04 Toelichting bp Leunseweg 6 Venray (Nieuwbouw Raayland Focus Spectrum)
Tekst van het document
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie
2023
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
152
Aandeel vrachtverkeer
0,0%
NO2 in μg/m3
0,08
PM10 in μg/m3
0,02
Extra verkeer als gevolg van het plan
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3 Conclusie
De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate;
Vastgesteld – Bestemmingsplan ‘Leunseweg 6 Venray’ 22
1,2
geen nader onderzoek nodig Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)
Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3
Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 10,3 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 17,8 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 13,8 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor de realisatie van de nieuwe onderwijsvoorziening. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren. Conclusie luchtkwaliteit Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. Het initiatief zal ook nagenoeg geen extra verkeersaantrekkende werking met zich meebrengen.
Daarnaast draagt het initiatief niet in betekende mate bij aan de luchtkwaliteit, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer en dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is. 5.1.6 Geur Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebied bestemd voor wonen en verblijf. Een onderwijsvoorziening betreft zodoende geurgevoelige objecten. In de gemeentelijke geurverordening is vastgelegd welke normstelling er geldt voor de voorgrondbelasting en bij welke achtergrondbelasting nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de verordening is bepaald dat voor de bebouwde kom, waarbinnen het plangebied valt, een maximale waarde geldt voor de geurbelasting van een veehouderij ten aanzien van een geurgevoelig object van 3,0 Ou/m3 (voorgrondbelasting) en 13,0 Ou/m3 (achtergrondbelasting).
Vastgesteld – Bestemmingsplan ‘Leunseweg 6 Venray’ 23
Vanwege de ligging in de bebouwde kom van Venray liggen er in de directe omgeving van het plangebied (afstand < 500 meter) geen veehouderijen. Om de effecten van verder weg gelegen veehouderijen in beeld te krijgen is de kaart ‘Individuele contouren 2022’ van de gemeente Venray geraadpleegd.
Afbeelding 10 Uitsnede indicatieve geurcontouren 2022 (rood; plangebied)
Hieruit blijkt dat er één veehouderij is die een geurcontour heeft van 3,0 Ou/m3 die tot aan het plangebied reikt. Het betreft de vleesvarkenshouderij aan de Enge Steeg 1 in Leunen, gelegen op een afstand van 550 meter van het plangebied. Derhalve is de individuele geurbelasting op het plangebied berekend middels het programma ‘V-Stacks vergunning’.
Hoek 1 Hoek 2 Hoek 3 Hoek 4
X- coördinaat 195770 195768 195862 195896
Y-coördinaat 392346 392423 392437 392350
Berekende waarde 2,7 2,2 2,1 2,6
De voorgrondbelasting voldoet aan de norm van 3 OU/m³. Daarnaast zit deze veehouderij voor wat betreft geurhinder reeds ‘op slot’, daar er diverse woningen op kortere afstand van de veehouderij zijn gelegen. Gesteld kan worden dat de omliggende veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft voorgrondbelasting.
Vastgesteld – Bestemmingsplan ‘Leunseweg 6 Venray’ 24
Op de kaart ‘Achtergrondbelasting 2022’ van de gemeente Venray wordt de indicatieve achtergrondbelasting als redelijk goed (7,4 tot 13,1 OU/m3) beoordeeld. Daarmee kan tevens gesteld worden dat veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft achtergrondbelasting.
Afbeelding 11 Uitsnede achtergrondbelasting 2022 (rood; plangebied)
5.2 Externe veiligheid Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR.
Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag.
Vastgesteld – Bestemmingsplan ‘Leunseweg 6 Venray’ 25
Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)
Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaaarde
Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheid verhogende maatregelen genomen zijn. Inventarisatie risicobronnen Door de provincie Limburg is een risicokaart samengesteld waarop de risico veroorzakende bedrijven en objecten zijn weergegeven. Op basis van de risicokaart bevinden er zich in de wijde omgeving geen risicovolle activiteiten. Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor het initiatief.
5.3 Water 5.3.1 Waterbeleid Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Venray als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. Concreet betekent dit dat er sprake moet zijn van gescheiden schoon- en vuilwaterstromen die afzonderlijk worden verwerkt. Vanuit de gemeente Venray en Waterschap Limburg gelden daarbij de volgende uitgangspunten: 1. afkoppelen van 100% van het verhard oppervlak, waarbij de beslisboom verantwoord afkoppelen van toepassing is; 2. de trits vasthouden-bergen-afvoeren is van toepassing, waarbij hergebruik dan wel infiltratie van schoon hemelwater de voorkeur heeft; 3. verontreiniging van het water dient door bronmaatregelen voorkomen te worden; 4. grondwateroverlast dient voorkomen te worden; 5. een gelimiteerde afvoer naar het oppervlaktewater is toegestaan. 5.3.2 Waterhuishoudkundige situatie plangebied (huidige situatie) Bodemgesteldheid en grondwater De bodem in het plangebied is tamelijk vlak. De maaiveldhoogte bedraagt ongeveer 26,5 m +NAP.
