dichtbijgelegen gebied behorende tot het Natuur Netwerk Nederland is op een afstand van circa 1,7 kilometer ten westen van de planlocatie gelegen. Gezien de aard van de ontwikkeling en de afstand tot het dichtstbijzijnde gebied vormt dit geen belemmering ten aanzien van het Natuur Netwerk Nederland.
5.3.2
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende
35
maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Om in kaart te brengen welke effecten voorgenomen ontwikkeling heeft op eventueel lokaal voorkomende beschermde flora en fauna is op 22 februari 2022 een Quickscan flora en fauna uitgevoerd. Hieronder zijn de conclusies en aanbevelingen uit het onderzoek weergegeven. Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage VII. Beschermde planten en dieren Vogels In de opgaande vegetatie in het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan. Omdat vogels sporadisch ook buiten de periode 15 maart – 15 juli broeden, kan het verwijderen van opgaande vegetatie toch leiden tot overtreding van de Wnb. Indien blijkt dat er broedende vogels aanwezig zijn, dan mogen deze niet worden verstoord.
Ook mogen in gebruik zijnde nesten niet worden vernield. Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Vleermuizen De te slopen bebouwing bevat mogelijk zomer-, kraam-, paar- en (massa)winterverblijven van verschillende soorten vleermuizen. Het slopen van de gebouwen kan daarom leiden tot vernietiging van vleermuizen en hun verblijven. Omdat alle vleermuissoorten streng zijn beschermd, dient het voorkomen van dergelijke verblijven conform het vleermuisprotocol (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging, 2021) te worden onderzocht.
Volgens het vleermuisprotocol zijn daartoe 7 onderzoeksronden nodig: - 3 ronden (2 avonden en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de kraamtijd (periode 15 mei – 15 juli, waarbij er telkens minimaal 20 dagen zit tussen de bezoeken); - 2 ronden (1 avond en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de paartijd (periode 15 augustus – 1 oktober, waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee bezoeken);
36
-
2 ronden (2 maal na middernacht) onderzoek met batdetectors in de periode 1 augustus – 10 september (waarbij er ten minste 10 dagen zit tussen de twee bezoeken).
Indien blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn, dient er een ontheffing op de Wnb te worden aangevraagd. Ook dient de functionaliteit van het plangebied te worden gewaarborgd. Dit houdt in dat er op aangepaste wijze wordt gesloopt (zodat er geen vleermuizen worden gedood) en dat er nieuwe vleermuisverblijven gecreëerd moeten worden. Om vertraging te voorkomen, is het verstandig om vooruitlopend op de resultaten van het vleermuizenonderzoek alvast vleermuiskasten verspreid over de wijk op te hangen. Gewone dwergvleermuizen hebben bijvoorbeeld de tijd nodig om aan nieuwe verblijfplaatsen te wennen. Gedurende deze gewenningsperiode moeten zowel de oorspronkelijke situatie als de nieuw aangebrachte vervangende voorzieningen beide aanwezig zijn (BIJ12, 2017). Het is daarom beter om voor zekerheid te gaan en alvast 12 kasten op te hangen. Dit dient te gebeuren aan niet te slopen panden binnen een straal van 200 meter van het plangebied (BIJ12, 2017), onder begeleiding van een deskundige. Daarnaast dienen er 2 kasten van types als VK SK 01, VK SK 02, VK SK 03, VMT3 of VMT3a binnen 50 meter van het plangebied te worden opgehangen, onder begeleiding van een deskundige (let op; deze kasten moeten een heel kraamseizoen hangen voorafgaand aan de sloop en dienen daarom vóór 15 mei 2022 te worden geplaatst).
