CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

04 Toelichting Hiept 3

Gemeenteraad 12 april 2022, gemeente VenrayBij agendapunt: Bestemmingsplan Hiept 3 Venray20.640 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Vastgesteld

23

Zoals in paragraaf 4.2.4 van onderhavige toelichting is vermeld, is de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg inmiddels vervangen door de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024. Geconcludeerd wordt dat het initiatief voldoet aan de uitgangspunten voor deze woonvisie. 4.2.4 Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 De gemeente Venray heeft samen met de gemeenten in Noord-Limburg (Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Peel en Maas en Venlo en de provincie Limburg) afspraken gemaakt over de regionale woningmarkt. In 2016 resulteerde dit in de ‘Regionale Structuurvisie wonen Noord-Limburg’. Ondertussen is op 22 september 2020 de geactualiseerde ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024’ vastgesteld. Op grond van artikel 2.1, lid 3 Wet ruimtelijke ordening (Wro) heeft de ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024’ de status van een intergemeentelijke structuurvisie. Hierdoor heeft het document een juridische status en een zelfbindend karakter. Voor de gemeente Venray gold in het kader van de ‘Regionale Structuurvisie wonen Noord-Limburg’ een reductieopgave van 105 woningbouwplannen in de periode 2016-2020. Uit de recent vastgestelde Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 blijkt dat de gemeente Venray de gestelde opgave ruim heeft overtroffen.

Een van de centrale opgave in de Regionale Woonvisie is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Hierover staat aangegeven dat bij nieuwbouw bij voorkeur ingezet dient te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten. Hierbij dienen de huishoudprognose van E’til (Progneff) als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter, de kwalitatieve toets is leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. Daarvoor gelden de volgende regionale uitgangspunten: ▪ Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen; ▪ Gekeken dient te worden naar koppelkansen; ▪ Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van de kwetsbare woningoverschot; ▪ Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte; ▪ De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na; ▪ Er wordt gezocht naar aansluiting op de landelijk, regionale en lokale duurzaamheidsdoelen. Aanvullend is daarnaast in de Regionale Woonvisie tevens opgenomen dat: ▪ Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte.

▪ Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt. ▪ Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad. ▪ Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen. Middels onderhavig initiatief wordt een bestaande agrarische bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning en, om het initiatief financieel uitvoerbaar te maken, wordt een tweede woning binnen de voormalige agrarische bebouwing gerealiseerd. Zodoende is er sprake van één extra woning. In casu is sprake van bouwen naar reële behoefte. De behoefte aan de extra woning (en de van functie te wijzigen woning) is niet direct af te leiden uit de Regionale Woonvisie, maar blijkt wel uit het feit dat initiatiefnemers de woningen willen gaan verbouwen c.q. gaan bewonen. De toekomstige bewoners van beide woningen zijn dus reeds bekend.

De woningen worden niet specifiek ingericht voor starters of ouderen, ook is het plangebied niet gelegen in een kern. Toch wil de gemeente Venray medewerking aan dit initiatief verlenen omdat daarmee nieuw elan wordt gegeven aan een thans Vastgesteld

24

leegstaande boerderij en een agrarische bedrijfslocatie wordt gesaneerd. Tevens vervult het de directe woonwensen van de initiatiefnemers.

4.3 Gemeentelijk beleid 4.3.1 Toekomstvisie Venray 2030 Binnen de ‘Toekomstvisie Venray’ staat de vraag centraal hoe Venray eruit ziet in het jaar 2030. De toekomstvisie is tot stand gekomen op basis van de inbreng van ruim 1.500 inwoners van Venray. De gemeente Venray heeft voor de komende tien jaar de navolgende vijf concrete ambities geformuleerd: 1. zijn inwoners, hun netwerken, culturen en voorzieningen met elkaar verbonden; Ambitie in het jaar 2030: Om deze eerste ambitie te realiseren zal de gemeente Venray de komende tien jaar op actieve wijze initiatieven stimuleren en ondersteunen die ontmoeting en verbinding tussen verschillende leeftijdsgroepen of culturele groepen tot stand brengen. 2. woon je groen en sociaal; Ambitie in het jaar 2030: Tot 2030 is nog sprake van een bevolkingstoename in Venray. Desondanks kan je de komende tien jaar in Venray voor elke levensfase een passende woning vinden. De mismatch tussen inwoners en het woningaanbod is verleden tijd en er is een gedifferentieerd aanbod aan woningtypes en woonmilieus. 3. zorgt ondernemerschap met aandacht voor mens, dier en milieu, voor nieuwe economische kansen; Ambitie in het jaar 2030: Hergebruik, recycling en het gebruik van herbruikbare materialen is in 2030 de norm, waardoor we zowel de grondstoffenvoorziening als onze milieu-impact beperken.

Bovendien hebben we in 2030 de verantwoordelijkheid genomen voor onze eigen energievoorziening en zijn we aan de slag met energiebesparing, opwekking van duurzame elektriciteit en het gebruik van duurzame warmte. De energietransitie zet zich nog voort tot 2050. Dan willen we energieneutraal zijn. 4. stroomt kennis, creativiteit en vernieuwing; Ambitie in het jaar 2030: In de digitale en geautomatiseerde economie van 2030 is de beroepsbevolking kleiner en de vraag naar hoogopgeleide kenniswerkers groter, zo is de verwachting. Een leven lang leren is noodzakelijk geworden. In 2030 is de regionale arbeidsmarkt versterkt vanuit de driehoek bedrijven, onderwijs en overheid. 5. is iedereen mobiel. Ambitie in het jaar 2030: Het bevorderen van de bereikbaarheid staat hoog op de gemeentelijke en regionale agenda. Venray heeft in 2030 een veilig, toegankelijk en betrouwbaar mobiliteitssysteem met, waar mogelijk, schone en stille mobiliteit. De bovenstaande ambities zijn gebaseerd op een aantal trends en ontwikkelingen die geconstateerd zijn binnen de gemeente Venray. Deze trends en ontwikkelingen zijn: ▪ andere invulling van de (schaarse) ruimte; ▪ klimaatverandering en energietransitie; ▪ nieuwe technologie; ▪ langer leven; ▪ nieuwe rolinvulling inwoners en overheid; ▪ toenemende diversiteit; ▪ veranderende economie.

