03 Toelichting Blankenberg 8 Leunen
Tekst van het document
32
Blankenberg 8 Leunen
Overig agrarisch medegebruik Met het plan wordt het gebruik van een gedeelte van het plangebied ten behoeve van overig agrarisch medegebruik mogelijk gemaakt. Het houden van schapen (overige graasdieren) kent een richtafstand van 50 m (geur). Binnen een straal van 50 m van de gronden waarop dit gebruik is toegestaan, bevinden zich geen (bedrijfs)woningen van derden. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstanden van de VNG. Het plan leidt daarmee niet tot nadelige gevolgen ten aanzien van het woon- en leefklimaat in de omgeving. Dit wordt bevestigd in paragraaf 4.1.4. Voorliggend initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot milieuzonering. 4.1.6 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb).
Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting. De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, kampeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn. Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers.
Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan. Planspecifiek Via de website atlasleefomgeving.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website.
Blankenberg 8 Leunen
33
Uitsnede risicokaart (bron: atlasleefomgeving.nl)
Uit voorgaande kaart is op te maken dat het plangebied circa 620 meter ten zuidoosten ligt van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen. Dit betreft een aardgasleiding met uitwendige diameter van 219 mm en 4000 kpa. Voor deze buisleiding geldt een 1%-letaliteitsgrens van 95 meter. Het plangebied ligt hier ruimschoots buiten. Het plan ligt niet binnen het invloedsgebied voor het groepsrisico. Tevens is het plangebied niet gelegen binnen de PR-contour (10-6). De buisleiding levert daarmee geen belemmeringen op voor het plan. Er zijn geen (Bevi-)inrichtingen, andere buisleidingen, transportroutes voor vervoer van gevaarlijke stoffen of overige risicobronnen in de omgeving van het plangebied aanwezig. Het aspect externe veiligheid levert daarmee geen belemmeringen op voor het plan. Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot externe veiligheid.
4.2
Water
Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
34
Blankenberg 8 Leunen
Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten.
Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek gaan voorafgaand aan de vaststelling van het plan.
De watertoets bestaat uit twee onderdelen: de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan. Gemeentelijk rioleringsplan In het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2022-2025, vastgesteld op 14 december 2021, is het beleid voor het beheer van de gemeentelijke riolering voor de periode 2022 tot en met 2025 vastgelegd. Het plan wordt door de gemeente gebruikt om nu en in de toekomst aan de gemeentelijke zorgplichten te kunnen voldoen en als toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen. Voor de indeling van het GRP is rekening gehouden met de nieuwe Omgevingswet (Ow). Het veranderende klimaat en de verstedelijking brengen grote uitdagingen met zich mee. Regenbuien worden steeds extremer en komen vaker voor, met veel overlast en schade tot gevolg. Ook het vasthouden van het
Blankenberg 8 Leunen
35
gewenste grondwaterpeil wordt moeilijker tijdens extreem lange droge of natte perioden. Omdat het aantal warme dagen toeneemt wordt hittestress ook een probleem, vooral in een gebouwde omgeving met weinig groen en veel verharding. Het besef groeit dat wateroverlast niet langer is op te lossen door alleen maar het aanpassen van de riolering. Om extreme buien doelmatig te verwerken moet de gehele buitenruimte worden benut. Bijvoorbeeld via de aanleg van meer groene voorzieningen, bergingsbassins en oppervlaktewater. Maar ook via het vergroenen van daken en tuinen en het opwaarderen van bestaande sloten. Hemelwater dient zo lokaal mogelijk te worden verwerkt en kan worden benut voor het aantrekkelijk maken van de leefomgeving. In het GRP geeft de gemeente aan dat inwoners hemelwater zoveel mogelijk op eigen perceel dienen te infiltreren. Bij nieuwe ruimtelijke particuliere ontwikkelingen is het streven om hemelwater bij voorkeur bovengronds te infiltreren in de bodem. De gemeente hanteert daarbij de volgende voorwaarden: 1. de infiltratievoorziening dient minimaal een neerslaggebeurtenis van 60 mm te kunnen verwerken; 2. de infiltratievoorziening dient een leeglooptijd te hebben van 24 uur of minder*; 3.
de aanwezigheid van een overloopvoorziening (indien mogelijk bovengronds) voor de afvoer van water bij hevige buien als de voorziening vol is, is zo ontworpen dat deze wateroverlast voorkomt. * De norm van 60 mm geldt alleen als er geen verbinding is tussen de infiltratievoorziening en oppervlaktewater. Als de infiltratievoorziening loost op oppervlaktewater gelden de normen van het Waterschap. Deze stelt dat de infiltratievoorziening minimaal 100 mm groot moet zijn. Pas daarna mag een eventueel overschot worden geloosd op het oppervlaktewater. Het waterschap adviseert overigens om altijd, dus ook als er geen verbinding is tussen infiltratievoorziening en oppervlaktewater, 100 mm aan te houden. Planspecifiek Het plangebied ligt binnen het beheergebied van waterschap Limburg. Voor dit waterschap is het niet mogelijk een digitale watertoets uit te voeren. Het waterschap zal daarom via het wettelijk vooroverleg op de hoogte worden gebracht van voorliggend initiatief. Hemelwater/afvalwater Voorliggend plan heeft een aanzienlijke afname van verhard oppervlak tot gevolg. Daarmee vindt een verbetering van de waterhuishoudkundige situatie plaats. Compenserende maatregelen zijn daarom niet nodig. Het bergen van hemelwater zal in de toekomstige situatie nog altijd plaatsvinden op eigen terrein. Hem hemelwater blijft daarnaast gescheiden van het afvalwater.
