04 Toelichting vastgesteld inclusief bijlagen
Tekst van het document
De richtafstanden zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Het kan voorkomen dat er geen sprake is van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ maar van het omgevingstype ‘gemend gebied’. Bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’ is sprake van matige tot sterke functiemening, hierbij komen naast woningen ook andere functies voor. Bij een gemengd gebied kunnen de richtafstanden worden verkleind, met één afstandsstap. Vastgesteld
22
Plangebied Met onderhavig bestemmingsplan worden vier bouwkavels, bedoeld voor de bouw van vier woningen, zodanig herverkaveld dat er zes woningen gebouwd kunnen worden. De woonfunctie is een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving. Wel kan de woonfunctie milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving. Ter plaatse van het plangebied dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van de omliggende milieubelastende functies. In de omgeving van het plangebied is sprake van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. In de omgeving van het plangebied zijn twee locaties gelegen waar lichte bedrijvigheid is toegestaan (milieucategorie 1 en 2) op basis van het vigerende bestemmingsplan. Deze locaties zijn gelegen aan de Lollebeekweg 54a, 54b en 75-79. ▪ Bedrijf aan de Lollebeekweg 54a. afstand tot het plangebied 42 meter; ▪ Bedrijf aan de Lollebeekweg 54B. afstand tot het plangebied 42 meter; ▪ Bedrijf aan de Lollebeekweg 75-79, afstand tot het plangebied 100 meter; Voor bedrijven in milieucategorie 2 dient een afstand van 30 meter gehanteerd te worden. Aan de richtafstand van 30 meter wordt voldaan voor de bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied. Gesteld kan worden dat op de betreffende locatie sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
5.1.3 Bodem- en grondwaterkwaliteit Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van het initiatief. In dit geval is het plangebied reeds volledig bestemd als ‘Wonen’ en daarmee reeds bestemd voor een woongebruik. In de gewijzigde situatie is er nog steeds sprake van een woongebruik. Aangezien er reeds een woonbestemming geldt, is het uitvoeren van een bodemonderzoek niet noodzakelijk voor de herverkaveling. 5.1.4 Wegverkeerslawaai De Wet geluidhinder (Wgh) stelt eisen ten aanzien van de geluidbelasting van wegverkeerslawaai op geluidsgevoelige functies. Een woning is aan te merken als een geluidsgevoelige functie. Op basis van artikel 77 van de Wgh dient bij een nieuwe woning een akoestisch onderzoek te worden ingesteld. Het akoestisch onderzoek bepaalt de geluidsbelasting aan de gevel van de woning die vanwege de aanwezigheid van een weg wordt ondervonden. Het onderzoek is alleen noodzakelijk als de woning binnen de wettelijke geluidszone van een weg gelegen is.
In artikel 7.4.1 van de Wgh is aangegeven dat een weg een zone heeft die zich uitstrekt vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg: 1. in stedelijk gebied: 1. voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; 2. voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; 2. in buitenstedelijk gebied: 1. voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken 600 meter; 2. voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; 3. voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. De wettelijke geluidszone is niet van toepassing op wegen die aan te merken zijn als woonerf of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt.
Vastgesteld
23
De nieuwe woningen worden aangemerkt als geluidsgevoelige objecten. De woningen zijn gelegen in de bebouwde kom van Castenray aan de Rietweg. In de gehele bebouwde kom van Castenray geldt een maximum snelheid van 30 km/uur, zo ook aan de Rietweg. Naar de effecten van deze weg op het plangebied behoeft derhalve geen onderzoek gedaan te worden. Op grotere afstand bevindt zich de Venrayseweg waar een maximum snelheid geldt van 60 km/uur. Dit betreft een weg in het buitenstedelijk gebied bestaande uit een of twee rijstroken, waardoor de wettelijk geluidszone 250 meter bedraagt. Afstand van het plangebied tot deze weg bedraagt circa 270 meter, waardoor het plangebied buiten de wettelijke geluidszone valt. 5.1.5 Luchtkwaliteit Effect op luchtkwaliteit Op basis van de Wet luchtkwaliteit, als onderdeel van de Wet milieubeheer, gelden kwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn door middel van grenswaarden voor de diverse luchtverontreinigingscomponenten vastgelegd. Deze grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die ‘Niet in betekende mate’ (NIBM) en ‘In betekende mate’ (IBM) bijdragen. Projecten die NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit kunnen zonder verdere toetsing aan de grenswaarden uitgevoerd worden.
Als een project ervoor zorgt dat de concentratie PM10 of NO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project IBM bij aan de luchtkwaliteit en dient een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden om de precieze effecten op de luchtkwaliteit in beeld te brengen. Woningbouw draagt pas IBM bij aan de luchtkwaliteit als er meer dan 1.500 woningen gebouwd worden. Met onderhavig plan worden slechts in totaal zes woningen gerealiseerd (waarvan er vier reeds zijn toegestaan). Met het plan wordt derhalve ruimschoots onder het 3% criterium gebleven. Het oprichten van zes woningen draagt NIBM bij aan de luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is voor de oprichting van de woningen. Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer.
Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 12,1 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 18,6 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 15,8 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³, terwijl de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³ bedraagt. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende.
Vastgesteld
24
5.1.6 Geur Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebied bestemd voor wonen en verblijf. De nieuwe woning betreft derhalve een geurgevoelig object. Op 29 september 2009 heeft de gemeenteraad van Venray de aangepaste Verordening geurhinder en veehouderij vastgesteld. De laatste aanpassing van deze geurverordening is vastgesteld op 1 november 2011. Individuele geurbelasting De woningen zouden geurhinder kunnen ondervinden van omliggende veehouderijen. In de directe omgeving (500 meter van het plangebied) is sprake van een twee locaties waar een vergunning verleend is voor het houden van dieren. Het gaat hier om de locaties: ▪ Een intensieve veehouderij, zijnde een pluimveehouderij aan de Lollebeekweg 61 / Steegkamp 5. Afstand tot het plangebied bedraagt 340 meter; ▪ Een intensieve veehouderij, zijnde een varkenshouderij aan de Matthiasstraat 3. Afstand tot het plangebied bedraagt 300 meter.
