03 Toelichting bestemmingsplan Steegse Peelweg 87a te Veulen
Tekst van het document
4.4 Parkeren en verkeer In deze paragraaf zijn de aspecten ‘parkeren’ en ‘verkeer’ nader bekeken. Hierbij is gekeken naar de parkeernorm en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Daarnaast is ook gekeken naar de verkeersaantrekkende werking die bij de beoogde ontwikkeling zal plaatsvinden. 4.4.1 Parkeren De parkeernorm wordt vastgesteld op basis van de parkeerbehoefte per functie en het eventueel gecombineerd gebruik van parkeerplaatsen door verschillende functies. De parkeernorm geeft het totaal aantal parkeerplaatsen aan dat voor een ruimtelijk initiatief, plan of project aangelegd moet worden. In het geval van de bouw van tien of meer woningen wordt de parkeereis uitgesplitst naar bewoners- en bezoekersparkeerplaatsen. Het parkeerbeleid van de gemeente Venray is vervat in de ‘Beleidsnota parkeernormen gemeente Venray’. De doelstelling van de beleidsnotitie is: ‘Het vaststellen van gemeentelijke parkeernormen om bij nieuwe ruimtelijke plannen en ontwikkelingen de parkeerbehoefte te kunnen bepalen en hiermee de bereikbaarheid en leefbaarheid in de gemeente Venray te waarborgen.’ De parkeereis wordt vastgesteld op basis van de parkeerbehoefte per functie en het eventueel gecombineerd gebruik van parkeerplaatsen. De parkeereis bestaat uit het totaal aantal parkeerplaatsen dat voor een ruimtelijk initiatief, plan of project aangelegd moet worden.
De parkeernorm wordt vastgesteld op basis van de parkeerbehoefte per functie in combinatie met de stedelijkheidsgraad van de omgeving. Voor de omgeving van het plangebied geldt de norm voor ‘Categorie 3: rest bebouwde kom, kerkdorpen en buitengebied’. Het initiatief omvat het realiseren van een maatschappelijk bedrijf gericht op coaching van en met honden en paarden i.c.m. verblijfsrecreatie (3 recreatieverblijven en 3 camperplaatsen), een voedselbos en een bedrijfswoning. Een bedrijf gericht op coaching van en met honden en paarden en een voedselbos is niet rechtstreeks onder te brengen in een van de categorieën van de beleidsnotitie. Daarnaast zal er veel sprake zijn van dubbelgebruik, daar bezoekers van de recreatieverblijven ook gebruik zullen maken van coaching sessies en/of het voedselbos. Naar verwachting zullen er maximaal twee coaching sessies per dag plaats vinden. Elk voor één tot drie deelnemers, welke naar verwachting apart naar de locatie zullen afreizen. Daarnaast vindt er gemiddeld één keer in de twee weken een groepssessie plaats voor circa 10 deelnemers. Daar deze sessies in groepsverband plaatsvinden wordt in dat geval uit gegaan van een parkeerbehoefte van 5 parkeerplaatsen per sessie.
Voor recreatieverblijven in de vorm van een chalet of anderszins wordt aangesloten bij de categorie ‘bungalowpark’, waarvoor een parkeerbehoefte van 2,1 parkeerplaatsen per voorziening geldt. Dit komt uit op een parkeerbehoefte van 6,3 parkeerplaatsen voor de recreatieverblijven. De campers kunnen parkeren op de daarvoor aangewezen camperplaatsen. Dit komt uit op een parkeerbehoefte van in totaal 11,3 parkeerplaatsen en 3 camperplaatsen. Voor de bedrijfswoning geldt daarnaast een parkeerbehoefte van 2 parkeerplaatsen.
23 Toelichting bestemmingsplan Steegse Peelweg 87a te Veulen
Om voldoende parkeergelegenheid te bieden worden er voor het bedrijf 13 parkeerplaatsen en 3 camperplaatsen ontwikkeld. In ieder geval worden 2 van de parkeerplaatse voorzien van laadstations voor elektrische auto’s. Hierdoor is het mogelijk dat bezoekers hun elektrische auto kunnen opladen terwijl ze op de locatie verblijven. Bij de bedrijfswoning wordt daarnaast privé parkeergelegenheid gerealiseerd. Derhalve kan worden voldaan aan de parkeerbehoefte.
4.4.2
Verkeer
Het plangebied is gelegen aan de Steegse Peelweg, een geasfalteerde plattelandsweg in het buitengebied. De ontsluitingsroutes van de Steegse Peelweg lopen in zuidwestelijke richting via de Steegse Peelweg die aansluit op de N277 en in noordoostelijke richting via de Steegse Peelweg en de Albionstraat die aansluit op de N270. Voor wat betreft de te verwachten verkeersgeneratie wordt waar mogelijk aangesloten bij de CROW richtlijnen zoals deze zijn gepubliceerd door de stichting CROW in de publicatie met nummer 381. Een maatschappelijk bedrijf gericht op coaching van en met honden en paarden en een voedselbos is eveneens niet rechtstreeks onder te brengen in een van de categorieën van de CROW. Daarnaast zal er veel sprake zijn van dubbelgebruik, daar bezoekers van de recreatieverblijven ook gebruik zullen maken van coaching sessies en/of het voedselbos. Derhalve wordt de verwachte verkeersgeneratie grotendeels gebaseerd op ervaringscijfers uit de praktijk. Uitgaande van maximaal twee coaching sessies per dag met een benodigde parkeerbehoefte van 2 per sessie, resulteert dit in een verkeersgeneratie van gemiddeld 8 verkeersbewegingen per dag. Voor recreatieverblijven in de vorm van een chalet/ of anderszins geldt op grond van de CROW een verkeersgeneratie van 2,7 verkeersbewegingen per voorziening. Dit komt uit op een verkeersgeneratie van 8,1 verkeersbewegingen per dag.
