04 Toelichting Stationsweg 197a Mgr. Hanssenstraat 1a
Tekst van het document
Dit komt indirect ten goede van de woonkwaliteit ter plaatse en de omgeving. Daarnaast is er een dringend te kort aan woningen binnen de kern, met het toevoegen van deze nieuwe woning wordt een (kleine) bijdrage geleverd aan dit heersende woningtekort. Het initiatief is dan ook in lijn met het Omgevingsprogramma Wonen.
Vastgesteld – ‘Mgr. Hanssenstraat 1a/Stationsweg 197a, Oostrum’
20
4.
PLANBESCHRIJVING
Aan de rand van de kern Oostrum is, al enige jaren, Melvins Tweewielers gevestigd op de locatie Mgr. Hanssenstraat 1a. Melvins Tweewielers is actief in de verkoop en reparatie van fietsen en alle daaraan gerelateerde producten. In de afgelopen jaren is het bedrijf flink gegroeid door de toenemende vraag aan fietsen maar ook aan de reparatie hiervan. Om te kunnen blijven voldoen aan de toenemende vraag heeft initiatiefnemer, zijnde eigenaar Melvins Tweewielers, enkele jaren geleden een tweede locatie aangekocht aan de Stationsweg 197a, hemelsbreed 60 meter verderop. De initiatiefnemer is tevens woonachtig in de bedrijfswoning op deze locatie. Met de aankoop van de nieuwe locatie is de verkoop en reparatie van elkaar gescheiden. De verkoop en advisering vindt plaats in de winkel aan de Mgr. Hanssenstraat en de reparatie en opslag vindt plaats op de Stationsweg 197a. Met het opsplitsen van de bedrijfsvoering kan initiatiefnemer weliswaar voldoen aan de toenemende vraag, maar is er ook veel onduidelijkheid ontstaan bij klanten en leveranciers. Daarnaast zorgt het opsplitsen van de bedrijfsvoering veel ongewenste verkeersbewegingen en verkeersonveilige situaties op de Mgr. Hanssenstraat in verband met parkeren/ laden en lossen van klanten en leveranciers.
Om deze onwenselijke situatie op te lossen is bij initiatiefnemer het voornemen ontstaan de volledige bedrijfsvoering van Melvins Tweewielers te verplaatsen naar de locatie Stationsweg 197a. Hiermee wordt één centrale bedrijfslocatie gerealiseerd, waar zowel de advisering en verkoop als de reparatie en opslag onder een dak plaats vinden. De locatie Stationsweg 197a beschikt over een ruime separate inrit en op eigen terrein in voldoende ruimte om te laden en lossen, waardoor de ongewenste verkeersbewegingen en verkeersonveilige situaties tussen de beide locaties komen te vervallen. De thans aanwezige werkplaats/opslag op de Stationsweg blijft hierbij behouden, aan de achterzijde van de bestaande werkplaats wordt een kleine uitbreiding gerealiseerd waarin een winkelruimte en showroom gerealiseerd kunnen worden. Hier is thans niet voldoende ruimte voor in de bestaande bedrijfsbebouwing.
Afbeelding 9 Impressie beoogde situatie Stationsweg
De thans aanwezige werkplaats/opslag heeft een oppervlakte circa 371 m², de beoogde uitbreiding heeft een oppervlakte van circa 253 m². In totaliteit is er in de toekomstige situatie circa 624 m² aan bedrijfsbebouwing aanwezig op de locatie. Het wordt niet wenselijk geacht de locatie nog verder te bebouwen, derhalve zal het toekomstige oppervlakte geborgd worden in onderhavig planvoornemen.
Vastgesteld – ‘Mgr. Hanssenstraat 1a/Stationsweg 197a, Oostrum’
21
Met het verplaatsen van de winkel komt de bestaande winkelruimte op de locatie Mgr. Hanssenstraat 1a vrij. Gelet op de ligging in de kern van Oostrum, overwegend omringd door woningen is het niet wenselijk om op deze locatie een nieuwe winkel te realiseren. Initiatiefnemer is dan ook voornemens de winkelruimte inpandig te verbouwen tot woning, bestemd voor de verhuur. Deze woning sluit aan bij de thans aanwezige woning Mgr. Hanssenstraat 1b en de omliggende woningen.
Afbeelding 10 Impressie beoogde situatie Mgr. Hanssenstraat
4.1
Uitgangspunten en doelstellingen van het plan
De doelstelling van dit bestemmingsplan is gericht op het planologisch mogelijk maken 1) de volledige bedrijfsvoering te verplaatsen naar de locatie Stationsweg 197a en het hierbij uitbreiden van de bebouwing en 2) de voormalige winkelruimte op de Mgr. Hanssenstraat inpandig te verbouwen tot een woning. Bij de opstelling van dit bestemmingsplan zijn de volgende uitgangspunten leidend geweest: ▪ Het bestemmingsplan dient een adequate en duidelijke regeling te bevatten dat binnen het plangebied één nieuwe woning is toegestaan op de locatie Mgr. Hanssenstraat 1a, waarbij de bestemming ‘detailhandel’ wordt omgezet naar de bestemming ‘Wonen’ alsmede het uitbreiden van de loods op de locatie Stationsweg 197a is toegestaan; ▪ Op de locatie Stationsweg dient de huidige aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – las- en montage bedrijf’ te worden verwijderd, voor de volledigheid wordt deze aanduiding ook op het achterliggende perceel (E4953) verwijderd.
▪ Op de locatie Stationsweg 197a dient de aanduiding ‘verkoop en reparatie van fietsen’ te worden toegevoegd; ▪ Ten behoeve van de uniformiteit van bestemmingsplannen binnen de gemeente Venray dient onderhavig bestemmingsplan qua systematiek aan te sluiten bij het bestemmingsplan “Oostrum” zoals dat thans voor het plangebied en voor de rest van de bebouwde kom van Oostrum geldt; De uitgangspunten hebben geleid tot een bestemmingsplan waarin: De locatie Stationsweg nog steeds bestemd is als ‘Bedrijf’. Het bestaande bouwvlak is behouden en uitgebreid ter plaatse van de beoogde uitbreiding van de loods. Het bouwvlak is voorzien van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – verkoop en reparatie van fietsen’ en een aanduiding ‘maximum bebouwd oppervlakte: 630 m²’, zodat de bedrijfsvoering verplaatst kan worden en de uitbreiding van de loods gerealiseerd kan worden, en in de toekomst geen nieuwe bebouwing Vastgesteld – ‘Mgr. Hanssenstraat 1a/Stationsweg 197a, Oostrum’
22
gerealiseerd kan worden. Ter plaatse van de bedrijfswoning is de aanduiding ‘bedrijfswoning’ en ‘maximum goothoogte: 6 meter’ zoals bestaand behouden. De locatie Mgr. Hanssenstraat is volledig bestemd als ‘Wonen’, het bestaande bouwvlak met de aanduiding ‘maximum bouwhoogte: 6 meter’ is behouden. Tevens is ter plaatse van het bouwvlak de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 2’ toegekend waarmee de inpandige verbouwing tot woning is toegestaan, als toevoeging op de reeds bestaande woning.
