04 Toelichting Laagheidseweg 15c en 17
Tekst van het document
In deze verordening wijkt de gemeente Venray deels af van de wettelijke normen uit de Wgv. De geurverordening van de gemeente Venray stelt de volgende normen: 1. Bestaande woongebieden 3,0 ouE/m³; 2. Zoekgebieden woningbouw en bedrijventerreinen 8,0 ouE/m³; 3. Buitengebied 14,0 ouE/m³. Planspecifiek Voorgrondbelasting Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf betreft de paardenhouderij aan de Laagheidseweg 17a, ten noorden van het plangebied. Paarden zijn aan te merken als 'overige landbouwhuisdieren'. In bijlage 1 van de Regeling geurhinder en veehouderij zijn de geuremissiefactoren voor 'overige landbouwhuisdieren' 'niet vastgesteld'. Dit betekent dat voor deze dieren de minimumafstanden uit artikel 4 Wgv gelden. Buiten de bebouwde kom bedraagt deze minimumafstand 50 m tussen het dichtstbijzijnde dierenverblijf en een geurgevoelig object. De bestaande bedrijfswoning is een geurgevoelig object voor veehouderijen uit de omgeving. De paardenhouderij dient in de bestaande situatie al rekening met de woning te houden. De nieuwe woning is voorzien op ca 120 m afstand vanaf de paardenhouderij. Daarmee wordt voldaan aan de wettelijke minimumafstand van 50 m. De paardenhouderij is in het verleden toegestaan met een vergunning (artikel 19.1 procedure), waardoor de paardenhouderij alleen binnen bestaande bebouwing is toegestaan. Een bouwvlak ontbreekt.
De paardenhouderij ondervindt daarmee geen hinder van de nieuwe woning. In de directe omgeving van het plangebied liggen geen andere (intensieve) veehouderijen die om een nadere toetsing vanuit geurhinder vragen.
28
Laagheidseweg 15c en 17 Venray
Achtergrondbelasting Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de geurhinderkaart (achtergrondbelasting) van de gemeente Venray uit 2018. Daaruit blijkt dat de huidige achtergrondbelasting op het plangebied (rode cirkel) kan worden gekwalificeerd als een goed leefklimaat.
Uitsnede van de geurkaart 2018 van de gemeente Venray
Op basis van voorgaande motivering luidt de conclusie dat agrarische bedrijven uit de omgeving geen hinder ondervinden in de bedrijfsmogelijkheden als gevolg van de nieuwe woning en dat op basis van het aspect geur er ter plaatse van de nieuwe woning sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur. 4.1.5 Milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten. De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof.
De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'.
Laagheidseweg 15c en 17 Venray
29
Planspecifiek De bestaande bedrijfswoning is al een milieugevoelig object. Bedrijven uit de omgeving dienen in de bestaande situatie al rekening met de bestaande woning te houden. De nieuwe vrijstaande woning vraagt wel om een beoordeling vanuit milieuzonering. Voor wat betreft een goed woon- en leefklimaat voor de nieuwe woning is in voorgaande paragraaf 4.1.4 reeds gemotiveerd dat de paardenhouderij aan de Laagheidseweg 17a vanuit het aspect geur niet leidt tot hinder. In de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG is voor de overige milieuaspecten van een paardenhouderij (stof, geluid) een maximale richtafstand van 30 m opgenomen. Door de afstand tussen de dichtstbijzijnde bedrijfsactiviteiten (de stal) van de paardenhouderij en de woningen binnen het plangebied (bestaande bedrijfswoning : 140 m, nieuwe woning: 160 m) kan worden gesteld dat van hinder geen sprake is. Op ca 380 m ten noorden van het plangebied liggen, aan de Laagheidseweg 16 en 19a, twee bedrijfslocaties. Het gaat om een kleinschalig bedrijf (max. milieucategorie 2) en een landbouwverwant bedrijf (max. milieucategorie 3.1). Voor een milieucategorie 2 geldt een maximale richtafstand van 30 m, voor een categorie 3.1 maximaal 50 m. Gelet op de feitelijke afstand tussen het plangebied en de bedrijven (min. 380 m) geldt dat wordt voldaan aan de richtafstand.
