CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

04 Kleindorp 11 Merselo ontwerpbestemmingsplan Toelichting

Gemeenteraad 12 april 2022, gemeente VenrayBij agendapunt: Bestemmingsplan Kleindorp 11 Merselo13.817 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4.4.6

Bestemmingsplan

Voor het plangebied vigeert het volgende bestemmingsplan: Naam bestemmingsplan

Bestemming

Vaststelling Raad

bestemmingsplan Merselo - bestemming 'Wonen' 16 december 2014 - dubbelbestemming Waarde Archeologie - 2 respectievelijk 4 - gebiedsaanduiding luchtvaartverkeerszone - gebiedsaanduiding vrijwaringszone molenbiotoop

| bestemmingsplan Kleindorp 11 Merselo | status: ontwerp |

Pagina | 3 1

Afbeelding: Uitsnede verbeelding

Binnen deze bestemming is het bij afwezigheid van een bouwvlak niet mogelijk om woningen te bouwen. Daarom is het noodzakelijk om een bestemmingsplanherziening te doen.

| bestemmingsplan Kleindorp 11 Merselo | status: ontwerp |

Pagina | 3 2

Hoofdstuk 5 Milieu-planologische aspecten 5.1

Geluidhinder

De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen) en geluidsgevoelige terreinen (onder meer woonwagenstandplaatsen). Uit art. 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen voorzien zijn van een geluidzone, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. De zonebreedte is afhankelijk van het gebied (stedelijk of buitenstedelijk) en het aantal rijstroken. Binnen de zones moet een akoestisch onderzoek worden verricht. De voorkeursgrenswaarde voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen bedraagt in die zone op de buitengevel 48 dB (art. 82 Wgh).

Kleindorp en Grootdorp zijn aangewezen als wegen met een maximumsnelheid van 30 km/h, evenals de overige wegen in de kern Merselo. Het plangebied valt niet binnen een haaks op de weg gelegen geluidszone van overige wegdelen. Op 20 mei 2021 is door K-Plus een akoestische beschouwing opgesteld ten behoeve van het bepalen van het woon- en leefklimaat. Uit de berekeningen blijkt dat de gevelbelasting, zou deze worden getoetst volgens de systematiek van de Wet geluidhinder, zal voldoen aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Daarmee is aangetoond dat er sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat. Vanuit verkeerslawaai zijn er geen belemmeringen om het plan te realiseren. Het onderzoek is integraal als bijlage toegevoegd. Spoorweglawaai In de nabijheid van het plangebied zijn geen spoorlijnen gesitueerd.

5.2

Bodem- en grondwaterkwaliteit

In het kader van het onderhavige plan wordt binnen het plangebied een nieuwe bodemgevoelige functie toegelaten in de vorm van een woning. Voordat door middel van een omgevingsvergunning nieuwe functies mogelijk worden gemaakt zal er inzicht moeten zijn of de bodem- en grondwaterkwaliteit een dergelijke bebouwing en gebruik ook mogelijk maken.

In december 2020 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door HMB (rapportage is als bijlage toegevoegd). In dit onderzoek is het volgende geconcludeerd: 'Op basis van de resultaten van het uitgevoerde vooronderzoek is geconcludeerd dat de laag gebroken dakpannen en gebroken puin (deellocatie B) en de druppelzone van de asbestverdachte dakbedekking (deellocatie C) verdacht is ten aanzien van een

| bestemmingsplan Kleindorp 11 Merselo | status: ontwerp |

Pagina | 3 3

(bodem)verontreiniging met asbest. Voor het overige is de onderzoekslocatie (deellocatie A) onverdacht ten aanzien van bodemverontreiniging. De opzet van het (bodem)onderzoek is gebaseerd op de NEN 5707, de NEN 5740 en de NEN 5897.

