04 Toelichting bp Leunseweg 6 Venray (Nieuwbouw Raayland Focus Spectrum)
Tekst van het document
BESTEMMINGSPLAN “Leunseweg 6 Venray” NL.IMRO.0984.BP23013-va01 Vastgesteld
Document:
Bestemmingsplan “Leunseweg 6 Venray”
IDN:
NL.IMRO.0984.BP23013-va01
Status:
Vastgesteld
Datum:
26 maart 2024
Bureau Leefomgeving B.V. Schoolstraat 7 5961 EE HORST 077 – 208 60 99 contact@bureauleefomgeving.nl www.bureauleefomgeving.nl
INHOUDSOPGAVE 1 INLEIDING .................................................................................................................................................................3 1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan .............................................................................................................................................. 3 1.2 Ligging van het plangebied..................................................................................................................................................................................... 4 1.3 Vigerend bestemmingsplan .................................................................................................................................................................................. 5 2 HUIDIGE SITUATIE ................................................................................................................................................7 3 BEOOGDE SITUATIE .............................................................................................................................................8 3.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan ...........................................................................................................................................
9 3.2 Stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten .............................................................................................................................................. 9 4 BELEIDSKADER .................................................................................................................................................... 12 4.1 Rijksbeleid ................................................................................................................................................................................................................. 12 4.2 Provinciaal beleid ................................................................................................................................................................................................... 14 4.3 Gemeentelijk beleid.............................................................................................................................................................................................. 16 5 RANDVOORWAARDEN/ RESULTATEN ONDERZOEKEN .................................................................... 19 5.1 Milieuaspecten.........................................................................................................................................................................................................
19 5.2 Externe veiligheid................................................................................................................................................................................................... 25 5.3 Water ......................................................................................................................................................................................................................... 26 5.4 Kabels, leidingen en straalpaden ..................................................................................................................................................................... 27 5.5 Natuur ........................................................................................................................................................................................................................ 28 5.6 Archeologie en cultuurhistorie ....................................................................................................................................................................... 30 5.7 Verkeer en parkeren ...........................................................................................................................................................................................
31 5.8 Niet-gesprongen explosieven .......................................................................................................................................................................... 33 5.9 Duurzaamheid......................................................................................................................................................................................................... 33 6 JURIDISCHE ASPECTEN .................................................................................................................................... 34 6.1 Toelichting op de verbeelding.......................................................................................................................................................................... 34 6.2 Toelichting op de planregels............................................................................................................................................................................. 34 7 UITVOERBAARHEID........................................................................................................................................... 36 7.1 Economische uitvoerbaarheid .........................................................................................................................................................................
36 7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid .................................................................................................................................................................. 36 8 PROCEDURE.......................................................................................................................................................... 37
Vastgesteld – Bestemmingsplan ‘Leunseweg 6 Venray’ 1
SEPARATE BIJLAGEN: 1. Inspectie beschermde natuurwaarden, Bureau Meervelt (d.d. 19 april 2022, kenmerk: 22-023) 2. Faunaonderzoek, Bureau Meervelt (d.d. 19 oktober 2022, kenmerk: 22-043) 3. Verkeersadvies, Kragten (d.d. 8 september 2023, kenmerk: VEN154) 4. Stikstofberekening sloopfase, AROM (d.d. maart 2023, kenmerk: 22VENR-STIKSZUID) 5. Stikstofberekening realisatie- en gebruiksfase, AROM (d.d. maart 2023, kenmerk: 22VENR-STIKSZUID2) 6. Verkennend bodem- en doorlatendheidsonderzoek, Hopveld advies (d.d. 25 september 2023. Kenmerk: 230110-R1) 7. Voorgrondbelasting berekening (V-Stacks) 8. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, Peutz (d.d. 31 augustus 2023, kenmerk: SB 1269-R-RA-001) 9. Omgevingsdialoog
Vastgesteld – Bestemmingsplan ‘Leunseweg 6 Venray’ 2
1 INLEIDING
1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan Aan de Zuidsingel in Venray is het Raayland College gevestigd. Het Raayland College betreft een middelbare school die al jaren op deze locatie is gevestigd. Op het terrein van het Raayland College zijn thans twee gebouwen gelegen, het westelijk gelegen gebouw betreft het voormalige schoolgebouw (waar vroeger het Boschveldcollege in was gevestigd) en het oostelijke gebouw waar thans het Raayland college in is gevestigd. Door teruglopende leerlingenaantallen staat het voormalige schoolgebouw al enige tijd leeg. Het dalende leerlingenaantal is iets waar de gemeente Venray in de laatste jaren meermaals mee te maken heeft gehad, zowel bij middelbaar als basisonderwijs. Zo zijn er in de afgelopen jaren als diverse basisscholen, voornamelijk in de kleine kernen, gesloten vanwege het dalende leerlingenaantal. Het leegstaande, verouderde schoolgebouw, zorgt vanwege het verplichte onderhoud voor financiële druk. Deze druk is voor de school niet te dragen aanzien deze juist door de krimp van het leerlingen aantal geen reserves meer heeft.
