CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

04 Toelichting bp Prins Bernhardstraat 46-68 Venray

Gemeenteraad 12 december 2023, gemeente VenrayBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Prins Bernhardstraat 46-68 Venray’13.953 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

31

 vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit);  voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Het waterbeleid in het POL2014 sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen:  herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden;  herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijk natuur;  schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment;  duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is;  een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas. De waterkundige waarden zijn in het POL2014 weergegeven op de kaarten ‘Regionaal watersysteem’ en ‘Ondergrond’.

Conform deze kaarten gelden er voor het plangebied en directe omgeving geen waterkundige waarden. Conform de algemene beleidsregels van het Rijk, de provincie, de gemeente en Waterschap Limburg dient bij het realiseren van een nieuwe verharding sprake te zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt onder andere in dat het versneld afvloeiende hemelwater (als gevolg van extra verhardingen) dient te worden gecompenseerd door middel van extra waterberging. Via deze (tijdelijke) berging kan water vertraagd de bodem worden ingebracht, of vertraagd worden afgevoerd naar het bestaande watersysteem of geheel worden geïnfiltreerd in de bodem. Bij een hydrologisch neutrale ontwikkeling wordt dus geborgd dat extra afvloeiend hemelwater niet wordt afgewenteld op de omgeving.

4.5.3. Watertoets Huidige situatie Het plangebied heeft een oppervlakte van 2.270 m² en is in de huidige situatie met een drietal woongebouwen bebouwd (circa 500 m²). Tevens is sprake van erfverhardingen rondom de bebouwing. Bodem en grondwater De onderzoekslocatie ligt volgens de bodemkaart van Nederland in een niet-gekarteerd gebied. De dichtstbijzijnde kaarteenheid betreft een duinvaaggrond, die volgens de Stichting voor Bodemkartering voornamelijk is opgebouwd uit leemarm en zwak lemig fijn zand. De afzettingen, waarin deze bodem is ontstaan, behoren geologisch gezien tot de Formatie van

32

Boxtel. De gemiddelde stand van het freatisch grondwater bedraagt ± 21,5 m +NAP, waardoor het grondwater zich op ± 4,5 m -mv zou bevinden. Het water van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens de isohypsenkaart van de Dienst Grondwaterverkenning van TNO in noordoostelijke richting. Er liggen geen pompstations in de buurt van de onderzoekslocatie die van invloed zouden kunnen zijn op de grondwaterstroming ter plaatse van de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie ligt niet in een grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied. Toekomstige situatie In de toekomstige situatie wordt het plangebied bebouwd met maximaal 21 wooneenheden, in de vorm van appartementengebouw. Dit gebouw heeft een footprint van circa 713 m². De bergingen hebben een footprint van circa 122 m². De bijbehorende verhardingen voor het parkeerterrein, de in- en uitrit et cetera bedragen circa 844 m². In totaal wordt een verhardingsoppervlakte van circa 1.679 m² verwacht. Gehanteerde uitgangspunten en randvoorwaarden Onderstaand wordt een opsomming gegeven van de gehanteerde uitgangspunten en randvoorwaarden.  100% niet aankoppelen van verhard oppervlak.  De wateropgave baseren op het toekomstige verharde oppervlak.  De bergingplicht baseren op een eis van 60 mm/m² in 45 minuten.  Een neerslaggebeurtenis met een herhalingstermijn van T=100 jaar mag niet tot overlast leiden.

 De aanlegdiepte van eventuele infiltratievoorzieningen dient hoger te liggen dan de GHG.  Afvoercapaciteit naar oppervlaktewater 1/l/s/ha Waterbergingsopgave Uitgaande van het verhard oppervlak à 1.679 m² en een bergingseis van 60 mm/m² is de minimale waterbergingsopgave circa 100,7 m³. Op navolgende afbeelding is het waterbergingsplan weergegeven dat specifiek voor dit project is opgesteld. Dit plan is tevens als bijlage bij deze toelichting gevoegd. De waterbergingsopgave wordt voorzien in de vorm van een bergingsvoorziening onder het parkeerterrein. Het gaat om twee krattenvelden van 23,0 m³ (op een oppervlakte van 20,2 m², aan de kant van de Prinses Margrietstraat) en 78,8 m³ (op een oppervlakte van 69,1 m², aan de kant van de Prinses Marijkestraat). Met een totale bergingsvoorziening van 101,8 m² op een totale oppervlakte van 89,3 m² zijn er een ruim voldoende bergingsmogelijkheden om het hemelwater op te vangen. In het infiltratieplan is in hoofdlijnen aangegeven hoe de aansluitingen worden voorzien en waar de aansluiting op het bestaande rioolstelsel is voorzien. Bij de uitwerking van dit project (bij aanvraag omgevingsvergunning) wordt de voorziening en detaillering hiervan nader uitgewerkt.