Als blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn die door de sloopwerkzaamheden zullen worden vernietigd, wordt vertraging van de werkzaamheden (in verband met de gewenningsperiode) in de meeste gevallen voorkomen. De bomen aan de rand van (en net buiten) het plangebied, fungeren mogelijk als vaste vliegroute van vleermuizen. Om verstoring van vleermuizen te voorkomen, mag er tot op een afstand van 10 meter van alle voorgenoemde bomen alleen vleermuisvriendelijke buitenverlichting worden geplaatst; van de bomen af omlaag gerichte straatverlichting, met een scherpe bundel, zoals ledlampen. Hierbij kan worden gekozen voor amberkleurige UV-vrije led armaturen (Zoogdiervereniging, 2011) of rood licht (Spoelstra et al, 2017). Daarnaast is het voor vleermuizen aan te bevelen inlandse loofboomsoorten in de nieuwe situatie aan te planten. Zij vormen een geschikte voedselbron voor insecten, die op hun beurt weer als voedsel voor vleermuizen kunnen dienen. Naar aanleiding van de resultaten uit de quickscan flora en fauna is in de periode van 17 mei tot 28 september 2022 een aanvullend vleermuizenonderzoek uitgevoerd. Onderstaand zijn de resultaten en de conclusie uit dit onderzoek weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage VIII.
Resultaten Aan de wegzijde van het hoofdgebouw bleek op 18 augustus 2022 1 paarverblijf van de gewone dwergvleermuis aanwezig te zijn. Hier werd urenlang door een individuele gewone dwergvleermuis gecirkeld, terwijl deze telkens de paarroep liet horen. De exacte locatie van het paarverblijf kon niet worden vastgesteld, maar het betreft hier één van de openingen in de gevel aan de wegzijde (noordoostzijde). Overige verblijven of middernachtelijk zwermgedrag zijn niet waargenomen.
37
Elke onderzoekronde vloog er kort na/voor zonsondergang een aantal (1 – 5) gewone dwergvleermuizen in en rond het plangebied. Deze vlogen niet uit in het plangebied, waaruit valt op te maken dat er in de directe omgeving rond het plangebied meerdere verblijven van de gewone dwergvleermuis aanwezig zijn. Overige vleermuissoorten werden niet waargenomen. Conclusie De te slopen bebouwing aan de Westsingel 1 bevat 1 paarverblijf van de gewone dwergvleermuis. De gewone dwergvleermuis is streng beschermd onder de Wet natuurbescherming, evenals hun vaste rust- en verblijfplaatsen. Voordat het betreffende gebouw mag worden gesloopt, dient daarom een ontheffing op de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Deze ontheffing wordt aangevraagd voordat de sloopwerkzaamheden in gang worden gezet.
5.4
Archeologie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal bepalingen toegevoegd, die aangeven dat in een bestemmingsplan een beschrijving dient te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Aangetoond dient dan ook te worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In dit bestemmingsplan is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. In deze paragraaf gaan we daarom in op het aspect archeologie en in paragraaf 5.5 wordt ingegaan op het aspect cultuurhistorie. Conform het vigerende bestemmingsplan heeft het plangebied de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2‘ en ‘Waarde – Archeologie 5’. Dat betekent dat voor bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 250 m2 (ter plaatse van ‘Waarde – Archeologie 2’) en 2.500 m2 (ter plaatse van ‘Waarde – Archeologie 5’) en dieper dan 0,5 meter de uitvoering van een archeologisch onderzoek noodzakelijk is.