Voor de 3 camperplaatsen geldt een verkeersgeneratie van 0,4 verkeersbewegingen per camperplaats. Dit komt uit op een verkeersgeneratie van 1,2 verkeersbewegingen per dag. Voor de bedrijfswoning geldt een verkeersgeneratie van 8,2 verkeersbewegingen per dag. In totaal geldt voor het plangebied een verkeersgeneratie van 25,5 verkeersbewegingen per dag. Door de omschakeling van een varkenshouderij tot een maatschappelijk bedrijf gericht op coaching van en met honden en paarden i.c.m. verblijfsrecreatie en een voedselbos is sprake van een afname in het aantal (met name) zware verkeersbewegingen. De Steegse Peelweg zal het verwachte aantal verkeersbewegingen in de boogde situatie dus goed op kunnen vangen. De locatie beschikt daarnaast over een brede inrit met daarachter voldoende manoeuvreer– en parkeerruimte, waardoor geen sprake zal zijn van obstructie op de openbare weg en de doorstroming niet in gevaar komt. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de verkeersafwikkeling afdoende is geregeld en er geen belemmeringen zijn voor het planvoornemen.
4.5 Wet natuurbescherming Bij iedere ontwikkeling dienen de eventuele gevolgen ten aanzien van de natuurbescherming inzichtelijk gemaakt te worden. Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet heeft de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming), de Flora- en Fauna wet (soortenbescherming) en de Boswet vervangen. De strekking van de wet blijft gelijk: de beschermde gebieden en soorten mogen niet aangetast worden bij ruimtelijke ontwikkelingen.
4.5.1
Bescherming op gebiedsniveau
De bescherming op gebiedsniveau wordt beschreven aan de hand van wetgeving ten aanzien van Natura 2000gebieden, het Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Natura 2000-gebieden Door het Rijk zijn in Nederland Natura 2000-gebieden aangewezen. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de Vogel- en Habitatrichtlijnen. Voor deze gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen bepaald. Het is verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000 gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.
24 Toelichting bestemmingsplan Steegse Peelweg 87a te Veulen
In de directe omgeving van het plangebied zijn geen Natura-2000 gebieden. De aangewezen gebieden bevinden zich op grotere afstand: ▪ Deurnsche Peel & Mariapeel, afstand circa 4,6 km; ▪ Boschhuizerbergen, afstand 6,7 km. Op 1 Juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering regelt onder meer drie resultaatverplichtingen voor stikstofreductie: ▪ in 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in beschermde Natura 2000gebieden een gezond stikstofniveau hebben; ▪ in 2030 moet minimaal de helft van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in beschermde Natura 2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; ▪ en in 2035 moet minimaal 74% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in beschermde Natura 2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben. De wet geeft de opdracht voor een programma van maatregelen om die reductie te bereiken en de natuur te herstellen. Ook regelt de wet de tussentijdse monitoring en zo nodig bijsturing. De wet maakt een gedeeltelijke vrijstelling mogelijk van de natuurvergunningplicht voor het aspect stikstof voor activiteiten van de bouwsector. Het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering werkt de stikstofwet verder uit, waaronder de bouwvrijstelling.
De vrijstelling geldt voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten waarvan de emissies tijdelijk en beperkt zijn. De vrijstelling geldt niet voor de gebruiksfase van wat wordt gebouwd of aangelegd. Het plan ziet op de herbestemming van een intensieve veehouderij tot maatschappelijk bedrijf gericht op coaching van en met honden en paarden i.c.m. verblijfsrecreatie en een voedselbos. Aangezien het agrarische bedrijf wordt weg bestemd, zal er per saldo sprake zijn van een afname in stikstofemissie. Er worden immers geen grote aantallen dieren meer gehouden op de locatie en de zware verkeersgeneratie zal afnemen. Voor nieuwe huizen en gebouwen geldt daarnaast sinds 1 juli 2018 een aansluitverbod. Het is in principe niet toegestaan om voor de nieuwe burgerwoning en bedrijfsgebouwen een gasaansluiting te realiseren. De stikstofemissie - en daarmee ook de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden – zal dus afnemen. Aangezien er op het plangebied geen stikstofreferentie meer aanwezig is vanwege de deelname aan de Saneringsregeling Varkenshouderij is desalniettemin een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd naar de gebruiksfase (Bijlage 3). Uit het onderzoek blijkt dat als gevolg van het plan geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Er is geen sprake van een vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Hiermee voldoet het plan op het aspect gebiedsbescherming.
Natuur Netwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is in 1990 geïntroduceerd als antwoord op de achteruitgang van de natuur en biodiversiteit in Nederland. Het is een netwerk van natuurgebieden waarmee biodiversiteit behouden en versterkt wordt. Planten en dieren kunnen zich van het ene naar het andere gebied verspreiden. Soorten raken hierdoor niet geïsoleerd en hebben dus minder kans op uitsterven. De NNN bestaat uit: ▪ Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 nationale parken; ▪ Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; ▪ Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ▪ Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee. Het plangebied is, zoals in onderstaande afbeelding te zien, niet gelegen in een ecologische hoofdstructuur. Doordat de beoogde ontwikkelingen buiten deze zones zijn gelegen blijven de natuurlijke en ecologische waarden van deze gebieden gehandhaafd. Bovendien wordt het plangebied voorzien van een gebiedseigen landschappelijke inpassing en waterberging, waardoor deze waarden worden versterkt.
25 Toelichting bestemmingsplan Steegse Peelweg 87a te Veulen
Afbeelding 10 – Uitsnede kaart Natuurnetwerk Nederland
Houtopstanden Er worden geen houtopstanden gekapt. Toetsing aan de drie beschermingsregimes voor houtopstanden is daarmee niet aan de orde.
4.5.2
Soortenbescherming
In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet mogen worden gedood, gevangen of verontrust en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming van beschermde flora- en fauna opgenomen. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes omschreven. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing en vrijstelling kan worden verleend. Er zijn drie beschermingsregimes, de soorten op basis van de Vogelrichtlijn, de soorten op basis van de Habitatrichtlijn en de andere soorten genoemd in de Wet natuurbescherming (hierna Wnb). Als gevolg van de deelname aan de Saneringsregeling Varkenhouderij zijn alle voormalige varkensstallen gesaneerd. Dit zou mogelijk een negatief effect op vaste rust- en verblijfsplaatsen van beschermde soorten kunnen hebben. Derhalve is voorafgaand aan de sloop een quickscan flora en fauna uitgevoerd door BNL Advies.
