CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

03 Veldstraat 23 paardenbak-met bijlagen

Gemeenteraad 30 juni 2022, gemeente VenrayBij agendapunt: Ontwerp verklaring van geen bedenkingen rijbak Veldstraat 23 Merselo12.543 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ruimtelijke onderbouwing

Veldstraat 23 Merselo

14-4-2022

2

Veldstraat 23 Merselo Ruimtelijke onderbouwing RAPPORTNUMMER DATUM

361.RO.01 14-4-2022

KIEVITSHAM 62 5333 GE HOENZADRIEL WWW.PLANW.NU TELEFOONNUMMER: 06-48461485 EMAIL: INFO@PLANW.NU

3

4

Inhoudsopgave ............................................................................................................................................................. 1 Hoofdstuk 1 Inleiding .............................................................................................................................. 7 1.1 Aanleiding ...................................................................................................................................... 7 1.2 Ligging plangebied ......................................................................................................................... 7 1.3 Vigerend(e) bestemmingsplan(nen) .............................................................................................. 8 1.4.

Waarom een ruimtelijke onderbouwing ................................................................................. 9

1.5 Leeswijzer ...................................................................................................................................... 9 Hoofdstuk 2 Planbeschrijving ................................................................................................................ 10 2.1 Beschrijving huidige situatie plangebied ..................................................................................... 10 2.2 Beschrijving toekomstige situatie plangebied............................................................................. 12 Hoofdstuk 3 Beleidskader ..................................................................................................................... 14 3.1 Rijksbeleid.................................................................................................................................... 14 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) ........................................................................................ 14 3.1.2 Ladder voor duurzame verstelijking ..................................................................................... 15 3.2 Provinciaal beleid ........................................................................................................................ 16 3.2.1 Omgevingsverordening Limburg 2014 ................................................................................. 16 3.3.

Gemeentelijk beleid ................................................................................................................... 16 3.3.1 Bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010 ..................................................................... 16 Hoofdstuk 4 sectorale aspecten ............................................................................................................ 18 4.1 Milieu ........................................................................................................................................... 18 4.1.1 Geurhinder veehouderij ....................................................................................................... 18 4.1.2 Geluid wegverkeer ............................................................................................................... 18 4.1.3 Bodem .................................................................................................................................. 19 4.1.4 Externe veiligheid ................................................................................................................. 20 4.1.5 Bedrijven en milieuzonering ................................................................................................. 20 4.1.6 Luchtkwaliteit .......................................................................................................................

22 4.2 Archeologie en cultuurhistorie .................................................................................................... 23 4.2.1 Archeologie........................................................................................................................... 23 4.2.2 Cultuurhistorie...................................................................................................................... 24 4.3 Water ........................................................................................................................................... 25 4.3.1. Onderzoek ........................................................................................................................... 25 4.4 Flora en Fauna ............................................................................................................................. 25 4.4.1 Wettelijk kader ..................................................................................................................... 25 4.4.2 Onderzoek ............................................................................................................................ 26 5

Conclusie ....................................................................................................................................... 27 4.5 Verkeer en parkeren.................................................................................................................... 27 Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid ................................................................................................................ 28 5.1 Economische uitvoerbaarheid ..................................................................................................... 28 5.1.1 Beoordeling .......................................................................................................................... 28 5.1.2 Conclusie .............................................................................................................................. 28 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ............................................................................................. 28

Bijlagen: -

Aeres Milieu B.V., Rapport Archeologisch verkennend veldonderzoek door middel van boringen Veldstraat 23 te Merselo (gemeente Venray). Definitief (versie 2), 11 april 2022 Plan W, inrichtingsplan Veldstraat 23 Merselo. 14 april 2022

6

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding De eigenaren van het perceel Veldstraat 23 te Merselo houden hobbymatig paarden en hebben hiertoe in hun achtertuin een paddock/ rijbak/ paardenbak gerealiseerd. Deze bak heeft geen officiële afmetingen. De bak heeft als doel om de paarden te kunnen huisvesten en trainen. De bak werd oorspronkelijk met name gerealiseerd om in perioden dat weidegang niet mogelijk is, de paarden los te kunnen laten lopen. In de praktijk wordt de bak hobbymatig gebruikt om de paarden te trainen (berijden). In deze ruimtelijke onderbouwing wordt het verder paardenbak genoemd, dit dekt de lading het best. Op het perceel is een stal voor de paarden aanwezig. De paardenbak is strijdig met de bestemming. Om de paardenbak te kunnen legaliseren dient de gemeente Venray een projectbesluit te nemen, met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a onder 3° Wabo. Het oprichten van de paardenbak past namelijk niet binnen het geldende bestemmingsplan. Een dergelijk besluit dient vergezeld te gaan van een goede ruimtelijke onderbouwing. De voorliggende ruimtelijke onderbouwing dient hiertoe.

1.2 Ligging plangebied De paardenbak is gelegen ten zuidwesten van de kern Merselo, gemeente Venray. Het perceel ligt aan een bebouwingslint met afwisselend woningen en (agrarische) bedrijvigheid.

Figuur 1.1 Ligging plangebied Bron: Pdok

7

De paardenbak is gerealiseerd achter de reguliere woning op het adres Veldstraat 23. Ten westen van het perceel is een agrarisch bouwvlak toegekend aan Veldstraat 25. Aan de oostkant is recentelijk de bestemming gewijzigd naar Wonen.

