CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

03 Toelichting bp Oostverbinding

Gemeenteraad 14 december 2021, gemeente VenrayBij agendapunt: Bestemmingsplan Oostverbinding Venray.18.517 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

bestuursorganen hebben enkele inhoudelijke reacties gegeven op het ontwerpNRD.. De reacties op het ontwerp-NRD zijn in een Nota van beantwoording opgenomen en beantwoord. Hierna is een samenvatting van deze reacties en hun beantwoording gegeven. Na de bestuurlijke raadpleging over de ontwerp-NRD is de NRD vastgesteld Reactie Rijkswaterstaat 1. De verbindingsweg wordt gerealiseerd in een deel van de bebouwingsvrije zone langs de A73. In hoeverre wordt deze weg aangelegd buiten de juridische beheergrens ingevolge de Wbr (Wet beheer rijkswaterstaatswerken)?

Vastgesteld

22

2.

Rijkswaterstaat vraagt aandacht voor het onderzoek naar de effecten op geluid en hierbij rekening te houden met de cumulatieve effecten in combinatie met de geluidsbronnen zoals de A73.

Ad. 1.

Ad. 2.

Aan de hand van een beheertekening is nagegaan in hoeverre activiteiten plaatsvinden binnen het beheergebied. Gebleken is dat het hier slechts gaat om het viaduct en toebehoren van de Stationsweg over de A73 en een klein gedeelte van de rotonde van de Stationsweg met de nieuwe verbindingsweg. Over deze kleine onderdelen van het plan vindt nadere afstemming plaats met Rijkswaterstaat. De cumulatie van de geluidseffecten binnen de beoordeling van de reconstructie op grond van de Wet geluidhinder speelt principieel geen rol. De geluidsemissie van de A73 wijzigt niet door de realisatie van de Oostverbinding. Mocht op enig moment sprake worden van vast te stellen hogere waarden en daarmee samenhangende maatregelen aan gevels van woningen zal de gecumuleerde geluidbelasting wel in de beoordeling worden betrokken.

Reactie Veiligheidsregio Limburg-Noord 1. De Veiligheidsregio Limburg-Noord adviseert om een aansluiting aan te leggen van de calamiteiteningang voor hulpdiensten vanaf de nieuw aan te leggen verbindingsweg naar de huisvesting voor arbeidsmigranten. Nu is er een weg met halfverharding vanaf de Stationsweg bedoeld voor toegang voor hulpdiensten en ontvluchting van het terrein. Ad. 1.

De huidige weg met halfverharding vervalt, aangezien op deze plaats de nieuwe verbindingsweg is beoogd. De calamiteiteningang voor de campus met huisvesting voor arbeidsmigranten wordt via een semiverharde inrit aangesloten op deze verbindingsweg.

Reactie provincie Limburg 1. De provincie vraagt zich af in hoeverre de verkeerskundige effecten van de Oostverbinding op het provinciale wegennet voldoende zijn onderzocht en in beeld gebracht en afgestemd met de provincie. Is de Oostverbinding van invloed op de “Via Venray N270”, de huidige en toekomstige doorstroming en veiligheid op de provinciale wegen in de regio? Is het plan opgenomen in het vigerend Verkeersmodel Noord-Limburg 2019? 2. Er wordt geadviseerd om een onderzoek naar niet gesprongen explosieven (nge) te verrichten omdat er kennelijk tijdens de Tweede Wereldoorlog veel en fel gevochten is in deze regio. 3. In hoeverre is bij een verkeersstudie uit 2017 in de autonome situatie de ontwikkeling van “Via Venray N270“ opgenomen 4. Bij aanpak effectbepaling wordt aangegeven dat 2030 als peiljaar wordt gehanteerd voor de m.e.r.. Voor diverse onderzoeken voor het project “Via Venray N270“ wordt het peiljaar 2032 gehanteerd. Is 2030 daarmee wel een correct peiljaar? 5. De stelling dat het gemiddelde geluidsniveau in de stiltegebieden niet meer mag bedragen dan 40 dB(A) is niet correct. In het POL staat echter aangegeven dat deze van oudsher stille gebieden stil moet blijven met een geluidsniveau van 40 dB(A) of lager. Graag de tekst in overeenstemming brengen met het POL. Ad. 1.

Ad. 2. Ad. 3.

Deze effecten zijn in beeld gebracht en onderzocht in het kader van het project “Via Venray N270” waarbij de combinatie met de “maatregel” Oostverbinding veelvuldig is bekeken. Daarmee zijn de effecten op de doorstroming en verkeersveiligheid in kaart gebracht voor het provinciale netwerk. Het plan van de Oostverbinding is ook opgenomen in het vigerend verkeersmodel Noord-Limburg 2019. Er is in 2020 onderzoek verricht naar niet gesprongen explosieven. In het kader van het ontwerpbestemmingsplan zijn de onderzoeksresultaten opgenomen in de toelichting. Hier is sprake van. De totale aanpak van de “Via Venray N270” en het aanliggende gemeentelijk wegennet (dus ook de Oostverbinding) is in beeld gebracht. Ook via de bestemmingsplanprocedure ten behoeve van het project “Via Venray N270” zelf wordt gebruik gemaakt van de meest actuele cijfers.

Vastgesteld

23

Ad. 4.

Ad. 5.

De effecten worden bepaald ten opzichte van de referentiesituatie. Dit is de huidige situatie inclusief de autonome ontwikkelingen tot het peiljaar 2030 en dit is van toepassing voor de gehele m.e.r.. Dit verschilt echter per milieuaspect en is onder andere afhankelijk van het van toepassing zijnde wettelijk kader. Deze passage wordt aangepast zodat deze in overeenstemming is met het POL.

Reactie Waterschap Limburg 1. Geadviseerd wordt om rekening te houden met het functioneren van de Zompgraaf, er dienen onderbouwd geen negatieve ecologische of hydrologische effecten te zijn. Mogelijk en afhankelijk van het ontwerp geldt er een vergunningplicht op grond van de keur. 2. Bij het afkoppelen en infiltreren van nieuw verhard oppervlak dient de berging gedimensioneerd te worden op een bui van 100 mm met een leegloop/infiltratie binnen 24 uur. 3. De piekbelasting op de bestaande HWA/DWA wordt groter. Aanpassing van de bestaande infrastructuur heeft hier mogelijk effecten op. Kan er voorgesorteerd worden op toekomstige ontwikkelingen zoals afkoppelprojecten. Ad. 1.

Ad. 2.

Ad. 3.

Uiteraard zal het functioneren van de Zompgraaf niet mogen worden belemmerd door deze ontwikkeling. Nader overleg met het waterschap zal meer inzicht verschaffen in de ontwerpeisen en eventuele vergunningsplichten ter plaatse. Voor de realisatie van de Oostverbinding wordt voorzien in een geheel nieuwe infiltratievoorziening binnen het plangebied. Aangezien er geen sprake is van verbindingen met watergangen van het waterschap, is het gemeentelijke beleid uitgangspunt voor wat betreft de eisen aan de omvang van de infiltratievoorziening. Deze eisen zijn, op hoofdlijnen, een berging van 40 mm met een leegloop binnen 24 uur. De verharding in de openbare ruimte binnen het plangebied wordt afgekoppeld door middel van een stelsel van infiltratieriolen en wadi’s (dus zowel de nieuwe Verbindingsweg als de bestaande Stationsweg). Het bestaande gemengde rioolstelsel wordt daardoor minder belast.