De resultaten hiervan zijn vervat in Bijlage 4. Uit de quickscan kan worden geconcludeerd dat het plangebied niet geschikt is voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals de huismus, gierzwaluw, steenuil en kerkuil. De voorgenomen ontwikkelingen kunnen niet leiden tot een negatief effect op vleermuizen. Voor overige habitatrichtlijnsoorten is het plangebied (redelijkerwijs) ongeschikt door het ontbreken van een geschikt habitat. In het plangebied bestaat ook geen potentie voor nationaal beschermde soorten waarvoor géén provinciale vrijstelling geldt. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Het plangebied is potentieel geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen vogels met niet jaarrond beschermde nesten, zoals de spreeuw, boerenzwaluw, zwarte roodstaart, koolmees en pimpelmees. Daarnaast is het plangebied potentieel geschikt voor algemene broedvogels om te broeden. Zij kunnen nestelen in de struwelen en de bomen die aanwezig zijn binnen het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten/ nestlocaties/ holtes aangetroffen in de bomen. In de beoogde situatie blijft de aanwezige houtsingel bovendien behouden. Mochten er revitalisatie werkzaamheden nodig zijn, kunnen tijdelijke schadelijke effecten op bezette nesten worden voorkomen (in
26 Toelichting bestemmingsplan Steegse Peelweg 87a te Veulen
gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief geen negatieve effecten zal hebben op de aanwezige flora- en fauna.
4.6 Milieuaspecten In dit hoofdstuk worden alle relevante milieuaspecten en overige sectorale aspecten benoemd. De beoogde ontwikkeling wordt aan deze aspecten getoetst.
4.6.1
Bedrijven en milieuzonering
Goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen). Voor ruimtelijke plannen is de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (hierna brochure) van toepassing bij de beoordeling van de afstanden tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies. De afstanden die hierin opgenomen zijn betreffen richtafstanden. Wanneer voldaan wordt aan de opgenomen afstanden uit deze brochure, mag gesteld worden dat er sprake is van een aanvaardbaar en gewaarborgd woon- en leefklimaat. De VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: ▪ Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. ▪ Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging.
Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden direct naast de hoofdinfrastructuur gelegen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Het plangebied is gelegen in het omgevingstype ‘rustig buitengebied’. In de directe omgeving vindt verder geringe functiemenging plaats. Qua aanvaardbare milieubelasting is dit omgevingstype dus vergelijkbaar met een rustige woonwijk. Binnen het plangebied wordt een intensieve veehouderij gesaneerd en worden een maatschappelijk bedrijf gericht op coaching van en met honden en paarden i.c.m. verblijfsrecreatie, een voedselbos en een bedrijfswoning opgericht. De beoogde bedrijfswoning en recreatieverblijven dienen als gevoelige objecten te worden beschouwd. Er zal getoetst moet worden of ter plaatse van deze gevoelige objecten een acceptabel woon- en leefklimaat aanwezig is en omgekeerd niet zorgen voor een belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande bedrijven. Voor wat betreft het maatschappelijk bedrijf gericht op coaching van en met honden en paarden i.c.m. verblijfsrecreatie en het voedselbos moet getoetst worden of het woon- en leefklimaat ter plaatse van reeds bestaande gevoelige objecten acceptabel blijft.
Dit wordt hierna achtereenvolgens getoetst. Bedrijfswoning en recreatieverblijven In de directe omgeving van het plangebied zijn de volgende bedrijven gelegen: ▪ Steegse Peelweg 87, paardenhouderij, aansluitend aan het plangebied. Ter plaatse worden een nieuwe bedrijfswoning en tevens recreatieverblijven ontwikkeld. Daarom moet er getoetst worden of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de paardenhouderij aan de Steegse Peelweg 87 geldt een minimale afstand van 50 meter voor geur en 30 meter voor geluid en fijnstof. De beoogde bedrijfswoning ligt op voldoende afstand van de paardenhouderij, namelijk circa 55 meter. Hierdoor wordt voldaan aan de richtafstanden. De afstand tussen de recreatieverblijven en het bouwvlak van de paardenhouderij betreft circa 5 meter. De daadwerkelijke afstand tussen het dierenverblijf en de situering van de beoogde recreatieverblijven bedraagt circa 25 meter. Hierdoor wordt in principe niet voldaan aan de richtafstanden. Een recreatieverblijf wordt echter niet
27 Toelichting bestemmingsplan Steegse Peelweg 87a te Veulen
geclassificeerd als geurgevoelig en/of geluidgevoelig object. Dit wordt in navolgende paragraven nader uiteen gezet. Voor paarden zijn geen emissiefactoren voor wat betreft fijnstof vastgesteld, waardoor er vanuit de paardenhouderij aan de Steegse Peelweg 87 altijd voldaan zal kunnen worden aan de grenswaarden voor fijnstofbelasting op de recreatieverblijven. Bovendien is er contact geweest met de eigenaar van de paardenhouderij waarbij zij hebben aangegeven dat zij in principe geen uitbreiding van hun bedrijf voorzien. De paardenbak met eb- en vloedsysteem is bovendien gerealiseerd op het deel van het bouwvlak dat het dichtst bij de beoogde recreatieverblijven is gelegen. Het zou kapitaalvernietiging zijn om deze weer te moeten verplaatsen. Hieruit wordt geconcludeerd dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde gevoelige objecten acceptabel is en omgekeerd niet zorgen voor een belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van de bestaande paardenhouderij. Maatschappelijk bedrijf gericht op coaching van en met honden en paarden i.c.m. verblijfsrecreatie en voedselbos In de directe omgeving zijn de volgende gevoelige objecten gelegen: ▪ Steegse Peelweg 87, bedrijfswoning, op een afstand van 6 meter van het plangebied; ▪ Steegse Peelweg 91, burgerwoning op een afstand van 120 meter van het plangebied.
