CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

04 Toelichting Hoofdstraat 20 Oirlo

Gemeenteraad 31 oktober 2023, gemeente VenrayBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan ‘Hoofdstraat 20, Oirlo’19.754 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Initiatiefnemer heeft met de gemeente Venray een anterieure overeenkomst gesloten waarmee hij zich verplicht heeft de, eventuele aan de orde zijnde, kwaliteitsbijdrage te voldoen. 4.3.5 Energiestrategie 2030 In 2013 is de Energiestrategie 2030 voor de gemeenten Beesel, Venlo en Venray: ‘Energie voor groene groei’ vastgesteld. Door de gemeenteraad is daarbij de ambitie uitgesproken om in 2030 CO2 neutraal (ofwel energieneutraal met compensatiemaatregelen) te zijn. Op basis van deze visie is door het college het 2e uitvoeringsprogramma Energie Venray (2018-2021) vastgesteld. Met de energiestrategie en het bijbehorende UP zijn de doelstellingen en de gefaseerde uitvoering op lange en korte termijn uitgewerkt. De gemeente is voor het bereiken van de energiedoelen afhankelijk van alle energiegebruikers en energieleveranciers in de gemeente: bedrijfsleven huishoudens, instelling ect. De samenleving laat zich echter niet door de overheid sturen om energie te besparen of lokaal duurzaam op te wekken. Daarvoor moet er in de samenleving vooral ruimte zijn die leidt tot creativiteit en innovatie van de bedrijven en inwoners zelf. De overheid heeft daarin een rol als partner die samenwerkt, belemmeringen wegneemt, faciliteert en het goede voorbeeld geeft. De betrokkenheid van de overheid zorgt voor het aanjagen en versnellen van de gewenste ontwikkelingen.

Het streefbeeld in 2030 voor woningen laat zich als volgt schetsen: ▪ Gebouwen hebben de laagste energievraag; ▪ Gebouwen worden energiecentrales; ▪ Slimme netwerken zorgen voor optimale uitwisseling; ▪ 50% van de bestaande woningen en gebouwen zijn 50% energiezuiniger en 50% van de woningen voorziet in 100% van de eigen energievraag. In paragraaf 5.9 wordt een nadere toelichting gegeven welke duurzaamheidsmaatregelen met de herontwikkeling voorzien zijn.

Vastgesteld

22

5 RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN Met de bestemmingswijziging en het mogelijk maken een appartementencomplex te realiseren dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, milieuzonering, geluid, lucht, externe veiligheid voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van het initiatief voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.

5.1 Milieuaspecten 5.1.1 Bedrijven en milieuzoneringen Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen. Deze paragraaf bevat een toetsing aan de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (zie hierna).

Kenmerken van het project ▪ Omvang van het project ▪ Cumulatie met andere projecten ▪ Gebruik van natuurlijke grondstoffen ▪ Productie van afvalstoffen ▪ Verontreiniging en hinder ▪ Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën Plaats van het project ▪ Bestaand grondgebruik ▪ Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied ▪ Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang Kenmerken van het potentiële effect ▪ Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) ▪ Grensoverschrijdende karakter van het effect ▪ Waarschijnlijkheid van het effect ▪ Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.er. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r.

het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Omdat het initiatief onder de drempelwaarden valt zoals

Vastgesteld

23

aangegeven in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r., volgt hierna een toets of op basis van de hiervoor genoemde criteria een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Deze paragraaf is mede opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria Omvang van het project

Cumulatie met andere projecten Gebruik van natuurlijke grondstoffen Productie van afvalstoffen

Verontreiniging en hinder Risico van ongevallen

Toets Het project heeft betrekking op het realiseren van 7 appartementen, ter plaatse van het voormalige cafetaria ‘D’n Terp’. Om het initiatief mogelijk te maken wordt het bestemmingsplan gewijzigd. Het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in de D-lijst voor stedelijke ontwikkelingsprojecten Nee Nee Nee, behoudens (regulier) huishoudelijk afval wat door erkende verwerkers opgehaald en verwerkt zal worden. Ook de (tijdelijke) afvalstoffen die ontstaan door de sloop en bouw worden door erkende verwerkers opgehaald en verwerkt. Daarbij vindt zoveel mogelijk als kan recycling plaats Er is geen sprake van een activiteit die leidt tot verontreiniging of hinder voor het milieu Nee, het plangebied bevindt zich buiten plaatsgebonden risicocontouren en er is geen sprake van een verslechtering van het groepsrisico

Conclusie: vanuit de kenmerken van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Plaats van het project Criteria Bestaand grondgebruik Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor: ▪ gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) ▪ gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid Landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang

Toets Cafetaria, horeca bestemming. N.v.t. Nee, uit de onderzoeken die in het kader van het initiatief zijn uitgevoerd, blijkt dat het project geen significante effecten veroorzaakt voor de omgeving (zie hiervoor betreffende aspecten in hoofdstuk 5 van deze toelichting) Nee Nee

Conclusie: vanuit de plaats van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten.

Vastgesteld

24

Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Criteria Beschermd natuurmonument Habitat- en Vogelrichtlijngebieden Watergebied van internationale betekenis EHS Landschappelijk waardevol gebied Waterwinlocaties, waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden Beschermd monument Belvédère-gebied

Toets Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee

Conclusie: het plangebied is niet gelegen binnen een gevoelig gebied en op een zodanige afstand van gevoelige gebieden dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn. Conclusie milieueffectrapportage a. De woningbouwontwikkeling komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dus geen MER te worden opgesteld; b. De activiteit valt wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. De daarbij genoemde drempelwaarden worden niet overschreden; c. Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 2, lid 5, aanhef onder b. van het Besluit m.e.r. is voor dit initiatief een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Uit de uitgevoerde vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn en dat een MER niet zinvol is.