Vastgesteld – Bestemmingsplan ‘Leunseweg 6 Venray’ 26
Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2021. Oppervlaktewater Op de leggerkaarten van Waterschap Limburg is te zien dat binnen het plangebied of directe omgeving geen oppervlaktewater van betekenis ligt. Ook in de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig. Afvalwater De huidige bebouwing is aangesloten op het gemeentelijk rioleringssysteem. 5.3.3 Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) Met onderhavig initiatief wordt het voormalige Boschveldcollege gesloopt en vervangen door een nieuw schoolgebouw ten behoeve van SBO Focus en Spectrum. Hierdoor neemt het bebouwd c.q. verhard oppervlak af ten opzichte van de huidige situatie. Er is thans circa 8.600 m² aan bebouwing en verharding aanwezig, in de toekomstige situatie is er sprake van circa 3.500 m² bebouwing en verharding. Het hemelwater dat valt op de totale verharding zal conform het beleid worden afgekoppeld van het rioleringsstelsel en op eigen terrein worden geïnfiltreerd. Conform richtlijnen van de gemeente dient de infiltratievoorziening gedimensioneerd te worden op een bui waarbij 60 mm neerslag valt (uitgangspunten Toetssteen Openbare Ruimte 2022).
Het Raayland College hoeft conform beleid niet afgekoppeld te worden aangezien dit geen nieuwbouw betreft, echter zal gekeken om zoveel als redelijkerwijs mogelijk is met de nieuw infiltratievoorziening mee te nemen. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een doorlatendheidsonderzoek3 uitgevoerd. Op basis van de dit onderzoek kan concluderend gesteld worden dat; op basis van de huidige bodemopbouw, de te verwachten GHG (2,5 m-mv) en de meetresultaten van de veldmetingen infiltratie op de locatie mogelijk wordt geacht. Het aanleggen van de voorgenomen infiltratievoorziening (wadi’s en infiltratiebuizen) wordt hiermee tevens mogelijk geacht. Wel wordt aanbevolen om de infiltratievoorziening gezien de GHG niet dieper dan 1,5 á 2,0 m-mv aan te leggen. Tevens is het belangrijk dat de infiltratievoorzieningen aanleg goed onderhouden worden aangezien de filtercapaciteit naar loop van tijd (sterk) af kan nemen door bezinking en bladinval. Om de infiltratiecapaciteit van de locatie verder te verbeteren bij het aanleggen van infiltratievoorzieningen kan gedacht worden aan het verbeteren van het oorspronkelijke bodemprofiel tot minstens een halve meter onder de infiltratievoorziening waarbij goed doorlatend materiaal zoals drainagezand wordt aangevoerd.
Ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning zal initiatiefnemer moeten aantonen dat de te realiseren infiltratievoorziening voldoende water kan bergen. De gemeente Venray streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het pakket duurzaam bouwen. Van initiatiefnemers wordt verwacht, voor zover relevant, geen gebruik te maken van uitlogende bouwmaterialen. Concluderend kan gesteld worden dat door het initiatief geen knelpunten ontstaan tussen grondgebruik en de waterhuishouding. Er is voldoende ruimte om dit in te passen.
5.4 Kabels, leidingen en straalpaden
3 Verkennend bodem- en doorlatendheidsonderzoek, Hopveld advies (d.d. 31 maar 2023. Kenmerk: 230110-R1)
Vastgesteld – Bestemmingsplan ‘Leunseweg 6 Venray’ 27
Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming in of in de nabijheid van het plangebied. Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen. Verspreid over Nederland staat een aantal militaire- en burgerradarstations. Deze dienen voor de beveiliging van het nationale luchtruim en voor de veilige afhandeling van het militaire en het civiele luchtverkeer. Objecten hoger dan 65 m boven NAP binnen 15 nautische mijl (circa 28 km) van dit radarstation kunnen aanleiding geven tot verstoring van het radarbeeld en kunnen derhalve niet worden toegestaan, tenzij uit onderzoek is gebleken dat de mate van verstoring aanvaardbaar is. Hiervoor dient door TNO een radarhinderonderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek beoordeelt Defensie de aanvaardbaarheid van de verstoring. Op grond van het bestemmingsplan is het niet mogelijk objecten op te richten die hoger rijken dan 65 m boven NAP.