1.3 Vigerend(e) bestemmingsplan(nen) De vigerende bestemmingsplannen voor het plangebied betreffen “Buitengebied Venray 2010” (vastgesteld 14 december 2010) en “Buitengebied Venray 2010, herziening regels” (vastgesteld 1 november 2016). Ter plaatse van de paardenbak gelden de enkelbestemmingen 'Wonen' en ‘Agrarisch met waarden’ met twee gebiedsaanduidingen (luchtvaartverkeerszone en reconstructiewetzoneverwevingsgebied) en dubbelbestemmingen 'Waarde – Archeologie 3', ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Esgronden’. De gronden zijn behalve voor het wonen respectievelijk agrarisch gebruik mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. En voor de bescherming van de landschapswaarden waarbij de openheid op het akkercomplex typerend is voor de lokale omstandigheden in het gebied en voor de bescherming van infiltratiegebied als belangrijk onderdeel van het hydrologisch systeem. Een toets van het initiatief aan deze archeologische en de waarden van de esgronden is gedaan in hoofdstuk 4.2.1., 4.2.2. en 4.3.

Figuur 1.2 Bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010

Voor het plan om de paardenbak te legaliseren is op 10 november 2021 een aanvraag omgevingsvergunning ingediend voor de activiteit bouw, werk of werkzaamheden uitvoeren en handelen in strijd met regels RO. De beslissing wordt voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure. 8

1.4. Waarom een ruimtelijke onderbouwing Op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het bijbehorende Besluit omgevingsrecht (Bor) kan de gemeente Venray meewerken aan legalisatie van de paardenbak door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning ex artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 van de Wabo, waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

1.5 Leeswijzer In deze toelichting wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande en toekomstige situatie van het plangebied. Daarbij komen zowel de ruimtelijke als functionele opbouw aan bod. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 het aanwezige beleidskader behandeld. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de sectorale aspecten en volgen de randvoorwaarden die voortkomen uit planologische- en milieuaspecten. In hoofdstuk 5 wordt ten slotte de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan behandeld.

9

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Beschrijving huidige situatie plangebied Aan de Veldstraat 23 te Mersolo heeft de eigenaar van het perceel kadastraal bekend gemeente Venray, sectie Z perceelsnummers 287 en 399 een paddock ingericht die ook hobbymatig als rijbak wordt gebruikt. Deze paardenbak is achter de bestaande woning gerealiseerd, op ongeveer 7,5m van de achtergevel van de woning.

Figuur 2.1 plangebied (Bron: service.pdok.nl).

10

De paardenbak is voorzien van een hekwerk van ca. 1.4m, worteldoek en een zandbed (zonder vlokken) en moet als zodanig worden beschouwd als een bouwwerk. Bij de aanleg van de bak is hiertoe slechts de bovenlaag van de grond geëgaliseerd. De ondergrond is intact gebleven.

Figuur 2.2 de bestaande paardenbak (linkerfoto) en gedeelte van de wei (rechterfoto).

Ten oosten van de woning (vanaf de weg gezien aan de linkerzijde) is een schuur gerealiseerd. De schuur wordt gebruikt voor de huisvesting van 3 paarden, waarvoor inpandig 3 paardenboxen zijn gerealiseerd. Verder dient de schuur voor opslag van hooi, stro en ander (tuin)materiaal. Voor de schuur is separaat vergunning verleend. De mest gaat op een aanhanger die wekelijks wordt afgevoerd. Het perceel ligt wordt zijdelings afgeschermd door de bebouwing van buurerven en beplanting op het eigen erf en buurerven. Ook de voorzijde van het perceel (vanaf de weg) is ruimschoots voorzien van wintergroene beplanting. De paddock/ rijbaken wordt derhalve vanaf de Veldstraat nauwelijks waargenomen (zie figuur 2.3). Ook de direct omwonenden links en rechts hebben niet of nauwelijks zicht op de bak vanwege al aanwezige beplanting op de erfgrenzen.

11

Figuur 2.3 Zicht vanaf de Veldstraat op de paardenbak, met links op de voorgrond de schuur en rechts de woning.

2.2 Beschrijving toekomstige situatie plangebied In de gewenste toekomstige situatie wordt de bestaande paardenbak behouden en de functie ervan gecontinueerd. De paardenbak wordt hobbymatig gebruikt voor het trainen/ berijden van de eigen paarden en voor het los laten lopen van de eigen paarden. Het trainen/ berijden vindt ongeveer 2 x in de week plaats gedurende ongeveer een uur. De paardenbak wordt aan de achterzijde afgeschermd met een haag volgens het beplantingsplan. In de zomer wordt de bak altijd gesproeid voor het rijden, zodat overlast door stof wordt beperkt. De verlichting wordt verwijderd. Overig bestaand hobbymatig agrarisch gebruik van het perceel (het houden/ beweiden van de paarden) wordt gecontinueerd.

12

13

Hoofdstuk 3 Beleidskader In dit hoofdstuk komen alle relevante nationale, provinciale en gemeentelijke beleidsdocumenten aan de orde. Per beleidsdocument worden de relevante aspecten behandeld.

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kan worden ingespeeld op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050, brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Het Rijk wil sturen op en richting geven aan nationale belangen. Die komen samen in vier prioriteiten: -

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: -

-

-

Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

Bij kleinschalige ontwikkelingen op lokaal niveau dient rekening gehouden te worden met een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan is een kleinschalig initiatief passend binnen de nationale omgevingsvisie NOVI.

14

3.1.1.1 Conclusie De legalisatie van de paardenbak is een kleinschalige ontwikkeling. De omgevingsvergunning tot legalisatie van de paardenbak maakt geen water- en bodemverontreinigende activiteiten mogelijk. Door verdere inpassing met groen en het verwijderen van lantaarnpalen verdraagt het plan zich goed tot het landschap en wordt hinder voor omwonenden tot een minimum beperkt. Het plan is zodoende niet in strijd met de NOVI.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstelijking Op 1 oktober 2012 is de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. Het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de (bestaande) ruimte in stedelijke gebieden. Het Rijk wil met de introductie van de ladder vraaggerichte programmering bevorderen. De ladder beoogt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder kent drie treden die achter elkaar worden doorlopen. De eerste trede bevat de vraag of er (regionale) behoefte is aan de ontwikkeling. De tweede trede vraagt of (een deel van) deze behoefte op te vangen is in bestaand stedelijk gebied. De laatste trede vraagt (indien het antwoord op de tweede vraag negatief is) of de beoogde locatie multimodaal ontsloten is of kan worden. Zorgvuldig en intensief ruimtegebruik is uitgangspunt.

In Artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening is vastgelegd dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen moeten voorzien in een actuele regionale behoefte, bij voorkeur binnen bestaand stedelijk gebied door herstructurering, transformatie of anderszins. Als dat niet mogelijk is, dan moet sprake zijn van een multimodale ontsluiting. De ladder duurzame verstedelijking is van toepassing bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Onder een stedelijke ontwikkeling wordt op basis van artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i van het Bro verstaan: "Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen". Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. 'In beginsel' is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het om een functiewijziging gaat, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging, dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook het ruimtebeslag betrokken worden. 3.1.2.1 Conclusie Een paardenbak ten behoeve van de woonfunctie is geen stedelijke ontwikkeling.

Het ruimtebeslag is zeer beperkt en er is geen sprake van een functiewijziging. De woonbestemming blijft immers gehandhaafd en de paardenhouderij activiteiten zijn dermate beperkt in aard en omvang dat deze niet op gespannen voet staan met de bestemming Wonen. Een toets aan de Ladder is niet aan de orde.

15

3.2 Provinciaal beleid Het ruimtelijk beleid van de provincie Limburg is verwoord in de Omgevingsverordening Limburg 2014.

3.2.1 Omgevingsverordening Limburg 2014 In de Omgevingsverordening Limburg zijn de volgende aspecten van belang: 3.2.2.1 Landelijk gebied Volgens de Ladder moet zowel de behoefte aan nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaande stedelijk gebied in de plantoelichting beschreven worden. Bij ontwikkelingen buiten het bestaand stedelijk gebied moet bovendien onderbouwd worden waarom deze niet bínnen het bestaande stedelijk gebied gerealiseerd kunnen worden. Uitgangspunt van de Ladder blijft dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, in beginsel binnen bestaand stedelijk gebied worden gerealiseerd. De paardenbak is echter geen stedelijke ontwikkeling (zie paragraaf 3.1.2).

3.3. Gemeentelijk beleid 3.3.1 Bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010 De gemeente Venray heeft haar beleid voor paardenbak verwoord in de plantoelichting van het bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010: “Een paardenbak (of stapmolen) dient in principe binnen het bestemmingsvlak of agrarisch bouwvlak en in aansluiting op de (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing te worden opgericht. Indien hier aantoonbaar geen ruimte beschikbaar is, is het mogelijk om de voorziening aansluitend aan het bestemmingsvlak of agrarisch bouwvlak op te richten.” In Bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010, herziening van de regels is bepaald dat een paardrijbak uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie – paardrijbak'. Het hekwerk ten behoeve van de paardrijbak mag op grond van de bouwregels maximaal 2 meter hoog zijn. Het toevoegen van een paardrijbak op gronden zónder de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie – paardrijbak' is binnenplans alleen mogelijk gemaakt binnen de bestemming Wonen (in tegenstelling tot wat de plantoelichting doet vermoeden).

In artikel 18.4 sub d is bepaald dat kan worden afgeweken van het bepaalde in 18.2 onder c en het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde met grotere afmetingen, zoals tennisbanen, (paard)rijbakken en/of stapmolens met de bijbehorende voorzieningen toestaan, onder de voorwaarde dat de bouwwerken zorgvuldig worden ingepast, waarbij de inpassing door de erfinrichting, beplanting en/of vormgeving moet bijdragen aan het behoud en/of versterking van de aanwezige gebiedskwaliteiten. 3.3.1.1 Beoordeling en conclusie Omdat de paardenbak gedeeltelijk ligt op gronden met de bestemming Agrarisch met waarden kan geen gebruik worden gemaakt van artikel 18.4 sub d. Er moet een uitgebreide planologische procedure worden doorlopen. In beginsel kan de paardenbak uitsluitend binnen het bestemmingsvlak of agrarisch bouwvlak worden gerealiseerd, tenzij er aantoonbaar geen ruimte is. Aan de Veldstraat 23 is er aantoonbaar geen ruimte. De afstand van de achtergevel van de woning tot aan de achtergrens van de woonbestemming bedraagt immers slechts 17 meter. Veel percelen in de omgeving, die ook een woonbestemming hebben, bieden die ruimte wél. Het zou onredelijk zijn om enkel vanwege de grootte van de woonbestemming een aanvraag voor een paardenbak te weigeren, indien er wel wordt voldaan aan de andere regels voor nieuwe paardenbakken.

De andere regels volgen uit artikel 18.4 sub d en uit de Wet ruimtelijke ordening. De aanvraag dient te worden vergezeld van een ruimtelijke onderbouwing. 16

Daarin moet aangetoond worden dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Voorliggende motivering voorziet hierin. Voor de paardenbak is een beplantingsplan gemaakt (zie bijlage). Hierin is gemotiveerd dat met de realisatie van nieuwe beplanting aan de achterzijde van de paardenbak een bijdrage wordt geleverd aan de gebiedskwaliteiten. Daarmee wordt voldaan aan de voorwaarde uit artikel 18.4 sub d dat het bouwwerk zorgvuldig wordt ingepast.

17

Hoofdstuk 4 sectorale aspecten 4.1 Milieu 4.1.1 Geurhinder veehouderij 4.1.1.1 Wettelijk kader Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelasting geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee). De wet bevat normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Op grond van de Wgv gelden vaste afstanden van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. Bij deze afstanden gaat het om dieren waarvoor in de Rgv geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld (de extensieve veehouderijen). De basis van de nationale regelgeving over vaste mestopslag is de Wet Milieubeheer. Op basis van deze wet kunnen voor zogenaamde “inrichtingen” regels worden vastgesteld in besluiten en regelingen (artikel 8.40 WMB). Dat is gebeurd in het Activiteitenbesluit Milieu en de Actviteitenregeling Milieu.