Geconcludeerd wordt dat vanuit milieuzonering geen milieuhinder optreed door bedrijven uit de omgeving. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat voor de woningen binnen het plangebied. Vanuit omgekeerde werking worden bedrijven uit de omgeving ook niet gehinderd in hun bedrijfsvoering. Voor alle bedrijven geldt dat er al milieugevoelige objecten dichter bij de bedrijven zijn gelegen dan de nieuwe woning uit voorliggend plan. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect milieuzonering. 4.1.6 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting. De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten.
Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, parkeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn. Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers.
30
Laagheidseweg 15c en 17 Venray
Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan. Planspecifiek Voorliggend initiatief voorziet in het toevoegen van één kwetsbaar object (woning) binnen het plangebied. Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website.
Uitsnede van de risicokaart, waarop de ligging van het plangebied is aangeduid met de zwarte, doorbroken, cirkel (bron: risicokaart.nl)
Op de kaart is waarneembaar dat er binnen het plangebied twee risicovolle inrichtingen zijn gelegen. Het gaat om de voormalige intensieve veehouderij aan de Laagheidseweg 15, die inmiddels is herontwikkeld tot woonlocatie en de voormalige intensieve veehouderij aan de Laagheidseweg 17. Voorliggend plan herbestemd deze laatste locatie tot woonlocatie, waarbij de propaantank niet meer in gebruik zal zijn. Na inwerkingtreding van voorliggend plan zijn beide locaties daarmee niet meer aan te wijzen als risicovolle inrichting. De overige risicovolle inrichtingen, in alle gevallen bestaande agrarische- of agrarisch aanverwante bedrijven met een propaantank op het erf, liggen op minimaal 370 m vanaf de nieuwe woonlocatie. Gelet op deze ruime afstand kunnen risico's op het nieuwe kwetsbare object op voorhand worden uitgesloten. In de omgeving van het plangebied liggen daarnaast geen risicovolle buisleidingen en/of transportroutes. Vanuit externe veiligheid zijn er geen risico's voor het nieuwe kwetsbare object binnen het plangebied. Geconcludeerd wordt dat er vanuit externe veiligheid geen risico's zijn voor het nieuwe kwetsbare object en dat de risicovolle inrichtingen binnen het plangebied ook geen risico meer vormen voor kwetsbare objecten in de omgeving. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect externe veiligheid.
Laagheidseweg 15c en 17 Venray
31
4.2
Water
Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden.
Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
Watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek gaan voorafgaand aan de vaststelling van het plan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen: de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan.
32
Laagheidseweg 15c en 17 Venray
Gemeentelijk rioleringsplan In het Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) 2022-2025, vastgesteld op 14 december 2021, is het beleid voor het beheer van de gemeentelijke riolering voor de periode 2022 tot en met 2025 vastgelegd. Het plan wordt door de gemeente gebruikt om nu en in de toekomst aan de gemeentelijke zorgplichten te kunnen voldoen en als toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen. Voor de indeling van het vGRP is rekening gehouden met de nieuwe Omgevingswet (Ow). Het veranderende klimaat en de verstedelijking brengen grote uitdagingen met zich mee. Regenbuien worden steeds extremer en komen vaker voor, met veel overlast en schade tot gevolg. Ook het vasthouden van het gewenste grondwaterpeil wordt moeilijker tijdens extreem lange droge of natte perioden. Omdat het aantal warme dagen toeneemt wordt hittestress ook een probleem, vooral in een gebouwde omgeving met weinig groen en veel verharding. Het besef groeit dat wateroverlast en -onerlast niet langer is op te lossen door alleen maar het aanpassen van de riolering. Om extreme buien doelmatig te verwerken moet de gehele buitenruimte benutten. Bijvoorbeeld via de aanleg van meer groene voorzieningen, bergingsbassins en oppervlaktewater. Maar ook het vergroenen van daken en tuinen en het opwaarderen van bestaande sloten.