Voor beide bedrijven geldt een afstandsnorm van 200 meter met betrekking tot geur. Geconcludeerd kan worden door de grote afstanden tot de veehouderijen dat ter plaatse geen sprake kan zijn van geuroverlast. Cumulatieve geurbelasting Op de kaart achtergrondbelasting van 30 april 2013 behorende bij de gemeentelijke geurverordening wordt de indicatieve achtergrondbelasting als redelijk goed (7,5 tot 13,1 OU/m3, 10-15% kans op geurhinder) beoordeeld.
Afbeelding 14. Uitsnede kaart achtergrondbelasting van de gemeente Venray
Voor de achtergrondbelasting gelden geen vastgestelde wettelijke normen. Uit de gemeentelijke geurverordening blijkt echter dat een achtergrondbelasting van 7,5 tot 13,1 OU/m3 in de bebouwde kom van Castenray een achtergrondbelasting is waarbij sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat zonder dat er overlast is van geurhinder van veehouderijen.
Vastgesteld
25
De indicatieve achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder ter plaatse van het plangebied wordt beoordeeld als redelijk goed. Een redelijk goed leefklimaat ten aanzien van geur wordt in de bebouwde kom van Castenray op grond van het gemeentelijk beleid aanvaardbaar geacht.
5.2
Externe veiligheid
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR.
Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer.
In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Tabel 1. Wanneer verantwoorden?
Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)
Vastgesteld
Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaaarde
26
Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Inventarisatie risicobronnen Op basis van de risicokaart van de provincie Limburg ligt het plangebied in de nabijheid van de autosnelweg A73, daarover vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Daarnaast is in de omgeving een opslagtank voor propaan gelegen.
Opslagtank
A73
Afbeelding 15. Uitsnede risicokaart Limburg met plangebied rood omcirkeld
Risicovolle bedrijvigheid rond het plangebied In de omgeving van het plangebied staat een opslagtank. De opslagtank heeft een inhoud van 3.000 liter en slaat propaan op. De opslagtank staat op de Horsterweg 39. Voor de propaantank geldt een persoonsgebonden risico van 20 meter. De afstand tussen het plangebied en de propaantank bedraagt 506 meter, het plangebied is buiten de invloedssfeer van de opslagtank gelegen. Transport gevaarlijke stoffen Binnen de gemeente Venray worden gevaarlijke stoffen vervoerd per weg. Dit betreft voornamelijk doorgaand vervoer over de A73 maar ook zeer beperkt bestemmingsverkeer over provinciale en gemeentelijke wegen. In de omgeving van het plangebied ligt de autosnelweg A73, waarover transport van gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden. Tabel 2. Risicoafstanden van de omliggende wegen
Weg
PR-plafond 10-6 contour
Invloedsgebied
A73: afrit 9 (Venray) afrit 11 (Horst)
0 meter
200 meter
Afstand planlocatie tot aan de weg 472 meter
Het plangebied is niet gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontouren van deze autosnelweg. Volgens artikel 8 van het besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) moet er in een ruimtelijk plan ingegaan worden op de benoemde onderwerpen van artikel 8 als het plangebied binnen 200 meter is gelegen van een transportroute. Aangezien in onderhavige situatie dit niet het geval is, is een verdere uitwerking niet opgenomen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor de herverkaveling. Vastgesteld
27
5.3
Water
In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan de benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Venray als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. 5.3.1 Beleidskader Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van het waterschap, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: ▪ vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); ▪ voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant.
Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Het waterbeleid in het POL2014 sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijk natuur; ▪ schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; ▪ een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas. Conform de POL2014-kaart ‘Regionaal watersysteem’ liggen in het plangebied geen specifieke waterkundige waarden. Blijkens de kaart ‘Ondergrond’ maakt het plangebied en omgeving onderdeel uit van een boringvrije zone. Diepe boringen kunnen de natuurlijke geologische bescherming aantasten. In deze zones worden alleen (nieuwe) diepe onttrekkingen voor menselijke consumptie via vergunningverlening toegestaan.
Aangezien met de realisatie van het initiatief geen sprake is van grondboringen, leidt deze aanduiding niet tot beperkingen. Conform de algemene beleidsregels van het Rijk, de provincie, de gemeente en Waterschap Limburg dient bij het realiseren van een nieuwe verharding sprake te zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt onder andere in dat het versneld afvloeiende hemelwater (als gevolg van extra verhardingen) dient te worden gecompenseerd door middel van extra waterberging. Via deze (tijdelijke) berging kan water vertraagd de bodem worden ingebracht, of vertraagd worden afgevoerd naar het bestaande watersysteem of geheel worden geïnfiltreerd in de bodem. Bij een hydrologisch neutrale ontwikkeling wordt dus geborgd dat extra afvloeiend hemelwater niet wordt afgewenteld op de omgeving.
Vastgesteld
28
5.3.2 Kenmerken van het watersysteem (huidige situatie) Bodemgesteldheid en grondwater De originele bodem in het plangebied bestaat volgens de bodemkaart van Nederland (kaartblad 52 West, 1967) uit een hoge zwarte enkeerdgrond, welke volgens de Stichting voor Bodemkartering voornamelijk is opgebouwd uit leemarm en zwak lemig fijn zand. Het plangebied is op de Grondwaterkaart van Nederland gelegen binnen grondwatertrap VII. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstanddieptes (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) bevindt zich hierbij op meer dan 80 cm beneden maaiveld en de gemiddeld laagste waterstand (GLG) op meer dan 120 cm beneden maaiveld. Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Oppervlaktewater Op de leggerkaarten van Waterschap Limburg is te zien dat binnen het plangebied geen oppervlaktewater ligt. Ten zuidwesten van het plangebied liggen de Kastenraayse Loop, De Lollebeek en de Molenberg. De Kastenraayse Loop en de Molenberg betreffen secundaire watergangen van het waterschap. De Lollebeek betreft een primaire watergang van het waterschap.