Gehele onderzoekslocatie (deellocatie A) Geconcludeerd wordt dat de hypothese “onverdachte locatie” geen stand houdt. In de grond zijn geen gehalten boven de achtergrondwaarden aangetoond en in het grondwater zijn licht verhoogde gehalten cadmium en nikkel aangetoond. Voor de verhoogde gehalten cadmium en nikkel in het grondwater zijn geen duidelijke oorzaken of bronnen aan het licht gekomen. Het aantreffen van verhoogde gehalten metalen is een bekend verschijnsel in de provincie Limburg, derhalve kan gesteld worden dat de verontreiniging in het grondwater verhoogde achtergrondgehalten betreffen. Asbestverdachte materialen tussen gebroken dakpannen en gebroken puin (deellocatie B) Geconcludeerd wordt dat de deelhypothese “verdachte locatie” stand houdt. In de laag gebroken dakpannen en gebroken puin ten zuiden van de schuur is asbest aangetoond in gehalten boven de maximale samenstellingswaarde. De verhoogde gehalten asbest zijn te relateren aan de asbesthoudende materialen in de betreffende laag.

Druppelzone asbestverdachte dakbedekking schuur (deellocatie C) Geconcludeerd wordt dat de deelhypothese “verdachte locatie” geen stand houdt. In de grond ter plaatse van de druppelzone van de asbestverdachte dakbedekking is geen asbest aangetoond in een gehalte hoger dan de interventiewaarde en de rapportagegrens. Hierbij dient opgemerkt te worden dat ter plaatse van proefgat A02, onder de tegelverharding, de laag asbesthoudende gebroken dakpannen en gebroken puin is aangetroffen. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt een belemmering / beperking voor het gebruik van de onderzoekslocatie. Of de vastgestelde milieuhygiënische kwaliteit van de gebroken dakpannen- en gebroken puinlaag een belemmering vormt voor de voorgenomen onroerend zaak transactie is afhankelijk van hetgeen partijen overeenkomen.

Aanbevelingen Aangezien de gewogen gehalten asbest in de laag gebroken dakpannen en gebroken puin ten zuiden van de schuur de maximale samenstellingswaarde overschrijden, is een nader onderzoek conform het gestelde in de NEN 5897 “Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat” noodzakelijk. Het onderzoek is onder Kwalibo (een onderdeel van het Besluit bodemkwaliteit) uitgevoerd. Het betreft echter geen partijkeuring. Bij afvoer van grond of verhardingsmaterialen van de locatie kan er sprake zijn van verwerkingskosten. Door derden kan, ongeacht de resultaten van dit (bodem)onderzoek, een keuring van de af te voeren partij verlangd worden.'

| bestemmingsplan Kleindorp 11 Merselo | status: ontwerp |

Pagina | 3 4

5.3

Luchtkwaliteit

De regels inzake luchtkwaliteit kennen het onderscheid tussen 'kleine' en grote' projecten. Kleine projecten dragen niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in het Besluit “Niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)”. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten - die jaarlijks meer dan 3 procent van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van PM10 en NO2 bijdragen- een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. De Regeling 'Niet in betekenende mate bijdragen' bevat regels omtrent de aanwijzing van categorieën van gevallen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer (Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)). Voor woningbouw geldt dat woningbouwprojecten van netto niet meer dan 1500 woningen (in geval van één ontsluitingsweg) niet in betekende mate bedragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit (art. 4 lid 1 Besluit NIBM jo. art. 4 lid 2, bijlage 3B.2 Regeling NIBM).

Het onderhavige project valt met één woning zonder meer onder de Regeling NIBM. Luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor het project.

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Risicovolle inrichtingen (Bevi)

De veiligheid rond bedrijven wordt gereguleerd in de vigerende milieuvergunning (of een geldende Algemene Maatregel van Bestuur) en het Besluit externe veiligheid inrichtingen van 21 oktober 2004 (Bevi). In het Bevi worden specifieke regels opgenomen voor specifieke risicovoIle inrichtingen. Het gaat hierbij onder meer om inrichtingen in het kader van het Besluit risico's zware ongevallen 1999, LPG-tankstations, inrichtingen waar gevaarlijke (afval)stoffen of bestrijdingsmiddelen in emballage van meer dan 10.000 kg worden opgeslagen, inrichtingen met een koel-of vriesinstallatie met meer dan 400 kg ammoniak. In het Bevi heeft iedere risicovolle inrichting een veiligheidszone gekregen. Dit heet de plaatsgebonden risicocontour (PR-contour). Binnen deze contour mogen nieuwe kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen, grootschalige kantoren, hotels, winkelcentra, campings) of beperkt kwetsbare objecten (zoals verspreid liggende woningen, bedrijfswoningen dan wel bedrijfsgebouwen van derden, kleinere kantoren, hotels en winkels, sporthallen, zwembaden) niet of niet zonder meer worden opgericht. Het Bevi gaat uit van een PR-contour 10-6/jr.