In het vigerende bestemmingsplan “Venray” is de gebiedsaanduiding ‘overige zone – radarverstoringsgebied’ opgenomen om dit planologisch te borgen. Overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan “Venray” is deze gebiedsaanduiding (opnieuw) van toepassing verklaard voor het plangebied.
5.5 Natuur De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. Flora en fauna Om het voorkomen van flora en fauna in het plangebied aan te tonen en het effect van de herontwikkeling en de daarmee gepaard gaande sloop van bebouwing hierop te onderzoeken is een inspectie beschermde natuurwaarden4 uitgevoerd. Op basis van deze inspectie kan concluderend gesteld worden dat: ▪ de aanwezigheid van vaste voortplantings- en/of rustplaatsen van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger in de te slopen en/of te renoveren opstallen niet op voorhand kan worden uitgesloten. Om hier ecologische en juridische zekerheid over te verkrijgen is nader onderzoek benodigd. Het onderzoek vaan vleermuizen heeft een doorlooptijd van enkele maanden (onderzoeksperiode april tot en met september). ▪ Op en rond de te slopen opstallen kunnen broedvogels nestelen. Deze mogen niet verstoord worden zoals de jongen afhankelijk zijn van het nest. Verstorende werkzaamheden, zoals het ongeschikt maken van de sak voor Scholekster en het kappen van bomen of verwijderen van struweel, dienen uitgevoerd te worden buiten het broedseizoen.
Het broedseizoen van de Scholekster loopt van half april tot eind juni. Echter: als een ter zake kundige heeft vastgesteld tijdens deze broedperiode dat er geen broedgeval aanwezig is, kan ook binnen deze periode worden gewerkt. ▪ Overige (potentiële) beschermde vaste voortplantings- of rustplaatsen of standplaatsen van beschermde plantensoorten zijn niet aangetroffen; nader onderzoek naar het voorkomen van overige beschermde soorten is niet nodig. Naar aanleiding van de inspectie is een fauna onderzoek5 uitgevoerd naar potentiële verblijfsplaatsen voor enkele soorten vleermuizen.
4 Inspectie beschermde natuurwaarden, Bureau Meervelt (d.d. 12 april 2022, kenmerk: 22-023) 5 Faunaonderzoek, Bureau Meervelt (d.d. 19 oktober 2022, kenmerk: 22-043)
Vastgesteld – Bestemmingsplan ‘Leunseweg 6 Venray’ 28
Op basis van het veldonderzoek zijn vijf verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis vastgesteld in het hoofdgebouw. Het gaat hier om zomerverblijfplaatsen en/of paarverblijfplaatsen. Mogelijk worden ook verblijfplaatsen als winterverblijfplaats gebruikt; een (massa) winterverblijfplaats is echter niet vastgesteld tijdens het onderzoek. Bij sloop van het hoofdgebouw gaan deze verblijfplaatsen verloren. De bomen ten zuiden van het hoofdgebouw maken deel uit van het foerageergebied van Gewone dwergvleermuis en de andere aangetroffen soorten. Kap van deze bomen heeft een beperkt effect op het voedselaanbod. Gezien de ruime foerageermogelijkheden in de directe omgeving heeft is kap van de bomen niet van invloed op de instandhouding van verblijfplaatsen. Voor het vernietigen van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen is een ontheffing nodig op grond van de Wet natuurbescherming. Voor enkele soorten vleermuizen kan echter, afhankelijk van de situatie, soms ook gewerkt worden op basis van een goedgekeurde gedragscode. Het aanvragen van een ontheffing is dan niet nodig. In de Gedragscode soortbescherming voor gemeenten is aangegeven dat voor vernietiging van paar- en zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis geen ontheffing nodig is bij sloop van woningen (max. 20 stuks per project, totale oppervlakte max.