4.2
Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten
Stationsweg De kleinschalige uitbreiding is beoogd aan de achterzijde van de bestaande loods. Het straatbeeld veranderd dan ook in niet betekende mate met het uitbreiden van de loods, daar deze nauwelijks zichtbaar is vanuit de straat door de omliggende bebouwing.
Afbeelding 11 Impressie huidige en beoogde situatie Stationsweg
Mgr. Hanssenstraat De locatie maakt onderdeel uit van het bebouwingslint van de Mgr. Hanssenstraat, de bebouwing bestaat overwegend uit woningen. Met het inpandig realiseren van de woning wordt dan ook functioneel aangesloten bij de omgeving. Het inpandige realiseren van een nieuwe woning ter vervanging van de winkelruimte wordt het straatbeeld niet tot nauwelijks gewijzigd. Uit stedenbouwkundig en ruimtelijke oogpunt vinden er op de locatie dan ook geen wijzigingen plaats.
Afbeelding 12 Impressie huidige en beoogde situatie Mgr. Hanssenstraat
Vastgesteld – ‘Mgr. Hanssenstraat 1a/Stationsweg 197a, Oostrum’
23
5.
RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN
Dit hoofdstuk bevat een inventarisatie van de verschillende omgevingsaspecten die van invloed zijn op het realiseren van het initiatief. Daarbij komen onder meer de volgende aspecten aan de orde: milieu (geluid, bodem, bedrijfshinder en zonering, luchtkwaliteit), waterhuishouding (riolering en watertoets), externe veiligheid, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en vervoer, kabels, leidingen en overige belemmeringen, alsmede natuur en landschap.
5.1
Milieuaspecten
5.1.1 Bedrijven en milieuzoneringen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. de richtafstandenlijst; 2. twee omgevingstypen; 3. een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging. De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype). In de bijlagen wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijke relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie.
Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect (geluid, stof, stank en dergelijke) dat in de lijst is genoemd. Het projectgebied is te typeren met het omgevingstype ‘gemengd gebied’. De omgeving kenmerkt zich door een diversiteit aan verschillende functies. In geval van het omgevingstype gemengd gebied kunnen de afstanden uit bijlage 1 van de VNG-publicatie, zonder dat dit ten koste gaat van een goed woon- en leefklimaat. Stationsweg De locatie Stationsweg is reeds bestemd voor bedrijfsdoeleinden. De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in een wijziging van de bestemmingsdoeleinden en/of de bestemmingsgrenzen. Derhalve is er geen sprake van een wijziging van de milieuzonering. Mgr. Hanssenstraat 1a Een woonfunctie betreft een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving. Wel kan een woonfunctie milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving. Ter plaatse van de locatie Mgr.
Hanssenstraat 1a dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van omliggende milieubelastende functies. In de directe omgeving (straal van 250 meter) van het projectgebied bevinden zich de volgende bedrijven (tabel 1):
Vastgesteld – ‘Mgr. Hanssenstraat 1a/Stationsweg 197a, Oostrum’
24
Tabel 1. Bedrijven in de omgeving van het projectgebied
Bedrijf / functie
Adres
SBI2008
Aan te houden afstanden
Dienstverlening (voormalige kapsalon)
Mgr. Hanssenstraat 1
9602
Bedrijven cat. 1 en 2
Stationsweg 199 Stationsweg 124B Bedrijventerrein de Hulst Ooster Thienweg 4 Stationsweg 126C
-
Geur 0 meter Stof 0 meter Geluid 0 meter Gevaar 0 meter Grootste richtafstand: 10 meter
Stationsweg 197
952
Stationsweg 132A VRY00-S-1669 Bedrijventerrein de Hulst
-
Detailhandel
Mgr. Hanssenstraat 15a15e
47
Restaurant/Bowling
Mgr. Hanssenstraat 10-10a
561 931
Dienstverlening
Mgr. Hanssenstraat 23
9609
Horeca
Mgr. Hanssenstraat 25-25b Stationsweg 142 Mgr. Hanssenstraat 29
561
Dienstverlening, kantoren en detailhandel Fietsenwinkel
Nutsvoorziening Bedrijven cat. 1 t/m 3.2
-
-
-
Grootste richtafstand: 0 meter Geur 0 meter Stof 0 meter Geluid 0 meter Gevaar 0 meter Grootste richtafstand: 10 meter Grootste richtafstand: 50 meter Geur 0 meter Stof 0 meter Geluid 0 meter Gevaar 0 meter Geur 0 meter Stof 0 meter Geluid 10 meter Gevaar 0 meter Geur 0 meter Stof 0 meter Geluid 0 meter Gevaar 0 meter Geur 0 meter Stof 0 meter Geluid 0 meter Gevaar 0 meter
Afstand tot Mgr. Hanssenstraat 1a 0 meter
30 meter 50 meter 100 meter 195 meter 75 meter 60 meter
85 meter 90 meter 135 meter 140 meter
160 meter
170 meter
180 meter 220 meter 230 meter
Onderzocht is of de hindercontouren de locatie Mgr. Hanssenstraat overlappen. Er zijn geen hindencontouren die het projectgebied overlappen. In de beoogde nieuwe woning kan derhalve een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Tevens vormt de nieuwe beoogde woning geen belemmering voor de bedrijfsvoering van de omliggende bedrijven omdat reeds bestaande woningen dichterbij deze inrichtingen zijn gelegen. Milieuzonering vormt derhalve geen belemmering voor de realisatie van het initiatief. 5.1.2 Bodem- en grondwaterkwaliteit Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. Stationsweg Op de locatie Stationsweg vindt geen bestemmings-/functiewijziging plaats. Ter plaatse is thans een bedrijf toegestaan. De voorgenomen ontwikkeling voorziet slechts in een kleine uitbreiding van de bedrijfsbebouwing.
Vastgesteld – ‘Mgr. Hanssenstraat 1a/Stationsweg 197a, Oostrum’
25
Mgr. Hanssenstraat 1a Op de locatie Mgr. Hanssenstraat 1a is de functie ‘wonen’ reeds toegestaan. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling wordt er een extra woning toegevoegd binnen de bestaande bebouwing. Voor beide locaties vormt het aspect bodem derhalve geen belemmering.
