03 Zienswijzenrapport
Tekst van het document
23
2 mei 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW4570) de bevestiging wordt gevonden dat de toerekening van de kosten van werken, werkzaamheden en maatregelen aan de uitgeefbare gronden in het exploitatieplan niet heeft plaatsgevonden in strijd met de criteria profijt, toerekenbaarheid en proportionaliteit, zoals bedoeld in artikel 6.13 lid 6 Wro. De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 29 november 2010 is niet duidelijk, nu er, voor zover wij hebben kunnen nagaan, op die datum door de Afdeling geen uitspraak is gedaan over een exploitatieplan. Reclamant 6b geeft daarbij aan dat het gaat om een uitspraak met nummer 200904489/1/R1, wat een uitspraak is van 9 februari 2011 (Beverwijk). Ervan uitgaande dat reclamant 2 hier doelt op laatstgenoemde uitspraak, wordt ook in die uitspraak de bevestiging gevonden dat de toerekening van de kosten van werken, werkzaamheden en maatregelen aan de uitgeefbare gronden in het exploitatieplan niet heeft plaatsgevonden in strijd met de criteria profijt, toerekenbaarheid en proportionaliteit, zoals bedoeld in artikel 6.13 lid 6 Wro. 3.
De stelling van reclamant 6b, inhoudende dat in het vastgestelde bestemmingsplan niet inzichtelijk is hoe en op welke wijze voldaan wordt aan de eisen die de Wro stelt ten aanzien van exploitatieplan, is onjuist maar daarnaast ook onbegrijpelijk. Zoals hiervoor is aangegeven is, in dit stadium van de procedure, van een vastgesteld bestemmingsplan geenszins sprake. Daarnaast wordt dit inzicht niet verkregen in het ontwerpbestemmingsplan maar in het (ontwerp van het) exploitatieplan. Reclamant 6b laat voorts na te onderbouwen op welke onderdelen het ontwerpexploitatieplan niet zou voldoen aan de eisen die de Wro stelt aan exploitatieplannen, en meer in het bijzonder de toepassing van de criteria zoals bedoeld in artikel 6.13 lid 6 Wro. De stelling van reclamant 6b dat de gehanteerde inbrengwaarden worden betwist, is zonder nadere onderbouwing onbegrijpelijk en daardoor onjuist te achten. De stelling van reclamant 6b dat het gehanteerde percentage toerekening van de gronden wordt betwist, is eveneens zonder nadere onderbouwing onbegrijpelijk en daardoor onjuist te achten. Reclamant 6b geeft aan dat ‘immers’ niet duidelijk en niet controleerbaar is waarop deze bedragen zijn gebaseerd. Dit standpunt is, gezien het vorenstaande, onjuist te noemen, maar is voorts onbegrijpelijk nu reclamant 6b nalaat dit standpunt nader te motiveren.
Zo ligt aan de raming van de kosten van de inbrengwaarden een taxatie van een onafhankelijke deskundige ten grondslag, welke taxatie als bijlage bij het exploitatieplan is opgenomen. Voorts is de stelling dat een en ander niet controleerbaar is, onjuist te noemen, nu dit inzicht in de hiervoor aangehaalde paragrafen en in de exploitatieopzet alsmede de daarbij behorende bijlagen van het exploitatieplan op gemotiveerde wijze is verstrekt. Ik verwijs u voor dit onderdeel mede naar de schriftelijke reactie van de taxateur, gedateerd 16
oktober 2020 welke als bijlage 1 bij deze zienswijzennota is opgenomen. 4.
De stelling van reclamant 6b dat de besluitvorming tot vaststelling van het bestemmingsplan ongemotiveerd en onzorgvuldig tot stand is gekomen, is eveneens onjuist en daarnaast onbegrijpelijk te noemen, nu in dit stadium deze vaststelling van het bestemmingsplan niet heeft plaatsgevonden en het bij dit onderdeel van de zienswijze niet gaat om onderdelen van een bestemmingsplan maar van een exploitatieplan.
24
Conclusie: 1.
De zienswijze, voor zover deze is ingediend namens reclamant 6a en 6c en betrekking heeft op het ontwerpexploitatieplan, niet-ontvankelijk te verklaren;
2.
Vast te stellen dat de zienswijze voor zover ingediend namens reclamant 6b,geen aanleiding geeft tot aanpassing van het exploitatieplan.
2.7
Zienswijze reclamant 7
Ontvankelijkheid
Schriftelijke zienswijze ingekomen 4 augustus 2020.
De zienswijze is binnen de gestelde termijn ingediend.
De zienswijze is inhoudelijk onderbouwd.