Het kan gaan om inrichtingen waarbij door middel van een vaste afstand wordt voldaan aan deze contour (zogenaamde “categoriale inrichtingen”) en inrichtingen waarbij deze contour individueel moet worden berekend (Quantitative Risk Assement (QRA)). Dit is geregeld in Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi).

| bestemmingsplan Kleindorp 11 Merselo | status: ontwerp |

Pagina | 3 5

Bij het nemen van een planologisch besluit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan) moet het bevoegd gezag deze contour in acht nemen voor kwetsbare objecten. Hierbij geldt de PR-contour 10-6/jr. als grenswaarde. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de contour als richtwaarde, d.w.z. in principe moet PR 10-6/jr. aangehouden worden, maar er mag gemotiveerd van worden afgeweken. Naast het plaatsgebonden risico kent het Bevi ook het groepsrisico (GR). Het groepsrisico geeft aan wat de kans is op een ongeval met ten minste 10, 100 of 1000 dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde bron. Het aantal personen dat in de omgeving van de bron verblijft bepaalt daardoor mede de hoogte van het groepsrisico. Voor het GR geldt geen harde juridische norm (zoals de PR-contour 10-6/jr. wel is) maar een zogenaamde oriënterende waarde. Het berekende groepsrisico wordt weergegeven in een curve, waarbij de kans op een ongeval wordt uitgezet tegen het aantal mensen dat daarbij omkomt. In dezelfde grafiek wordt de oriënterende waarde uitgezet. Als die wordt overschreden door een ruimtelijke ontwikkeling moet dat worden verantwoord. Hiermee wordt in beeld gebracht of en in welke mate het bevoegd gezag het GR wel of niet aanvaardbaar vindt, al dan niet na het nemen van maatregelen.

De woning is te kwalificeren als een kwetsbaar object. Volgens de Risicokaart van de provincie Limburg liggen in de directe omgeving van het plangebied (binnen een straal van 400 meter) geen risicovolle inrichtingen.

5.4.2

Vervoer gevaarlijke stoffen

Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Daarmee wordt de opdracht aan het bevoegd gezag voor ruimtelijke besluiten nadrukkelijk vastgelegd om rekening te houden met de risico's van transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor. In het basisnet is de omvang voor de verschillende transportmodaliteiten vastgelegd. De dichtstbijzijnde weg waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt is de N270 (Deurneseweg). De PR-contour 10-6/jr bedraagt hier 0 meter; het plangebied ligt op een afstand van ruim 2,5 km. Het plangebied bevindt zich verder ruim 5 km van de spoorlijn Nijmegen-Venlo. Ten aanzien van het plaatsgebonden risico blijkt dat de PR-contour 10 -6/jr.is gelegen op 10 meter van de as van de spoorlijn. Het plangebied ligt hier ruim achter.

5.5

Milieuzonering

Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt milieuzonering gehanteerd. Hieronder wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woongebieden. Om milieuzonering hanteerbaar te maken wordt gebruik gemaakt van de Staat van bedrijfsactiviteiten zoals die is opgenomen in de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering'.

| bestemmingsplan Kleindorp 11 Merselo | status: ontwerp |

Pagina | 3 6

5.5.1

Bedrijven en Milieuzonering; Staat van bedrijfsactiviteiten

De indeling van de bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten is vastgelegd een Staat van bedrijfsactiviteiten die is opgenomen in de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering', van maart 2009. In deze Staat worden bedrijfsactiviteiten ingedeeld in een zestal categorieën met toenemende potentiële milieuemissies. Op grond van deze Staat kan een beleidsmatige selectie worden gemaakt van de op het plangebied toe te laten bedrijfsactiviteiten. De bedrijven zijn op basis van de Standaard Bedrijfs Indeling (SBI-codes) in deze Staat gerangschikt. Per bedrijfsactiviteit is voor elk ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven die in beginsel moet worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: het betreft 'gemiddelde' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; de richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstype 'rustige woonwijk' , 'rustig buitengebied' of vergelijkbare omgevingstypen; de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten.