33

Indicatief infiltratieplan

4.6. Natuur 4.6.1. Algemeen Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb staat in het teken van de verbinding tussen ecologie en economie en bescherming van natuur. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. In dit kader is een inventarisatie beschermde natuurwaarden uitgevoerd. Doel van de inventarisatie is om te bepalen of het project mogelijk leidt tot overtreding van de Wnb. De rapportage hiervan is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de belangrijkste resultaten en conclusies.

4.6.2. Gebiedsbescherming Natura 2000 Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Boschhuizerbergen, bevindt zich op circa 2,4 km afstand ten noordoosten van het plangebied.

34

Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000

Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, licht of depositie van stikstof. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen zijn, gezien de afstand (± 2,4 km) tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard van de plannen (sloop en nieuwbouw) niet te verwachten. Om zekerheid te bieden is een berekening van de stikstofdepositie uitgevoerd, zowel voor de realisatiefase als de gebruiksfase van het plan. Hieruit is gebleken dat er geen stikstofdepositie te verwachten is op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. Het plangebied ligt echter ook niet in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 1,2 km ten zuiden het plangebied. Het betreft natuur in de ‘Bronsgroene landschapszone’. Door de voorgenomen plannen in combinatie met de afstand, zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland derhalve niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.

35

Ligging plangebied ten opzichte van NNN-gebied

4.6.3. Soortenbescherming Jaarrond beschermde broedvogels Huismus Nesten van Huismus zijn zeer waarschijnlijk aanwezig in de te slopen panden (minimaal een, maximaal vier nesten). Voor het wegnemen of vernietigen van nesten van Huismus is een ontheffing Wet natuurbescherming nodig en zijn mitigerende en compenserende maatregelen nodig. Voor de soorten die vallen onder het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn zoals Huismus zijn de voorwaarden voor het verkrijgen van een ontheffing vastgelegd in lid 4 van artikel 3.3 van de Wet natuurbescherming. Een ontheffing of vrijstelling wordt uitsluitend verleend indien is voldaan aan een aantal voorwaarden waaronder: - er bestaat geen nadere bevredigende oplossing; - de ontwikkeling is nodig in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid of in het belang van het luchtverkeer; - de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. In de ontheffingsaanvraag dient ook te worden aangegeven op welke manier in mitigerende en compenserende maatregelen wordt voorzien.

36

In dit concrete geval is een ontheffing Wnb aangevraagd waarvoor een Activiteitenplan is opgesteld. Hierin is opgenomen welke compenserende en mitigerende maatregelen worden getroffen. Dit Activiteitenplan is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de belangrijkste onderdelen. De directe omgeving van het plangebied voorziet ook zonder tijdelijke en permanente compensatie in alternatieve broedlocaties. Om ook op de langere termijn voldoende alternatieven te blijven bieden voor de broedlocaties die verloren gaan worden acht tijdelijke kasten aangebracht binnen een straal van 200 meter rond het plangebied. In de nieuwbouw worden door initiatiefnemer permanente voorzieningen voor Huismussen aangebracht. De uitvoering hangt af van de manier waarop de nieuwbouw gerealiseerd wordt; bij een pannendak worden vogelvides aangelegd, in andere gevallen worden minimaal acht inbouwkasten aangebracht. Nabij de nieuwbouw dient opgaande groenblijvende begroeiing aanwezig te zijn of aangeplant te worden (minimaal 3 á 4 meter hoog opgaand groen). Potentiële nestlocaties worden voorafgaand aan de broedperiode verwijderd. De te onderscheiden acties worden gedocumenteerd en na afronding van het project aan ontheffingverlener gestuurd. Op deze wijze is op een passende wijze voldaan aan het instandhouden van de populatie Huismussen in de Oranjewijk in Venray.