Voor wat betreft het maatschappelijk bedrijf gericht op coaching van en met honden en paarden wordt aangenomen dat dit behoort tot de categorie ‘9609 Persoonlijke dienstverlening n.e.g.’, daar er uitsluitend gebruik wordt gemaakt van hobbydieren die niet onder de werking van het Activiteitenbesluit vallen. Een dergelijk bedrijfsactiviteit behoort tot milieucategorie 1. De recreatieverblijven behoren tot de categorie ‘5510 Hotels en pensions met keuken, conferentie-oorden en congrescentra’, welke eveneens tot milieucategorie 1 behoren. Voor wat betreft het voedselbos wordt aangenomen dat dit geen belasting vormt voor gevoelige objecten. De bedrijfswoning aan de Steegse Peelweg 87 voldoet niet aan de richtafstand van 10 meter ten opzichte van het plangebied. De bedrijfswoning is namelijk op circa 6 meter afstand van de inrichtingsgrens van het beoogde bedrijf gelegen. In de regels van het bestemmingsplan ligt echter vast dat het maatschappelijk bedrijf een afstand van 5 meter tot de perceelsgrens dient aan te houden. De werkelijke afstand van de bedrijfsactiviteiten ten opzichte van de bedrijfswoning bedraagt dus 11 meter. Derhalve kan worden voldaan aan de gestelde richtafstanden. Tevens was er tot op heden een varkenshouderij gevestigd op de locatie. Door middel van het initiatief wordt deze varkenshouderij gesaneerd en weg bestemd.
Dit heeft een positief effect op het woon- en leefklimaat in de omgeving. De afstand tot de woning aan de Steegse Peelweg 91 bedraagt circa 120 meter. Hier wordt dus ruimschoots voldaan aan de richtafstanden. Conclusie Voor wat betreft het aspect bedrijfs- en milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het initiatief.
4.6.2
Geur
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is op 1 januari 2007 in werking getreden. De Wgv kent bescherming toe aan zogenaamde geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in algemeen om gebouwen bestemd voor wonen en verblijf, zoals woningen en bedrijfsgebouwen. Deze wet schrijft afstanden voor tussen een veehouderij en geurgevoelige objecten, die moeten worden gehanteerd bij de verlening van een omgevingsvergunning milieu aan een agrarisch bedrijf waar landbouwhuisdieren worden gehouden. Bij de ontwikkeling van een nieuw geurgevoelig object dient het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied inzichtelijk te worden gemaakt. Omgekeerd dient te worden aangetoond dat de ontwikkeling niet beperkend is voor omliggende (agrarische) bedrijven. In de beoogde situatie is binnen het plangebied een geurgevoelig object aanwezig in de vorm van de beoogde bedrijfswoning. Uit vaste jurisprudentie blijkt namelijk dat een recreatieve voorziening niet geurgevoelig is, omdat er geen sprake is van permanent verblijf. Een verblijfsvoorziening is gericht op het bieden van recreatief (nacht)verblijf voor beperkte duur, te weten een vakantieperiode van maximaal enkele achtereenvolgende weken. De rechtbank overweegt dan ook dat van permanent of daarmee gelijk te stellen gebruik voor menselijk verblijf geen sprake is, zie ABRvS 11 januari 2012, nr.
201104200/1/H1 (ECLI: NL.RVS.2012.BV0553), inzake een kampeerboerderij. Er wordt derhalve vanuit gegaan dat de recreatieverblijven en camperplaatsen niet geurgevoelig zijn. Er hoeft dan ook niet voldaan te worden aan de vaste afstanden uit de Wgv en omgekeerd vormen ze ook geen belemmering voor de paardenhouderij.
28 Toelichting bestemmingsplan Steegse Peelweg 87a te Veulen
Om te bepalen of het woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde bedrijfswoning acceptabel is wordt getoetst ten opzichte van het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf waar landbouwhuisdieren worden gehouden, te weten aan de Steegse Peelweg 87. Dit betreft een paardenhouderij. Overige veehouderijen zijn op grotere afstand van het plangebied gelegen waardoor deze geen effect hebben op het plangebied of vice versa. Voor een bedrijf waar landbouwhuisdieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor bij ministeriële regeling geen geuremissiefactor is vastgesteld (zoals een paardenhouderij) geldt dat het emissiepunt van een dierenverblijf op ten minste 50 meter van een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom gesitueerd dient te zijn (artikel 4, lid 1 van de Wgv). Onverminderd het voorgaande dient de gevel van een dierenverblijf op ten minste 25 meter van een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom gesitueerd te zijn (artikel 5, lid 1 van de Wgv). De beoogde bedrijfswoning wordt gesitueerd op circa 55 meter ten opzichte van de paardenhouderij aan de Steegse Peelweg 87. Dit wordt geborgd middels de functieaanduiding ‘bedrijfswoning’. Hieruit kan worden geconcludeerd dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde bedrijfswoning acceptabel is en blijft. Omgekeerd vormt het initiatief geen belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de paardenhouderij.
4.6.3
Geluid
In paragraaf 4.6.1. ‘Bedrijven en milieuzonering’ zijn de afstanden tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies beoordeeld om vast te stellen dat er sprake is van een aanvaardbaar en gewaarborgd woon- en leefklimaat in het kader van een goede ruimtelijke ordening op grond van de Wet ruimtelijke ordening. In deze paragraaf wordt getoetst of wordt voldaan aan Wet geluidhinder (hierna Wgh), die op 1 januari 2007 (gewijzigd) in werking is getreden. Deze wet beschermt geluidgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van geluidsbronnen: wegverkeer, spoorwegen, industrie en luchtvaart. Door middel van zonering worden grenzen aangehouden waarmee geluidgevoelige objecten worden beschermd. De zonering betreft een afstand, uitgaande van een geluidsbron, waarbinnen het normenstelsel uit de Wgh van toepassing is. Voor de beoogde ontwikkeling zijn de volgende vragen van belang om te toetsen of voldaan wordt aan het aspect geluid: 1. Is er sprake van geluidgevoelige objecten in de zin van de Wgh? Indien het antwoord hierop nee is, dan is verder onderzoek naar geluidoverlast op grond van de Wgh niet van toepassing. 2. Zo ja, is er dan sprake van geluidsoverlast: a. door wegverkeerslawaai? b. van een spoorweg? c. door de luchtvaart? d. van industrie ? 3.