Op alle watergangen is de Keur van het waterschap van toepassing. Op basis van de Keur mag binnen een zone van 5 meter van de insteek van deze watergangen niet zonder vergunning van het waterschap worden gebouwd. Het plangebied bevindt zich ruimschoots buiten deze zones. Een vergunning van het waterschap is derhalve niet benodigd. 5.3.3 Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) Afvalwater Voor de afvoer van het huishoudelijk afvalwater zal een droogweerafvoer (DWA) moeten worden aangelegd. Het DWAriool moet het vuil water van de woningen afvoeren naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (RWZI) middels het bestaand gemeentelijk rioleringsstelsel. Met onderhavig bestemmingsplan worden vier grote bouwkavels omgezet naar zes kleine bouwkavels. Hiermee worden feitelijk twee woningen toegevoegd. Het te lozen afval water neemt hierdoor toe. Echter de belasting op het bestaande riool van het huishoudelijk afvalwater zal met onderhavig initiatief gering zijn. Er zijn derhalve geen aanpassingen noodzakelijk zijn voor het bestaande riool. Hemelwater Het initiatief leidt tot een toename van het verhard oppervlak. Iedere toename van verhard oppervlak dient zoveel mogelijk ‘hydrologisch neutraal’ te geschieden. Het waterschap hanteert hiervoor vuistregels waarmee op basis van de toename van verharding een wateropgave kan worden bepaald.
Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt onder andere in dat het versneld afvloeiende hemelwater (als gevolg van extra bebouwd oppervlak en / of verhardingen) dient te worden gecompenseerd door middel van extra waterberging. Via deze (tijdelijke) berging kan water vertraagd de bodem worden ingebracht, of vertraagd worden afgevoerd naar het bestaande watersysteem.
Vastgesteld
29
Conform de Toetssteen Openbare Ruimte zal de bergingsvoorziening minimaal 40 mm moeten kunnen bergen. Ten tijde van de realisatie van de nieuwbouwwijk is een gemeenschappelijke bergingsvoorziening gerealiseerd ten zuiden van de nieuwbouwwijk (nabij de Lollebeek). In het vigerende bestemmingsplan is deze bergingsvoorziening bestemd als ’Natuur’ met de aanduiding ‘waterberging’. Overtollig hemelwater afkomstig van de wijk wordt middels een infiltratiegreppel naar een wadi toe geleidt, alwaar het hemelwater de mogelijkheid krijgt in de bodem te infiltreren. Een gescheiden rioleringssysteem transporteert het hemelwater van de wijk naar de bergingsvoorziening. Het hemelwater dat binnen het plangebied zal vallen zal op dit gescheiden rioleringssysteem worden aangesloten. De capaciteit van de wadi is berekend op de totale nieuwbouwwijk, waarbij binnen het plangebied nog sprake was van vier bouwkavels. Met zes bouwkavels en de weg is sprake van meer verharding, welke in de bergingsvoorziening moet passen. Het huidige bouwvlak waarbinnen vier woningen kunnen worden gebouwd en wat dus verhard kan worden, heeft een oppervlakte van circa 800 m2. De twee nieuwe bouwvlakken waarbinnen zes woningen kunnen worden gebouwd, hebben een gezamenlijke oppervlakte van 1.000 m2. Het nieuwe hofje met weg heeft een oppervlakte van circa 300 m2.
Het huidig verhard oppervlak bedraagt derhalve circa 800 m2 en dit zal met circa 500 m2 toenemen tot circa 1.300 m2. Het overtollige hemelwater wat door deze extra verharding moet worden geborgen bedraagt 20 m3 (toename verhard oppervlakte (500 m2) * bergingseis (40 mm)). Bij het oorspronkelijke plan van de nieuwbouwwijk is uitgegaan van een verhard oppervlakte van 7.670 m2. Bij dit plan is gerekend met een bergingseis van 63 mm. De voorziening heeft dan ook een inhoud gekregen van 483 m3 (7.670 m2 * 63 mm). De gemeente Venray rekent tegenwoordig met een bergingsnorm van 40 mm. Als het gehele plan (de nieuwbouwwijk en de herverkaveling) wordt berekend met deze bergingsnorm is er een overschot aan berging van 327 m3 ((7670 m2 + 500 m2) * 40 mm). Gesteld kan worden dat de huidige voorziening voldoende inhoud heeft om het hemelwater van de nieuwbouwwijk en van de herverkaveling op te bergen.
Afbeelding 16. Ligging infiltratiegreppel en bovengrondse retentievoorziening
Vastgesteld
30
Binnen het plangebied dient wel een hemelwaterafvoer (HWA) aangelegd te worden. Het HWA riool dient als afwatering van de woningen en de weg naar de wadi (via de sloot aan de overzijde). Onder de rijbaan wordt een infiltratie- en transportriool (IT-riool) aangelegd (afbeelding 17). Dit riool infiltreert de regen ondergronds via een met geotextiel omwikkelde, geperforeerde, horizontale buis in de bodem.
Afbeelding 17. Aanleg IT-riool onder de rijbaan
Het van belang om de goede waterkwaliteit te behouden door geen uitloogbare materialen (lood, koper, zink) te gebruiken in de bebouwing of op openbaar gebied. Verder dient het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen zo veel mogelijk beperkt te worden. Concluderend kan gesteld worden dat door het initiatief geen knelpunten ontstaan tussen grondgebruik en de waterhuishouding.
5.4
Kabels, leidingen en straalpaden
Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming in of in de nabijheid van het plangebied. Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen.
Vastgesteld
31
5.5
Natuur
De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wn). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. Flora en fauna Gezien de huidige situatie van het plangebied als grasveld dat regelmatig wordt gemaaid in combinatie met de ligging in de bebouwde kom, ver verwijderd van natuurgebieden, worden bijzondere dier- en / of plantensoorten ter plaatse niet verwacht. Het terrein vormt hoogstens een incidenteel verblijfsgebied voor grondgebonden zoogdieren zoals egel, mol en konijn. Tevens kunnen er algemene amfibieënsoorten incidenteel verblijven zoals bruine kikker en gewone pad. Dit betreffen zogenaamde A-soorten in de Wn, waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van een ruimtelijke ontwikkeling of beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wn): deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen.
Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de daadwerkelijke bouw worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied moeten worden verplaatst. Natura2000 Het dichtstbijzijnde wettelijk beschermde natuurgebied, het Natura 2000-gebied Boschhuizerbergen, ligt op circa 6 kilometer afstand van het plangebied. In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura2000-gebieden een Wnb-vergunning vereist is. Over een afstand van 6 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op de Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting. Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOx of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Voor ieder habitattype binnen een Natura2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie.
Door middel van het rekeninstrument AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden als gevolg een initiatief berekend. Met onderhavig bestemmingsplan worden vier woonkavels omgezet naar zes woonkavels. Hierdoor wordt het mogelijk om binnen het plangebied niet vier maar zes woningen op te richten. In de huidige situatie zijn binnen het plangebied vier vrijstaande woningen toegestaan. In de nieuwe situatie zijn twee vrijstaande woningen en vier twee-onder-één kap woningen toegestaan. De nieuwe situatie is afgezet tegen de huidige situatie van vier vrijstaande woningen. Dit leidt op basis van AERIUS Calculator niet tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden (zie bijlage 1). Het initiatief leidt derhalve in de gebruiksfase niet tot extra verzuring of vermesting in Natura2000-gebieden. Ook tijdens de bouw is sprake van (tijdelijke) stikstofemissie, veroorzaakt door verkeer van en naar de bouwlocatie (vrachtwagens die bouwmaterialen komen leveren, vervoer bouwvakkers, etc.) en het gebruik van mobiele werktuigen op de bouwlocatie (kraan, betonpomp, etc.).
Vastgesteld
32
Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van een reguliere bouw voor vergelijkbare woningen. Dit betreffen de volgende gegevens: ▪ Aanvoer beton voor fundering: 4 vrachtwagens (waarvan 1 betonpomp) ▪ Aanvoer stenen: 4 vrachtwagens ▪ Aanvoer beton voor begane grondvloer: 4 vrachtwagens (waarvan 1 betonpomp) ▪ Aanvoer breedplaatvloeren eerste verdieping: 1 vrachtwagen ▪ Aanvoer beton voor eerste verdiepingsvloer: 4 vrachtwagens (waarvan 1 betonpomp) ▪ Aanvoer dakplaten: 1 vrachtwagen ▪ Aanvoer dakpannen: 1 vrachtwagen ▪ Aanvoer divers klein materiaal (kozijnen, ramen, deuren, etc.): 5 vrachtwagens ▪ Afvoer afval en materiaal: 5 vrachtwagens Uitgaande van een worst-case scenario doen op de meest drukke dag 4 vrachtwagens de bouwlocatie aan (op de dagen dat beton wordt gestort). Dagelijks zal personeel (bouwvakkers) de bouwlocatie bezoeken om bouwwerkzaamheden aldaar te verrichten. Het personeel komt over het algemeen gezamenlijk in 1 bestelbusje. Voor overige bezoekers is eveneens 1 bestelbusje aangehouden per dag. Per woning bestaat de aan- en afvoer maximaal 4 zware voertuigen en 2 middelzware voertuigen per etmaal tijdens de bouwfase. Voor het bepalen van de emissie afkomstig van mobiele werktuigen op de locatie tijdens de bouwfase is eveneens gebruik gemaakt van een reguliere bouw.
Dit betreffen de volgende gegevens: ▪ Bouwrijp maken locatie: 1 graafmachine gedurende 40 uur (5 dagen) ▪ Storten beton voor fundering: 1 betonpomp gedurende 3 uur ▪ Storten beton voor betonvloer (twee maal): 1 betonpomp gedurende 4 uur ▪ Leggen breedplaatvloeren: 1 kraan gedurende 4 uur ▪ Leggen dakisolatie: 1 kraan gedurende 4 uur Op grond van deze uitgangspunten zijn de emissies van de mobiele werktuigen berekend. Voor het berekenen van deze door diesel aangedreven werktuigen wordt in AERIUS Calculator gebruik gemaakt van het emissiemodel van TNO3. In dit model wordt voor het berekenen van de emissies van stikstofoxiden (NOx) gebruik gemaakt van de volgende formule: Emissie = Lastfactor * Vermogen * Emissiefactor * TAF-factor Lastfactor = het gedeelte van het (gemiddelde) volle vermogen van dit machinetype dat gemiddeld gebruikt wordt [%]; Vermogen = het gemiddelde vermogen van dit machinetype [kW]; Emissiefactor = de gemiddelde emissiefactor behorend bij het bouwjaar [g/kWh]; TAF-factor = aanpassingsfactor op de gemiddelde emissiefactor in verband met de afwijking van de gemiddelde gebruikstoepassing van dit machinetype als gevolg van wisselende vermogensvraag [-]. Voor de werktuigen zijn de emissiefactoren NOx en bijbehorende TAF-factoren verkregen uit de genoemde rapportage. In onderstaande tabel zijn de berekende emissies van de mobiele werktuigen weergegeven.
3
Hulskotte, J. Verbeek, R., Emissiemodel Mobiele Machines gebaseerd op machineverkopen in combinatie met brandstof afzet (TNO-034-UT-200901782_RPT-ML), TNO Bouw en Onderhoud, november 2009
Vastgesteld
33
Tabel 3. Emissies van de mobiele werktuigen
Nr.
Werktuig
1 Graafmachine 2 Betonpomp 3 Mobiele kraan Totaal
Draaiuren per jaar 40 11 12
Vermogen [kW] 100 265 100
Emissiefactor [g/kWh] 3,3 2,0 3,3
Lastfactor 60 50 50
TAFfactor 0,87 1,0 1,1
Emissie [kg/jaar] 6,8 2,9 2,2 11,9
Uit de ingevoerde gegevens blijkt dat de emissie NOx met 17,7 kg/jaar toeneemt tijdens de bouw van één woning. In het kader van onderhavig bestemmingsplan wordt echter uitgegaan van een worst-case-scenario; dat alle zes de woningen tegelijkertijd worden gebouwd. Bovenstaande uitgangspunten zijn derhalve met 6 vermenigvuldigd. Met de ingevoerde gegevens geeft AERIUS Calculator aan dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j (zie bijlage 2). Er is derhalve geen merkbaar c.q. negatief effect voor wat betreft stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000gebieden door de bouw van de woningen.