Afbeelding 1 Ligging en omgeving plangebied
Op steenworpafstand van het Raayland college ligt het speciaal (basis)onderwijscentrum Focus en Spectrum. Voorheen waren speciaal basisonderwijs (SBO) Focus en speciaal onderwijs (SO) Spectrum twee afzonderlijke scholen op twee locaties in de Venray. SBO Focus en SO Spectrum zijn al enige tijd intensief aan het samenwerken en zijn voornemens om samen door te gaan als één voorziening voor speciaal (basis)onderwijs voor leerlingen in Venray en omgeving. Het huidige gebouw waarin Focus en Spectrum gevestigd zijn voldoet enerzijds niet meer aan de hedendaagse eisen voor onderwijshuisvesting en anderzijds zijn ook de wensen en eisen van de onderwijsinstellingen veranderd door het samenvoegen van beide scholen. De gemeente is voornemens om voor beide onderwijscentra (SBO/SO Focus en Spectrum en Raayland college) een passende oplossing te bieden. Het voornemen bestaat dan ook om het voormalige schoolgebouw op het terrein van het Raayland college (grotendeels) te slopen en ter plaatse een nieuw schoolgebouw te realiseren waar de scholen Focus en Spectrum in kunnen landen. Op deze manier ontstaat een totaal oplossing voor twee onderwijshuisvestingsproblemen: Vastgesteld – Bestemmingsplan ‘Leunseweg 6 Venray’ 3
de leegstand bij het Raayland en de behoefte aan een nieuw schoolgebouw voor Focus en Spectrum. Gelijktijdig is aan de westzijde van het huidige Raayland college een kleinschalige uitbreiding voorzien ten behoeve van de uitbreiding techniekonderwijs. Ten behoeve van het mogelijk maken van de uitbreiding van het gebouw op termijn met de Wijnberg is voorzien in een groter bouwvlak, aan de oostzijde van het nieuw gebouw voor Focus en Spectrum, dan nu noodzakelijk voor de bouw van het nieuwe schoolgebouw van Focus en Spectrum. Voor wat betreft aspecten zoals verkeer en water wordt hier nu al in de eerste fase van de nieuwbouw rekening mee gehouden. Het beoogde nieuwe bestemmingsplan dient deze zaken dus planologisch mogelijk te maken. Conform het vigerende bestemmingsplan “Venray” is het terrein van het Raayland college weliswaar bestemd als ‘Maatschappelijk’, maar is het bouwvlak strak om de bestaande bebouwing gelegen. Het nieuw te realiseren schoolgebouw zal echter niet binnen dezelfde footprint opgebouwd worden waardoor delen buiten het bouwvlak zijn beoogd. Ook de kleinschalige uitbreiding is buiten het bouwvlak voorzien, daar het bouwvlak strak om te bebouwing is gelegen. Om de realisatie van het nieuwe schoolgebouw, en de uitbreiding van het Raayland, mogelijk te maken dient het bouwvlak gewijzigd te worden.
Op 30 juni 2022 heeft de gemeenteraad van Venray ingestemd met het realiseren van vervangende nieuwbouw ten behoeve van SBO Focus en SO Spectrum op het terrein van het Raayland college. Om de realisatie van het nieuwe schoolgebouw juridisch-planologisch vast te leggen is voorliggend bestemmingsplan, in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), opgesteld. Door middel van dit bestemmingsplan blijft de locatie grotendeels bestemd als ‘Maatschappelijk’ en wordt het bouwvlak gewijzigd ten behoeve van het nieuw te realiseren schoolgebouw.
1.2 Ligging van het plangebied Betreffende locatie (in het vervolg aangeduid als ‘het plangebied’) is gelegen aan de Zuidsingel, welke tevens de zuidelijke grens vormt van het plangebied. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Venray, sectie L, nummers 5776, 5777, 4530 en 4398 en heeft een oppervlakte van ruim 2,6 ha.
Afbeelding 2 Ligging en omgeving plangebied (rood; plangebied)
Het plangebied is op te splitsen in twee delen, aan de westzijde het oude (voormalige) schoolgebouw en aan de oostzijde het nieuwe schoolgebouw waar thans het Raayland college is gevestigd. Het oude en nieuwe schoolgebouw worden met
Vastgesteld – Bestemmingsplan ‘Leunseweg 6 Venray’ 4
elkaar verbonden middels een loopbrug. Rondom de beide gebouwen zijn enkele parkeerplaatsen, diverse fietsenstallingen en groen gelegen. Ook zijn er enkele delen ingericht als schoolplein. Aan de overzijde van de Zuidsingel zijn sportvelden gelegen, doormiddel van een loopbrug over de Zuidsingel wordt het schoolterrein verbonden met het aldaar gelegen sportveldencomplex. Het sportcomplex bestaat uit een sporthal, enkele voetbalvelden, een honkbalveld, hockeyvelden en een atletiekbaan. Door de brug over de Zuidsingel kunnen leerlingen van het Raayland op een veilige manier oversteken van school naar het sportcomplex, waar ook enkele fietsenstallingen zijn gesitueerd.
1.3 Vigerend bestemmingsplan De locatie maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan “Venray” van de gemeente Venray (vastgesteld d.d. 19 september 2017) en is hierin volledig bestemd als ‘Maatschappelijk’, voorzien van een bouwvlak rondom en de bebouwing met de maatvoeringseis ‘maximum goothoogte: 10 m’. De locatie is tevens voorzien van de gebiedsaanduiding ‘overige zone – radarverstoringsgebied’. Daarnaast is de locatie tevens voorzien van de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’, ‘Waarde – Archeologie 4’ en ‘Waarde – Archeologie 5’. Een klein gedeelte van het plangebied is voorzien van de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone - molenbiotoop’.
Afbeelding 3 Uitsnede vigerend bestemmingsplan (rood omlijnd; plangebied)
De voor ‘Maatschappelijk’ aangewezen gronden zijn bestemd voor maatschappelijke dienstverlening, al dan niet in combinatie met ondergeschikte activiteiten. Voor gebouwen geldt dat deze binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak dienen te worden gebouwd. Gezien de opgenomen maatvoeringsaanduidingen mag de goothoogte van de bebouwing maximaal 10 meter bedragen. De gronden die aangewezen zijn als ‘Waarde – Archeologie 3’, ‘Waarde – Archeologie 4’ en ‘Waarde – Archeologie 5’ zijn, behalve voor de daar voorkomende hoofdbestemming, mede bestemd voor de bescherming van de archeologische waarden in het gebied.
Vastgesteld – Bestemmingsplan ‘Leunseweg 6 Venray’ 5
Het initiatief voor de herontwikkeling van de locatie past niet binnen het vigerende bestemmingsplan. Het plangebied is weliswaar bestemd als ‘Maatschappelijk’ en voorzien van een bouwvlak. Het bouwvlak is strak om de bestaande bebouwing gelegen. Het nieuw te realiseren schoolgebouw zal echter niet binnen dezelfde footprint opgebouwd worden waardoor delen buiten het bouwvlak zijn beoogd. Om de realisatie van het nieuwe schoolgebouw mogelijk te maken dient het bouwvlak gewijzigd te worden.