Welk effect heeft het plan op de omgeving? Geluidgevoelige objecten Allereerst dient te worden vastgesteld of er sprake is van geluidgevoelige objecten die op grond van de Wgh beschermd dienen te worden. De Wet geluidhinder beschermt de volgende objecten: ▪ Woningen; ▪ andere geluidsgevoelige gebouwen (o.a. onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven); ▪ geluidsgevoelige terreinen. Een recreatieverblijf wordt op basis van vaste jurisprudentie niet beschouwd als een geluidgevoelig object, zie ABRvS 30 mei 2000, nr. 199901166/1 (ECLI: NL.RVS.2004.AO5659). Voor wat betreft de recreatieverblijven en de camperplaatsen hoeft derhalve niet getoetst te worden aan de Wgh. Met het initiatief wordt ook een nieuwe bedrijfswoning opgericht, die bovendien elders gesitueerd wordt dan toegestaan conform het vigerend planologisch regime. Derhalve is door GBS Milieuadvies een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai opgesteld, zie Bijlage 5. Uit het akoestisch onderzoek kan worden geconcludeerd dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ter plaatse van nieuw te realiseren bedrijfswoning nergens wordt overschreden. Het vaststellen van hogere waarden is dan ook niet noodzakelijk en er kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd.
29 Toelichting bestemmingsplan Steegse Peelweg 87a te Veulen
Wegverkeerslawaai Gezien de ligging van de nieuwe woning binnen de geluidzone van de Steegse Peelweg is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (GBS Milieuadvies, 18-05-2022, 0). Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidbelasting vanwege het wegverkeer op de Steegse Peelweg ten hoogste 44 dB (inclusief aftrek van 2 dB op grond van artikel 110g Wgh) bedraagt. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh wordt hiermee niet overschreden. Het vaststellen van hogere waarden is dan ook niet noodzakelijk en kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Spoorweg In de omgeving van het plangebied is geen spoorweg gelegen. Dit is dus niet relevant voor beoogde ontwikkeling. Luchtvaart Het plangebied is niet gelegen in een geluidzone met betrekking tot de luchtvaart. De beoogde ontwikkeling zal derhalve geen geluidoverlast ondervinden door de luchtvaart. Industrie In de directe omgeving van het plangebied is geen industrie aanwezig. Derhalve zal er geen geluidsoverlast zijn met betrekking tot de industrie. Effect op de omgeving Het eventuele effect van de beoogde ontwikkeling op de omgeving qua geluid is nader toegelicht in de paragraaf ‘Bedrijven en milieuzonering’. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het aspect geluid geen belemmering zal vormen voor het planvoornemen.
4.6.4
Luchtkwaliteit
De regelgeving omtrent de luchtkwaliteit is opgenomen in de Wet milieubeheer (Wm). De belangrijkste aspecten t.a.v. de Europese luchtkwaliteitseisen zijn vernoemd in de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderdeel uit van de Wm; hoofdstuk 5, titel 5.2. Rijk, provincies en gemeenten werken samen om de Europese eisen en doelstellingen voor het verbeteren van de luchtkwaliteit te realiseren. Overheidsinstanties zijn verplicht om bij (ruimtelijke) ingrepen en ontwikkelingen de mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit in beeld te brengen. Het opstellen en vaststellen van een bestemmingsplan behoort tot deze categorie, daarom is het noodzakelijk dat de eventuele gevolgen voor de luchtkwaliteit in beeld worden gebracht. Omgekeerd is het van belang dat ter plaatse het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit. Niet in betekenende mate Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden, bestuursorganen bepaalde bevoegdheden mogen uitoefenen.
Wanneer bij de planvorming sprake is van één van de volgende punten vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering: ▪ Er is sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; ▪ Een plan leidt, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; ▪ Een plan draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; ▪ Een plan past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het besluit ‘niet in betekenende mate bijdragen’ staat plannen toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende plan niet in betekenende mate is. De afkorting NIBM staat voor ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ aan de luchtverontreiniging. Hiermee worden ruimtelijke plannen of (te vergunnen) activiteiten bedoeld die slechts een zeer geringe bijdrage hebben aan de luchtverontreiniging. In deze gevallen is een toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit niet nodig. Belangrijk bij toetsing van NIBM is dat aannemelijk gemaakt moet worden, dat de 3% grens niet wordt overschreden (artikel 2 van het Besluit NIBM). Wanneer gesteld kan worden dat het aannemelijk is dat de grens niet wordt overschreden, dan is het plan NIBM. In de bestaande planologische situatie was sprake van een intensieve veehouderij in de vorm van een varkenshouderij.
Het plan voorziet in de herontwikkeling tot maatschappelijk bedrijf gericht op coaching van en met honden en paarden i.c.m. verblijfsrecreatie en een voedselbos. De bestaande varkenshouderij met bijbehorende fijnstofemissie wordt volledig gesaneerd. In de beoogde situatie worden enkel nog een drietal hobbypaarden gehouden. Voor paarden zijn geen emissiefactoren voor wat betreft de uitstoot van fijnstof vastgesteld. Ook is er sprake van een afname in het aantal (met name) zware verkeersbewegingen, zoals reeds in
30 Toelichting bestemmingsplan Steegse Peelweg 87a te Veulen
paragraaf 4.4.2 uiteen is gezet. Hierdoor zal de ontwikkeling binnen het plangebied een positief effect hebben op de luchtkwaliteit en kan met zekerheid worden aangenomen dat het plan NIBM is. Woon- en leefklimaat Op grond van de Wet milieubeheer zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m 3. Vanaf 1 januari 2015 geldt tevens een grenswaarde voor zeer fijnstof (PM2,5) waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. De achtergrondconcentratie PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied kan worden geraadpleegd via de Grootschalige Concentratie- en depositiekaarten Nederland van het RIVM. Uit onderstaande afbeeldingen is op te maken dat de achtergrondconcentratie PM10 15,73 μg/m3 bedraagt en de achtergrondconcentratie PM2,5 8,278 μg/m3. Er kan dus ruimschoots worden voldaan aan de grenswaarden voor wat betreft de concentratie PM10 en PM2,5.