5.1.3 Weg- en spoorverkeerslawaai Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder (Wgh). Per 1 januari 2007 is de Wijzigingswet Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) in werking getreden. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegen, spoorwegen, gezoneerde industrieterreinen en luchthavens. Stationsweg Op de locatie Stationsweg vindt geen bestemmings-/functiewijziging plaats. Ter plaatse is thans een bedrijf toegestaan. De voorgenomen ontwikkeling voorziet slechts in een uitbreiding van de bedrijfsbebouwing. Mgr. Hanssenstraat 1a De nieuw toe te voegen woning betreft een geluidsgevoelig object. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is er een onderzoek uitgevoerd naar weg- en railverkeer1. Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft (zie onderstaande tabel), met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Tabel 2.
Breedte van de geluidsnorm gespecificeerd naar het aantal rijstroken
Aantal rijstroken 1 of 2 3 of 4 5 of meer
Breedte van de geluidszone (m) Stedelijk 200 350 350
Buitenstedelijk 250 400 600
Woningen betreffen geluidsgevoelige objecten. Dit houdt in dat er moet worden aangetoond dat (weg)verkeerslawaai ter plaatse geen negatieve effecten teweegbrengt voor de toekomstige bewoners van de woningen. In feite mogen nieuwe woningen niet worden gerealiseerd, wanneer er een geluidbelasting van wegverkeer optreedt van 48 dB of hoger, tenzij ontheffing is verleend door het College van burgemeester en wethouders (mogelijk tot maximaal 63 dB). Als een nog hogere geluidbelasting wordt ondervonden is woningbouw alleen mogelijk als de woningen worden uitgevoerd met een dove gevel op de gevel(s) waar de geluidbelasting meer bedraagt dan 63 dB. Railverkeer Op een afstand van 40 meter van het projectgebied is de spoorlijn Nijmegen - Venlo gelegen. In het kader van de Wgh is voor de geluidsbelasting van railwegverkeer een voorkeursgrenswaarde vastgesteld van 55 dB en een maximale ontheffingswaarde van 68 dB. Conclusie
1 Akoestisch onderzoek, HMB Groep (d.d. 16 februari 2023, kenmerk: 23211201N)
Vastgesteld – ‘Mgr. Hanssenstraat 1a/Stationsweg 197a, Oostrum’
26
Concluderend kan gesteld worden dat voor alle omliggende zoneplichtige wegen en spoorwegen voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wgh. De beoogde nieuwe woonbestemming doet geen inbreuk op de geluidruimte van omliggende bedrijven/inrichtingen. Een goed woon- en leefklimaat kan ter plaatse van de woonbestemming gewaarborgd worden. Indien de aangegeven bouwmaterialen gebruikt worden zal een dusdanige geluidsreductie plaats vinden dat voldaan wordt aan de eisen die het Bouwbesluit stelt aan het binnengeluidniveau/gevelgeluidwering. De geadviseerde bouwmaterialen zijn reeds verwerkt in de bouwtekeningen. Het aspect geluid vormt derhalve geen belemmering in het kader van de voorgenomen ontwikkeling. 5.1.4 Luchtkwaliteit Algemeen Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b.
Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekende mate' is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uitgegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2.
Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen: Tabel 3. Regeling NIBM bij woningen
Woningen (maximaal)
Minimaal 1 ontsluitingsweg 3%-norm 1.500
Minimaal 2 ontsluitingswegen 3%-norm 3.000
Het voorliggend initiatief voorziet in fors minder woningen alsmede een kleinschalige uitbreiding van de bedrijfsbebouwing. Er kan dan ook worden geconcludeerd dat het plan NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden
Vastgesteld – ‘Mgr. Hanssenstraat 1a/Stationsweg 197a, Oostrum’
27
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. Tabel 4. Stoffen voor het bepalen van de luchtkwaliteit met de jaargemiddelde grenswaarde
Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)
Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3
Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 9,7 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 16,7 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 12,5 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³, terwijl de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³ bedraagt. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. Conclusie luchtkwaliteit Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. De voorgenomen ontwikkeling zal nagenoeg geen extra verkeer aantrekkende werking met zich meebrengen.
Daarnaast draagt het initiatief niet in betekende mate bij aan de luchtkwaliteit, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer en dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is. 5.1.5 Geur Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebied bestemd voor wonen en verblijf. Op 29 september 2009 heeft de gemeenteraad van Venray de aangepaste Verordening geurhinder en veehouderij vastgesteld. De laatste aanpassing van deze geurverordening is vastgesteld op 1 november 2011. In de gemeentelijke geurverordening is vastgelegd welke normstelling er geldt voor de voorgrondbelasting en bij welke achtergrondbelasting nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het plangebied valt conform de gemeentelijke geurverordening in het buitengebied.
In de verordening is bepaald dat voor zoekgebieden woningbouw een maximale waarde geldt van 14,0 Ou/m3 (voorgrondbelasting) en 20,0 Ou/m3 (achtergrondbelasting). Individuele geurbelasting
Vastgesteld – ‘Mgr. Hanssenstraat 1a/Stationsweg 197a, Oostrum’
28
Op beide locaties zijn geurgevoelige objecten aanwezige c.q. worden deze toegevoegd, daar de kleinschalige uitbreiding van de bedrijfsbebouwing alsmede de nieuwe woningen aangemerkt worden als gebouwen waar mensen voor langere tijd verblijven. In de directe omgeving (500 meter van het plangebied) is sprake géén locatie waar een vergunning verleend is voor het houden van dieren. Geconcludeerd kan worden door de grote afstanden tot de veehouderijen dat ter plaatse geen sprake kan zijn van geuroverlast. Cumulatieve geurbelasting Op de kaart achtergrondbelasting 2018 behorende bij de gemeentelijke geurverordening wordt de indicatieve achtergrondbelasting als zeer goed (0 tot 3 OU/m3, <5% kans op geurhinder) beoordeeld.
Afbeelding 13 Uitsnede kaart achtergrondbelasting van de gemeente Venray
De indicatieve achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder ter plaatse van het plangebied wordt beoordeeld als zeer goed. Een zeer goed leefklimaat ten aanzien van geur wordt in de bebouwde kom van Oostrum op grond van het gemeentelijk beleid prima geacht.
