CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

05 Toelichting Oude Heerweg - Berkenstraat

Gemeenteraad 30 maart 2021, gemeente VenrayBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen bestemmingsplan Oude Heerweg - Berkenstraat Blitterswijck14.264 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Pagina | 3 5

5.2.4

Luchtkwaliteit

Wetgeving Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5.2 van de Wet milieubeheer; 'Wet Luchtkwaliteit'). Hierin wordt een programma-aanpak geïntroduceerd. Alle projecten binnen een programmagebied kunnen hierdoor doorgang vinden mits de Nederlandse overheden voldoende maatregelen nemen om overal in het gebied aan de grenswaarden te voldoen.

Kleine en grote projecten De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en grote' projecten. Kleine projecten dragen niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in het Besluit “Niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)”. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten - die jaarlijks meer dan 3 procent van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van PM10 en NO2 bijdragen- een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing.

Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) Dit is een Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 31 oktober 2007, nr. DJZ2007004707, houdende regels omtrent de aanwijzing van categorieën van gevallen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer (Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)). Het gaat hierbij om de volgende categorieën: 1. inrichtingen 2. infrastructuur 3. kantoorlocaties 4. woningbouwlocaties Voor woningbouw geldt dat woningbouwprojecten van netto niet meer dan 1500 woningen (in geval van één ontsluitingsweg) niet in betekende mate bedragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit (art. 4 lid 1 Besluit NIBM jo. art. 4 lid 2, bijlage 3B.2 Regeling NIBM).

Of het onderhavige project valt onder de Regeling NIBM is met name gerelateerd aan de verkeersaantrekkende werking van deze nieuwe functies. Voor deelgebied A geldt dat de impact van de activiteiten zal afnemen als gevolg van de verplaatsing van het garagebedrijf. De verkeersbewegingen zullen naar redelijke verwachting afnemen, waardoor er een positief effect zal zijn ten aanzien van de luchtkwaliteit. Voor deelgebied B zullen de verkeersbewegingen welke nu te relateren zijn aan het

| bestemmingsplan Berkenstraat-Oude Heerweg Blitterswijck | status: concept |

Pagina | 3 6

landbouwverwante bedrijf beëindigd worden en hiervoor zullen de verkeersbewegingen als gevolg van het garagebedrijf in de plaats komen. Het aantal verkeersbewegingen zal op basis van de CROW normering circa 200 stuks per etmaal bedragen. Hiermee komen de verkeersbewegingen als gevolg van het landbouwverwante bedrijf geheel te vervallen. Via de NIBM-rekentool is een worst-case berekening gemaakt waaruit blijkt dat bij een toename van het aantal verkeersbewegingen van 200 voertuigen per dag (waarvan 40 vrachtwagens) nog altijd sprake is van 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

Luchtkwaliteit vormt derhalve duidelijk geen belemmering voor het project.

5.2.5

Bedrijven en milieuzoneringen

Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt milieuzonering gehanteerd. Hieronder wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woongebieden. Om milieuzonering hanteerbaar te maken wordt gebruik gemaakt van de Staat van bedrijfsactiviteiten zoals die is opgenomen in de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering', van maart 2009.

Bedrijven en milieuzonering De indeling van de bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten is vastgelegd een Staat van bedrijfsactiviteiten die is opgenomen in de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering', van maart 2009. In deze Staat worden bedrijfsactiviteiten ingedeeld in een zestal categorieën met toenemende potentiële milieuemissies. Op grond van deze Staat kan een beleidsmatige selectie worden gemaakt van de op het plangebied toe te laten bedrijfsactiviteiten. De bedrijven zijn op basis van de Standaard Bedrijfs Indeling (SBI-codes) in deze Staat gerangschikt. Per bedrijfsactiviteit is voor elk ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven die in beginsel moet worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: het betreft 'gemiddelde' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen;

| bestemmingsplan Berkenstraat-Oude Heerweg Blitterswijck | status: concept |

Pagina | 3 7

de richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstype 'rustige woonwijk' , 'rustig buitengebied' of vergelijkbare omgevingstypen; de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten. De grootste afstand van de milieucomponenten vormt de indicatie voor de aan te houden afstand van de bedrijfsactiviteit tot een milieugevoelig object. Elk bedrijf c.q. bedrijfsactiviteit wordt in een bepaalde milieucategorie ingedeeld. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kortere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype 'gemengd gebied', dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. In zo'n geval is het ruimtelijk aanvaardbaar dat de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd.