5.1.2 Bedrijven en milieuzoneringen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. de richtafstandenlijst; 2. twee omgevingstypen; 3. een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging. De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype). In de bijlagen wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijke relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie.

Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect (geluid, stof, stank en dergelijke) dat in de lijst is genoemd.

Vastgesteld

25

Het plangebied is te typeren met het omgevingstype gemengd gebied. Er is sprake van een matige of sterke functiemenging in de omgeving van het plangebied. De woonfunctie betreft een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving. Wel kunnen de woningen milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving. Ter plaatse van het plangebied dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van de omliggende milieubelastende functies. . De milieuruimte van de milieubelastende functies in de omgeving (straal van 250 meter) is geïnventariseerd aan de hand van de toegestane milieucategorie en de grootste bijbehorende richtafstand voor geur, stof, geluid en gevaar. Bedrijf

Adres

SBI2008 9491

Kerk/begraafplaats

Hoofdstraat 23-25

Basisschool

Hoofdstraat 28

852, 8531

Kantoor

Hoofdstraat 25

941, 942

Autobedrijf

Hoofdstraat 21

451

Horeca (max. cat. 2) Gemeenschapshuis

Hoofdstraat 32 Hoofstraat 34

94491

Nutsvoorziening

R-793

35

Bouwbedrijf

Hoofdstraat 44

41, 42, 43

Installatiebedrijf (met ondergeschikte detailhandel)

Hoofdstraat 37

41, 42, 43

Aan te houden afstanden Geur 0 meter Stof 0 meter Geluid 10 meter Gevaar 0 meter Geur 0 meter Stof 0 meter Geluid 10 meter Gevaar 0 meter Geur 0 meter Stof 0 meter Geluid 0 meter Gevaar 0 meter Geur 0 meter Stof 0 meter Geluid 10 meter Gevaar 0 meter Grootste richtafstand: 10 meter Geur 0 meter Stof 0 meter Geluid 10 meter Gevaar 0 meter Geur 0 meter Stof 0 meter Geluid 10 meter Gevaar 0 meter Geur 0 meter Stof 10 meter Geluid 30 meter Gevaar 0 meter Geur 0 meter Stof 10 meter Geluid 30 meter Gevaar 0 meter

Afstand tot plangebied 12 meter

55 meter

60 meter

70 meter

105 meter 110 meter

160 meter

210 meter

220 meter

Onderzocht is of de hindercontouren het plangebied overlappen. Er is géén hindercontour die het plangebied overlapt. Omliggende bedrijven vormen dan ook geen belemmering voor de bestemmingswijziging en er is in het appartementencomplex een goed woon- en leefklimaat te garanderen. Daarnaast worden de omliggende bedrijven niet belemmerd door de voorgenomen ontwikkeling, ook zijn er de reeds omliggende woningen al dichterbij gelegen. 5.1.3 Bodem- en grondwaterkwaliteit Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van het initiatief.

Vastgesteld

26

Voor het initiatief is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Concluderend kan gestelde worden dat er tijdens de veldinspectie geen waarnemingen zijn gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn verspreid over de loatie in de bovengrond sporen van baksteen en asfalt waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond licht verhoogd is met cadmium, lood, zink, minerale olie en PAK. De ondergrond is licht verhoogd met cadmium en zink. In het freatisch grondwater zijn geen verhogingen aangetoond. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling (woningbouw). In het kader van dit onderzoek is geen asbest in bodem onderzoek conform de NEN 5707 verricht naar het voorkomen van asbest. Op het maaiveld en in de vrijkomende bodem zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. De onderzoekslocatie is als onverdacht op het voorkomen van asbest in de bodem beschouwd. Het voorliggende onderzoek doet echter geen bindende uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem binnen de onderzoekslocatie.

Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit, Nota Bodembeheer en het Tijdelijk Handelingskader PFAS van toepassing. Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn tegen de voorgenomen realisatie van de woningbouw op het perceel uit oogpunt van de bodemkwaliteit. 5.1.4 Geluid Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Per 1 januari 2007 is de Wijzigingswet Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) in werking getreden. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer en spoorwegen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft (zie onderstaande tabel), met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Aantal rijstroken 5 of meer 3 of 4 1 of 2

Breedte van de geluidszone (in meters) Buitenstedelijk Stedelijk 600 350 400 350 250 200

Woningen betreffen geluidsgevoelige objecten. Dit houdt in dat er moet worden aangetoond dat (weg)verkeerslawaai ter plaatse geen negatieve effecten teweegbrengt voor de toekomstige bewoners van de woningen. In feite mogen nieuwe woningen niet worden gerealiseerd, wanneer er een geluidbelasting van wegverkeer optreedt van 48 dB of hoger, tenzij ontheffing is verleend door het College van burgemeester en wethouders (mogelijk tot maximaal 63 dB). Als een nog hogere geluidbelasting wordt ondervonden is woningbouw alleen mogelijk als de woningen worden uitgevoerd met een dove gevel op de gevel(s) waar de geluidbelasting meer bedraagt dan 63 dB.