Ten aanzien van het thema wonen zijn wat betreft het initiatief geen nieuwe of afwijkende uitgangspunten geformuleerd. Het belang van een goede kwaliteit van woonomgeving en woningen, de aanwezigheid van werkgelegenheid en kwalitatief goede voorzieningen, wordt andermaal onderstreept. Met de visie op de gewenste toekomstrichting kan de gemeente Venray effectief sturing geven aan het proces van beleidsontwikkeling en prioritering. De thema’s die centraal staan zijn: 1. Venray is dorp en stad;

Vastgesteld

25

2. 3. 4. 5.

Venray is kennisintensief; Venray zorgt voor elkaar; Venray is levendig; Venray voorziet in alle woonwensen.

De gemeente wil voorzien in alle woonwensen en biedt daarbij de ruimte voor een gevarieerde en boeiende maatschappelijke omgeving. Door een grote zorg voor het in stand houden en verbeteren van de bestaande woonwijken (soms in de vorm van herstructurering) beoogt de gemeente unieke woonmilieus creëren, waarin de bestaande sociale structuren en voorzieningen op een positieve wijze worden beïnvloed. Middels onderhavig initiatief wordt het plangebied herontwikkeld. Met de herontwikkeling wordt het huidige agrarische bedrijf gesaneerd en wordt voorkomen dat nieuwe agrarische bedrijvigheid zich op deze locatie kan vestigen. De te realiseren woningen worden gerealiseerd in de bestaande bebouwing (en deels ter vervanging van de huidige bedrijfswoning). Hierdoor worden woningen in het landelijk gebied mogelijk gemaakt zonder dat daarbij feitelijk nieuwbouw plaatsvindt. Aan deze woningen is concrete behoefte door beide initiatiefnemers die met deze herontwikkeling hun woonwensen vervuld zien gaan. Met het initiatief wordt dan ook aangesloten bij het streven van gemeente Venray om te voorzien in alle woonwensen. Ten slotte wordt met het initiatief wonen in het groen verstrekt en vindt een kwaliteitsverbetering plaats én wordt voldaan aan de toenemende vraag naar woningen in relatie tot de bevolkingstoename in Venray tot in ieder geval 2030.

De overeenkomsten tussen de resultante van onderhavig initiatief en de ambities uit de toekomstvisie maken dat het initiatief past in dit gemeentelijk beleidskader. 4.3.2 Programma Wonen Venray 2021 Op 8 februari 2021 heeft de gemeente Venray het Programma wonen ‘Koers op wonen – naar meer, beter en groener wonen in Venray’ vastgesteld. Belangrijkste doelstelling van dit programma is het oplossen van het urgente woningtekort. Kwalitatief sluit de huidige behoefte niet goed aan bij het bestaande aanbod/plannen. Er is veel vraag naar huurwoningen (sociale en middeldure) en nultreden woningen (vanwege de vergrijzing). De gemeente beschrijft de concrete actielijnen aan de hand van vier hoofdlijnen: ▪ Versnellen: gezien het urgente woningtekort benoemen we acties om de woningbouw in Venray gericht te versnellen; ▪ Vergroten (kwantiteit): de komende jaren gaan we voor een bouwproducten van minimaal 200 woningen per jaar, door ‘zachte’ plannen hard te maken en extra plannen te ontwikkelen.; ▪ Veranderen (kwaliteit): woonmilieu, woningtype en -prijs moeten beter aansluiten bij de behoefte. Naast het uitvoeren van een kwalitatief woningmarktonderzoek zetten we in op meer betaalbare woningen, de aanpak van leegstand, de ontwikkeling van bijzondere woonconcepten.

En meer (tijdelijke) woningen voor specifieke doelgroepen; ▪ Vergroenen/verduurzamen: we verhogen de kwaliteit van de woning en de woonomgeving door gerichte maatregelen te nemen op het gebied van groen, klimaat adaptief en duurzaam bouwen. Op basis van de woningbouwprognose van de provincie Limburg (2019) wordt verwacht dat de gemeente Venray tot 2035 te maken krijgt met een groei aan huishoudens. De hoogste groei wordt verwacht tussen 2020 en 2030. Om te kunnen voldoen aan deze groei is het zaak om de woningvraag- en aanbod goed op elkaar aan te sluiten. Als gevolg van de sterkte vergrijzing ligt de behoefte kwalitatief bij nultredenwoningen op locaties dichtbij het centrum en voorzieningen. Daarnaast is er sprake van een tekort aan (sociale en middeldure) huurwoningen. Vanuit een actieve houding ‘Ja, hoe?’ wil de gemeente ruimte bieden aan nieuwe initiatieven om zo te kunnen voldoen aan de grote bevolkingsgroei. Het inspelen op nieuwe omstandigheden en de kansen die dit met zich mee brengt staat hierbij voorop.

Vastgesteld

26

Om keuzes uit het programma Wonen te monitoren en om in te kunnen spelen op ontwikkelingen in de woningmarkt wordt jaarlijks een monitoringsrapportage woningbouw opgesteld. De monitor vormt de basis waarop ontwikkelingen gedurende een langere periode worden getoetst aan beleidskeuzes uit de woonvisie. Indien noodzakelijk worden ambities bijgesteld, dan wel aangepast. In het programma worden de meest recente bevinden van de woonmonitor per dorp beschreven. In casu is sprake van bouwen naar reële behoefte. De behoefte aan de extra woning (en de van functie te wijzigen woning) is niet direct af te leiden uit het gemeentelijk woonkader, maar blijkt wel uit het feit dat initiatiefnemers de woningen willen gaan verbouwen c.q. gaan bewonen. De toekomstige bewoners van beide woningen zijn dus reeds bekend. De woningen worden niet specifiek ingericht voor starters of ouderen, ook is het plangebied niet gelegen in een kern. Toch draagt het initiatief bij aan de toenemende vraag naar woningen in Venray. Ook is met het initiatief sprake van wonen in het groen, wat eveneens beoogd wordt met het gemeentelijk woonkader. Ondanks dat de nieuwe woningen niet specifiek bijdragen aan de kwalitatieve behoefte wordt gesteld dat het initiatief toch bijdraagt aan het gemeentelijk woonkader.