Vastgesteld – Bestemmingsplan ‘Leunseweg 6 Venray’ 6
2 HUIDIGE SITUATIE Het plangebied is gelegen in de bebouwde kom van Venray, ten zuiden van het centrum, aan de Zuidsingel. De kern Venray is met circa 28.000 inwoners veruit de grootste kern van de gelijknamige gemeente Venray. Op het terrein van het Raayland College zijn thans twee gebouwen gelegen, het westelijk gelegen gebouw betreft het voormalige schoolgebouw (waar vroeger het Boschveldcollege in was gevestigd) en het oostelijke gebouw waar thans het Raayland college in is gevestigd. Tot enkele jaren geleden waren beide gebouwen in gebruik door het Raayland college echter is door het teruglopende leerlingenaantal enkel nog het nieuwe (westelijke) schoolgebouw in gebruik.
Raayland college (gebouwen van jongere leeftijd)
Voormalig Boschveldcollege
Afbeelding 4 Luchtfoto plangebied (rood; plangebied)
Het plangebied is gelegen ten zuiden van kern Venray. Kenmerkend voor de omgeving is de hoogbouw waardoor er een meer stedelijke uitstraling ontstaat. De zuidzijde van het plangebied wordt begrensd door de Zuidsingel. De Zuidsingel vormt samen met de Noord-, Oost en West-singel de buitenring rondom de kern Venray. Aan de overige zijde wordt het plangebied begrenst door omliggende bebouwing, bestaande uit overwegend woningen. Aan de oostzijde is tevens een frietkraam en het politiebureau gelegen.
Vastgesteld – Bestemmingsplan ‘Leunseweg 6 Venray’ 7
3 BEOOGDE SITUATIE De herontwikkeling van de locatie, in de vorm van vervangende nieuwbouw, bestaat uit het slopen van het voormalige Boschveldcollege en het realiseren van een nieuw schoolgebouw ten behoeve van SBO Focus en SO Spectrum. De locatie is thans bebouwd met meerdere gebouwen. Het westelijk gelegen gebouw betreft het voormalige schoolgebouw (het voormalige Boschveldcollege) en de nieuwere schoolgebouwen, waar thans het Raayland college in is gevestigd, zijn gelegen aan de oostzijde. Tot enkele jaren geleden had het Raayland college alle schoolgebouwen in gebruik maar door het teruglopende leerlingenaantal zijn de beschikbare vierkante meters aan schoolruimten vele male groter dan noodzakelijk. Het leegstaande, verouderde schoolgebouw, zorgt vanwege het verplichte onderhoud voor financiële druk. Deze druk is voor Stichting LVO niet de dragen. Middelen moeten hierdoor ingezet worden voor onderhoud in plaats van dat deze besteed worden aan onderwijs. Dat heeft gemaakt dat de stichting in gesprek is gekomen met de gemeente over deze problematiek. Op steenworpafstand van het Raayland college ligt het speciaal (basis)onderwijscentrum Focus en Spectrum. Voorheen waren speciaal basisonderwijs (SBO) Focus en speciaal onderwijs (SO) Spectrum twee afzonderlijke scholen op twee locaties in de gemeente Venray.
SBO Focus en SO Spectrum zijn al enige tijd intensief aan het samenwerken en zijn voornemens om samen door te gaan als één voorziening voor speciaal (basis)onderwijs voor leerlingen in Venray en omgeving. Het huidige gebouw waarin Focus en Spectrum gevestigd zijn voldoet enerzijds niet meer aan de hedendaagse eisen voor onderwijshuisvesting en anderzijds zijn ook de wensen en eisen van de onderwijsinstellingen veranderd door het samenvoegen van scholen. Het voornemen is ontstaan om het speciaal (basis)onderwijscentrum Focus en Spectrum op het terrein van het Raayland college te laten landen en zo een nieuwe onderwijslocatie te realiseren. Hiervoor dient het voormalige Boschveldcollege te worden gesloopt zodat er een passende en geschikte nieuwe school gerealiseerd kan worden ten behoeve van Focus en Spectrum. Op deze manier ontstaat een totaal oplossing voor twee onderwijshuisvestingsproblemen: de leegstand bij het Raayland en de behoefte aan een nieuw schoolgebouw voor Focus en Spectrum. Gelijktijdig zal aan de westzijde van het Raayland college een kleinschalige uitbreiding worden gerealiseerd (+- 350 m²) ten behoeve van een de uitbreiding van het techniekonderwijs.
Te behouden
Renovatie
Te slopen bebouwing (rood)
Nieuwbouw (geel)
Afbeelding 5 Te behouden, slopen, renoveren en nieuw te bouwen bouwdelen
Vastgesteld – Bestemmingsplan ‘Leunseweg 6 Venray’ 8
3.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan De doelstelling van dit bestemmingsplan is gericht op het planologisch mogelijk maken van het realiseren van vervangende nieuwbouw ten behoeve van SBO Focus en SO Spectrum op het terrein van het Raayland College. Bij de opstelling van dit bestemmingsplan zijn de volgende uitgangspunten leidend geweest: ▪ Het bestemmingsplan dient een adequate en duidelijke regeling te bevatten voor de realisatie van de vervangende nieuwbouw, alsmede de uitbreiding van het Raayland; ▪ Het voormalige schoolgebouw van het Boschveldcollege wordt gesloopt, behoudens een klein deel dat gerenoveerd wordt; ▪ De geldende gebiedsaanduidingen uit het vigerende bestemmingsplan dienen opnieuw te gelden; ▪ De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’, ‘Waarde – Archeologie 4’ en ‘Waarde – Archeologie 5’ dienen opnieuw te gelden, met uitzondering van de grond ter plaatse van de nieuwbouw; ▪ Ten behoeve van de uniformiteit van bestemmingsplannen binnen de gemeente Venray dient het onderhavige bestemmingsplan qua systematiek aan te sluiten bij het bestemmingsplan “Venray”, zoals dat thans voor het plangebied geldt. De uitgangspunten hebben geleid tot een bestemmingsplan waarin het plangebied (grotendeels) nog steeds bestemd is als ‘Maatschappelijk’.