2.000 m²) en sloop van grondgebonden bebouwing (bebouwing van maximaal één bouwlaag, max. 40 stuks per project met ieder een maximaal oppervlak van 15 m²). De voorwaarde die hierbij hoort is dat er vier nieuwe voorzieningen (tijdelijk en permanent) worden gerealiseerd per gevonden verblijfsplaats. Ook dienen tijdens de sloop mitigerende maatregelen genomen te worden om te voorkomen dat individuen worden gedood. De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen de reikwijdte voor de inzet van de gedragscode om deze formeel toe te passen omdat schoolgebouwen niet staan beschreven. Ecologisch gezien bestaat er echter geen bezwaar om op basis van de Gedragscode te werken gezien het zeer gering aantal vleermuizen dat per bezoek is aangetroffen en de aangetroffen zomer- en/of paarverblijfplaatsen. Daarbij gebruikt de gewone dwergvleermuis een netwerk van verblijfplaatsen en in Venray zijn ook in de huidige situatie al veel potentiële alternatieve verblijfsplaatsen aanwezig. Omdat het om één populatie gewone dwergvleermuizen gaat van steeds enkele individuen (maximaal 5) per verblijfsplaats wordt een aantal van 10 kasten voldoende geacht als mitigerende maatregel. Deze kasten zijn via een leerlingenproject van Raayland vervaardigd en zijn in het voorjaar van 2023 geplaatst in de nabijheid van het projectgebied.
Daarnaast zijn maatregelen genomen om te voorkomen dat de vleermuizen de locaties opnieuw gaan gebruiken, door deze ongeschikt te maken. Daarmee is het aspect fauna geen belemmerende factor voor de uitvoering van de sloop. In de nieuwbouw en de gerenoveerde bebouwing of rondom worden 20 nieuwe voorzieningen ingepast, om negatieve aspecten van de ontwikkeling van de sloop en nieuwbouw op de populatie te kunnen uitsluiten. Natura2000 Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Boschhuizerbergen, ligt op circa 3 km van het plangebied. In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een Wnb-vergunning vereist is. Over een afstand van 3 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting. Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOx of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Voor ieder habitattype binnen een Natura2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld.
De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een stikstofberekening67 uitgevoerd voor de sloop, realisatie- en gebruiksfase. Op basis van de uitgevoerde berekeningen kan concluderend gesteld worden dat er in zowel de sloopfase,
6 Stikstofberekening sloopfase, AROM (d.d. maart 2023, kenmerk: 22VENR-STIKSZUID) 7 Stikstofberekening realisatie- en gebruiksfase, AROM (d.d. maart 2023, kenmerk: 22VENR-STIKSZUID)
Vastgesteld – Bestemmingsplan ‘Leunseweg 6 Venray’ 29
als de realisatie- en gebruiksfase geen sprake is van een relevante bijdrage aan de stikstofdepositie op de omliggende Natura2000-gebieden.
5.6 Archeologie en cultuurhistorie 5.6.1 Archeologie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe Rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De gemeente Venray heeft een eigen archeologische beleidskaart laten opstellen door archeologisch adviesbureau RAAP. De kaart en het bijbehorende rapport zijn afgerond in het voorjaar van 2008 (RAAP rapport 1482: “Begrensd verleden; Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en de cultuurhistorische waardenkaart voor de gemeente Venray”). Vanwege de gemeentelijke herindeling in 2010 is de archeologische beleidskaart geactualiseerd, waarbij Geijsteren, Wanssum en Blitterswijck en het buitengebied daaromheen in de kaart zijn opgenomen. Deze geactualiseerde versie is in de 2013 vastgesteld. Op deze beleidskaart is het plangebied voor het overgrote deel gelegen in een gebied met een middelhoge verwachting (categorie 5).
Een klein gedeelte aan de zuidwest zijde is aangewezen als een gebied met een bufferzone rondom bekende vindplaatsen (categorie 3) en een klein gedeelte is aangewezen als een gebied met een hoge verwachting (categorie 4). Ter plaatse van de gebieden aangewezen voor categorie 3 en 4 zijn echter niet gelegen ter plaatse van de bestaande, te slopen ofwel nieuw te bouwen bebouwing. In gebieden met een hoge archeologische waarde (dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’) dient archeologisch onderzoek plaats te vinden indien de bodem voor een oppervlakte van 2.500 m 2 dieper dan 0,5 m verstoord wordt.
Vastgesteld – Bestemmingsplan ‘Leunseweg 6 Venray’ 30
Afbeelding 12 Uitsnede archeologische beleidskaart (rood; plangebied)
De beoogde nieuwbouw overlapt grotendeels met de te slopen bebouwing. Ter plaatse van de bestaande bebouwing is de bodem bij de bouw al sterk verstoord. De archeologische verwachting kan hier redelijkerwijs naar beneden worden bijgesteld naar laag/nihil. De oppervlakte van 2.500 m² wordt per saldo dan ook in ruime mate niet bereikt, laat staan overschreden, in het kader van de voorgenomen ontwikkeling. Derhalve is het niet noodzakelijk een archeologisch onderzoek uit te voeren. Het aspect archeologie vormt derhalve geen belemmering in het kader van de voorgenomen ontwikkeling. 5.6.2 Cultuurhistorie De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. Volgens de provinciale kaart ‘Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg’ zijn in de directe omgeving van het plangebied geen cultuurhistorische waardevolle elementen aanwezig waarop het initiatief een negatieve invloed kan hebben.
