CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

03 Toelichting vastgesteld - Haag 46

Gemeenteraad 9 mei 2023, gemeente VenrayBij agendapunt: Bestemmingsplan Haag 46 Merselo17.178 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Voor wat betreft de nieuwe activiteit gelden de volgende richtafstanden (gemengd gebied): ▪ Geur: 0 meter; ▪ Stof: 0 meter; ▪ Geluid: 10 meter; ▪ Gevaar: 0 meter. Aan de gestelde richtafstanden kan worden voldaan. Binnen een straal van 10 meter rondom het plangebied zijn geen milieugevoelige functies gelegen.

Afbeelding 10 Hindercontour (groen; plangebied, rood; geluidshindercontour)

Effect vanuit de omgeving Niet alleen de beoogde nieuwe functie kan een belemmering vormen voor de omliggende woningen, andersom kunnen omliggende functies ook een belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een nieuw gevoelig object. De huidige woning betreft reeds een gevoelig Vastgesteld

21

object. De beoogde nieuwe verblijfsvoorzieningen zijn, vanwege het tijdelijke karkater van het verblijf, vaak een minder gevoelige bestemming dan een volwaardige woning. Er is daarmee dus geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Hiermee zullen geen omliggende bedrijven, functies en bestemmingen in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. 5.1.3 Bodem- en grondwaterkwaliteit Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. In dat kader is ter plaatse een vooronderzoek bodem2 verricht. Op basis van dit onderzoek wordt geconcludeerd dat de locatie als onverdacht ten aanzien van bodemverontreiniging te beschouwen is. Binnen het onderzoeksgebied is verder geen sprake van deellocaties welke verdacht zijn ten aanzien van bodemverontreiniging. Ter plaatse wordt dan ook geen bodemverontreiniging verwacht welke zich uitstrekt tot binnen het plangebied. 5.1.4 Wegverkeerslawaai Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder.

Per 1 januari 2007 is de Wijzigingswet Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) in werking getreden. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegen, spoorwegen, gezoneerde industrieterreinen en luchthavens. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen: ▪ Woningen; ▪ Onderwijsgebouwen; ▪ Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen, zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Daarnaast kent de Wgh de volgende geluidsgevoelige terreinen: ▪ Terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in dat gebouw verleende zorg; ▪ Woonwagenstandplaatsen. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een woning of andere geluidsgevoelige bestemming. Nader onderzoek naar wegverkeerslawaai is derhalve niet noodzakelijk. 5.1.5

Luchtkwaliteit

Effect op luchtkwaliteit Op basis van de Wet luchtkwaliteit, als onderdeel van de Wet milieubeheer, gelden kwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn door middel van grenswaarden voor de diverse luchtverontreinigingscomponenten vastgelegd. Deze grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die ‘Niet in betekende mate’ (NIBM) en ‘In betekende mate’ (IBM) bijdragen. Projecten die NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit kunnen zonder verdere toetsing aan de grenswaarden uitgevoerd worden. Als een project ervoor zorgt dat de concentratie PM10 of NO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project IBM bij aan de luchtkwaliteit en dient een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden om de precieze effecten op de luchtkwaliteit in beeld te brengen.

2

HMB Groep, Vooronderzoek Haag 46 Merselo, 14 oktober 2022, kenmerk: 22296801H

Vastgesteld

22

Voor het initiatief is de toename van verkeer van belang in relatie tot de luchtkwaliteit. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is er slechts sprake van een zeer geringe toename aan verkeersbewegingen gelet op de kleinschaligheid van het initiatief. Het is aannemelijk dat deze zeer geringe toename de 3% grens niet overschrijdt. Achtergrondwaarden Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 9,8 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 17,3 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 11,2 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³, terwijl de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³ bedraagt. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende.

5.1.6 Geur Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebied bestemd voor wonen en verblijf. De nieuwe woning betreft derhalve een geurgevoelig object. De gemeente Venray beschikt over een gemeentelijke geurverordening. In de gemeentelijke geurverordening is vastgelegd welke normstelling er geldt voor de voorgrondbelasting en bij welke achtergrondbelasting nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de verordening is bepaald dat voor het buitengebied, waarbinnen het plangebied valt, een maximale waarde geldt voor de geurbelasting van een veehouderij ten aanzien van een geurgevoelig object van 14,0 OU/m3 (voorgrondbelasting) en 20,0 OU/m3 (achtergrondbelasting). Individuele geurbelasting Alleen een geurgevoelig object wordt in het kader van de Wgv tegen geurhinder beschermd.

Onder een geurgevoelig object wordt verstaan: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt (art. 1 Wgv). Echter is de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in een eerdere zaak van oordeel geweest dat hoewel een plan niet voorziet in de realisatie van geurgevoelige objecten in de zin van Wgv, er niet zonder meer kan worden uitgegaan dat ter plaatse een aanvaardbaar verblijfsklimaat kan worden gegarandeerd. Derhalve moet inzichtelijk zijn dat ter plaatse van de verblijfsvoorzieningen uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening sprake is van een aanvaardbaar verblijfsklimaat (ECLI:NL:RVS:2019:1431). Derhalve dient gekeken te worden naar de geurbelasting van omliggende (intensieve) veehouderijen. Bij het beoordelen van het aspect geur zijn twee vragen van belang: 1. Is en blijft er sprake van een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied? 2. Worden omliggende agrarische bedrijven (veehouderijen) als gevolg van onderhavig initiatief gehinderd in hun bedrijfsvoering? Goed verblijfsklimaat De norm voor een geurgevoelig object, gelegen in het buitengebied, is in de gemeentelijke geurverordening vastgesteld op 14,0 OU/m³ (voorgrondbelasting).