4.3.3 Visie Veehouderij Venray 2018 Op 30 januari 2018 heeft de gemeente Venray de beleidsregels ‘Visie Veehouderij Venray 2018’ vastgesteld. Deze visie moet bijdragen aan een goede balans tussen de ontwikkelingsruimte voor de veehouderij en de bescherming van een goed woon- en leefklimaat voor de inwoners van Venray. De visie heeft de volgende drie doelen: 1. Verbeteren van de basiskwaliteit – Verbeteren en borgen van een goed woon- en leefmilieu voor omwonenden van veehouderijen en afname aantal overlastlocaties; 2. Ontwikkeling op de juiste locatie – Meer scheiding tussen veehouderij en bewoners in kern en woningen in het buitengebied; 3. Sturen achterblijvers en stoppers – Verlagen van de emissie bij bedrijven met verouderde stallen, het voorkomen van benutting van oude rechten op slechte locaties. Handhaven van de stoppersregeling en daar emissies schrappen. Voor onderhavige ontwikkelingen is met name doelstelling 1 ‘verbeteren van de basiskwaliteit’ van belang. Door het saneren van het agrarisch bedrijf binnen het plangebied zal het woon- en leefmilieu in de omgeving verbeteren. Het initiatief is hiermee in lijn met het beleid van de gemeente zoals vastgelegd in de Visie Veehouderij Venray 2018.

4.3.4 Structuurvisie Bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling gemeente Venray 2011 Het in de ‘Structuurvisie Bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling gemeente Venray 2011’ vastgelegde kwaliteitsbeleid omtrent een bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling is gebaseerd op de gedachte dat ruimtelijke ontwikkelingen (bouwactiviteiten) leiden tot verlies aan ruimtelijke kwaliteit en dat dit verlies moet worden gecompenseerd. Achterliggend doel is het behoud en waar mogelijk versterking van de (groene) kwaliteiten van zowel het buitengebied als het stedelijk gebied. De gemeente Venray vindt het belangrijk dat het buitengebied van Venray waarin de landbouw, de natuur en recreatie een hoofdplaats hebben, vitaal en aantrekkelijk blijft. Het beleid moet ertoe leiden dat het buitengebied landschappelijk en ecologisch waardevoller wordt en daardoor tegelijkertijd ook meer kwaliteit te bieden heeft voor mens, plant en dier. Tegelijkertijd zit het buitengebied niet ‘op slot’: er wordt ruimte geboden aan nieuwe en/of uitbreiding van bestaande economische functies. Achterliggend doel is dat het economische draagvlak van het buitengebied wordt behouden door een te leveren bijdrage aan de leefbaarheid. Nieuwbouw kan in beperkte mate worden toegestaan wanneer de ruimtelijke kwaliteit zo weinig mogelijk wordt aangetast, maar per saldo juist wordt versterkt.

Met andere woorden: ‘groen’ staat voorop en ‘rood’ is een middel. De draagkracht van het gebied is bepalend voor de mate waarin nieuwe bebouwing kan worden toegevoegd. Het ruimtelijk beleid in het buitengebied is vastgelegd in diverse ruimtelijke visies en bestemmingsplannen. Deze zijn maatgevend voor waar welke ontwikkelingen worden toegestaan. In dit beleid en deze regelgeving wordt ook ingegaan Vastgesteld

27

op de ruimtelijke kwaliteit en maatregelen die kunnen worden genomen. In het vigerende bestemmingsplan zijn een tweetal uitgangspunten uitgewerkt die rechtstreeks gericht zijn op behoud van de ruimtelijke kwaliteit: 1. hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing (VAB): nieuwvestiging van een niet-agrarisch bedrijf of recreatiebedrijf is alleen in een VAB toegestaan; 2. bij uitbreiding van woningen, landbouwverwante en kleinschalige bedrijven is uitbreiding op basis van een sloopregeling mogelijk. In dit geval wordt een tweede woning mogelijk gemaakt, waarvan het de bedoeling is deze tevens uit te breiden tot hetzelfde volume als de eerste woning, waardoor een sloopregeling van toepassing is. Uitgaande van een vergelijke verdeling van de aanbouw tussen de boerderij en de karakteristieke schuur (elk 133 m2) en dat het bakhuisje toebehoort aan de boerderij (ligt daar namelijk pal tegenover) wordt tot een volgende verdeling gekomen van de m3’s: De tegenprestatie voor het splitsen van de boerderij bedraagt 712 m3 (1.424 m3/2). Er resteert dan 785 m3 (1.497-712). Op basis van de gemeentelijke sloopregeling geldt voor de eerste schijf van 250 m3 een sloopeis van 100%, voor alles daarboven (tweede schijf) geldt een sloopeis van 150%. Voor de eerste schijf betekent dit dat van het gesloopte er 250 m3 kan worden ingezet en voor de tweede schijf 357 m3, in totaal 607 m3.