De grootste afstand van de milieucomponenten vormt de indicatie voor de aan te houden afstand van de bedrijfsactiviteit tot een milieugevoelig object. Elk bedrijf c.q. bedrijfsactiviteit wordt in een bepaalde milieucategorie ingedeeld. De milieucategorie is direct afgeleid van de grootste afstand. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kortere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype 'gemengd gebied', dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. In zo'n geval is het ruimtelijk aanvaardbaar dat de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd.

5.5.2

Invloed milieuhinder op het plangebied

Het plangebied bevindt zich in de rand van de bebouwde kom van Merselo en betreft een inbreidingslocatie, gelegen tussen burgerwoningen. In de directe nabijheid (binnen een straal van 150 meter) van het plangebied bevinden zich enkele maatschappelijke bestemmingen welke geheel passend zijn in een woonomgeving en een bedrijf. Het betreft achtereenvolgens de volgende locaties: Adres

soort bedrijf

richtafstand

feitelijke afstand

Kleindorp 2

kerkhof

10 m

120 m

Coppelenberg 3-3a

schoolgebouw

30 m

105 m

Kleindorp 5

utiliteitsbouw

max. 30 m

105 m

Coppelenberg 1

nutsvoorziening

max. 30 m

105 m

Alle richtafstanden worden ruimschoots gehaald, zodat er geen sprake is van belemmeringen van functies onderling.

Aan de overzijde van het plangebied liggen agrarische gronden. Hierom moet rekening worden | bestemmingsplan Kleindorp 11 Merselo | status: ontwerp |

Pagina | 3 7

gehouden met de spuitzone die hierbij kan horen. Voor wat betreft het spuiten van gewassen zijn geen wettelijke voorschriften over de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt, en nabijgelegen gevoelige objecten. Het ontbreken van dergelijke voorschriften laat echter onverlet dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen dient plaats te vinden, waarbij de aan te houden afstand tussen akkerbouwgronden en gevoelige objecten zodanig gekozen dient te worden dat een aanvaardbaar leefklimaat kan worden gegarandeerd. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder overwogen dat toepassing van de vuistregel om een afstand aan te houden van 50 m tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk is (uitspraak van 27 mei 2015 in zaak nr. 201410309/1/R6). Dit brengt echter niet reeds met zich dat een kortere afstand in dit geval niet redelijk zou kunnen zijn. Dit hangt mede samen met de hoogte van de gewassen (hoe hoger, des te meer sprake er kan zijn van drift), windrichting, soort bestrijdingsmiddelen en frequentie van spuiten. De heersende windrichting is zuid-west.

De nieuwe woning is gepland ten westen van de (mogelijk te spuiten) agrarische gronden, zodat drift in beginsel van de woning af gaat. Aan alle zijden rondom de nieuw te realiseren woning zijn reeds een woning van derden gelegen. Het bouwvlak waarbinnen de nieuwe woning wordt gerealiseerd, bevindt zich binnen een afstand van 50 meter uit deze agrarische gronden. Echter, ingeval van spuiten van gewassen, dient de agrariër al rekening te houden met woningen van derden die dichter bij de te bewerken gronden zijn gesitueerd. Indien hiermee rekening wordt gehouden, kan gesteld worden dat ook ter plaatse van onderhavig plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat garandeerd kan worden en de agrariër in zoverre niet in zijn bedrijfsvoering wordt belemmerd.