Daarin staan de meeste nationale regels voor vaste mestopslag. Als uitgangspunt geldt dat het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling dus alleen voor inrichtingen gelden. Er is volgens de Wet Milieubeheer sprake van een inrichting indien er sprake is van een bedrijfsmatige activiteit of van een activiteit die de omvang heeft alsof zij bedrijfsmatig was en die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht (artikel 1.1.). Indien er geen sprake is van een artikel 8.3. inrichting dan dient te worden bekeken of de mestopslag zelf een inrichting is als bedoeld in artikel 7.2. van het BOR. 4.1.1.2 Onderzoek Er is sprake van een hobby met slechts enkele paarden. Er vinden geen bedrijfsmatige activiteiten plaats. Een hobbymatige paardenhouderij betreft geen inrichting in de zin van artikel 1.1 lid 1 Wet milieubeheer. Op grond van de Wgv gelden er geen vaste afstanden tot woningen. De mestopslag is veel kleiner dan 10 m3 en is op zichzelf geen inrichting. De regels van het Activiteitenbesluit gelden voor deze situatie niet, en er is geen omgevingsvergunning milieu nodig. 4.1.1.3 Conclusie Vanwege het hobbymatige karakter van de paardenhouderij en de beperkte omvang van de mestopslag gelden er geen vaste afstanden op grond van de Wet geurhinder en veehouderij en Activiteitenbesluit.

4.1.2 Geluid wegverkeer 4.1.2.1 Wettelijk kader Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient, in verband met de relatie tussen de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet geluidhinder (Wgh), inzicht te worden geboden in de relevante 18

geluidsaspecten. De Wgh stelt eisen aan de maximaal toegestane geluidsbelasting ten gevolge van de aanleg van een nieuwe weg en de realisatie van geluidsgevoelige bestemmingen. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door onder meer industrie, wegverkeer en spoorwegverkeer. De wet richt zich vooral op de bescherming van de burger in zijn woonomgeving en bevat bijvoorbeeld normen voor de maximale geluidsbelasting op de gevel van een huis. 4.1.2.2 Onderzoek Met het plan wordt geen geluidgevoelig object of terrein gerealiseerd. 4.1.2.3 Conclusie De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor medewerking aan het plan.

4.1.3 Bodem 4.1.3.1 Wettelijk kader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Of de bodem een planontwikkeling in de weg staat, wordt middels een historisch onderzoek en eventueel aangevuld met een bodemonderzoek bepaald. Als uit historisch onderzoek blijkt dat binnen de nieuwe bestemmingen sprake is geweest van een activiteit met een verhoogd risico op verontreiniging, dan is een volledig verkennend bodemonderzoek noodzakelijk. De resultaten van het historisch onderzoek, het bodemonderzoek en de conclusie met eventuele saneringsadviezen worden in het bestemmingsplan vermeld.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht In de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) staat dat een omgevingsvergunning, voor het bouwen op een vermoeden van ernstig verontreinigde grond, pas in werking treedt nadat: • er is vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; • het bevoegd gezag heeft ingestemd met het saneringsplan; • er een melding is gedaan van een voornemen tot saneren. Wet bodembescherming Als er sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan gelden de regels van de Wet Bodembescherming (Wbb). In de Wbb is een saneringsdoelstelling bepaald (het saneren naar de functie) en een saneringscriterium (wanneer moet er gesaneerd worden (bij zogenaamde “spoed- of risicolocaties”)). Besluit bodemkwaliteit Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) geeft de lokale bevoegde gezagen de mogelijkheid om de bodemkwaliteit binnen hun gebied actief te gaan beheren binnen de gegeven kaders. Dit geeft onder andere ruimte voor nieuwe bouwprojecten, zoals woningen en wegen. Daarnaast worden de kwaliteit

19

en de integriteit van belangrijke intermediairs bij bodemactiviteiten beter geborgd. In het besluit staan ook regels met betrekking tot het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie. 4.1.3.2 Onderzoek De voorliggende ruimtelijke onderbouwing heeft tot doel het mogelijk maken van een paardenbak. Het initiatief betreft geen functiewijziging of nieuwbouw van 'bodemgevoelige' voorzieningen. De omgevingsvergunning tot legalisatie van de paardenbak maakt evenmin water- en bodemverontreinigende activiteiten mogelijk. Onderzoek naar de bodemkwaliteit wordt in het kader van dit initiatief niet noodzakelijk geacht. 4.1.3.3 Conclusie Het aspect bodem vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling.

4.1.4 Externe veiligheid 4.1.4.1 Wettelijk kader Externe veiligheid gaat om het beperken van de kans op en het effect van een ernstig ongeval voor de omgeving door het gebruik, de opslag, de productie en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden met eventueel aanwezige externe risico's die de veiligheid negatief kunnen beïnvloeden. Hiertoe zijn de risico's gekwantificeerd door middel van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico van een bepaalde activiteit is de kans per jaar op een bepaalde plaats, dat een continu daar aanwezig gedacht persoon die onbeschermd is, komt te overlijden als gevolg van een mogelijk ongeluk met die activiteit. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde. Het groepsrisico is de kans per jaar dat in één keer een groep mensen van een bepaalde omvang komt te overlijden bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde maar een oriënterende waarde die de personendichtheid binnen een invloedsgebied relateert aan een bepaalde maat voor risico aanvaarding. 4.1.4.2 Onderzoek Nieuwe kwetsbare objecten mogen niet binnen de risicocontour van bestaande risicobronnen liggen. Het plan maakt echter geen kwetsbare objecten mogelijk.

4.1.4.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor uitvoering van het voorgenomen initiatief.