Afbeelding 11 – Uitsnede GCN-kaart PM10
Afbeelding 12 – Uitsnede GCN-kaart PM2,5
Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO 2 geldt een grenswaarde van 200 μg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2, die niet vaker dan 18 maal per kalenderjaar mag worden overschreden. De norm voor langdurende blootstelling van de bevolking is de grenswaarde van 40 μg/m3 voor de jaargemiddelde NO2-concentratie. De achtergrondconcentratie ter plaatse bedraagt 11,28 μg/m3 blijkt uit de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland. Er kan dus tevens worden voldaan aan de grenswaarde voor wat betreft NO2 concentratie.
31 Toelichting bestemmingsplan Steegse Peelweg 87a te Veulen
Afbeelding 13 – Uitsnede GCN-kaart NO2
Conclusie Door het feit dat de ontwikkeling een positief effect heeft op de luchtkwaliteit kan met zekerheid worden gesteld dat het initiatief ‘NIBM’ zal zijn. Daarnaast wordt er ruim voldaan aan de grenswaarden van de achtergrondconcentraties. Hierdoor is te concluderen dat er ook sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
4.6.5
Externe veiligheid
Het rijksbeleid voor externe veiligheid heeft tot doel het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving. Het gaat hierbij om situaties waarbij gevaarlijke stoffen en/of vliegtuigen nabij luchthavens betrokken zijn. Bij gevaarlijke stoffen moet men denken aan het vervoeren, transporteren, opslag, produceren etc. Bij externe veiligheid wordt het mogelijke risico in kaart gebracht wat derden lopen bij eventuele calamiteit. Het gaat hierbij om ‘slachtoffers van buiten de poort’. Mensen die niets met een activiteit van gevaarlijke stoffen en/of vliegtuigen te maken hebben, maar hier wel de dupe van worden bij een ramp. Bij externe veiligheid wordt een onderscheid gemaakt in externe veiligheid voor inrichtingen, voor transport van gevaarlijke stoffen en voor luchthavens. Het externe veiligheidsbeleid stelt twee doelstellingen centraal: ▪ Plaatsgebonden risico (PR): De bescherming van personen die zich bevinden in de nabijheid van een risicobron tegen de kans op overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen of ten gevolge van een ongeval met een vliegtuig op of nabij een luchthaven; ▪ Groepsrisico (GR): De bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een dergelijke ramp met een groot aantal slachtoffers.
Het PR geeft de kans per jaar aan dat een persoon, die permanent en onbeschermd aanwezig is op een bepaalde plaats buiten een bedrijf (inrichting) of in de buurt van een vervoersmodaliteit (vervoer via weg, water, spoor of buisleiding) of nabij een luchthaven, op die plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen binnen die inrichting of op die vervoersmodaliteit of als gevolg van een ongeval nabij de luchthaven. De norm die voor het PR geldt, is de kans van 1:1.000.000 (10-6). Voor kwetsbare objecten is dit een grenswaarde welke moet worden opgevolgd. Voor beperkt kwetsbare objecten is het een richtwaarde. Het GR geeft aan wat de kans is op een ongeval waarbij tien of meer dodelijke slachtoffers vallen in de omgeving van de risicobron. Voor het groepsrisico is geen norm gesteld. Uit het vigerende beleid, zoals onder andere vastgelegd in het Bevi, geldt een verantwoordingsplicht. Iedere verandering (af- of toename) van het groepsrisico moet inzichtelijk worden gemaakt en worden voorzien van een onderbouwing. Het beleid ligt vast in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Bevi Gezien de aard van de voorgenomen activiteit is het Bevi niet van toepassing.
De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij het plangebied. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting is gelegen aan de Begijnhofweg 7. Hier is een risicobron gelegen in de vorm van een bovengrondse propaantank van 3.000 liter. Hiervoor geldt op grond van het Activiteitenbesluit een veiligheidsafstand van 20 meter tot een kwetsbaar object. De inrichting aan de Begijnhofweg 7 is op circa 1,4 kilometer van het plangebied gelegen. Er wordt dus
32 Toelichting bestemmingsplan Steegse Peelweg 87a te Veulen
ruimschoots voldaan aan de gestelde veiligheidsafstand. Daarom zijn er voor het plan geen belemmeringen vanuit het Bevi. Bevb Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van kracht geworden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Ten noordwesten van het plangebied is een aardgasleiding gelegen waaraan een PR 10-6 risicocontour van 4 meter is toegekend. Aan weerszijden van deze leiding is een belemmeringenstrook van 5 meter bestemd voor de aanleg, instandhouding en/of bescherming van deze leiding. Binnen deze belemmeringenstrook mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden opgericht. Het plangebied is buiten deze belemmeringenstrook gelegen. De 100% letaliteitszone rijkt echter tot 60 meter en de 1% letaliteitszone rijkt tot 135 meter van deze buisleiding. Hiermee ligt het plangebied volledig binnen het invloedsgebied van de buisleiding. Het groepsrisico neemt in de beoogde situatie toe, door de toevoeging van de bedrijfswoning en het maatschappelijk bedrijf gericht op coaching i.c.m. verblijfsrecreatie. Hierdoor zullen er in het invloedsgebied meer personen aanwezig zijn dan in de bestaande situatie het geval is. Op grond van artikel 12 van het Bevb dient het groepsrisico derhalve verantwoord te worden.
Aangezien er met het initiatief echter geen grote groepen personen (>50 personen) aan het plangebied toegevoegd en het geen verminderd zelfredzame personen betreft, kan worden volstaan met een beperkte risicoverantwoording. Hier wordt verderop in deze paragraaf op in gegaan. Bevt In de Regeling Basisnet is een tabel met afstanden opgenomen voor het groeps- en plaatsgebonden risico dat geldt voor transportroutes. Uit de risicokaart blijkt dat de locatie niet ligt binnen de invloedsfeer van wegen die zijn opgenomen in de tabel uit de Regeling Basisnet.