Voor de tweede woning in de karakteristieke schuur is thans aanwezig 763 m3 (schuur 630 m3+tussenstuk 133 m3). Op basis van de algemene regels van het vigerende bestemmingsplan mag elke woning in het buitengebied sowieso een inhoud hebben van 875 m3. De tweede woning heeft zodoende een uitbreidingsmogelijkheid van 112 m3 (875-763). Met de gesloopte m3’s erbij krijgt de tweede woning een uitbreidingsmogelijkheid van 719 m3 (607+112). Dit betekent dat de woning in de boerderij een inhoud blijft behouden van 1.670 m3 (boerderij 1.424 m3+ tussenstuk 133 m3 + bakhuisje 113 m3). De tweede woning zal een inhoud krijgen van 1.482 m3 (schuur 630 m3+ tussenstuk 133 m3+ uitbreidingsmogelijkheid van 719 m3). Dit leidt tot een verschil tussen de eerste en tweede woning van 188 m3. Om dit nog recht te trekken wordt van een locatie elders in het buitengebied van de gemeente Venray bouwrechten aangekocht met een grootte van 282 m3 (188 * 150%). Met deze bouwrechten van elders wordt de inhoud van elke woning (inclusief bijgebouwen) exact gelijk met een inhoud van 1.670 m3. De bouwrechten worden verkregen van de locatie Puttenweg 126 in Ysselsteyn alwaar recentelijk een varkensstal is afgebroken en welke zal worden wegbestemd. Het terugbouwen van deze varkensstal op grondgebied van de gemeente Venray is dan niet meer toegestaan.

Op basis van hetgeen wordt gesloopt en wordt herbenut op deze locatie is op deze locatie 15.621 m3 aan bouwrechten beschikbaar. Initiatiefnemers zullen hiervan 282 m3 benutten om tot een gelijke verdeling te komen tussen beide woningen. Door het uitvoeren van de sloopverplichting voldoet de bestemmingswijziging naar woondoeleinden, het splitsen van de locatie tot twee woningen en het gelijktrekken van de bouwmogelijkheden voor beide woningen aan de beleidskaders uit de Structuurvisie Bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling gemeente Venray 2011.

Vastgesteld

28

5 RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN Met de bestemmingswijziging en het mogelijk maken een extra woning te realiseren dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, milieuzonering, geluid, lucht, externe veiligheid voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van het initiatief voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.

5.1 Milieuaspecten 5.1.1 Bedrijven en milieuzoneringen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. de richtafstandenlijst; 2. twee omgevingstypen; 3. een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging. De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype). In de bijlagen wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijke relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie.

Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect (geluid, stof, stank en dergelijke) dat in de lijst is genoemd. Het plangebied is te typeren met het omgevingstype rustige woonwijk. Er is geen sprake van een matige of sterke functiemenging en het plangebied is niet direct gelegen aan hoofdinfrastructuur, welke volgens de VNG publicatie eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied behoren, omdat daar de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden kan rechtvaardigen. De nieuwe woonfunctie betreft een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving. Wel kunnen de woningen milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving. Ter plaatse van het plangebied dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van de omliggende milieubelastende functies.

In de directe omgeving bevinden zich de volgende milieubelastende functies: ▪ een hondenpension op de locatie Beekweg 45, afstand tot het plangebied 145 meter; ▪ een agrarisch bedrijf (niet zijnde een intensieve veehouderij of glastuinbouwbedrijf) op de locatie Hiept 5, afstand tot het plangebied 156 meter;

Vastgesteld

29

▪

een agrarisch bedrijf (niet zijnde een intensieve veehouderij of glastuinbouwbedrijf) op de locatie Hiept 7, afstand tot het plangebied 270 meter.

Voor een hondenpension (Dierenasiels en -pensions) geldt dat op basis van de indicatieve bedrijvenlijst de volgende richtafstanden moeten worden aangehouden: ▪ geur: 30 m ▪ stof: 0 m ▪ geluid: 100 m ▪ gevaar: 0 m Een agrarisch bedrijf heeft betrekking op een akkerbouwbedrijf, boomkwekerij, (melk)rundveehouderij of een paardenhouderij. Voor een akkerbouwbedrijf of boomkwekerij (Akkerbouw en fruitteelt) geldt dat op basis van de indicatieve bedrijvenlijst de volgende richtafstanden moeten worden aangehouden: ▪ geur: 10 m ▪ stof: 10 m ▪ geluid: 30 m ▪ gevaar: 10 m Voor een (melk)rundveehouderij (Fokken en houden van rundvee) geldt dat op basis van de indicatieve bedrijvenlijst de volgende richtafstanden moeten worden aangehouden: ▪ geur: 100 m ▪ stof: 30 m ▪ geluid: 30 m ▪ gevaar: 0 m Voor een paardenhouderij (Paardenfokkerijen) geldt dat op basis van de indicatieve bedrijvenlijst de volgende richtafstanden moeten worden aangehouden: ▪ geur: 50 m ▪ stof: 30 m ▪ geluid: 30 m ▪ gevaar: 0 m Onderzocht is of de risicoafstanden het plangebied overlappen; dit blijkt niet het geval te zijn. Aan alle richtafstanden wordt voldaan. Omliggende milieubelastende functies vormen daarmee geen belemmering voor het garanderen van een goed woon- en leefklimaat in de woningen.

5.1.3 Bodem- en grondwaterkwaliteit Bij de toetsing of een initiatief uitvoerbaar is moet worden nagegaan of er mogelijk sprake is van bodemverontreiniging. Bij functiewijzigingen en nieuwe ontwikkelingen dient daarom te worden bekeken of de bodemkwaliteit past binnen het toekomstige gebruik van de bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat bij een functiewijziging van, in dit geval een agrarisch bedrijf naar woondoeleinden, het aspect bodemkwaliteit onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. In dat kader is voor het plangebied bodemonderzoek2 verricht. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde vooronderzoek is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie verdacht is ten aanzien van bodemverontreinigingen. Ten behoeve van het bodemonderzoek zijn een vijftal deellocaties onderscheiden. 2

HMB Groep, Verkennend bodemonderzoek (asbest) Hiept 3 Venray, 9 november 2021, kenmerk: 21261501A.2