Dit betekent dat iedere individuele veehouder 14,0 OU/m³ mag emitteren op een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. De geurbelasting op een geurgevoelig object kan uitsluitend berekend worden bij een veehouderij waar dieren met geuremissiefactoren worden gehouden (dit betreffen doorgaans Vastgesteld

23

de intensieve veehouderijen). Bij een veehouderij, buiten de bebouwde kom, waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden geldt een minimale vaste onderlinge afstand van 25 meter (gevel stal) en 50 meter (emissiepunt stal). Binnen een straal van 500 meter rondom het plangebied bevinden zich de volgende (intensieve) veehouderijen: ▪ Een intensieve veehouderij (vleesvarkens) aan de Haag 37, op een afstand van 95 meter van het plangebied; ▪ Een melkrundveehouderij aan de Haag 31, op een afstand van 175 meter van het plangebied; ▪ Een intensieve veehouderij (vleesvarkens) aan de Haag 23, op een afstand van 410 meter van het plangebied. De afstand van de veehouderij waar dieren zonder geuremissiefactoren (melkrundvee) worden gehouden tot het plangebied bedraagt ruimschoots meer dan 50 meter. Aan de geureisen uit de Wgv voor wat betreft deze inrichting wordt voldaan. Bij alle overige veehouderijen worden dieren met geuremissiefactoren gehouden. Voor deze veehouderijen is de geurbelasting op het plangebied berekend middels het programma ‘V-Stacks vergunning’. Daarbij is alle vergunde geuremissie betreffende het agrarische bouwvlak conform een worst-case scenario gepositioneerd op de ten opzichte van het plangebied meest nabijgelegen hoek van het agrarische bouwvlak. Nummer Hoek 1 Hoek 2 Hoek 3 Hoek 4 Middelpunt

X-coördinaat 191569 191630 191700 191610 191625

Y-coördinaat 392183 392221 392133 392092 392154

Haag 37 5,1 3,8 5,6 10,5 5,8

Haag 23 2,1 2,5 2,9 2,2 2,5

De hoogste voorgrondbelasting bedraagt 10,5 OU/m³. Op basis van de gemeentelijke geurverordening is ter plaatse een maximale geurbelasting toegestaan van 14,0 OU/m³. Er wordt daarmee aan de norm voldaan, waardoor gesteld kan worden dat de betreffende veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het verblijfsklimaat ter plaatse van de nieuwe verblijfsvoorzieningen wat betreft voorgrondbelasting. Cumulatieve geurbelasting Middels het programma “V-stacks gebied” is berekend wat de cumulatieve geurbelasting ter plaatse is om te kunnen beoordelen of er sprake is van een aanvaardbaar verblijfsklimaat. Alle veehouderijen in een straal van 2 kilometer rond het plangebied én beschikken over diersoorten waarvoor een geuremissienorm is vastgesteld zijn in de berekening opgenomen. In onderstaande tabel zijn de rekenresultaten van de berekening van de achtergrondbelasting weergegeven. Tabel 1. Rekenresultaten achtergrondbelasting Nummer X-coördinaat Hoek 1 191569 Hoek 2 191630 Hoek 3 191700 Hoek 4 191610 Middelpunt 191625

Y-coördinaat 392183 392221 392133 392092 392154

Berekende waarde 9,8 9,0 12,4 15,6 11,1

De cumulatieve geurbelasting binnen het plangebied varieert tussen 9,0 en 15,6 OU/m3. Op basis van de gemeentelijke geurverordening is ter plaatse een maximale cumulatieve geurbelasting toegestaan van 20,0 OU/m3. Er wordt daarmee aan de norm voldaan, waardoor gesteld kan worden dat de betreffende veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft achtergrondbelasting. Effect voor veehouderijen in de omgeving Hierboven is gemotiveerd dat, om een acceptabel verblijfsklimaat te garanderen, de afstand tussen een grondgebonden veehouderij en een geurgevoelig object minimaal 50 meter dien te bedragen (afstand tussen emissiepunten Vastgesteld

24

veehouderij en geurgevoelig object). Indien geurgevoelige objecten dichter dan 50 meter bij een veehouderij worden opgericht zullen deze geurgevoelige objecten de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden binnen een agrarisch bouwvlak van betreffende veehouderijen belemmeren. Het is dan namelijk niet toegestaan voor betreffende veehouderijen emissiepunten te realiseren. De afstand van de veehouderijen waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden, tot het plangebied, bedraagt meer dan 50 meter. Aan de geureisen wordt voor wat betreft deze inrichtingen dan ook voldaan. Daarnaast geldt dat bestaande geurgevoelige objecten welke in de directe omgeving van de intensieve veehouderij zijn gelegen, de bepalende objecten zijn voor wat betreft eventuele toekomstige uitbreidingsmogelijkheden van deze veehouderijen. De verblijfsvoorzieningen hebben derhalve geen beperkende invloed voor wat betreft de uitbreidingsmogelijkheden van de intensieve veehouderijen. Conclusie Desondanks het feit dat de verblijfsvoorzieningen geen geurgevoelige objecten zijn is er om een aanvaardbaar verblijfsklimaat te garanderen toch gekeken naar eventuele geuroverlast van omliggende veehouderijen maar ook naar eventuele belemmeringen voor omliggende veehouderijen vanwege de beoogde ontwikkeling.

Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat er geen sprake een van geuroverlast ter plaatse van de voorzieningen alsmede dat omliggende veehouderijen niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering. Ter plaatse van het plangebied kan dan ook een goed verblijfsklimaat worden gegarandeerd.

5.2 Externe veiligheid Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR.

Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel Vastgesteld

25

mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Tabel 2. Wanneer verantwoorden

Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)

Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaaarde

Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.

Afstand tot plangebied: 860 meter

Afbeelding 11 Uitsnede risicokaart (rood; plangebied)

Inventarisatie risicobronnen Op basis van de risicokaart van de provincie Limburg er in en in de nabijheid van het plangebied één risicovolle inrichting en/of transportroute gelegen. Een buisleiding ten westen van het plangebied, op een afstand van 860 meter. Risicovolle buisleidingen De buisleiding is in beheer van I&M transport en betreft een aardgasleiding. De leiding is gelegen ten westen van het plangebied, op een afstand van 860 meter. De leiding heeft een diameter van 24,0 inch en een druk van 6.620 Kpa. Voor buisleidingen met een druk hoger dan 4.000 kPa geldt dat het plaatsgebonden risico op 5 meter aan weerszijden van de leiding niet meer dan 10-6 mag zijn. Er wordt daarbij gemeten vanaf het hart van de leiding. Binnen deze zone zijn kwetsbare objecten niet toegestaan en beperkt kwetsbare objecten niet wenselijk. Vastgesteld

26

De locatie is gelegen op 860 meter van de aardgasleiding. Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid niet van invloed is voor het initiatief. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen vormverandering.