5.2
Externe veiligheid
Bij de ruimtelijke planvorming moet rekening gehouden worden met het aspect externe veiligheid. De risico’s voor de bevolking, die verbonden zijn aan gevaar veroorzakende activiteiten moeten in beeld worden gebracht. De volgende bronnen kunnen aan de orde zijn: ▪ inrichtingen; ▪ transportactiviteiten met gevaarlijke stoffen; ▪ vuurwerkopslagplaatsen; ▪ opslagplaatsen ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Hoewel de kans om komen te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen zeer klein is, gelden er toch bepaalde minimaal aan te houden afstanden tot locaties waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen of getransporteerd. Deze minimaal aan te houden afstanden worden plaatsgebonden risicocontouren genoemd. De grootte van deze
Vastgesteld – ‘Mgr. Hanssenstraat 1a/Stationsweg 197a, Oostrum’
29
plaatsgebonden risicocontouren verschilt per situatie. Zo speelt de hoeveelheid opgeslagen of vervoerde gevaarlijke stoffen een rol, maar daarnaast bijvoorbeeld ook de wijze van opslag en eventuele aanwezige veiligheidsystemen. Wanneer er een ongeval met gevaarlijke stoffen plaatsvindt, dan kunnen de effecten veel verder reiken dan de plaatsgebonden risicocontour. De afstand tot waar een ongeval met een gevaarlijke stof nog onder 1% van de blootgestelden dodelijke slachtoffers kan veroorzaken vormt het invloedsgebied. Het plaatsgebonden risico zegt dus niets over het aantal mensen dat kan komen te overlijden tijdens een ongeval met gevaarlijke stoffen. Hiervoor is het groepsrisico bedoeld. Het groepsrisico is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting en wordt weergegeven in een grafiek. In een dergelijke grafiek is de kans op een calamiteit weergegeven tegenover de hoeveelheid mensen die kan komen te overlijden als gevolg van die calamiteit. Het groepsrisico is geen harde norm, maar vormt de basis voor een verantwoording van de aanwezige risico's door de gemeente. Het gemeentebestuur heeft beleidsruimte bij het toepassen van de hoogte van het groepsrisico bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Echter, het gemeentebestuur is wel verplicht voor het invloedsgebied verantwoording af te leggen over de hoogte van het groepsrisico, de te nemen maatregelen om de effecten van deze risico's te reduceren en de eventuele restrisico's. Risicovolle bedrijvigheid rond het plangebied Op basis van de provinciale risicokaart zijn er in of in de nabijheid van het plangebied geen risicovolle inrichtingen gelegen, wel zijn er twee risicovolle transportroutes gelegen: Soort Risicovolle transportroute A73 Buisleidingen (2 stuks)
Afstand tot Stationsweg 790 meter 630 meter
Afstand tot Mgr. Hanssenstraat 1a 875 meter 630 meter
Buisleiding Op een afstand van 630 meter van beide locaties zijn twee buisleidingen gelegen, deze buisleidingen lopen parallel aan de Deurneseweg (N270). Beide zijn in beheer van Gasunie en betreffen aardgasleidingen. Id. Leiding Z-541-06 Z-541-07
Diameter (inch) 7 9
Druk (bar) 40,0 40,0
1%letaliteitsgrens* 75 95
100%letaliteitsgrens** 40 50
Afstand tot plangebied 630 meter 630 meter
Voor buisleidingen met een druk hoger dan 4.000 kPa geldt dat het plaatsgebonden risico op 5 meter aan weerszijden van de leiding niet meer dan 10-6 mag zijn. Er wordt daarbij gemeten vanaf het hart van de leiding. Binnen deze zone zijn kwetsbare objecten niet toegestaan en beperkt kwetsbare objecten niet wenselijk. In het bestemmingsplan dient deze zone ook als veiligheidszone bestemd te worden. Het plangebied is niet gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontouren van de buisleidingen. De betreffende gasleidingen hebben een zogenaamde 100% letaliteitszone van 40 respectievelijk 50 meter aan weerszijden van de leidingen, waar de kans bestaat dat alle aanwezigen kunnen komen te overlijden bij een ongeval met de leiding. De 100% en 1% letaliteitszones liggen buiten het plangebied. Het plangebied is dan ook niet gelegen binnen het invloedsgebied van de buisleidingen. De buisleiding vormt daarmee geen belemmering voor het initiatief. Transport gevaarlijke stoffen (A73) Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.
Daarmee wordt de opdracht aan het bevoegd gezag voor ruimtelijke besluiten nadrukkelijk vastgelegd om rekening te houden met de risico's van transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor. In het basisnet is de omvang voor de verschillende transportmodaliteiten vastgelegd.
Vastgesteld – ‘Mgr. Hanssenstraat 1a/Stationsweg 197a, Oostrum’
30
De dichtstbijzijnde wegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt is de autosnelweg A73 (Nijmegen-Venlo) Het plangebied ligt op een afstand van 790 respectievelijk 875 meter van de A73. Over de A73 vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Daarmee moet bij de uitvoering van het project rekening worden gehouden met de aanwezigheid van het plasbrandaandachtsgebied (invloedsgebied van brandbare gassen, toxische vloeistoffen en toxische gassen). De A73 kent ter hoogte van het plangebied geen plaatsgebonden risicocontour. Transport gevaarlijke stoffen (spoorweg) Op grotere afstand (circa 590 meter) van het plangebied is de spoorlijn Nijmegen-Roermond gesitueerd. Volgens artikel 8 van het besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) moet er in een ruimtelijk plan ingegaan worden op de benoemde onderwerpen van artikel 8 als het plangebied binnen 200 meter is gelegen van een transportroute. Ten aanzien van het plaatsgebonden risico blijkt dat de PR-contour is gelegen op 10 meter van de as van de spoorlijn. Het plangebied is niet gelegen binnen deze contour. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor het de realisatie van de woning.
5.3
Water
In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Venray als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. Beleidskader Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2022-2027 van het waterschap, De Provinciale Omgevingsvisie Limburg (POVI), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: ▪ vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); ▪ voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant.
Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Het waterbeleid in de POVI sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijk natuur; ▪ schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; Vastgesteld – ‘Mgr. Hanssenstraat 1a/Stationsweg 197a, Oostrum’
31
▪
een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas.