Invloed milieuhinder op het plangebied Het plangebied A betreft de huidige vakgarage WeJeBe en plangebied B is op dit moment bestemd als landbouwverwant bedrijf. In de omgeving van het plangebied is de woonfunctie veruit dominant. Daarnaast zijn er enkele bedrijven gevestigd in de vorm van een autorijschool en ICT-adviesbureau. Ten zuiden van deelgebied B ligt recreatiepark Roekenbosch. De omgeving betreft een relatief rustig gebied (woonwijk respectievelijk buitengebied).

Binnen deelgebied A zal de bestemming gewijzigd worden in die zin dat daar waar nu bedrijvigheid in de milieucategorie 1 en 2 is toegestaan, de omvang van de bedrijfsbestemming zal afnemen doordat de woning als burgerwoning bestemd gaat worden en de milieucategorie voor bedrijven beperkt zal worden tot categorie 1. Bij deze categorie 1 geldt een richtafstand ten opzichte van omliggende woningen van 10 meter, in tegenstelling tot bedrijven in de categorie 2 waarbij de richtafstand 30 meter bedraagt. Aan de Oude Heerweg is als gevolg hiervan dus sprake van een verbetering van het woon- en leefklimaat, ook al wordt niet overal voldaan aan de richtafstand van 10 meter. Bij vestiging van nieuwe bedrijven binnen deelgebied A zal altijd voldaan moeten worden aan de voorwaarden welke volgen uit het Activiteitenbesluit, waardoor onaanvaardbare hinder tot een minimum beperkt wordt.

Binnen deelgebied B zal de aanduiding 'landbouw verwante bedrijvigheid', welke activiteiten vallen onder milieucategorie 3.1 (loonbedrijven met een bedrijfsvloeroppervlak van meer dan 500 m2) plaats maken voor de aanduiding 'garagebedrijf' welke valt onder milieucategorie 2. De impact naar de omgeving zal dus kleiner worden. De bij de categorie 2 behorende richtafstand bedraagt 30 meter ten opzichte van woningen in de omgeving. De afstand tussen de bedrijfsbestemming en de tegenover het deelgebied gelegen woonbestemming bedraagt ongeveer 8 meter maar tussen de bouwvlakken behorende bij beide bestemmingen zit een afstand van 30 meter. De verblijfsfunctie binnen de woonbestemming kan dus nooit dichter bij de akoestisch relevante garage-activiteiten komen, zodat er daarmee wordt voldaan aan de richtafstand. Het perceelsgedeelte vóór de voorste grens van het bouwvlak binnen deelgebied B zal worden ingericht met groen (inpassing van het perceel) en hier zal het perceel ontsloten worden en kan er geparkeerd worden. Het is evident dat in dit gedeelte geen bedrijfsbebouwing kan worden gerealiseerd.

Uit het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er als gevolg van de bestemmingswijziging

| bestemmingsplan Berkenstraat-Oude Heerweg Blitterswijck | status: concept |

Pagina | 3 8

voor beide deelgebieden onaanvaardbare hinder ten opzichte van omliggende woningen kan worden uitgesloten en dat er zonder meer ook sprake is van een verbetering van het woon- en leefklimaat ten opzichte van de vigerende planologische mogelijkheden. Andersom gezien zijn beide deelgebieden ongevoelig (cq niet gevoeliger) voor milieu invloeden vanuit de omgeving van het plangebied. Milieuzonering staat dus niet aan het plan in de weg.

5.2.6

Externe veiligheid

Risicovolle inrichtingen (bevi) De veiligheid rond bedrijven wordt gereguleerd in de vigerende milieuvergunning (of een geldende Algemene Maatregel van Bestuur) en het Besluit externe veiligheid inrichtingen van 21 oktober 2004 (Bevi). In het Bevi worden specifieke regels opgenomen voor specifieke risicovoIle inrichtingen. In het Bevi heeft iedere risicovolle inrichting een veiligheidszone gekregen. Dit heet de plaatsgebonden risicocontour (PR-contour). Binnen deze contour mogen nieuwe kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen, grootschalige kantoren, hotels, winkelcentra, campings) of beperkt kwetsbare objecten (zoals verspreid liggende woningen, bedrijfswoningen dan wel bedrijfsgebouwen van derden, kleinere kantoren, hotels en winkels, sporthallen, zwembaden) niet of niet zonder meer worden opgericht. Het Bevi gaat uit van een PR-contour 10-6/jr. Het kan gaan om inrichtingen waarbij door middel van een vaste afstand wordt voldaan aan deze contour (zogenaamde “categoriale inrichtingen”) en inrichtingen waarbij deze contour individueel moet worden berekend (Quantitative Risk Assement (QRA)). Dit is geregeld in Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi).