5.3 Water In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Venray als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. Beleidskader Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van het waterschap, de Provinciale Omgevingsvisie, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: ▪ vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); ▪ voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant.

Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Het waterbeleid in de Provinciale Omgevingsvisie sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ Herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ Herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijk natuur; ▪ Schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ Duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; ▪ Een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas. Conform de algemene beleidsregels van het Rijk, de provincie, de gemeente en Waterschap Limburg dient bij het realiseren van een nieuwe verharding sprake te zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt onder andere in dat het versneld afvloeiende hemelwater (als gevolg van extra verhardingen) dient te worden gecompenseerd door middel van extra waterberging.

Via deze (tijdelijke) berging kan water vertraagd de bodem worden ingebracht, of vertraagd worden afgevoerd naar het bestaande watersysteem of geheel worden geïnfiltreerd in de bodem. Bij een hydrologisch neutrale ontwikkeling wordt dus geborgd dat extra afvloeiend hemelwater niet wordt afgewenteld op de omgeving. Bodemgesteldheid en grondwater Conform de algemene gegevens van het Waterschap Limburg blijkt de omgeving van het plangebied een redelijke bodemdoorlaatbaarheid van 0,75 tot 1,0 m/dag. Vastgesteld

27

Op basis van de kaarten behorende bij het Nieuw Limburgs Peil (NLP) blijkt dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand > 250 cm-mv is gelegen.

Afbeelding 12 Uitsnede kaart GHG

Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Provinciale Omgevingsvisie. Oppervlaktewater Op de leggerkaarten van Waterschap Limburg is te zien dat binnen het plangebied geen oppervlaktewater ligt. Ten zuiden van het plangebied, op een afstand van 400 meter, stroomt de 1e Zijtak de Haag, een secundaire watergang van het waterschap. Eveneens ten zuiden van het plangebied, op een afstand van 420 meter, stroomt de Loobeek, een primaire watergang van het waterschap. Op beide watergangen is de Keur van het waterschap van toepassing. Op basis van de Keur mag binnen een zone van 5 meter van de insteek van deze watergangen niet zonder vergunning van het waterschap worden gebouwd. Het plangebied bevindt zich ruimschoots buiten deze zones. Een vergunning van het waterschap is in dit geval derhalve niet benodigd. Afvalwater De bestaande woning is reeds aangesloten op het gemeentelijke rioleringssysteem. Het afvalwater afkomstig van de nieuwe voorzieningen zal worden geloosd op de aanwezige riolering. Het stelsel is voldoende van omvang om deze geringe toename aan afvalwater te kunnen verwerken. Water in relatie tot ontwikkeling In het kader van de voorgenomen ontwikkeling neemt het verhard oppervlak in relatie tot de huidige situatie toe.

Iedere toename van verhard oppervlak dient zoveel mogelijk ‘hydrologisch neutraal’ te geschieden. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling blijft de bedrijfswoning zoals bestaand behouden, derhalve wordt deze verharding buiten beschouwing gelaten. De te realiseren wellness/spa heeft een oppervlakte van circa 300 m². Conform richtlijnen van Waterschap Limburg en de gemeente Venray dienen de infiltratievoorziening(en) gedimensioneerd te worden op een bui die eens in de 10 Vastgesteld

28

jaar voorkomt en waarbij 60 mm neerslag valt. Een bui die eens in de 100 jaar valt mag geen overlast veroorzaken voor derden (bui van 84 mm). Bij een verhard oppervlak van 300 m² bedraagt de benodigde capaciteit van de infiltratievoorziening(en): 300 m² * 60 mm = 18 m³ Binnen het plangebied is reeds een wadi aanwezig, gelet op de grootte van deze wadi (zwemvijver) is het aannemelijk dat de bergingscapaciteit van deze wadi meer dan ruim voldoende is voor het infiltreren en bergen van het hemelwater afkomstig van de bebouwing. Ten tijde van een T=100 bui zal nog eens extra 25,2 m³ hemelwater vallen. Dit hemelwater zal, gezien het reliëf, rustig richting de infiltratiewadi stromen. Ook dit hemelwater zorgt daarom niet voor overlast bij buren of derden. Het water zal, naar verwachting, vanwege de ter plekke redelijk goede infiltratiesnelheid snel infiltreren.

5.4 Kabels, leidingen en straalpaden Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Hoogspanningsleidingen In de zuidoostelijke punt van het plangebied is een klein gedeelte van het plangebied gelegen on de hoogspanningsverbinding. Deze hoogspanningsleiding betreft de bovengrondse 380 kv HS-lijn Maasbracht-Dodewaard. Vanaf het hart van de hoogspanningsleiding geldt aan weerszijde een strook van 36 meter met recht van opstal. Ter beveiliging van deze bovengrondse hoogspanningsleiding is in het vigerende bestemmingsplan een beschermingszone opgenomen (dubbelbestemming leiding – hoogspanningsverbinding). Deze dubbelbestemming is bedoeld ter bescherming van de leiding en voor invloeden van buitenaf. De mogelijke effecten van blootstelling van mensen aan magnetische velden in relatie tot hoogspanning zijn onderwerp van zorg en discussie. Blootstelling van mensen aan elektrische en magnetische velden ontstaat op vele manieren, zoals door transport van elektriciteit via hoogspanningsverbindingen. Bij een hoogspanningsleiding hangt de sterkte van het elektrische veld af van de elektrische spanning (de hoeveelheid Volt) en de afstand tot de geleiders (draden).