De zienswijze is ingediend door DLV Advies, namens xxx (hierna: reclamant 7). Bij de zienswijze is geen machtiging overgelegd waaruit volgt dat DLV Advies gemachtigd is tot het indienen van de zienswijze namens reclamant. aangenomen wordt dat DLV over een dergelijke machtiging beschikt. Voor zover de zienswijze is gericht op (onderdelen van) het ontwerpexploitatieplan, is van belang dat reclamant niet geldt als (mede-)eigenaar van gronden gelegen in het gebied van het ontwerpexploitatieplan. Met reclamant is voorts geen anterieure overeenkomst over grondexploitatie gesloten met betrekking tot gronden gelegen in het exploitatieplan. In de zienswijze wordt nagelaten aan te geven dat voor reclamant anderszins sprake is van een belang dat rechtstreeks bij het ontwerpexploitatieplan is betrokken. Nu de zienswijze, wat betreft het ontwerpexploitatieplan, is gericht tegen (onderdelen van) de exploitatieopzet behorende tot het ontwerpexploitatieplan, wordt reclamant gezien het vorenstaande niet aangemerkt als belanghebbende bij het ontwerpexploitatieplan en mitsdien niet-ontvankelijk verklaard in de namens hem ten aanzien van dat onderdeel ingediende zienswijze.
Reclamant heeft zowel tegen het ontwerp bestemmingsplan als tegen het ontwerp exploitatieplan een zienswijze ingediend. In dit eindrapport wordt alleen ingegaan op de zienswijzen gericht tegen het ontwerp exploitatieplan. De beantwoording van de zienswijzen tegen het ontwerp bestemmingsplan zal plaatsvinden in het bij die procedure behorende eindrapport zienswijzen. Zienswijze Reclamant stelt dat ten behoeve van het ontwerpplan een planschaderisicoanalyse is uitgevoerd en opgesteld. Deze is als bijlage 15 bij het exploitatieplan gevoegd. In de planschaderisicoanalyse is aangegeven dat alleen de daarin genoemde woningen binnen de invloedssfeer liggen van het nieuwe bedrijventerrein. De woning van reclamant is echter op kortere afstand van het nieuwe bedrijventerrein gelegen dan de woningen gelegen aan de Overloonseweg. Daarmee is de woning van reclamant eveneens binnen de invloedssfeer van het nieuwe bedrijventerrein gelegen en had deze in de planschaderisicoanalyse meegenomen moeten worden. Er is daarmee, aldus reclamant, geen goede afweging gemaakt van mogelijke risico’s voor planschade in relatie tot de woning van reclamant. Gezien de mogelijke beperkingen die het nieuwe bedrijventerrein voor de
25
bedrijfsvoering van de reclamant tot gevolg heeft, is de kans dat reclamant planschade lijdt als gevolg van het nieuwe bedrijventerrein reëel. Reactie op de zienswijze 1.
Zoals aangegeven is de zienswijze, voor zover deze is gericht tegen het ontwerpexploitatieplan, niet-ontvankelijk te achten. Dit om reden dat reclamant niet geldt als eigenaar van gronden in het exploitatieplangebied, met hem geen anterieure overeenkomst over grondexploitatie is gesloten en in de zienswijze wordt nagelaten aan te geven dat voor reclamant anderszins sprake is van een belang dat rechtstreeks bij het ontwerpexploitatieplan is betrokken. Daarbij is van belang dat de zienswijze zich richt op de in het exploitatieplan opgenomen raming van de kosten van planschaden. Dit is een onderdeel van de exploitatieopzet van het ontwerpexploitatieplan. Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat voor de ontvankelijkheid dient te worden gekeken naar tegen welk onderdeel van het exploitatieplan de zienswijze is gericht. Is dit tegen de exploitatieopzet, dan is voor de belanghebbendheid vereist dat hij/zij kan worden geconfronteerd met een exploitatiebijdragetoepassing. Voor reclamant geldt dat hij niet kan worden geconfronteerd met een exploitatiebijdrage uit het exploitatieplan, nu zijn eigendommen niet gelegen zijn binnen het exploitatieplangebied.
2.
Voor zover deze zienswijze geacht is te zijn gericht tegen het onderdeel economische uitvoerbaarheid van het ontwerpbestemmingsplan, wordt opgemerkt dat door de gemeente op 2 november 2020 een anterieure overeenkomst over grondexploitatie is gesloten met het Ontwikkelbedrijf Greenport Venlo. Ingevolge deze overeenkomst komen door de gemeente te betalen vergoedingen voor planschade die het gevolg zijn van het bestemmingsplan ‘De Spurkt’, voor rekening van het Ontwikkelbedrijf.
Conclusie De zienswijze, voor zover deze betrekking heeft op het ontwerpexploitatieplan, niet-ontvankelijk te verklaren.
26
3 Ambtshalve wijzigingen in het exploitatieplan De Spurkt Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen zijn er geen wijzigingen van het exploitatieplan ten opzichte van het ontwerpplan ingevoerd. Er zijn wel inhoudelijke ambtshalve wijzigingen doorgevoerd. Hieronder volgt een overzicht van deze ambtshalve wijzigingen.
1. Onder paragraaf 1.1. is de juiste versie van de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan De Spurkt ingevoegd. 2. In paragraaf 3.7, tabel 3.2. is een onterechte verwijzing naar de EU-drempel bij de meervoudig onderhandse procedure bij leveringen en diensten, verwijderd.
3. In bijlage 1 is een titel ingevoerd (redactionele wijziging).