Bij het nemen van een planologische besluit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan) moet het bevoegd gezag deze contour in acht nemen voor kwetsbare objecten. Hierbij geldt de PR-contour 10-6/jr. als grenswaarde. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de contour als richtwaarde, d.w.z. in principe moet PR 10-6/jr. aangehouden worden, maar er mag gemotiveerd van worden afgeweken. Naast het plaatsgebonden risico kent het Bevi ook het groepsrisico (GR). Het groepsrisico geeft aan wat de kans is op een ongeval met ten minste 10, 100 of 1000 dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde bron. Het aantal personen dat in de omgeving van de bron verblijft bepaalt daardoor mede de hoogte van het groepsrisico. Voor het GR geldt geen harde juridische norm (zoals de PR-contour 10-6/jr. wel is) maar een zogenaamde oriënterende waarde. Het berekende groepsrisico wordt weergegeven in een curve, waarbij de kans op een ongeval wordt uitgezet tegen het aantal mensen dat daarbij omkomt. In dezelfde grafiek wordt de oriënterende waarde uitgezet. Als die wordt overschreden door een ruimtelijke ontwikkeling moet dat worden verantwoord. Hiermee wordt in beeld gebracht of en in welke mate het bevoegd gezag het GR wel of niet aanvaardbaar vindt, al dan niet na het nemen van maatregelen.

De bedrijfsgebouwen zijn te kwalificeren als een (beperkt) kwetsbaar object. Volgens de Risicokaart van de provincie Limburg ligt in de directe omgeving (in een straal van 500 m) van het plangebied géén risicovolle inrichting.

Vervoer gevaarlijke stoffen

| bestemmingsplan Berkenstraat-Oude Heerweg Blitterswijck | status: concept |

Pagina | 3 9

Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Daarmee wordt de opdracht aan het bevoegd gezag voor ruimtelijke besluiten nadrukkelijk vastgelegd om rekening te houden met de risico's van transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor. In het basisnet is de omvang voor de verschillende transportmodaliteiten vastgelegd. Voor zover het gaat om het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn met name de rijks-, provincialeen spoorwegen van belang. Nabij het plangebied is dit de Maas, en de provinciale wegen N270 en N271. De afstand tot beide provinciale wegen bedraagt meer dan 1 kilometer en de afstand tot de Maas meer dan 800 meter. Het plangebied ligt hierdoor ver buiten de plaatsgebonden risicocontour en buiten het invloedsgebied voor de verantwoording van het groepsrisico. Er is in de omgeving van het plangebied (binnen een straal van 1 kilometer) geen sprake van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen.

5.3

Waterparagraaf

Waterbeleid Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Venray als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. Concreet betekent dit dat er sprake moet zijn van gescheiden schoon- en vuilwaterstromen die afzonderlijk worden verwerkt. Vanuit het waterschap Limburg gelden daarbij de volgende uitgangspunten: afkoppelen van 100% van het verhard oppervlak, waarbij de beslisboom verantwoord afkoppelen (Zuiveringschap Limburg 2002) van toepassing is; de trits vasthouden-bergen-afvoeren is van toepassing, waarbij hergebruik dan wel infiltratie van schoon regenwater de voorkeur heeft; verontreiniging van het water dient door bronmaatregelen voorkomen te worden; grondwateroverlast dient voorkomen te worden; een gelimiteerde afvoer naar het oppervlaktewatersysteem is toegestaan. Waterhuishoudkundige situatie plangebied Binnen het plangebied moet een duurzaam waterhuishoudkundig systeem aanwezig zijn om de hoeveelheid regenwater te verwerken dat gelet op het ter plaatse aan de orde zijnd afvoerend verhard oppervlak valt. Ter plaatse van deelgebied A zal het verhard oppervlak niet toenemen en heeft dit dus geen negatief effect op de waterhuishoudkundige situatie.

Benodigde buffercapaciteit voor de nieuwe locatie voor het garagebedrijf (deelgebied B) wijzigt evenmin. De bestaande bedrijfsgebouwen blijven qua footprint (verhard oppervlak) geheel gelijk. De woning welke wordt heringedeeld als kantoor zal aan de achterzijde iets worden vergroot, maar daar staat tegenover dat het achter de woning gelegen bijgebouw hierdoor geheel komt te vervallen; per saldo is er hierdoor geen sprake van een vergroting van het verhard afvoerend dakoppervlak. Alle bebouwing is op dit moment al afgekoppeld en infiltreert aan de achterzijde van het perceel | bestemmingsplan Berkenstraat-Oude Heerweg Blitterswijck | status: concept |

Pagina | 4 0

via een ondergrondse buffer naar de bodem. Daar waar de erfverharding in de toekomst zal toenemen, zal onder deze erfverharding voorzien worden in een hemelwaterinfiltratiesysteem waarbij uitgegaan wordt dat een bui van 100 mm/dag/m2 verharding kan worden geborgen. Deze ondergrondse hemelwaterinfiltratie kan uitgevoerd worden als grondkoffer, kratten of bijvoorbeeld Rockflow.