Het bouwvlak ter plaatse van het Raayland college, is aan de westzijde aangepast naar de contouren van het nieuwe praktijklokaal voor het techniekonderwijs. Het bouwvlak ter plaatse van het voormalige Boschveldcollege is aangepast naar contouren van de nieuwbouw SBO Focus en SO Spectrum. Ter plaatse van het Raayland college geldt een bouwhoogte van 11 meter en ter plaatse van de nieuwbouw SBO Focus en SO Spectrum een bouwhoogte van 12 meter. Daarnaast is de bestemming ‘Groen’ ingepast ten behoeve van de infrastructurele maatregelen en de inrichting van de omliggende schoolomgeving met openbaar groen. Het gehele plangebied is daarnaast nog steeds voorzien van de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’, ‘Waarde – Archeologie 4’ en ‘Waarde – Archeologie 5’ (met uitzondering van de gronden ter plaatse van de nieuwbouw daar deze reeds diep geroerd zijn tijdens de sloopwerkzaamheden) en de gebiedsaanduiding ‘overige zone – radarverstoringsgebied’ zoals dat in het vigerende bestemmingsplan reeds het geval is.
3.2 Stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten Na de sloop van een deel van het Raayland college is er ruimte vrijgekomen voor de nieuwbouw van Focus Spectrum. De kavel aan de Zuidsingel is een zichtlocatie en vraagt om een markering van de hoek. Omdat er sprake is van een mogelijk uitbreiding in de toekomst (aan de oostzijde van het nieuwe schoolgebouw van SBO Focus en SO Spectrum) is hier rekening mee gehouden in het ontwerp. Ook het wegverkeerslawaai en de afwikkeling van taxi’s op eigen terrein aan de westzijde bepalen de positie van de nieuwbouw. Er is een alzijdig gebouw ontworpen met uitbreidingsmogelijkheden van het onderwijsdeel naar de oostkant. De hoofdentree is gepositioneerd aan de zuidzijde. Hier komen verschillende verkeersstromen en routes samen. Het hart van het gebouw wordt gevormd door de huiskamer, centrale ruimte en de patio. Daaromheen zijn 3 metselwerk volumes gepositioneerd met daarin onderwijs-, kantoor en sportfuncties. Het geheel wordt bij elkaar gehouden onder één dak. Door het toevoegen van een galerij is er de mogelijkheid om vanuit ieder lokaal naar buiten te gaan, zowel op begane grond als verdieping. Het onderwijsgebied voor kinderen wordt op deze manier vergroot en bied kansen voor onderwijs en de manier van lesgeven.
Het speelterrein voor de kinderen is voornamelijk gepositioneerd aan de noordzijde, de verkeersluwe en prikkelarme kant van het terrein. Rondom het gebouw worden infiltratievoorzieningen voor regenwater ingepast, mede in de vorm van een of meerdere wadi’s. Het betreft het regenwater van de nieuwbouw van Focus en Spectrum, alsook een deel van het Raayland College.
Vastgesteld – Bestemmingsplan ‘Leunseweg 6 Venray’ 9
Afbeelding 6 Impressie hoofdentree
Afbeelding 7 Impressie Zuidsingel
Vastgesteld – Bestemmingsplan ‘Leunseweg 6 Venray’ 10
Afbeelding 9 Impressie achteringang / zijde park
Afbeelding 8 Impressie zijde Zuidsingel
Vastgesteld – Bestemmingsplan ‘Leunseweg 6 Venray’ 11
4 BELEIDSKADER
4.1 Rijksbeleid 4.1.1 Nationale Omgevingsvisie Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en water robuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut.
Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3. Sterke en gezonde steden en regio's Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw.
Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte;
Vastgesteld – Bestemmingsplan ‘Leunseweg 6 Venray’ 12
2.
3.
Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten komst gaat van die van toekomstige generaties.
Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Relevante nationale belangen voor onderhavig initiatief zijn als volgt: ▪ Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; ▪ Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; ▪ Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; ▪ Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. Alhoewel de NOVI zich niet specifiek uit laat over dergelijke kleinschalige initiatieven betreft het een initiatief waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en waarbij er geen sprake is van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Geconcludeerd wordt dat met het initiatief wordt ingespeeld op de geformuleerde nationale belangen. 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen daarvan in werking getreden.
Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd. Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken. In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op Rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, het Nationaal Natuurnetwerk, de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer. Met het initiatief worden geen van de andere belangen geschaad. In het plangebied is verder geen sprake van een gebiedsreservering voor de lange termijn. Kortom, het initiatief is niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro.
4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de Ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.
Vastgesteld – Bestemmingsplan ‘Leunseweg 6 Venray’ 13
Sinds invoering van de ladder is er veel jurisprudentie ontstaan en is er veel over geschreven. De ladder werd als te ingewikkeld ervaren en zorgde voor veel onderzoekskosten. Per 1 juli 2017 is de regeling daarom gewijzigd. De drie treden uit de oorspronkelijke tekst worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”. De ladder is uitsluitend van toepassing als een ‘stedelijke ontwikkeling’ wordt gerealiseerd. Het begrip “stedelijke ontwikkeling” is daarbij als volgt gedefinieerd: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” De Afdeling is in een eerder zaak van oordeel geweest dat verplaatsing van een functie die al was toegestaan binnen datzelfde gebied waarbij de bebouwd oppervlakte niet toeneemt geen nieuwe stedelijke ontwikkeling is als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro.
Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is dan ook niet van toepassing (ABRvS 24 augustus 2016, ECLI: NL: RVS:2016:3216). De voorgenomen ontwikkeling voorziet het realiseren van vervangende nieuwbouw op het terrein van het Raayland college waarbij de bestemming niet gewijzigd wordt maar slechts de contouren van het bouwvlak gewijzigd worden ten behoeve van de nieuw te bouwen speciaal onderwijs school. Er hoeft dan ook niet aan de ladder getoetst te worden.
4.2 Provinciaal beleid 4.2.1 Provinciale Omgevingsvisie Limburg Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten de Provinciale Omgevingsvisie Limburg, met bijbehorend m.e.r vastgesteld. De Provinciale Omgevingsvisie is per 25 oktober 2021 in werking getreden. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt het voormalige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg’ (POL2014). In de Omgevingsvisie wordt de lange termijn visie (2030-2050) beschreven. Er wordt continue gezocht naar de goede balans tussen beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingsvisie komen vraagstukken aan bod, die er op provinciaal niveau echt toe doen. Daarnaast komen er ook autonome vraagstukken aan bod die van groot provinciaal belang zijn. Het Rijnlands model, dat staat voor overleg en samenwerking, solidariteit en vakmanschap en dat zich richt op de lange termijn, op waarden als kwaliteit en geluk, is hierbij het uitgangspunt. Het document is dynamisch en flexibel, dit biedt mogelijkheden om het document te actualiseren met het oog op (eventuele) toekomstige veranderingen. In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: 1. Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; a. In stedelijk c.q. bebouwd gebied; Zowel in de stedelijke centra als in de landelijke kernen liggen er diverse uitdagingen.