Hemelwater dient zo lokaal mogelijk te worden verwerkt en kan worden benut voor het aantrekkelijk maken van de leefomgeving. In het vGRP geeft de gemeente aan dat inwoners hemelwater zoveel mogelijk op eigen perceel dienen te infiltreren. Bij nieuwe ruimtelijke particuliere ontwikkelingen is het streven om hemelwater bij voorkeur bovengronds te infiltreren in de bodem. De gemeente hanteert daarbij de volgende voorwaarden: 1. infiltratievoorziening dient minimaal een neerslaggebeurtenis van 60 mm te kunnen verwerken; 2. de infiltratievoorziening dient een leeglooptijd te hebben van 24 uur of minder; 3. de aanwezigheid van een overloopvoorziening (indien mogelijk bovengronds) voor de afvoer van water bij hevige buien als de voorziening vol is, is zo ontworpen dat deze wateroverlast voorkomt. Planspecifiek Het plangebied ligt binnen het beheergebied van waterschap Limburg. Voor het waterschap Limburg is het niet mogelijk een digitale watertoets uit te voeren. Het waterschap zal daarom via het wettelijk vooroverleg op de hoogte worden gebracht van voorliggend initiatief. Voor de nieuwe woonlocatie aan de Laagheidseweg 17 voorziet voorliggend plan niet in nieuwe bouwontwikkelingen. De bestaande woning blijft op de huidige wijze aangesloten op het drukriool onder de Laagheidseweg. Het verhard oppervlak neemt niet toe.
Het plangebied ter plaatse van de nieuwe woonlocatie aan de Laagheidseweg 15c is in gebruik als landbouwgrond en volledig onverhard. Door de inrichting van het plangebied als nieuwe woonkavel met één vrijstaande woning, neemt het verhard oppervlak toe. In artikel 7.1 van de regels van dit plan is geborgd dat op eigen terrein infiltratievoorzieningen worden aangelegd om overtollig hemelwater in de bodem te infiltreren, alvorens de nieuwe woning gebouwd mag worden. De nieuwe woning krijgt voor afvoer van het afvalwater een aansluiting op het bestaande drukriool. Een drukriool is niet ontworpen voor het afvoeren van hemelwater. Hemelwater wordt op eigen terrein verwerkt. De infiltratievoorzieningen krijgen een inhoud om een neerslaggebeurtenis van minimaal 60 mm te kunnen verwerken. De norm van 60 mm geldt alleen als er geen verbinding is tussen de infiltratievoorziening en oppervlaktewater. Als de infiltratievoorziening loost op een oppervlaktewater gelden de normen van het waterschap. Deze stelt dat de infiltratievoorziening minimaal 100 mm groot moet zijn. Pas daarna mag een eventueel overschot worden geloosd op het oppervlaktewater. Binnen eigen terrein is voldoende ruimte aanwezig om de infiltratievoorzieningen te realiseren. Tijdens de omgevingsvergunningaanvraag voor het
Laagheidseweg 15c en 17 Venray
33
bouwen zal de toepassing van deze infiltratievoorzieningen nader zijn uitgewerkt. Voor aan het plangebied ligt, parallel aan de Laagheidseweg, een watergang die via het vigerende bestemmingsplan middels de dubbelbestemming 'Waterstaat - Beschermingszone watergang' bescherming geniet. Om de nieuwe woning te voorzien van een ontsluiting op de Laagheidseweg zal er een oprit over de watergang worden gerealiseerd. Tijdens de omgevingsvergunningaanvraag voor de aanleg van de oprit zal door de initiatiefnemer worden aangetoond dat de watergang geen hinder ondervindt van de oprit. Daarmee wordt voldaan aan het bepaalde in de beschermingsregels van de watergang. De dubbelbestemming zal worden overgenomen in voorliggend plan. Verder is er binnen het plangebied en in de directe omgeving geen oppervlaktewater aanwezig. Het plangebied ligt niet in of nabij een gebied waarin waterschapsbelangen een rol spelen, zoals waterkering, waterberging of waterwinning. Bij de bouw van de woning zullen geen uitloogbare materialen worden gebruikt. Verder is het streven om de woning en de buitenruimte zoveel als mogelijk klimaat adaptief aan te leggen. Voorliggend plan heeft geen negatieve effecten vanuit het aspect water. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect water.