Het elektrische veld wordt afgeschermd door allerlei soorten objecten en materialen zoals muren van gebouwen en bomen. Het magnetische veld van een hoogspanningsleiding hangt vooral samen met de hoeveelheid stroom die erdoor vloeit (de hoeveelheid Ampère) en de afstand tot de lijn. Vanaf de jaren ’70 is er veel onderzoek gedaan naar de mogelijke invloed van magnetische velden op de gezondheid. Daaruit is naar voren gekomen dat het niet erg waarschijnlijk is dat elektrische en magnetische velden veroorzaakt door hoogspanningsleidingen of kabels in de woon- en werkomgeving schadelijk zijn voor de gezondheid. Er is ook onderzocht of in woningen in de buurt van hoogspanningsleidingen vaker bepaalde vormen van ziekten voorkomen dan in woningen waar geen hoogspanningsleiding in de nabije omgeving voorkomt. De meeste bevolkingsonderzoeken laten geen statistische samenhang zien tussen het wonen bij hoogspanningsleidingen en wat voor ziekte dan ook. Er kan gesteld worden dat er geen gezondheidsrisico’s te verwachten zijn met het wijzigen van de bestemming dichtbij de hoogspanningsleiding, mede geleid op het feit dat de woning reeds bestaand is. Overige leidingen Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het projectgebied geen andere belangrijke (ondergrondse) leidingen.

Vastgesteld

29

Straalpaden en laagvliegroutes Voor wat betreft straalpaden en laagvliegroutes gelden er eveneens beperkingen binnen het plangebied. Het plangebied is in de nabijheid van de militaire vliegbasis de Peel gelegen. Ter beveiliging van de straalpaden en laagvliegroutes is in het vigerende bestemmingsplan de aanduiding ‘luchtvaartverkeerzone’ en de maatvoeringsaanduiding ‘maximum bouwhoogte: 72 m’ opgenomen. Hiermee is het niet toegestaan om enig bouwwerk, roerend goed, houtopstanden en/of beplantingen te hebben of aan te brengen met een groter hoogte dan 72 meter.

5.5 Natuur De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wn). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. Flora en fauna Om het voorkomen van flora en fauna in het plangebied aan te tonen en het effect van de bestemmingswijziging en de daarmee gepaard gaande verbouwing hierop te onderzoeken is een quickscan flora en fauna3 uitgevoerd (zie separate bijlagen). Voor wat betreft het bijgebouw geldt; het cementhoudend golfplaten dak op de werkschuur volledig enkelwandig is. enkelwandig. De gevels van het bijgebouw (de werkschuur) bevatten spouw, maar er zijn geen open stootvoegen en de bovenzijde is volledig afgedekt met een muurplaat en de golfplaten op de kopgevels zijn in de specie gelegd. De werkschuur is van buiten en binnen geïnspecteerd en vogelnesten en vleermuisverblijven zijn zeker afwezig. Het beoogde nieuwe recreatiegebouw ten behoeve van de wellness/spa zal grotendeels worden opgericht in de foodprint van het thans aanwezige bijgebouw. Deze gronden zijn dan ook reeds al jaren intensief in gebruik, het is dan ook niet aannemelijk dat beschermde diersoorten, hier hun leefgebied hebben.

Voor wat betreft de overige gronden, op deze gronden is slechts sprake van een planologische functiewijziging. Door een bestemmingswijziging worden eventuele aanwezige beschermde dieren- of plantensoorten niet verstoord. Het bestaande, cementhoudend, golfplaten dak van het bijgebouw betrof een asbest dak en is, in het kader van veiligheid, reeds enige tijd geleden verwijderd (met vergunning). Natura2000 Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied de Deurnesche Peel en Mariapeel ligt op circa 4,6 km van het plangebied. In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura2000-gebieden een Wnb vergunning is vereist. Over een afstand van 4,6 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op de Natura2000-gebieden uit te sluiten, behouden wat betreft verzuring en/of vermesting. Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijke negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof ( in de vorm van NOx of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Voor ieder habitattype binnen een Natura2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld.

De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Door middel van het rekeninstrument AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie op Natura2000gebieden als gevolg een initiatief berekend. Gebruiksfase 3 Quickscan Flora en fauna, Faunaconsult (d.d. 11 oktober 2022)

Vastgesteld

30

Met onderhavig initiatief wordt een kleinschalige wellness met 3 overnachtingsmogelijkheden gerealiseerd. Het beoogde wellness gebouw zal niet aangesloten wordt op het gas. Uitstoot van NOx vindt enkel plaats door het verkeer van en naar de wellness. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie. Op basis van de kencijfers genereren de nieuwe voorzieningen in totaliteit circa 18 verkeerswegingen per dag. Voor een nadere toelichting hiervan wordt verwezen naar paragraaf 5.7. Vanwege het karakter van het initiatief wordt verondersteld dat de voertuigen van en naar de locatie lichte voertuigen betreffen (personenauto’s). Er wordt daarbij tevens van uit gegaan dat het verkeer het plangebied in beide richtingen (50/50) zal verlaten. In noordoostelijke richting via de Haag richting de kern, alweer het verkeer op zal gaan in het huidige verkeer en in zuidwestelijke richting via de Haag naar de Ossendijk, alwaar het verkeer op zal gaan in het huidige verkeer. Uit de ingevoerde gegevens blijkt dat door het verkeer de emissie NOx in dit geval 0,9 kg/jaar bedraagt. Bouwfase Ook tijdens de bouw is er sprake van (tijdelijke) stikstofemissie, veroorzaakt door verkeer van en naar de bouwlocatie (vrachtwagens die bouwmaterialen komen leveren, vervoer bouwvakkers, etc.) en het gebruik van mobiele werktuigen op de bouwlocatie (kraan, betonpomp, etc.).