Conform de algemene beleidsregels van het Rijk, de provincie, de gemeente en Waterschap Limburg dient bij het realiseren van een nieuwe verharding sprake te zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt onder andere in dat het versneld afvloeiende hemelwater (als gevolg van extra verhardingen) dient te worden gecompenseerd door middel van extra waterberging. Via deze (tijdelijke) berging kan water vertraagd de bodem worden ingebracht, of vertraagd worden afgevoerd naar het bestaande watersysteem of geheel worden geïnfiltreerd in de bodem. Bij een hydrologisch neutrale ontwikkeling wordt dus geborgd dat extra afvloeiend hemelwater niet wordt afgewenteld op de omgeving. Bodemgesteldheid en grondwater Op de Bodemkaart van Nederland worden de gronden rondom van het plangebied aangeduid als hoge zwarte enkeerdgronden bestaande uit lemig fijn zand. Conform de algemene gegevens van het waterschap blijkt het plangebied een goede bodemdoorlatendheid te hebben van 0,45 tot 0,75 m/dag. Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Oppervlaktewater Op de leggerkaarten van Waterschap Limburg is te zien dat binnen het plangebied zelf geen oppervlaktewater ligt. Ten zuiden van het plangebied, op een afstand van 250 meter, stroomt de ‘Zompgraaf’.
Dit betreft een primaire watergang van het waterschap. Op deze watergang is de Keur van het waterschap van toepassing. Op basis van de Keur mag binnen een zone van 5 meter van de insteek van deze watergang niet zonder vergunning van het waterschap worden gebouwd. Het plangebied bevindt zich ruimschoots buiten deze zone. Een vergunning van het waterschap is derhalve niet benodigd. Afvalwater Het plangebied is reeds aangesloten op het gemeentelijke rioleringsstelsel. De belasting op het bestaande riool van het huishoudelijk afvalwater van één woning en de kleinschalige uitbreiding van de bedrijfsbebouwing zal gering zijn. Er zijn derhalve geen aanpassingen noodzakelijk zijn voor het bestaande riool. Water in relatie tot ontwikkeling Het bestemmingsplan voorziet in het inpandig realiseren van een extra woning op de locatie Mgr. Hanssenstraat 1a en het uitbreiden van de bedrijfsbebouwing op locatie Stationsweg. Stationsweg Op de locatie Stationsweg is een uitbreiding van de bestaande bedrijfsbebouwing beoogd. De uitbreiding beslaat een oppervlakte van 253 m². Conform het beleid dient nieuwe bebouwing te worden afgekoppeld van het rioleringsstelsel voor wat betreft hemelwater. Hierbij dient een infiltratievoorziening te worden voorzien met opvang capaciteit van 60 mm.
De nieuwe bebouwing betreft 253 m², derhalve dient de infiltratievoorziening een minimale inhoud van (253 * 0,06) 15 m³ te hebben. Het is nog niet exact bekend hoe deze afkoppeling exact plaatsvindt. Bij de aanvraag omgevingsvergunning dient de initiatiefnemer aan te tonen dat zij voldoen aan deze voorwaarden.
Vastgesteld – ‘Mgr. Hanssenstraat 1a/Stationsweg 197a, Oostrum’
32
Mgr. Hanssenstraat 1a Op de locatie Mgr. Hanssenstraat 1a is beoogd inpandig één nieuwe woning te realiseren. Het betreft slechts een inpandige verbouwing. Ook op deze locatie is derhalve geen sprake van een toename aan verhard oppervlakte. Derhalve is deze locatie waterkundig niet relevant.
5.4
Kabels, leidingen en straalpaden
Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming in of in de nabijheid van het plangebied. Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen.
5.5
Natuur
De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wn). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. Flora en fauna Stationsweg Op de locatie Stationsweg is een uitbreiding van de bestaande bedrijfsbebouwing beoogd. De locatie is thans volledig verhard, de beoogde uitbreiding is voorzien op reeds verharde gronden. Gezien de huidige situatie van het plangebied in combinatie met de ligging in de bebouwde kom, verwijderd van natuurgebieden, worden bijzondere dier- en / of plantensoorten ter plaatse niet verwacht. Mgr. Hanssenstraat 1a Op de locatie Mgr. Hanssenstraat 1a is beoogd inpandig één nieuwe woning te realiseren. Het betreft slechts een inpandige verbouwing. Gezien het feit dat het slechts een inpandige verbouwing betreft in combinatie met de ligging in de bebouwde kom, verwijderd van natuurgebieden, worden bijzondere dier- en / of plantensoorten ter plaatse niet verwacht. Het terrein vormt hoogstens een incidenteel verblijfsgebied voor grondgebonden zoogdieren zoals egel, mol en konijn. Tevens kunnen er algemene amfibieënsoorten incidenteel verblijven zoals bruine kikker en gewone pad.
Dit betreffen zogenaamde A-soorten in de Wnb, waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van een ruimtelijke ontwikkeling of beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb): deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de daadwerkelijke bouw worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied moeten worden verplaatst. Natura2000 Binnen een afstand van 10 km van het plangebied zijn de volgende Natura2000-gebieden gelegen: ▪ Boschhuizerbergen, afstand 1,3 km Vastgesteld – ‘Mgr. Hanssenstraat 1a/Stationsweg 197a, Oostrum’
33
▪
Maasduinen, afstand 6,7 km
In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een Wnb-vergunning vereist is. Over een afstand van 1,3 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op de Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting. Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOx of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Voor ieder habitattype binnen een Natura2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Door middel van het rekeninstrument AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden als gevolg een initiatief berekend. Als uit de AERIUS Calculator blijkt dat er geen stikstofdepositie door de gebruiksfase van het project of plan op de Natura2000-gebieden plaatsvindt, hoeft geen vervolgonderzoek plaats te vinden en is geen vergunning nodig.
Als er wél een toename van stikstofdepositie plaatsvindt is vervolgonderzoek nodig om te beoordelen of een vergunning verleend kan worden. Gebruiksfase De gebruiksfase is daarom ingevoerd in AERIUS Calculator. Hiervoor zal gekeken worden naar de toekomstige situatie. Sinds 1 juli 2018 krijgen nieuwe bouwwerken geen gasaansluiting meer, derhalve vindt de uitstoot van stikstof in het geval van de nieuwe bebouwing uitsluitend plaats door verkeer van en naar de locatie. De voormalige winkellocatie aan de Mgr. Hanssenstraat is reeds voorzien van een gasaansluiting, deze zal in het kader van de voorgenomen ontwikkeling behouden blijven. De uitbreiding van de werkplaats/opslag op de Stationsweg zal eveneens worden aangesloten op de bestaande gasaansluiting ten behoeve van verwarming. Voor het bepalen van het aardgasverbruik van de woning, winkelruimte en de werkplaats/opslag is gebruik gemaakt van de standaarden (‘Energiekengetallen utiliteitsbouw dienstensector’ d.d. februari 2019 en ‘Nieuwe benchmark energieverbruik utiliteitsgebouwen en industriële sectoren’ d.d. januari 2016). Functie
Emissie (NOX/jaar)
onderbouwing
Stationsweg Werkplaats/opslag
3,1
Winkel/showroom
1,7
De werkplaats/opslag heeft een oppervlakte van 371 m². Dit komt neer op een gasverbruik van 5.565 m³ per jaar. De calorische onderwaarde van aardgas in Nederland bedraagt 31.650 kJ/m³, waardoor bij verbranding voor de verwarming in de huidige situatie circa 176 GJ aan warmte wordt afgeleverd. Een Hr-ketel emitteert 18 g NOX per GJ3 , wat overeenkomt met 3,1 kg NOX per jaar. De beoogde winkel/showroom heeft een oppervlakte van 256 m². Dit komt neer op een gasverbruik van 3.046,4 m³ per jaar. De calorische onderwaarde van aardgas in Nederland bedraagt 31.650 kJ/m³, waardoor bij verbranding voor de verwarming in de huidige situatie circa 96 GJ aan warmte wordt afgeleverd. Een Hr-ketel emitteert 18 g NOX per GJ3 , wat overeenkomt met 1,73 kg NOX per jaar.