Binnen de groene aankleding van het perceel zal ervoor worden gezorgd dat overtollig hemelwater dat afvloeit van de klinkerbestrating, hier kan inzijgen in de bodem.

Afvoer van bedrijfsafvalwater dient plaats te vinden via het aanwezige rioleringssysteem.

Bouwmaterialen De gemeente Venray streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het pakket duurzaam bouwen. Er zal derhalve geen gebruik worden gemaakt van uitlogende bouwmaterialen.

Overleg Waterschap Vooroverleg met en advies van het waterschap Limburg maakt onderdeel uit van de watertoets. Het waterschap Limburg heeft evenwel aangegeven dat bij plannen met een toename van het nieuw afvoerend verhard oppervlak van minder dan 2000 m2 en waarbij het plangebied niet is gelegen in specifieke aandachtsgebieden, geen vooroverleg plaats hoeft te vinden met het watertoetsloket. Het plan leidt niet tot een toename van het afvoerend verhard oppervlak van meer dan 2000 m2. Specifiek wateradvies door het waterschap is niet noodzakelijk.

5.4

Kabels en leidingen

Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Dit besluit is gebaseerd op de Wet milieubeheer (artikelen 5.1 lid 1, 5.2 lid 1, 5.3 lid 1 en 2 en 9.2.2.1) en de Wet ruimtelijke ordening (artikelen 3.37 en 4.3 lid 1 en 2). Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Bevi en bevat, analoog aan het Bevi, normen voor het plaatsgebonden risico en een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico. In het noordwestelijke hoekje van deelgebied B loopt een rioolleiding. Deze valt buiten het bouwvlak en wordt beschermd door een dubbelbestemming welke is opgenomen in de planregels. Het plangebied is niet gelegen binnen een (hinder)zone of werkstrook van hoofdleidingen voor olie of water en hoogspanningsleidingen. Het plangebied is verder ook niet gelegen binnen een obstakelbeheer- of radarverstoringsgebied van een civiel of militair luchtvaartterrein en over het plangebied loopt geen straalpad van telecomaanbieders.

| bestemmingsplan Berkenstraat-Oude Heerweg Blitterswijck | status: concept |

Pagina | 4 1

5.5

Wet Natuurbescherming

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wn) in werking getreden. Deze vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Op onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied te zien ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Het lichtgroene vlak betreft de Maasduinen (op ruim 1,8 km van het plangebied).

Ligging ten opzichte van Natura 2000 gebieden

Ten behoeve van de instandhouding van de natuurgebieden dienen negatieve effecten te worden uitgesloten, waardoor onder andere onderzoek plaats dient te vinden naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Bij een projecteffect kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar zorgt het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie en worden negatieve effecten uitgesloten. De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens de aanlegfase vinden plaats door de verkeersbewegingen ten behoeve van de aanvoer van materialen en personen en de inzet van mobiele werktuigen tijdens de constructie ten behoeve van de realisatie van het plan. De relevante emissies tijdens de gebruiksfase vinden plaats door de verkeersbewegingen van en naar het plan en het gebruik van apparatuur tijdens de reguliere werkzaamheden binnen het garagebedrijf. Ter plaatse van deelgebied A zal een vermindering van de milieudruk plaatsvinden, waardoor de planwijziging uitsluitend positieve effecten heeft op het milieu en dus op Natura 2000-gebieden. De berekening van het projecteffect voor deelgebied B van zowel de aanleg- als de gebruiksfase met peiljaar 2020 is verricht met behulp van het programma Aerius Calculator (zie bijlage). Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij

| bestemmingsplan Berkenstraat-Oude Heerweg Blitterswijck | status: concept |

Pagina | 4 2

een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning benodigd is voor het aspect stikstof. Enige andere aantasting van Natura 2000-gebieden op deze afstand zal als gevolg van het project ook niet plaatsvinden. In de volgende paragraaf zal ingegaan worden op mogelijke aantasting van flora en fauna.