4.3
Ecologie
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Per 01-012017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora en faunawet en de Boswet opgegaan in de nieuwe Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland. Gebiedsbescherming In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijn moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied. Soortenbescherming Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten.
Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
34
Laagheidseweg 15c en 17 Venray
Planspecifiek Gebiedsbescherming Om de gevolgen van gebiedsbescherming te beoordelen is de website synbiosys.alterra.nl/natura2000 geraadpleegd. Bijgevoegd een screenshot van die website:
Uitsnede van de Natura 2000 'gebieden' kaart waarop de ligging van het plangebied is aangegeven met de rode cirkel (bron: www.natura2000.nl/gebieden)
Het plangebied ligt niet binnen of in de directe omgeving van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Boschhuizerbergen' ligt op ca 2,9 km ten oosten van het plangebied. Voorliggend initiatief is kleinschalig van aard. Door het ontbreken van bouw- en sloopactiviteiten zijn negatieve effecten vanuit de locatie Laagheidseweg 17 op voorhand uit te sluiten. Door de ruime afstand tot het Natura 2000-gebied en de bouw en in gebruik name van één woning aan de Laagheidseweg 15c zijn negatieve effecten vanuit licht, geluid, trilling en stikstof voor zowel de aanleg- als gebruiksfase ook voor deze locatie op voorhand uit te sluiten. Dit wordt bevestigd door de berekeningen die ten aanzien van het aspect stikstof voor de aanlegfase (zie bijlage 4) en gebruiksfase (zie bijlage 5) zijn uitgevoerd. Voorliggend initiatief heeft geen toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden met meer dan 0,00 mol/ha/j tot gevolg. Vanuit gebiedsbescherming is het aanvragen van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming niet aan de orde.
Laagheidseweg 15c en 17 Venray
35
Soortenbescherming Vanwege het ontbreken van bouw- en sloopactiviteiten kunnen negatieve effecten vanuit soortbescherming voor de locatie Laagheidseweg 17 op voorhand worden uitgesloten. Voor de Laagheidseweg 15c kan worden gesteld dat deze locatie in de bestaande situatie in gebruik is als landbouwgrond. De locatie Laagheidseweg 15c maakt als noordelijk deelgebied onderdeel uit van de quickscan Flora en Fauna die voor de ontwikkeling aan de Laagheidseweg 15 is uitgevoerd (zie bijlage 6). De belangrijkste conclusies voor de locatie Laagheidseweg 15c zijn dat negatieve effecten op broedende vogels kunnen worden uitgesloten door eventuele kapwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. De laanbomen langs de Laagheidseweg fungeren mogelijk als vaste vliegroute en foerageergebied van vleermuizen. Om verstoring te voorkomen mag er tot op een afstand van 10 meter van de bomen rond het plangebied alleen vleermuisvriendelijke buitenverlichting worden geplaatst (van de bomen af omlaag gerichte straatverlichting of amberkleurige UVvrije led armaturen). Vanwege het ontbreken van sloopactiviteiten binnen het plangebied zijn negatieve effecten op dit punt op voorhand uit te sluiten. Op basis van voorgaande kan worden geconcludeerd dat voorliggend initiatief geen negatief effect heeft vanuit soortbescherming.
Gedurende de aanlegfase van de nieuwe woning zal er, om verstoring op vleermuizen te voorkomen, gewerkt worden met passende verlichting. Tevens zal ten alle tijden de algemene Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb) in acht worden genomen. De uitvoerbaarheid van het initiatief voor ecologie is hiermee aangetoond.