In stedelijke centra heeft dit met name te maken met de versterking van de stedelijkheid, in de landelijke kernen met het behoud van de leefbaarheid. Limburg is rijk aan volkscultuur en tradities en heeft een rijk verenigingsleven. Hoewel sociale verbanden zoals verenigingen vroeger vanzelfsprekend waren, staan deze nu steeds meer onder druk. Er zijn daarnaast uitdagingen op het gebied van de verbetering en verduurzaming van de woningvoorraad, de toegankelijkheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid van voorzieningen en het klimaatbestendig maken van de bebouwde omgeving. Ook kent het bebouwd gebied opgaven met betrekking tot de arbeidsmarkt en ruimte voor bedrijvigheid. b. In landelijk gebied; Limburg kent een uniek landschap en prachtige natuurgebieden. Dit is niet vanzelfsprekend. In het landelijk gebied ligt de nadruk op uitdagingen die te maken hebben met onder meer klimaatadaptatie, de
Vastgesteld – Bestemmingsplan ‘Leunseweg 6 Venray’ 14
2.
3.
transitie van de landbouw, de inpassing van energie en het zoeken van de balans tussen natuur(behoud), ruimtelijke kwaliteit en het mogelijk maken van ontwikkelingen. Daarnaast zijn schaalvergroting en leegstand van agrarische bebouwing, toeristisch-recreatief (mede)gebruik, biodiversiteit, stikstof en (grond)waterkwaliteit belangrijke thema’s. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; inclusief landbouwtransitie; Tot 2020 groeit het aantal banen in Limburg. De welvaart en het gemiddelde opleidingsniveau nemen toe, maar niet voor iedereen. Hoewel de werkloosheid gelijk is aan het landelijk gemiddelde (peildatum 2019, 3e kwartaal), is de bruto participatiegraad in Limburg relatief laag. In sectoren als de bouw, horeca en toerisme, zorg en ICT wordt een krapte op de arbeidsmarkt ervaren. Demografische ontwikkelingen maken dat de beroepsbevolking slinkt en het aantal ouderen toeneemt. Een bijzonder punt van zorg is de groeiende maatschappelijke tweedeling die zich ook fysiek uit in de vorm van de ruimtelijke concentratie van kwetsbare groepen. Samen met het verhogen van de arbeidsparticipatiegraad en het aantrekken van internationale werknemers kunnen ontwikkelingen als digitalisering, robotisering en automatisering het tekort aan arbeidskrachten – onder meer als gevolg van demografische ontwikkelingen – tegengaan.
Klimaatadaptieve en energietransitie; Klimaatverandering vergroot de kans op overstromingen en wateroverlast, hittegolven en hittestress en langdurige perioden van droogte. Dit brengt uitdagingen en veiligheidsoverwegingen, maar ook kansen met zich mee. Bijvoorbeeld het koppelen van thema's. Deze klimaatontwikkelingen hebben invloed op onze voedselvoorziening, de leefbaarheid, gezondheid en de natuur. Ook verandert de komende jaren de energievoorziening in Nederland fors. Deze energietransitie zal ook een grote impact hebben op de woon- en leefomgeving in Limburg. Energiebesparing in industrie, landbouw, woningen en mobiliteit én het accommoderen van de ruimtevraag voor de opwekking van duurzame energie, zoals zonne- en windenergie, zijn hierbij uitdagingen met impact op de omgeving.
De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: ▪ Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; ▪ Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Conform de Provinciale Omgevingsvisie richt de Provincie Limburg zich op het behouden van een breed, toekomstbestendig en kwalitatief goed onderwijs en het daarbij versterken van de wendbaarheid en inzetbaarheid van de Limburgse beroepsbevolking Op het gebied van onderwijs is de omgevingsvisie een op hoofdlijnen richtinggevend kader. De daadwerkelijke invulling wordt overgelaten aan regio’s en/ of gemeenten. Onderhavige ontwikkeling is dan ook passend binnen deze visie daar ingezet wordt op het versterken en behouden van twee onderwijslocaties. Het initiatief wordt hierna getoetst aan het regionaal c.q. het gemeentelijk beleid. De voorgenomen herontwikkeling is niet in strijd met de omgevingsvisie. 4.2.2 Omgevingsverordening 2021 In de Omgevingsverordening Limburg staan regels op het gebied van milieu, wegen, water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte.
Alle regels die betrekking hebben op het omgevingsbeleid zijn ondergebracht in één verordening, die grofweg twee typen regels bevat: ▪ Instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap; ▪ Regels voor activiteiten die rechtstreeks voor eenieder gelden of voor specifieke doelgroepen. De volgende regels uit de Ontwerp Omgevingsverordening zijn in dit geval van toepassing: ▪ Wonen, werken en recreëren. De ontwerp Omgevingsverordening is momenteel nog niet in werking getreden. Tot het moment dat de Omgevingswet Vastgesteld – Bestemmingsplan ‘Leunseweg 6 Venray’ 15
en de nieuwe Omgevingsverordening Limburg in werking treden, blijft de huidige verordening gelden. Hieronder is het initiatief getoetst aan de huidige verordening. 4.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 Tot het moment dat de Omgevingsverordening Limburg in werking treedt (verwachte inwerkingtreding: 1 juli 2023) geldt de Omgevingsverordening Limburg 2014 nog. De Omgevingsverordening bevat de juridische doorwerking van het omgevingsbeleid. Naast bepalingen die voor iedereen gelden (gedragsregels), bevat de Omgevingsverordening ook een hoofdstuk "Ruimte", waarin instructieregels naar gemeenten zijn opgenomen. De te maken regionale bestuursafspraken worden in de Omgevingsverordening Limburg geborgd. De Omgevingsverordening Limburg 2014 is op 12 december 2014 vastgesteld door Provinciale Staten en is per 16 januari 2015 in werking getreden. Sindsdien hebben allerlei wijzigingen van de Omgevingsverordening Limburg 2014 plaatsgevonden. In het kader van dit initiatief is de meest recente geconsolideerde versie geraadpleegd van december 2019. Voor wat betreft onderwijs zijn geen specifieke voorwaarden c.q. regels opgenomen in de Omgevingsverordening 2014. De daadwerkelijke invulling wordt overgelaten aan regio’s en/ of gemeenten. Het initiatief wordt hierna getoetst aan het regionaal c.q. het gemeentelijk beleid. De voorgenomen herontwikkeling is niet in strijd met de omgevingsvisie.