De bouwtijd van het recreatiegebouw zal in totaliteit circa zal in totaliteit circa 5 weken bedragen (25 bouwdagen). Verkeer De bouw van de bedrijfshal heeft een bepaalde verkeersgeneratie tot gevolg. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van onderstaande gegevens: ▪ Aanvoer beton voor fundering: 2 vrachtwagens (waarvan 1 betonpomp) ▪ Aanvoer staalskelet: 2 vrachtwagens ▪ Aanvoer beton voor betonvloer: 5 vrachtwagens (waarvan 1 betonpomp) ▪ Aanvoer betonpanelen: 1 vrachtwagen ▪ Aanvoer kanaalplaatvloeren: 2 vrachtwagens ▪ Aanvoer wand- en dakbeplating: 3 vrachtwagens ▪ Aanvoer dakisolatie: 2 vrachtwagens ▪ Aanvoer dakbedekking: 1 vrachtwagen ▪ Aanvoer divers klein materiaal (kozijn, ramen, deuren, etc.): 10 bestelbusjes ▪ Afvoer afval en materiaal: 2 vrachtwagens en 2 bestelbusjes Uitgaande van een worst-case scenario doen op de meest drukke dag 5 vrachtwagens de bouwlocatie aan (op de dag dat beton wordt gestort voor de betonvloer). In totaliteit doen 7 bestelbusjes de bouwlocatie aan, dat is gemiddeld 0,3 bestelbusje per dag. Dagelijks zal personeel (bouwvakkers) de bouwlocatie bezoeken om bouwwerkzaamheden aldaar te verrichten. Het personeel komt over het algemeen gezamenlijk in 1 bestelbusje. Een worst-case scenario is ingevoerd in Aerius Calculator, bestaande uit 5 zware voertuigen en 1,3 middelzware voertuigen per etmaal tijdens de bouwfase.

Gebruik mobiele werktuigen Voor het bepalen van de emissie afkomstig van mobiele werktuigen op de locatie tijdens de bouwfase is gebruik gemaakt van door de aannemer aangeleverde gegevens. Dit betreffen de volgende gegevens: ▪ Bouwrijp maken locatie: 1 graafmachine gedurende 16 uur (2 dagen) ▪ Storten beton voor fundering: 1 betonpomp gedurende 3 uur ▪ Monteren staalskelet: 1 kraan gedurende 24 uur (3 dagen) Vastgesteld

31

▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Storten beton voor betonvloer: 1 betonpomp gedurende 6 uur Monteren betonpanelen: 1 kraan gedurende 4 uur Leggen kanaalplaatvloeren: 1 kraan gedurende 6 uur Monteren wand- en dakbeplating: 1 kraan gedurende 40 uur (5 dagen) Leggen dakisolatie: 1 kraan gedurende 4 uur

Betonpomp Mobiele hijskraan Graafmachine Totaal

2014 2015 2014

Diesel Diesel Diesel

200 100 200

50 50 60

27,78 14,02 33,09

8 54 24

Totale emissie

Draaiuren

Liters diesel per uur*

Vermogen (kW)

Brandstof

Bouwjaar

Werktuig

Belasting (%)

Op grond van deze uitgangspunten zijn de emissies van de mobiele werktuigen berekend.

0,9 0,7 1,2 3,1

Tijdens de bouwfase is sprake van een toename van 8,3 kg NOx. Dit leidt op basis van AERIUS Calculator niet tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden (bijlage 2). Er is derhalve geen merkbaar c.q. negatief effect voor wat betreft stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden door het initiatief. De beoogde ontwikkeling leidt op basis van AERIUS Calculator niet tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden. Er is derhalve geen merkbaar c.q. negatief effect voor wat betreft stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden door het gebruik van de locatie.

5.6 Archeologie en cultuurhistorie 5.6.1 Archeologie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe Rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De gemeente Venray heeft in dit kader, in 2008, dan ook een archeologische verwachtingenkaart voor haar grondgebied opgesteld. Conform de archeologische verwachtingskaart is het plangebied gelegen in categorie 7. Categorie 7 Categorie 7 gebieden betreffen droge en natte gebieden met een lage verwachtingswaarde, vrijgegeven en/of verstoorde gebieden Deze verwachtingscategorie wordt niet vertaald in een archeologische dubbelbestemming en is niet van invloed op ruimtelijke initiatieven. Het aspect archeologie vormt derhalve geen belemmering in het kader van de voorgenomen ontwikkeling.

Vastgesteld

32

Afbeelding 13 Uitsnede archeologische beleidskaart (paars; plangebied)

5.6.2 Cultuurhistorie De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In de Provinciale Omgevingsvisie is derhalve aangegeven dat gestreefd wordt naar het behouden, ontwikkelen en beheren van beschermde historische bouwwerken, hoofdlijnen van jonge en oude cultuurlandschappen en historische landschapselementen. Het beleid ten aanzien van cultuurhistorie zoals dit in de Provinciale Omgevingsvisie is weergegeven, is gestoeld op de Nota Belvédère. De Provinciale Omgevingsvisie schrijft dan ook voor een beschrijving in het bestemmingsplan mee te nemen, betreffende de omgang met de cultuurhistorische elementen in relatie tot de hiervoor geldende wettelijke bepalingen. Volgens de provinciale kaart ‘Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg’ liggen er binnen of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke cultuurhistorische waarden en geen rijks- en of gemeentelijke monumenten. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

5.7 Verkeer en parkeren Verkeer Het plangebied wordt ontsloten aan de Haag, de Haag biedt in zuidwestelijke richting een verbinding naar de N270 en in noordoostelijke richting naar de kern Merselo. Daarmee is het plangebied in alle richting uitstekend ontsloten. De beoogde wellness/spa en verblijfsvoorzieningen hebben een geringe toename van verkeer als gevolg. Gelet op de kleinschaligheid van het initiatief, zijnde 3 overnachtingsmogelijkheden en een kleinschalige wellness/spa is het aannemelijk dat de spa uitsluitend gebruikt zal worden door gasten die ook blijven overnachten. De kamers bieden ruimte voor maximaal 2 personen (1 auto). Indien alle kamers volledig zijn volgeboekt zijn er in totaliteit 6 gasten aanwezig. Het is aannemelijk dat de gasten zich voornamelijk op het terrein bevinden en er dus een geringe toename aan Vastgesteld