Afbeelding 14 – Uitsnede Risicokaart
Groepsrisicoverantwoording Bij een beperkte groepsrisicoverantwoording dient de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in het maatgevend rampscenario te worden beschreven. Het maatgevende scenario voor een aardgasleiding is een fakkelbrandincident. Deze kunnen ontstaan wanneer na een beschadiging van een leiding gas vrijkomt en dit ontsteekt. Bij bestrijdbaarheid gaat het om de mate waarin hulpdiensten de effecten van een ramp kunnen beperken. Mocht zich een voorval voordoen, dan is het van belang dat de hulpdiensten snel ter plaatse zijn met de juiste hulpmiddelen en blusmiddelen. Er is advies in gewonnen bij de Veiligheidsregio ten aanzien van opkomsttijden, bereikbaarheid, waarschuwings- en alarmeringsinstallaties en adequate bluswatervoorzieningen. Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Dit kan door schuilen en indien nog mogelijk, vluchten uit het bedreigde gebied. Bij de
33 Toelichting bestemmingsplan Steegse Peelweg 87a te Veulen
uitwerking van het plan zal derhalve rekening worden gehouden met de volgende aspecten om de zelfredzaamheid te vergroten: ▪ (Nood)Uitgangen van de buisleiding africhten; ▪ Indien mogelijk: de wezenlijke vluchtroutes afschermen tegen hittestraling; ▪ Bedrijfsnoodplan met strategie conform scenario fakkelbrand; ▪ Een verzamelplaats kiezen en inrichten op scenario fakkelbrand. In naam van de veiligheidsregio Limburg-Noord heeft de brandweer het volgende advies gegeven: ▪ Maatregelen op het gebied van zelfredzaamheid vergroten de mogelijkheden voor de in het effectgebied aanwezige personen om zichzelf op eigen kracht in veiligheid te brengen. ▪ Hiervoor adviseren we de volgende maatregelen: ▪ Fakkelbrand: De kans op een is voornamelijk aanwezig tijdens graafwerkzaamheden aan of rondom de buisleidingen. Het beperken van het aantal personen binnen het plangebied tijdens de graafwerkzaamheden aan de buisleidingen verkleind de kans op slachtoffers bij een incident. ▪ Fakkelbrand: Het realiseren van een tweede vluchtweg via de achterzijde van het plangebied biedt een veiligere vluchtweg in het geval van een fakkelbrand. ▪ Gifwolk: Zorg dat de aanwezige bouwwerken voldoende luchtdicht zijn af te sluiten door ramen en deuren te sluiten en ventilatie af te schakelen.
▪ Gifwolk: Indien voor de ventilatie een installatie nodig is, plaats dan een noodschakelaar waarmee de installatie uit te schakelen is op een gemakkelijk te bereiken plaats, zodat er geen ventilatielucht van buitenaf wordt ingebracht. De noodschakelaar kan bijvoorbeeld in de meterkast geplaatst worden. ▪ Algemeen: Zorg dat de bewoners/gebruikers van het plangebied op de hoogte zijn van eventuele risico’s uit de omgeving en de aanwezige voorzieningen in de woning, zodat ze daarnaar kunnen handelen bij een incident; Vluchten of schuilen, ramen en deuren sluiten en ventilatie afschakelen. ▪ Bestrijdbaarheid: Voor een vlugge en goede inzet van de brandweer is het te adviseren om binnen het plangebied voldoende brandkranen te realiseren met een debiet van tenminste 30 m3/ uur. De uitvoering en exacte locatie kan in overleg met de brandweer worden vastgesteld. Met deze veiligheidsmaatregelen wordt in de volgende fases van het plan rekening gehouden. Conclusie Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor het initiatief.
4.6.1
Niet gesprongen explosieven
Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Het gehele grondgebied van de gemeente Venray heeft in de Tweede Wereldoorlog zwaar onder vuur gelegen. Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven (NGE). Met behulp van het explosievenonderzoek worden de aanwezigheid en risico’s van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht. De gemeente Venray adviseert bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detectieonderzoek uit te (laten) voeren. Dit onderzoek dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de bestemmingsplanprocedure niet juridisch afdwingbaar. Het is echter te allen tijden de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving.
4.7 Vormvrije m.e.r-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen, waaronder bestemmingsplannen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: ▪ Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; ▪ Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Hiervoor zijn in de bijlage bij het
34 Toelichting bestemmingsplan Steegse Peelweg 87a te Veulen
Besluit m.e.r. lijsten opgenomen waarin activiteiten zijn aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (lijst C) of ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (lijst D). De activiteit die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, is de ontwikkeling een maatschappelijk bedrijf gericht op coaching van en met honden en paarden i.c.m. verblijfsrecreatie en een voedselbos. Deze activiteit behoort mogelijk tot activiteit D 11.2 ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’, daar er uitsluitend gebruik wordt gemaakt van hobbydieren die niet onder de werking van het Activiteitenbesluit vallen. De vraag of het plan een wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject is, hangt volgens de rechter af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen (zie de uitspraak van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348). Het plan, dat is gelegen in het buitengebied, voorziet in de herontwikkeling van een intensieve veehouderij in de vorm van een varkenshouderij naar een maatschappelijk bedrijf gericht op coaching van en met honden en paarden i.c.m.
verblijfsrecreatie en een voedselbos. De varkenshouderij is volledig gesaneerd en wordt met het plan weg bestemd. Het beoogde maatschappelijke bedrijf wordt beperkter in omvang. Het initiatief zal hierdoor een positief effect hebben op het milieu. Dat rechtvaardigt het oordeel dat geen sprake is van een wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. Er is derhalve geen sprake van een toekomstig m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criteria geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. Ten aanzien van het tweede criteria inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er met het initiatief geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Zoals in paragraaf 4.5.1 nader uiteengezet wordt heeft de beoogde ontwikkeling met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden. Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure.
35 Toelichting bestemmingsplan Steegse Peelweg 87a te Veulen
5 Juridische planopzet In dit hoofdstuk is een beschrijving van de juridische planopzet opgenomen. Dit wordt uiteen gezet aan de hand van de planvorm, verbeelding en planregels.
5.1 Planvorm De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Het gaat om planregels, een verbeelding en de bijbehorende toelichting. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Op de verbeelding zijn op een topografische ondergrond de bestemmingen aangeduid, met daaraan gekoppelde regels met betrekking tot bouwen en gebruik. De toelichting bij het plan heeft geen juridisch bindende werking maar biedt een overzicht van de onderzoeksresultaten en planmotivatie.