4.3 Gemeentelijk beleid 4.3.1 Toekomstvisie Venray 2030 Binnen de ‘Toekomstvisie Venray’ staat de vraag centraal hoe Venray eruit ziet in het jaar 2030. De toekomstvisie is tot stand gekomen op basis van de inbreng van ruim 1.500 inwoners van Venray. De gemeente Venray heeft voor de komende tien jaar de navolgende vijf concrete ambities geformuleerd: 1. zijn inwoners, hun netwerken, culturen en voorzieningen met elkaar verbonden; Ambitie in het jaar 2030: Om deze eerste ambitie te realiseren zal de gemeente Venray de komende tien jaar op actieve wijze initiatieven stimuleren en ondersteunen die ontmoeting en verbinding tussen verschillende leeftijdsgroepen of culturele groepen tot stand brengen. 2. woon je groen en sociaal; Ambitie in het jaar 2030: Tot 2030 is nog sprake van een bevolkingstoename in Venray. Desondanks kan je de komende tien jaar in Venray voor elke levensfase een passende woning vinden. De mismatch tussen inwoners en het woningaanbod is verleden tijd en er is een gedifferentieerd aanbod aan woningtypes en woonmilieus. 3. zorgt ondernemerschap met aandacht voor mens, dier en milieu, voor nieuwe economische kansen; Ambitie in het jaar 2030: Hergebruik, recycling en het gebruik van herbruikbare materialen is in 2030 de norm, waardoor we zowel de grondstoffenvoorziening als onze milieu-impact beperken.
Bovendien hebben we in 2030 de verantwoordelijkheid genomen voor onze eigen energievoorziening en zijn we aan de slag met energiebesparing, opwekking van duurzame elektriciteit en het gebruik van duurzame warmte. De energietransitie zet zich nog voort tot 2050. Dan willen we energieneutraal zijn. 4. stroomt kennis, creativiteit en vernieuwing; Ambitie in het jaar 2030: In de digitale en geautomatiseerde economie van 2030 is de beroepsbevolking kleiner en de vraag naar hoogopgeleide kenniswerkers groter, zo is de verwachting. Een leven lang leren is noodzakelijk geworden. In 2030 is de regionale arbeidsmarkt versterkt vanuit de driehoek bedrijven, onderwijs en overheid. 5. is iedereen mobiel. Ambitie in het jaar 2030: Het bevorderen van de bereikbaarheid staat hoog op de gemeentelijke en regionale agenda. Venray heeft in 2030 een veilig, toegankelijk en betrouwbaar mobiliteitssysteem met, waar mogelijk, schone en stille mobiliteit. De bovenstaande ambities zijn gebaseerd op een aantal trends en ontwikkelingen die geconstateerd zijn binnen de gemeente Venray. Deze trends en ontwikkelingen zijn:
Vastgesteld – Bestemmingsplan ‘Leunseweg 6 Venray’ 16
▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
andere invulling van de (schaarse) ruimte; klimaatverandering en energietransitie; nieuwe technologie; langer leven; nieuwe rolinvulling inwoners en overheid; toenemende diversiteit; veranderende economie.
Ten aanzien van het thema onderwijs, in het kader van de onderhavige ontwikkeling zijn in de toekomstvisie geen uitgangspunten geformuleerd. De ambitie is om de regionale arbeidsmarkt te versterken vanuit de driehoek bedrijven, onderwijs en overheid, waarbij geïnvesteerd wordt in stagemogelijkheden en om-, bij- en herscholing van de beroepsbevolking. De nieuwe technologieën hebben invloed op onderwijs, de arbeidsmarkt, het bedrijfsleven en het dagelijkse leven. Met het initiatief wordt ingezet op het verbeteren van het thans bestaande onderwijs doormiddel van het realiseren van een passende voorziening voor SBO Focus en SO Spectrum alsmede het kunnen behouden van de voorziening voor het Raayland college. De voorgenomen ontwikkeling voorziet dan ook in het versterken van onderwijs en faciliteren van scholingsmogelijkheden, derhalve is het initiatief passen binnen dit gemeentelijk beleidskader. 4.3.2 Omgevingsvisie Venray De gemeente Venray heeft, in het kader van de op handen zijnde Omgevingswet en door gewijzigde inzichten, op 2 november 2021 een nieuwe omgevingsvisie voor het grondgebied van de gemeente opgesteld. Daarin heeft de gemeente de nieuwe beleidsuitgangspunten voor ontwikkelingen in de gemeente opgenomen. De nieuwe omgevingsvisie biedt de basis van de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente en dient als ruimtelijk toetsingskader.
In de omgevingsvisie wil de gemeente laten zien voor welke uitdagingen de gemeente staat en waar zij als gemeente naar toe willen in de toekomst. De omgevingsvisie vormt de ruimtelijke vertaling van de strategische visie: de Toekomstvisie 2030 "Venray loopt voorop". De omgevingsvisie is samen met de input van inwoners, ondernemers en verenigingen tot stand gebracht. De gemeente wil de belangrijke waarden van Venray beschermen en versterken. Daarbij wordt aan de hand van ambities rekening gehouden met verschillende opgaven zoals de klimaatverandering, de energietransitie en de woningbouw om het woningtekort op te lossen. Belangrijk vraagstuk daarbij is hoe de gemeente er over 10 jaar uit zal zien. De ambities spelen een rol in ontwikkelingen binnen de verschillende deelgebieden. Het plangebied is gelegen binnen de zogenaamde ‘woongebieden’. Binnen de woongebieden staat een fijn woonklimaat voorop. Over een aantal jaar dienen de woongebieden in Venray veranderd te zijn in groene wijken waar jong en oud over een woning beschikken die past bij hun levensfase en levensstijl. Voor wat betreft onderwijs zijn er in de Omgevingsvisie Venray geen specifieke uitgangspunten en/of ambities opgenomen. Wel wordt aangegeven dat er een koppeling tussen de wijkwinkelcentra en de welzijn-, onderwijs- en zorgfuncties steeds belangrijker wordt.