Mgr. Hanssenstraat Woningen ( 2 stuks)
4,32
Kengetal AERIUS (één twee-onder-een-kap woning 2,17 kg/jaar)
Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’. Er is uitgegaan van de volgende gegevens: • Functie:
Vastgesteld – ‘Mgr. Hanssenstraat 1a/Stationsweg 197a, Oostrum’
34
bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (voor werkplaats/opslag) + bouwmarkt/ meubelwoonboulevard (voor winkelfunctie) o huur, appartement, midden/goedkoop + meubel/woonboulevard (voor winkelfunctie) • Gebiedstype: rest bebouwde kom in weinig stedelijk gebied Er zal gekeken worden naar de worst-case benadering (maximale getallen). Voor een nadere toelichting van de verkeersgeneratie wordt verwezen naar paragraaf 5.7. o
Functie
Oppervlakte
Maximaal (per 100 m² BVO)
Totaal
Stationsweg Werkplaats/opslag Winkel/showroom
371 m² 256 m²
5,7 10,2 Totaal
21,14 26,11 50,25
Totaal
9 9
Mgr. Hanssenstraat Woning
2 st.
4,5 (per woning)
Voor wat betreft de verkeersbewegingen afkomstig van de locatie Mgr. Hanssenstraat wordt verondersteld dat de voertuigen van en naar de locatie uitsluitend lichte voertuigen betreffen (personenauto’s). Het is aannemelijk dat het verkeer afkomstig van de woning zowel in oostelijke als in westelijke richting de locatie zal aandoen, derhalve zijn de verkeersbewegingen voor 50% in oostelijke richting en 50% in westelijke richting opgenomen in de AERIUS Calculator. Op de locatie Stationsweg zal er sprake zijn van diverse voertuigen, zoals zware voertuigen (vrachtwagens) maar ook middelzware voertuigen (bestelbusjes). In de AERIUS Calculator zal een verdeling van 50% zware voertuigen, 25% middelzware voertuigen en 25% lichte voertuigen worden opgenomen. Het is aannemelijk dat het verkeer afkomstig van zowel in oostelijke als in westelijke richting de locatie zal aandoen, derhalve zijn de verkeersbewegingen voor 50% in oostelijke richting en 50% in westelijke richting opgenomen in de AERIUS Calculator. Tijdens de gebruiksfase is sprake van een toename van 28,7 kg NOx. Dit leidt op basis van AERIUS Calculator niet tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden.
(ver)bouwfase Ook tijdens de (ver)bouw is er sprake van (tijdelijke) stikstofemissie, veroorzaakt door verkeer van en naar de bouwlocatie (vrachtwagens die bouwmaterialen komen leveren, vervoer bouwvakkers, etc.) en het gebruik van mobiele werktuigen op de bouwlocatie (kraan, betonpomp, etc.). Stationsweg De bouwtijd van de winkel/showroom als uitbreiden van de werkplaat/opslag zal naar schatting 12 weken bedragen (60 werkdagen). De bouw heeft een bepaalde verkeersgeneratie tot gevolg, afkomstig van mobiele werktuigen en verkeer van en naar de locatie: ▪ Aanvoer beton nieuwe vloer (gedeeltelijk): 2 vrachtwagens ▪ Aanvoer kozijnen/ deuren e.d.: 1 vrachtwagens ▪ Aanvoer overige: 2 vrachtwagens ▪ Aanvoer diverse (aanvoer t.b.v. installateurs elektra, riool e.d.): 6 bestelbusjes ▪ Afvoer afval en materialen: 2 vrachtwagens en 4 bestelbusjes Uitgaande van een worst-case scenario doen op de meest drukke dag 3 vrachtwagens de bouwlocatie aan (op de dag dat de betonvloer wordt gestort). In totaliteit doen 10 bestelbusjes de bouwlocatie aan, dat is gemiddeld 0,16 bestelbusje per dag. Vastgesteld – ‘Mgr. Hanssenstraat 1a/Stationsweg 197a, Oostrum’
35
Dagelijks zal personeel (bouwvakkers) de bouwlocatie bezoeken om bouwwerkzaamheden aldaar te verrichten. Het personeel komt over het algemeen gezamenlijk in 1 bestelbusjes. Voor overige bezoekers is eveneens 1 bestelbusje aangehouden per dag. Een worst-case scenario is ingevoerd in AERIUS Calculator, bestaande uit 4 zware voertuigen en 2,16 middelzware voertuigen per etmaal tijdens de bouwfase.
Bouwjaar
Brandstof
Vermogen (kW)
Belasting (%)
Liters diesel per uur*
Draaiuren
Gebruik mobiele werktuigen Voor het bepalen van de emissie afkomstig van mobiele werktuigen op de locatie tijdens de verbouwfase is eveneens gebruik gemaakt van door de aannemer aangeleverde gegevens.