Vastgesteld

27

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Op basis van het uitgevoerde akoestische onderzoek kan concluderend gesteld worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen indien de akoestische voorzieningen zoals vermeld in het rapport worden toegepast. Daarnaast doet de beoogde nieuwe woonbestemming geen inbreuk op de geluidsruimte van omliggende bedrijven/inrichtingen. Met de realisatie van de beoogde nieuwe woningen worden de geadviseerde akoestische voorzieningen toegepast, derhalve vormt het aspect geluid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.1.5 Luchtkwaliteit Algemeen Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c.

een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekende mate' is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uitgegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden.

Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:

Woningen (maximaal)

Minimaal 1 ontsluitingsweg 3%-norm 1.500

Minimaal 2 ontsluitingswegen 3%-norm 3.000

Woningbouw draagt pas IBM bij aan de luchtkwaliteit als er meer dan 1.500 woningen gebouwd worden. Met onderhavig initiatief wordt per saldo slechts 6 woningen toegevoegd. Met het initiatief wordt derhalve ruimschoots onder het 3% criterium gebleven. Achtergrondwaarden

Vastgesteld

28

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)

Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3

Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 9,7 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 18,9 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 12,0 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende, waardoor er sprake is van een goed woonen leefklimaat. Conclusie luchtkwaliteit Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. Het initiatief zal slechts in zeer beperkte mate een verkeersaantrekkende werking met zich meebrengen. Daarnaast draagt het initiatief niet in betekende mate bij aan de luchtkwaliteit, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c.

Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer en dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is. 5.1.6 Geur Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebied bestemd voor wonen en verblijf. De woningen betreffen zodoende geurgevoelige objecten. In de gemeentelijke geurverordening is vastgelegd welke normstelling er geldt voor de voorgrondbelasting en bij welke achtergrondbelasting nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de verordening is bepaald dat voor de bestaande woongebieden Ysselsteyn, Veulen, Castenray, Oirlo, Leunen, Heide en Merselo, waarbinnen het plangebied valt, een maximale waarde geldt voor de geurbelasting van een veehouderij ten aanzien van een geurgevoelig object van 6,5 OU/m3 (voorgrondbelasting) en 20,0 OU/m3 (achtergrondbelasting).

Individuele geurbelasting De woningen zouden geurhinder kunnen ondervinden van omliggende veehouderijen. In de directe omgeving (500 meter rondom het plangebied) is sprake van twee locaties waar een vergunning is verleend voor het houden van dieren. Het gaat om de volgende locaties:

Vastgesteld

29

▪ ▪

Een zeugenfokkerij gelegen aan de Hoofdstraat 46, op een afstand van 280 meter van het plangebied. Een melkveehouderij gelegen aan de Zandhoek 2, op een afstand van 400 meter van het plangebied.

Voor een aantal diersoorten zijn in de Wet geurhinder en veehouderij geen emissiefactoren opgenomen, maar gelden vaste afstanden. Dit geldt onder andere voor een melkrundveehouderij. De afstand tussen deze veehouderijen en een voor geurhinder gevoelig object moet minstern 100 meter bedragen voor objecten binnen de bebouwde kom en 50 meter buiten de bebouwde kom. Aan deze afstandsnormen wordt voor wat betreft de melkveehouderij aan de Zandhoek 2 ruimschoots voldaan. Voor de zeugenfokkerij aan de Hoofstraat 46 dient de daadwerkelijke geurbelasting op het plangebied berekend te worden. Deze wordt berekend met het programma ‘V-Stacks vergunning’. Deze berekening is uitgevoerd in een worst-case scenario (alle vergunde geuremissie emitteert vanuit de hoek van het bouwvlak welke het meest dicht bij het plangebied ligt). Hoek 1 2 3 4 5

X-coördinaat 200002 200069 200075 200004 200046

Y-coördinaat 391468 391506 391489 391464 391481

Hoofdstraat 46 1,7 1,5 1,6 1,7 1,6

De hoogste voorgrondbelasting binnen het plangebied bedraagt 1,7 OU/m³. Op basis van de gemeentelijke geurverordening is ter plaatse een maximale geurbelasting toegestaan van 6,5 OU/m³. Er wordt daarmee aan de norm voldaan, waardoor gesteld kan worden dat de betreffende veehouderij geen nadelige effecten heeft op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen voor wat betreft voorgrondbelasting. Cumulatieve geurbelasting Op de kaart ‘Achtergrondbelasting 2018’ van de gemeente Venray wordt de indicatieve achtergrondbelasting als redelijk goed (7,4 tot 13,1 OU/m3) beoordeeld. Daarmee kan tevens gesteld worden dat veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft achtergrondbelasting.

5.2 Externe veiligheid Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR)

Vastgesteld

30

Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente).

Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)

Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaaarde

Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Inventarisatie risicobronnen Door de provincie Limburg is een risicokaart samengesteld waarop de risico veroorzakende bedrijven en objecten zijn weergegeven. Op basis van de risicokaart bevindt er zich in nabijheid van het plangebied omgeving één risicovolle inrichtingen, zijnde een propaantank op de locatie Hoofdstraat 11, op een afstand van 295 meter van het plangebied. Propaantank De afstand van het plangebied tot deze propaantank bedraagt 295 meter. De propaantank heeft een inhoud van 3.000 liter. Omdat de inhoud van de tank onder de grenswaarden zoals genoemd in de Bevi blijft, is er geen sprake van een risicovolle inrichting waaraan in het kader van externe veiligheid nadere aandacht behoefte te worden besteed. Conform artikel 3.28 van het Activiteitenbesluit bedraagt de generieke veiligheidsafstand van deze tank tot nabijgelegen kwetsbare objecten 20 meter. Deze veiligheidsafstand overschrijdt de grenzen van de inrichting niet. Logischerwijs reikt deze dan ook niet tot aan het plangebied.

Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor het initiatief.

Vastgesteld

31

5.3 Water 5.3.1 Waterbeleid Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Venray als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. Concreet betekent dit dat er sprake moet zijn van gescheiden schoon- en vuilwaterstromen die afzonderlijk worden verwerkt. Vanuit de gemeente Venray en Waterschap Limburg gelden daarbij de volgende uitgangspunten: 1. afkoppelen van 100% van het verhard oppervlak, waarbij de beslisboom verantwoord afkoppelen van toepassing is; 2. de trits vasthouden-bergen-afvoeren is van toepassing, waarbij hergebruik dan wel infiltratie van schoon hemelwater de voorkeur heeft; 3. verontreiniging van het water dient door bronmaatregelen voorkomen te worden; 4. grondwateroverlast dient voorkomen te worden; 5. een gelimiteerde afvoer naar het oppervlaktewater is toegestaan. 5.3.2 Waterhuishoudkundige situatie plangebied (huidige situatie) Bodemgesteldheid en grondwater De bodem in het plangebied is tamelijk vlak. De maaiveldhoogte bedraagt tussen de 24 en 27 m +NAP. De bodem in het plangebied bestaat uit hoge zwarte enkeerdgronden, welke ter plaatse bestaan uit lemig fijn zand. Conform de algemene gegevens van het waterschap blijkt het plangebied een goede bodemdoorlatendheid te hebben van 0,45 tot 0,75 m/dag.

Op basis van de kaarten behorende bij het Nieuw Limburgs Peil blijkt dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand dieper ligt dan 200 cm-mv. Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Oppervlaktewater Op de leggerkaarten van Waterschap Limburg is te zien dat binnen het plangebied of directe omgeving geen oppervlaktewater van betekenis ligt. Ook in de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig. Afvalwater Voor de afvoer van het huishoudelijk afvalwater zal voor het appartementencomplex een aansluiting gemaakt worden op het bestaand gemeentelijk rioleringsstelsel, dit betreft een gemengd riool. De belasting op het bestaande riool van het huishoudelijk afvalwater van 7 appartementen in vergelijking tot de huidige horecafunctie met bedrijfswoning zal gering zijn. Er zijn derhalve geen aanpassingen noodzakelijk zijn voor het bestaande riool. 5.3.3 Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) Met onderhavig initiatief wordt de bedrijfsbebouwing gesloopt en wordt hiervoor in de plaats een appartementencomplex gerealiseerd. De realisatie van het appartementencomplex leidt tot een toename aan verhard oppervlak. Iedere toename van verhard oppervlak dient zoveel mogelijk ‘hydrologisch neutraal’ te geschieden.

Het waterschap hanteert hiervoor vuistregels waarmee op basis van de toename van verharding een wateropgave kan worden bepaald. Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt onder andere in dat het versneld afvloeiende hemelwater (als gevolg van extra bebouwd oppervlak en / of verhardingen) dient te worden gecompenseerd door middel van extra waterberging. Via deze

Vastgesteld

32

(tijdelijke) berging kan water vertraagd de bodem worden ingebracht, of vertraagd worden afgevoerd naar het bestaande watersysteem. Daarnaast is het van belang dat bestaande waterhuishoudkundige functies niet mogen worden geschaad of beperkt. Eveneens mag, als gevolg van een initiatief, geen sprake zijn van een structurele verlaging van de grondwaterstand. Ter plaatse van de parkeerplaats aan de achterzijde van het appartementencomplex is een infiltratievoorziening beoogd. Conform richtlijnen van het waterschap dient de infiltratievoorziening gedimensioneerd te worden op een bui die eens in de 10 jaar voorkomt en waarbij 60 mm neerslag valt (Toetssteen Openbare Ruimte 2022). Ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning zal initiatiefnemer moeten aantonen dat met de definitieve terreininrichting voldaan wordt aan de gestelde voorwaarden voor hemelwaterinfiltratie. De gemeente Venray streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het pakket duurzaam bouwen. Van de initiatiefnemer wordt verwacht, voor zover relevant, geen gebruik te maken van uitlogende bouwmaterialen. Concluderend kan gesteld worden dat door het initiatief geen knelpunten ontstaan tussen grondgebruik en de waterhuishouding.

5.4 Kabels, leidingen en straalpaden Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming in of in de nabijheid van het plangebied. Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen.

5.5 Natuur De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. Flora en fauna Om het voorkomen van flora en fauna in het plangebied aan te tonen en het effect van de herontwikkeling en de daarmee gepaard gaande sloop van bebouwing hierop te onderzoeken is een quickscan flora en fauna1 uitgevoerd. Algemene vogels In het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door het verwijderen van de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) uit te voeren. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan. Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën

1

Quickscan flora en fauna, Faunaconsult (d.d. 13 april 2022)

Vastgesteld

33

In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud (Provinciale staten van Provincie Limburg, 2016). Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Vleermuizen: aanvullend onderzoek en mitigatie vooraf De te slopen en renoveren bebouwing bevat mogelijk vleermuisverblijven. Het slopen of renoveren van de gebouwen kan daarom leiden tot verstoring of vernietiging van vleermuizen en hun verblijven. Omdat alle vleermuissoorten streng zijn beschermd, dient het voorkomen van dergelijke verblijven conform het vleermuisprotocol (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging, 2021) te worden onderzocht.