Desondanks dat er geen specifieke uitgangspunten zijn gesteld voor wat betreft het onderwerp onderwijs is het aannemelijk dat het onderhavige planvoornemen passend is binnen de Omgevingsvisie Venray. Daar het initiatief inzet op het versterken en verbeteren van het onderwijs binnen de kern en het faciliteren van een passende en geschikte onderwijsvoorziening. Tevens voorziet het plan ook in het toevoegen van groen waarmee de kwaliteit van de woon- en leefomgeving wordt verbeterd. Ruimte om te sporten, spelen en te bewegen wordt met dit plan concreet gemaakt, naast nieuwe ontmoetingsplekken in de wijk.
Vastgesteld – Bestemmingsplan ‘Leunseweg 6 Venray’ 17
4.3.4 Energiestrategie 2030 In 2013 is de Energiestrategie 2030 voor de gemeenten Beesel, Venlo en Venray: ‘Energie voor groene groei’ vastgesteld. Door de gemeenteraad is daarbij de ambitie uitgesproken om in 2030 CO2 neutraal (ofwel energieneutraal met compensatiemaatregelen) te zijn. Op basis van deze visie is door het college het 2e uitvoeringsprogramma Energie Venray (2018-2021) vastgesteld. Met de energiestrategie en het bijbehorende UP zijn de doelstellingen en de gefaseerde uitvoering op lange en korte termijn uitgewerkt. De gemeente is voor het bereiken van de energiedoelen afhankelijk van alle energiegebruikers en energieleveranciers in de gemeente: bedrijfsleven huishoudens, instelling ect. De samenleving laat zich echter niet door de overheid sturen om energie te besparen of lokaal duurzaam op te wekken. Daarvoor moet er in de samenleving vooral ruimte zijn die leidt tot creativiteit en innovatie van de bedrijven en inwoners zelf. De overheid heeft daarin een rol als partner die samenwerkt, belemmeringen wegneemt, faciliteert en het goede voorbeeld geeft. De betrokkenheid van de overheid zorgt voor het aanjagen en versnellen van de gewenste ontwikkelingen.
Het streefbeeld in 2030 voor woningen laat zich als volgt schetsen: ▪ Gebouwen hebben de laagste energievraag; ▪ Gebouwen worden energiecentrales; ▪ Slimme netwerken zorgen voor optimale uitwisseling; ▪ 50% van de bestaande woningen en gebouwen zijn 50% energiezuiniger en 50% van de woningen voorziet in 100% van de eigen energievraag. In paragraaf 5.9 is reeds aan de orde gekomen welke duurzaamheidsmaatregelen met de herontwikkeling voorzien zijn.
Vastgesteld – Bestemmingsplan ‘Leunseweg 6 Venray’ 18
5 RANDVOORWAARDEN/ RESULTATEN ONDERZOEKEN Met de voorgenomen ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, milieuzonering, geluid, lucht, externe veiligheid voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van het initiatief voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.
5.1 Milieuaspecten 5.1.1 Bedrijven en milieuzoneringen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. de richtafstandenlijst; 2. twee omgevingstypen; 3. een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging. De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijst die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype). In de bijlagen wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijke relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie.
Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect (geluid, stof, stank en dergelijke) dat in de lijst is genoemd. Het plangebied is te typeren met het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Er is sprake van een matige of sterke functiemenging in en rondom het plangebied. In geval van het omgevingstype gemengd gebied kunnen de afstanden uit bijlage 1 van de VNG-publicatie – zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat – met één afstandstap worden verkleind, met uitzondering van de aspect gevaar. Onderhavige ontwikkeling voorziet niet in een functiewijziging, slechts in een aanpassing van het thans aanwezige bouwvlak. Er wordt dan ook geen nieuwe functie toegestaan. Derhalve vindt er geen verandering plaats ten opzichte van de richtafstanden vanuit de activiteit richting de omgeving en visa versa. Milieuzonering vormt derhalve geen belemmering voor de realisatie van het initiatief.
5.1.3 Bodem- en grondwaterkwaliteit Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen
Vastgesteld – Bestemmingsplan ‘Leunseweg 6 Venray’ 19
relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van het initiatief. Voor het initiatief is een verkennend bodemonderzoek1 uitgevoerd. De onderzoeksresultaten gegeven geen beperkingen op voor de voorgenomen ontwikkeling. Indien grond wordt afgegraven (bijvoorbeeld bij bouwwerkzaamheden) en elders wordt toegepast moet er rekening mee worden gehouden dat daarvoor een partijkeuring nodig is. De te onderzoeken gronden zullen pas na sloop van de bebouwing onderzocht worden, om planologisch te borgen dat deze onderzoeken uitgevoerd worden is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels. Hierdoor is het niet toegestaan op de gronden ter plaatse bebouwing te realiseren alvorens er een bodemonderzoek is uitgevoerd. Het aspect bodem vormt derhalve geen belemmering in het kader van de voorgenomen ontwikkeling. 5.1.4 Geluid Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Per 1 januari 2007 is de Wijzigingswet Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) in werking getreden.