2015 2014
Diesel Diesel
100 200
50 50
14,02 27,78
32 32
Werktuig
Mobiele kraan Betonpomp
Uit de ingevoerde gegevens blijkt dat de emissie NOx met 11,0 kg/jaar toeneemt tijdens de verbouwing. Mgr. Hanssenstraat De inpandige verbouwing van winkelruimte naar woning zal naar schatting eveneens 10 weken bedragen (50 werkdagen). De verbouwing heeft een bepaalde verkeersgeneratie tot gevolg, afkomstig van mobiele werktuigen en verkeer van en naar de locatie: ▪ Aanvoer kozijnen/ deuren e.d.: 1 vrachtwagens ▪ Aanvoer overige: 1 vrachtwagens ▪ Aanvoer diverse (aanvoer t.b.v. installateurs elektra, riool e.d.): 2 bestelbusjes ▪ Afvoer afval en materialen: 1 vrachtwagens en 2 bestelbusjes Uitgaande van een worst-case scenario doet op de meest drukke dag 1 vrachtwagen de bouwlocatie aan. In totaliteit doen 4 bestelbusjes de bouwlocatie aan, dat is gemiddeld 0,08 bestelbusje per dag. Dagelijks zal personeel (bouwvakkers) de bouwlocatie bezoeken om bouwwerkzaamheden aldaar te verrichten. Het personeel komt over het algemeen gezamenlijk in 1 bestelbusjes. Gezien de kleinschaligheid van de voorgenomen ontwikkeling is er geen sprake van overige bezoekers.. Een worst-case scenario is ingevoerd in AERIUS Calculator, bestaande uit 1 zwaar voertuig en 4 middelzware voertuigen per etmaal tijdens de verbouwfase. Gezien de kleinschaligheid van de inpandige verbouwing is er geen sprake van het gebruik van mobiele werktuigen ter plaatse.
Uit de ingevoerde gegevens blijkt dat de emissie NOx met 4,7 kg/jaar toeneemt tijdens de (ver)bouwfase. Met de ingevoerde gegevens geeft AERIUS Calculator aan dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Er is derhalve geen merkbaar c.q. negatief effect voor wat betreft stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden door het initiatief tijdens de (ver)bouwfase. Het initiatief leidt derhalve niet tot extra verzuring of vermesting in Natura2000gebieden.
Vastgesteld – ‘Mgr. Hanssenstraat 1a/Stationsweg 197a, Oostrum’
36
5.6
Archeologie en cultuurhistorie
5.6.1 Archeologie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe Rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De gemeente Venray heeft een eigen archeologische beleidskaart laten opstellen door archeologisch adviesbureau RAAP. De kaart en het bijbehorende rapport zijn afgerond in het voorjaar van 2008 (RAAP rapport 1482: “Begrensd verleden; Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en de cultuurhistorische waardenkaart voor de gemeente Venray”). In verband met de samenvoeging van een deel van de voormalige gemeente Meerlo-Wanssum met Venray de archeologische beleidskaart in 2011 is geactualiseerd. Deze vigerende versie is in 2013 vastgesteld.
Afbeelding 14 Uitsnede gemeentelijke archeologische beleidskaart
Op basis van deze beleidskaart is het plangebied gelegen in een gebied met een hoge verwachting. In gebieden met een hoge verwachting dient archeologische onderzoek plaats te vinden indien het terrein voor een oppervlakte van 500 m² dieper dan 50 cm verstoord wordt. De gestelde ondergrenzen zullen in het kader van het initiatief niet worden overschreden. Het aspect archeologie vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 5.6.2 Cultuurhistorie De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. Volgens de provinciale kaart ‘Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg’ ligt er in de nabijheid van het plangebied enkele panden uit het Monumenten Inventarisatie Project (MIP), het betreft de panden: • Mgr. Hanssenstraat 5; • Stationsweg 130; Vastgesteld – ‘Mgr. Hanssenstraat 1a/Stationsweg 197a, Oostrum’
37
• •
Stationsweg 201; Stationsweg 195;
Allen betreffen woningen/boerderijen in traditionele bouwstijl. De gebouwen zijn van belang omdat het een specimen van een bouwtraditie betreft. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen op de (belevings-) waarde van deze objecten. Het aspect cultuurhistorie vormt derhalve geen belemmering.
5.7
Verkeer en parkeren
Het toevoegen of wijzigen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit effect heeft op het wegverkeer en het parkeren. Verkeer Stationsweg In de huidige en toekomstige situatie betreft de bestemming op deze locatie bedrijf. In de huidige situatie betreft het slechts de werkplaats en opslag van de fietsenwinkel, in de toekomstige situatie komt hier ook de showroom en winkelfunctie bij. Dit kan leiden tot een toename aan verkeersbewegingen van en naar de locatie. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie in de nieuwe situatie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’. Er is uitgegaan van de volgende gegevens: • Functie: bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (voor werkplaats/opslag) + bouwmarkt/ meubel-woonboulevard (voor winkelfunctie) • Gebiedstype: rest bebouwde kom in weinig stedelijk gebied Functie
Oppervlakte
Werkplaats/opslag Winkel/showroom
371 m² 256 m²
Minimaal (per 100 m² BVO) 3,7 8,4
Maximaal (per 100 m² BVO) 5,7 10,2 Totaal
Totaal (worst-case benadering) 21,14 26,11 50,25
Mgr. Hanssenstraat 1 In het kader van de voorgenomen ontwikkeling wordt de thans aanwezige winkelruimte inpandig verbouwd tot een woning. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie in de huidige en nieuwe situatie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’. Er is uitgegaan van de volgende gegevens: • Functie: huur, appartement, midden/goedkoop + meubel/woonboulevard (voor winkelfunctie) • Gebiedstype: rest bebouwde kom in weinig stedelijk gebied Functie
Oppervlakte
Minimaal
Maximaal
Huidige situatie (worst-case benadering)
Winkel/showroom Woning
175 m² -
8,4 (per 100 m² BVO) 3,7 (per woning)
10,2 (per 100 m² BVO) 4,5 (per woning) Totaal
26,11 4,5 30,61
Beoogde situatie (worst-case benadering) 9 9
Conclusie
Vastgesteld – ‘Mgr. Hanssenstraat 1a/Stationsweg 197a, Oostrum’
38
Op de locatie Stationsweg is sprake van een geringe toename aan verkeersbewegingen, dit in tegenstelling tot de locatie Mgr. Hanssenstraat waar juist sprake is van een aanzienlijke afname van het aantal verkeersbewegingen. De omliggende infrastructuur is voldoende robuust om deze lichte toename op te vangen en past binnen de geprognosticeerde verkeersgroei. Daarnaast vindt er op andere locatie juist een aanzienlijke afname aan verkeersbewegingen plaats. Ook de verkeersbewegingen tussen de beide locaties komen met onderhavig initiatief te vervallen, er is dan ook sprake van een aanzienlijke verbetering van de verkeersituatie op beide locaties en in de omgeving. Parkeren Om de nieuwe parkeerbehoefte te berekenen is gebruik gemaakt van de parkeernormen van de gemeente Venray. De gemeente heeft haar parkeerbeleid vastgelegd in de ‘Beleidsnota Parkeernormen’ (december 2013). Stationsweg Er is uitgegaan van de volgende gegevens: • Functie: bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (voor werkplaats/opslag) + bouwmarkt/ meubel-woonboulevard (voor winkelfunctie) • Gebiedstype: rest bebouwde kom Functie
Oppervlakte
Werkplaats/opslag Winkel/showroom
371 m² 256 m²
Aantal (per 100 m² BVO) 1,1 2,4
Totaal
Totaal
4,08 6,14 10,22
Op eigen terrein zijn 10/11 parkeerplaatsen voorzien. Aan de voorzijde van de locatie zijn 6 haakse vakken voorzien, waarvan 2 behorend bij de bedrijfswoning, de overige 4 plaatsen zijn ten behoeve van bezoekers/klanten van de fietsenwinkel. Verder op het terrein zijn nog 4 langsparkeerplaatsen voorzien, deze worden gebruikt door het personeel. Het merendeel van de bezoekers maar ook het personeel zal de locatie aandoen met de fiets, gelet op de klantenkring maar ook gezien het feit dat het een fietsenwinkel betreft. Aan de benodigde parkeerbehoefte wordt derhalve voldaan.