5.6

Kabels, leidingen en straalpaden

5.6.1

Inleiding

Ruimtelijk relevante leidingen en straalpaden worden op de plankaart en in de planvoorschriften geregeld. Leidingen met ongevaarlijke stoffen zoals hoofdwatertransportleidingen, afvalwatertransport-/rioolpersleidingen zijn in beginsel niet opgenomen in het bestemmingsplan, tenzij door de leidingbeheerder de noodzaak voor opname is aangetoond. Een vereiste voor opname in het bestemmingsplan is dat de opgave van de ligging van de leidingen op digitale wijze dient te geschieden. Dit in verband met het bepalen van de exacte ligging.

5.6.2

Gas-, olie-, brandstof- of watertransportleidingen en hoogspanningskabels

Een buisleiding die wordt gebruikt voor transport van gevaarlijke stoffen, vormt een risico voor de veiligheid. Als de leiding gaat lekken, kunnen de gevaarlijke stoffen vrijkomen en ontstaat er een kans op explosie, vergiftiging van mensen of dieren of verontreiniging van het milieu. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zoals dit per 1 januari 2011 geldt, staan veiligheidseisen voor de exploitant en de gemeente. Exploitanten hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn. Gemeenten moeten buisleidingen in

| bestemmingsplan Kleindorp 11 Merselo | status: ontwerp |

Pagina | 3 8

hun bestemmingsplannen opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen. In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen leiding- of hoogspanningkabeltracés welke belemmerend zijn voor het project.

5.6.3

Obstakelbeheer- en radarverstoringsgebied

Het plangebied bevindt zich niet binnen een straalpad van telecomvoorzieningen. Wel ligt het plangebied in het radarverstoringsgebied dat hoort bij de radar die staat op vliegbasis Volkel. Objecten hoger dan 65 meter boven NAP binnen een straal van 28 km van het radarstation kunnen aanleiding geven tot verstoring van het radarbeeld en zijn derhalve in beginsel niet toegestaan. Op de algemene hoogtekaart van Nederland is te zien dat het plangebied is gelegen op zodanige hoogte, dat met de planregels de toegestane bouwhoogte van het "object" niet boven 65 meter boven NAP uit zal komen en dus geen belemmering vormt voor de radarverbinding. Gelet op het bovenstaande mag worden gesteld dat met het onderhavige bestemmingsplan de belangen van defensie niet worden geschaad.

5.6.4

Niet gesprongen explosieven

Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Het gehele grondgebied van de gemeente Venray heeft in de Tweede Wereldoorlog zwaar onder vuur gelegen. Bij eventuele grondwerkzaamheden in het besluitgebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven (NGE). Met behulp van het explosievenonderzoek worden de aanwezigheid en risico's van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht. De gemeente Venray adviseert bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detectieonderzoek uit te (laten) voeren.

| bestemmingsplan Kleindorp 11 Merselo | status: ontwerp |

Pagina | 3 9

Hoofdstuk 6 Waterparagraaf 6.1

Waterbeleid

Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Venray als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. Concreet betekent dit dat er sprake moet zijn van gescheiden schoon- en vuilwaterstromen die afzonderlijk worden verwerkt. Vanuit de eisen genoemd in de Toetssteen Openbare Ruimte 2019 van de gemeente Venray gelden daarbij de volgende uitgangspunten: 1. afkoppelen van 100% van het verhard oppervlak, waarbij de beslisboom verantwoord afkoppelen van toepassing is; 2. de trits vasthouden-bergen-afvoeren is van toepassing, waarbij hergebruik dan wel infiltratie van schoon regenwater de voorkeur heeft; 3. verontreiniging van het water dient door bronmaatregelen voorkomen te worden; 4. grondwateroverlast dient voorkomen te worden; 5. een gelimiteerde afvoer naar het oppervlaktewatersysteem is toegestaan; 6. bij inbreidingslocaties dient een voorziening gerealiseerd te worden met een minimale inhoud van 40 mm met een overloop naar maaiveld of oppervlaktewater. Ook in het kader van het beleid van het waterschap dient binnen het projectgebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden, hetgeen betekent dat er sprake moet zijn van gescheiden schoon- en vuilwaterstromen die afzonderlijk worden verwerkt.