De ontheffing is gelet op artikel 3.3 Wnb d.d. 6 mei 2021 verleend door Gedeputeerde Staten van Limburg. Hiermee is de sloop van de huidige bebouwing toegestaan. Dit besluit is tevens als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Gierzwaluw In de te slopen woningen zijn geen verblijfplaatsen van Gierzwaluwen vastgesteld. Een ontheffingsaanvraag Wet natuurbescherming (onderdeel soorten) voor Gierzwaluwen is niet nodig. Indien mogelijk verdient het aanbeveling in de nieuw te bouwen woningen enkele nestlocaties Gierzwaluw op te nemen door het plaatsen van Gierzwaluwdakpannen. Overige broedvogels In het onderzoeksgebied komen naar verwachting enkele andere soorten algemeen voorkomende broedvogels voor in de tuinen. Het verstoren van broedende vogels en/of het vernietigen van in gebruik zijnde nesten is niet toegestaan. Om overtredingen op grond van de Wet natuurbescherming te voorkomen zijn maatregelen nodig. - Broeden op ongewenste locaties kan voorkomen worden door voorafgaand aan het broedseizoen begroeiing te verwijderen (indien deze toch verwijderd moet worden). - De werkzaamheden dienen gestart voorafgaand aan het broedseizoen4, deze kunnen vervolgens doorlopen tot in het broedseizoen. Storingsgevoelige soorten vestigen zich in dat geval niet in de invloedssfeer van de werkzaamheden.

- Als tijdens het broedseizoen werkzaamheden moeten worden uitgevoerd op een locatie waar nog niet gestart is met de sloopwerkzaamheden, dan moet zekerheid bestaan dat er geen broedgevallen aanwezig zijn in op deze locatie. Mits bovenstaande maatregelen genomen worden is voor de overige broedvogels geen ontheffing nodig op grond van de Wet natuurbescherming.

37

Vleermuizen In het plangebied zijn twee soorten vleermuizen (Gewone dwergvleermuis en Ruige dwergvleermuis) aangetroffen. Vaste rust- en verblijfplaatsen zijn niet in de te slopen woningen vastgesteld. De aanwezige groene elementen in het onderzoeksgebied fungeren als vlieg- en foerageergebied. Tijdens en na het slopen behoudt het onderzoeksgebied de functie van foerageergebied. Een ontheffingsaanvraag Wet natuurbescherming (onderdeel soorten) voor vleermuizen is niet nodig. Gezien de waarnemingen van in de omgeving verblijvende Gewone en Ruige dwergvleermuizen én de aanwezige vliegroute in de Prins Bernhardstraat verdient het aanbeveling om in de nieuw te bouwen huizen verblijfsvoorzieningen voor vleermuizen op te nemen in de vorm van plaatsing van enkele inbouwstenen. Geschikte verblijfsplaatsen blijven hierdoor aanwezig en kunnen al dienen als alternatieve verblijfplaats in geval van toekomstige te slopen, te renoveren of te isoleren woningen in de omgeving. Overige beschermde soorten Overige beschermde natuurwaarden (of sporen daarvan) zijn niet waargenomen in het plangebied. Mogelijk komen wel algemene soorten voor als Mol en enkele soorten muizen.

Voor het vernielen van verblijfsplaatsen van deze soorten geldt een vrijstelling bij ruimtelijke ingrepen op basis van de Beleidsregel ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg en een zorgplicht. Deze houdt in dat zo mogelijk maatregelen getroffen worden om doden van dieren te voorkomen. Een ontheffing voor overige soorten is niet nodig.

4.6.4. Zorgplicht Wel dient tijdens de werkzaamheden rekening gehouden te worden met de zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11 Wnb. In het tweede lid wordt de zorgplicht geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: 1. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, 2. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of 3. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

4.6.5. Conclusie Uit voorgaande kan worden geconcludeerd dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is omdat zowel vanuit gebiedsbescherming als soortenbescherming is gebleken dat kan worden voldaan aan wet- en regelgeving. Voor de huismus worden specifieke compenserende en mitigerende maatregelen genomen. De sloop van de huidige bebouwing is toegestaan, omdat ontheffing is verleend door de provincie Limburg.