5.7 Verkeer en parkeren Het initiatief zal zorgen voor een verandering in de verkeersstromen van en naar het plangebied en de parkeersituatie. Er dient daarom te worden aangetoond dat met het initiatief de verkeersveiligheid niet in het gedrang komt en er voldaan wordt aan voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Ter plaatse van het huidige Raayland college vinden in het kader van de voorgenomen ontwikkeling geen wijzigingen plaats, derhalve wordt het Raayland college buiten beschouwing gelaten. Verkeer
Vastgesteld – Bestemmingsplan ‘Leunseweg 6 Venray’ 31
De voorgenomen ontwikkeling genereerd een bepaalde verkeersgeneratie, om deze verkeersgeneratie en de nieuwe verkeersituatie goed in beeld te brengen is een verkeersadvies8 uitgebracht. In het kader van het verkeersadvies zijn de herkomstlocaties van leerlingen en werknemers van Focus/Spectrum in kaart gebracht. Hieruit is af te leiden dat een grote meerderheid van de ouders en werknemers woonachtig is in het noordelijk en oostelijke deel van Venray en daarom veelal vanaf de Leunseweg en Zuidsingel uit oostelijke richting de locatie met de fiets of per auto aan zal doen. Een kleiner aandeel fiets of rijdt vanaf de Zuidsingel uit westelijke richting. Het kleinste aandeel doet de locatie aan via het Groenewoltsepad en de Eikenlaan. Voor de toekomstige situatie is het aantal verkeersbewegingen in kaart gebracht. De verkeersbewegingen gaan uit van het aantal leerlingen van de huidige school, alsmede een eventuele toekomstige uitbreiding ten behoeve van de komst van (V)SO Wijnberg en PSW junior. Daarnaast is het van belang te melden dat een deel van de leerlingen gebracht en opgehaald wordt met speciaal taxivervoer. Ook voor taxivervoer is rekening gehouden met de mogelijk toekomstige uitbreiding met (V)SO Wijnberg. De toekomstige situatie (per breng- en haalmoment) brengt de volgende verkeersbewegingen met zich mee: - Fiets: max. 80 fietsbewegingen (heen en terug) - Auto: max.
130 verkeersbewegingen (heen en terug) - Taxi: max. 32 verkeersbewegingen (heen en terug) Parkeren In het kader van het verkeersadvies is tevens gekeken naar het benodigd aantal parkeerplaatsen: Parkeervoorziening Benodigd aantal Taxibusjes Circa 12 st. Crisisauto’s 2 st Auto’s (werknemers) Circa 11 st. Auto’s (halen en brengen) Circa 20 st. Totaal Circa 45 parkeerplaatsen Conclusie verkeer en parkeren In het verkeersadvies worden diverse aanbevelingen gedaan voor de nieuwe verkeersituatie rondom het plangebied. In relatie tot de parkeervraag heeft de projectgroep Nieuwbouw Focus Spectrum ervoor gekozen om de parkeercapaciteit van het parkeerterrein van sporthal de Wetteling te benutten. Daarmee is verbetering van de oversteek tussen de nieuwbouw en het parkeerterrein over de Zuidsingel wenselijk. Deze verbetering kan middels diverse vormen worden uitgevoerd. Uit onderzoek blijkt dat de realisatie van een rotonde op het kruispunt Zuidsingel-Sportlaan-St. Antoniusstraat de hoogste verkeersveiligheid creëert. Dit vanwege het feit dat fietsers en voetgangers dan voorrang hebben. Dit uitgangspunt past ook bij het verkeersbeleid van de gemeente Venray om de actieve mobiliteit te stimuleren en faciliteren.