Volgens het vleermuisprotocol zijn daartoe 5 onderzoeksronden nodig: ▪ 3 ronden (2 avonden en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de periode 15 mei – 15 juli (waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee bezoeken); ▪ 2 ronden (1 avond en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de periode 15 augustus – 1 oktober (waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee bezoeken). Indien blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn, dient de functionaliteit daarvan te worden gewaarborgd. Dit houdt in dat er op aangepaste wijze wordt gesloopt en gerenoveerd (zodat er geen vleermuizen worden gedood) en dat er nieuwe vleermuisverblijven gecreëerd moeten worden. Om vertraging te voorkomen, is het verstandig om vooruitlopend op de resultaten van het vleermuizenonderzoek alvast vleermuiskasten verspreid rondom de wijk op te hangen. Gewone dwergvleermuizen hebben bijvoorbeeld de tijd nodig om aan nieuwe verblijfplaatsen te wennen. Gedurende deze gewenningsperiode moeten zowel de oorspronkelijke situatie als de nieuw aangebrachte vervangende voorzieningen beide aanwezig zijn (BIJ12, 2017). Het is daarom beter om voor zekerheid te gaan en alvast 8 vleermuiskasten op te hangen. Dit dient te gebeuren aan niet te slopen of renoveren panden binnen een straal van 200 meter van het plangebied (BIJ12, 2017).

Als blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn die door de sloop- en/of renovatiewerkzaamheden zullen worden vernietigd, wordt vertraging van de werkzaamheden (in verband met de gewenningsperiode) in de meeste gevallen voorkomen. Aanvullend onderzoek vleermuizen Het aanvullende onderzoek naar de mogelijk aanwezigheid van vleermuizen is reeds in werking gezet. Dit is echter op het moment van schrijven nog niet afgerond. Om te voorkomen dat er de eventueel aanwezige beschermde soorten verstoord worden zal de gebiedsaanduiding ‘Milieuzone - ecologie’ aan het plangebied worden toegekend. Hierdoor dient de te slopen en renoveren bebouwing, waar mogelijk vleermuizen in verblijven, gehandhaafd te worden, tenzij er een ontheffing Wet natuurbescherming is verkregen, danwel door middel van deskundig onderzoek is aangetoond dat er geen beschermde soorten in de zin van de Wet natuurbescherming aanzien zijn in de betreffende bebouwing. Natura2000 Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Boschhuizerbergen, ligt op circa 3,6 km van het plangebied. In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een Wnb-vergunning vereist is. Over een afstand van 3,6 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting.

Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOx of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied.

Vastgesteld

34

Voor ieder habitattype binnen een Natura2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Door middel van het rekeninstrument AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden als gevolg een initiatief berekend. Met onderhavig initiatief worden 7 appartementen gerealiseerd. De exacte effecten van de bouw- en gebruiksfase op de Natura2000- gebieden is berekend middels AERIUS Calculator. Bouwfase Het voornemen bestaat om 7 appartementen te realiseren op de locatie Hoofdstraat 20 te Oirlo. Bij de realisatie van de appartementen en de inrichting van het perceel wordt gebruik gemaakt van meerdere (mobiele) werktuigen en vinden verkeersbewegingen plaats. Dit zorgt voor een emissie van stikstof, deze emissie is berekend.

Vermogen (kW)

Belasting (%)

Liters diesel per uur*

Draaiuren

Betonpomp Mobiele hijskraan Graafmachine

Brandstof

Werktuig

Bouwjaar

Voor de inzet van (mobiele) werktuigen is uitgegaan van een gemiddeld gebruik van mobiele werktuigen bij de aanpak van de openbare ruimte en de realisatie van woningen.

2014 2015 2014

Diesel Diesel Diesel

200 100 200

50 50 60

27,78 14,02 33,09

60 128 40

* Op basis van de Emissiefactoren NOx en NH3 uitstoot mobiele machines van de TNO

Ten tijde van bouw vinden ook verkeersbewegingen plaats, onder andere in de vorm van vrachtwagens en busjes. Dagelijks zal personeel (bouwvakkers) de bouwlocatie bezoeken om bouwwerkzaamheden aldaar te verrichten. Daarnaast kunnen ook nog overige bezoekers naar de locatie komen. Er is uitgegaan van 4 bedrijfsbusjes per etmaal. Naar de locatie rijden ook diverse vrachtauto’s voor het aan- en afvoeren van materialen. Er wordt uitgegaan dat op de drukste dag 4 vrachtwagens aanwezig zijn. Gezien de ligging van het plangebied is het aannemelijk dat verkeer dat gedurende de bouwfase de locatie aan doet, de locatie uitsluitend in noordelijke richting verlaat. Tijdens de bouwfase is sprake van een toename van 4,4 kg NOx. Dit leidt op basis van AERIUS Calculator niet tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden. Er is derhalve geen merkbaar c.q. negatief effect voor wat betreft stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden door het initiatief. Gebruiksfase Sinds 1 juli 2018 krijgen nieuwe bouwwerken geen gasaansluiting meer. Derhalve vindt de uitstoot vanuit de nieuwe woning uitsluitend plaats door verkeer van en naar de woningen. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie in de huidige situatie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’.

Er is uitgegaan van de volgende gegevens: ▪ Functie: koop, appartement, midden; ▪ Gebiedstype: centrum in weinig stedelijk gebied Op basis van de kencijfers genereert een dergelijke woning per etmaal minimaal 5,4 en maximaal 6,2 verkeersbewegingen. Uitgaande van een worst-case benadering genereert de woning dagelijks 43,4 verkeersbewegingen. Vanwege het karakter van het initiatief wordt verondersteld dat de voertuigen van en naar de locatie lichte voertuigen betreffen (personenauto’s).