5.6
Archeologie en cultuurhistorie
5.6.1 Archeologie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De gemeente Venray heeft een eigen archeologische beleidskaart laten opstellen door archeologisch adviesbureau RAAP. De kaart en het bijbehorende rapport zijn afgerond in het voorjaar van 2008 (RAAP rapport 1482: “Begrensd verleden; Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en de cultuurhistorische waardenkaart voor de gemeente Venray”). Vanwege de gemeentelijke herindeling in 2010 is de archeologische beleidskaart geactualiseerd, waarbij Geijsteren, Wanssum en Blitterswijck en het buitengebied daaromheen in de kaart zijn opgenomen. Deze geactualiseerde versie is in de 2013 vastgesteld. Op deze beleidskaart is het plangebied gelegen in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde (oranje). Het uitgangspunt bij deze gebieden is om het archeologisch erfgoed 'in situ' te bewaren.
In geval van planvorming dient vroegtijdig archeologisch onderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (IVO) te worden uitgevoerd.
Vastgesteld
34
Afbeelding 18. Uitsnede archeologische beleidskaart met plangebied rood omcirkeld
In 2011 is door archeologisch adviesbureau RAAP een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor deze locatie. Tijdens het veldonderzoek is gebleken dat de bodem in het plangebied uit een lage enkeerdgrond bestaat, die in de Late Middeleeuwen of Nieuwe tijd ontstaan is. Vóór deze tijd was in het plangebied echter sprake van een betrekkelijk natte bodem. In enkele boringen was het bodemprofiel tot in het moedermateriaal verstoord. Vanwege de oorspronkelijk natte omstandigheden in het plangebied geldt een lage verwachting voor vindplaatsen van landbouwers (Neolithicum tot Nieuwe tijd). Omdat het plangebied op de overgang van een hooggelegen naar een laaggelegen gebied ligt, geldt een hoge verwachting voor vindplaatsen van jager-verzamelaars (Laat Paleolithicum en Mesolithicum). Aangezien in de boringen echter alleen sprake was van een verploegd pakket op het moedermateriaal (C-horizont), zijn eventuele vindplaatsen van jager-verzamelaars geheel verstoord geraakt. Wegens de geconstateerde bodemverstoring en de oorspronkelijk natte omstandigheden in het plangebied kan de archeologische verwachting worden bijgesteld naar laag. Om deze reden luidt de aanbeveling om geen archeologisch vervolgonderzoek te doen. Op basis van de resultaten van het door RAAP uitgevoerde onderzoek kan het plangebied archeologisch worden vrijgegeven.
5.6.2 Cultuurhistorie De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In het POL2014 is derhalve aangegeven dat gestreefd wordt naar het behouden, ontwikkelen en beheren van beschermde historische bouwwerken, hoofdlijnen van jonge en oude cultuurlandschappen en historische landschapselementen.
Vastgesteld
35
Het beleid ten aanzien van cultuurhistorie zoals dit in het POL2014 is weergegeven, is gestoeld op de Nota Belvédère. Het POL2014 schrijft dan ook voor een beschrijving in het bestemmingsplan mee te nemen, betreffende de omgang met de cultuurhistorische elementen in relatie tot de hiervoor geldende wettelijke bepalingen. Volgens de provinciale kaart ‘Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg’ liggen er binnen of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke cultuurhistorische waarden en geen rijks- en of gemeentelijke monumenten. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
5.7
Verkeer en parkeren
Met de herverkaveling wordt een hofje aangelegd waardoor alle woningen goed kunnen worden ontsloten. Het hofje wordt aangesloten op de Rietweg waardoor de woningen via deze weg kunnen ontsluiten. Het hofje wordt doorgetrokken over de rijbaan van de Rietweg zodat de verkeersveiligheid optimaal wordt gegarandeerd. Gezien het profiel van de weg zal deze de geringe toename van het aantal verkeersbewegingen door het toevoegen van twee woningen goed kunnen verwerken. Om de parkeerbehoefte te berekenen is gebruik gemaakt van de parkeernormen van de gemeente Venray. De gemeente heeft haar parkeerbeleid vastgelegd in de ‘Beleidsnota Parkeernormen’, d.d. december 2013. In het parkeerbeleid is vastgelegd dat per woning minimaal 2,0 parkeerplaatsen benodigd zijn. In totaal dienen 12 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Bij elke woning wordt minstens één parkeerplaats opgericht op eigen terrein en voor de vrijstaande woningen geldt dat in totaal twee parkeerplaatsen worden opgericht op eigen terrein. De overige parkeerplaatsen worden opgericht in de openbare ruimte, op de rabatstroken. Gezien het bovenstaande leidt het initiatief niet tot problemen in het kader van verkeer en parkeren.
5.8
Niet-gesprongen explosieven
Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Het gehele grondgebied van de gemeente Venray heeft in de Tweede Wereldoorlog zwaar onder vuur gelegen. Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven (NGE). Met behulp van het explosievenonderzoek worden de aanwezigheid en risico’s van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht. De gemeente Venray adviseert bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detectieonderzoek uit te (laten) voeren. Dit onderzoek dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de bestemmingsplanprocedure niet juridisch afdwingbaar. Het is echter te allen tijde de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving.
Vastgesteld
36
6.