38

4.7. Geluid 4.7.1. Algemeen Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen.

4.7.2. Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) staat dat elke weg een geluidszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximum snelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van het gedeelte van de Oostsingel met een snelheidsregime van 50 km/uur. Het plan is tevens gelegen in de nabijheid van de 30 km/uur wegen Prins Bernhardstraat, Prinses Marijkestraat, Prinses Margrietstraat, Kolkweg het gedeelte van de Oostsingel met een snelheidsregime van 30 km/uur. De wegen Prins Bernhardstraat, Kolkweg en het gedeelte van de Oostsingel met een snelheidsregime van 30 km/uur zijn als één geluidbron beschouwd. Voor de 30 km/uur wegen Prins Bernhardstraat, Kolkweg, Oostsingel (30 km/uur), Prinses Marijkestraat en Prinses Margrietstraat geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de richtwaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe appartementen overschrijdt. Bovendien kan voor 30 km/uur wegen geen hogere waarde worden verleend, aangezien deze wegen niet zoneplichtig zijn.

Voor de gezoneerde weg Oostsingel geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze weg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe appartementen overschrijdt. Derhalve is een procedure hogere waarde niet aan de orde. Aangezien in onderhavige situatie geen sprake is van een procedure hogere waarde, wordt voor de appartementen een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels niet noodzakelijk geacht. Bij toepassing van standaard geluidwerende materialen en maatregelen is een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd.

4.7.3. Industrielawaai Het plangebied ligt niet in een zone van een industrieterrein in de zin van de Wet geluidhinder. Evenmin liggen er geen bedrijven en andere niet-woonfuncties in de nabijheid die tot geluidoverlast zouden kunnen leiden.

4.7.4. Railverkeerslawaai Voor spoorweglawaai is het plan niet gelegen binnen de geluidzone een spoorlijn. De dichtstbijzijnde spoorlijn (Venray-Vierlingsbeek) is namelijk gesitueerd op circa 2,3 km afstand van het plangebied.

39

4.7.5. Conclusie De aspecten wegverkeer-, industrie-, en spoorweglawaai vormen geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.8. Luchtkwaliteit 4.8.1. Algemeen Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. Daarin zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer (Wm) is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer: • een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit; • ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven; • een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van desbetreffende stoffen in de buitenlucht; • een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit).

4.8.2. Niet in betekenende mate (NIBM) In het Besluit NIBM is vastgelegd wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een project is NIBM als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:  aantonen dat een project binnen de grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Er is dan geen verdere toetsing nodig, het project is in ieder geval NIBM;  op een andere manier aannemelijk maken dat een project voldoet aan het 3% criterium. Ook als een project niet kan voldoen aan de grenzen van de Regeling NIBM, is het mogelijk om alsnog via berekeningen aan te tonen, dat de 3% grens niet wordt overschreden. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. De Regeling NIBM geeft voor een aantal soorten van projecten een (getalsmatige) invulling aan de NIBM-grens. Het gaat daarbij om woningbouwprojecten, kantoorprojecten en enkele inrichtingen (bijvoorbeeld landbouwinrichtingen).

Als een project binnen de begrenzing van de Regeling NIBM valt, dan is geen verdere toetsing aan de grenswaarden nodig. Het project geldt dan als een NIBM-project en kan doorgaan zonder dat extra maatregelen worden genomen. Tevens is er dan geen luchtkwaliteitsonderzoek nodig. Voor woningbouw geldt dat de 3% grens is vastgesteld op 1.500 woningen (bij 1 ontsluitingsweg) en op 3.000 woningen in het geval van 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

40

4.8.3. Goede ruimtelijke ordening De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden.

4.8.4. Beoordeling plan Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van 21 wooneenheden op een locatie waar in de huidige situatie 12 wooneenheden aanwezig zijn. De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de concentraties van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht. Een overschrijding van de grenswaarden door het onderhavige project is dan ook niet aan de orde en op basis van artikel 5.16 lid 1 aanhef en onder c Wm kan het bestemmingsplan zonder nader onderzoek doorgang vinden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied bepaald met de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Met behulp van de monitoringstool kan inzicht worden gekregen in de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. Uit de monitoringstool volgt dat ten oosten en zuiden van het plangebied (ter plaatse van de Oost- en Zuidsingel) zowel in de huidige situatie als voor de jaren 2020 en 3030 de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 ruimschoots onder de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht liggen. Het aantal dagen per jaar dat de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter is dan 50 microgram per kubieke meter lucht ligt eveneens ruimschoots onder de grenswaarde van 35 dagen per jaar.

De grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 wordt eveneens niet overschreden. Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het plan ten aanzien van luchtkwaliteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit plan.

4.9. Bodem In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient bij een bestemmingsplan dat nieuwe bouwmogelijkheden of een herinrichting van bestaande percelen mogelijk maakt, een (historische) bodemonderzoek plaats te vinden. Met dit vooronderzoek dient de bodem- en grondwaterkwaliteit in voldoende mate te worden vastgesteld. Uitgangspunt hierbij is dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt is voor de voorgenomen functie.

41

Om te bepalen of er op de locatie sprake is van bodemverontreiniging is in eerste instantie een historisch bodemonderzoek uitgevoerd, omdat de locatie reeds een woonbestemming bevat. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de belangrijkste resultaten en conclusies van dit historisch bodemonderzoek.

4.9.1. Historisch bodemonderzoek De bodemkwaliteit op de onderzoekslocatie is voor zover bekend niet eerder vastgelegd. Uit de terreinverkenning en de beschikbare informatie blijkt dat er zowel in het verleden als in het heden geen bodembedreigende activiteiten aanwezig zijn (geweest) ter plaatse van de onderzoekslocatie of de directe omgeving. Wel blijkt in de omliggende straten sprake te zijn van lichte tot plaatselijk matige bodemverontreinigingen met diverse parameters uit het standaard NEN 5740-pakket. De onderzoekslocatie wordt desondanks vanwege het gebruik als ‘onverdacht’ beschouwd op het voorkomen van een bodemverontreiniging. De uitvoering van een verkennend bodemonderzoek wordt in dit stadium derhalve niet noodzakelijk geacht. Wel dient rekening gehouden te worden met de noodzaak tot uitvoering van een verkennend bodemonderzoek na de sloop van de bebouwing. Sloopwerkzaamheden worden in de regel als bodembelastende activiteit beschouwd. Geadviseerd wordt derhalve om na de sloop van de bebouwing een verkennend bodemonderzoek uit te voeren, waarbij ook een PFAS-analyse aanbevolen is.

4.9.2. Conclusie Uit het vooronderzoek is gebleken dat de onderzoekslocatie vanwege het gebruik als ‘onverdacht’ beschouwd wordt op het voorkomen van een bodemverontreiniging. Voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is dit voldoende. Na de sloop van de bebouwing wordt een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd in het kader van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen.

4.10. Externe veiligheid 4.10.1. Algemeen Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied.

4.10.2. Wettelijk kader Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van toepassing. Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico.

42

Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt in bepaalde gevallen een verantwoordingsplicht.

4.10.3. Beoordeling plan Op basis van de Risicokaart is beoordeeld of er zich in de nabijheid van het plangebied risicobronnen bevinden. Daarbij is bekeken of er in de nabijheid van het plangebied risicovolle inrichtingen aanwezig zijn, of er wellicht transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (wegen, spoorwegen, vaarwegen of buisleidingen) in de nabijheid gelegen zijn en of dat het plangebied gelegen is binnen een zone waarbinnen het risico op een luchtvaartongeval verhoogd is. Hiervan is geen sprake. Gezien het vorenstaande kan worden gesteld dat het aspect externe veiligheid geen beperkingen oplegt aan het beoogde planvoornemen.

Uitsnede risicokaart (plangebied blauw omlijnd)

4.11. Kabels, leidingen en straalpaden Binnen het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels, leidingen of straalpaden aanwezig. Het planvoornemen wordt dan ook niet belemmerd door de aanwezigheid van kabels, leidingen en straalpaden.

43

4.12. Niet gesprongen explosieven Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers), granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Het gehele grondgebied van de gemeente Venray heeft in de Tweede Wereldoorlog zwaar onder vuur gelegen. Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven (NGE). Met behulp van het explosievenonderzoek worden de aanwezigheid en risico’s van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht. De gemeente Venray adviseert bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detectieonderzoek uit te (laten) voeren. Dit onderzoek dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de bestemmingsplanprocedure niet juridisch afdwingbaar. Het is echter te allen tijden de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving.