5.6

Flora en fauna

Met de Wet natuurbescherming (Wn) wordt een eind gemaakt aan de discussies over de implementatie van de Europese richtlijnen. In artikel 3.1 Wn wordt direct een link gelegd met de Vogelrichtliijn. Alle vogels die beschermd zijn op grond van artikel 1 Vogelrichtlijn vallen onder het beschermingsregime van de artikel 3.1 Wn, voor zover deze vogels van nature in Nederland voorkomen. Artikel 3.1 eerste lid Wn ziet op het verbod om vogels te doden of vangen. De verboden in de Wn zijn vrijwel letterlijk overgenomen uit de artikelen 5 en 6 Vogelrichtlijn. Net als de in de Vogelrichtlijn zijn de verboden beperkt tot opzettelijke handelingen. Het beschermingsregime voor vogels is iets versoepeld ten opzichte van het systeem onder de Flora en faunawet. Het verbod op het opzettelijk verstoren van vogels is beperkt tot verstoringen die van “wezenlijke invloed” zijn op de staat van instandhouding van de soort. Onder wezenlijke invloed wordt verstaan: “een wezenlijke negatieve invloed op een beschermde soort”. Of daar sprake van is hangt af van de populatie van de diersoort. Hoe zeldzamer de soort hoe groter de kans dat naar bijvoorbeeld een lokale populatie moet worden gekeken. Daarnaast is van belang of de populatie een negatief effect zelf teniet kan doen, bijvoorbeeld of er voldoende uitwijkmogelijkheden zijn naar een volwaardig leefgebied elders.

Als een populatie het effect niet zelf teniet kan doen is de kans groter dat het effect als wezenlijke invloed kan worden aangemerkt. Bij vogels is verstoring tijdens het broedseizoen niet langer verboden als de gunstige staat van instandhouding niet in gevaar is. De wet voorziet in ruime mogelijkheden voor het verlenen van vrijstellingen, ook voor vogels en strikt beschermde soorten. Bij het verlenen van de vrijstelling moet aan dezelfde voorwaarden worden voldaan als bij het verlenen van de vroegere ontheffing. Een ontheffing van een verbod ex artikel 3.1 Wn kan slechts worden verleend indien: er geen andere bevredigende oplossing voorhanden is; er geen sprake is van verslechtering van de staat van instandhouding van de soort; en er een limitatief opgesomde ontheffingsgrond aan de ontheffing ten grondslag kan worden gelegd. Quickscan flora en fauna Het plangebied deel A is in gebruik als bedrijf. Water is binnen het plangebied niet aanwezig. Het bestaande gebruik van het plangebied en de omgeving daarvan bestaat uit bedrijfsmatige activiteiten (garage), bedrijfswonen, erfverhardingen en de gebruikelijke menselijke activiteiten. Hier zullen geen relevante wijzigingen plaatsvinden welke een inbreuk zouden kunnen opleveren met betrekking tot flora en fauna. De beperking van de gebruiksmogelijkheden zal uitsluitend positieve gevolgen hebben voor flora en fauna.

| bestemmingsplan Berkenstraat-Oude Heerweg Blitterswijck | status: concept |

Pagina | 4 3

Op 26 mei 2020 is de rapportage van het ecologisch veldwerk door Faunaconsult opgesteld voor het gebied Berkenstraat 2 Blitterswijck. Hierin is nagegaan welke dier- en plantensoorten in dit gebied (meer specifiek op korte afstand van het plangebied) waargenomen zijn welke bescherming verdienen. Samengevat is in deze rapportage (welke integraal als bijlage is opgenomen bij deze plantoelichting) het volgende geconstateerd: "Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wet natuurbescherming zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.

Vleermuizen: aanvullend onderzoek en mitigatie vooraf De woning en kantine bevatten mogelijk vleermuisverblijven. Het slopen van de gevels van deze gebouwen kan daarom leiden tot verstoring en/of vernietiging van vleermuizen en hun verblijven. Omdat alle vleermuissoorten streng zijn beschermd, dient het voorkomen van dergelijke verblijven conform het vleermuisprotocol (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging, 2017) te worden onderzocht. Volgens het vleermuisprotocol zijn daartoe 4 onderzoeksronden nodig: - 2 ronden (2 avonden) onderzoek met batdetectors in de kraamtijd (periode 15 mei – 15 juli, waarbij er minimaal 30 dagen zit tussen de twee bezoeken); - 2 ronden (1 avond en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de paartijd (15 augustus – 1 oktober, waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee bezoeken). Indien blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn, dient de functionaliteit daarvan te worden gewaarborgd. Dit houdt in dat er op aangepaste wijze wordt gerenoveerd (zodat er geen vleermuizen worden gedood) en dat er nieuwe vleermuisverblijven gecreëerd moeten worden. Om vertraging te voorkomen, is het verstandig om vooruitlopend op de resultaten van het vleermuizenonderzoek alvast vleermuiskasten verspreid over de wijk op te hangen. Gewone dwergvleermuizen hebben bijvoorbeeld de tijd nodig om aan nieuwe verblijfplaatsen te wennen.