33

verkeersbewegingen ontstaat. Incidenteel zullen er leveranciers of onderhoudsmonteurs het plangebied aandoen. Uitgaande van een worst-case scenario zal er rekening mee worden gehouden met 6 verkeersbewegingen (aankomst en vertrek, en eventueel avonds in de omgeving uit eten en twee verkeersbewegingen leveranciers of onderhoudsmonteur) per kamer. Dit komt neer op (6*3) 18 verkeersbewegingen per dag voor wat betreft de nieuwe voorzieningen. Deze toename van het aantal verkeersbewegingen is ter plaatse door desbetreffende wegen gemakkelijk te verwerken. Er worden derhalve geen problemen verwacht met de verkeersafwikkeling ter plaatse van het plangebied. Daarnaast vinden er ook verkeersbewegingen plaats vanuit de thans aanwezige woning. Op basis van de CROW-publicatie (vrijstaande koopwoning, buitengebied niet stedelijk) genereert een vrijstaande woning per etmaal minimaal 7,8 en maximaal 8,6 verkeersbewegingen. Uitgaande van een worst-case benadering geneert de woning dagelijks 8,6 verkeersbewegingen. Deze bewegingen vinden reeds plaats in de bestaande situatie. Parkeren Gelet op bovenstaande is het aannemelijk dat voor wat betreft de nieuwe voorziening slechts 3 parkeerplaatsen zijn benodigd. Incidenteel zullen er leveranciers of onderhoudsmonteurs het plangebied aandoen. Hiervoor zal derhalve nog een vierde parkeerplaats gerealiseerd worden.

Deze parkeerplaatsen zijn allen voorzien op eigen terrein.

5.8 Niet-gesprongen explosieven Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Het gehele grondgebied van de gemeente Venray heeft in de Tweede Wereldoorlog zwaar onder vuur gelegen. Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven (NGE). Met behulp van een explosievenonderzoek worden de aanwezigheid en risico’s van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht. De gemeente Venray adviseert bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detectieonderzoek uit te (laten) voeren. Dit onderzoek dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de bestemmingsplanprocedure niet juridisch afdwingbaar. Het is echter te allen tijde de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving.

5.9 Duurzaamheid De ambities ten aanzien van duurzaamheid in Venray zijn hoog, zoals neergelegd in de Energiestrategie 2030Vanaf 2020 is alle nieuwbouwproductie in de woning- en utiliteitsbouw energieneutraal. Deze ambitie is grotendeels wettelijk verankerd. Het Bouwbesluit stelt dat per januari 2021 nieuwbouw bijna energieneutraal (BENG) moet zijn: er is vrijwel geen energie nodig, de energie die wel nodig is komt uit groene bronnen. Het nieuwe recreatiegebouwen zal in ieder geval energieneutraal zijn. In het bestemmingsplan kunnen alleen regels worden opgenomen die bijdragen aan 'een goede ruimtelijke ordening'. Voor de uitleg van dit begrip is in de rechtspraak het criterium ‘ruimtelijk relevant’ ontwikkeld. Alleen regels die ruimtelijk relevant zijn, kunnen in het bestemmingsplan opgenomen worden. Algemeen erkend wordt dat energietransitie een ruimtelijke impact heeft, maar de visie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is dat hiertoe geen regels in het bestemmingsplan kunnen worden opgenomen. De gemeente Venray zal daarom het aspect 'duurzaamheid' en 'energieneutraalheid' opnemen in de met initiatiefnemer overeen te komen anterieure overeenkomst. Vastgesteld

34

Met onderhavig bouwplan zijn de volgende duurzaamheidsmaatregelen voorzien c.q. daar waar een afweging mogelijk is, worden overwogen: ▪ het recreatiegebouw wordt niet aangesloten op het gas; ▪ het recreatiegebouw zal zelf een substantiële hoeveelheid energie opwekken middels zonnepanelen waardoor deze geheel zelfvoorzienend is; ▪ er worden zonneboilers en een warmtepomp met buffervaten geïnstalleerd voor de warmwater voorziening en vloerverwarming; ▪ het recreatiegebouw word zeer goed geïsoleerd, conform de actuele bouwnormen voor nieuwbouw, en hebben daardoor een zeer lage warmtevraag; ▪ bij de bouw van het recreatieverblijf wordt zoveel mogelijk gerecycled materiaal toegepast;

Vastgesteld

35

6. JURIDISCHE ASPECTEN 6.1 Planstukken Een bestemmingsplan geeft bestemmingen met de bijbehorende regels. Het bestaat niet alleen uit een tekstdocument, maar ook uit een verbeelding (plankaart). Alle toegelaten functies zijn met een eigen bestemming op de verbeelding opgenomen. Samen met de regels vormt de (digitale en analoge) verbeelding het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting hoort wel bij het bestemmingsplan, maar is geen onderdeel daarvan: de toelichting is niet juridisch bindend. Dat betekent, dat indien er onverhoopt verschillen zouden bestaan tussen de toelichting en het bestemmingsplan, de regels en de verbeelding (plankaart) doorslaggevend en bindend zijn en de toelichting niet. De toelichting beschrijft wat de doelstellingen van het bestemmingsplan zijn en hoe de regels van het bestemmingsplan moeten worden geïnterpreteerd. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de SVBP 2012 alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor). Het bestemmingsplan is digitaal opgesteld en beschikbaar. Van het elektronische document is een papieren versie gemaakt. Bij een onbedoeld verschil tussen de papieren versie en de elektronische versie gaat de laatste voor.

6.2 Toelichting op de verbeelding De verbeelding geeft met kleuren en tekens aan welke bestemming voor de gronden geldt. De bestemming is aangegeven met een gekleurd vlak met de letters van de bestemming. Er zijn voor de gronden meerdere tekens opgenomen. Het gaat dan om aanduidingen (functie- of gebiedsaanduidingen) of dubbelbestemmingen. Voor een aanduiding of dubbelbestemming zijn in de regels specifieke bepalingen van toepassing. Uit de verbeelding kan afgeleid worden op welk gebied het bestemmingsplan betrekking heeft, omdat daarop de plangrens is aangegeven. De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1.000. De analoge verbeelding bestaat uit één plankaart met een legenda. Het plangebied is volledig bestemd tot ‘Recreatie’. Ter plaatse van de bestaande woning is het bestaande bouwvlak overgenomen en de aanduiding ‘bedrijfswoning’ toegekend. Ter plaatse van het recreatiegebouw is tevens een bouwvlak opgenomen met de maatvoeringsaanduiding ‘maximale goothoogte: 6,2 meter’ en de functieaanduiding en ‘specifieke vorm van recreatie – wellness/spa’ ‘specifieke vorm van recreatie - logiesverblijf’ waarmee de wellness/spa en de drie overnachtingsmogelijkheden worden toegestaan.