4.13. Schaduwwerking Om de effecten van de schaduwwerking op de omliggende woningen en de openbare ruimte zichtbaar te maken, zijn de bestaande situatie en de nieuwe situatie inzichtelijk gemaakt middels een schaduwstudie. De rapportage van deze studie is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Uit de rapportage volgt dat de verandering van de schaduwvorming op de omgeving zeer beperkt zal wijzigen. De geringe toename is het gevolg van de nieuwe aaneengesloten bouwmassa en de toename van de bouwhoogte met circa 1 meter. Per saldo zal in januari sprake zijn van een zeer beperkte wijziging schaduwvormig op de belendende bebouwing. In april, juli en oktober zal evenwel nagenoeg geen sprake zijn van wijziging in schaduwvormig op de belendende bebouwing. Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat de schaduwvorming als gevolg van het planvoornemen geen significant effect op de omgeving zal hebben, zodat dit aspect geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

44

Hoofdstuk 5.

Uitvoerbaarheid

5.1. Economische uitvoerbaarheid 5.1.1. Exploitatieplan Bij de vaststelling van een bestemmingsplan, waarin ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, dient de gemeenteraad eveneens een exploitatieplan vast te stellen. Dit heeft te maken met de wettelijke verplichting om de kosten die de gemeente moet maken om deze ontwikkeling mogelijk te maken, te verhalen op de eigenaar/ontwikkelaar. Van deze verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan kan worden afgezien indien het kostenverhaal op een andere manier is geregeld. Dit kan bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of door het afsluiten van een overeenkomst. In dit geval zijn de kosten voor de realisatie van het plan middels een anterieure overeenkomst verzekerd, waardoor wordt afgezien van het opstellen van een exploitatieplan.

5.1.2. Planschade Algemeen Het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning kan ertoe leiden dat een belanghebbende zogenaamde planschade ondervindt. Daarbij kan het gaan om waardevermindering van een onroerende zaak (bijvoorbeeld een woning) of inkomensderving. Een deel van deze schade valt wettelijk gezien echter binnen het normaal maatschappelijk risico en is dus niet te verhalen. Beoordeling plan De verwachting is dat er geen sprake zal zijn van planschade. Mocht dit onverhoopt wel aan de orde zijn dan komen de kosten voor rekening van de initiatiefnemer, ingevolge de bepalingen in de anterieure overeenkomst.

5.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.2.1. Overleg volgens artikel 3.1.1 Bro In artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) is aangegeven dat een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg dient te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en diensten van de provincie en het Rijk in zoverre belangen van deze overheden in het geding zijn. Vanwege hun belang bij onderhavig bestemmingsplan is dit plan ter vooroverleg toegestuurd aan provincie Limburg en waterschap Limburg. De provincie heeft op 22 augustus 2022 aangegeven geen aanleiding te zien tot het maken van opmerkingen, en kan dus instemmen met het planvoornemen.

45

5.2.2. Omgevingsdialoog en vervolg In het kader van samenspraak heeft de initiatiefnemer een dialoog met de omgeving gevoerd. Omdat een omgevingsdialoog is gevoerd, wordt geen (facultatieve) inspraakprocedure gevolgd. De verslaglegging van de omgevingsdialoog is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Naar aanleiding van de Omgevingsdialoog in 2021 is in 2022 verder gewerkt aan het voorlopig ontwerp. Nadat eerder in overleg met de wijkraad de rijrichting op het achterterrein al was gewijzigd, hebben de opmerkingen uit de Omgevingsdialoog over de hoogte van het gebouw ertoe geleid dat het dak van de derde bouwlaag naar achteren wordt geheld. De dakhelling mag maximaal 76o bedragen; dit is in de regels van het bestemmingplan vastgelegd. Zo is geborgd dat de bebouwing, ondanks de woningen onder de kap, het karakter krijgt een van tweelaags gebouw met een kap, in aansluiting op de bebouwing aan de Prins Bernhardstraat en de Prinses Margrietstraat. Het ontwerpbestemmingsplan wordt voor de duur van zes weken ter inzage gelegd, na voorafgaande publicatie op gemeentepagina en in het Gemeenteblad. Gedurende deze periode heeft een ieder de mogelijkheid zienswijzen op het plan kenbaar te maken. Indien nodig wordt het plan als gevolg van deze zienswijzen aangepast, waarna het bestemmingsplan ter vaststelling wordt aangeboden aan de gemeenteraad.