4.4
Verkeer en parkeren
Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Als gevolg van voorliggend initiatief blijft de verkeersaantrekkende werking van het plangebied nagenoeg gelijk ten opzichte van de bestaande gebruiksmogelijkheden. Van agrarische bedrijfsvoering met de bijbehorende verkeersbewegingen is straks geen sprake meer, en daar komen de verkeersbewegingen van de nieuwe woning voor terug. Voor wat betreft parkeren verandert de situatie voor de huidige bedrijfswoning aan de Laageheidseweg 17 niet. Binnen eigen terrein is voldoende parkeergelegenheid om te voldoen aan de gemeentelijke parkeernorm van 2 parkeerplaatsen voor een vrijstaande woning in het buitengebied (bron: Beleidsnota Parkeernormen). Bij de inrichting van de nieuwe woning aan de Laagheidseweg 15c wordt, met inachtneming van deze zelfde parkeernorm, rekening gehouden dat er binnen eigen terrein voldoende parkeergelegenheid (2 parkeerplaatsen) aanwezig is. In de regels van dit plan is via een voorwaardelijke verplichting geborgd dat de nieuwe woning pas in gebruik mag worden genomen als op eigen terrein het aantal parkeerplaatsen is gerealiseerd volgens de parkeernormen van de gemeente Venray. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect verkeer en parkeren.
36
Laagheidseweg 15c en 17 Venray
4.5
Cultuurhistorie en archeologie
In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie. Cultuurhistorie Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Archeologie De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden.
Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente. Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Planspecifiek Cultuurhistorie Het plangebied ligt niet in een landschap dat vanuit het aspect cultuurhistorie een beschermde status kent. Ook liggen er binnen en in de directe omgeving van het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle elementen of objecten, zoals rijks- en/of gemeentelijke monumenten. Vanuit cultuurhistorie heeft voorliggend plan geen negatief effect. Archeologie In het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Venray 2010' en 'Buitengebied Venray 2010, herziening regels' worden de mogelijke archeologische waardevolle resten in de bodem beschermd via archeologische dubbelbestemmingen. Ter plaatse van het plangebied zijn echter geen archeologische dubbelbestemmingen opgenomen, wat betekent dat de archeologische verwachtingswaarden ter plaatse dusdanig laag zijn dat er geen regels gelden om mogelijke resten te beschermen.
De bodemverstoring als gevolg van de bouw van de woning levert daarmee op voorhand geen negatief effect op vanuit archeologie. Nader archeologisch onderzoek is niet aan de orde. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect cultuurhistorie en archeologie.
Laagheidseweg 15c en 17 Venray
37
4.6
Niet gesprongen explosieven
Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Het gehele grondgebied van de gemeente Venray heeft in de Tweede Wereldoorlog zwaar onder vuur gelegen. Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het besluitgebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven (NGE). Met behulp van het explosievenonderzoek worden de aanwezigheid en risico's van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht. De gemeente Venray adviseert bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detectieonderzoek uit te (laten) voeren. Dit onderzoek dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de bestemmingsplanprocedure niet juridisch afdwingbaar. Het is echter te allen tijden de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving.
4.7
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien: het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. Planspecifiek De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de planologische procedure met de initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen.
De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure en eventuele extra gemeentelijke kosten zijn verrekend in de exploitatieovereenkomst. Tevens zal een overeenkomst betreffende planschade worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd kan worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.
38
Laagheidseweg 15c en 17 Venray
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
Het bestemmingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing. Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan. Verbeelding De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend. Regels De planregels zijn standaard onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I : Inleidende regels, deze bevatten de begrippen en wijze van meten; Hoofdstuk II: Bestemmingsregels, dit zijn de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. De regels bevatten een bestemmingsomschrijving en regels voor het bouwen en het gebruik. Hoofdstuk III: Algemene regels, dit zijn regels die gelden voor alle bestemmingen. Dit zijn onder meer (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. Hoofdstuk IV: Overgangs- en slotbepalingen.