Daarnaast is de thans geldende dubbelbestemming ‘Leiding – Hoogspanningsleiding’, de gebiedsaanduidingen ‘luchtvaartverkeerzone’ en ‘reconstructiewetzone - extensiveringsgebied’ en de maatvoeringsaanduiding ‘maximum bouwhoogte: 72 m’ opgenomen zoals dat in het vigerende bestemmingsplan reeds het geval is.

6.3 Toelichting op de planregels Alle gronden binnen het plangebied hebben een bestemming. Een bestemming geeft de functie aan, die de gemeenteraad aan een gebied heeft toebedacht. Bij deze bestemmingen horen gebruiksregels. Het kan gaan om regels voor bouwen, werken en werkzaamheden, slopen en het gebruik van grond en de opstallen voor bepaalde activiteiten. De bestemming en de regels bepalen gezamenlijk welke activiteiten en handelingen zijn toegestaan. Het gevolg van het leggen van een bestemming is, dat de betreffende gronden alleen overeenkomstig deze bestemming mogen worden gebruikt. In die zin houdt een bestemming dus een inperking in van het eigendomsrecht. De bevoegdheid om bestemmingen te leggen is Vastgesteld

36

toegekend aan de gemeenteraad. Dit is geregeld in artikel 3.1 van de Wro. Een gemeenteraad mag niet zomaar een bestemming leggen, maar moet daarvoor vanuit het algemeen belang van een “goede ruimtelijke ordening‟ redenen hebben. Het leggen van een bestemming betekent overigens niet, dat er een verplichting bestaat voor een grondgebruiker om die bestemming te realiseren. 'Bestemming' heeft slechts een passieve betekenis: of een bestemming gerealiseerd wordt, is afhankelijk van het handelen van de rechthebbende(n) op de grond (eigenaar, huurder, pachter). Een bestemming geeft alleen aan welk handelen toegelaten is. Daaruit kan worden afgeleid dat ander handelen niet is toegelaten. De artikelen 2.1 en 2.2 van de Wabo en enkele andere wetten verbieden het handelen in strijd met het bestemmingsplan. Om misverstanden te voorkomen wordt bij de bestemming aangegeven wat “in ieder geval‟ beschouwd moet worden als in strijd met het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is een juridisch plan: de daarin opgenomen bepalingen zijn bindend voor burgers en bedrijven en voor de overheid. Bij het opstellen van de regels is zo veel mogelijk uitgegaan van het rapport Standaard Vergelijkbare Bestemming Plannen 2012 (SVBP 2012) en het vigerende bestemmingsplan voor de kern van Castenray; bestemmingsplan “Castenray”.

De regels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: ▪ Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten; ▪ Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels. Hierin worden de regels voor de op de verbeelding opgenomen bestemmingen gegeven; ▪ Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelbepaling, algemene aanduidingsregels en algemene afwijkings- en wijzigingsregels; ▪ Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen. Het belangrijkste doel van de planregels is om de bouw- en gebruiksregels van de verschillende bestemmingen aan te geven en maken in dit geval de bouw van de bouw van een woning mogelijk. Het onderhavige bestemmingsplan kent de bestemming ‘Wonen’. Hoofdstuk 1: INLEIDENDE REGELS In dit hoofdstuk worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten. Hoofdstuk 2: BESTEMMINGSREGELS In deze artikelen worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen omschreven en wordt bepaald op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. Tevens worden per bestemming de bebouwingsmogelijkheden vermeld.

Hoofdstuk 3: ALGEMENE REGELS Deze artikelen bevatten bepalingen die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen, zodat het uit praktische overwegingen de voorkeur verdient deze in een afzonderlijke paragraaf onder te brengen. Hoofdstuk 4: SLOT- EN OVERGANGSREGELS Hier wordt omschreven welke gebouwen en gebruik vallen onder het overgangsrecht.

Vastgesteld

37

7. UITVOERBAARHEID

7.1 Economische uitvoerbaarheid Het uitvoering van dit plan geschiedt voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeentelijke financiën zijn hierbij niet in het geding. Tussen de gemeente Venray en de initiatiefnemers is een planschadeovereenkomst gesloten. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventueel te vergoeden planschade niet voor rekening van de gemeente Venray komt maar voor rekening van de initiatiefnemers. Daarmee is het verhaal van de kosten van de grondexploitatie voor dit gebied anderszins verzekerd en is de economische uitvoerbaarheid van het plan gegarandeerd.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpbestemmingsplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. Omgevingsdialoog In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn initiatiefnemers in gesprek gegaan met de buurtbewoners om hen in te lichten over de voorgenomen plannen. Op 1 juli 2021 heeft er een informatieavond plaats gevonden met alle buurtbewoners. De plannen zoals hier besproken hadden betrekking op een grotere ontwikkeling, deze is thans verkleind tot enkel het realiseren van de wellness/spa en drie overnachtingsmogelijkheden. Voor wat betreft deze ontwikkeling waren de reacties alom positief en zijn er op voorhand geen bezwaren. Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit geeft aan dat het college van Burgemeester van Wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg dienen te plegen met betrokken instanties.

De provincie Limburg heeft hierop enkele opmerkingen gemaakt met betrekking tot de recente uitspraak inzake stikstof, het provinciale beleid en de vrijetijdseconomie. Deze onderdelen zijn verwerkt in onderhavige toelichting. Zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan heeft voor eenieder ter inzage gelegen in de periode 26 december 2022 tot en met 2 februari 2023. Er zijn geen zienswijze ingediend tegen het ontwerpbestemmingsplan.

Vastgesteld

38

8. PROCEDURE De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: ▪ Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; ▪ Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken; ▪ Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door eenieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; ▪ Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad; ▪ Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, binnen 6 weken na vaststelling; ▪ Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; ▪ Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroeps/inwerkingtreding termijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Indien beroep wordt ingediend, dat kan te allen tijde een voorlopige voorziening worden ingediend.