Vastgesteld

35

Er wordt daarbij tevens van uit gegaan dat het verkeer zo snel mogelijk via de Hogeweg naar de Pastoor Gerardstraat rijdt, alweer het verkeer op zal gaan in huidige verkeer. Uit de ingevoerde gegevens blijkt dat door het verkeer de emissie NOx in dit geval 0,4 kg/jaar bedraagt. De beoogde ontwikkeling leidt op basis van AERIUS Calculator niet tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden (zie bijlage 1). Er is derhalve geen merkbaar c.q. negatief effect voor wat betreft stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden door het gebruik van de woningen.

5.6 Archeologie en cultuurhistorie 5.6.1 Archeologie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe Rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De gemeente Venray heeft een eigen archeologische beleidskaart laten opstellen door archeologisch adviesbureau RAAP. De kaart en het bijbehorende rapport zijn afgerond in het voorjaar van 2008 (RAAP rapport 1482: “Begrensd verleden; Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en de cultuurhistorische waardenkaart voor de gemeente Venray”). Vanwege de gemeentelijke herindeling in 2010 is de archeologische beleidskaart geactualiseerd, waarbij Geijsteren, Wanssum en Blitterswijck en het buitengebied daaromheen in de kaart zijn opgenomen. Deze geactualiseerde versie is in de 2013 vastgesteld. Op deze beleidskaart is het plangebied voor het overgrote deel gelegen in een categorie 2 gebied, dit zijn gebieden met monumenten van zeer hoge waarde en monumenten die betrekking hebben op de historische kernen.

Conform het vigerende bestemmingsplan is aan het plangebied dan ook grotendeels de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ toegekend.

Afbeelding 13 Uitsnede archeologische beleidskaart Venray (rood; plangebied)

Vastgesteld

36

In de archeologische dubbelbestemming zijn de volgende ondergrenzen gesteld wanneer archeologisch onderzoek dient plaats te vinden: 50 cm diepte en 250 m² oppervlakte. Een bodemingreep waarbij de bodem niet dieper dan 50 cm geroerd wordt is toegestaan, ongeacht de oppervlakte. Een bodemingreep waarbij de bodem wel dieper dan 50 cm geroerd dient van tevoren onderzocht te worden op archeologische waarden indien het te verstoren oppervlakte meer dan 250 m² bedraagt. Met het initiatief worden de gestelde ondergrenzen overschreden. Derhalve is een archeologisch onderzoek2 uitgevoerd. Op basis van het uitgevoerde archeologische onderzoek kan concluderend gesteld worden dat de bodemopbouw binnen het plangebied bestaat uit een AC-bodemprofiel. Hieruit blijkt dat het plangebied in een natte omgeving ligt en daarmee niet aantrekkelijk was voor bewoning. Op basis van de landschappelijke ligging worden geen archeologische sporen meer verwacht in het plangebied uit de periode Laat-paleolithicum/ vroege middeleeuwen. Om deze reden wordt de kans op het aantreffen van archeologische rest laag geacht voor deze perioden. Echter gezien de ligging in de historische dorpskern Oirlo kan niet uitgesloten worden dat er historische bebouwing aanwezig was, al dan niet bestaande uit gebouwen van omringende bebouwing.

Op basis hiervan blijft de hoge verwachting voor de periode late middeleeuwen- nieuwe tijd gehandhaafd. Een veldonderzoek middels boringen is geen geschikte methode voor het opsporen van dieper ingegraven heterogeen verdeelde sporen, zoals muren en funderingsresten. Om deze redenen wordt voor het plangebied een vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Dit vervolgonderzoek vindt bij voorkeur in de vorm van een proefsleuvenonderzoek plaats. De gemeente Venray heeft op basis van het uitgevoerde onderzoek een selectiebesluit genomen. Selectiebesluit gemeente Venray De constateringen uit het verkennend booronderzoek zijn weliswaar juist, maar in dit geval zijn er redenen om de aanbevelingen toch niet over te nemen. Ten eerste wijzen de boringen op een sterke mate van bodemverstoring (110 170 cm, gemiddeld bijna 145 cm onder maaiveld, in het niet bebouwde gedeelte van het plangebied). Verder mag worden aangenomen dat ter plekke van een bestaande (20e-eeuwse) bebouwing de bodem tot zeker dezelfde diepte is verstoord. Omdat de nieuwbouw grotendeels overlapt met de bestaande bebouwing, die deels (de woning) behouden blijft, is de bodemverstoring door planrealisatie relatief beperkt. De sterke bodemverstoring is echter op zich voldoende aanleiding om ook de verwachting voor late middeleeuwennieuwe tijd te laten vervallen.