De gemeente Venray geeft als bevoegd gezag met de uitkomsten van dit traject haar advies voor reikwijdte en detailniveau af voor het m.e.r. Daaropvolgend is een m.e.r.1 opgesteld. In het m.e.r. worden de milieueffecten vergeleken tussen de referentiesituatie (de huidige situatie en de gevolgen van de zogenaamde autonome ontwikkelingen) en het voorkeursalternatief zoals nu mogelijk wordt gemaakt in het voorliggend bestemmingsplan zoals in volgende tabel aangegeven.

1

RoyalHaskoningDHV, Oostverbinding Venray Milieueffectrapportage, 4 mei 2021, referentie: BH4288TPRP2101110934

Vastgesteld

24

Met name wat betreft de aspecten verkeersveiligheid (in het bijzonder voor de fiets, openbaar vervoer en voetganger) maar ook verkeersstructuur (voor auto / vrachtverkeer) en bereikbaarheid (voor fiets en auto / vrachtverkeer) is sprake van een duidelijke verbetering ten opzichte van de referentiesituatie. Ook met betrekking tot de aspecten houtopstanden, bodem en sociale aspecten wordt beter gescoord dan bij de referentiesituatie. Enkele aspecten scoren in hun milieugevolgen negatief ten opzichte van de referentiesituatie. Het gaat dan om de aspecten landschap, cultuurhistorie, archeologie en natuur / beschermde soorten. Wat landschap betreft wordt de nuancering geplaatst dat het hier gaat om een (groene) stedelijke omgeving. De landschappelijk context is met realisatie van de woonwijk Sint Antoniusveld rond de eeuwwisseling al verlaten. De vraag is dan ook in hoeverre de verkeerskundige ingreep conflicteert in maat en schaal van de omgeving. Het aspect cultuurhistorie gaat onder andere in op de verplaatsing van de kapel. De kapel wordt inderdaad verplaatst maar staat al reeds 15 jaar niet meer op de originele plek, waarmee cultuurhistorisch gezien nu geen verdere aantasting ontstaat dan ten tijde van de verplaatsing. Met de verschuiving wordt de aankleding en focus op de kapel juist ook aangepakt en opgewaardeerd.

Dat de beleving op de kapel wijzigt is logischerwijs aan de orde bij een verplaatsing, maar dat deze minder uitnodigt om de kapel te bezoeken en de omgeving rondom de kapel minder aantrekkelijk is om (kortstondig) te verblijven wordt niet onderschreven. Het aspect archeologie scoort negatief omdat niet op voorhand volledig uitgesloten worden dat er zich archeologische waarden bevinden die mogelijk aangetast worden. Gezien de huidige inrichting van infrastructuur (puinfunderingen, riool- en nutstracés) heeft hier reeds verstoring plaatsgevonden op het huidige weg- en leidingtracés. De meeste werkzaamheden zullen waarschijnlijk te beperkt in diepte zijn en de diepere werkzaamheden te beperkt in oppervlakte. Het is dan ook niet aannemelijk dat archeologische waarden (kunnen) worden geschaad. Het aspect natuur / beschermde soorten scoort negatief vanwege de geconstateerde aanwezigheid van de iepenpage. De iepenpage is een nationaal beschermde soort en daarom is er een ontheffing op de Wet natuurbescherming nodig. Provincie Limburg is hiervoor het bevoegd gezag. Deze ontheffing is nodig alvorens de werkzaamheden (o.a. de kap van de bomen) voor de opwaardering van de Stationsweg Vastgesteld

25

kunnen worden uitgevoerd. Wijziging van het ontwerp was niet mogelijk zonder het kappen van nog meer bomen, waarop de keuze is gemaakt om de ontheffingsaanvraag aan te vragen. Compensatie in de vorm van herplant zal ruim worden opgezet in de nabijheid van de te kappen bomen. Van boombewonende vleermuizen, jaarrond beschermde nesten of eekhoornnesten is geen sprake, het initiatief vormt dus geen bedreiging voor deze beschermde soorten. De resterende aspecten scoren neutraal, de milieugevolgen zijn daarmee bij het voorkeursalternatief vergelijkbaar met de referentiesituatie. Uit het bovenstaande blijkt wat de overwegingen zijn om het voorkeursalternatief planologisch juridisch mogelijk te maken met het onderhavige bestemmingsplan. Op 15 juli 2021 heeft de Commissie voor de milieueffectrapportage het toetsingsadvies over het m.e.r. uitgebracht. In het bijgevoegde Eindrapport zienswijzen is dit advies samengevat en van een beantwoording voorzien. Dit heeft geleid tot een aanpassing in het m.e.r. en een aanvulling op het m.e.r.. 5.1.2 Bodem- en grondwaterkwaliteit Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden.

De milieuhygiënische bodemkwaliteit dient te worden aangetoond indien een wijziging plaatsvindt van de bodemfunctieklasse.

Verbindingsweg In het kader van het realiseren van de verbindingsweg en de daarmee gepaard gaande bestemmingswijziging van ‘Agrarisch’, ‘Groen’ en ‘Water’ naar ‘Verkeer’ is een historisch bodemonderzoek2 uitgevoerd. Er zijn op basis van de terreininspectie aanwijzingen gevonden die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. Echter heeft de gemeente Venray kwaliteitscertificaten van het aangetroffen puin beschikbaar gesteld. Derhalve is de onderzoekslocatie niet verdacht op het voorkomen van asbest. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem en de terreininspectie kan gesteld worden dat er, wat betreft de landbodem, milieuhygiënisch geen belemmeringen bestaan voor het initiatief. Op basis van de huidige gegevens kan geen uitspraak worden gedaan met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de aanwezige watergang. Er wordt dan ook geadviseerd een verkennend waterbodemonderzoek conform de NEN 5717 en de NEN 5720 uit te voeren. Uit de reeds bekende gegevens wordt geconcludeerd dat atmosferische depositie naar verwachting de enige (beperkte) bron van PFAS-verontreiniging op de locatie is. Van atmosferische depositie is bekend dat dit tot beperkt verhoogde PFAS-gehalten in bodem en water kan leiden.

2

Econsultancy, Actualiserend milieuhygiënisch vooronderzoek bodem Stationsweg en de Henri Dunantstraat te Venray, 7 december 2020, rapportnummer: 14110.001

Vastgesteld

26

Indien bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing. Ter plaatse van de te dempen watergang heeft op basis van de resultaten van het historisch bodemonderzoek een waterbodemonderzoek3 plaatsgevonden. Uit het vooronderzoek blijkt dat er geen sprake is van waterbodembelasting, anders dan een regionale achtergrondbelasting in de waterbodem. Het watertype van de onderzoekslocatie betreft "lintvormig water". Op basis van het vooronderzoek is de onderzoekslocatie onderzocht conform de onderzoeksinspanning "lintvormig water, normale onderzoeksinspanning" (LN). Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden bleek de sloot droog te staan. De waterbodem bestaat uit matig siltig, zwak humeus, matig fijn zand. Een sliblaag is niet aangetroffen. In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Er zijn op basis van het vooronderzoek, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de onderzoekslocatie te verwachten. In de zandige waterbodem zijn geen verontreinigingen aangetoond.

Getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit (generiek kader) voldoen dit zand zowel voor toepassing op de landbodem als onder water aan de achtergrondwaarde. Uit de msPAF toetsing blijkt dat het het zandige sediment kan worden verspreid over de aangrenzende percelen. Met dit onderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de waterbodem ter plaatse van de onderzochte deellocaties vastgesteld. Op basis van de onderzoeksresultaten bestaat er géén reden voor een aanvullend waterbodemonderzoek voorafgaand aan de baggerwerkzaamheden. Voor de verwijdering van het sediment zijn mogelijk de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Opwaardering Stationsweg Thans is de Stationsweg reeds bestemd voor verkeersdoeleinden. De opwaardering van de Stationsweg zal echter ook deels plaatsvinden op gronden die thans zijn bestemd als ‘Groen’ of als ‘Wonen’. Deze bestemmingen zullen in dat kader gewijzigd worden in de bestemming ‘Verkeer’. Er is in dat geval sprake van de bodemfunctieklasse met vergelijkbare eisen of minder strenge eisen. Er is derhalve geen sprake van een wijziging in de bodemfunctieklasse die leidt tot een aanscherping van de bodemkwaliteitseisen. De milieuhygiënische bodemkwaliteit hoeft in dat geval niet aangetoond te worden.

5.1.3 Wegverkeerslawaai De Wet geluidhinder (Wgh) stelt eisen ten aanzien van de geluidbelasting van wegverkeerslawaai op geluidsgevoelige functies. Wijzigingen aan bestaande wegen en de aanleg van nieuwe wegen kunnen invloed hebben op het akoestische klimaat van bestaande geluidsgevoelige functies. In dat kader is akoestisch onderzoek4 verricht om het effect van het initiatief op de bestaande geluidsgevoelige functies te onderzoeken.

3 4

Econsultancy, Waterbodemonderzoek Stationsweg (ong.) te Venray, 15 januari 2021, rapportnummer: 14110.002 Peutz, Oostverbinding Venray akoestisch onderzoek Wet geluidhinder, 11 februari 2021, rapportnummer: V 1335-4-RA-002

Vastgesteld

27

Wettelijk kader Te wijzigen wegen Indien sprake is van een geluidstoename van 1,5 dB of meer ten opzichte van de huidige situatie (of eerder vastgestelde hogere waarden), dienen geluidmaatregelen te worden onderzocht op (financiële) doelmatigheid. Beneden deze grenswaarde is de toename toegestaan. Deze toename is alleen van belang bij geluidbelastingen van 48 dB of meer. Toenames van meer dan 5 dB na toepassing van eventuele maatregelen zijn niet toegestaan. Nieuwe wegen Bij nieuwe wegen wordt getoetst aan de voorkeurswaarde van 48 dB en de maximaal toelaatbare waarde van 63 dB in stedelijk gebied. Bij overschrijding van de voorkeurswaarde dient een onderzoek naar geluidmaatregelen plaats te vinden. Indien geluidmaatregelen niet (financieel) doelmatig zijn of bijvoorbeeld vanuit landschappelijk of stedenbouwkundig niet gewenst zijn, kunnen hogere waarden worden vastgesteld tot de maximaal toelaatbare waarde. Artikel 110g Wet geluidhinder (Wgh) Bij toetsing aan de wet dient volgens artikel 110g Wgh de berekende geluidbelasting vanwege het wegverkeer te worden gecorrigeerd voordat wordt getoetst aan de grenswaarden in de Wgh. Met deze correctie wordt rekening gehouden met de ontwikkeling dat voertuigen op termijn stiller worden. Toetsing per weg Bij toetsing aan de wet dient elke weg apart getoetst te worden en niet cumulatief.

Daar waar het gaat om het in beeld brengen van cumulatieve waarden wordt de aftrek conform artikel 110g Wgh buiten beschouwing gelaten. Uitgangspunten Rekenpunten Op geluidgevoelige bestemmingen binnen de geluidzone van de te wijzigen wegvakken en de nieuwe weg zijn rekenpunten gelegd en is de geluidbelasting berekend voor de huidige situatie en de plansituatie. De huidige situatie is alleen van belang daar waar het gaat om te wijzigen wegen om zo de toename te zien. Voor de woningen nabij de nieuwe verbindingsweg is alleen de toekomstige situatie van belang voor toetsing aan het wettelijk kader. Peiljaren Voor toetsing aan de Wgh dient bij de geluidberekeningen voor de toekomstige situaties uitgegaan te worden van het peiljaar 10 jaar na openstelling van de te wijzigen en nieuwe wegen. Voor de huidige situatie dient uitgegaan te worden van het peiljaar 1 jaar vóór aanvang van de wegwerkzaamheden. Er is uitgegaan van de peiljaren 2021 en 2032 als huidig en toekomstig jaar. Resultaten Te wijzigen wegen Zonder toepassing van maatregelen is sprake van reconstructie in het kader van de Wgh (toename ≥ 2 dB) bij 30 woningen aan de Stationsweg ten gevolge van de wijzigingen aan deze weg en de groei van het verkeer. De toename is niet meer dan 5 dB. Een onderzoek naar bron- en overdrachtsmaatregelen is van toepassing.

Nieuwe verbindingsweg Ten gevolge van de nieuwe weg wordt bij één woning de voorkeurswaarde van 48 dB overschreden. De ten hoogste toelaatbare waarde van 63 dB wordt niet overschreden. Een onderzoek naar bron- en overdrachtsmaatregelen is van toepassing.

Vastgesteld

28

Maatregelenonderzoek Bronmaatregelen Wegen kunnen worden voorzien van een geluidreducerend wegdek om het geluid met enkele decibellen te reduceren. Op en rond kruisingen is dit vaak niet gewenst vanwege het wringende verkeer (banden): het geluidreducerende wegdek wordt snel kapotgereden. Ook zijn vanuit onderhoud en beheer korte stukken geluidreducerend wegdek vaak niet gewenst. Overdrachtsmaatregelen Dit zijn maatregelen om de overdracht van geluid te verminderen door middel van een geluidscherm of grondwal. Schermen zijn vaak moeilijk inpasbaar in een stedelijke omgeving vanwege aansluitende wegen, toeritten naar woningen, en vanwege belemmering van het zicht nabij kruisingen. Door het bevoegd gezag wordt afgewogen of de toepassing van maatregelen (bron- en/of overdrachtsmaatregelen) voldoende doeltreffend is, of dat deze maatregelen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard ontmoeten (art. 110a,5 Wgh). Indicatie maatregelen nieuwe Oostverbinding De woning met een overschrijding van de voorkeurswaarde ligt aan het eind van de nieuwe weg nabij de rotonde waar sprake is van veel optrekkend en remmend verkeer. Bronmaatregelen zijn hier niet wenselijk vanuit onderhoud en beheer. Onder andere vanuit verkeersveiligheid (zicht) zullen schermen op deze locatie niet gewenst / mogelijk zijn.