Vastgesteld

39

Cumulatieve geurbelasting op receptorpunten, zoals berekend RecepID X-coor Y-coor Geurnorm Geurbelasting [OU/m3] 1 191569.0 392183.0

20.000

9.825

2 191630.0 392221.0

20.000

9.026

3 191700.0 392133.0

20.000

12.430

4 191610.0 392092.0

20.000

15.632

5 191625.0 392154.0

20.000

11.178

Gegenereerd op: 27-06-2022 met V-STACKS Vergunning versie 2010 (c) KEMA Nederland B.V.

Naam van de berekening: Nog niet bekend Gemaakt op: 27-06-2022 Rekentijd:

11:04:09

0:00:02

Naam van het bedrijf: Haag 46 tov Haag 37

Berekende ruwheid: 0,19 m Meteo station: Eindhoven

Brongegevens: Volgnr.

BronID

X-coord.

Y-coord.

EP Hoogte

Gem.geb. hoogte

EP Diam.

EP Uittr. snelh.

E-Aanvraag

1

Haag 37

191 560

391 973

6,0

6,0

0,50

4,00

18 630

Haag 23

192 063

392 363

6,0

6,0

0,50

4,00

36 576

Geurbelasting Haag 37

Geur gevoelige locaties: Volgnummer

GGLID

Xcoordinaat

Ycoordinaat

Geurnorm

Geurbelasting Haag 23

2

Hoek 1

191 569

392 183

14,0

5,1

2,1

3

Hoek 2

191 630

392 221

14,0

3,8

2,5

4

Hoek 3

191 700

392 133

14,0

5,6

2,9

5

Hoek 4

191 610

392 092

14,0

10,5

2,2

6

Midden

191 625

392 154

14,0

5,8

2,5

Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.

Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via:

www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers

Projectberekening

Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie

Activiteit

Omschrijving Toelichting

Berekening

AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie

Totale emissie

Situatie 1 - Beoogd

Resultaten

Situatie 1 - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename van depositie Grootste afname van depositie

RwcRZz51uLxD (13 februari 2023)

Bureau leefomgeving Haag 46, 5815CB Merselo Haag 46 Bouwfae RwcRZz51uLxD 13 februari 2023, 15:55 Wnb-rekengrid Rekenjaar

Emissie NH₃

Emissie NOₓ

Hoogste bijdrage

Hexagon

Gebied

2022 -

0,1 kg/j

8,3 kg/j

2/6

Projectberekening

Situatie 1 (Beoogd), rekenjaar 2022 Emissiebronnen 1 Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning | Bouwlocatie  Verkeersnetwerk

RwcRZz51uLxD (13 februari 2023)

Emissie NH₃

Emissie NOₓ

17,8 g/j 0,1 kg/j

2,9 kg/j 5,4 kg/j

3/6

Projectberekening

Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.

500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald

Grootste afname van depositie Grootste toename van depositie Hoogste totale depositie

De bronnen op de kaart horen bij de Beoogde situatie.

RwcRZz51uLxD (13 februari 2023)

4/6

Projectberekening

Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Situatie 1" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Berekend (ha gekarteerd)

Totaal

RwcRZz51uLxD (13 februari 2023)

-

Hoogste totale Met toename Grootste depositie (mol (ha gekarteerd) toename (mol N/ha/jr) N/ha/jr)

-

-

-

Met afname (ha Grootste gekarteerd) afname (mol N/ha/jr)

-

-

5/6

Projectberekening

Situatie 1, Rekenjaar 2022 1

Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning

Naam Locatie Oppervlakte Naam

Bouwlocatie X:191616,4 Y:392180,32 0,08 ha

NOₓ NH₃

Stageklasse

2,9 kg/j 17,8 g/j

Brandstofverbruik Draaiuren AdBlue verbruik

Graafmachine Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, 33 l/j SCR: ja

24 u/j

0 l/j

Mobiele hijskraan

Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, 14 l/j SCR: ja

54 u/j

0 l/j

Betonpomp

Stage-IV, 2014-2018, 75-560 kW, diesel, 27 l/j SCR: ja

8 u/j

0 l/j

2

Wegverkeer | Weg

Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte Verkeer

Verkeer X:191392,18 Y:391985,4 744,86 m Buitenweg Beide richtingen 1 Normaal 0m

Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer

Max. snelheid

Type scherm Hoogte Afstand tot de weg

Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren

Stof Emissie

NOₓ

1,2 kg/j NH₃ 7,9 g/j NOₓ 0,7 kg/j NH₃ 3,4 g/j NOₓ 0,9 kg/j NH₃ 6,5 g/j

Links Rechts NOₓ - NO₂ - NH₃

-

-

Aantal voertuigen

0 p/etmaal 1.3 p/etmaal 5 p/etmaal 0 p/etmaal

5,4 kg/j 1,4 kg/j 0,1 kg/j

In file

0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %

Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van AERIUS versie 2022_20230126_290cbff6e8 Database versie 2022_290cbff6e8 Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/

RwcRZz51uLxD (13 februari 2023)

6/6

Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.

Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via:

www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers

Projectberekening

Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie

Activiteit

Omschrijving Toelichting

Berekening

AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie

Totale emissie

Gebruiksfase - Beoogd

Resultaten

Gebruiksfase - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename van depositie Grootste afname van depositie

RS8aWnK7Y21M (13 februari 2023)

Bureau leefomgeving Haag 46, 5815 CB Merselo Haag 46 Gebruiksfase RS8aWnK7Y21M 13 februari 2023, 15:55 Wnb-rekengrid Rekenjaar

Emissie NH₃

Emissie NOₓ

Hoogste bijdrage

Hexagon

Gebied

2022 -

0,1 kg/j

0,9 kg/j

2/6

Projectberekening

Gebruiksfase (Beoogd), rekenjaar 2022 Emissiebronnen  Verkeersnetwerk

RS8aWnK7Y21M (13 februari 2023)

Emissie NH₃

Emissie NOₓ

0,1 kg/j

0,9 kg/j

3/6

Projectberekening

Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.

500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald

Grootste afname van depositie Grootste toename van depositie Hoogste totale depositie

De bronnen op de kaart horen bij de Beoogde situatie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12567540/1