Vastgesteld

30

Voormalige boerenerf (deellocatie A) Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'verdachte locatie' ten aanzien van het voormalige boerenerf stand houdt. In de bovengrond zijn lichte verontreinigingen met lood, PCB en PAK aangetoond. In de ondergrond en in het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetoond. De lichte verontreinigingen in de grond zijn waarschijnlijk te relateren aan het decennialange gebruik van de onderzoekslocatie en/of de baksteenresten in de grond. De resultaten geven een indicatie dat de halfverharding op het terrein voldoet aan de eisen voor het hergebruik als nietvormgegeven bouwstof. Druppelzone asbestverdachte dakbedekking westzijde open veldschuur (deellocatie B) Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'verdachte locatie' ten aanzien van deze druppelzone geen stand houdt. In de grond is asbest aangetoond in een gehalte boven de rapportagegrens. Het gehalte asbest is kleiner dan de helft van de interventiewaarde, zodat het statistisch niet aannemelijk is dat ook in het kader van een nader bodemonderzoek asbest de interventie-waarde wordt overschreden. Druppelzone asbestverdachte dakbedekking oostzijde open veldschuur (deellocatie C) Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'verdachte locatie' ten aanzien van deze druppelzone geen stand houdt. In de grond is asbest aangetoond in een gehalte boven de rapportagegrens.

Het gehalte asbest is kleiner dan de helft van de interventiewaarde, zodat het statistisch niet aannemelijk is dat ook in het kader van een nader bodemonderzoek asbest de interventie-waarde wordt overschreden. Druppelzone asbestverdachte dakbedekking hondenhok (deellocatie D) Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'verdachte locatie' ten aanzien van deze druppelzone geen stand houdt. In de grond is asbest aangetoond in een gehalte boven de rapportagegrens. Het gehalte asbest is kleiner dan de helft van de interventiewaarde, zodat het statistisch niet aannemelijk is dat ook in het kader van een nader bodemonderzoek asbest de interventie-waarde wordt overschreden. Druppelzone asbestverdachte dakbedekking vervallen schuurtje (deellocatie E) Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'verdachte locatie' ten aanzien van deze druppelzone geen stand houdt. In de grond is geen asbest aangetoond in een gehalte boven de rapportagegrens. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de bestemmingswijziging. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding om nader bodemonderzoek (asbest) te adviseren. 5.1.4 Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) stelt eisen ten aanzien van de geluidbelasting van geluidsgevoelige functies. Een woning is aan te merken als een geluidsgevoelige functie.

Op basis van artikel 77 van de Wgh dient bij een nieuwe woning een akoestisch onderzoek te worden ingesteld. Het akoestisch onderzoek bepaalt de geluidsbelasting aan de gevel van de geluidsgevoelige bestemming die vanwege de aanwezigheid van een weg wordt ondervonden. Het onderzoek is alleen noodzakelijk als de geluidsgevoelige bestemming binnen de wettelijke geluidszone van de weg gelegen is. In artikel 7.4.1 van de Wgh is aangegeven dat een weg een zone heeft die zich uitstrekt vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg: 1. in stedelijk gebied: a. voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; b. voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; 2. in buitenstedelijk gebied: a. voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken 600 meter; b. voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; Vastgesteld

31

c.

voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter.

De wettelijke geluidszone is niet van toepassing op wegen die aan te merken zijn als woonerf of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. De nieuwe woning die wordt gerealiseerd in de karakteristieke schuur wordt aangemerkt als een geluidsgevoelig object. Deze woning is gelegen in de wettelijke geluidszones van de Hiept en Beekweg. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is daarom een akoestisch onderzoek3 verricht naar de effecten van wegverkeerslawaai op de nieuwe woning. Uit het onderzoek blijkt dat de gecorrigeerde gevelbelasting lager ligt dan de voorkeursgrenswaarde en dus voldaan wordt aan de eisen uit de Wgh. De grenswaarden uit de Wgh zijn gerelateerd aan de kwaliteit van de leefomgeving. Nu voldaan wordt aan deze grenswaarden kan gesteld worden dat een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd is. Aangezien de ongecorrigeerde geluidbelasting niet hoger ligt dan 53 dB, wordt tevens voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit. Aanvullende akoestische maatregelen aan de nieuwe woning zijn niet noodzakelijk. Hierbij is uitgegaan van een gevelopbouw van metselwerk met maximaal 30% van het oppervlak dubbel glas en een deugdelijke kierdichting.

5.1.5 Luchtkwaliteit Algemeen Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekende mate' is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land.

Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uitgegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden.

3

HMB Groep, Akoestisch onderzoek (t.b.v. ruimtelijke onderbouwing) Hiept 3 Venray, 15 juni 2021, kenmerk: 21261502N

Vastgesteld

32

Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:

Woningen (maximaal)

Minimaal 1 ontsluitingsweg 3%-norm 1.500

Minimaal 2 ontsluitingswegen 3%-norm 3.000

Woningbouw draagt pas IBM bij aan de luchtkwaliteit als er meer dan 1.500 woningen gebouwd worden. Met onderhavig initiatief wordt per saldo slechts één woning toegevoegd. Met het plan wordt derhalve ruimschoots onder het 3% criterium gebleven. Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)

Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3

Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 8,7 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 15,7 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 11,7 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor de realisatie van woningen. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren. Conclusie luchtkwaliteit Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. De voorgenomen ontwikkeling zal ook -in vegelijking met het huidige gebruik als agrarisch bedrijf- nagenoeg geen extra verkeer aantrekkende werking met zich meebrengen.