Tevens is er op de gemeentelijke archeologische beleidskaart een archeologische verwachtingswaarde aan het plangebied toegekend. Ondanks de archeologische verwachtingswaarde die op de archeologische beleidskaart aan het plangebied is toegekend, is de uitvoering van een archeologisch onderzoek in voorgenomen ontwikkeling niet noodzakelijk. De reden hiervoor is dat de ondergrond in een groot gedeelte van het plangebied reeds dermate verstoord is dat de kans op zinvol archeologisch onderzoek als klein of nihil moet worden beschouwd. Op topografische kaarten is te zien dat het plangebied tot eind jaren 60 van de vorige eeuw bouwland was. Vervolgens is de bestaande bebouwing gerealiseerd en deze heeft daarna nog enkele uitbreidingen gekend. Rond 2005 zijn er verder ten westen van dit gebouw nog twee kleinere gebouwen verrezen; deze zijn rond 2013-2014 afgebroken. Daarnaast heeft de inrichting van het onbebouwde gedeelte van het perceel (gras, bomen, verharding enz.) vanaf ca. 1970 de nodige veranderingen
38
ondergaan. Tot slot is direct ten zuiden van het plangebied de Mandenmakersstraat aangelegd en zijn daarlangs woningen gebouwd. Bij alle werkzaamheden die in het plangebied en directe omgeving zijn voor zover bekend/geregistreerd geen archeologische vondsten gedaan. Dit gegeven in combinatie met de verstoorde ondergrond van, in ieder geval een groot gedeelte van, het plangebied leidt tot de conclusie dat het plangebied archeologisch kan worden vrijgegeven. Het ‘zekerheidshalve’ doen van (voor)onderzoek om na te gaan of de bodem in delen van het plangebied nog min of meer gaaf is, wordt als vrijwel zinloos en daarmee disproportioneel geacht. Het aspect ‘Archeologie’ vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.5
Landschap en cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en esembles van een grotere schaal. Conform de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg en het bestemmingsplan ‘Herziening deelgebieden Venray’ zijn er binnen het plangebied geen monumenten of cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. Binnen het plangebied is echter wel een (voormalige) kapel aanwezig. De architectonische waarde van de kapel is zeer beperkt. Mede vanwege het alternatief gebruik in het verleden zijn nagenoeg alle karakteristieke eigenschappen niet meer aanwezig. Het enige onderdeel wat nog verwijst naar het verleden betreft de glas-in-lood ramen. Omdat door de stedenbouwkundige compositie van het project het behoud van de kapel niet mogelijk is, is het idee om de bestaande glas in loodramen deels in de algemene ruimte van de complexen terug te laten komen als verwijzing naar verleden. Hierbij zal op een RVSplaatje dat in de directe nabijheid wordt aangebracht een korte uitleg worden geven.
Daarnaast wordt de mogelijkheid onderzocht of in het zorgcomplex aanvullend ruimte beschikbaar is. Tijdens de uitwerking van het VO zal aandacht zijn voor glas-in-lood. Dit is mogelijk omdat het uit losse delen bestaat, beperkte grootte heeft en dat het glasin-lood niet doorloopt. Met onderhavige ontwikkeling zijn de cultuurhistorische en landschappelijke kenmerken dan ook niet in het geding.
5.6
Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.
5.6.1
Mobiliteit In het verleden vonden er verkeersbewegingen ten behoeve van de onderwijsinstelling van en naar de planlocatie plaats. Door de herontwikkeling van het perceel zal de verkeersgeneratie in de nieuwe situatie wijzigen. Om te bepalen of het aantal extra verkeersbewegingen een belemmering vormt ten aanzien van het aspect mobiliteit,
39
wordt de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ gehanteerd. Tabel 4 Aantal verkeersbewegingen huidige en nieuwe situatie (conform CROW publicatie)
Aantal/oppervlakte
Norm 1
Huidige situatie Onderwijsinstelling 332 0,81 Totaal aantal verkeersbewegingen per etmaal huidige situatie Nieuwe situatie Appartement, koop, 67 5,4 middelduur Appartement, koop, duur 2 6,9 Zorgwoningen Geschakelde woningen 2 9 6,9 Totaal aantal verkeersbewegingen per etmaal nieuwe situatie Verschil huidige / nieuwe situatie 1
verkeersbewegingen per eenheid per etmaal in schil centrum matig stedelijk gebied
2
categorie koop, huis, tussen/hoek CROW-publicatie 381
Totaal 268,9 268,9 361,8 13,8 56 62,1 493,7 224,8
Voor de berekening van de verkeersgeneratienorm van de onderwijsinstelling is uitgegaan van de volgende uitgangspunten, gebaseerd op de bestaande planologische mogelijkheden van de geldende bestemming: - De in het verleden aanwezige onderwijsfunctie in het pand betrof het ‘Medic Opleidingcentrum’. Deze functie behoort tot de categorie ‘Avondonderwijs/vrijetijdsonderwijs’ waarvoor een gemiddelde norm geldt van 8,1 verkeersbewegingen per 10 leerlingen in de schil van het centrum van matig stedelijk gebied. - Om de benodigde b.v.o. per leerling te berekenen, is de onderwijsinstelling ‘Raaylandcollege’ aan de Leunseweg 6 als referentie genomen. In het schooljaar 2021-2021 heeft deze school 1.451 leerlingen en bedraagt de b.v.o. van het pand 19.965 m2. Dat komt derhalve neer op een gemiddelde b.v.o. van 13,76 m2 per leerling. - Uitgaande van deze gemiddelde b.v.o./leerling betekent dit dat het pand aan de Westsingel 1 gemiddeld (4.569 : 13,76=) 332 leerlingen kan herbergen. - Op basis van de bovenstaande uitgangspunten bedraagt de mogelijke (en op basis van de laatst aanwezige onderwijsfunctie en planologisch mogelijke functie) verkeersgeneratie in de huidige situatie derhalve ((332 : 10) x 8,1=) 268,9 verkeersbewegingen per etmaal.