5.2
Wijze van bestemmen
Voorliggend bestemmingsplan sluit qua systematiek aan op de regels uit het bestemmingsplan 'Buitengebied Venray 2010' en de herziening 'Buitengebied Venray 2010, herziening regels' en bevat de volgende bestemmingen: 'Agrarisch', deze bestemming blijft gelden voor de gronden achter het bebouwingserf aan de Laagheidseweg 17. Het bouwvlak is verwijderd. Binnen deze bestemming is agrarisch grondgebruik toegestaan. 'Wonen', ter plaatse van het bestaande bebouwingserf met bedrijfswoning aan de Laagheidseweg 17 en de nieuwe woonlocatie aan de Laagheidseweg 15c. Voor de locatie Laagheidseweg 17 is geborgd dat het oppervlak aan bijgebouwen niet meer mag bedragen dan het oppervlak van de bestaande te behouden schuren. Voor de bestaande woning aan de Laagheidseweg 17 en de nieuwe woning aan de Laagheidseweg 15c zijn bouwvlakken opgenomen. Binnen een bouwvlak is één vrijstaande woning toegestaan. De toegestane inhoud en maximale goot- en bouwhoogte sluit aan bij het bepaalde in het vigerende bestemmingsplan voor een burgerwoning in het buitengebied.
Laagheidseweg 15c en 17 Venray
39
Verder wordt de dubbelbestemming 'Waterstaat - Beschermingzone watergang' en de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied' en 'overige zone - agrarisch gemengd' overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan. Voorwaardelijke verplichting parkeren, landschappelijke inpassing, sloop stal en instandhouding klinkerverharding In de regels van voorliggend plan is een voorwaardelijke verplichtingen opgenomen waarin is geborgd dat binnen eigen terrein van de nieuwe woning voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd volgens de gemeentelijke parkeernormen alvorens de nieuwe woning in gebruik mag worden genomen. Daarnaast is de ingebruikname van deze woning strijdig als binnen twee jaar na inwerkingtreding van voorliggend bestemmingsplan de gronden met de bestemming 'Wonen' niet zijn ingericht conform de uitgangspunten van het landschappelijk inpassingsplan uit bijlage 1 van de regels. Ook is geborgd dat de nieuwe woning aan de Laagheidseweg 15c pas in gebruik mag worden genomen als er elders in het buitengebied van de gemeente Venray een stal is gesloopt. De te slopen stal dient over een minimaal oppervlak van 570,5 m² te beschikken. Tot slot is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarin is opgenomen dat de duurzame afdeklaag in de vorm van klinkerverharding aan de Laagheidseweg 17 behouden dient te blijven.
Als de afdeklaag in de toekomst (deels) verwijderd wordt, dient de onderliggende met asbest vervuilde verontreinigde puinlaag volgens de geldende wet- en regelgeving gesaneerd te worden. Daarmee zijn er geen belemmeringen ten aanzien van het aspect bodem. Dit plan kent verder geen noemenswaardige bijzonderheden. Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.
40
Laagheidseweg 15c en 17 Venray
Hoofdstuk 6 6.1
Procedure
Algemeen
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Dit is het vooroverleg, waarin het conceptplan wordt voorgelegd aan het waterschap en aan die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Op basis van artikel 3.1.6 Bro dient verslag te worden gedaan van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Dit is de inspraak. Van (formele) inspraak kan, zeker bij wat kleinere plannen, worden afgezien. De gemeentelijke inspraakverordening is daarbij ook van belang. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State.
Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld.
6.2
Handhaving
De doelstellingen van het ruimtelijke beleid kunnen slechts verwezenlijkt worden, indien de regels van het bestemmingsplan worden nageleefd. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray hebben sinds 1 april 2005 via een gemeenschappelijke regeling hun handhavingscapaciteit gebundeld. Beleidsuitgangspunten voor toezicht en handhaving zijn vastgelegd in de Nota Integraal Handhavingsbeleid Horst aan de Maas en Venray (2012-2015). Het beleidsplan bevat naast een visie, doelstellingen en prioriteiten ook de werkwijzen hoe met geconstateerde overtredingen wordt omgegaan en welke strategieën daarbij worden gevolgd. Ook wordt invulling gegeven aan de vele eisen die wet- en regelgeving aan de gemeentelijke taakuitvoering stelt. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray voeren hun handhavingstaken uit op basis van het volgende uitgangspunt. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray stellen een gezonde, veilige, leefbare en groene leefomgeving centraal. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen, leven en werken te behouden en te versterken. Het bestuur streeft naar een gestructureerd en integraal handhavingsbeleid waarbij preventief beleid voorop staat. De betrokkenheid en het eigen verantwoordelijkheidsbesef van de burgers, bedrijven en instellingen moeten daarbij worden vergroot.
Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt en het geschonken vertrouwen wordt beschaamd, volgt daadwerkelijke handhavend optreden. Zo krijgt iedereen de aanpak die hij/ zij verdient. De uit deze visie voorvloeiende doelstellingen en beleidsuitgangspunten van het handhavingsbeleid zijn: 1. Appelleren aan de eigen verantwoordelijkheid. 2. Preventie gaat boven repressie. 3. Draagvlak creëren. 4. Klantgericht handelen. 5. Alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen.
Laagheidseweg 15c en 17 Venray
41
Concreet betekent dit dat nadrukkelijk wordt ingezet op preventie. Leidend uitgangspunt is dat burgers, bedrijven en instellingen worden vertrouwd in een rechtmatige uitoefening van hun activiteiten. Er wordt daarbij van uitgegaan dat het maatschappelijk veld met gerichte voorlichting en communicatie, verantwoordelijk kan worden gemaakt (en gehouden) voor de naleving van voor hen geldende wet- en regelgeving. Daarbij past een bewuste differentiatie van de handhavingsinzet. ln een jaarlijks op te stellen handhavingsuitvoeringsprogramma (HUP) worden de prioriteiten vertaald naar actie. Het jaarlijkse HUP wordt vastgesteld door de colleges van burgemeester en wethouders van beide gemeenten en ter kennis gebracht van de gemeenteraden.
6.3
Verslag vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro
Dit bestemmingsplan zal in het kader van het wettelijk overleg worden toegezonden aan de provincie omdat de provincie Limburg ook initiatieven met een beperkt ruimtelijk effect wenst te beoordelen. Ook zal het plan worden toegezonden aan het waterschap Limburg.
6.4
Verslag inspraak ex artikel 3.1.6 Bro
Bij voorliggend plan is er geen sprake van een formele inspraakprocedure. Het bestemmingsplan zal direct als ontwerpbestemmingsplan ter inzage worden gelegd. Omwonenden zullen door de initiatiefnemer op de hoogte worden gebracht van het initiatief.
6.5
Verslag zienswijzen
In deze paragraaf, of in een separate bijlage, worden te zijner tijd de zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan en de gemeentelijke reactie hierop opgenomen.
42
Laagheidseweg 15c en 17 Venray
Bijlagen bij de toelichting
Laagheidseweg 15c en 17 Venray
43
44
Laagheidseweg 15c en 17 Venray
Bijlage 1
Bodemonderzoek 15c
Laagheidseweg 15c en 17 Venray
45
46
Laagheidseweg 15c en 17 Venray
Bijlage 2
Bodemonderzoek 17
Laagheidseweg 15c en 17 Venray
47
48
Laagheidseweg 15c en 17 Venray
Bijlage 3
Akoestisch onderzoek 15c
Laagheidseweg 15c en 17 Venray
49
50
Laagheidseweg 15c en 17 Venray
Bijlage 4
AERIUS-berekening aanlegfase
Laagheidseweg 15c en 17 Venray
51
52
Laagheidseweg 15c en 17 Venray
Bijlage 5
AERIUS-berekening gebruiksfase
Laagheidseweg 15c en 17 Venray
53
54
Laagheidseweg 15c en 17 Venray
Bijlage 6
Quickscan Flora en Fauna 15
Laagheidseweg 15c en 17 Venray
55
56
Laagheidseweg 15c en 17 Venray
82
Laagheidseweg 15c en 17 Venray
Verbeelding
Laagheidseweg 15c en 17 Venray
83
84
Laagheidseweg 15c en 17 Venray
Laagheidseweg 15c en 17 Venray
85
86
Laagheidseweg 15c en 17 Venray