Daarnaast verbeterd hierdoor ook de oversteek tijdens de avonduren voor de gebruikers van het sportpark, alsmede de personen die hier oversteken tijdens evenementen zoals de fietsvierdaagse. In het onderzoeksrapport is eveneens gekeken naar de optimale ontsluiting voor de nieuwbouw van Focus en Spectrum. Uiteindelijk ligt er een advies, waarbij de keuze om de ontsluiting voor taxi's en crisisauto's aan de zijde van de St. Antoniusstraat te realiseren. Andere opties hebben als nadeel dat zij verkeerskundig ongewenste effecten veroorzaken (bijv. hogere kans kop-staart botsingen en menging met hoge intensiteit fietsverkeer), of dat dit ten koste gaat van de bestaande groene zone met bomen die zoveel mogelijk gespaard dient te worden. In het rapport worden ook verbeteringen voorgesteld voor het fietsverkeer van Raayland. Deze staan los van deze bestemmingsplanprocedure, maar de gemeente is nog wel in overleg met het Raayland College ter verbetering van de verkeersveiligheid rondom de Leunseweg.
8 Verkeersadvies, Kragten (d.d. 8 september 2023, kenmerk: VEN154)
Vastgesteld – Bestemmingsplan ‘Leunseweg 6 Venray’ 32
5.8 Niet-gesprongen explosieven Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Het gehele grondgebied van de gemeente Venray heeft in de Tweede Wereldoorlog zwaar onder vuur gelegen. Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven (NGE). Met behulp van het explosievenonderzoek worden de aanwezigheid en risico’s van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht. De gemeente Venray adviseert bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detectieonderzoek uit te (laten) voren. De beoogde nieuwbouw is grotendeels geprojecteerd op de bebouwingscontour van het te slopen Boschveldcollege. Dat maakt de kans op het aantreffen van NGE zeer gering. Een onderzoek dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de bestemmingsplanprocedure niet juridisch afdwingbaar. Het is echter te allen tijde de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving.
5.9 Duurzaamheid De ambities ten aanzien van duurzaamheid in Venray zijn hoog, zoals neergelegd in de Energiestrategie 2030 (zie paragraaf 4.3.4). Vanaf 2020 is alle nieuwbouwproductie in de woning- en utiliteitsbouw energieneutraal. Deze ambitie is grotendeels wettelijk verankerd. Het Bouwbesluit stelt dat per januari 2021 nieuwbouw bijna energieneutraal (BENG) moet zijn: er is vrijwel geen energie nodig, de energie die wel nodig is komt uit groene bronnen. De binnen het plangebied te realiseren nieuwe bebouwing zal in ieder geval energieneutraal zijn, indien randvoorwaarden (bijv. teruglevering) aanwezig zijn. In het bestemmingsplan kunnen alleen regels worden opgenomen die bijdragen aan 'een goede ruimtelijke ordening'. Voor de uitleg van dit begrip is in de rechtspraak het criterium ‘ruimtelijk relevant’ ontwikkeld. Alleen regels die ruimtelijk relevant zijn, kunnen in het bestemmingsplan opgenomen worden. Algemeen erkend wordt dat energietransitie een ruimtelijke impact heeft, maar de visie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is dat hiertoe geen regels in het bestemmingsplan kunnen worden opgenomen.
De gemeente Venray zal daarom het aspect 'duurzaamheid' en 'mate van energieneutraalheid' en de ambities tot het PvE Frisse Scholen (gemiddeld klasse B) opnemen als onderdeel van de vaststellingsovereenkomst Realisatie Nieuwbouw Focus Spectrum met de schoolbesturen. Met onderhavig bouwplan zijn de volgende duurzaamheidsmaatregelen voorzien c.q. daar waar een afweging mogelijk is, worden overwogen: ▪ De onderwijsvoorziening zal niet aangesloten op gas; ▪ De onderwijsvoorziening zal zelf een substantiële hoeveelheid energie opwekken middels zonnepanelen; ▪ De onderwijsvoorziening zal zeer goed geïsoleerd worden, een hoge mate van luchtdichtheid en daardoor een zeer lage warmtevraag hebben; ▪ Bij de bouw van de onderwijsinstelling zullen duurzame materialen worden gebruikt zoals FSC-keurmerk hout; ▪ Bij het slopen van delen van het Raayland College is circulariteit onderdeel geweest van de aanbesteding. Materialen die bij de sloop zijn vrijgekomen zijn daardoor waar mogelijk circulair ingezet op andere plekken in het land; ▪ Bij de nieuwbouw wordt vanzelfsprekend het hemelwater ter plaatse geïnfiltreerd.
Ook wordt een deel van het Raayland College afgekoppeld van het gemengde riool, waardoor de overbelasting bij hevige buien afneemt; ▪ Bij de nieuwbouw wordt een deel in sedumdak voorzien; ▪ Het schoolplein wordt groen/blauw ingericht, met oog voor het stimuleren van beweging en natuur.