Daarnaast draagt het initiatief niet in betekende mate bij aan de luchtkwaliteit, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer en dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is. 5.1.6 Geur Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet

Vastgesteld

33

geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebied bestemd voor wonen en verblijf. De woningen betreffen zodoende geurgevoelige objecten. Op 29 september 2009 heeft de gemeenteraad van Venray de aangepaste Verordening geurhinder en veehouderij vastgesteld. De laatste aanpassing van deze geurverordening is vastgesteld op 1 november 2011. Bij het beoordelen van het aspect geur zijn twee vragen van belang: 1. Is en blijft er sprake van een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied? 2. Worden omliggende agrarische bedrijven (veehouderijen) als gevolg van de bestemmingswijziging gehinderd in hun bedrijfsvoering? Goed woon- en leefklimaat In de gemeentelijke geurverordening is vastgelegd welke normstelling er geldt voor de voorgrondbelasting en bij welke achtergrondbelasting nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de verordening is bepaald dat voor het buitengebied, waarbinnen het plangebied valt, een maximale waarde geldt voor de geurbelasting van een veehouderij ten aanzien van een geurgevoelig object van 14,0 Ou/m3 (voorgrondbelasting) en 20,0 Ou/m3 (achtergrondbelasting). Zoals aangegeven in paragraaf 5.1.1 overlappen de richtafstanden van omliggende veehouderijen het plangebied niet. De voorgrondbelasting van deze ver weg gelegen veehouderijen is dan ook niet relevant.

In dit geval is uitsluitend gekeken naar de achtergrondbelasting. Middels het programma “V-stacks gebied” is berekend wat de cumulatieve geurbelasting ter plaatse is om te kunnen beoordelen of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Alle veehouderijen in een straal van 2 kilometer rond het plangebied én beschikken over diersoorten waarvoor een geuremissienorm is vastgesteld zijn in de berekening opgenomen. In onderstaande tabel zijn de rekenresultaten van de berekening van de achtergrondbelasting weergegeven. Nummer Hoek 1 Hoek 2 Hoek 3 Hoek 4

X-coördinaat 194357 194390 194435 194413

Y-coördinaat 393877 393920 393878 393834

Achtergrondbelasting 0,6 0,6 0,6 0,6

De cumulatieve geurbelasting binnen het plangebied bedraagt 0,6 OU/m3. Op basis van de gemeentelijke geurverordening is ter plaatse een maximale geurbelasting toegestaan van 20,0 OU/m3. Er wordt daarmee ruimschoots aan de norm voldaan. Effect voor veehouderijen in de omgeving Naast het aantonen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de woningen dient eveneens te worden aangetoond dat de bedrijfsvoering van omliggende veehouderijen niet wordt belemmerd door de bestemmingswijziging. Op basis van artikel 3, lid 1 van de Wgv dient een omgevingsvergunningsaanvraag van een veehouderij te worden geweigerd als de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object meer dan 14 OU/m3 bedraagt. Hiervan kan op basis van lid 2 worden afgeweken als een geurgevoelig object na 19 maart 2000 onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij. Het plangebied zal tot de voorliggende bestemmingswijziging onherroepelijk is, onderdeel uitmaken als geurgevoelig object bij een veehouderij. In dat geval geldt een minimale onderlinge afstand van 50 meter.

Vastgesteld

34

De afstand van de nieuwe woonbestemming tot de bouwvlakken van veehouderijen bedraagt fors meer dan 50 meter. Aan de minimale afstand van 50 meter wordt zodoende voldaan. Het initiatief betekent derhalve geen belemmering voor de bedrijfsvoering van omliggende veehouderijen.

5.2 Externe veiligheid Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR.

Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer.

In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.

Vastgesteld

35

Wanneer verantwoorden? Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)

Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaaarde

Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Inventarisatie risicobronnen Door de provincie Limburg is een risicokaart samengesteld waarop de risico veroorzakende bedrijven en objecten zijn weergegeven. Op basis van de risicokaart bevinden er zich in de wijde omgeving geen risicovolle activiteiten.

Afbeelding 17. Uitsnede risicokaart

Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor het initiatief.

Vastgesteld

36

5.3 Water 5.3.1 Waterbeleid Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Venray als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. Concreet betekent dit dat er sprake moet zijn van gescheiden schoon- en vuilwaterstromen die afzonderlijk worden verwerkt. Vanuit de gemeente Venray en Waterschap Limburg gelden daarbij de volgende uitgangspunten: 1. afkoppelen van 100% van het verhard oppervlak, waarbij de beslisboom verantwoord afkoppelen van toepassing is; 2. de trits vasthouden-bergen-afvoeren is van toepassing, waarbij hergebruik dan wel infiltratie van schoon hemelwater de voorkeur heeft; 3. verontreiniging van het water dient door bronmaatregelen voorkomen te worden; 4. grondwateroverlast dient voorkomen te worden; 5. een gelimiteerde afvoer naar het oppervlaktewater is toegestaan. 5.3.2 Waterhuishoudkundige situatie plangebied (huidige situatie) Bodemgesteldheid en grondwater De deklaag van de bodem ter plaatse, behorende tot de Formatie van Boxtel, bevindt zich op circa 23 meter boven NAP en is ongeveer 9 meter dik. Deze deklaag bestaat uit zeer fijn tot zeer grof zand met plaatselijk leem, klei en veen. Conform de algemene gegevens van het waterschap blijkt het plangebied een goede bodemdoorlatendheid te hebben van 0,75 tot 1,5 m/dag.

Ter plaatse van het plangebied bedraagt de hoogte van het grondwater grondwatertrap VIII. Op basis van de kaarten behorende bij het Nieuw Limburgs Peil blijkt dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand dieper ligt dan 200 cm-mv.

Afbeelding 18. Uitsnede kaart GHG

Vastgesteld

37

Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Oppervlaktewater Op de leggerkaarten van Waterschap Limburg is te zien dat binnen het plangebied of directe omgeving geen oppervlaktewater van betekenis ligt. Ook in de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig. Op een afstand van ruim 750 meter ten westen van het plangebied stroomt de Loobeek, een primaire watergang van het waterschap. Op deze watergang is de Keur van het waterschap van toepassing. De bestemmingswijziging heeft geen nadelige consequenties voor de waterkundige waarden ter plaatse van de Loobeek, de onderlinge afstand is daarvoor te groot. Afvalwater De locatie is aangesloten op het gemeentelijk rioleringssysteem. 5.3.3 Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) Met onderhavig initiatief wordt de boerderij verbouwd tot twee woningen. Verharding in de vorm van een hoofdgebouw neemt met dit initiatief niet toe. Bij de woningen kunnen wel nieuwe verhardingen in de vorm van de uitbreiding van het hoofdgebouw (schuurwoning), erfverhardingen en bijgebouwen worden opgericht, hiermee neemt het verhard oppervlak toe. Iedere toename van verhard oppervlak dient zoveel mogelijk ‘hydrologisch neutraal’ te geschieden.

