03 Ruimtelijke onderbouwing Zonnepark Oirlo-Leunen
Tekst van het document
Uitgangspunt 8: monitoren op bodemgesteldheid en biodiversiteit Naast de landschappelijke inpassing is er ook gekeken naar het versterken van biodiversiteit. In de huidige situatie zijn de gronden op het gebied van ecologie en biodiversiteit van beperkte waarde. Door de aanleg van een gemengd struweel en bloem- en kruidenrijk grasland wordt de biodiversiteit in het gebied vergroot. Deze landschappen creëren een nieuwe habitat voor verschillende flora en fauna. De nadere uitwerking van het beheer van biodiversiteit zal in overleg met de omgeving worden bepaald en worden vastgelegd. Voor de bodemgesteldheid zullen initiatiefnemers voorafgaand de werkzaamheden een milieukundig bodemonderzoek laten uitvoeren op de percelen. Deze meting geldt als nulmeting voor het streven om de gronden in originele staat terug te leveren aan de grondeigenaar na de exploitatieperiode. Om dit te waarborgen hebben initiatiefnemers in hun kostenbegroting hiervoor een budget opgenomen. Tijdens het beheer van het zonnepark voert Solarfields onderzoek uit op haar parken om de ontwikkeling van natuur en biodiversiteit te meten. De concrete invulling voor het zonnepark in Venray wordt aankomende periode nader uitgewerkt. De initiatiefnemer is daarnaast aan het onderzoeken tegen welke frequentie een milieukundig bodemonderzoek onderdeel blijft van het beheer van het zonnepark in Venray.
Pijler Eigenaarschap, eerlijk verdelen van lasten en lusten Uitgangspunt 9: substantieel aandeel lokaal eigenaarschap Energiecoöperatie BeePower en Solarfields hebben in november 2020 een samenwerkingsovereenkomst gesloten. Het uitgangspunt van deze samenwerkingsovereenkomst is een gedeeld lokaal eigendom van het beoogde zonnepark.
Als winnaar van de tender voor zonneparken binnen de gemeente Venray is Solarfields in nauwe en transparante samenwerking met verschillende partijen uit de omgeving: direct omwonenden, de dorpsraden van Oirlo en Leunen, en energiecoöperatie BeePower, bezig om het ingediende plan verder vorm te geven. De energiecoöperatie BeePower speelt hierin een belangrijke rol. Samen met de coöperatie is Solarfields aan het onderzoeken hoe de lokale bevolking mede-eigenaar kan worden van het zonnepark. Samen met BeePower wordt gestreefd naar 50% lokaal eigendom. Deze vorm van participatie is het ultieme voorbeeld van hoe een zonnepark lokaal meerwaarde kan creëren. Hiernaast levert het zonnepark ook op andere gebieden een maatschappelijke meerwaarde. Zo wordt er een omgevingsfonds opgezet waarmee in de betreffende dorpen duurzaamheids- en leefbaarheidsinitiatieven geïnitieerd kunnen worden, op en rondom het zonnepark vindt er natuurontwikkeling plaats en het beoogde zonnepark stimuleert de lokale werkgelegenheid. Hierbij kunt u denken aan het uitbesteden van maaiwerkzaamheden. Uitgangspunt 10: tegenprestatie bij aanleg zonnevelden De hoogte van de kwaliteitsbijdrage, als tegenprestatie voor zonneparken in de sporen 4 en 5, is afhankelijk van het coöperatieve aandeel zoals bepaald in KODE.
Afhankelijk van het coöperatieve aandeel wat gerealiseerd wordt, zal bepaald worden of en in welke mate een kwaliteitsbijdrage benodigd is.
dinsdag 4 mei 2021
21
dinsdag 4 mei 2021
21
4 Onderzoek Zonnepark Oirlo-Leunen
4
Onderzoek
Bij de realisatie van de ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met (milieu)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de relevante milieu- en omgevingsaspecten wordt in de navolgende paragrafen beschreven.