Voor deze woning zal een hogere waarde moeten worden vastgesteld. Indicatie maatregelen te wijzigen wegen Een geluidreducerend wegdek kan een reductie opleveren van circa 3 dB. Bij toepassing van het geluidreducerende wegdek ‘SMA NL8 G+’ (niet ter hoogte van kruisingen/ rotondes) is nog sprake van een overschrijding van de grenswaarde bij zeven woningen. Schermen zijn niet doeltreffend en vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet gewenst. Voor acht woningen (1 woning in het kader van nieuwe wegaanleg, 7 woningen in het kader van reconstructie) zal een hogere waarde moeten worden vastgesteld na toepassing van bronmaatregelen. Conclusie Uit het akoestisch onderzoek volgt dat zonder maatregelen sprake is van: ▪ een overschrijding van de voorkeurswaarde, maar niet van de maximaal toelaatbare waarde, ten gevolge van de nieuwe weg bij één woning; ▪ toenames van meer dan 1,5 dB, maar minder dan 5 dB, ten gevolge van de wijziging van de weg bij 30 woningen. Bronmaatregelen worden geadviseerd om het geluid te reduceren. Na toepassing van bronmaatregelen is voor acht woningen nog sprake van een vast te stellen hogere waarde. Met de bronmaatregelen wordt de geluidstoename door de toename van het aantal vervoersbewegingen grotendeels gereduceerd. Echter, met bronmaatregelen kan de geluidstoename nog niet overal worden gereduceerd.

Op en rond kruisingen is een geluidreducerend wegdek vaak niet mogelijk of gewenst vanwege het wringende verkeer (banden): het geluidreducerende wekdek wordt snel kapotgereden. Ook zijn vanuit onderhoud en beheer korte stukken geluidreducerend wegdek vaak niet gewenst. Tegelijkertijd met de procedure tot het vaststellen van het bestemmingsplan wordt een procedure tot het vaststellen van een besluit hogere waarden doorlopen. Uit een onderzoek gevelwering zal daarna moeten blijken of maatregelen nodig zijn om te kunnen voldoen aan de grenswaarde voor het binnenniveau. Omdat een onderzoek naar mogelijke

Vastgesteld

29

overschrijding van de binnenwaarde plaatsvindt na het vaststellen van het besluit hogere waarden, valt dit buiten het bestek van het bestemmingsplan c.q. het in het kader daarvan uitgevoerde akoestisch onderzoek. 5.1.4 Luchtkwaliteit Op basis van de Wet luchtkwaliteit, als onderdeel van de Wet milieubeheer, gelden kwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn door middel van grenswaarden voor de diverse luchtverontreinigingscomponenten vastgelegd. Deze grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die ‘Niet in betekende mate’ (NIBM) en ‘In betekende mate’ (IBM) bijdragen. Projecten die NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit kunnen zonder verdere toetsing aan de grenswaarden uitgevoerd worden. Als een project ervoor zorgt dat de concentratie PM10 of NO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project IBM bij aan de luchtkwaliteit en dient een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden om de precieze effecten op de luchtkwaliteit in beeld te brengen. Om de concentratiebijdragen PM2,5, PM10 en NO2 van initiatief te bepalen is een luchtkwaliteitsonderzoek5 uitgevoerd. Uit het luchtkwaliteitsonderzoek volgt dat zowel voor de huidige situatie (2021, zonder initiatief) als voor het jaar 2032 inclusief initiatief wordt voldaan aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit in de Wet milieubeheer.

Aangezien de achtergrondconcentraties in de toekomst zullen afnemen wordt geconcludeerd dat ook in de verdere toekomst voldaan zal worden aan de gestelde grenswaarden. Geconstateerd wordt dat voldaan wordt aan het gestelde in artikel 5.16 van de Wet milieubeheer (lid 1 onder a), aangezien de gewijzigde verkeersstromen door het initiatief niet leiden tot het overschrijden van de in Bijlage 2 van de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5. Er bestaan inzake luchtkwaliteit derhalve geen belemmeringen voor het initiatief. 5.1.5 Geur Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebied bestemd voor wonen en verblijf. De nieuwe woning betreft derhalve een geurgevoelig object. Op 29 september 2009 heeft de gemeenteraad van Venray de aangepaste Verordening geurhinder en veehouderij vastgesteld. De laatste aanpassing van deze geurverordening is vastgesteld op 1 november 2011. Alleen een geurgevoelig object wordt tegen geurhinder beschermd.

Een weg betreft geen geurgevoelig object. Het aspect geur is daarmee niet beperkend voor het initiatief. Ten slotte is er geen sprake van een uitstoot van geur met de realisatie van het initiatief; het initiatief leidt derhalve niet tot een wijziging van de geursituatie ter plaatse van geurgevoelige objecten.

5.2 Water 5.3.1 Waterbeleid Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Venray als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te

5

Peutz, Oostverbinding Venray onderzoek luchtkwaliteit, 11 november 2020, rapportnummer: V 1355-2-RA-001

Vastgesteld

30

worden. Concreet betekent dit dat er sprake moet zijn van gescheiden schoon- en vuilwaterstromen die afzonderlijk worden verwerkt. Vanuit de gemeente Venray en Waterschap Limburg gelden daarbij de volgende uitgangspunten: 1. afkoppelen van 100% van het verhard oppervlak, waarbij de beslisboom verantwoord afkoppelen van toepassing is; 2. de trits vasthouden-bergen-afvoeren is van toepassing, waarbij hergebruik dan wel infiltratie van schoon hemelwater de voorkeur heeft; 3. verontreiniging van het water dient door bronmaatregelen voorkomen te worden; 4. grondwateroverlast dient voorkomen te worden; 5. een gelimiteerde afvoer naar het oppervlaktewater is toegestaan. 5.3.2 Waterhuishoudkundige situatie plangebied Bodemgesteldheid en grondwater De originele bodem bestaat volgens de Bodemkaart van Nederland uit een hoge zwarte enkeerdgrond, die volgens de Stichting voor Bodemkartering voornamelijk is opgebouwd uit lemig fijn zand. De afzettingen, waarin deze bodem is ontstaan, behoren geologisch gezien tot de Formatie van Boxtel. De gemiddelde stand van het freatisch grondwater bedraagt circa 20,5 m +NAP, waardoor het grondwater zich op circa 3 m-mv zou bevinden. Het water van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens de isohypsenkaart van de Dienst Grondwaterverkenning van TNO in noordoostelijke richting.

Conform de algemene gegevens van het waterschap blijkt het plangebied een redelijke bodemdoorlatendheid te hebben van 0,45 tot 0,75 m/dag. Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Oppervlaktewater Op de leggerkaarten van Waterschap Limburg is te zien dat de greppel ter plaatse van de nieuwe verbindingsweg is aangewezen als primaire watergang. Deze primaire watergang heet de Zompgraaf en start ter plaatse van het viaduct en vervolgt haar weg vervolgens in noordoostelijke richting. Waar deze watergang het plangebied kruist zal de watergang worden gedempt. Het startpunt van deze watergang komt daarmee circa 200 meter verder stroomafwaarts te liggen, direct ten oosten van de nieuwe verbindingsweg. Afvalwater Met het initiatief is geen sprake van een toename van afvalwater. Aan de afvalwatersituatie verandert met het initiatief dus niets. 5.3.3 Water in relatie tot ontwikkeling In de huidige situatie is de Stationsweg voorzien van een gemengd riool. Bij de opwaardering c.q. reconstructie van de Stationsweg wordt een apart hemelwaterriool aangelegd. Het verhard oppervlak van de Stationsweg en andere verhardingen in de openbare ruimte (voet- en fietspaden) wordt via dit hemelwaterriool ter plekke in de bodem geïnfiltreerd.