Het uitvoeren van nader onderzoek ‘voor de zekerheid’ zou niet proportioneel zijn en is daardoor onnodig. In afwijking van het advies in het rapport is het selectiebesluit dat het plangebied archeologisch kan worden vrijgegeven. Dit betekent dat het aspect archeologie geen rol meer speelt bij dit plan en dus ook de archeologische dubbelbestemming vervalt. Conclusie Concluderend kan gesteld worden dat het aspect archeologie derhalve geen rol meer speelt bij dit plan en de archeologische dubbelbestemming hiermee komt te vervallen. 5.6.2 Cultuurhistorie De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. Volgens de provinciale kaart ‘Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg’ is de het woonhuis binnen het plangebied opgenomen in het Monument Inventarisatie Project (MIP) van de Provincie Limburg. Het in 1937 gebouwde woonhuis is daarin beschreven als een project in de bouwstijl traditionalisme dat van belang is omdat het een specimen van een bouwtraditie betreft. 2 Archeologisch onderzoek, AERES Milieu (d.d. 23 september 2022, kenmerk: AM22136)

Vastgesteld

37

Met de beoogde ontwikkeling wordt het woonhuis behouden en betrokken bij het appartementencomplex. Daarbij is bewust gekozen de kenmerkende vorm en het gevelaanzicht van het woonhuis te behouden. Derhalve worden de cultuurhistorische waarden behouden.

5.7 Verkeer en parkeren Het initiatief zal zorgen voor een verandering in de verkeersstromen van en naar het plangebied en de parkeersituatie. Er dient daarom te worden aangetoond dat met het initiatief de verkeersveiligheid niet in het gedrang komt en er voldaan wordt aan voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Verkeer Het plangebied is gelegen aan de Hoofdstraat. Echter wordt het plangebied ontsloten via de Hogeweg, aan de achterzijde van het plangebied. De Hogeweg staat in directe verbinding met de Pastoor Gerardstraat. Via de Pastoor Gerardstraat kan het verkeer alle kanten op. Gesteld kan worden dat de locatie op een goede manier naar alle richtingen wordt ontsloten. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie in de huidige situatie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Er is uitgegaan van de volgende gegevens: ▪ Functie: koop, appartement, midden; ▪ Gebiedstype: centrum in weinig stedelijk gebied Op basis van de kencijfers genereert een dergelijke woning per etmaal minimaal 5,4 en maximaal 6,2 verkeersbewegingen. Uitgaande van een worst-case benadering genereert de woning dagelijks 43,4 verkeersbewegingen. Vanwege het karakter van het initiatief wordt verondersteld dat de voertuigen van en naar de locatie lichte voertuigen betreffen (personenauto’s).

Het initiatief leidt derhalve tot een toename van (7 appartementen minus bestaande woonhuis) 37,2 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 18,6 voertuigen. Deze zeer beperkte toename is goed op te vangen en vormt geen probleem voor de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid in de omgeving. De omliggende infrastructuur is voldoende robuust om deze zeer beperkte toename op te vangen en past binnen de geprognosticeerde verkeersgroei. Parkeren Om de parkeerbehoefte te berekenen is gebruik gemaakt van de parkeernormen van de gemeente Venray. De gemeente heeft haar parkeerbeleid vastgelegd in de ‘Beleidsnota Parkeernormen’ (december 2013). Conform de gemeentelijke parkeernomen is onderhavig plangebied gelegen in ‘rest bebouwde kom/kerkdorpen’. Voor appartementen binnen dit gebiedstype geldt een parkeernorm van 1,5 parkeerplaatsen per appartement. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling worden er 7 appartementen gerealiseerd. Derhalve dienen er conform de gemeentelijke parkeernormen (norm 1,2 parkeerplaatsen + 0,3 parkeerplaatsen voor bezoekers) zijn er (1,5 * 7 appartementen = 10,5 pp) 11 parkeerplaatsen benodigd. In de huidige situatie is de locatie in gebruik als cafetaria met woning. Het vloeroppervlakte (bvo) van het cafetaria bedraagt 480 m2.

Conform de gemeentelijke parkeernota bedraagt de parkeerbehoefte van een cafetaria in de rest bebouwde kom 6,0 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. Totale parkeerbehoefte van de cafetaria bedraagt derhalve 29 parkeerplaatsen. De parkeerbehoefte voor een woning in de rest bebouwde kom bedraagt 2,0 parkeerplaatsen. In de huidige situatie zijn voor het totale pand 31 parkeerplaatsen benodigd. Op eigen terrein zijn in de huidige situatie zeven parkeerplaatsen aanwezig. In de openbare ruimte zijn de overige parkeerplaatsen gelegen die gebruikt worden voor de cafetaria. Feitelijk gezien is er in de huidige situatie sprake van een tekort van 24 parkeerplaatsen ten behoeve van de functie.

Vastgesteld

38

Huidige parkeerbehoefte Cafetaria Woning

Aantal 480 m² 1 st. Totaal

29 2 31

Toekomstige parkeerbehoefte Aantal 7 st.

0 11 11

De parkeerbehoefte neemt in het kader van de voorgenomen planontwikkeling dan ook aanzienlijk af ten aanzien van de bestaande parkeerbehoefte. Het initiatief voorziet dan ook in een grote afname van het gebruik van het aantal (openbare) parkeerplaats en levert een positieve bijdrage op de parkeerdruk van de parkeerplaatsen aan de Hoofdstraat. Aan de achterzijde van het appartementencomplex, waar thans ook het parkeerterrein van het cafetaria is gelegen, is een parkeerplaats beoogd welke ruimte biedt voor 7 auto’s. Door de beperkte ruimte dient de toegangsweg naar de parkeerplaats op eigen terrein te liggen. De inrichting en positionering van de parkeerplaatsen en bergingen is in samenspraak met de gemeente tot stand gekomen. Het aannemelijk dat, gezien de positionering van de appartementen, enkele nieuwe bewoners aan de voorzijde zullen parkeren. Dit wordt thans, in de huidige situatie, ook door bezoekers van het cafetaria gedaan. Het is dan ook aannemelijk dat daar ook enige ruimte voor beschikbaar is. Daarnaast is het aannemelijk dat de norm van 11 parkeerplaatsen, gezien de beoogde doelgroep van starters en senioren alsmede de ligging te midden van de dorpskern, relatief hoog. Zowel starters als senioren zijn vaak niet in bezit van meer dan één auto.