Gedurende deze gewenningsperiode moeten zowel de oorspronkelijke situatie als de nieuw aangebrachte vervangende voorzieningen beide aanwezig zijn (BIJ12, 2017). Het is daarom beter om voor zekerheid te gaan en alvast 4 vleermuiskasten van types als VK WS 02, VK MP 02 of VK WS 07 Vleermuizenkast (te bestellen bij vivarapro.nl) of VMT1 (te bestellen bij faunaprojecten.nl) op te hangen. Dit dient te gebeuren aan niet te renoveren panden binnen een straal van 100 à 200 meter van het plangebied (BIJ12, 2017), onder begeleiding van een deskundige. Als blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn die door de werkzaamheden zullen worden vernietigd, wordt vertraging van de werkzaamheden (in verband met de gewenningsperiode) in de meeste gevallen voorkomen. De voorgenoemde type vleermuiskasten zijn uitwendige modellen, die in principe niet geschikt zijn als permanente vervanging. Indien blijkt dat er in de te renoveren bebouwing

| bestemmingsplan Berkenstraat-Oude Heerweg Blitterswijck | status: concept |

Pagina | 4 4

vleermuisverblijven aanwezig zijn, dan dient er een veelvoud van het aantal gevonden vleermuisverblijven te worden gerealiseerd. Vleermuiskasten die geschikt zijn om te dienen als permanente vervanging, dienen zich inwendig in de nieuwbouw te bevinden. Het gaat om typen als Vivara IB VL 01 Inbouwsteen, die wordt gekoppeld aan een extra compartiment (Vivara IB VL 02). Een goedkoper en beter alternatief bestaat uit het maken van open stootvoegen van minstens 2 cm breed, waarbij er in de achterliggende spouw een stuk geplastificeerd volièregaas van 2 bij 1 meter wordt geplaatst waaraan de vleermuizen kunnen hangen. De bomen aan de bosrand aan de Berkenstraat en Bergerhofweg en de bomen in de hertenwei aan de zuidzijde van het plangebied fungeren mogelijk als vaste vliegroute en/of foerageergebied van vleermuizen. Doordat deze bomen worden gehandhaafd, blijven eventueel aanwezige vliegroutes en foerageergebied behouden. Om verstoring van vleermuizen te voorkomen, mag er tot op een afstand van 10 meter van deze bomen alleen vleermuisvriendelijke buitenverlichting worden geplaatst; van de bomen af omlaag gerichte straatverlichting, met een scherpe bundel, zoals ledlampen. Hierbij kan worden gekozen voor amberkleurige UV-vrije led armaturen (Zoogdiervereniging, 2011) of rood licht (Spoelstra et al, 2017).

Algemeen voorkomende vogels In het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan."

Bij de ontwikkeling aan de Berkenstraat 2 zal met het bovenstaande rekening worden gehouden.

Voor deelgebied B zullen vooralsnog aan de bedrijfsgebouwen geen gebouwelijke aanpassingen doorgevoerd worden welke impact kunnen hebben op flora en fauna. De gevels van de naar kantoor te transformeren woning geven op dit moment geen aanleiding om te vermoeden dat zich nesten of broedplaatsen onder de dakranden of elders bevinden. Het is evident dat indien de gevels gewijzigd gaan worden, vooraf deskundig onderzoek gedaan moet worden als zich toch ergens een nestgelegenheid bevindt.

Gelet op het bovenstaande is op dit moment een verstoring van flora en fauna door onderhavig project (mede in relatie tot het huidige gebruik) niet te verwachten, waardoor er nu geen noodzaak is tot het uitvoeren van een uitgebreidere toets.

Ten overvloede wordt gewezen op de algemene zorgplicht welke in artikel 3.5 van de Wn is opgenomen.

| bestemmingsplan Berkenstraat-Oude Heerweg Blitterswijck | status: concept |

Pagina | 4 5

Door graaf- en/of verbouwingswerkzaamheden buiten de periode van maart tot augustus te starten, is de kans op verstoring van broedende vogels het kleinst. Ook buiten deze periode mogen broedende vogels niet worden verstoord en moet gewacht worden tot het broeden voorbij is en de jongen zijn uitgevlogen.

5.7

Archeologie en cultuurhistorie

Ten aanzien van archeologie is het uitgangspunt dat het archeologisch erfgoed moet worden beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen. Gezien dit uitgangspunt mogen bekende archeologische monumenten niet aangetast worden en moet in geval van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden met een hoge of middelhoge archeologische verwachtingswaarde, in principe een inventariserend en waarderend vooronderzoek plaatsvinden. Eventueel aangetroffen waarden dienen primair ter plekke (in situ) beschermd te worden dan wel - indien dat redelijkerwijs niet mogelijk is- door een opgraving (ex situ) te worden veilig gesteld. Uit onderstaande uitsnede van de gemeentelijke Archeologische Beleidskaart blijkt dat voor de gronden van het plangebied waarop de toekomstige ontwikkeling zal plaatsvinden, de aanduiding “categorie 2 en 4” geldt. Deze categorieën omvatten monumenten en gebieden van (zeer) hoge waarde en monumenten die betrekking hebben op de historische kernen.

Figuur: Archeologische Maatregelenkaart plangebied

| bestemmingsplan Berkenstraat-Oude Heerweg Blitterswijck | status: concept |

Pagina | 4 6

Figuur: tabel met maatregelen per categorie

Voor deze categorie 2 en 4-gebieden geldt dat er in het bestemmingsplan een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen dient te worden, waarbij een onderzoeksverplichting geldt ingeval de te verstoren oppervlakte groter is dan 250 resp. 500 m2 én de verstoringsdiepte groter is dan 50 cm onder het maaiveld.

Gelet op het feit dat het bestemmingsplan geen betrekking heeft op het mogelijk maken van nieuwe bebouwing met een grotere oppervlakte dan 500 m2 én dieper dan 50 cm -mv (voor wat betreft deelgebied B0 en voor deelgebied A in het geheel geen nieuwe bebouwing is gepland, is het niet noodzakelijk om op voorhand een archeologisch onderzoek uit te voeren. De dubbelbestemming zoals is opgenomen in de planregels en op de verbeelding voorziet in voldoende bescherming van de archeologische waarden.

5.8

Niet gesprongen explosieven

Het gehele grondgebied van Venray heeft in de 2e wererldoorlog zwaar onder vuur gelegen. Bij eventuele ontwikkelingen of uitbreidingen in dit gebied, waar na de 2e wereldoorlog nog niet in de grond werd geroerd en er geen nadere onderzoeken hebben plaatsgevonden, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar NGE (detectieonderzoek).

| bestemmingsplan Berkenstraat-Oude Heerweg Blitterswijck | status: concept |

Pagina | 4 7

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1

Economische uitvoerbaarheid

De realisatie van het project geschiedt voor rekening van initiatiefnemer. De gemeentelijke financiën zijn hierbij niet in het geding. Met de tussen de gemeente Venray en de initiatiefnemer afgesloten planschadeverhaalsovereenkomst wordt gewaarborgd dat eventueel te vergoeden planschade niet voor rekening van de gemeente Venray komt maar voor rekening van de initiatiefnemer. Overige relevante afspraken, waaronder de bijdrage ruimtelijke ontwikkeling, zullen neergelegd worden in een tussen initiatiefnemer en gemeente Venray af te sluiten anterieure overeenkomst.

6.2

Procedure en maatschappelijk uitvoerbaarheid

6.2.1

Omgevingsdialoog

Initiatiefnemer heeft de plannen tot verplaatsing van de bedrijfsactiviteiten besproken met omwonenden. Het verslag hiervan is ter hand gesteld aan de gemeente Venray.

6.2.2

Procedure

Elk nieuw bestemmingsplan ontstaat uit een initiatief. De totstandkoming begint met de beslissing dat een bestemmingsplan zal worden opgesteld. Conform artikel 3.1.1. Bro wordt de provincie Limburg in het kader van dit bestemmingsplan betrokken in het vooroverleg. Artikel 3.8 Wro regelt de procedure van het bestemmingsplan. Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Hierbij zijn een aantal aanvullingen: 1. kennisgeving, zoals bedoeld in artikel 3:12 Awb, dient tevens te worden gepubliceerd in de Staatscourant en langs elektronische weg te worden verzonden; 2. het ontwerpbestemmingsplan dient te worden verstuurd aan het Rijk, provincie, waterschappen en aan de besturen van bij het plan een belang hebbende gemeenten; 3. kennisgeving aan de eigenaren van percelen welke de bestemming in de naaste toekomst zal worden verwezenlijkt; 4. door een ieder kunnen zienswijzen naar voren worden gebracht; 5. de gemeenteraad dient binnen 12 weken, na de ter inzage termijn beslissen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Binnen twee weken wordt het besluit tot vaststelling bekend gemaakt. Indien door de Gedeputeerde Staten (GS) of de inspecteur een zienswijze is ingediend en deze niet volledig is overgenomen, dan vindt bekendmaking plaats binnen zes weken na vaststelling.