Vanuit het waterschap Limburg gelden daarbij de volgende uitgangspunten: 1. Circa 10% van het plangebied reserveren voor water. Doorgaans zijn lager gelegen gebiedsdelen het meest geschikt. Nagaan of plangebied nodig is voor wateropgave van omliggende gebieden; zorgen dat geen logische waterstructuren worden geblokkeerd. 2. Rekening houden met hoogteverschillen in plangebied en omgeving. Voorkomen van wateroverlast en erosie door afstromend water vanuit de omgeving naar het plangebied en andersom. 3. Uitvoeren van bodem- en infiltratieonderzoek en bepalen grondwaterstand. Input voor ontwerpen van het hemelwatersysteem. Denk ook aan bodemverontreinigingen. 4. Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwaliteit. Schoonhouden, scheiden, zuiveren. 5. Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwantiteit. Hergebruik water, vasthouden in de bodem (infiltratie), tijdelijk bergen, afvoeren naar oppervlaktewater, afvoeren naar gemengd of DWA-riool. 6. Toepassen voorkeurstabel afkoppelen. Verantwoorde systeemkeuze conform voorkeurstabel; maatwerk per situatie. Bij voorkeur toepassen van bovengrondse waterhuishoudkundige voorzieningen. Bij diepte-infiltratie gelden zeer strenge randvoorwaarden; liever geen diepte-infiltratie toepassen. 7. Voldoende opvangcapaciteit en een duurzame leegloop realiseren.

Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren op 100 mm per etmaal voor Noord Limburg (ten noorden van Sittard) en 80 mm per twee uur ten zuiden van Sittard met een

| bestemmingsplan Kleindorp 11 Merselo | status: ontwerp |

Pagina | 4 0

beschikbaarheid van de gehele berging binnen 24 uur. 8. Beheer en onderhoud regelen. Denk aan bereikbaarheid, controlemogelijkheid, verantwoordelijkheid.

6.2

Waterhuishoudkundige situatie plangebied

Binnen het plangebied moet een duurzaam waterhuishoudkundig systeem aanwezig zijn om de hoeveelheid regenwater te verwerken dat gelet op het ter plaatse aan de orde zijnd (nieuw) afvoerend verhard oppervlak van globaal 200 m² (bebouwing inclusief erfverhardingen) binnen het plangebied valt. Het plangebied is op de grondwaterkaart van Nederland gelegen binnen grondwatertrap VII. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstanddieptes (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. De gemiddeld hoogste grondwaterstand in grondwatertrap VII ligt tussen 80 en 140 centimeter gemeten vanaf het maaiveld. De gemiddeld laagste grondwaterstand ligt dieper dan 120 centimeter vanaf maaiveld. De bodem bestaat uit hoge zwarte enkeerdgronden en lemig fijn zand. Uit gegevens van het Waterschap Limburg blijkt dat de bodem van het plangebied een matig infiltrerend vermogen heeft: de K-waarde van de bodem ligt tussen de 0,45 en 0,75 m/dag.

Voor de bepaling van de capaciteit van de gekozen infiltratievoorziening dient, conform het beleid van het waterschap Limburg, het afwateringssysteem gedimensioneerd te worden op een bui van 100 millimeter. Dit betekent dat de voorziening over een bergend vermogen van 20 m3 dient te beschikken. Er zal worden voorzien in een infiltratievoorziening voor 20 m3 waardoor de kans op problemen als gevolg van hemelwater zoveel mogelijk voorkomen zullen worden. Deze open dan wel gesloten infiltratievoorziening zal geïntegreerd worden in de tuin behorende bij de woning en kan gerealiseerd worden in de vorm van een vijver, verlaging in het erf (wadi) of bijvoorbeeld een grindkoffer of krat.

Afvoer van huishoudelijk afvalwater dient plaats te vinden via het aanwezige rioleringssysteem.