De afvoer van het afvalwater vindt nog altijd plaats via het bestaande gemeentelijke riool. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect water.
4.3
Ecologie
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en bosopstanden in Nederland. Gebiedsbescherming In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied.
36
Blankenberg 8 Leunen
Soortenbescherming Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek Gebiedsbescherming Om de gevolgen van gebiedsbescherming te beoordelen is de website atlasleefomgeving.nl geraadpleegd. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de kaart 'Natura 2000-gebieden'.
Uitsnede kaart 'Natura 2000-gebieden' (bron: atlasleefomgeving.nl)
Blankenberg 8 Leunen
37
Voorgaande kaart geeft aan dat het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied ten opzichte van het plangebied het Natura 2000-gebied 'Boschhuizerbergen' is. Dit gebied ligt op circa 3,8 kilometer van het plangebied. Met het plan wordt een intensieve veehouderij wegbestemd. Als gevolg van deze ontwikkeling verbetert de situatie ten aanzien van gebiedsbescherming. In het kader van de sloopactiviteiten en het gebruik van de locatie voor het stallen van 40 schapen is een AERIUS-berekening opgesteld, zie bijlage 3). De belangrijkste conclusie van de berekening is dat de stikstofdepositie niet toeneemt met meer dan 0,00 mol/ha/j, zie verder pagina 2 van de berekening. Voorliggend plan heeft geen negatieve effecten ten aanzien van gebiedsbescherming tot gevolg. Soortenbescherming Om de gevolgen van het plan ten aanzien van soortenbescherming te beoordelen is een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd (zie bijlage 4). Uit de quickscan blijkt dat er binnen het plangebied een roestplaats voor de steenuil aanwezig is. Roestplaatsen zijn in Limburg niet jaarrond beschermd. Wel geldt de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, dient het functioneel leefgebied van de steenuil in stand te worden gehouden. In de quickscan worden enkele aanbevelingen voorgesteld die er gezamenlijk toe leiden dat het functioneel leefgebied van de steenuil in stand blijft.
De initiatief ziet toe op het uitvoeren van deze aanbevelingen. Indien er volgens deze aanbevelingen wordt gewerkt, ontstaat er een betere situatie voor steenuilen, en is er geen sprake van een overtreding op de Wnb. Negatieve effecten ten aanzien van soortenbescherming kunnen daarmee worden uitgesloten. De uitvoerbaarheid van het initiatief voor ecologie is hiermee aangetoond.
4.4
Verkeer
Verkeersgeneratie Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Met voorliggend plan zal de bedrijfswoning in het plangebied omgevormd worden naar een burgerwoning. De woontitel blijft hiermee behouden. Door het stoppen van een intensieve veehouderij is er sprake van een afname van de verkeersaantrekkende werking van het plangebied. Het plangebied blijft in de toekomstige situatie ontsloten door de Deurneseweg. De bestaande inrit blijft behouden. Parkeren Uitgangspunt van het plan is dat geparkeerd wordt op eigen terrein. Met voorliggend plan verdwijnt een functie van de locatie en blijft de bestaande woning behouden. Als een gevolg van het plan neemt hierdoor de parkeerbehoefte af. Op basis van de Beleidsnota Parkeernormen gemeente Venray geldt er een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen per woning in het buitengebied. In de bestaande situatie is al voldoende ruimte aanwezig op het verharde erf rondom de woning voor het parkeren van 2 auto's. Voor het houden van de schapen wordt aangenomen dat de stal een oppervlak krijgt van ca 300 m2 (indicatief op basis van de huidige inrichtingstekening, zie 2.2). Voor een arbeids- en bezoekersextensief bedrijf geldt een norm van 1,1 per 100 m2. De totale parkeerbehoefte komt daarmee uit op afgerond 4 parkeerplaatsen.
Op het erf rondom de woning en de stal is meer dan voldoende ruimte aanwezig om aan deze behoefte te kunnen voldoen. Ten aanzien van parkeren zijn er geen belemmeringen voor dit plan. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect verkeer.
4.5
Cultuurhistorie en archeologie
In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.
38
Blankenberg 8 Leunen
Cultuurhistorie Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Archeologie De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente. Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.