In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer en spoorwegen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft (zie onderstaande tabel), met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Aantal rijstroken 5 of meer 3 of 4 1 of 2
Breedte van de geluidszone (in meters) Buitenstedelijk Stedelijk 600 350 400 350 250 200
Scholen betreffen geluidsgevoelige objecten. Dit houdt in dat er moet worden aangetoond dat (weg)verkeerslawaai ter plaatse geen negatieve effecten teweegbrengt voor gebruikers van de school. In feite mogen nieuwe geluidsgevoelige functies niet worden gerealiseerd, wanneer er een geluidbelasting van wegverkeer optreedt van 48 dB of hoger, tenzij ontheffing is verleend door het College van burgemeester en wethouders (mogelijk tot maximaal 63 dB). Als een nog hogere geluidbelasting wordt ondervonden is bebouwing alleen mogelijk als de bebouwing worden uitgevoerd met een dove gevel op de gevel(s) waar de geluidbelasting meer bedraagt dan 63 dB. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai2 uitgevoerd. Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan concluderend gesteld worden dat voor de nieuwbouw van Focus en Spectrum de geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeer op de Zuidsingel ten hoogste 53 dB bedraagt. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden, maar er vindt geen overschrijding plaats van de maximale ontheffingswaarde van 63 dB. Dit betekent dat onderzocht dient te worden of maatregelen om de geluidsbelasting te reduceren mogelijk zijn. Mochten dergelijke maatregelen niet mogelijk en/of doelmatig zijn, dienen voor de betreffende gevels hogere waarde in het kader van de Wgh te worden vastgesteld.
Hierbij dient eveneens te worden voldaan aan de eisen uit het gemeentelijke geluidbeleid. Qua maatregelen wordt de voorkeursvolgorde bron-overdacht-ontvangen aangehouden. De geluidsbelasting 1 Verkennend bodem- en doorlatendheidsonderzoek, Hopveld advies (d.d. 25 september 2023, Kenmerk: 230110-R1) 2 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, Peutz (d.d. 31 augustus 2023, kenmerk: SB 1269-R-RA-001)
Vastgesteld – Bestemmingsplan ‘Leunseweg 6 Venray’ 20
ten gevolge van de Sint Antoniusstraat bedraagt ten hoogste 42 dB, waarmee ruimschoots aan de voorkeursgrenswaarde wordt voldaan. Maatregelen bij de bron Ten aanzien van wegverkeerslawaai kunnen bronmaatregelen bestaan uit het toepassen van geluidreducerend asfalt of snelheidsverlaging. Snelheidsverlaging heeft een direct effect op de geluidemissie van wegverkeer. Het terugbrengen van de maximumsnelheid op de Zuidsingel wordt in voorliggende situatie niet realistisch geacht, aangezien dit de capaciteit van de weg zal verlagen. Toepassing van geluidreducerend asfalt is tevens een mogelijkheid om geluidemissie aan de bron te reduceren. Echter, dit is in stedelijke situaties om technische redenen niet altijd wenselijk. Het toepassen van geluidreducerend asfalt door de aanwezigheid van zwaar en wringend verkeer ter hoogte van kruisingen en opstelvlakken zal leiden tot een verkorte levensduur van de wegdekken. Dit heeft vervolgens hoge kosten en overlast voor de bewoners tot gevolg. Gezien de locatie nabij de kruising Sint Antoniusstraat en het huidige SMA-wegdek is toepassing van dit type wegdek vanuit financieel oogpunt niet doelmatig. Maatregelen in het overdrachtsgebied Overdrachtsmaatregelen kunnen bestaan uit het plaatsen van schermen of geluidswallen.
Gezien de ligging van de voorgenomen ontwikkeling is het treffen van een maatregel in het overdrachtsgebied eveneens niet effectief. Tevens is bij het bepalen van de positie van het gebouw op het beschikbare perceel reeds rekening gehouden met het verloop van de geluidscontouren. Aangezien de afscherming van een geluidgevoelig gebouw voor een goede effectiviteit een behoorlijke lengte en hoogte dient te hebben, nemen de kosten voor een geluidsscherm al snel toe. Bovendien geldt als vuistregel bij het plaatsen van schermen tussen de bron en het plangebied, dat het scherm, om effectief te zijn, ten minste de zichtlijn tussen de bron en ontvanger moet onderbreken. Derhalve kan gesteld worden dat de plaatsing van geluidsschermen geen geschikte maatregel is. Maatregelen bij de ontvanger Indien bron- en overdrachtsmaatregelen niet mogelijk of onvoldoende blijken te zijn om de geluidbelasting vanwege wegverkeer tot de voorkeursgrenswaarde te reduceren, kunnen voorzieningen aan of in het gebouw worden gerealiseerd door middel van het waarborgen van het binnen niveau. Hogere waarden kunnen op grond van het geluidbeleid van de gemeente slechts worden vastgesteld indien aan de ontheffingsvoorwaarden wordt voldaan. In het geval van woningen staat daarbij het realiseren van een geluidluwe gevel centraal.
Conform het geluidbeleid van de gemeente is een gevel geluidluw wanneer de voorkeurswaarde voor elk van de te onderscheiden geluidbronnen niet overschreden wordt. Wanneer aangesloten wordt bij deze beoordelingssystematiek zou dat betekenen dat het onderwijsgebouw ten minste één geluidluwe gevel moet hebben. Daar de voorkeursgrenswaarde aan de noordgevel niet overschreden worden, kan deze als geluidluw beschouwd worden. Hiermee wordt aan deze eis voldaan. Wat betreft het akoestisch binnen niveau zal bovendien worden voldaan aan de nieuwbouweisen conform het Bouwbesluit 2012. Binnen het gebouw zal daarmee een goed akoestisch verblijfsklimaat ten gevolge van wegverkeer worden gewaarborgd. Het aspect geluid vormt derhalve geen belemmering in het kader van de voorgenomen ontwikkeling, echter dient er wel een procedure gevolgd te worden om een hogere waarde vast te stellen.
5.1.5 Luchtkwaliteit Vastgesteld – Bestemmingsplan ‘Leunseweg 6 Venray’ 21
Algemeen Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekende mate' is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land.
Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uitgegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Voor het initiatief is de toename van verkeer van belang in relatie tot de luchtkwaliteit. Gezien de beoogde situatie is een toename van verkeersbewegingen aannemelijk. Uitgaande van een worst-case scenario is er sprake van 152 verkeersbewegingen per etmaal. (nadere toelichting aantal verkeersbewegingen paragraaf 4.7). Met behulp van de NIBM-tool 2022 is bepaald of dit extra verkeer in betekende mate invloed heeft op de luchtkwaliteit. Uit de berekening blijkt dat de toename van het verkeer ruimschoots onder NIBM valt.