Bouwmaterialen De gemeente Venray streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het pakket duurzaam bouwen. Er zal derhalve, voorzover relevant, geen gebruik worden gemaakt van uitlogende bouwmaterialen.

| bestemmingsplan Kleindorp 11 Merselo | status: ontwerp |

Pagina | 4 1

Hoofdstuk 7 Juridische vormgeving 7.1

Algemeen

Het bestemmingsplan heeft als doel het planologisch-juridisch kader te geven voor de ontwikkeling van het beschreven plan. De nadere juridische invulling is gedetailleerd geregeld. Dit bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: plantoelichting planregels; verbeelding. Bij het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Waar dat noodzakelijk was , is afgeweken van de standaard en is het plan specifiek toegesneden op de feitelijke situatie in het onderhavige plangebied. De plansystematiek voldoet aan de volgende RO-standaarden 2012: Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012; PraktijkRichtlijn BestemmingsPlannen (PRBP) 2012; Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten (STRI) 2012.

7.2

Planmethodiek

Er is, volgens de Wro, gekozen voor een analoge en digitale verbeelding van het plan. Aan de bestemmingen zijn bouw- en gebruiksregels gekoppeld die direct inzichtelijk maken welke ontwikkelingen zijn toegestaan. Verbeelding en regels bieden een directe bouwtitel voor bebouwing en gebruik. Verder is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de systematiek van het bestemmingsplan Merselo.

7.3

Verbeelding

In de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis ingevolge het voorliggende plan, indien en voor zover deze in de regels daaraan wordt gegeven. Als een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis heeft, is deze niet opgenomen in de verbeelding. Ten behoeve van de leesbaarheid is het plan wel op een topografische ondergrond gelegd. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in de hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn bij de verbeelding opgenomen in een renvooi. Opgemerkt wordt nog dat de analoge en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen, immers de wijze van raadplegen is ook verschillend. Inhoudelijk zijn geen verschillen te vinden.

| bestemmingsplan Kleindorp 11 Merselo | status: ontwerp |

Pagina | 4 2

7.4

Planregels

De planregels zijn ondergebracht in inleidende regels, in bestemmingsregels, in algemene regels en in overgangs- en slotregels.

De Inleidende regels (hoofdstuk 1) bestaan uit begrippen en de wijze van meten, teneinde te voorkomen dat discussie ontstaat over de interpretatie van de regels. In de Begrippen (artikel 1) wordt een omschrijving gegeven van de in de regels gehanteerde begrippen. Als gebruikte begrippen niet in deze lijst voorkomen, dan geldt de uitleg/interpretatie conform het dagelijks taalgebruik. In het artikel over de "Wijze van meten" (artikel 2) worden de te gebruiken meetmethodes vastgelegd.

Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingen. De bestemmingen vangen steeds aan met de bestemmingsbenaming. Daarna wordt in de doeleindenomschrijving weergegeven voor welke doeleinden de betreffende gronden bestemd zijn. Indien er sprake zou kunnen zijn van conflicterende belangen, is er een nadere detaillering van de doeleinden opgenomen waarin wordt vermeld welke doeleinden prevaleren. Vervolgens wordt in de bebouwingsregeling aangegeven welke bouwwerken bij recht mogen worden opgericht en welke situerings- en maatvoeringseisen hiervoor gelden. In sommige bestemmingen wordt bovendien nader ingegaan op de toegestane voorzieningen. Vervolgens is een gebruiksbepaling opgenomen waarin wordt aangegeven dat gronden en opstallen niet in strijd met de bestemming mogen worden gebruikt. Voor de duidelijkheid is in een aantal situaties aangegeven die in ieder geval in strijd met de bestemming worden geacht.

In de Algemene regels (hoofdstuk 3) zijn opgenomen de Anti-dubbeltelbepaling, de algemene bouwregels, de algemene afwijkingsregels, de algemene wijzigingsregels, de algemene procedureregels voor wijzigingen, ontheffingen en nadere eisen en de overige regels. Binnen het plangebied liggen enkele zones welke bestemmingsoverschrijdend zijn. Hierbij dient gedacht te worden aan de luchtvaartverkeerszone van het militaire vliegveld ‘De Peel’ en de bij de molen behorende molenbiotoop. Voor deze zones zijn gebiedsaanduidingen opgenomen en de bijbehorende regelingen die daar ter plaatse van toepassing zijn, staan verwoord in de ‘Algemene aanduidingsregels’.

In de Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4) zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen.