Planspecifiek Cultuurhistorie Het plan is niet gelegen in een gebied dat vanuit het aspect cultuurhistorie een beschermde status kent. Ook liggen er binnen en in de directe omgeving van het plangebied geen cultuurhistorische waardevolle elementen of objecten, zoals rijks- en/of gemeentelijke monumenten. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt heeft voorliggend plan geen negatief effect. Archeologie Voor het plangebied is in het vigerend bestemmingsplan de archeologische dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3' opgenomen. Deze waarde is gebaseerd op de archeologische beleidskaart (ABK) van de gemeente Venray uit 2013 (actualisatie). Door deze dubbelbestemmingen in voorliggend plan over te nemen, zijn eventueel aanwezige archeologische waarden voldoende beschermd. De toe te voegen bijgebouwen hebben een oppervlakte kleiner dan 500 m 2 en zijn daarmee niet onderzoeksplichtig. Tevens is een groot deel van de bodem van het plangebied in het verleden al geroerd door de bouw van de stallen met putten en voor de aanleg van de kabel- en leidingsleuven. Er zijn geen belemmeringen vanuit archeologie. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot cultuurhistorie en archeologie.
4.6
Explosieven
Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Het gehele grondgebied van de gemeente Venray heeft in de Tweede Wereldoorlog zwaar onder vuur gelegen. Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven (NGE). Met behulp van het explosievenonderzoek worden de aanwezigheid en risico's van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht. De gemeente Venray adviseert bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detectieonderzoek uit te (laten) voeren.
Blankenberg 8 Leunen
39
Dit onderzoek dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de bestemmingsplanprocedure niet juridisch afdwingbaar. Het is echter te allen tijden de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving.
4.7
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien: het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. Planspecifiek De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges. Omdat met dit plan tevens twee ruimtevoor-ruimtetitels zijn verkregen, is een anterieure overeenkomst afgesloten.
Tevens zal een overeenkomst betreffende planschade worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Het plan is economisch uitvoerbaar.
40
Blankenberg 8 Leunen
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
Het bestemmingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing. Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan. Verbeelding De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend. Regels De planregels zijn standaard onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I : Inleidende regels, deze bevatten de begrippen en wijze van meten; Hoofdstuk II: Bestemmingsregels, dit zijn de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. De regels bevatten een bestemmingsomschrijving en regels voor het bouwen en het gebruik. Hoofdstuk III: Algemene regels, dit zijn regels die gelden voor alle bestemmingen. Dit zijn onder meer (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. Hoofdstuk IV: Overgangs- en slotbepalingen.
5.2
Wijze van bestemmen
Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: 'Wonen', ter plaatse van de beoogde burgerwoning en de omliggende gronden, ten behoeve van de omzetting van de bestaande bedrijfswoning. Binnen de woonbestemming is een bouwvlak opgenomen, waarbinnen de woning is toegestaan. Op het achtererf geldt bovendien de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen – ondergeschikt agrarisch medegebruik'. Daarbinnen is het houden van 40 schapen in een schapenstal toegestaan. 'Agrarisch met waarden', ter plaatse van de overige gronden van het plangebied, ten behoeve van de ingebruikname van de percelen als landbouwgrond; Dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3', waar deze momenteel al geldend zijn, mede ten behoeve van de bescherming van de archeologische waarden in het gebied. Tevens is in voorliggend plan de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied' overgenomen. Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.
Blankenberg 8 Leunen
41
Hoofdstuk 6 6.1
Procedure
Algemeen
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Dit is het vooroverleg, waarin het conceptplan wordt voorgelegd aan het waterschap en aan die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Op basis van artikel 3.1.6 Bro dient verslag te worden gedaan van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Dit is de inspraak. Van (formele) inspraak kan, zeker bij wat kleinere plannen, worden afgezien. De gemeentelijke inspraakverordening is daarbij ook van belang. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raadwordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State.
Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld.
6.2
Verslag vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro
Het plan is in het kader van het wettelijk overleg toegezonden aan de belanghebbende instanties. Zowel de provincie Limburg als het waterschap hebben aangegeven geen bezwaren tegen het plan te hebben.
6.3
Verslag inspraak ex artikel 3.1.6 Bro / omgevingsdialoog
In het kader van voorliggend plan is een omgevingsdialoog gevoerd (zie bijlage 5). Uit de omgevingsdialoog zijn geen bedenkingen naar voren gekomen.
6.4
Verslag zienswijzen
Het plan heeft tussen 15 december 2023 en 25 januari 2024 ter inzage gelegen. Tegen het plan zijn geen zienswijzen ingediend. Het plan is ongewijzigd vastgesteld.
42
Blankenberg 8 Leunen
Bijlagen bij de toelichting
Blankenberg 8 Leunen
43
44
Blankenberg 8 Leunen
Bijlage 1
Bodemonderzoek
Blankenberg 8 Leunen
45
46
Blankenberg 8 Leunen
Bijlage 2
Berekening geurbelasting
Blankenberg 8 Leunen
47
48
Blankenberg 8 Leunen
Bijlage 3
Aerius berekening stikstof
Blankenberg 8 Leunen
49
50
Blankenberg 8 Leunen
Bijlage 4
Quickscan flora en fauna
Blankenberg 8 Leunen
51
52
Blankenberg 8 Leunen
Bijlage 5
Omgevingsdialoog
Blankenberg 8 Leunen
53
54
Blankenberg 8 Leunen
86
Blankenberg 8 Leunen