5.2 Verbeelding De verbeelding visualiseert het plangebied. Uit de verbeelding blijkt de begrenzing en de ligging van het plangebied. De verbeelding is direct verbonden met de bijbehorende regels. In de regels worden de condities en voorwaarden voor de bestemmingen en aanduidingen gesteld. De verbeelding is vervaardigd conform wettelijke eisen en geldende standaarden. De verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:500 en bestaat uit één kaart. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: ▪ Enkelbestemming: Agrarisch met waarden; ▪ Enkelbestemming: Groen; ▪ Enkelbestemming: Maatschappelijk; ▪ Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie 1; ▪ Dubbelbestemming: Waarde – Beekdal; ▪ Bouwvlak; ▪ Maatvoeringsaanduiding: maximum bebouwd oppervlak (m2) ▪ Functieaanduiding: bedrijfswoning; ▪ Functieaanduiding: specifieke vorm van maatschappelijk – honden- en paardencoaching. De gebiedsaanduiding ‘reconstructiewetzone – verwervingsgebied’ is komen te vervallen, daar de reconstructiewet niet meer in werking is.
5.3 Planregels De regels behorende bij voorliggend bestemmingsplan bestaan uit inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. De planregels van deze partiële herziening zijn zoveel mogelijk in overeenkomstig met de regels van het moederplan ‘Buitengebied Venray 2010, herziening regels’ opgesteld. Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken wordt derhalve een maatwerkprocedure in de vorm van een partiële herziening van het bestemmingsplan doorlopen. Het voorste deel van het perceel wordt gewijzigd in de bestemming ‘Maatschappelijk’ met de nadere aanduiding ‘specifieke vorm van maatschappelijk - honden- en paardencoaching’. Tevens wordt de functieaanduiding ‘bedrijfswoning’ aangepast. Binnen deze bestemming wordt de mogelijkheid vastgelegd voor ondergeschikte recreatieverblijven, het houden van hobbydieren en de verkoop van streekproducten uit het voedselbos. Het achterste gedeelte van het perceel behoudt de agrarische bestemming, zodat hier het voedselbos in combinatie met het paddock paradise gerealiseerd kan worden. Aangezien de (organische) vormgeving en invulling van het voedselbos nog nader te bepalen zijn, zijn in de maatschappelijke bestemming tevens voorwaarden voor teelt en verwerking van de opbrengst uit het voedselbos opgenomen.
Ten behoeve van het landschappelijk inpassingsplan wordt de bestemming ‘Groen’ toegevoegd aan het plangebied. Hieraan is een voorwaardelijke verplichting gekoppeld. Hierdoor wordt de aanleg van het landschappelijk inpassingsplan planologisch geborgd.
36 Toelichting bestemmingsplan Steegse Peelweg 87a te Veulen
6 Uitvoerbaarheid In de Wet ruimtelijke ordening is vastgelegd dat ieder bestemmingsplan en wijzigingsplan inzicht moet geven in de uitvoerbaarheid ervan. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.
6.1 Economische uitvoerbaarheid Een gemeente is (in beginsel) verplicht om, op grond van artikel 6.12 eerste lid, Wro een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een in het Bro aangewezen bouwplan is voorgenomen. De gemeenteraad kan echter besluiten om geen exploitatieplan vast te stellen indien: ▪ Het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins is verzekerd; ▪ Het bepalen van een tijdvak voor de exploitatie of een fasering van de uitvoering van werken, werkzaamheden, maatregelen en bouwplannen niet nodig is; ▪ Het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onder b, c en d Wro niet noodzakelijk is. Met het planvoornemen is sprake van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. Dit betekent dat het kostenverhaal verzekerd moet zijn. Door middel van een anterieure overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer zal hierin worden voorzien.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De maatschappelijke haalbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. In dat kader is een omgevingsdialoog gevoerd met de direct omwonenden. De plannen zijn toegelicht en er is de gelegenheid geboden om vragen te stellen. Het plan is goed ontvangen door de meest directe buren, maar ook anderen uit de buurt hebben positief gereageerd op onze plannen. Er zijn naar aanleiding van deze vragen en opmerkingen geen wijzigingen aan het plan uitgevoerd. Wel zijn de zorgen over klachten van vakantiegangers weggenomen. Een verslag van deze dialoog is aan de gemeente overlegd en is in bijlage 6 geanonimiseerd toegevoegd. Daarnaast is vooroverleg gevoerd met de daartoe aangewezen instanties. De beoordeling van de Provincie Limburg ten aanzien het plan is positief. Het verzoek om het plan ook te beoordelen aan de in de procedure zijnde Ontwerp wijzigingsverordening Limburg 2014 is in de paragraaf 3.2.2 toegevoegd. Het Waterschap Limburg heeft geen opmerkingen op het plan. In naam van de veiligheidsregio Limburg-Noord heeft de brandweer in het advies enkele veiligheidsmaatregelen toegevoegd, zoals in de paragraaf ‘Externe veiligheid’ vermeld. Met deze veiligheidsmaatregelen wordt in de volgende fases van het plan rekening gehouden.
De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is van toepassing). Het ontwerp is in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken, van ……….. tot en met ……... 2021. Gedurende deze periode is eenieder in de gelegenheid gesteld zienswijzen kenbaar te maken. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt. Het plan is ongewijzigd vastgesteld op …….. 2021. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
37 Toelichting bestemmingsplan Steegse Peelweg 87a te Veulen
38 Toelichting bestemmingsplan Steegse Peelweg 87a te Veulen
7 Bijlagen Bijlage 1a: Bijlage 1b: Bijlage 2: Bijlage 3a: Bijlage 3b: Bijlage 4: Bijlage 5: Bijlage 6:
Landschappelijk inpassingsplan – rapportage Landschappelijk inpassingsplan – schets Bodemonderzoek Stikstofdepositieonderzoek AERIUS-berekening Quickscan flora en fauna Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Omgevingsdialoog - geanonimiseerd
39 Toelichting bestemmingsplan Steegse Peelweg 87a te Veulen