Indien de neerslag te zwaar is, dan worden op twee locaties wadi’s aangelegd en gebruikt. De infiltratieriolering samen met de twee aan te leggen wadi’s hebben een inhoud van totaal 40 mm. In de huidige situatie is er geen verhard oppervlak aanwezig ter plaatse van de beoogde verbindingsweg. Als uitgangspunt is dan ook genomen dat al het verhard oppervlak dat aangelegd wordt gecompenseerd moet worden in te realiseren watergangen aan weerszijden van de verbindingsweg.

Vastgesteld

31

Het hemelwater van de rijbanen stroomt af naar de berm aan weerszijden van de weg. In de berm wordt het water opgevangen in een droogvallende bermsloot. Indien er sprake is van een bermsloot aan één zijde van de verbindingsweg, wordt het hemelwater van de andere zijde met kolken en leidingen naar de berm en bermsloot aan de overzijde getransporteerd. De bermsloot mag niet dieper lagen dan de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG). Anders is de bermsloot al gedeeltelijk gevuld voordat er hemelwater valt. De capaciteit van de bermsloot dient eveneens gedimensioneerd te worden op een bui waarbij 40 mm neerslag valt.

5.3 Kabels, leidingen en straalpaden Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Onder de Stationsweg ligt een ondergrondse waterleiding. Deze buisleiding betreft een drinkwatertransportleiding in beheer van het Watermaatschappij Limburg. Deze leiding heeft een zakelijk rechtstrook van 2,5 m uit het hart van de leiding. Deze zone is in het vigerende bestemmingsplan bestemd als ‘Leiding – Water’. Overeenkomstig het vigerend bestemmingsplan is deze dubbelbestemming opnieuw van toepassing verklaard voor het plangebied. Op het deel waar de verbindingsweg is beoogd ligt een afvalwater transportleiding van Waterschapsbedrijf Limburg (WBL). Deze loopt parallel aan de A73 en kent ook een zakelijk rechtstrook van 2,5 m uit het hart van de leiding. Deze zone is in het vigerende bestemmingsplan bestemd als ‘Leiding – Riool’. Overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan is deze dubbelbestemming opnieuw van toepassing verklaard voor het plangebied. Blijkens kaarten van Gasunie en TenneT bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen andere belangrijke (ondergrondse) leidingen. Volgens het geldende bestemmingsplan “Venray” loopt over een deel van het plangebied een straalverbinding van KPN.

Bepaalde straalverbindingen werden in het verleden als beschermd straalpad aangemerkt om de noodvoorziening voor vaste telefonie te waarborgen. Tegenwoordig zijn hiervoor alternatieven en/of kunnen straalverbindingen, indien noodzakelijk, worden verplaatst. Derhalve is het niet noodzakelijk om een straalpad van een planologische regeling te voorzien. Verspreid over Nederland staat een aantal militaire- en burgerradarstations. Deze dienen voor de beveiliging van het nationale luchtruim en voor de veilige afhandeling van het militaire en het civiele luchtverkeer. Objecten hoger dan 65 m boven NAP binnen 15 nautische mijl (circa 28 km) van dit radarstation kunnen aanleiding geven tot verstoring van het radarbeeld en kunnen derhalve niet worden toegestaan, tenzij uit onderzoek is gebleken dat de mate van verstoring aanvaardbaar is. Hiervoor dient door TNO een radarhinderonderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek beoordeelt Defensie de aanvaardbaarheid van de verstoring. Op grond van het bestemmingsplan is het niet mogelijk objecten op te richten die hoger rijken dan 65 m boven NAP. In het vigerende bestemmingsplan “Venray” is de gebiedsaanduiding opgenomen ‘overige zone – radarverstoringsgebied’ om dit planologisch te borgen.

Overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan “Venray” is deze gebiedsaanduiding (opnieuw) van toepassing verklaard voor dat deel van het plangebied.

Vastgesteld

32

5.4 Externe veiligheid Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR.

Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer.

In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)

Vastgesteld

Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaaarde

33

Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Toetsing Het initiatief betreft een aanpassing van bestaande wegen en de aanleg van een nieuwe verbindingsweg. In het kader van de wegaanpassing in relatie tot externe veiligheid is met name het wegtransport van gevaarlijke stoffen relevant. Voor lokale wegen is in het kader van externe veiligheid het transport van LPG maatgevend. In de omgeving van het plangebied ligt een LPG tankstation (Raadhuisstraat). Aangenomen is dat de bevoorrading van dit tankstation plaatsvindt vanaf de A73 via de (Nieuwe) Maasheseweg en de Noordsingel. Transport van LPG dient zoveel mogelijk over hoofdwegen en snelwegen plaats te vinden en zo min mogelijk door de bebouwde kom. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat er structureel transport van LPG plaatsvindt binnen het plangebied Hiermee is er geen groepsrisico ten gevolge van het transport van LPG.

In de nieuwe situatie worden de Stationsweg en de nieuwe verbindingsweg geclassificeerd als gebiedsontsluitingsweg, waardoor er meer doorgaand verkeer gaat plaatsvinden in de oost-west richting en in omgekeerde richting. Hierdoor kan er sporadisch transport van LPG plaatsvinden ten gevolge van de aanwezigheid van het LPG tankstation aan de Raadhuisstraat. De bevoorrading van het tankstation betreft maximaal 70 transporten per jaar, gebaseerd op een doorzet van 1.000 m3. Het groepsrisico neemt hierdoor mogelijk zeer beperkt toe ten opzichte van de huidige situatie. Conform de vuistregels uit de HART tabel 1-9 ligt het groepsrisico ruim onder de 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico scoort hiermee een verwaarloosbaar effect. In de huidige situatie betreft de Stationsweg een wijkontsluitingsweg, gelegen binnen de bebouwde kom. Een weg binnen de bebouwde kom heeft volgens de HART geen plaatsgevonden risicocontour. In de nieuwe situatie worden de Stationsweg en de nieuwe verbindingsweg geclassificeerd als gebiedsontsluitingsweg. Deze route blijft hiermee een weg binnen de bebouwde kom. Dit heeft geen gevolgen voor het plaatsgebonden risico ten opzichte van de huidige situatie. Conclusie Het initiatief heeft een beperkt effect voor externe veiligheid. De weg heeft geen plaatsgebonden risicocontour. Dit blijft gelijk ten opzichte van de huidige situatie.

Daarnaast kan het groepsrisico zeer beperkt toenemen, mogelijk kan er in uiterste gevallen een sporadisch transport van LPG over de weg plaatsvinden.