Voor de berekening van de verkeersgeneratienorm van de zorgwoningen is uitgegaan van de volgende uitgangspunten: - Er zijn geen kencijfers voor de generatie van verkeer van een verpleeghuis beschikbaar. - De parkeernorm voor verpleeg- en verzorgingshuizen is gemiddeld 0,6 parkeerplaatsen per wooneenheid. Bij 24 zorgwoningen betekent dit (24 x 0,6=) afgerond 14 parkeerplaatsen. - Alle parkeerplaatsen worden 2 maal per dag bezet (door zowel de niet-zorg behoevende bewoners, de bezoekers als het personeel) waardoor per parkeerplaats 4 verkeersbewegingen ontstaan (2 aankomsten en 2 vertrekken).
40
-
Op basis van de bovenstaande uitgangspunten bedraagt de verkeersgeneratie voor de zorgwoningen (14 x 4=) 56 verkeersbewegingen per etmaal.
Uit tabel 3 blijkt dat het aantal verkeersbewegingen per etmaal in de nieuwe situatie toeneemt met 224,8 verkeersbewegingen ten opzichte van de huidige situatie. Omdat er in de nieuwe situatie ten opzichte van de bestaande situatie een extra in/uitrit wordt gerealiseerd aan de Langstraat, neemt de verkeersintensiteit op deze weg derhalve toe met 56 verkeersbewegingen per etmaal. Dit betreft een toename van 0,7% (56/8100) ten opzichte van de huidige verkeersintensiteit (voor verkeersgegevens (2015) zie akoestisch onderzoek in bijlage V). Overeenkomstig neemt de verkeersintensiteit op de Westsingel toe met (224,8 – 56)/ 9800= 1,7%. Op de overige omliggende wegen vindt in de nieuwe situatie (evenals in de bestaande situatie) geen ontsluiting van de projectlokatie plaats. Op deze wegen ontstaat dan ook geen verdere toename van verkeersbewegingen en daarmee gepaard gaande geluidstoename als gevolg van wegverkeer (zie ook paragraaf 5.1.5). Gezien de beperkte verkeerstoename op de Langstraat en Westsingel wordt geconcludeerd dat de bestaande infrastructuur van beide wegen het extra aantal verkeersbewegingen zonder problemen kunnen verwerken. Het aspect mobiliteit levert dan ook geen belemmeringen op.
5.6.2
Parkeren De gemeente Venray heeft specifiek beleid omtrent parkeren. De Beleidsnota gemeente Venray december 2013 stelt dat parkeren dient te geschieden op eigen terrein. Het totaal van het project is een samenstelling van een aantal specifieke doelgroepen waarbij de ‘Beleidsnota Parkeernormen Gemeente Venray 2013’ niet voor alle functies een passende parkeernorm heeft. Voor de berekening van de parkeerbehoefte van de appartementen en de levensloopbestendige woningen zijn de parkeernormen uit de gemeentelijke beleidsnota gebruikt. In de ‘Beleidsnota Parkeernormen Gemeente Venray 2013’ en de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ is echter geen passende parkeernorm voor de specifieke doelgroep van de zorgappartementen opgenomen. De parkeerbehoefte voor dit deel van het plan is derhalve gebaseerd op een aantal uitgangspunten en afwegingen. Dit wordt verder toegelicht onder het kopje ‘zorgwoningen’. Appartementen: Het stedenbouwkundig plan, zoals weergegeven in paragraaf 3.2, vormt de basis.
Uitgangspunt is echter dat er 69 appartementen worden gerealiseerd en dat voor de appartementencomplexen een parkeernorm 1,5 parkeerplaats per appartement wordt gehanteerd welke onder te verdelen is in 1,2 parkeerplaatsen voor bewoners en 0,3 parkeerplaatsen voor bezoekers (conform artikel 2.4 parkeernota); De maatgevende situatie voor het aantal parkeerplaatsen bedraagt voor bewoners en bezoekers gezamenlijk een situatie werkdagavond waarbij voor bewoners parkeren 90% en bezoekers parkeren 80% benodigd is. Het benodigd aantal parkeerplaatsen komt dan neer op:
41
Bewoners: Bezoekers: Totaal:
69 x 1,2 x 90% = 74,52 parkeerplaatsen 69 x 0,3 x 80% = 16,56 parkeerplaatsen 91,08 = 91,1 parkeerplaatsen
Aangezien bezoekersparkeerplaatsen te allen tijde bereikbaar moeten zijn en zich niet achter een afsluiting mogen bevinden, dient ook de maatgevende situatie aantal bezoekersparkeerplaatsen bepaald te worden. Deze situatie doet zich voor op zaterdagavond, waarbij de bezettingsgraad van bezoekersparkeren 100% is. Het benodigde aantal bezoekersparkeerplaatsen bedraagt op dat moment 69 x 0,3 x 100% 20,7 = 21 parkeerplaatsen. Dit betekent dat minimaal 21 parkeerplaatsen van de in totaal 91 maximaal benodigde parkeerplaatsen zich niet binnen een afgescheiden perceelsdeel mogen bevinden. Resumerend dienen er voor de bouwblokken A en B bestaande uit 69 appartementen op de locatie Westsingel te Venray 91 parkeerplaatsen gerealiseerd te worden waarvan zich er in totaal minimaal 21 parkeerplaatsen niet op een afsluitbaar terrein of in een parkeergarage mogen bevinden. Voor de wooncomplexen A en B worden 95 parkeerplaatsen gerealiseerd waarvan zich er in totaal 23 parkeerplaatsen niet op een afsluitbaar terrein of in een parkeergarage bevinden. In bijlage I is de situering van de benodigde parkeerplaatsen weergegeven. Wooncomplex A en B worden ontsloten op de Westsingel. Levensloopbestendige woningen: Op overeenkomstige wijze geldt voor de levensloopbestendige woningen: Bewoners: Bezoekers: Totaal:
9 x 1,7 x 90% = 13,77 parkeerplaatsen 9 x 0,3 x 80% = 2,16 parkeerplaatsen 15,93 = 16 parkeerplaatsen
Voor de 9 levensloopbestendige woningen dienen er 16 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd, waarvan zich er in totaal minimaal 3 niet op een afsluitbaar terrein of parkeergarage mogen bevinden. Voor de woningen is het uitgangspunt dat iedere woning de mogelijkheid heeft om 2 auto’s te parkeren. Dat betekent dat er 18 parkeerplaatsen worden gerealiseerd en derhalve wordt voldaan aan bovengenoemd uitgangspunt In bijlage I is de situering van de 2 parkeerplaatsen per woning weergegeven. Zorgwoningen Voor de zorgwoningen is het uitgangspunt dat de bewoners van het verpleeghuis niet zelfstandig mobiel zijn en derhalve niet in bezit zijn van een auto. Voor het zorgpersoneel en de bezoekers van het zorgcomplex is uitgegaan van 0,6 parkeerplaatsen per zorgwoning. Dat houdt in dat er 24 x 0,6 = 14,4 parkeerplaatsen aanwezig dienen te zijn. In bijlage I en onderstaande figuur 9 is de situering van de parkeerplaatsen weergegeven. Het zorgcomplex wordt via de Langstraat ontsloten. Op basis van bovenstaande berekening wordt geconcludeerd dat kan worden voldaan aan de totale benodigde parkeercapaciteit van 91,1 + 16 + 14,4 = 121,5 (122) parkeerplaatsen, zoals opgenomen in het stedenbouwkundig voorstel (bijlage I). Het aspect ‘Parkeren’ vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling. 42
Figuur 9. Parkeersituatie
5.7
Windhinder Als een bestemmingsplan bebouwing met een bouwhoogte van 30 meter of hoger mogelijk maakt, moet onderzoek plaatsvinden naar de windhinder. Voor gebouwen tussen de 15 en 30 meter is het oordeel van een windhinderdeskundige noodzakelijk. In Nederland bestaat echter geen wetgeving ter voorkoming van windhinder of windgevaar. Dit betekent niet dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen windhinder of windgevaar niet hoeft te worden meegenomen in de afwegingen. De grondslag voor de beoordeling van het aspect ‘windhinder’ staat in art. 3.1 Wro, de zorg voor een goede ruimtelijke ordening. Daarvoor is het in kaart brengen van mogelijke windhinder of windgevaar en deze betrekken in de beoordeling nodig. Omdat er in onderhavig plan sprake is van een maximale bouwhoogte tussen de 15 en 30 meter heeft de initiatiefnemer door een windhinderdeskundige een windhinderonderzoek laten uitvoeren, om aan te tonen dat er sprake is van een aanvaardbaar windklimaat. Het windhinderonderzoek is als bijlage XII aan deze plantoelichting toegevoegd. Geconcludeerd wordt dat de geplande bebouwing naar verwachting geen significant negatief effect heeft op het windklimaat rond de bestaande omgevingsbebouwing.
43
HOOFDSTUK
6 Uitvoerbaarheid
In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.
6.1
Economische uitvoerbaarheid Alle kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Wanneer met een ruimtelijk plan een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. In dit geval is sprake van (het mogelijk maken van) een bouwplan conform artikel 6.2.1 Bro en wordt het kostenverhaal anderszins verzekerd in de vorm van een anterieure overeenkomst die tussen gemeente en initiatiefnemer is gesloten.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid In het kader van de procedure heeft de initiatiefnemer de omgeving op de hoogte gesteld van de plannen via een omgevingsdialoog. In juni 2022 is een eerste omgevingsdialoog uitgevoerd. Voor de verslaggeving van de omgevingsdialoog wordt verwezen naar bijlage IX. Naar aanleiding van de reacties op deze omgevingsdialoog is het planvoornemen op onderdelen aangepast. Het aangepaste planvoornemen is vervolgens in oktober 2022 opnieuw voorgelegd aan de omgeving middels een informatiebijeenkomst. Voor de verslaggeving van deze tweede omgevingsdialoog wordt eveneens verwezen naar bijlage IX. Daarnaast heeft er, voorzover er sprake is van hun belangen, overleg plaatsvinden met het Waterschap en de Provincie Limburg. In dit kader zijn de volgende reacties ontvangen: Provincie Limburg (8 december 2022) verzoekt om een berekening aangaande de stikstofdepositie toe te voegen waarin eveneens de bouwfase is meegenomen. Daarnaast verzoekt de Provincie de informatie uit de Plancapaciteitsmonitor te verwerken in de planstukken. Naar aanleiding van voorgaande reactie zijn de planstukken op de genoemde punten aangepast. Het Waterschap (22 november 2022) geeft aan dat het plan er goed uitziet en, behoudens een redactionele correctie in de plantoelichting, verder geen opmerkingen te hebben.
Naar aanleiding van voorgaande reactie zijn de planstukken op het genoemde redactionele punt aangepast.
44
De Veiligheidsregio Limburg Noord (21 december 2022) geeft aan dat er enkele aandachtspunten zijn ten aanzien van de aspecten ‘bereikbaarheid’, ‘bluswater’ en ‘bouwen/gebruik’. Dit betreffen echter zaken en onderdelen welke in het kader van de uitwerking/aanvraag omgevingsvergunning nadere aandacht dienen te krijgen. Naar aanleiding van voorgaande reactie zijn de planstukken niet aangepast, maar zullen de betreffende elementen wel nader worden uitgewerkt in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning. Onderhavig ontwerpbestemmingsplan is ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening op 27 januari 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij eenieder gelegenheid is geboden tot het indienen van zienswijzen. Hiervan is door 13 reclamanten gebruik gemaakt. De inhoudelijke beantwoording van de ingekomen zienswijzen is opgenomen in het Eindrapport adviezen en zienswijzen dat als bijlage XIII aan deze plantoelichting is toegevoegd.
45