JURIDISCHE ASPECTEN
Een bestemmingsplan geeft bestemmingen met de bijbehorende regels. Het bestaat niet alleen uit een tekstdocument, maar ook uit een verbeelding (plankaart). Alle toegelaten functies zijn met een eigen bestemming op de verbeelding opgenomen. Samen met de regels vormt de (digitale en analoge) verbeelding het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting hoort wel bij het bestemmingsplan, maar is geen onderdeel daarvan: de toelichting is niet juridisch bindend. Dat betekent, dat indien er onverhoopt verschillen zouden bestaan tussen de toelichting en het bestemmingsplan, de regels en de verbeelding (plankaart) doorslaggevend en bindend zijn en de toelichting niet. De toelichting beschrijft wat de doelstellingen van het bestemmingsplan zijn en hoe de regels van het bestemmingsplan moeten worden geïnterpreteerd. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de SVBP 2012 alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor). Het bestemmingsplan is digitaal opgesteld en beschikbaar. Van het elektronische document is een papieren versie gemaakt. Bij een onbedoeld verschil tussen de papieren versie en de elektronische versie gaat de laatste voor.
6.1
Toelichting op de verbeelding
De verbeelding geeft met kleuren en tekens aan welke bestemming voor de gronden geldt. De bestemming is aangegeven met een gekleurd vlak met de letters van de bestemming. Er zijn voor de gronden meerdere tekens opgenomen. Het gaat dan om aanduidingen (functie- of gebiedsaanduidingen) of dubbelbestemmingen. Voor een aanduiding of dubbelbestemming zijn in de regels specifieke bepalingen van toepassing. Uit de verbeelding kan afgeleid worden op welk gebied het bestemmingsplan betrekking heeft, omdat daarop de plangrens is aangegeven. De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1.000. De analoge verbeelding bestaat uit één plankaart met een legenda. Het plangebied is bestemd tot ‘Wonen’, ‘Groen’ en ‘Verkeer’. In de woonbestemming zijn twee bouwvlakken aangegeven waarbinnen elk 3 woningen gerealiseerd mogen worden. Verder zijn binnen de bouwvlakken de aanduidingen ‘specifieke bouwaanduiding - wonen 1’ en ‘maximum goothoogte: 4 m’ opgenomen. Dit betekent dat uitsluitend vrijstaande en twee-aaneengebouwde woningen mogen worden gerealiseerd met een maximale goothoogte van 4 meter. De archeologische dubbelbestemming, zoals die in het vigerende bestemmingsplan nog is opgenomen, is na vrijgave van het plangebied niet meer aan de orde en daarom niet meer opgenomen.
6.2
Toelichting op de planregels
Alle gronden binnen het plangebied hebben een bestemming. Een bestemming geeft de functie aan, die de gemeenteraad aan een gebied heeft toebedacht. Bij deze bestemmingen horen gebruiksregels. Het kan gaan om regels voor bouwen, werken en werkzaamheden, slopen en het gebruik van grond en de opstallen voor bepaalde activiteiten. De bestemming en de regels bepalen gezamenlijk welke activiteiten en handelingen zijn toegestaan. Het gevolg van het leggen van een bestemming is, dat de betreffende gronden alleen overeenkomstig deze bestemming mogen worden gebruikt. In die zin houdt een bestemming dus een inperking in van het eigendomsrecht. De bevoegdheid om bestemmingen te leggen is toegekend aan de gemeenteraad. Dit is geregeld in artikel 3.1 van de Wro. Een gemeenteraad mag niet zomaar een Vastgesteld
37
bestemming leggen, maar moet daarvoor vanuit het algemeen belang van een “goede ruimtelijke ordening‟ redenen hebben. Het leggen van een bestemming betekent overigens niet, dat er een verplichting bestaat voor een grondgebruiker om die bestemming te realiseren. 'Bestemming' heeft slechts een passieve betekenis: of een bestemming gerealiseerd wordt, is afhankelijk van het handelen van de rechthebbende(n) op de grond (eigenaar, huurder, pachter). Een bestemming geeft alleen aan welk handelen toegelaten is. Daaruit kan worden afgeleid dat ander handelen niet is toegelaten. De artikelen 2.1 en 2.2 van de Wabo en enkele andere wetten verbieden het handelen in strijd met het bestemmingsplan. Om misverstanden te voorkomen wordt bij de bestemming aangegeven wat “in ieder geval‟ beschouwd moet worden als in strijd met het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is een juridisch plan: de daarin opgenomen bepalingen zijn bindend voor burgers en bedrijven en voor de overheid. Bij het opstellen van de regels is zo veel mogelijk uitgegaan van het rapport Standaard Vergelijkbare Bestemmings Plannen 2012 (SVBP 2012) en het vigerende bestemmingsplan voor de kern van Castenray; bestemmingsplan “Castenray”. De regels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: ▪ Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten; ▪ Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels.
Hierin worden de regels voor de op de verbeelding opgenomen bestemmingen gegeven; ▪ Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelbepaling, algemene aanduidingsregels en algemene afwijkings- en wijzigingsregels; ▪ Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen. Het belangrijkste doel van de planregels is om de bouw- en gebruiksregels van de verschillende bestemmingen aan te geven en maken in dit geval de bouw van de bouw van een woning mogelijk. Het onderhavige bestemmingsplan kent de bestemming ‘Wonen’. Hoofdstuk 1: INLEIDENDE REGELS In dit hoofdstuk worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten. Hoofdstuk 2: BESTEMMINGSREGELS In deze artikelen worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen omschreven en wordt bepaald op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. Tevens worden per bestemming de bebouwingsmogelijkheden vermeld. Hoofdstuk 3: ALGEMENE REGELS Deze artikelen bevatten bepalingen die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen, zodat het uit praktische overwegingen de voorkeur verdient deze in een afzonderlijke paragraaf onder te brengen.
Hoofdstuk 4: SLOT- EN OVERGANGSREGELS Hier wordt omschreven welke gebouwen en gebruik vallen onder het overgangsrecht.
Vastgesteld
38
7.