5.5 Natuur De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. Flora en fauna Om het voorkomen van flora en fauna in het plangebied aan te tonen en het effect van het initiatief hierop te onderzoeken is een quickscan flora en fauna6 uitgevoerd. 6

Econsultancy, Quickscan flora en fauna Stationsweg te Venray, 10 september 2019, rapportnummer: 10189.001

Vastgesteld

34

Op basis van de quickscan flora en fauna hoeft voor uitvoering van het initiatief mogelijk aanvullende duidelijkheid te worden verkregen middels aanvullend veldonderzoek naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten, boombewonende vleermuizen, eekhoornnesten en de iepenpage. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient bij werkzaamheden te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen ten aanzien van onder andere algemene zoogdieren en amfibieën. Naar aanleiding van de resultaten uit de quickscan flora en fauna heeft de gemeentelijk bioloog in de winterperiode (vanwege het ontbreken van blad aan de bomen) de bomen geïnspecteerd op holtes waar vleermuizen kunnen verblijven, jaarrond beschermde nesten en eekhoornnesten. In geen van de te kappen bomen zijn holtes of nesten aangetroffen. In een boom die niet op de nominatie staat om gekapt te worden zal wel een groot bolvormig nest, maar de aanwezigheid van een paartje eksters verraadde dat het hier om een eksternest ging.

Boombewonende vleermuizen, jaarrond beschermde nesten of eekhoornnesten vormen daarmee dus geen belemmering voor het initiatief. Naar aanleiding van de resultaten uit de quickscan flora en fauna heeft nader onderzoek7 plaatsgevonden naar de iepenpage. Er is in het bladerloze seizoen, na de eileg-periode van de iepenpage, een intensieve inspectie uitgevoerd naar aanwezigheid van eitjes van de iepenpage. In de betreffende bomen werden enkele eitjes van de iepenpage aangetroffen. Uit het feit dat in de iepen eitjes zijn aangetroffen, kan worden geconcludeerd dat de iepenpage de iepen gebruikt als rustvoortplantingsplaats. De iepenpage is een nationaal beschermde soort. De bescherming van nationaal beschermde soorten is vastgelegd in de Wet natuurbescherming, artikel 3.10. Hierin staat o.a. dat het verboden is deze soorten opzettelijk te doden of te vangen (artikel 3.10 lid 1a) en dat het verboden is de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen (artikel 3.10 lid 1b). Er wordt aangeraden om voor de kap van de twee iepen een ontheffing op de Wet natuurbescherming van verbodsbepalingen uit artikel 3.10 aan te vragen. Provincie Limburg is hiervoor het bevoegd gezag. Ter begeleiding van de ontheffingsaanvraag dient een activiteitenplan opgesteld te worden, met daarin o.a.

maatregelen om de staat van instandhouding van de iepenpage niet negatief te beïnvloeden. Na goedkeuring van bevoegd gezag middels ontheffingverlening, worden de uiteindelijke maatregelen vastgelegd in een ecologisch werkprotocol. Bij de voorgenomen plannen gaat geen essentieel deel van het foerageergebied van de das verloren. Vanwege de afwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie en sporen op en net buiten de onderzoekslocatie kan verstoring van de das worden uitgesloten. Uit veldbezoek in november 2020 (en bij de Dassenwerkgroep bekende gegevens) bleek dat dassen in noord-zuidelijke richting door Venray lopen. Voor het project Oostverbinding blijkt dat vooral de Henri Dunantstraat en de Stationsweg (beide gesitueerd in oost-westelijke richting) een knelpunt vormen. Deze wegen staan haaks op de huidige looproute van dassen, en hier worden diverse dassen aangereden. Gemeente Venray is voornemens om deze knelpunten op te lossen bij de realisatie van project Oostverbinding door het aanleggen van dassenvoorzieningen. Natura2000 Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Boschhuizerbergen, ligt op circa 1,2 km van het plangebied. In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een Wnb-vergunning vereist is. Over een afstand van 1,2 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op 7

Econsultancy, Aanvullend onderzoek iepenpage Stationsstraat te Venray, 11 december 2020, rapportnummer: 10189.002

Vastgesteld

35

Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting. Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOx of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Er is een onderzoek8 uitgevoerd naar de stikstofdepositie in nabijgelegen Natura2000-gebieden ten gevolge van het initiatief. Het onderzoek is uitgevoerd voor zowel de aanlegfase (bouwfase) als de gebruiksfase (toekomstig gebruik), waarbij gebruik is gemaakt van de meest recente versie van de rekenmodule AERIUS Calculator 2020 (d.d. 15 oktober 2020). Uit de rekenresultaten voor de aanlegfase volgt dat voor de beschouwde werkzaamheden sprake zal zijn van een bijdrage van de stikstofdepositie van maximaal 0,02 mol/ha/jaar ter plaatse van de omliggende Natura2000-gebieden. Aangezien de stikstofdepositie gedurende een periode van maximaal twee jaar zal optreden en de berekende stikstofdepositie kleiner is dan 0,05 mol/ha/jaar kan worden gesteld dat deze tijdelijke deposities op zichzelf en in cumulatie op voorhand niet zullen leiden tot significante negatieve effecten op het meest nabijgelegen Natura2000-gebied Boschhuizerbergen. Dat wil zeggen dat de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar komen.

Uit de rekenresultaten voor de gebruiksfase volgt de navolgende effectbepaling voor het initiatief: ▪ voor het prognosejaar 2024 is voor alle zes beschouwde varianten ten opzichte van de huidige situatie sprake van een afname van de maximaal berekende stikstofdepositie ▪ voor het prognosejaar 2032 is sprake van een maximale toename van de berekende stikstofdepositie van 0,07 mol/ha/jaar ten gevolge van het initiatief Door de toename van de berekende stikstofdepositie voor het prognosejaar 2032 is voor de gebruiksfase sprake van mogelijk negatieve gevolgen voor het meest nabijgelegen Natura2000-gebied Boschhuizerbergen. Middels een passende beoordeling zal moeten worden aangetoond dat door het initiatief geen sprake zal zijn van significant negatieve effecten.

5.6 Archeologie en cultuurhistorie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe Rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en vervangt zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De gemeente Venray heeft een eigen archeologische beleidskaart laten opstellen door archeologisch adviesbureau RAAP. De kaart en het bijbehorende rapport zijn afgerond in het voorjaar van 2008 (RAAP rapport 1482: “Begrensd verleden; Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en de cultuurhistorische waardenkaart voor de gemeente Venray”). Vanwege de gemeentelijke herindeling in 2010 is de archeologische beleidskaart geactualiseerd, waarbij Geijsteren, Wanssum en Blitterswijck en het buitengebied daaromheen in de kaart zijn opgenomen.

Deze geactualiseerde versie is in de 2013 vastgesteld. 8

Peutz, Oostverbinding Venray onderzoek stikstofdepositie, 9 december 2020, rapportnummer: V 1355-5-RA

Vastgesteld

36

Op deze beleidskaart kent het plangebied de aanduidingen middelhoge verwachting (oranje), hoge verwachting (rood), zeer hoge verwachting (donkerpaars) of vindplaats (lichtpaars). Deze archeologische verwachtingswaarden zijn vertaald naar de vigerende bestemmingsplannen, in de vorm van archeologische dubbelbestemmingen. In de archeologische dubbelbestemmingen zijn ondergrenzen bestaande uit een oppervlakte- en dieptenorm aangegeven. Indien de gestelde ondergrenzen door voorgenomen werkzaamheden worden overschreden is archeologisch onderzoek noodzakelijk. De archeologische dubbelbestemmingen zijn in onderhavig bestemmingsplan opnieuw van toepassing verklaard ter plaatse van de Stationsweg.