4.1.5 Bedrijven en milieuzonering 4.1.5.1 Wettelijk kader Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Milieuzonering betekent het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en zich recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

20

• •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering In de brochure Bedrijven en milieuzonering (VNG, 2009) wordt een handreiking gegeven voor het verantwoord inpassen van bedrijfsactiviteiten in de omgeving. De handreiking geeft informatie over een aantal ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala van bedrijfsactiviteiten. In deze handreiking worden bedrijven ingedeeld in verschillende categorieën, al naar gelang de mate van hinder en inpasbaarheid. Ook maakt de handreiking onderscheid in verschillende gebiedstypen zoals een rustige woonwijk, rustig buitengebied en gemengd gebied. Aan de hand van de categorie-indeling kan bepaald worden of, en eventueel onder welke voorwaarden, een bedrijf inpasbaar is in de omgeving. 4.1.5.2 Onderzoek Omgevingstype In de VNG-uitgave wordt aangegeven dat een gemengd gebied een gebied is met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. De directe omgeving van het plangebied kan worden beschouwd als een gemengd gebied, zoals bedoeld in de VNG-brochure omdat ter plaatse milieugevoelige en milieuhinderlijke functies elkaar op korte afstand afwisselen.

Dit betekent dat de richtafstanden, zoals genoemd in de brochure, gereduceerd kunnen worden met één afstandsstap. Categorie bedrijvigheid Met de legalisatie van de paardenbak wordt een milieuhinderlijke functie toegevoegd. Voor het toelaten van milieuhinderlijke bedrijvigheid worden meestal de afstanden uit de Brochure bedrijven en milieuzonering van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) gehanteerd. Voor een paardenfokkerij of –houderij beveelt de VNG-brochure voor geur een afstand aan van 30, voor stof en geluid 10 meter (in rustig buitengebied). Deze afstanden zijn richtwaarden. Gemeenten mogen hiervan afwijken, maar moet dat wel gemotiveerd doen. Het hobbymatige karakter kan een kleinere afstand motiveren. Het uitgangspunt hierbij is dat bij het aanhouden van deze afstanden een aangenaam woon- en leefklimaat wordt verondersteld. Ook het hobbymatig gebruik van de paardenbak kan leiden tot lichthinder, geluidhinder, stofhinder en geurhinder. Beoordeling De kortste afstand tot een woonbestemming van derden is 10 meter. Aan de richtafstand voor geur voor een bedrijfsmatige paardenbak kan niet worden voldaan. De hinder die samenhangt met een hobbymatig gebruik van een paardenbak is niet vergelijkbaar en met die van een paardenbak bij een manege of paardenpension. Daarom is het heel redelijk om andere afstanden te hanteren.

De hobbymatige activiteiten in casu, verschillen naar aard, omvang en intensiteit zodanig verschillen van het bedrijfsmatig houden van paarden dat toch een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de omliggende woningen kan worden gewaarborgd, ondanks deze geruime afwijking. Hiertoe kan het volgende worden aangevoerd: - De paardenbak wordt slechts incidenteel (niet in een frequentie die verwacht zou worden bij bedrijfsmatig gebruik) gebruikt, namelijk circa twee keer per week een uur. In de zomer wordt de bak besproeid voor het rijden. Geluid- en stofhinder is daardoor heel beperkt in omvang en duur. - Er is (in de nieuwe situatie) geen rijbakverlichting aangebracht. Lichthinder naar omliggende percelen is niet aanwezig. 21

- Er staat er in de huidige situatie en nieuwe situatie een hoge en dichte beplanting op de zijdelingse perceelgrens. Hinder naar omliggende percelen en zicht op de paardenbak wordt daarmee beperkt. - Door de inrichting van de buurpercelen is niet aannemelijk dat er in de praktijk hinder kan ontstaan. Daarmee wordt gedoeld op de situering van bebouwing en oprit. De tuin van de buren is niet naar de paardenbak gericht. - Geur heeft de grootste hinderafstand. Deze hangt met name samen met de mestopslag. Mest in de paardenbak wordt namelijk direct weggehaald en tijdelijk opgeslagen op een aanhanger. De mestopslag is kleiner dan 10 m3 en daarom geen vergunningplichtige inrichting. De mest wordt wekelijks afgevoerd. Niet aannemelijk is dat er geuroverlast optreedt voor omwonenden. - Jurisprudentie van de Raad van State (LJN: BX7677, 201201481/1/A1) bevestigt ook dat voor paardenbakken zonder lichtmasten en met een lage gebruiksintensiteit niet hoeft te worden vastgehouden aan de voorgeschreven afstanden uit de VNG-publicatie. 4.1.5.3 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen beletsel voor medewerking. Er is gemotiveerd dat in deze specifieke situatie kan worden afgeweken van de gangbare richtafstanden voor een (bedrijfsmatige) paardenfokkerij of –houderij. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij omliggende woningen kan worden gegarandeerd.

4.1.6 Luchtkwaliteit 4.1.6.1 Wettelijk kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 μg/m3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 μg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. Met het van kracht worden van het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 vastgesteld op 11 juni 2011 voor PM10 en 1 januari 2015 voor NO2. Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit.

Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toeneemt dan 1,2 μg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als tenminste aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:    

de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; projectsaldering kan worden toegepast.

Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. 22

4.1.6.2 Onderzoek Er wordt geen nieuwe functie met een verkeersaantrekkende werking toegevoegd. Dit betekent dat de voorgenomen ontwikkeling is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daardoor is toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig. 4.1.6.3 Conclusie De voorgestane ontwikkeling is aan te merken als een project dat NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit is dan ook niet nodig. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen oplevert voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.2 Archeologie en cultuurhistorie 4.2.1 Archeologie 4.2.1.1 Wettelijk kader De bescherming van het archeologische erfgoed in de bodem en de inbedding ervan in de ruimtelijke ordening is geregeld in het Europese Verdrag van Valetta (Malta). In 1992 ondertekenden twintig Europese staten, waaronder Nederland, dit verdrag. De belangrijkste uitgangspunten van het verdrag zijn: • archeologische waarden dienen zoveel mogelijk (in situ) in de bodem bewaard te blijven en beheermaatregelen dienen genomen te worden om dit te bewerkstelligen; • vroeg in de ruimtelijke ordening dient al rekening gehouden te worden met archeologie; • bodemverstoorders betalen het archeologisch (voor)onderzoek en mogelijke opgravingen wanneer behoud in situ niet mogelijk is. Het verdrag werd in 1998 door een goedkeuringswet bekrachtigd en op 1 september 2007 in de Wet op de archeologische monumentenzorg vertaald in nieuwe wetgeving. De wet regelt in aansluiting op het Europese verdrag de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, onder andere door inpassing van de belangen van archeologie in de ruimtelijke ordening. Erfgoedwet De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'.

Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. 4.2.1.2 Onderzoek Op de archeologische beleidskaart staat aangegeven waar en voor welke bodemverstoringen vrijstelling wordt verleend van archeologisch onderzoek. Om inzicht te verschaffen in de aanwezigheid en het karakter van de archeologische en historische resten is binnen de gemeente Venray een 23

archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en cultuurhistorische waardenkaart opgesteld. De verwachtingskaart geeft zones aan die op grond van landschapsaspecten en vindplaatsdichtheden een middelhoge (waarde archeologie 1), hoge (waarde archeologie 2) tot zeer hoge (waarde archeologie 3) trefkans hebben op het aantreffen van archeologische resten. Een zone ten zuidwesten van Merselo is opgenomen op de Archeologische Monumentenkaart. Het AMK terrein wordt als volgt beschreven: “Terrein met de oude dorpskern van Merselo. Merselo ontwikkelde zich als nederzetting bij een bos, een moeras of een moerasbos. Het eerste deel van de naam Merse- duidt op water. Net zoals Mersch, Maris of Mare. Het tweede deel lo staat voor bos, of ook wel voor een open plek in het bos. Voor de eerste vermelding van Merselo in de geschiedschrijving moet worden teruggegaan naar de tijd tussen 923 en 926. Dan wordt in een akte melding gemaakt van de schenking van een boerderij van ene Wilhelm aan de dochter van zijn broer. De boerderij is gelegen in villa Meresloe, dat zoveel betekent als 'de nederzetting Merselo'.” De provincie heeft (de omgeving van) het plangebied aangemerkt als aardkundig waardevol. Ter plaatse gelden op basis van het geldende bestemmingsplan de categorieën Waarde-Archeologie – 2 en Waarde – Archeologie - 3.

Bij bodemingrepen dieper dan 50 cm beneden maaiveld en groter dan 500 m² respectievelijk 100m2 is een archeologisch onderzoek verplicht. Met de paardenbak wordt de oppervlaktegrens overschreden, de dieptegrens niet. De gemeente heeft in casu specifiek verlangd dat met een booronderzoek zal moeten worden aangetoond dat er geen verstoring dieper dan 50 cm. heeft plaatsgevonden. Hiertoe heeft Aeres Milieu B.V. een onderzoek uitgevoerd. Bij de aanleg van de rijbak is maximaal 20 centimeter van de top van de A-horizont verstoord geraakt. Eventueel aanwezige archeologische resten worden verwacht onder de A-horizont. Deze wordt vanaf 55 centimeter onder maaiveld aangetroffen. Indien toekomstige graafwerkzaamheden dieper reiken dan dit niveau dan kan dit resulteren in de aantasting van eventueel aanwezige archeologische resten.

4.2.2 Cultuurhistorie 4.2.2.1 Wettelijk kader Modernisering Monumentenzorg (2009) De modernisering van de monumentenzorg (MOMO) heeft erin geresulteerd dat per 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening is aangepast. Met deze aanpassing is cultureel erfgoed ingebed in de ruimtelijke ordening. Het is verplicht om in bestemmingsplannen aandacht te geven aan cultuurhistorie en de effecten van het initiatief op cultuurhistorische waarden die in het plangebied voorkomen. Daar waar nodig dient de bescherming van deze waarden ook te worden vastgelegd in de regels en verbeelding bij het bestemmingsplan. Erfgoedwet (2016) De wet- en regelgeving op rijksniveau rondom cultureel erfgoed is vastgelegd in de Erfgoedwet. Het is het belangrijkste sectorale instrument voor de bescherming van cultureel erfgoed. In de Erfgoedwet is geregeld hoe monumenten aangewezen kunnen worden als beschermd monument. De wet heeft betrekking op gebouwen en objecten, stads- en dorpsgezichten, archeologische waarden en op het uitvoeren van archeologisch onderzoek. 4.2.2.2 Onderzoek De zuidkant van het plangebied grenst aan open bouwland maar wordt eveneens in hoge mate afgeschermd door de bebouwing en beplanting op de omliggende erven. Kenmerkend voor het