Vastgesteld – Bestemmingsplan ‘Leunseweg 6 Venray’ 33
6 JURIDISCHE ASPECTEN Een bestemmingsplan geeft bestemmingen met de bijbehorende regels. Het bestaat niet alleen uit een tekstdocument, maar ook uit een verbeelding (plankaart). Alle toegelaten functies zijn met een eigen bestemming op de verbeelding opgenomen. Samen met de regels vormt de (digitale en analoge) verbeelding het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting hoort wel bij het bestemmingsplan, maar is geen onderdeel daarvan: de toelichting is niet juridisch bindend. Dat betekent, dat indien er onverhoopt verschillen zouden bestaan tussen de toelichting en het bestemmingsplan, de regels en de verbeelding (plankaart) doorslaggevend en bindend zijn en de toelichting niet. De toelichting beschrijft wat de doelstellingen van het bestemmingsplan zijn en hoe de regels van het bestemmingsplan moeten worden geïnterpreteerd. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de SVBP 2012 alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor). Het bestemmingsplan is digitaal opgesteld en beschikbaar. Van het elektronische document is een papieren versie gemaakt. Bij een onbedoeld verschil tussen de papieren versie en de elektronische versie gaat de laatste voor.
6.1 Toelichting op de verbeelding De verbeelding geeft met kleuren en tekens aan welke bestemming voor de gronden geldt. De bestemming is aangegeven met een gekleurd vlak met de letters van de bestemming. Er zijn voor de gronden meerdere tekens opgenomen. Het gaat dan om aanduidingen (functie- of gebiedsaanduidingen) of dubbelbestemmingen. Voor een aanduiding of dubbelbestemming zijn in de regels specifieke bepalingen van toepassing. Uit de verbeelding kan afgeleid worden op welk gebied het bestemmingsplan betrekking heeft, omdat daarop de plangrens is aangegeven. De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:500. De analoge verbeelding bestaat uit één plankaart met een legenda. Het gehele plangebied blijft bestemd als ‘Maatschappelijk’. Het bouwvlak ter plaatse van het voormalige Boschveldcollege zal worden aangepast naar de contouren van de vervangende nieuwbouw van SBO Focus en SO Spectrum. Het bouwvlak ter plaatse van het Raayland college blijft zoals bestaand behouden. Ter plaatse van het Raayland college geldt een bouwhoogte van 11 meter en ter plaatse van de nieuwbouw SBO Focus en SO Spectrum een bouwhoogte van 12 meter. Daarnaast is de bestemmingen ‘Groen’ ingepast ten behoeve van de infrastructurele maatregelen en de inrichting van de omliggende schoolomgeving met openbaar groen.
Het gehele plangebied is daarnaast nog steeds voorzien van de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’, ‘Waarde – Archeologie 4’ en ‘Waarde – Archeologie 5’ (met uitzondering van de gronden ter plaatse van de nieuwbouw daar deze reeds diep geroerd zijn tijdens de sloopwerkzaamheden) en de gebiedsaanduiding ‘overige zone – radarverstoringsgebied’ zoals dat in het vigerende bestemmingsplan reeds het geval is.
6.2 Toelichting op de planregels Alle gronden binnen het plangebied hebben een bestemming. Een bestemming geeft de functie aan, die de gemeenteraad aan een gebied heeft toebedacht. Bij deze bestemmingen horen gebruiksregels. Het kan gaan om regels voor bouwen, werken en werkzaamheden, slopen en het gebruik van grond en de opstallen voor bepaalde activiteiten. De bestemming en de regels bepalen gezamenlijk welke activiteiten en handelingen zijn toegestaan. Het gevolg van het leggen van een bestemming is, dat de betreffende gronden alleen overeenkomstig deze bestemming mogen worden gebruikt. In die zin
Vastgesteld – Bestemmingsplan ‘Leunseweg 6 Venray’ 34
houdt een bestemming dus een inperking in van het eigendomsrecht. De bevoegdheid om bestemmingen te leggen is toegekend aan de gemeenteraad. Dit is geregeld in artikel 3.1 van de Wro. Een gemeenteraad mag niet zomaar een bestemming leggen, maar moet daarvoor vanuit het algemeen belang van een “goede ruimtelijke ordening‟ redenen hebben. Het leggen van een bestemming betekent overigens niet, dat er een verplichting bestaat voor een grondgebruiker om die bestemming te realiseren. 'Bestemming' heeft slechts een passieve betekenis: of een bestemming gerealiseerd wordt, is afhankelijk van het handelen van de rechthebbende(n) op de grond (eigenaar, huurder, pachter). Een bestemming geeft alleen aan welk handelen toegelaten is. Daaruit kan worden afgeleid dat ander handelen niet is toegelaten. De artikelen 2.1 en 2.2 van de Wabo en enkele andere wetten verbieden het handelen in strijd met het bestemmingsplan. Om misverstanden te voorkomen wordt bij de bestemming aangegeven wat “in ieder geval‟ beschouwd moet worden als in strijd met het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is een juridisch plan: de daarin opgenomen bepalingen zijn bindend voor burgers en bedrijven en voor de overheid. Bij het opstellen van de regels is zo veel mogelijk uitgegaan van het rapport Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) en de gemeentelijke standaard uit het bestemmingsplan “Venray”.