Omdat onderhavig bestemmingsplan slechts een partiële herziening inhoudt, zijn in de regels ook slechts de gewijzigde bepalingen opgenomen.

| bestemmingsplan Kleindorp 11 Merselo | status: ontwerp |

Pagina | 4 3

Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid, kostenverhaal en planschade De realisatie van het project geschiedt voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeentelijke financiën zijn hierbij niet in het geding. De gronden zijn niet belast met beperkt zakelijke rechten van derden. In een tussen de gemenete Venray en initiatiefnemer af te sluiten overeenkomst, zal het planschadeverhaal worden geregeld. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventueel te vergoeden planschade niet voor rekening van de gemeente Venray komt maar voor rekening van de initiatiefnemer. Verder is er sprake is van een bouwplan in de zin van de grondexploitatiewet en zal er een anterieure overeenkomst gesloten moet worden.

| bestemmingsplan Kleindorp 11 Merselo | status: ontwerp |

Pagina | 4 4

Hoofdstuk 9 Procedure en maatschappelijke uitvoerbaarheid 9.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het project is in vroegtijdig stadium al besproken in een vergadering van de Dorpsraad Merselo en ook met de aangrenzend eigenaren en huurders. Allen hebben kennis kunnen nemen van de schetsen en van niemand is vernomen dat er overwegende bezwaren zijn tegen het project.

Omgevingsdialoog Omwonenden zijn door initiatiefnemer op de hoogte gesteld van de plannen. Een verslag van deze omgevingsdialoog is aan het bevoegd gezag ter hand gesteld.

9.2

Procedure

Elk nieuw bestemmingsplan ontstaat uit een initiatief. De totstandkoming begint met de beslissing dat een bestemmingsplan zal worden opgesteld. Conform artikel 3.1.1. Bro worden de provincie Limburg en Waterschap Limburg in het kader van dit bestemmingsplan betrokken in het vooroverleg. Artikel 3.8 Wro regelt de procedure van het bestemmingsplan. Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Hierbij zijn een aantal aanvullingen: 1. kennisgeving, zoals bedoeld in artikel 3:12 Awb, dient tevens te worden gepubliceerd in de Staatscourant en langs elektronische weg te worden verzonden; 2. het ontwerpbestemmingsplan dient te worden verstuurd aan het Rijk, provincie, waterschappen en aan de besturen van bij het plan een belang hebbende gemeenten; 3. kennisgeving aan de eigenaren van percelen welke de bestemming in de naaste toekomst zal worden verwezenlijkt; 4. door een ieder kunnen zienswijzen naar voren worden gebracht; 5. de gemeenteraad beslist binnen 12 weken na de ter inzagetermijn, omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Dit betreft een termijn van orde.

Binnen twee weken wordt het besluit tot vaststelling bekend gemaakt. Indien door Gedeputeerde Staten (GS) een zienswijze is ingediend en deze niet volledig is overgenomen, dan vindt bekendmaking plaats binnen zes weken na vaststelling. Dit geldt tevens indien de gemeenteraad wijzigingen aanbrengt in het ontwerp. In deze gevallen zend het college na vaststelling onverwijld een afschrift van het raadsbesluit aan GS. Indien het Rijk of de provincie gebruik wil maken van haar aanwijzingsbevoegdheid gaat deze termijn niet op. Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan wordt dan, met uitsluiting van het onderdeel waarop het aanwijzingsbesluit ziet, samen met het aanwijzingsbesluit bekend gemaakt.

| bestemmingsplan Kleindorp 11 Merselo | status: ontwerp |

Pagina | 4 5

Het besluit treedt in werking 1 dag na afloop van de beroepstermijn.

Overleg In het kader van het wettelijk overleg zal onder meer overleg plaatsvinden met Waterschap Limburg en provincie Limburg. De resultaten hiervan zullen te zijner tijd hieronder opgenomen worden.

Inspraak en zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan Het ontwerp-besluit tot wijziging van het bestemmingsplan heeft gedurende 6 weken, tot en met <........>, voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn <wel/geen> zienswijzen ingediend.

| bestemmingsplan Kleindorp 11 Merselo | status: ontwerp |

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11353891/1