24

kleinschalige esdorpenlandschap is de aanwezigheid van vele bewoningskernen, de esgronden (in gebruik als bouwland), beekdalen (in gebruik als weiland) en beboste zandverstuivingen (voorheen de heidevelden). Het plan omvat geen kavelwijzigingen of aanpassing van landschappelijke structuren. De achterzijde van de paardenbak wordt, in lijn met de beplantingsstrook aan de Veldstraat 21, afgeschermd met een haagbeuk. Haagbeuk is streekeigen en vormt landschappelijke kwaliteitsverbetering. Om de openheid van de akker niet aan te tasten wordt de hoogte van de haagbeuk beperkt tot 1 m. De bestaande laurierhaag op het zuidelijk deel van het perceel is geen streekeigen beplanting en draagt niet bij aan de authenticiteit van de omgeving en de beeldkwaliteit. Om de privacy te waarborgen wordt de bestaande wintergroene haag behouden. In de nabijheid zijn verder geen beeldbepalende of monumentale panden of anderszins cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig, die een beschermende regeling behoeven en welke door de ontwikkeling zouden kunnen worden beïnvloed. 4.2.2.3 Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.3 Water 4.3.1. Onderzoek 4.3.1.1 Huidige situatie In de huidige situatie is een paardenbak reeds aanwezig. De paardenbak heeft een afmeting van 570 m2. De paardenbak is opgebouwd uit worteldoek en een zandbed. In de nabijheid van de paardenbak zijn geen watergangen op de leggerkaart aangegeven. Er is geen drainage aangebracht. 4.3.1.2 Toekomstige situatie Bij legalisatie van de bestaande situatie is er geen sprake van een toename van het verharde oppervlak. Dit betekent dat er niet gecompenseerd hoeft te worden. Het bouwen van de paardenbak dient tevens getoetst te worden aan de regels van Waarde – Esgronden, omdat daarmee de bescherming van infiltratiegebied als belangrijk onderdeel van het hydrologisch systeem is bestemd. De paardenbak heeft vanwege het ontbreken van drainage en omdat de grond niet verhard is (maar waterdoorlatend is) geen invloed op het hydrologisch systeem. 4.3.1.3 Conclusie Voorgenomen initiatief leidt niet tot een toename van het verhard oppervlak en niet tot aantasting van het hydrologisch systeem. Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.4 Flora en Fauna 4.4.1 Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wnb betreft zowel soortenbescherming (voorheen Flora- en faunawet) als bescherming van (Europese) natuurgebieden (voorheen Natuurbeschermingswet 1998). In deze wet zijn de EU-richtlijnen voor de bescherming van soorten opgenomen (Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn). Nationaal beschermde soorten vallen ook onder deze wet.

25

De doelstelling is de bescherming en behoud van in het wild levende planten en dieren. Het uitgangspunt van de wet is 'nee, tenzij'. Dit betekent dat activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten zonder ontheffing verboden zijn. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen vooraf de effecten op Natura 2000-gebieden onderzocht te worden. Ook dient vooraf onderzocht te worden of en welke beschermde dier- en plantensoorten voorkomen, wat hun beschermingsstatus is en wat de effecten zijn van de ingreep op het voortbestaan van de gevonden soorten.

4.4.2 Onderzoek 4.4.2.1 Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park, Nationaal Landschap of Ecologische Hoofdstructuur. Op een kortste afstand van zo’n 300 meter is het Natuurnetwerk Nederland (figuur 4.3) gelegen.

Figuur 4.1 Uitsnede NNN (Natuur Netwerk Nederland) in grijs, en Natura2000 gebieden in geel/groen. Gezien het plan slechts kleinschalig is wordt er geen enkele invloed van de ingreep op de beschermde gebieden verwacht. Door de ontwikkelingen worden er geen wezenlijke kenmerken en waarden aangetast van de provinciale groenstructuur. De planvorming heeft verder geen invloed op planologische beschermde gebieden. 4.4.2.3 Soortenbescherming Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming beschermt bepaalde plant- en diersoorten in Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden én daarbuiten. Er gelden driebeschermingsregimes, te weten voor vogels (Vogelrichtlijn), soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn) en andere (nationale) soorten.

26

De voorgenomen herontwikkeling betreft een legalisatie van een paardenbak. Hiervoor is geen opgaand groen verwijderd of sloten gedempt. Er zijn lichte grondwerkzaamheden verricht (egalisatie). Het is niet aannemelijk dat daarbij beschermde flora en fauna (vaatplanten, zoogdieren, vleermuizen, amfibieën, reptielen, libellen, insecten, ongewervelde en vogels) of hun verblijfplaatsen/broedplekken zijn verstoord. Conclusie Hoofdstuk 3 van de Wet Natuurbescherming vormt dus geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling, nader onderzoek is niet nodig.

4.5 Verkeer en parkeren De legalisatie van een paardenbak bij een woning, die enkel hobbymatig wordt gebruikt, brengt geen andere verkeer- en parkeersituatie met zich mee. Op eigen terrein is voldoende ruimte voor het parkeren (inclusief trailer).

27

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw daarvan planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van één of meer woningen en de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen. Ook de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd, valt daaronder. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatieeisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld. 5.1.1 beoordeling.

5.1.1 Beoordeling Voor de realisatie van het plan hoeft door de gemeente geen investering gedaan te worden. De ontwikkelingskosten zijn geheel door de initiatiefnemer gedragen. Op grond van artikel 6.2.1 Bro is er geen sprake van een ‘aangewezen bouwplan’. Er is geen reden voor de gemeenteraad om een exploitatieplan vast te stellen of het verhaal van kosten van de grondexploitatie ‘anderszins te verzekeren’. Initiatiefnemer heeft voor eigen rekening en risico de bouwwerkzaamheden geheel op eigen terrein uitgevoerd. Hiermee is sprake is van een financieel uitvoerbaar plan. Voor deze aanvraag kan worden afgezien van een exploitatieplan aangezien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. De gemeente sluit met de initiatiefnemer een planschade overeenkomst af, waarin de verantwoordelijkheid voor eventuele planschadekosten wordt vastgelegd. En verder dienen de plankosten op basis van de gemeentelijke legesverordening in rekening te worden gebracht.

5.1.2 Conclusie De economische uitvoerbaarheid van het onderhavige plan is verzekerd.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Omdat slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a onder 3° Wabo is de ‘uitgebreide voorbereidingsprocedure’ van artikel 3.10 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van toepassing. Hiertoe wordt het ontwerpbesluit 6 weken ter inzage gelegd. Wanneer er zienswijzen worden ingediend worden deze betrokken bij de besluitvorming. In februari 2022 heeft initiatiefnemer invulling gegeven aan de omgevingsdialoog. Hiertoe heeft deze bij omliggende adressen de plannen toegelicht, zowel mondeling (als daaraan behoefte was) en op papier. Iedereen is in de gelegenheid gesteld om mondeling of schriftelijk te reageren. Van de omgevingsdialoog is een verslag gemaakt dat naderhand aan de respondenten is verstuurd. Van alle respondenten, op één na, is een positieve reactie ontvangen. De betreffende respondent die niet positief heeft gereageerd heeft een groot rood kruis door het plan gezet, zonder verdere tekstuele toelichting. Van de mondelinge toelichting erbij, is geen verslag gemaakt.