Het hemelwater dat valt op nieuwe verharding zal conform het beleid worden afgekoppeld van het rioleringsstelsel en op eigen terrein worden geïnfiltreerd. Conform richtlijnen van de gemeente dient de infiltratievoorziening gedimensioneerd te worden op een bui waarbij 60 mm neerslag valt. Als er daarnaast ook geloosd wordt op het oppervlaktewater dan bedraagt de eis van 100 mm van het waterschap. Ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning zullen initiatiefnemers moeten aantonen dat de te realiseren infiltratievoorziening voldoende water kan bergen. De gemeente Venray streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het pakket duurzaam bouwen. Van initiatiefnemers wordt verwacht, voor zover relevant, geen gebruik te maken van uitlogende bouwmaterialen. Concluderend kan gesteld worden dat door het initiatief geen knelpunten ontstaan tussen grondgebruik en de waterhuishouding.

5.4 Kabels, leidingen en straalpaden Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming in of in de nabijheid van het plangebied. Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen.

Vastgesteld

38

Een straalpad is een denkbeeldige lijn tussen twee bouwwerken ten behoeve van telecommunicatie. Binnen een straalpad dient rekening gehouden te worden met de maximale bouwhoogte voor zover dat het verboden is enig bouwwerk op de gronden te bouwen met een grotere hoogte dan de hoogte van een straalpad. Verspreid over Nederland staat een aantal militaire- en burgerradarstations. Deze dienen voor de beveiliging van het nationale luchtruim en over de veilige afhandeling van het militaire en het civiele luchtverkeer. Objecten hoger dan 65 m +NAP binnen 15 nautische mijl (circa 28 km) van dit radarstation kunnen aanleiding geven tot verstoring van het radarbeeld en kunnen derhalve niet worden toegestaan, tenzij uit onderzoek is gebleken dat de mate van verstoring aanvaardbaar is. Hiervoor dient een radarverstoringsonderzoek te worden uitgevoerd. De locatie ligt op circa 23 m +NAP. De maximale goothoogte voor woningen bedraagt 4,5 meter. Met deze goothoogte samen met de ligging van de locatie op 23 m +NAP kan gesteld worden dat de hoogte van de woningen nooit meer bedraagt dan 65 m +NAP. Een radarverstoringsonderzoek is om die reden niet noodzakelijk. Het initiatief heeft geen negatieve effecten op het radarbeeld.

5.5 Natuur De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. Flora en fauna Om het voorkomen van flora en fauna in het plangebied aan te tonen en het effect van de bestemmingswijziging en de daarmee gepaard gaande sloop van bebouwing hierop te onderzoeken is een quickscan flora en fauna4 uitgevoerd (zie separate bijlagen). In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud (Provinciale staten van Provincie Limburg, 2016). Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.

In het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de sloopwerkzaamheden en het verwijderen van vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) uit te voeren. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wnb begaan. Bij het slopen van de veldschuur zal een roestplaats van de kerkuil worden vernietigd. Nesten van de kerkuil zijn in Limburg jaarrond beschermd, de roestplaatsen echter niet. Wel geldt de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, dienen er één kerkuilenkast in of nabij het plangebied te worden opgehangen. Deze nestkasten kunnen dienen als alternatieve roestplaats (of mogelijk zelfs als nestlocatie). Het ophangen van de nestkast dient onder begeleiding van 4

Faunaconsult, Flora- en faunainspectie Hiept 3 te Venray, 21 juni 2021

Vastgesteld

39

een deskundige te worden uitgevoerd. Volgens het Kennisdocument Kerkuil (BIJ12, 2017) moet een vervangende verblijfplaats bij voorkeur in de directe omgeving (binnen 500 meter van de oorspronkelijke verblijfplaats) worden geplaatst, bij voorkeur minimaal 3 maanden voor de start van de werkzaamheden. Natura2000 Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Bosschuizerbergen, ligt op circa 3,6 km van het plangebied. In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een Wnb-vergunning vereist is. Over een afstand van 3,6 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting. Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOx of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Voor ieder habitattype binnen een Natura2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie.

Door middel van het rekeninstrument AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden als gevolg een initiatief berekend. Op 1 juli 2021 is tevens de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden. In de Wsn is een programma van maatregelen opgesteld om stikstofreductie te bereiken en eveneens natuurverbetering mogelijk te maken. In de Wsn zijn drie resultaatsverplichtingen opgenomen: 1. In 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in de beschermde Natura2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; 2. In 2030 moet minimaal 50% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in de beschermde Natura2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; 3. In 2035 moet minimaal 74% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in de beschermde Natura2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben. De Wsn wordt verder uitgewerkt in het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn), waaronder de bouwvrijstelling. De bouwvrijstelling betreft een vrijstelling van de natuurvergunningplicht van het aspect stikstofdepositie voor tijdelijke (bouw)werkzaamheden. Deze vrijstelling geldt voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten, waar tijdelijke emissies voorkomen. Derhalve is het enkel nog noodzakelijk om in de nieuwe, beoogde, situatie (gebruiksfase) de uitstoot van NOx te bepalen.