Afbeelding 14. Uitsnede archeologische beleidskaart

In het deel van het plangebied waar de nieuwe verbindingsweg zal worden gerealiseerd en zal aansluiten op de Henri Dunantstraat, vervalt daarentegen de archeologische dubbelbestemming. Dit aangezien hier archeologisch onderzoek is uitgevoerd, waarbij de aanwezige archeologische resten conform wet- en regelgeving zijn gedocumenteerd en geborgen. Zodoende worden de archeologische waarden vastgelegd in een rapport en blijven de vondsten bewaard en beschikbaar in het provinciaal archeologisch depot voor bodemvondsten te Heerlen. Het onderzoeksproces bestond uit verkennend vooronderzoek d.m.v. boringen9 in 2011, karterend en waarderend vooronderzoek d.m.v. proefsleuven in oktober 2020 en definitief onderzoek in de vorm van een opgraving in december 2020. Van het onderzoek in 2020 is op dit moment (maart 2021) een evaluatierapport beschikbaar (Evaluatierapport Venray, plangebied Oostverbinding, Proefsleuvenonderzoek en opgraving, auteur: N. Lameris, 15-02-2021, BAAC projectnummer A-20.0250). Bij de twee laatste onderzoeken kon een groot gedeelte van een romeins grafveld worden gedocumenteerd. 9

Econsultancy, Archeologisch verkennend booronderzoek plangebied De Hulst I te Venray, 19 juli 2011, rapportnummer: 11050483

Vastgesteld

37

Het evaluatierapport geeft een eerste indruk van de onderzoeksresultaten en een raming van de werkzaamheden die nodig zijn voor de uitwerking van de verzamelde gegevens tot een eindrapport. Op basis van de evaluatie geeft de gemeente Venray opdracht aan de archeologische uitvoerder (BAAC) voor de uitwerking. De vervaardiging van het eindrapport kent een relatief lange doorlooptijd, mede door de diverse specialistische (laboratorium)analyses. Voor het bestemmingsplan volstaat het gegeven dat het archeologische veldwerk is afgerond en op basis daarvan het tracé van de nieuwe verbindingsweg is vrijgegeven door de gemeente Venray als bevoegd gezag. Zoals gezegd behoudt het deel van het plangebied ter plaatse van de Stationsweg in onderhavig bestemmingsplan de hier aanwezige archeologische dubbelbestemmingen. Hierbij moet worden opgemerkt dat het initiatief hier kan plaatsvinden zonder archeologisch onderzoek. Daarvoor zijn de meeste werkzaamheden te beperkt in diepte en de diepere werkzaamheden te beperkt in oppervlakte. Bovendien worden de werkzaamheden uitgevoerd ter plaatse van de bestaande weg en ondergrondse infrastructuur. De kans op het doen van zinvol archeologisch onderzoek is om die redenen gering of nihil. Het opleggen van een onderzoeksplicht zou een onnodige en daarmee onredelijke belasting zijn van het initiatief.

5.7 Verkeer en parkeren Door het realiseren van de nieuwe verbindingsweg zal er een verschuiving plaats gaan vinden in het aantal mvt/etmaal welke gebruik maken van de Stationsweg en de Henri Dunantstraat. Daarmee samenhangend zal het aantal mvt/etmaal wat door de kern van Oostrum rijdt afnemen. #

Wegvak

1 2 3

N270: tussen de A73 en afrit A73 N270: tussen afrit A73 en afrit Leunen N270: tussen afrit Leunen en Leunseweg Leunseweg: zuidelijke rotonde en Acaciastraat Leunseweg: Acaciastraat en rotonde Zuidsingel Leunseweg: rotonde Zuidsingel en rotonde Oude Oostrumseweg N270: vanaf rotonde Mgr. Hanssenstraat tot De Germaan De Germaan: vanaf N270 tot de Henri Dunantstraat Henri Dunantstraat: vanaf De Germaan tot de rotonde bij het Brukske Henri Dunantstraat: vanaf rotonde bij het Brukske tot aan de Zuidsingel N270: wegvak ten oosten van de Mgr. Hanssenstraat Mgr. Hanssenstraat: vanaf kruising met de N270 tot de Stationsweg

4 5 6 7 8 9 10 11 12

Vastgesteld

Gem. intensiteit (mvt/etmaal) beide richtingen Huidige situatie Situatie 2024 met Beoordeling verbindingsweg 10443 10294 Afname 10012 9822 Afname 5752 5521 Afname 8329

8070

Afname

8381

8123

Afname

3421

3252

Afname

6374

7038

Toename

4254

5522

Toename

3473

4361

Toename

2977

2599

Afname

6657

6690

Toename

1557

969

Afname

38

13

14

Stationsweg: vanaf de Mgr. Hanssenstraat tot de A73 (kruising enkel in bovenaanzicht) Stationsweg vanaf de A73 tot de rotonde bij de Oostsingel

3289

2391

Afname

3240

4123

Toename

Er is een onderzoek10 uitgevoerd en een aanvullende memo11 opgesteld wat de verkeersintensiteit gaat zijn op de nieuwe verbindingsweg en de omliggende wegen. Hieruit blijkt dat de nieuwe verbindingsweg een verwachte verkeersintensiviteit zal hebben van 7.000 mvt/etm. Er ontstaat hierdoor een nieuwe route tussen de N270 en de Stationsweg die loopt via De Germaan – Henri Dunantstraat – Verbindingsweg – Stationsweg. Op de aansluitende wegen ontstaan verkeerstoenames (De Germaan, Henri Dunantstraat en Stationsweg). Er zijn verkeersafnames zichtbaar op de route langs het NS-station, de Mgr. Hanssenstraat door Oostrum en door Sint Antoniusveld. Ook op de Leunseweg is een afname te zien, als gevolg van de nieuwe route die er ontstaat tussen Venray en de A73. Verkeer vanuit de hoek Keizersveld / Landweert kiest door de nieuwe verbindingsweg eerder voor de A73 – aansluiting Venray om van en naar het zuiden te gaan. Hierdoor wordt deze aansluiting iets drukker en de zuidelijk aansluiting van Venray-Noord iets rustiger. Om de toename van de verkeersintensiteit op de Stationsweg op te vangen zal de inrichting van de weg opgewaardeerd worden van wijkontsluitingsweg naar gebiedsontsluitingsweg. Hierdoor zal een veiligere en overzichtelijkere situatie ontstaan.

Om deze te waarborgen zullen er daar waar mogelijk parallelwegen worden aangelegd en vrij- en aanliggende fietspaden zodat omwonenden niet onevenredig worden gehinderd, hierdoor zal er een rustigere situatie ontstaan dan nu het geval is. Aanvullend hierop zullen rotondes worden aangelegd om de afwerking van het verkeer soepel te laten verlopen. Voor het initiatief is een verkeerssimulatie opgezet met als doel het aantonen van een goede doorstroming bij inpassing van het beoogde plan. Tevens is hiermee aangetoond dat het verlaten van de aanwezige op- en afritten van huizen en bedrijven prima mogelijk is binnen de daarvoor geldende verkeersveiligheidsnormen. Na opwaardering van de Stationsweg zal het niet meer worden toegestaan te parkeren op de hoofdrijbaan. Parkeren zal wel worden toegestaan op de parallelwegen (behalve op de parallelweg ter hoogte van huisnummers 72-78). Veelal beschikken de woningen daarnaast over parkeergelegenheid op eigen terrein.

5.8 Niet-gesprongen explosieven Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) hebben in Venray veel oorlogshandelingen plaatsgevonden met onder andere bombardementen. Er bestaat derhalve de mogelijkheid dat in het plangebied bommen zijn neergekomen en niet ontploft. Dergelijke niet-gesprongen projectielen zijn een gevaar voor bouwvakkers en omwonenden wanneer deze verstoord worden.

10

RoyalHaskoningDHV, Rapport verbindingweg Henri Dunantstraat – Stationsweg nut en noodzaak verbinding, 12 juni 2017, referentie: R007_T&P_BF2624 11 RoyalHaskoningDHV, Notitie / memo Verbindingsweg Venray, 10 januari 2020, kenmerk: BG9562TPNT2001100851

Vastgesteld

39

Bij eventuele ontwikkelingen binnen de gemeente Venray, waar na de Tweede Wereldoorlog nog niet in de grond werd geroerd en er geen nadere onderzoeken hebben plaatsgevonden, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet-gesprongen explosieven (NGE). Voor het deel van het plangebied wat betrekking heeft op de Stationsweg heeft in het verleden, in het kader van de aanleg van de huidige weg, reeds een bepaalde mate van bodemverstoring plaatsgevonden. Hier worden derhalve geen nietgesprongen explosieven meer verwacht. Daarnaast is onderzoek naar NGE alvorens reconstructie plaatsvindt niet praktisch uitvoerbaar, gezien de vele storingen door onder andere puinverhardingen en ondergrondse nutsvoorzieningen.’ Ter plaatse van de nieuwe verbindingsweg heeft echter in mindere mate bodemverstoring plaatsgevonden. In dat kader is het voorkomen van niet-gesprongen explosieven in dit deel van het plangebied onderzocht12. Tijdens de opsporingswerkzaamheden zijn diverse (restanten van) niet-gesprongen explosieven aangetroffen. Het opsporingsgebied is opgedeeld in diverse gebieden die verschillende vrijgavedieptes hebben. De voorgenomen grondroerende werkzaamheden kunnen zonder beperkingen uitgevoerd worden tot aan de vrijgavediepte van de deelgebieden. Voor de gebieden die vrijgegeven zijn tot een diepte van 2,5 m-mv gelden geen beperkingen meer.

12

ECG, Proces-Verbaal van oplevering (PVvO) opsporingswerkzaamheden van Conventionele Explosieven (CE) binnen het opsporingsgebied ‘NGE Onderzoek Oostverbinding’, 12 november 2020, documentcode: 409-019-PVvO-01

Vastgesteld

40

6 JURIDISCHE ASPECTEN Een bestemmingsplan geeft bestemmingen met de bijbehorende regels. Het bestaat niet alleen uit een tekstdocument, maar ook uit een verbeelding (plankaart). Alle toegelaten functies zijn met een eigen bestemming op de verbeelding opgenomen. Samen met de regels vormt de (digitale en analoge) verbeelding het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting hoort wel bij het bestemmingsplan, maar is geen onderdeel daarvan: de toelichting is niet juridisch bindend. Dat betekent, dat indien er onverhoopt verschillen zouden bestaan tussen de toelichting en het bestemmingsplan, de regels en de verbeelding (plankaart) doorslaggevend en bindend zijn en de toelichting niet. De toelichting beschrijft wat de doelstellingen van het bestemmingsplan zijn en hoe de regels van het bestemmingsplan moeten worden geïnterpreteerd. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de SVBP 2012 alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor). Het bestemmingsplan is digitaal opgesteld en beschikbaar. Van het elektronische document is een papieren versie gemaakt. Bij een onbedoeld verschil tussen de papieren versie en de elektronische versie gaat de laatste voor.

6.1 Toelichting op de verbeelding De verbeelding geeft met kleuren en tekens aan welke bestemming voor de gronden geldt. De bestemming is aangegeven met een gekleurd vlak met de letters van de bestemming. Er zijn voor de gronden meerdere tekens opgenomen. Het gaat dan om aanduidingen (functie- of gebiedsaanduidingen) of dubbelbestemmingen. Voor een aanduiding of dubbelbestemming zijn in de regels specifieke bepalingen van toepassing. Uit de verbeelding kan afgeleid worden op welk gebied het bestemmingsplan betrekking heeft, omdat daarop de plangrens is aangegeven. De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:4.000. De analoge verbeelding bestaat uit één plankaart met een legenda. Het plangebied is volledig bestemd als ‘Verkeer’. De als zodanig aangewezen gronden zijn dan bestemd voor verkeer- en verblijfsdoeleinden en wegen, paden, verhardingen en andere bij de bestemming passende voorzieningen, maar ook voor water en waterhuishoudkundige doeleinden, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, etc.. Verder zijn voor het deel van het plangebied dat ten westen van de snelweg is gelegen de vigerende dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan overgenomen.

De dubbelbestemmingen voor het deel van het plangebied dat ten oosten van de snelweg is gelegen zijn verwijderd, behalve de dubbelbestemming ‘Leiding – Riool’. De andere dubbelbestemmingen (archeologische dubbelbestemming en ‘Waterstaat – Beschermingszone’) zijn niet meer aan de orde omdat uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden meer aanwezig zijn. Betreffende watergang, die beschermd wordt door de dubbelbestemming, zal worden opgeschoven en komt geheel buiten het plangebied te liggen.

6.2 Toelichting op de planregels Alle gronden binnen het plangebied hebben een bestemming. Een bestemming geeft de functie aan, die de gemeenteraad aan een gebied heeft toebedacht. Bij deze bestemmingen horen gebruiksregels. Het kan gaan om regels voor bouwen, werken en werkzaamheden, slopen en het gebruik van grond en de opstallen voor bepaalde activiteiten. De bestemming en de regels bepalen gezamenlijk welke activiteiten en handelingen zijn toegestaan. Het gevolg van het leggen van een

Vastgesteld

41

bestemming is, dat de betreffende gronden alleen overeenkomstig deze bestemming mogen worden gebruikt. In die zin houdt een bestemming dus een inperking in van het eigendomsrecht. De bevoegdheid om bestemmingen te leggen is toegekend aan de gemeenteraad. Dit is geregeld in artikel 3.1 van de Wro. Een gemeenteraad mag niet zomaar een bestemming leggen, maar moet daarvoor vanuit het algemeen belang van een “goede ruimtelijke ordening‟ redenen hebben. Het leggen van een bestemming betekent overigens niet, dat er een verplichting bestaat voor een grondgebruiker om die bestemming te realiseren. 'Bestemming' heeft slechts een passieve betekenis: of een bestemming gerealiseerd wordt, is afhankelijk van het handelen van de rechthebbende(n) op de grond (eigenaar, huurder, pachter). Een bestemming geeft alleen aan welk handelen toegelaten is. Daaruit kan worden afgeleid dat ander handelen niet is toegelaten. De artikelen 2.1 en 2.2 van de Wabo en enkele andere wetten verbieden het handelen in strijd met het bestemmingsplan. Om misverstanden te voorkomen wordt bij de bestemming aangegeven wat “in ieder geval‟ beschouwd moet worden als in strijd met het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is een juridisch plan: de daarin opgenomen bepalingen zijn bindend voor burgers en bedrijven en voor de overheid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10736603/1