28

RAPPORT Archeologisch verkennend veldonderzoek door middel van boringen Veldstraat 23 te Merselo (gemeente Venray)

AM22056

RAPPORT Archeologisch verkennend veldonderzoek door middel van boringen Veldstraat 23 te Merselo (gemeente Venray) Aeres Milieu Projectnummer Status rapport ISSN Nummer Datum

: AM22056 : Definitief (versie 2) : 2214-5656 : 11 april 2022

Opdrachtgever

: Keurbedrijf Kempkens Veldstraat 23 5815 CW Merselo

Opsteller rapport Paraaf

: L. Kruithof MSc., drs. D. Hagens :

Redactie Paraaf

: drs. ing. N.J.W. van der Feest :

Vrijgave Paraaf

: drs. ing. N.J.W. van der Feest :

Aeres Milieu B.V. Noordhoven 4 6042 NW ROERMOND (t) 0475 – 320 000 e-mail: info@aeres-milieu.nl www.aeres-milieu.nl

4003

Disclaimer Het onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden (opzet conform de geldende richtlijnen en protocollen). Aeres Milieu accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid voor maatregelen of mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Aeres Milieu uitgevoerde onderzoek neemt. Tevens wordt opgemerkt dat Aeres Milieu voor het verkrijgen van de voor het bureau onderzoek noodzakelijke informatie (mede) afhankelijk is van externe bronnen. Voor Aeres Milieu is niet te verifiëren of deze bronnen altijd volledig en zonder fouten zijn. Hierdoor kan Aeres Milieu niet instaan voor de juistheid en volledigheid van de verzamelde historische informatie.

Pagina | 2

AM22056

INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING ......................................................................................................................................................... 4 ADMINISTRATIEVE GEGEVENS ............................................................................................................................. 6 1. INLEIDING ................................................................................................................................................................ 7 2.

VELDWERKZAAMHEDEN ............................................................................................................................. 9 2.1

Inleiding ............................................................................................................................................................................................................... 9

2.2

Algemeen - veldwaarnemingen ................................................................................................................................................................ 10

2.3

Boorbeschrijving, fysisch geografische beschrijving van de bodemopbouw ........................................................................... 11

2.4

Interpretatie ..................................................................................................................................................................................................... 12

2.5

Archeologische indicatoren ........................................................................................................................................................................ 12

3. CONCLUSIE........................................................................................................................................................... 13 3.1

Algemeen .......................................................................................................................................................................................................... 13

3.2

Beantwoording onderzoeksvragen .......................................................................................................................................................... 13

4.

AANBEVELINGEN ........................................................................................................................................ 14

LITERATUURLIJST................................................................................................................................................... 15

Bijlagen: 1 2 3

Topografische ligging onderzoeksgebied Boorpuntenkaart Boorkernbeschrijvingen

Pagina | 3

AM22056

SAMENVATTING Op 15 februari 2022 een archeologisch verkennend booronderzoek uitgevoerd aan de Veldstraat 23 te Merselo (gemeente Venray). De aanleiding voor het laten uitvoeren van dit bodemonderzoek is de (her)ontwikkeling van de locatie in de vorm van de aanleg van een paddock/rijbak. Deze paddock/rijbak is inmiddels gerealiseerd. De onderzoekslocatie ligt volgens de Archeologische Beleidskaart van de gemeente Venray (2011) deels in de Beleidscategorie 2 (Monumenten van zeer hoge waarde en monumenten die betrekking hebben op de historische kernen) en deels in de Beleidscategorie 4 (Droge en natte gebieden met een hoge verwachting). Voor de Beleidscategorie 2 geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 250 m2 en een verstoringsdiepte vanaf 50 centimeter onder maaiveld. Voor de Beleidscategorie 4 geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 500 m 2 en een verstoringsdiepte vanaf 50 centimeter onder maaiveld. De hoogste beleidscategorie is leidend. De gemeente heeft middels deze kaart aangegeven dat er een archeologische onderzoeksplicht geldt. De gemeente Venray heeft middels een brief aangegeven ter plaatse van de reeds gerealiseerde paddock/rijbak alsnog een verkennend archeologisch booronderzoek dient te worden uitgevoerd (een bureauonderzoek is niet nodig).

Hiermee kan worden nagegaan hoe diep de bodem is verstoord bij de aanleg van de paddock/rijbak. Op basis van de resultaten daarvan kan in ieder geval worden geconstateerd of er nader archeologisch onderzoek moeten worden verricht in het kader van de planrealisatie (Bron: Brief gemeente Venray, d.d. 17 januari 2022, kenmerk HZ-OMV-2021-0361). Op basis van het uitgevoerde verkennend veldonderzoek door middel van boringen kan worden gesteld de bodemopbouw binnen het plangebied bestaat uit een AC-profiel. Dit is mogelijk het gevolg van een egalisatie voorafgaand aan de ontginning van het gebied of opname in het bovenliggend dek door ploegen van de akker. De overgangen naar de natuurlijke ondergrond is scherp. Bij de aanleg van de rijbak is maximaal 20 centimeter van de top van de A-horizont verstoord geraakt. Op basis van deze gegevens en het aangetroffen AC-profiel is de archeologische verwachting voor het aantreffen van archeologische resten voor de perioden (laat-paleolithicum – mesolithicum) laag. Voor de daaropvolgende periode van meer sedentaire bewoningsvormen met robuustere sporen kan worden gesteld dat deze naar verwachting nog goed aangetroffen kunnen worden. Voor het plangebied wordt geadviseerd om de archeologische dubbelbestemming te hanteren. Archeologische resten kunnen onder de humushoudende bovengrond (vanaf 55-95 centimeter beneden maaiveld) aanwezig zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11523072/1