Met het saneren van het agrarisch bedrijf wordt de uitstoot van ammoniak van vee vanuit het plangebied volledig gestaakt. Dit heeft een bijzonder positief effect op de verzurings- en vermestingsproblematiek in het Natura2000-gebied. De nieuwe situatie als zijnde twee woningen is afgezet tegen de vergunde situatie als zijnde melkveehouderij. Volgens AERIUS Calculator neemt de ammoniakemissie op de Natura 2000-gebieden flink af (zie bijlage 1). Thans mogen op de locatie de volgende dieraantallen worden gehouden: ▪ 22 melkkoeien A1.100 ▪ 20 stuks jongvee A3.100 Totale vergunde ammoniakemissie bedraagt daarmee 374 kg NH3/jaar. Volgens AERIUS Calculator leiden twee (vrijstaande) woningen tot een emissie NOx van 6,0 kg/jaar. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie in de nieuwe situatie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Er is uitgegaan van de volgende gegevens: ▪ Functie: vrijstaande koopwoning ▪ Gebiedstype: buitengebied in niet stedelijk gebied Vastgesteld

40

Op basis van de kencijfers genereert een dergelijke woning per etmaal minimaal 7,8 en maximaal 8,6 verkeersbewegingen. Uitgaande van een worst-case benadering generen twee woningen dagelijks 17,2 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 8,6 voertuigen (elk arriverend voertuig vertrekt weer en genereert dus per saldo 2 verkeersbewegingen). Vanwege het karakter van het initiatief wordt verondersteld dat de voertuigen van en naar de locatie lichte voertuigen betreffen (personenauto’s). Er wordt daarbij tevens van uit gegaan dat het verkeer zo snel mogelijk via de Hiept naar de Beekweg rijdt, alweer het verkeer op zal gaan in huidige verkeer. Uit de ingevoerde gegevens blijkt dat door het verkeer de emissie NOx in dit geval 0,2 kg/jaar bedraagt.

5.6 Archeologie en cultuurhistorie 5.6.1 Archeologie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe Rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart.

Afbeelding 19. Uitsnede archeologische beleidskaart

De gemeente Venray heeft een eigen archeologische beleidskaart laten opstellen door archeologisch adviesbureau RAAP. De kaart en het bijbehorende rapport zijn afgerond in het voorjaar van 2008 (RAAP rapport 1482: “Begrensd verleden;

Vastgesteld

41

Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en de cultuurhistorische waardenkaart voor de gemeente Venray”). Vanwege de gemeentelijke herindeling in 2010 is de archeologische beleidskaart geactualiseerd, waarbij Geijsteren, Wanssum en Blitterswijck en het buitengebied daaromheen in de kaart zijn opgenomen. Deze geactualiseerde versie is in de 2013 vastgesteld. Op deze beleidskaart is het plangebied voor een deel gelegen in een gebied met een zeer hoge monumentale waarde c.q. als historische kern (paars). In dergelijke gebieden is de kans op archeologisch waarden in de bodem bijzonder groot. Om deze archeologische waarden in de bodem juridisch-planologisch te beschermen is aan het deel van het plangebied wat is aangewezen als zeer hoge waarde voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. In deze gebieden is archeologisch onderzoek noodzakelijk als de bodem voor een oppervlakte van 250 m2, dieper dan 50 cm, wordt verstoord. Het resterende gebied is aangewezen als een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde (geel). In gebieden met een lage archeologische verwachtingswaarde is de kans op archeologische waarden in de bodem bijzonder klein. Daarom zijn deze gebieden vrijgesteld van de noodzaak tot archeologisch onderzoek.

Om te voorkomen dat de zeer hoge archeologische waarde wordt aangetast door het initiatief is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ opnieuw aan het plangebied toegekend. Indien hier een bodemverstoring van groter dan 250 m2 plaatsvindt is op voorhand eerst archeologisch onderzoek nodig. 5.6.2 Cultuurhistorie De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In het POL2014 is derhalve aangegeven dat gestreefd wordt naar het behouden, ontwikkelen en beheren van beschermde historische bouwwerken, hoofdlijnen van jonge en oude cultuurlandschappen en historische landschapselementen. Het beleid ten aanzien van cultuurhistorie zoals dit in het POL2014 is weergegeven, is gestoeld op de Nota Belvédère. Het POL2014 schrijft dan ook voor een beschrijving in het bestemmingsplan mee te nemen, betreffende de omgang met de cultuurhistorische elementen in relatie tot de hiervoor geldende wettelijke bepalingen. Alhoewel grote delen van de boerderij uit 1888 stammen en daardoor als karakteristiek zijn te bestempelen is de boerderij zelf geen monument. Alleen het bakhuisje is aangewezen als (gemeentelijk) monument. Ter bescherming van de monumentale waarden van het bakhuisje is het bakhuisje reeds aangeduid als ‘specifieke bouwaanduiding – monument’.

Deze aanduiding blijft in de nieuwe situatie gehandhaafd. Dit betekent dat de monumentale waarde ten allen tijden moet worden gehandhaafd. Voor het overige zullen de niet-karakteristieke opstallen rond de boerderij worden gesloopt. Alle karakteristieke delen van de boerderij blijven behouden en de cultuurhistorische waarden van de boerderij zullen zo veel als mogelijk worden hersteld.

5.7 Verkeer en parkeren Verkeer Het plangebied is direct gelegen aan de Hiept en staat daarmee in goede verbinding met de Beekweg. Via de Beekweg kan het verkeer alle richtingen op.

Vastgesteld

42

Door het saneren van het agrarisch bedrijf vervalt het verkeer van en naar het agrarisch bedrijf (met name zwaar verkeer). Daarnaast is de verkeerstoename door de realisering van één extra woning zeer beperkt. Het aantal verkeersbewegingen op de Hiept en omringende wegen zal met onderhavig initiatief niet onevenredig toenemen. Parkeren Om de parkeerbehoefte te berekenen is gebruik gemaakt van de parkeernormen van de gemeente Venray. De gemeente heeft haar parkeerbeleid vastgelegd in de ‘Beleidsnota Parkeernormen’ (december 2013). Uit deze gegevens blijkt per woning een norm van 2,0 parkeerplaatsen. In totaal dienen vier parkeerplaatsen te worden gerealiseerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11353839/1