UITVOERBAARHEID
7.1
Economische uitvoerbaarheid
Op grond van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) rust op de gemeente de verplichting tot het verhaal van kosten die tot de grondexploitatie behoren op basis van een exploitatieplan. De gemeente kan hiervan afzien indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. De gemeente ontwikkelt zelf dit woningbouwplan en alle gronden zijn in eigendom van de gemeente. Daarnaast draagt gemeente zelf de vastgestelde bedragen aan de fondsen bovenwijkse voorzieningen en ruimtelijke ontwikkeling af. Kosten worden terug verdient door uitgifte van bouwrijpe grond. Kostenverhaal is hiermee anderszins verzekerd. Voor de planlocatie is een grondexploitatie opgesteld, waarin de kosten en baten tegen elkaar zijn afgezet. Uit de grondexploitatie blijkt dat het plan economisch uitvoerbaar is.
7.2
Handhaving
Sinds 1 april 2005 werkt de gemeente Venray samen met de gemeente Horst aan de Maas als het gaat om handhaving. Onder deze samenwerking valt niet alleen de uitvoering, maar ook alle juridische, administratieve en beleidsmatige ondersteuning. In 2012 is het eerste integraal handhavingsbeleid in werking getreden. Inmiddels is het Beleidsplan VTH Horst aan de Maas 2017-2020 in werking getreden. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray voeren hun handhavingstaken uit op basis van de volgende visie: de gemeenten Horst aan de Maas en Venray stellen een gezonde, veilige, leefbare en groene leefomgeving centraal. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen, leven en werken te behouden en te versterken. Het bestuur streeft naar een gestructureerd en integraal handhavingsbeleid, waarbij preventief belang voorop staat. De betrokkenheid en het eigen verantwoordelijkheidsbesef van de burgers, bedrijven en instellingen moeten daarbij worden vergroot. Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt en het geschonken vertrouwen wordt beschaamd, volgt daadwerkelijk handhavend optreden. Zo krijgt iedereen de aanpak die hij/zij verdient. In dit integrale handhavingsbeleid is één van de speerpunten hoe in de economische situatie van de afgelopen jaren met minder middelen net zo veel of meer aan handhaving gedaan kan worden.
In dit kader zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd: 1. appelleren aan de eigen verantwoordelijkheid; 2. preventie gaat boven repressie; 3. draagvlak creëren; 4. servicegericht handelen, en 5. alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen. 1.
2.
“Appelleren aan eigen verantwoordelijkheid” wil zeggen dat de verantwoordelijkheid bij de burgers, bedrijven en instellingen terecht komt, dit is ten slotte ook waar hij thuishoort. Dit vergt wel een bepaald vertrouwen van de gemeente over de burgers, bedrijven en instellingen binnen hun gemeente. Wordt dit vertrouwen geschaad dan treedt de gemeente consequent hard op. Er kan nu meer op risicogroepen of zwakke schakels ingezet worden, de capaciteit van de handhaving is dus beter in te delen en kan efficiënter gebruikt worden. ''Preventie gaat boven repressie'' wil zeggen dat meer aandacht besteedt wordt aan het voorkomen van overtredingen dan het aanpakken van bestaande overtredingen. Hierdoor hoeven er niet zoveel tijdrovende en geldverslindende,
Vastgesteld
39
3.
4.
5.
bestuursrechtelijke procedures doorlopen te worden. Er wordt dus met zo min mogelijk inzet zoveel mogelijk resultaat behaald. Verder is “draagvlak creëren” een van de uitgangspunten. Dit houdt in dat er duidelijk over handhaving wordt gecommuniceerd en dat er ook daadwerkelijk gedaan wordt wat er gezegd wordt. Belangrijk is ook om dingen die spelen bij burgers, ondernemers, instellingen, scholen en verenigingen mee te nemen in het uitvoeringsprogramma en dat rechtsgelijkheid wordt nagestreefd. Het vierde uitgangspunt is “servicegericht handelen”. Dit houdt in dat de overheid zich dienstbaar opstelt. De gemeente denkt mee en speelt in op ongewenste situaties. Ook is de gemeente 24 uur per dag bereikbaar. Zo wordt een gevoel van veiligheid en een leefbare omgeving gecreëerd. Er is dus meer aandacht nodig voor de aanpak van overlastfeiten in de openbare ruimte. Het laatste uitgangspunt is “alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen”. Er worden dus alleen besluiten genomen en regels ingesteld die ook daadwerkelijk handhaafbaar zijn. Overbodige regels worden geschrapt om alles overzichtelijk te houden en er wordt zorg gedragen voor voldoende deskundige capaciteit, op deze manier kan gedogen geminimaliseerd worden.
Bij handhaving staat de nalevingsstrategie centraal. Hierin is opgenomen welke activiteiten worden ondernomen om te komen tot naleving van de regels. De nalevingsstrategie kan op zijn beurt worden onderverdeeld in de volgende strategieën: 1. preventiestrategie; 2. toezichtstrategie; 3. sanctiestrategie, en 4. gedoogstrategie. Vaak wordt er gekozen voor een combinatie van deze strategieën om het resultaat te vergroten. Bij deze strategieën passen verschillende handhavingsinstrumenten. Onder de preventieve handhavingsinstrumenten vallen onder andere deregulering, kritisch zijn op het formuleren van regels, handhaafbaarheid van de regels en communicatie en voorlichting. De regels moeten bekend zijn bij de doelgroep, er dient dus duidelijk gecommuniceerd te worden over handhavingsactiviteiten en de gemeentelijke prioriteiten. Naast de preventieve handhavingsinstrumenten zijn er ook nog de repressieve handhavingsinstrumenten. Dit zijn onder andere het betalen van een dwangsom, bestuursdwang en intrekking van begunstigde beschikking. Bij een dwangsom wordt er een geldbedrag per overtreding of tijdseenheid dat de overtreding voortduurt betaald aan de gemeente. Bestuursdwang houdt in dat een overtreding op kosten van de overtreder ongedaan gemaakt wordt. Als laatste kan een begunstigde beschikking worden ingetrokken, op deze manier wordt een activiteit juridisch onmogelijk gemaakt.