Dit geldt tevens indien de gemeenteraad wijzigingen aanbrengt in het ontwerp. In deze gevallen zend het college na vaststelling onverwijld een afschrift van het raadsbesluit aan de GS en/of de inspecteur. Indien het Rijk of de provincie gebruik wil maken van haar aanwijzingsbevoegdheid gaat deze termijn niet op. Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan wordt dan, met uitsluiting van het onderdeel waarop het aanwijzingsbesluit ziet, samen met het aanwijzingsbesluit bekend

| bestemmingsplan Berkenstraat-Oude Heerweg Blitterswijck | status: concept |

Pagina | 4 8

gemaakt. Het besluit treedt in werking 1 dag na afloop van de beroepstermijn.

6.2.3

Overleg

In het kader van het wettelijk overleg heeft overleg plaatsgevonden met de provincie Limburg.

6.2.4

Zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan

Voor onderhavige bestemmingsherziening zal de voorontwerp-fase worden overgeslagen. Het ontwerp-besluit tot wijziging van het bestemmingsplan heeft met ingang van <………datum………> voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn <wel/geen> zienswijzen ingediend.

| bestemmingsplan Berkenstraat-Oude Heerweg Blitterswijck | status: concept |

Pagina | 4 9

Hoofdstuk 7 Wijze van bestemmen 7.1

Algemeen

Het bestemmingsplan heeft als doel het planologisch-juridisch kader te geven voor de ontwikkeling van het beschreven plan. De nadere juridische invulling is gedetailleerd geregeld. Dit bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: plantoelichting planregels; verbeelding. De plansystematiek voldoet aan de volgende RO-standaarden 2012: Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012; PraktijkRichtlijn BestemmingsPlannen (PRBP) 2012; Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten (STRI) 2012.

7.2

Planmethodiek

Er is, volgens de Wro, gekozen voor een analoge en digitale verbeelding van het plan. Aan de bestemmingen zijn bouw- en gebruiksregels gekoppeld die direct inzichtelijk maken welke ontwikkelingen zijn toegestaan. Verbeelding en regels bieden een directe bouwtitel voor bebouwing en gebruik. Verder is aansluiting gezocht bij de systematiek van de bestemmingsplannen Buitengebied Oost en Blitterswijck.

7.3

Verbeelding

In de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis ingevolge het voorliggende plan, indien en voor zover deze in de regels daaraan wordt gegeven. Als een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis heeft, is deze niet opgenomen in de verbeelding. Ten behoeve van de leesbaarheid is het plan wel op een topografische ondergrond gelegd. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in de hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn bij de verbeelding opgenomen in een renvooi. Opgemerkt wordt nog dat de analoge en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen, immers de wijze van raadplegen is ook verschillend. Inhoudelijk zijn geen verschillen te vinden.

7.4

Regels

De planregels zijn ondergebracht in inleidende regels, in bestemmingsregels, in algemene regels en in overgangs- en slotregels. De Inleidende regels (hoofdstuk 1) bestaan uit begrippen en de wijze van meten, teneinde te

| bestemmingsplan Berkenstraat-Oude Heerweg Blitterswijck | status: concept |

Pagina | 5 0

voorkomen dat discussie ontstaat over de interpretatie van de regels. In de Begrippen (artikel 1) wordt een omschrijving gegeven van de in de regels gehanteerde begrippen. Als gebruikte begrippen niet in deze lijst voorkomen, dan geldt de uitleg/interpretatie conform het dagelijks taalgebruik. In het artikel over de "Wijze van meten" (artikel 2) worden de te gebruiken meetmethodes vastgelegd. Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingen. De bestemmingen vangen steeds aan met de bestemmingsbenaming. Daarna wordt in de doeleindenomschrijving weergegeven voor welke doeleinden de betreffende gronden bestemd zijn. Indien er sprake zou kunnen zijn van conflicterende belangen, is er een nadere detaillering van de doeleinden opgenomen waarin wordt vermeld welke doeleinden prevaleren. Vervolgens wordt in de bebouwingsregeling aangegeven welke bouwwerken bij recht mogen worden opgericht en welke situerings- en maatvoeringseisen hiervoor gelden. In sommige bestemmingen wordt bovendien nader ingegaan op de toegestane voorzieningen. Vervolgens is een gebruiksbepaling opgenomen waarin wordt aangegeven dat gronden en opstallen niet in strijd met de bestemming mogen worden gebruikt. Voor de duidelijkheid is een aantal situaties aangegeven die in ieder geval in strijd met de bestemming worden geacht.

In de Algemene regels (hoofdstuk 3) zijn opgenomen de Anti-dubbeltelbepaling, de algemene bouwregels, de algemene afwijkingsregels, de algemene wijzigingsregels, de algemene procedureregels voor wijzigingen, ontheffingen en nadere eisen en de overige regels. In de Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4) zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen.

| bestemmingsplan Berkenstraat-Oude Heerweg Blitterswijck | status: concept |

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9745519/1