Enerzijds omdat dit soms financieel niet mogelijk is en anderzijds doordat zij zich verplaatsen met de voet en/of fiets ofwel niet in bezit zijn van een rijbewijs. Mede om deze reden hebben initiatiefnemers besloten om de bergingsruimte extra ruim te maken zodat er voldoende ruimte is om hierin fietsen te stallen, op eigen terrein zal voorzien worden in 7 parkeerplaatsen, voor iedere appartement 1 parkeerplaats. Gelet op de ligging nabij de dorpskern en het lagere autobezit van de doelgroep kan er gesteld worden dat er sprake is van een positieve ontwikkeling waarbij de parkeerdruk in de omgeving aanzienlijk afneemt.

5.8 Niet-gesprongen explosieven Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Het gehele grondgebied van de gemeente Venray heeft in de Tweede Wereldoorlog zwaar onder vuur gelegen. Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven (NGE). Met behulp van het explosievenonderzoek worden de aanwezigheid en risico’s van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht. De gemeente Venray adviseert bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detectieonderzoek uit te (laten) voeren. Dit onderzoek dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de bestemmingsplanprocedure niet juridisch afdwingbaar. Het is echter te allen tijde de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving.

5.9 Duurzaamheid De ambities ten aanzien van duurzaamheid in Venray zijn hoog, zoals neergelegd in de Energiestrategie 2030 (zie paragraaf 4.3.4). Vanaf 2020 is alle nieuwbouwproductie in de woning- en utiliteitsbouw energieneutraal. Deze ambitie is grotendeels wettelijk verankerd. Het Bouwbesluit stelt dat per januari 2021 nieuwbouw bijna energieneutraal (BENG) moet zijn: er is vrijwel geen energie nodig, de energie die wel nodig is komt uit groene bronnen.

Vastgesteld

39

De binnen het plangebied te realiseren woningen zullen in ieder geval energieneutraal zijn. In het bestemmingsplan kunnen alleen regels worden opgenomen die bijdragen aan 'een goede ruimtelijke ordening'. Voor de uitleg van dit begrip is in de rechtspraak het criterium ‘ruimtelijk relevant’ ontwikkeld. Alleen regels die ruimtelijk relevant zijn, kunnen in het bestemmingsplan opgenomen worden. Algemeen erkend wordt dat energietransitie een ruimtelijke impact heeft, maar de visie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is dat hiertoe geen regels in het bestemmingsplan kunnen worden opgenomen. De gemeente Venray zal daarom het aspect 'duurzaamheid' en 'energieneutraalheid', maar ook 'levensloopbestendigheid' opnemen in de met initiatiefnemer overeen te komen anterieure overeenkomst. Met onderhavig bouwplan zijn de volgende duurzaamheidsmaatregelen voorzien c.q. daar waar een afweging mogelijk is, worden overwogen: ▪ de woningen worden niet aangesloten op gas; ▪ de woningen zullen zelf een substantiële hoeveelheid energie opwekken middels zonnepanelen; ▪ de woningen worden zeer goed geïsoleerd en hebben daardoor een zeer lage warmtevraag; ▪ bij de bouw van de woningen zullen duurzame materialen worden gebruikt zoals FSC-keurmerk hout; ▪ bij sloop van de bestaande bedrijfsbebouwing zullen de materialen eventueel een herbestemming krijgen.

De huidige bedrijfsbebouwing verkeert in een slechte staat waardoor de materialen niet allemaal geschikt zullen zijn voor hergebruik. Waar mogelijk zullen materialen worden aangeboden voor hergebruik. De niet herbruikbare materialen worden bij de sloop gescheiden en aangeboden ter recycling. ▪ Het hofje zal dienen als (klimaatadaptieve) tuin bij de woningen waarin groen kan worden gerealiseerd, met zo min mogelijk verharding zodat hemelwater hier kan infiltreren. Daarnaast worden ter plaatse van de parkeerplaats infiltratiekratten ten behoeve van hemelwaterinfiltratie gerealiseerd.

Vastgesteld

40

6 JURIDISCHE ASPECTEN Een bestemmingsplan geeft bestemmingen met de bijbehorende regels. Het bestaat niet alleen uit een tekstdocument, maar ook uit een verbeelding (plankaart). Alle toegelaten functies zijn met een eigen bestemming op de verbeelding opgenomen. Samen met de regels vormt de (digitale en analoge) verbeelding het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting hoort wel bij het bestemmingsplan, maar is geen onderdeel daarvan: de toelichting is niet juridisch bindend. Dat betekent, dat indien er onverhoopt verschillen zouden bestaan tussen de toelichting en het bestemmingsplan, de regels en de verbeelding (plankaart) doorslaggevend en bindend zijn en de toelichting niet. De toelichting beschrijft wat de doelstellingen van het bestemmingsplan zijn en hoe de regels van het bestemmingsplan moeten worden geïnterpreteerd. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de SVBP 2012 alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor). Het bestemmingsplan is digitaal opgesteld en beschikbaar. Van het elektronische document is een papieren versie gemaakt. Bij een onbedoeld verschil tussen de papieren versie en de elektronische versie gaat de laatste voor.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13201008/1