Afbeelding 15 Parkeersituatie Stationsweg 197-197a
Mgr. Hanssenstraat 1a Vastgesteld – ‘Mgr. Hanssenstraat 1a/Stationsweg 197a, Oostrum’
39
Er is uitgegaan van de volgende gegevens: • Functie: huur, appartement, midden/goedkoop • Gebiedstype: rest bebouwde kom Functie
Oppervlakte
Aantal
Woning
-
1,5 (per woning)
Totaal Totaal
3 3
In totaliteit dienen er derhalve 3 parkeerplaatsen aanwezig te zijn. Aan de voorzijde van de woningen is meer dan voldoende parkeergelegenheid voor de beide woningen, daar er 9 langsparkeerplaatsen aanwezig zijn. Op eigen terrein is ruimte voor twee á drie auto’s daar de oprit een lengte heeft van circa 14 meter. Het is aannemelijk dat er met de ruime parkeergelegenheid in de omgeving, alsmede de mogelijkheid op eigen terrein voldaan kan worden aan de parkeerbehoefte. Op eigen terrein is ruimte voor twee auto’s. Aan de voorzijde van de woningen, parallel aan de Mgr. Hanssenstraat zijn openbare langsparkeerplaatsen,
5.8
Niet-gesprongen explosieven
Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Het gehele grondgebied van de gemeente Venray heeft in de Tweede Wereldoorlog zwaar onder vuur gelegen. Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven (NGE). Met behulp van het explosieven onderzoek worden de aanwezigheid en risico’s van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht. De gemeente Venray adviseert bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detectieonderzoek uit te (laten) voeren. Dit onderzoek dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de bestemmingsplanprocedure niet juridisch afdwingbaar. Het is echter te allen tijde de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving.
5.9
Duurzaamheid
De ambities ten aanzien van duurzaamheid in Venray zijn hoog, zoals neergelegd in de Energiestrategie 2030. Vanaf 2020 is alle nieuwbouwproductie in de woning- en utiliteitsbouw energieneutraal. Deze ambitie is grotendeels wettelijk verankerd. Het Bouwbesluit stelt dat per januari 2021 nieuwbouw bijna energieneutraal (BENG) moet zijn: er is vrijwel geen energie nodig, de energie die wel nodig is komt uit groene bronnen. n het bestemmingsplan kunnen alleen regels worden opgenomen die bijdragen aan 'een goede ruimtelijke ordening'. Voor de uitleg van dit begrip is in de rechtspraak het criterium ‘ruimtelijk relevant’ ontwikkeld. Alleen regels die ruimtelijk relevant zijn, kunnen in het bestemmingsplan opgenomen worden. Algemeen erkend wordt dat energietransitie een ruimtelijke impact heeft, maar de visie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is dat hiertoe geen regels in het bestemmingsplan kunnen worden opgenomen. De gemeente Venray zal daarom het aspect 'duurzaamheid' en 'energieneutraalheid' opnemen in de met initiatiefnemer overeen te komen anterieure overeenkomst. Met onderhavig bouwplan zijn de volgende duurzaamheidsmaatregelen voorzien c.q. daar waar een afweging mogelijk is, worden overwogen: Vastgesteld – ‘Mgr. Hanssenstraat 1a/Stationsweg 197a, Oostrum’
40
▪ ▪ ▪ ▪
De uitbreiding en de inpandige verbouwing zullen worden gerealiseerd volgens de huidige eisen op het gebied van duurzaamheid en energie. De uitbreiding van het bedrijfsgebouw zal niet aangesloten op het gas; De huidige bedrijfslocatie is thans voorzien van 68 zonnepanelen; Op de locatie Mgr. Hanssenstraat zullen in de toekomst ook zonnepanelen geplaatst worden.
Vastgesteld – ‘Mgr. Hanssenstraat 1a/Stationsweg 197a, Oostrum’
41
6.
JURIDISCHE ASPECTEN
Een bestemmingsplan geeft bestemmingen met de bijbehorende regels. Het bestaat niet alleen uit een tekstdocument, maar ook uit een verbeelding (plankaart). Alle toegelaten functies zijn met een eigen bestemming op de verbeelding opgenomen. Samen met de regels vormt de (digitale en analoge) verbeelding het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting hoort wel bij het bestemmingsplan, maar is geen onderdeel daarvan: de toelichting is niet juridisch bindend. Dat betekent, dat indien er onverhoopt verschillen zouden bestaan tussen de toelichting en het bestemmingsplan, de regels en de verbeelding (plankaart) doorslaggevend en bindend zijn en de toelichting niet. De toelichting beschrijft wat de doelstellingen van het bestemmingsplan zijn en hoe de regels van het bestemmingsplan moeten worden geïnterpreteerd. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de SVBP 2012 alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor). Het bestemmingsplan is digitaal opgesteld en beschikbaar. Van het elektronische document is een papieren versie gemaakt. Bij een onbedoeld verschil tussen de papieren versie en de elektronische versie gaat de laatste voor.
6.1
Toelichting op de verbeelding
De verbeelding geeft met kleuren en tekens aan welke bestemming voor de gronden geldt. De bestemming is aangegeven met een gekleurd vlak met de letters van de bestemming. Er zijn voor de gronden meerdere tekens opgenomen. Het gaat dan om aanduidingen (functie- of gebiedsaanduidingen) of dubbelbestemmingen. Voor een aanduiding of dubbelbestemming zijn in de regels specifieke bepalingen van toepassing. Uit de verbeelding kan afgeleid worden op welk gebied het bestemmingsplan betrekking heeft, omdat daarop de plangrens is aangegeven. De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1.000. De analoge verbeelding bestaat uit één plankaart met een legenda.