De regels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: ▪ Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten; ▪ Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels. Hierin worden de regels voor de op de verbeelding opgenomen bestemmingen gegeven; ▪ Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelbepaling, algemene aanduidingsregels en algemene afwijkings- en wijzigingsregels; ▪ Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen. Het belangrijkste doel van de planregels is om de bouw- en gebruiksregels van de verschillende bestemmingen aan te geven. Hoofdstuk 1: INLEIDENDE REGELS In dit hoofdstuk worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten. Hoofdstuk 2: BESTEMMINGSREGELS In deze artikelen worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen omschreven en wordt bepaald op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. Tevens worden per bestemming de bebouwingsmogelijkheden vermeld. Hoofdstuk 3: ALGEMENE REGELS Deze artikelen bevatten bepalingen die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen, zodat het uit praktische overwegingen de voorkeur verdient deze in een afzonderlijke paragraaf onder te brengen.
Hoofdstuk 4: SLOT- EN OVERGANGSREGELS Hier wordt omschreven welke gebouwen en gebruik vallen onder het overgangsrecht.
Vastgesteld – Bestemmingsplan ‘Leunseweg 6 Venray’ 35
7 UITVOERBAARHEID
7.1 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient in de toelichting inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. De gemeente is initiatiefnemer van het plan in samenwerking met de schoolbesturen Limburgs Voorgezet Onderwijs, Onderwijsgroep Buitengewoon en Stichting Primair Onderwijs Venray. De voorgenomen werken vindt plaats op gemeente-eigendom en zullen conform Wet Primair Onderwijs na realisatie deels in juridisch eigendom overgedragen worden aan de schoolbesturen. Alle financiële gevolgen verbonden aan het project worden gedekt uit een door de gemeenteraad afgegeven krediet, aangevuld met bijdragen vanuit de schoolbesturen. Gezien het voorgaande wordt het plan financieel uitvoerbaar geacht.
7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpbestemmingsplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. Omgevingsdialoog In het kader van de omgevingsdialoog is de wijk West Zuid op diverse manieren betrokken bij de beoogde ontwikkeling. Een eerste bijeenkomst voor de buurt heeft plaatsgevonden op 27 september 2022. Daarin hebben bewoners tips, ideeën en zorgen kunnen uiten over de voorgenomen plannen. Na deze bijeenkomst is een klankbordgroep geformeerd, bestaande uit 9 personen afkomstig verspreid uit de wijk. Op 26 januari 2023 is het concept ontwerp van het gebouw en de resultaten van het verkeersonderzoek besproken met de klankbordgroep en de deelnemende partijen. Vervolgens is met een afvaardiging van de klankbordgroep op 1 juni gesproken over het verder aangepaste ontwerp en de doorgevoerde aanpassingen. Ook is hierin uitleg gegeven over de keuzes op het gebied van parkeren en verkeer.
Nadere vormgeving van de infrastructuur en het park zal in de loop van 2023 en begin 2024 met de omgeving worden opgepakt. Hierbij wordt ook de klankbordgroep betrokken. Alle bij de omgevingsdialoog behorende stukken en verslagen zijn bijgevoegd als bijlage. Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit geeft aan dat het college van Burgemeester van Wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg dienen te plegen met betrokken instanties. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 3 november 2023 tot en met 14 december 2023 voor eenieder ter inzage gelegen. Er zijn tegen het ontwerpbestemmingsplan geen zienswijzen ingediend.
Vastgesteld – Bestemmingsplan ‘Leunseweg 6 Venray’ 36
8 PROCEDURE De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: ▪ Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; ▪ Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken; ▪ Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door eenieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; ▪ Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend; ▪ Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, binnen 6 weken na vaststelling; ▪ Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; ▪ Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroeps/inwerkingtreding termijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Indien beroep wordt ingediend, dat kan te allen tijde een voorlopige voorziening worden ingediend.
Vastgesteld – Bestemmingsplan ‘Leunseweg 6 Venray’ 37