Het kan hierbij ook gaan om een gedeeltelijke ontheffing. Vaak volgt op het intrekken van een begunstigde beschikking nog het opleggen van een dwangsom of bestuursdwang. Naast bestuursrechtelijk aanpakken van overtreders kan het soms ook de voorkeur hebben om een overtreder strafrechtelijk aan te pakken. Op deze manier kunnen de vaak langdurende juridische procedures die gemoeid zijn met de bestuursrechtelijk aanpak ontlopen worden. Bij strafrechtelijke aanpak moet gedacht worden aan bestuurlijke strafbeschikking en een proces-verbaal. Wanneer er een privaatrechtelijke overeenkomst met de gemeente is aangegaan kan ook voor de privaatrechtelijke worden gekozen. Hierbij gaat, wanneer het mogelijk is, de bestuursrechtelijke aanpak wel voor. Ten slotte kan er voor een gedoogbeschikking gekozen worden. Dit gebeurt uitsluitend voor gevallen die veroorzaakt zijn door onvoorziene omstandigheden of overgangssituaties.
Vastgesteld
40
7.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpbestemmingsplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. Vooroverleg Onderhavige bestemmingswijziging heeft geen gevolgen voor de Rijks- en provinciale belangen omdat het initiatief plaatsvindt binnen de bebouwde kom. Ook de belangen van het waterschap worden niet geschaad doordat er niet meer dan 2.000 m2 verhard oppervlak wordt toegevoegd. Vooroverleg met deze instanties hoeft derhalve niet plaats te vinden. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 23 oktober t/m 3 december 2020 voor eenieder ter inzage gelegen. Er is één zienswijze binnengekomen tegen het ontwerpbestemmingsplan. Deze zienswijze is beoordeeld en de belangen van reclamant zijn afgewogen tegen het belang dat met het bestemmingsplan wordt gediend. De zienswijze heeft geleid tot inhoudelijke wijzigingen c.q. aanvullingen van het bestemmingsplan.
Een uitgebreidere behandeling van de zienswijze is opgenomen in het zienswijzenrapport, die als bijlage bij het bestemmingsplan is vastgesteld. Daarbij zijn tevens ambtshalve aanpassingen doorgevoerd in het bestemmingsplan, welke eveneens zijn opgenomen in het zienswijzenrapport.
Vastgesteld
41
8.
PROCEDURE
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: ▪ Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; ▪ Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken; ▪ Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; ▪ Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad; ▪ Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, binnen 6 weken na vaststelling; ▪ Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; ▪ Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroeps/inwerkingtreding termijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Indien beroep wordt ingediend, dat kan te allen tijde een voorlopige voorziening worden ingediend.
Vastgesteld
42
Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.
Berekening Situatie 1 en Situatie 2 Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens
Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. RPaGQEr7xiGU (25 juni 2020) pagina 1/7
Resultaten
Contact
Activiteit
Rechtspersoon
Inrichtingslocatie
Bureau Leefomgeving
Schoolstraat 7, 5961EE Horst
Omschrijving
AERIUS kenmerk
Rietweg 16-26 Castenray
RPaGQEr7xiGU
Datum berekening
Rekenjaar
Rekenconfiguratie
25 juni 2020, 11:43
2020
Berekend voor natuurgebieden
Totale emissie
Situatie 1
Situatie 2
Verschil
NOx
12,34 kg/j
15,02 kg/j
2,68 kg/j
NH3
< 1 kg/j
< 1 kg/j
< 1 kg/j
Resultaten
Natuurgebied
Hectare met hoogste verschil (mol/ha/j)
Uw berekening heeft geen verschillen opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.
Toelichting
Herverkavelen bouwkavels
Resultaten
Situatie 1 Situatie 2
RPaGQEr7xiGU (25 juni 2020) pagina 2/7
Resultaten
Locatie Situatie 1
Emissie Situatie 1
Bron Sector
Oude situatie Plan | Plan
Verkeer Wegverkeer | Binnen bebouwde kom
Resultaten
Situatie 1 Situatie 2
Emissie NH3
Emissie NOx
-
12,12 kg/j
< 1 kg/j
< 1 kg/j
RPaGQEr7xiGU (25 juni 2020) pagina 3/7
Resultaten
Locatie Situatie 2
Emissie Situatie 2
Bron Sector
Nieuwe situatie Plan | Plan
Verkeer Wegverkeer | Binnen bebouwde kom
Resultaten
Situatie 1 Situatie 2
Emissie NH3
Emissie NOx
-
14,73 kg/j
< 1 kg/j
< 1 kg/j
RPaGQEr7xiGU (25 juni 2020) pagina 4/7
Resultaten
Emissie (per bron)
Naam Locatie (X,Y)
Situatie 1
NOx
Sector
Categorie
Omschrijving
Woningen (nieuwbouw): Vrijstaande woning
Vrijstaande woning
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Resultaten
Oude situatie 199895, 388943 12,12 kg/j
Eenheden Stof
Emissie
4,0 NOx
12,12 kg/j
Verkeer 199900, 388920 < 1 kg/j < 1 kg/j
Soort
Voertuig
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Standaard
Licht verkeer
17,2 / etmaal NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Situatie 1 Situatie 2
RPaGQEr7xiGU (25 juni 2020) pagina 5/7
Resultaten
Emissie (per bron)
Locatie (X,Y)
Situatie 2
NOx
Sector
Categorie
Omschrijving
Eenheden Stof
Emissie
Woningen (nieuwbouw): Vrijstaande woning
Vrijstaande woningen
2,0 NOx
6,06 kg/j
Woningen (nieuwbouw): Tweeonder-één-kap
Twee-onder-één kap woningen
4,0 NOx
8,67 kg/j
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Resultaten
Nieuwe situatie 199905, 388952 14,73 kg/j
Naam
Verkeer 199904, 388916 < 1 kg/j < 1 kg/j
Soort
Voertuig
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Standaard
Licht verkeer
25,0 / etmaal NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Situatie 1 Situatie 2
RPaGQEr7xiGU (25 juni 2020) pagina 6/7
Resultaten
Disclaimer
Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.
Rekenbasis
Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2019A_20200610_3aefc4c15b Database versie 2019A_20200610_3aefc4c15b Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/release/aerius-calculator-2019A
Resultaten
Situatie 1 Situatie 2
RPaGQEr7xiGU (25 juni 2020) pagina 7/7
Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.
Berekening Situatie 1 Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens