CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

04 Toelichting natuurbegraafplaats Janslust 11 Heide

Gemeenteraad 14 mei 2024, gemeente VenrayBij agendapunt: Bestemmingsplan natuurbegraafplaats Janslust9.862 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting Janslust 11 Heide NL.IMRO.0984.BP20009-va01.

1

Colofon Rapport: Toelichting Janslust 11 Heide Rapportnummer: 2024.2929 Status: Definitief Datum: 31 januari 2024 Projectlocatie Janslust 11 5812 AT Heide Opdrachtnemer Reland Bezoekadres: Burg. Verdijkplein 1 5835 AR Beugen Correspondentieadres: Postbus 186 5830 AD Boxmeer www.reland.nl

© januari ’24 Reland

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een geautomatiseerd gegevensbestand worden opgeslagen, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Reland. Aan de inhoud van dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Reland verwerpt elke aansprakelijkheid voor een ander gebruik van deze tekst dan voor de situatie waarvoor deze wordt uitgebracht. De informatie in deze tekst is onder voorbehoud en kan worden veranderd zonder voorafgaande kennisgeving.

2

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding ................................................................................................................ 1 1.1

Aanleiding en doel van het bestemmingsplan ..................................................... 1

1.2

Begrenzing plangebied ........................................................................................ 1

1.3

Voorgaande plannen............................................................................................ 1

1.4

Leeswijzer ............................................................................................................ 2

Hoofdstuk 2 Analyse van het plangebied en planbeschrijving .................................................. 3 2.1

Analyse van het plangebied e.o. .......................................................................... 3

2.1.1

Korte historische schets ................................................................................ 3

2.1.2

Ruimtelijke structuren en functies ................................................................. 3

2.1.3

Feitelijke staat van het plangebied ................................................................ 4

2.2

Ruimtelijke ontwikkeling ....................................................................................... 6

HOOFDSTUK 3 Beleidskader .................................................................................................. 9 3.1

Rijksbeleid ............................................................................................................ 9

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) ................................................................ 9

3.1.2

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ......................................................... 9

3.1.3

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ............................................. 10

3.1.4

Ladder voor duurzame verstedelijking ........................................................ 10

3.2

Provinciaal beleid ............................................................................................... 11

3.2.1

Provinciale Omgevingsvisie Limburg .......................................................... 11

3.2.2

Provinciaal omgevingsplan Limburg 2014 .................................................. 12

3.2.3

Omgevingsverordening Limburg 2014 ........................................................ 13

3.2.4

Omgevingsverordening Limburg 2021 ........................................................ 14

3.3

Gemeentelijke beleid ......................................................................................... 14

3.3.1

Omgevingsvisie Venray/ Ruimtelijk Kwaliteitskader gemeente Venray ...... 14

3.3.2

Structuurvisie bijdrage Ruimtelijke ontwikkeling 2011 ................................ 15

3.3.3

Toetssteen Openbare Ruimte ..................................................................... 16

3.3.4

Bestemmingsplan / projectbesluit ............................................................... 17

3.3.5

Wet op de Lijkbezorging (WLB) .................................................................. 17

HOOFDSTUK 4 Omgevingsaspecten .................................................................................... 18 4.1

Milieu .................................................................................................................. 18

4.1.1

M.e.r. plicht .................................................................................................. 18

3

4.1.2

Bodem ......................................................................................................... 18

4.1.3

Lucht ............................................................................................................ 19

4.1.4

Geluid .......................................................................................................... 20

4.1.5

Externe veiligheid ........................................................................................ 20

4.1.6

Bedrijven- en milieuzonering ....................................................................... 20

4.1.7

Kabels en leidingen ..................................................................................... 20

4.2

Water.................................................................................................................. 20

4.2.1

Waterbeleid ................................................................................................. 20

4.2.2

Waterhuishoudkundige situatie plangebied en ontwikkeling ...................... 22

4.3

Natuur ................................................................................................................ 23

4.3.1

Conclusie QuickScan Flora en Fauna 2020 ............................................... 23

4.3.2

Stikstofdepositie .......................................................................................... 24

4.3.3

Conclusie ..................................................................................................... 24

4.4

Cultuurhistorie en archeologie ........................................................................... 24

4.5

Niet gesprongen explosieven (NGE) ................................................................. 25

4.6

Verkeer............................................................................................................... 25

4.6.1

Mobiliteit ...................................................................................................... 25

4.6.2

Parkeren ...................................................................................................... 26

HOOFDSTUK 5 Uitvoerbaarheid ............................................................................................ 29

BIJLAGEN Bijlage I Bijlage II Bijlage III Bijlage IV Bijlage V Bijlage VI Bijlage VII

5.1

Economische uitvoerbaarheid ........................................................................... 29

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ..................................................................... 29

- Bedrijfsplan Natuurbegraafplaats Weverslo - Natuurbeleidsplan Natuurbegraafplaats Weverslo - QuickScan Flora en Fauna - Verslag omgevingsdialoog - Mitigatie en natuurcompensatieovereenkomst & natuurcompensatiekaart - Stikstofdepositieberekening - Plattegrond nieuwbouw

4

Hoofdstuk 1.1

1 Inleiding

Aanleiding en doel van het bestemmingsplan De initiatiefnemer is eigenaar van het landgoed Weverslo en daarmee ook de natuurbegraafplaats aan de Janslust 11 in Heide, gemeente Venray. Deze natuurbegraafplaats is gerealiseerd op basis van het door de gemeenteraad van Venray op 10 januari 2012 vastgestelde projectbesluit. Na de ingebruikname van de natuurbegraafplaats heeft de initiatiefnemer enige bouwwerken opgericht en werkzaamheden uitgevoerd (aanleg parkeerplaats en gebruik parkeerweide) welke niet binnen de geldende planologische regeling (projectbesluit 2012) passen. Derhalve is in overleg met de gemeente Venray besloten om een actueel bestemmingsplan op te stellen. Op deze manier wordt de bestemming ter plekke en het gebruik als natuurbegraafplaats planologisch geregeld en wordt het projectbesluit omgevormd tot een volwaardig bestemmingsplan. Daarnaast worden zo de bestaande situatie (met de bebouwing en parkeerplaatsen) en de uitbreiding van de bebouwing en het toegestane aantal graven per hectare juridisch geborgd. Om het, in het voorgaande beschreven, planvoornemen te realiseren dient een procedure tot wijziging van het bestemmingsplan te worden doorlopen. Onderliggend document betreft de ruimtelijke onderbouwing, die als toelichting aan het bestemmingsplan wordt toegevoegd. In dit document wordt het plan toegelicht, gemotiveerd en onderbouwd.

1.2

Begrenzing plangebied Het plangebied van het onderhavige bestemmingsplan is onderdeel van het landgoed Weverslo en is gelegen aan de Janslust 11 te Heide, in het buitengebied van de gemeente Venray. Het plangebied ligt op circa 700 meter ten zuidwesten van Venray. Daarnaast is de planlocatie gelegen in de nabijheid van de dorpen Heide en Merselo. Op de volgende pagina is op figuur 1 de ligging van het plangebied weergegeven. Het plangebied betreft de percelen die kadastraal bekend staan als gemeente Venray, sectie Z, perceelnummers 491 en 492 (gedeeltelijk). Het plangebied heeft een totale grootte van circa 59.300 m2.

1.3

Voorgaande plannen Voor het plangebied vigeren de volgende planologische documenten:

Naam bestemmingsplan -Buitengebied Venray 1981;

Bestemmingen en aanduidingen -Bosgebied; -Agrarisch gebied met hoge landschappelijke waarden; -Crossterrein.

Vaststelling 25 augustus 1981

-Projectbesluit ‘Natuurbegraafplaats Weverslo’

-Natuur -Waarde – leefgemeenschap bossen -Specifieke vorm van natuur natuurbegraafplaats

10 januari 2012

1

Voor het projectgebied is formeel de verkregen ontheffing (projectbesluit) van het toenmalige bestemmingsplan ‘Buitengebied Venray 1981’ (vastgesteld 25 augustus 1981) van toepassing, maar als referentie ook de bepalingen die zijn opgenomen in het aangrenzende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2010, herziening regels’ (vastgesteld 20 september 2017). Conform deze planologische regeling is de gewenste en te legaliseren situatie niet direct toegestaan. Om de realisatie van de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken dient er een procedure tot herziening van het bestemmingsplan te worden doorlopen.

Figuur 1 Ligging plangebied en kadastrale situatie (plangebied rood omkaderd)

1.4

Leeswijzer De plantoelichting bestaat uit de volgende delen. Na deze inleiding volgt hoofdstuk 2 met een analyse van het plangebied en een beschrijving van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling (het plan). In hoofdstuk 3 wordt het plan getoetst aan het relevante rijks-, provinciale - en gemeentelijke beleid. Hoofdstuk 4 bevat een expliciete toetsing van het plan aan alle relevante milieu-planologische aspecten. De gevolgen voor de waterhuishouding (waterparagraaf) en de aanwezige flora en fauna zijn tevens beschreven in hoofdstuk 4. Hoofdstuk 5 behandelt de economische uitvoerbaarheid van dit plan, de handhavingsaspecten en beschrijft de gevolgde procedure. Ook wordt hier de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de daarbij horende omgevingsdialoog besproken.

2

Hoofdstuk

2 Analyse van het plangebied en planbeschrijving

2.1

Analyse van het plangebied e.o.

2.1.1

Korte historische schets De eerste nederzetting die het latere kerkdorp Heide vormt, bestond uit enkele verspreid liggende boerderijen in de directe nabijheid van weidegronden waar het vee kon grazen. De latere (lint)bebouwing is gesitueerd aan de lokale verbindingsweg van Ysselsteyn naar Venray. Hoewel de straat Janslust onder het kerkdorp Heide valt, ligt het plangebied dichter bij het buurtschap Weverslo en de zuidwestelijke uitlopers van de kern Venray. Het buurtschap Weverslo werd reeds genoemd in 1407.

2.1.2

Ruimtelijke structuren en functies Ruimtelijke hoofdstructuur Hoewel de straat Janslust onder het kerkdorp Heide valt, ligt het projectgebied dichter bij de buurtschap Weverslo en de zuidwestelijke uitlopers van de kern Venray. Janslust is een weg in het agrarisch buitengebied, welke in mindere mate is toegesneden op niet-bestemmingsverkeer. Rondom het projectgebied bevinden zich met name agrarische percelen. De lintbebouwing langs het Janslust vertoont weinig samenhang en het beeld is daardoor nogal verbrokkeld.

Figuur 2. Ligging plangebied en gebruik omgeving (plangebied rood omcirkeld).

Groenstructuur Aan weerzijde van de Janslust is deze weg voorzien van bomenrijen. Het betreft hier vooral (jonge) eiken. Deze - de weg begeleidende - groenstructuur zorgt niet alleen voor een fraai straatbeeld, maar versterkt in visuele zin ook de ruimtelijke structuren in het gebied.

3

Verkeersstructuur In het stelsel van wegcategorisering van de gemeente Venray, is de weg Janslust een erfontsluitingsweg. Er geldt ter plaatse een maximale snelheid van 60 km/ uur. De primaire taak is het ontsluiten van de aanliggende percelen en de verbinding vormen met het omliggende wegennet. Parallel aan de zuidzijde van Janslust loopt de Deurneseweg (N 270). Deze provinciale weg vormt de oost-west verbinding tussen Venray en Deurne. Functies In 2017 telde het kerkdorp Heide circa 455 inwoners. Het buitengebied rondom de kern Heide bestaat hoofdzakelijk uit landbouw en natuur. In functionele zin is het plangebied en haar omgeving, zoals hiervoor gezegd, te kwalificeren als een agrarisch gebied waar agrarische productiegrond (akkers) en weilanden aanwezig zijn. Tevens komen er stukken natuur voor, zoals het plangebied. Verder bevinden zich in de omgeving van het plangebied enkele verspreid liggende burgerwoningen, een agrarisch bedrijf en een mini-camping. Het project brengt geen verandering in deze bestaande situatie. 2.1.3

Feitelijke staat van het plangebied Het plangebied heeft het karakter van een natuur-landgoed. Binnen het plangebied bevinden zich twee gebouwen, welke in gebruik zijn als ontvangstruimte en ten behoeve van opslag. Daarnaast bevindt zich binnen het plangebied een vlaggenmast, welke tevens gebruikt kan worden als bevestigingspunt voor een overkappende tent. Het gedeelte van het plangebied waar de twee gebouwen en de mast zich bevinden is verhard. De rest van het plangebied is in gebruik als een natuurbegraafplaats die is gerealiseerd conform het projectbesluit dat is vastgesteld in januari 2012. Op figuur 3 op de volgende pagina is weergegeven welk gedeelte van het plangebied bebouwd is en welk gedeelte in gebruik is als natuurbegraafplaats. Hieronder wordt kort beschreven wat natuurbegraven op deze plek inhoudt en wat dit heeft betekend in het gebruik en de uitstraling van het plangebied. Natuurbegraven is een vorm van begraven waarbij verbondenheid met natuur en milieu centraal staat. De kern is dat een lichaam wordt teruggegeven aan de natuur op een manier die milieu en natuur niet of nauwelijks beïnvloedt en waarbij de natuur- en landschapsbeleving een heel specifieke aanvulling krijgt. In een natuurgraf worden in principe twee lichamen boven elkaar of 4 urnen begraven. Dat neemt de minste ruimte in beslag.

Natuurbegraven is erop gericht positief bij te dragen aan het in standhouden van bos, natuur en landschap. Daarbij wordt uitsluitend gebruik gemaakt van onbehandelde/onbewerkte natuurlijke materialen (kist, lijkwade, kleding, grafmarkering) die geen schade toebrengen aan het milieu en die op een organische manier opgenomen worden in de natuurlijke kringloop. Verspreid over het gebied zijn in totaal ca. 110 kern/toekomstbomen geselecteerd. Dat zijn bomen die in principe „eeuwig‟ blijven staan. Bij elk van die bomen is plaats voor ca. vijf natuurgraven. Per hectare zijn er op dit moment 100 natuurgraven toegestaan.

4

Momenteel ligt er dus, als gevolg van het aangewezen aantal toekomstbomen, een ‘fysieke’ limiet van 550 natuurgraven binnen het plangebied. De verwachting is dat door de toenemende populariteit van natuurbegraven, het aantal van 100 graven per hectare al snel zal zijn uitgegeven. De kern/toekomstbomen zijn onderdeel van het reguliere bosbeheer evenals de graven. Die worden opgenomen in de natuur. De oppervlakte van een natuurgraf bedraagt ca. 2 m2. De totale gebruikte oppervlakte voor de graven bedraagt op deze manier ca. 2% van het gehele bos. Er is op dit moment geen aparte plek en ook geen mogelijkheid voor asverstrooiing.

Gebouw t.b.v. Gebouw t.b.v. ontvangst /

Parker Vlaggenmast

Figuur 3 Verdeling van functioneel gebruik plangebied (blauw gearceerde gedeelte in gebruik ten behoeve van parkeren en ontvangst/ opslag).

De toegang tot de natuurbegraafplaats is gesitueerd aan de noordwestzijde van het plangebied, aan de Janslust 11 te Heide. Nabij de entree zijn circa 27 parkeerplaatsen gerealiseerd. Vanuit de parkeernorm van de gemeente Venray zijn gemiddeld 32 (31,6) parkeerplaatsen per dienst benodigd op eigen terrein. Het perceel naast de natuurbegraafplaats is ook nog in eigendom van de initiatiefnemers en wordt ook nog als parkeerplaats gebruikt waar circa 13 auto’s geparkeerd kunnen worden (zie figuur 4). Naast de benodigde parkeerplaatsen is ook een overloop parkeerweide opgenomen waar incidenteel circa 40 parkeerplaatsen gebruikt kunnen worden.

5

Figuur 4 Parkeersituatie

Plekken die vanwege de aanwezigheid van zeldzame of bijzondere planten en dieren beschermd moeten worden, worden niet gebruikt. Eenvoudige en natuurlijke bospaden leiden naar de graven. De paden zijn zo gerealiseerd en onderhouden dat mensen met een rolstoel er gebruik van kunnen maken. In bijlagen I en II van dit bestemmingsplan zijn ter verduidelijking van het gebruik, de inrichting en het behoud en onderhoud van natuurwaarden het bedrijfs- en natuurbeleidsplan opgenomen.

2.2

Ruimtelijke ontwikkeling In het projectbesluit, het vigerende planologische regime, zijn geen bebouwingsmogelijkheden en beperkte gebruiksmogelijkheden opgenomen voor het plangebied. De initiatiefnemer wenst middels onderhavig bestemmingsplan de inmiddels reeds gerealiseerde bebouwing met toekomstige uitbreiding en enkele aanvullende gebruiksmogelijkheden planologisch-juridisch te verankeren. Feitelijk gezien is er door omstandigheden een situatie ontstaan die in strijd is met het toenmalige projectbesluit. De aanwezige bebouwing en erfverharding zijn namelijk niet toegestaan op basis van het projectbesluit. De initiatiefnemer heeft in overleg met de gemeente besloten om deze bebouwing te legaliseren door een volwaardig

6

bestemmingsplan op te stellen voor het plangebied. In het nieuwe bestemmingsplan wordt een bouwvlak met bijbehorende regels, welke de reeds aanwezige en toekomstige bebouwing rechtvaardigen, opgenomen. De ontwikkeling voorziet zo in een bouwvlak waarbinnen het volgende gebouw en verharding is toegestaan: ▪ ▪

Het gebouw ten behoeve van ontvangst/informatiepunt en opslag; De aanwezige erfverharding.

Het toe te voegen bouwvlak zal om het toekomstige gebouw en erfverharding worden gesitueerd. In het bestemmingsplan is een mogelijkheid opgenomen om de ontvangstruimte te vergroten tot 160 m2 en een dak op dit gebouw te realiseren met een maximale hoogte van 4,5 meter (zie separate bijlage VII voor beoogde bebouwing). De gewenste eindsituatie aan bebouwing van circa 160 m2 is door de gemeente in ruimtelijke zin acceptabel bevonden. De wens voor het maken en uitbreiden van functionele bebouwing op de natuurbegraafplaats is noodzakelijk voor het goed kunnen organiseren van de natuurbegraafplaats. In de loop der jaren is het nut van de bebouwing ten behoeve van de functie gebleken en wil de gemeente ook op basis van deze functionaliteit de bebouwing toestaan. Een belangrijke reden hiervoor is dat de bebouwing bijdraagt aan het goed functioneren van de bestemming, de bebouwing niet te zien is vanaf de openbare ruimte doordat het een groen omringd gebied is en dat de omvang van de bebouwing in relatie tot het totale gebied beperkt is. Ten behoeve van een kwalitatief ruimtelijk beeld en de uiteindelijke gebouwelijke verschijningsvorm zijn de volgende aanvullende voorwaarden door de gemeente Venray gesteld: • •

•

De bebouwing wordt uitgevoerd in natuurlijke materialen, passend bij een natuurbegraafplaats. De bebouwing wordt landschappelijk ingepast zodat deze vanaf de openbare ruimte niet is waar te nemen en de bebouwing een geïntegreerd onderdeel van het landschap vormt. De voorziene uitbreiding dan de eindsituatie betreft en deze niet wordt overschreden.

Het voorgaande is in de planregels van onderhavig bestemmingsplan vastgelegd en wordt in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning nader uitgewerkt. Naast het toevoegen van het bouwvlak en de bebouwingsmogelijkheden wenst de initiatiefnemer tevens het gebruik van het plangebied te vergroten en planologisch vast te leggen. Het gaat om de volgende gebruiksmogelijkheden: ▪ Positief bestemmen van het aanwezige parkeerterrein op het terrein van de natuurbegraafplaats middels de aanduiding ‘parkeren toegestaan’; ▪ Verhogen gravendichtheid naar 200 graven in combinatie met 800 urnengraven per hectare; ▪ Positief bestemmen van de aanwezige parkeerweide middels aanpassing van de regels voor de agrarische bestemming.

7

Naast het voornoemde zal het plangebied worden voorzien van enkel-, dubbelbestemmingen en aanduidingen conform het omliggende/aangrenzende bestemmingsplan buitengebied Venray 2010 (inclusief herziening regels).

8

HOOFDSTUK

3 Beleidskader

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) naar de Tweede Kamer gestuurd. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan grote opgaven waardoor Nederland de komen 30 jaar verandert. Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven, die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft een lange traditie van aanpassen. Deze opgaven worden benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de toekomstige generaties. De NOVI biedt perspectief om deze grote opgaven aan te pakken, om samen Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen.

Bij kleinschalige ontwikkelingen op lokaal niveau dient rekening gehouden te worden met een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan is een kleinschalig initiatief passend binnen de nationale omgevingsvisie NOVI. Uit hoofdstuk 4 blijkt dat de genoemde milieuaspecten geen belemmering vormen voor het planvoornemen. Daarnaast wordt door de transformatie van de locatie bijgedragen aan het behouden van natuur. Er bestaan vanuit de Nationale omgevingsvisie NOVI geen belemmeringen voor het initiatief.

3.1.2

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De SVIR is het kader dat de (nieuwe) ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 benoemt. Een van de kernbegrippen in de Structuurvisie is decentralisatie. Dit kabinet wil beslissingen over ruimtelijke ontwikkelingen dichter bij burgers en bedrijven brengen en provincies en gemeenten letterlijk de ruimte geven om maatwerk te leveren voor regionale opgaven. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om oplossingen te creëren. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de belangen voor Nederland als geheel, zoals de hoofdnetwerken voor personen- en goederenvervoer (waaronder buisleidingen), energie en natuur, alsook ondergrond en

9

ruimte voor militaire activiteiten. Ook waterveiligheid en milieukwaliteit (lucht, geluid, bodem, water en externe veiligheid) horen daarbij, evenals de bescherming van ons werelderfgoed (zoals de Waddenzee en de Nieuwe Hollandse Waterlinie). Verstedelijkings-, landschaps- en bedrijventerreinenbeleid laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Planspecifiek Het onderhavige plan heeft geen betrekking op deze nationale belangen. 3.1.3

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'neetenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. In dit geval wordt gebruik gemaakt van een separate planologische procedure , de ontwikkeling wordt buiten het bestemmingsplan om mogelijk gemaakt doordat de ontwikkeling passend is binnen het provinciale beleid. Voor het overige worden er geen toevoegingen of overwegingen gemaakt om extra mogelijkheden of een gradatie in mogelijkheden op te nemen. Het Barro is dan ook niet relevant voor deze ontwikkeling.

Conclusie Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt in onderhavig bestemmingsplan die in strijd zijn met één van de nationale belangen. Daarnaast is de ontwikkeling van kleinschalige aard waardoor verdere toetsing aan het Barro niet noodzakelijk is.

3.1.4

Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking (Ladder) is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag wanneer er nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Deze systematiek is opgenomen in artikel 3.1.6 Bro.

10

De Ladder voor duurzame verstedelijking is in principe een uitwerking van Nationaal belang 4 uit de SVIR (efficiënt gebruik van de ondergrond, oftewel zorgvuldig ruimtegebruik). De Ladder is ervoor bedoeld dat zorgvuldig wordt nagedacht over nieuwe ontwikkelingen en de plek van de nieuwe ontwikkeling. Zo gaat bijvoorbeeld inbreiding voor uitbreiding. Voor nieuwe stedelijke functies geldt daarom dat de ladder doorlopen dient te worden om te bepalen of sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. In eerste instantie is het van belang om te bepalen of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Jurisprudentie heeft ervoor gezorgd dat dit begrip steeds verder gedefinieerd werd en zelfs in sommige gevallen kwantitatief kan zijn. De Ladder voor stedelijke ontwikkeling rekent een ontwikkeling van woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen als een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. Conclusie In de beoogde situatie wordt de bestaande bebouwing uitgebreid. Daarnaast wordt er een bouwvlak toegevoegd ten behoeve van de legalisering van de reeds aanwezige bebouwing (ontvangst/informatiepunt en opslag). De ontwikkeling voorziet niet in de bouw van een woning en/of gebouw ten behoeve van wonen of een andere stedelijke functies en is dan ook niet Ladderplichtig.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Provinciale Omgevingsvisie Limburg Op 1 oktober 2021 is de Omgevingsvisie Limburg vastgesteld. De Limburgse Omgevingsvisie is een samenhangende visie op de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste uitdagingen voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Hierbij zijn drie hoofdopgaven opgesteld. De eerste uitdaging die wordt benoemd is het zorgen voor een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving, in zowel stedelijk als landelijk gebied. De tweede uitdaging is het zorgen voor een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie, inclusief een landbouwtransitie. Tenslotte zorgen de klimaatadaptatie en de energietransitie voor een uitdaging. Volgens de Limburgse Omgevingsvisie dient er bij nieuwe ontwikkelingen de balans worden gezocht tussen het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Deze afweging wordt gemaakt op basis van de volgende Limburgse principes: - Er wordt gestreefd naar een inclusieve, gezonde en veilige samenleving; - De kenmerken en identiteit van gebieden staat centraal; - Meer stad en meer land; - Er wordt zorgvuldig omgegaan met de ruimte en voorraden bovengronds en ondergronds. Door het bestemmen van de bestaande en toekomstige bebouwing en het aanvullen van de gebruiksmogelijkheden van de natuurbegraafplaatsen zal het stuk natuur behouden en onderhouden blijven.

Door de grafdichtheid te verhogen zal niks worden veranderd aan het landschap en zullen de kenmerken van het gebied centraal blijven staan.

11

3.2.2

Provinciaal omgevingsplan Limburg 2014 Het POL 2014 heeft vier wettelijke functies: structuurvisie (Wet ruimtelijke ordening), provinciaal milieubeleidsplan (Wet milieubeheer), regionaal waterplan (Waterwet), provinciaal verkeer- en vervoersplan (Planwet verkeer en vervoer). In het POL 2014 formuleert de provincie een aantal zogenoemde 'Limburgse principes' welke de komende jaren richtinggevend zijn voor de ruimtelijke ontwikkeling van Limburg. Belangrijke principes in dit nieuwe omgevingsbeleid zijn: 1. Kwaliteit. Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto 'meer stad, meer land', het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien; 2. Algemene principes voor duurzame verstedelijking. De ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen; 3. Uitnodigen. De manier waarop de provincie samen met de partners het voortreffelijke leef- en vestigingsklimaat wil realiseren. Met instrumenten op maat en ruimte om te experimenteren. De provincie wil hierbij selectief zijn: het POL richt zich alleen op die zaken die er op provinciaal niveau echt toe doen en vragen om provinciale oplossingen. Het plangebied ligt in de ‘bronsgroene landschapszone’.

De bronsgroene landschapszone omvat de landschappelijk waardevolle beekdalen en bufferzones rond bestaande natuurgebieden met de daarin aanwezige (extensievere) landbouwgebieden, monumenten, kleinere landschapselementen, waterlopen e.d. Een kwart van de bronsgroene landschapszone wordt gevormd door het winterbed van de Maas. In Zuid-Limburg omvatten deze zones ook de steilere hellingen, droogdalen en de belangrijkste landschappelijke verbindingen naar het Maasdal. Het beleid binnen de bronsgroene landschapszone is er op gericht om de landschappelijke kernkwaliteiten te behouden, te beheren, te ontwikkelen en te beleven. Deze zone bestaat hoofdzakelijk uit landbouwgronden. Binnen deze zone komen op bestemmingsplanniveau andere bestemmingen en functies voor zoals infrastructuur, woningen en toeristische voorzieningen e.d.

12

Figuur 5. Uitsnede POL-kaart 1 (plangebied rood omcirkeld).

Planspecifiek In het verleden is bebouwing toegevoegd die in strijd is met het vigerende projectbesluit. In overleg met de gemeente is daarom besloten om een integrale en passende planologische regeling op te stellen voor het gehele plangebied, waardoor de aanwezige en toekomstige bebouwing en het gebruik positief worden bestemd. In het verleden is hier een natuurbegraafplaats, middels een projectbesluit, gerealiseerd welke de aanwezige landschappelijke- en ecologische waarden behoudt en versterkt. Het beleid uit het Provinciaal omgevingsplan Limburg 2014 vormt dan ook geen belemmering voor het planvoornemen. 3.2.3

Omgevingsverordening Limburg 2014 De Omgevingsverordening Limburg 2011 is een samenvoeging van de Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening. In 2014 is de Omgevingsverordening opnieuw gewijzigd, vanwege de vaststelling van POL 2014, waarin is bepaald dat er een nieuw hoofdstuk Ruimte aan de Omgevingsverordening wordt toegevoegd. Dat hoofdstuk Ruimte is gericht op de doorwerking van het ruimtelijke beleid van POL 2014 naar gemeentelijke ruimtelijke plannen. Het hoofdstuk Ruimte heeft twee kenmerkende verschillen met de andere onderdelen van de Verordening: 1. Het hoofdstuk bevat geen gedragsvoorschriften die gelden voor iedereen, maar uitsluitend instructiebepalingen die zijn gericht tot gemeentebesturen. Elders in de Omgevingsverordening wordt zeer incidenteel gebruik gemaakt van deze methodiek, maar het hoofdstuk Ruimte kent geen andere bepalingen dan opdrachten aan gemeentebesturen, die door de besturen in acht moeten worden genomen bij het vaststellen van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen.

13

2. Het tweede verschil met de overige onderdelen van de Omgevingsverordening is dat de Wet ruimtelijke ordening slechts zeer beperkte mogelijkheden biedt om ontheffing te verlenen van een bepaling uit het hoofdstuk Ruimte. Planspecifiek In overleg met de gemeente is besloten om een integrale en passende planologische regeling op te stellen voor het gehele plangebied, waardoor de aanwezige en toekomstige bebouwing en het gebruik positief worden bestemd. In het verleden is hier een natuurbegraafplaats, middels een projectbesluit, gerealiseerd welke de aanwezige landschappelijke- en ecologische waarden behoud en versterkt. In het verleden is bebouwing toegevoegd die in strijd is met het vigerende projectbesluit en welke op deze manier planologisch-juridisch verankerd wordt. De toegevoegde bebouwing was en is niet in strijd met het provinciaal beleid. 3.2.4

Omgevingsverordening Limburg 2021 Met de komst van de Omgevingswet per 1 januari 2024 is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en de bewoordingen van de Omgevingswet. Provinciale Staten hebben de nieuwe Omgevingsverordening vastgesteld in de vergadering van 17 december 2021. Deze nieuwe verordening is gebaseerd op de Omgevingswet en is samen met de Omgevingswet op 1 januari 2024 in werking getreden. De Omgevingsverordening Limburg 2014 is hiermee komen te vervallen. In deze verordening is opgenomen dat begraafplaatsen niet opgericht mogen worden binnen een grondwaterbeschermingsgebied en een waterwingebied. Aangezien de begraafplaats al vergund is en niet binnen een van deze gebieden is gelegen zullen vanuit de Omgevingsverordening Limburg 2021 geen belemmeringen verwacht worden.

3.3

Gemeentelijke beleid

3.3.1

Omgevingsvisie Venray/ Ruimtelijk Kwaliteitskader gemeente Venray De omgevingsvisie Venray, vastgesteld op 2 november 2021, vormt de ruimtelijke vertaling van de strategische visie: onze Toekomstvisie 2030 ‘Venray loopt voorop’. In deze visie wordt in beeld gebracht wat er speelt in Venray en wat de kernopgaven zijn voor de komende 10 jaar. Conform de visie maakt het plangebied onderdeel uit van ‘Natuurgebieden’ (figuur 5). Dit komt overeen met het Ruimtelijk kwaliteitskader van de gemeente Venray. In deze gebieden wordt ingezet op de volgende thema’s: - Het behouden, herstellen en versterken van de natuurkwaliteit; - Het aanpakken van de verdroging in natuurgebieden; - Het versterken van de recreatieve mogelijkheden; - Het vergroten van de toegankelijkheid van natuurgebieden.

14

Figuur 6 Uitsnede gebiedskaart Omgevingsvisie Venray met plangebied blauw aangegeven

Venray gaat voor het behouden van biodiversiteit, natuur en landschapswaarden. Het behouden van deze waarden is niet alleen belangrijk voor de flora en fauna, maar ook voor de economische en sociale aspecten. Door het behouden van de aanwezige natuur worden bezoekers vanuit de regio aangetrokken om te komen genieten van de natuur. Onderhavig planvoornemen bestaat uit het bestemmen van bestaande en toevoegen van toekomstige bebouwing en het aanvullen van de gebruiksmogelijkheden. Door het aanvullen van de gebruiksmogelijkheden blijft het natuurgebied behouden en krijgt de biodiversiteit te ruimte zich te versterken. 3.3.2

Structuurvisie bijdrage Ruimtelijke ontwikkeling 2011 De Structuurvisie bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling 2011 is vastgesteld op 20 december 2011 en op 1 januari 2012 in werking getreden. Het in deze structuurvisie vastgelegde kwaliteitsbeleid omtrent een bijdrage ruimtelijke ontwikkeling is gebaseerd op de gedachte dat ruimtelijke ontwikkelingen (bouwactiviteiten) leiden tot verlies aan ruimtelijke kwaliteit en dat dit verlies moet worden gecompenseerd. Achterliggend doel is het behoud en waar mogelijk versterking van de (groene) kwaliteiten van zowel het buitengebied als het stedelijk gebied. Planspecifiek De maatschappelijke functie is reeds planologisch toegestaan op basis van het verleende projectbesluit uit 2011. Planologisch verandert er met beoogde ontwikkeling ten opzichte van de verleende rechten uit het projectbesluit dan ook niets. Volledigheidshalve zal kort in worden gegaan op de natuurcompensatie welke conform

15

het eerdere projectbesluit heeft plaatsgevonden. Deze natuurcompensatie is gerealiseerd ten noorden van het plangebied en betrof de compensatie van de parkeerplaatsen en de ontvangstruimte en opslagruimte. Aan deze compensatieverplichting was reeds voldaan, echter werd later door zienswijzen het toestaan van de ontvangstruimte en bebouwing ten behoeve van opslag uit het projectbesluit geschrapt. De feitelijk aanwezige bebouwing is dus reeds gecompenseerd, daarnaast wordt er niets nieuws toegevoegd of mogelijk gemaakt. In bijlage V van dit bestemmingsplan is de eerder gesloten overeenkomst voor mitigatie en natuurcompensatie (inclusief kaartmateriaal) opgenomen. De ontwikkeling sluit hiermee aan bij de Structuurvisie bijdrage Ruimtelijke ontwikkeling 2011. 3.3.3

Toetssteen Openbare Ruimte De Toetssteen Openbare Ruimte, heeft betrekking op de (toekomstige) openbare ruimte, geen gebouw zijnde, welke beheerd wordt door de beheerders van de afdeling Openbare Ruimte van de gemeente Venray. De Toetssteen Openbare Ruimte heeft als doel het waarborgen van de kwaliteit van de openbare ruimte van de gemeente Venray. Het begrip kwaliteit kan worden opgedeeld in: 1. Technisch-functionele kwaliteit; 2. Sociaal-maatschappelijke kwaliteit. De Toetssteen beschrijft de uitgangspunten, randvoorwaarden, ontwerpeisen etc. waaraan bouwplannen in de openbare ruimte minimaal dienen te voldoen. Verder verschaft de Toetssteen inzicht in de toetsingsprocedure van de gemeente. Het meenemen van de uitgangspunten, randvoorwaarden en ontwerpeisen van al de betrokken vakdisciplines in een vroeg stadium zal resulteren in een meer integraal ontwerp. Met deze werkwijze kan op de lange termijn integraal ontworpen openbare ruimte kostenefficiënter worden beheerd en kan deze door keuzes als flexibiliteit en aanpasbaarheid blijven voorzien in de behoeften van de maatschappij. Ook zal het beoordelingstraject van een bouwplan efficiënter verlopen. Het waarborgen dat wordt voldaan aan de verschillende kwaliteitseisen van de gemeente bestaat uit twee stappen, te weten: 1. Aanleveren Toetssteen. 2. Controle op toepassing Toetssteen in de plannen.

Planspecifiek Onderdeel van het onderhavige plan is de aanwezigheid van voldoende parkeerplaatsen. Het betreft hier verkeerskundige voorzieningen op eigen (privaat) terrein. Dit valt dus niet primair onder de reikwijdte van de Toetssteen. In het kader van de ontwikkeling van het voorliggende plan dient de Toetssteen Openbare Ruimte dus met name te waarborgen dat voorzien wordt in een kwantitatief en kwalitatief adequate parkeeroplossing op eigen terrein. Bij de natuurbegraafplaats is, conform het projectbesluit uit 2012, reeds een parkeerterrein gerealiseerd. Het parkeerterrein is gerealiseerd middels halfverharding in de vorm van gemalen asfalt. Door het gebruik van halfverharding is de mogelijkheid tot infiltratie van het hemelwater gewaarborgd en heeft het geheel een natuurlijke uitstraling. Om het gebruik ter plekke planologischjuridisch te verankeren, is een aanduiding ‘parkeren toegestaan’ opgenomen op de

16

verbeelding. De overloop parkeerweide is opgenomen in de regels horende bij de verbeelding bij de enkelbestemming Agrarisch met waarden. Hierdoor is ook deze parkeergelegenheid juridisch verankert. 3.3.4

Bestemmingsplan / projectbesluit De feitelijke situatie is in strijd met het vigerende projectbesluit. In overleg met de gemeente Venray is besloten om de feitelijke situatie positief te bestemmen zodat een planologisch-juridisch werkbaar kader ontstaat. Voor het plangebied wordt dan ook een nieuw bestemmingsplan opgesteld.

3.3.5

Wet op de Lijkbezorging (WLB) In deze wet van 7 maart 1991, houdende nieuwe bepalingen inzake de lijkbezorging, is in hoofdstuk 3, paragraaf 1 en 3, aangegeven aan welke specifieke eisen een bijzondere begraafplaats moet voldoen en de betreffende ondernemer zich dient te houden. Deze regels hebben betrekking op de feitelijke lijkbezorging. Hieraan zal in casu ook zonder meer worden voldaan. Er worden geen elementen toegevoegd die afweging ten opzichte van deze wet nodig hebben. Het betreft immers alleen een legalisatie van de bestaande situatie en de functie van ‘begraven’ is in het kader van het eerdere projectbesluit al afgewogen en blijft in stand.

17

HOOFDSTUK 4.1

4 Omgevingsaspecten

Milieu In deze paragraaf wordt ingegaan op de relevante milieuaspecten en bekeken in hoeverre er sprake is van belemmeringen voor de voortgang van het plan.

4.1.1

M.e.r. plicht Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. In het plangebied wordt één woningbouwmogelijkheid toegevoegd. Het realiseren daarvan komt niet voor in bijlage C van het besluit m.e.r.. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Op grond van categorie D11.2 geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht voor onder andere de aanleg of wijziging van ‘een stedelijk ontwikkelingsproject’, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen bevat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Volgens de nota van toelichting bij het Besluit m.e.r. kan het bij een stedelijk ontwikkelingsproject gaan om “bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan”. Aangezien er in dit geval geen nieuwe (bouw)activiteiten plaats vinden, is de ontwikkeling niet M.e.r.-beoordelingsplichtig.

Vormvrije m.e.r.-beoordeling Aanvullend op het voorgaande is op 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Die geldt nu voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de D-lijst valt. Woningbouw kan vallen onder onderdeel D (11.2): “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” Aangezien er hier geen sprake is van nieuwe (bouw)activiteiten hoeft er geen vormvrije M.e.r-beoordeling plaats te vinden.

4.1.2

Bodem In het kader van de Wro dient aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. Er vinden echter geen nieuwe (bouw)activiteiten plaats, behoudens het feit dat de grafdichtheid toeneemt. Dit heeft geen invloed op de bodemgesteldheid, welke al in het kader van de functiewijziging van natuur naar begraafplaats (in het toenmalige projectbesluit) is onderzocht. Hier wordt dan ook

18

verwezen naar het bodemonderzoek 1 dat in het kader van het toenmalige projectbesluit is uitgevoerd. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. 4.1.3

Lucht Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regeling rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden uit lid 2 van dat artikel (waaronder het vaststellen van ruimtelijke plannen) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a) er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b) een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c) een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d) een plan past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of sprake is van een aanvaardbare situatie op het gebied van de luchtkwaliteit zijn de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) van het RIVM geraadpleegd. Fijnstof Voor fijnstof (PM10) geldt een grenswaarde van 40 μg/m3 voor een jaargemiddelde concentratie en 50 μg/m3 voor een daggemiddelde concentratie. De waarde voor fijnstof ter plaatse van het besluitgebied bedraagt circa 16,65 μg/m3.

Dat betekent dat dit beneden de gestelde grenswaarden volgens de Wet milieubeheer ligt en op het gebied van fijnstof het woon- en leefklimaat dus aanvaardbaar is. Stikstofdioxide Voor stikstofdioxide (NO2) geldt een grenswaarde van 40 μg/m3 voor een jaargemiddelde concentratie en 200 μg/m3 voor een daggemiddelde concentratie. De waarde voor stikstofdioxide (NO2) ter plaatse van het besluitgebied bedraagt circa 11,59 μg/m3. Dat betekent dat ook de hoeveelheid stikstofdioxide ruim beneden de gestelde grenswaarden volgens de Wet milieubeheer ligt en er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Initiatief Ontwikkelingen kunnen invloed hebben op de luchtkwaliteit door onder andere een toename in het aantal verkeersbewegingen. In dit geval vinden er in de huidige situatie verkeersbewegingen plaats ten behoeve van de begraafplaats. Door de realisatie van de toekomstige bebouwing zal het aantal verkeersbewegingen in de beoogde situatie niet toenemen maar gelijk blijven. Gezien gebouwd zal worden, zal een Aerius berekening uitgevoerd worden. De conclusie van deze berekening is opgenomen in paragraaf 4.3.2.

1

Vooronderzoek Janslust 9 Venray, Econsultancy BV, RAY.WEV.HIS, nr. 09033161, d.d. 29 april 2009 (zie projectbesluit).

19

4.1.4

Geluid Wegverkeerslawaai De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen) en geluidsgevoelige terreinen (onder meer woonwagenstandplaatsen). Uit art. 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen voorzien zijn van een geluidzone, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. De zonebreedte is afhankelijk van het gebied (stedelijk of buitenstedelijk) en het aantal rijstroken. Binnen de zones moet een akoestisch onderzoek worden verricht. De maximaal toelaatbare geluidsbelasting voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen bedraagt in die zone 48 dB (art. 82 Wgh). Janslust is een weg waar een snelheid van 60 km per uur is toegestaan. De ontwikkeling voegt geen nieuwe geluidsgevoelig object toe aan de natuurbegraafplaats. In deze casus is er derhalve geen sprake van een geluidsgevoelig terrein. De Wet geluidhinder is niet van toepassing. Spoorweglawaai In de nabijheid van het projectgebied is geen spoorlijn aanwezig.

4.1.5

Externe veiligheid Er vinden geen nieuwe activiteiten plaats, behoudens het feit dat de grafdichtheid toeneemt. Het aspect externe veiligheid zal dan ook geen belemmering opleveren voor de ontwikkeling.

4.1.6

Bedrijven- en milieuzonering Er vinden geen nieuwe activiteiten plaats, behoudens het feit dat de grafdichtheid toeneemt. Het aspect bedrijven en milieuzonering zal dan ook geen belemmering opleveren voor de ontwikkeling.

4.1.7

Kabels en leidingen Voor zover op basis van het bestemmingsplan en de risicokaart bekend, zijn er in het plangebied geen kabels of leidingen aanwezig die een planologisch-juridische bescherming behoeven en als gevolg daarvan een mogelijke belemmering vormen voor het initiatief. Ten aanzien van de gewenste ontwikkeling bieden kabels en leidingen geen bezwaren voor de ontwikkeling.

4.2

Water

4.2.1

Waterbeleid Vanuit het Europese beleid vormen de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), het Europees Milieu- en natuurbeleid en het Verdrag van Malta de belangrijkste beleidsstukken. Op Rijksniveau zijn dit met name de Vierde Nota Waterhuishouding (NW4) en het Waterbeleid 21e eeuw: Anders omgaan met water (WB21).

20

Algemeen Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Venray als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. Concreet betekent dit dat er sprake moet zijn van gescheiden schoon- en vuilwaterstromen die afzonderlijk worden verwerkt. Vanuit het Waterschap Limburg gelden daarbij de volgende uitgangspunten: 1. afkoppelen van 100% van het verhard oppervlak, waarbij de beslisboom verantwoord afkoppelen van toepassing is; 2. de trits infiltratie-bergen-afvoeren is van toepassing, waarbij hergebruik dan wel infiltratie van schoon regenwater de voorkeur heeft; 3. verontreiniging van het water dient door bronmaatregelen voorkomen te worden; 4. grondwateroverlast dient voorkomen te worden; 5. een gelimiteerde afvoer naar het oppervlaktewatersysteem is toegestaan. De overkoepelende ambitie die de gemeente Venray hanteert, is het verbeteren van de omgang met het water. Daartoe wordt onder meer integraal waterbeheer voorgestaan. Integraal waterbeheer richt zich op het verminderen van watergebruik, een goede ontwatering en voldoende berging van afstromend water, het vasthouden van gebiedseigen water, het terugdringen van afvoerpieken en het afkoppelen van hemelwater.

Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2018-2021 In het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2018-2021 is het beleid voor het beheer van de gemeentelijke riolering voor de periode 2018 tot en met 2021 vastgelegd. Het plan bevat een beschrijving van de huidige situatie, een evaluatie van de aan het plan voorafgaande periode en een beschrijving van de te verwachten toekomstige ontwikkelingen. In het GRP wordt onder andere ingegaan op hemelwater- en oppervlaktewaterafvoer. In het kader van het GRP is onderzoek gedaan naar de geschiktheid van het uitvoeren van afkoppelprojecten binnen de gemeente. Op basis van de bodemgesteldheid, de hoogte van de grondwaterstand en de aanwezigheid van oppervlaktewater is onderzocht welke mogelijkheden er zijn voor afkoppeling: uit het onderzoek blijkt dat in het overgrote deel van de gemeente Venray voldoende mogelijkheden voor afkoppeling aanwezig zijn. Bij afkoppelprojecten wordt in de eerste plaats gekeken naar openbare verharde oppervlakken. Daarbij wordt opgemerkt dat afkoppelen als maatregel slechts wordt uitgevoerd in combinatie met wegwerkzaamheden (onder andere reconstructies van wegen) of rioolvervangingen, dit gezien de kosten die dergelijke ingrepen met zich meebrengen. Het afkoppelen van particuliere oppervlakten wordt slechts in uitzonderlijke situaties meegenomen.

Bij particuliere duurzame waterhuishoudkundige systemen, zoals bergings- en infiltratievoorzieningen hanteert de gemeente Venray de volgende voorwaarden:

21

1. infiltratievoorziening dient minimaal een neerslaggebeurtenis van 40 mm te kunnen verwerken; 2. de infiltratievoorziening dient een leeglooptijd te hebben van 24 uur of minder; 3. noodoverloop gaat via maaiveld - en niet via ondergrondse buizen of leidingen - naar de openbare riolering. Wanneer een dakoppervlak van circa 160 m2 wordt afgekoppeld, bedraagt de te bergen hoeveelheid water na een heftige bui 6,4 m3. Om deze hoeveelheid regenwater oppervlakkig af te voeren wordt een wadi/laagte aangelegd (danwel bestaande laagte gebruikt). Om de benodigde opslagcapaciteit te leveren moet de wadi/laagte dan minimaal een oppervlakte van 23 m2 hebben. Voor de berekening is uitgegaan van een (vierkante) wadi die minimaal 30 centimeter diep is en een talud heeft van 1:2. 4.2.2

Waterhuishoudkundige situatie plangebied en ontwikkeling Binnen het plangebied vindt geen toename plaats van het (potentieel) afvoerend verhard oppervlak. Er vinden geen nieuwe (bouw)activiteiten plaats, behoudens het feit dat de grafdichtheid toeneemt, wat geen invloed heeft op het watersysteem. De reeds gerealiseerde bebouwing, die middels onderhavig bestemmingsplan positief worden bestemd (zie ook paragraaf 4.2.1) is kleinschalig. Daarnaast biedt het plangebied voldoende ruimte tot infiltratie. Afvalwater Het plangebied is niet aangesloten op het gemeentelijk rioleringssysteem. Binnen het plangebied wordt het afvalwater, dat afkomstig is van bijvoorbeeld de sanitaire voorzieningen in het ontvangstgebouw, opgevangen in een zogenaamde ‘septic-tank’. Deze septic tank wordt periodiek geleegd en afgevoerd. Omdat het hele landgoed niet is aangesloten op het (druk)riool, is er daarnaast in het verleden een eigen helofytenfiltersysteem aangelegd, welk periodiek gecontroleerd wordt door de gemeente. Door de aanwezigheid van de septic-tank en het helofytensysteem wordt het afvalwater gescheiden en op een duurzame wijze afgevoerd. Hemelwater Het hemelwater infiltreert in de bodem van het plangebied. Hier is binnen het ‘leefgemeenschapsbos’ voldoende ruimte voor. Daarnaast is slechts een zeer beperkt gedeelte van het plangebied verhard (de aanwezige bebouwing).

De plekken die zijn aangeduid ten behoeve van parkeren, bestaan uit halfverharding in de vorm van gemalen asfalt. Doordat deze halfverharding waterdoorlatend is, vindt er ook op de plekken ten behoeve van parkeren infiltratie van het hemelwater plaats. De doorlaatfactor (K-waarde) van de gronden wordt geschat tussen 0,75 m 1 -1,5 m 1 /etmaal. De onderhavige gronden zijn derhalve te kwalificeren als "goed doorlatend". Doordat er binnen het plangebied voldoende ruimte is voor infiltratie, de bodem goed doorlatend is en het plangebied slechts zeer beperkt verhard is, zal de hemelwaterberging geen belemmering vormen. Vooroverleg met en advies van het Waterschap Limburg maakt onderdeel uit van de watertoets. Het Waterschap Limburg heeft evenwel aangegeven dat bij plannen waarbij

22

het plangebied niet is gelegen in specifieke aandachtsgebieden, er geen vooroverleg plaats hoeft te vinden via het watertoetsloket. Het plan leidt niet tot een toename van het afvoerend verhard oppervlak en is niet gelegen in een aandachtsgebied. Specifiek wateradvies door het waterschap is derhalve niet noodzakelijk.

4.3

Natuur In het kader van de ontwikkeling ter plaatse van het plangebied (verhogen grafdichtheid per hectare) heeft, ter aanvulling op het eerder in 2009 uitgevoerde flora en fauna onderzoek2, een nieuw flora en fauna onderzoek plaatsgevonden: QuickScan Flora en Fauna Janslust 11 te Heide – Econsultancy – 11636.002). In bijlage III is het volledige rapport opgenomen, hieronder zijn de belangrijkste conclusies weergegeven.

4.3.1

Conclusie QuickScan Flora en Fauna 2020 Econsultancy heeft in opdracht van Natuurbegraafplaats Weverslo een quickscan flora en fauna uitgevoerd aan de Janslust 11 te Heide. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van een interne uitbreiding van het aantal graven. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing te legaliseren en de capaciteit te vergroten van 100 graven/ha naar 200 graven/ha op het zuidwestelijke deel van het perceel. Dit betekent dat er geen ruimtelijke uitbreiding zal plaatsvinden maar de dichtheid van het aantal graven binnen de grenzen van de reeds aanwezige begraafplaats wordt vergroot. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen bij reguliere werkzaamheden als kapen snoeiwerkzaamheden overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen. Hiertoe maakt de beheerder gebruik van een Gedragscode Natuurbeheer (VBNE, 2016). De natuurbegraafplaats werkt reeds al volgens de Gedragscode Natuurbeheer en voldoet hier dus aan. In geval van het verwijderen van bomen met holtes, spleten en/of loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- en verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen, zal aanvullend onderzoek moeten uitwijzen wat de functie is voor vleermuizen.

Inden blijkt dat het inderdaad een verblijfplaats van vleermuizen betreft dan zal een ontheffing van de Wet natuurbescherming en het nemen van maatregelen aan de orde zijn. In geval er gedurende het gebruik van het perceel als natuurbegraafplaats nieuwe vogelnesten worden aangetroffen dan dient tijdig duidelijk te zijn of deze nesten een jaarronde bescherming genieten. In geval van verwijdering zal hiertoe eveneens een ontheffing van de Wet natuurbescherming en het nemen van maatregelen aan de orde zijn. Bij graafwerkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de zorgplicht aangaande streng beschermde amfibieën, algemene zoogdieren en amfibieën. Hiertoe dient een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld waarin maatregelen zijn opgenomen om schade aan individuen te voorkomen. De natuurbegraafplaats werkt reeds aan de hand van een ecologisch werkprotocol voor graafwerkzaamheden en voldoet hier dus aan.

2 Ecologische quickscan Landgoed Weverslo Heide, Buiting Advies, april 2009 (zie projectbesluit);

23

De op het terrein aanwezige burcht van de das dient buiten de verstoringsafstand van ten minste 50 meter te blijven ten opzichte van de begrafenissen en hiertoe behorende graafwerkzaamheden. Met de huidige plannen waarbij het aantal graven wordt geïntensifieerd binnen het huidige gebied is er geen sprake van verstoring van de das. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege het uitblijven van ingrijpende werkzaamheden uitgesloten. 4.3.2

Stikstofdepositie De onderzoekslocatie/ plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, licht of depositie van stikstof. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand (circa 6 kilometer) tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard van de plannen (uitbreiding aantal graven) niet te verwachten. Uit de paragraaf ‘Verkeer’ blijkt tevens dat de verkeersaantrekkende werking door het verhogen van de grafdichtheid over een periode van 30 jaar slechts zeer beperkt toe zal nemen. Om te bepalen of de bouwfase (realisatie gebouw) een significant negatief effect heeft op Natura 2000-gebieden, is een Aerius-berekening opgesteld. Deze berekening is bijgevoegd als separate bijlage VI. Uit deze berekening blijkt dat er geen sprake is van een depositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Dit betekent dat de ontwikkeling geen onevenredig negatief effect heeft op natuurgebieden ten aanzien van stikstof tot gevolg. Hiermee kan geconcludeerd worden dat het aspect stikstof geen belemmering vormt voor de realisatie en het gebruik van de beoogde ontwikkeling.

4.3.3

4.4

Conclusie Wanneer de natuurbegraafplaats blijft werken volgens de Gedragscode Natuurbeheer, het ecologisch werkprotocol voor graafwerkzaamheden blijft hanteren en de afstand tot de dassenburcht in stand houdt zal het aspect natuur geborgd zijn en geen belemmeringen opleveren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14032756/1