46

Hoofdstuk 6.

Juridische planbeschrijving

6.1. Onderdelen bestemmingsplan Het bestemmingsplan ‘Prins Bernhardstraat 46-68 Venray’ is een bestemmingsplan zoals bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels, en gaat vergezeld van een toelichting. Onderhavig document vormt de toelichting bij het bestemmingsplan ‘Prins Bernhardstraat 46-68 Venray’.

6.2. Toelichting op de verbeelding In de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien en voor zover hier in de regels naar wordt verwezen. Ten behoeve van de leesbaarheid is het plan op een topografische ondergrond (BGT) getekend. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in de hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn op de verbeelding opgenomen in het renvooi. Opgemerkt wordt dat de analoge en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen omdat de manier van raadplegen verschillend is. De digitale verbeelding is juridisch bindend.

6.3. Toelichting op de regels 6.3.1. Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Artikel 1 bevat een uitleg van de begrippen die in de planregels voorkomen. Artikel 2 bepaalt de wijze van meten, waarin wordt aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Door het geven van begripsomschrijvingen en aanwijzingen voor het meten wordt de interpretatievrijheid verkleind en daardoor de duidelijkheid en rechtszekerheid vergroot.

6.3.2. Bestemmingsregels In hoofdstuk 2 worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen omschreven en voor welke doeleinden de in die bestemmingen opgenomen gronden en gebouwen mogen worden gebruikt. Daarnaast zijn per bestemming de bebouwingsmogelijkheden vermeld. Bij de totstandkoming van de bestemmingsregels is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan ‘Venray’. Het bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: Verkeer De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor verkeer- en verblijfsdoeleinden en dergelijken. Deze bestemming is opgenomen voor het toe te voegen deel trottoir in het westen van het plangebied.

47

Wonen De gronden waarop nieuw te bouwen woningen zijn geprojecteerd krijgen - evenals de bijbehorende erven, tuinen en parkeervoorzieningen - de bestemming ‘Wonen’. De woningen mogen worden gebouwd in het op de verbeelding aangegeven bouwvlak. Bijgebouwen mogen specifiek worden opgericht binnen het bouwvlak of de aanduiding ‘bijgebouwen’. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen ook buiten het bouwvlak worden gebouwd. In de regels is in de bouwregels opgenomen waaraan (bij)gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, moeten voldoen. De relevante hoogtes van de woningen en het aantal wooneenheden worden geregeld door middel van maatvoeringen op de verbeelding. Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de situering en afmetingen van bouwwerken. Voor wat betreft gebruiksmogelijkheden is van belang dat aan huis verbonden beroepen onder voorwaarden rechtstreeks zijn toegestaan in een gedeelte van de aanwezige gebouwen.

6.3.3. Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Dit hoofdstuk bevat een aantal algemene regels die gelden voor het hele plangebied. Het betreft de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels, algemene procedureregels en overige regels. overige zone - radarverstoringsgebied Op de voor ‘overige zone - radarverstoringsgebied’ aangewezen gronden mag, ongeacht het bepaalde elders in de regels, de hoogte van 65 m boven NAP niet door bebouwing worden overschreden.

6.3.4. Overgangs- en slotregels Hoofdstuk 4 bevat de overgangs- en slotregel van het bestemmingsplan. In de overgangsregels is het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik geregeld. In de slotregel is bepaald onder welke titel het plan kan worden aangehaald.

48

Bijlagen bij de toelichting

Bijlage 1. Bijlage 2. Bijlage 3. Bijlage 4. Bijlage 5. Bijlage 6. Bijlage 7. Bijlage 8. Bijlage 9.

Infiltratieplan Stikstofdepositieberekening Inventarisatie beschermde natuurwaarden Activiteitenplan huismus Besluit ontheffing Wnb huismus Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Historisch bodemonderzoek Schaduwstudie Omgevingsdialoog

49

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13433227/1