4.1
M.e.r.-beoordeling
Toets m.e.r.-plicht Binnen het plangebied wordt een zonnepark gerealiseerd op agrarische gronden. Het realiseren van een zonnepark komt niet voor in bijlage C van het besluit m.e.r.. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r.-procedure te doorlopen. Toets m.e.r.-beoordelingsplicht In bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r. procedure moet worden gevolgd. Op basis van recente jurisprudentie (zie uitspraak ABRvS 14 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2770) is vastgesteld dat de realisatie van een zonnepark geen stedelijk ontwikkelingsproject dan wel een landinrichtingsproject of een industriële installatie bestemd voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water. Op basis hiervan is er geen sprake van een m.e.r beoordelingsplichtige activiteit.
4.2
Milieuaspecten
4.2.1
Bodem
In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan beschreven moet worden in hoeverre er onderzoek is verricht naar de bodemgesteldheid van het plan en hoe deze zich verhoudt tot de ontwikkeling en plangebied. In het kader van een voorgenomen functiewijziging zal inzicht moeten worden gegeven in de bodemkwaliteit ter plaatse, wanneer er een wijziging plaatsvindt naar een gevoeligere functie of wanneer er nieuwe bebouwing waarin voortdurend mensen verblijven wordt opgericht. Op basis van het Besluit Bodemkwaliteit en Regeling Bodemkwaliteit betreft een zonnepark geen gevoelige functie. Verder betreft een zonnepark ook geen bodembedreigende functie. Ook is er slechts zeer beperkt sprake van bodemroerende werkzaamheden. Voor aanvang van de werkzaamheden zullen initiatiefnemers een bodemonderzoek laten uitvoeren om daarmee de huidige situatie van de bodem vast te stellen. Na het verwijderen van het zonnepark kan daarmee de nul-situatie weer terug worden gebracht aan de hand van dit onderzoek. Conclusie Vanuit het aspect bodemkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.2
Milieuzonering
Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzone-
ring om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Het beoogde zonnepark vormt volgens de (indicatieve) brochure “Bedrijven en Milieuzonering”, uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) 2009, geen milieugevoelige functie. Omliggende milieubelastende bedrijven vormen daarmee geen belemmering voor het oprichten van een zonnepark. Ook dient te worden onderzocht, of het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen niet onevenredig wordt aangetast als gevolg van het zonnepark.
Daarom dient te worden getoetst of in de omgeving van het plangebied functies voorkomen die een belemmering kunnen vormen voor de nieuwe ontwikkeling.
dinsdag 4 mei 2021
22
dinsdag 4 mei 2021
22
4 Onderzoek Zonnepark Oirlo-Leunen
Zonneparken worden als zelfstandige categorie niet benoemd in de VNG-brochure. Ten aanzien van de zonnepanelen zelf kan redelijkerwijs worden gesteld, dat geen milieuhinder (geluid, geur of stof) te verwachten is. Voor de bijbehorende transformators kan enige geluidproductie overdag worden verwacht. Deze zijn het best vergelijkbaar met de in de VNG-brochure vermelde categorie ‘elektriciteits-distributiebedrijven <10 MVA’ (milieucategorie 2). De richtafstand van de transformatoren tot omliggende woningen dient daarmee in beginsel ten minste 30 meter te bedragen. Aanvullend kan worden vermeld dat een zonnepark een type A-inrichting is volgens het Activiteitenbesluit. De inrichting zal daarom moeten voldoen aan de maximale geluidsniveaus en langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus als genoemd in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit. Daarbij geldt dat daarbij de best beschikbare technieken moeten worden toegepast.
Venray
Blakterweg 4 Laagrieboekseweg
Het gebied is gelegen langs de A73, aan de overzijde van het bedrijventerrein ‘De Blakt’. In de directe omgeving van het gebied is weinig bebouwing aanwezig. De meest dichtbij gelegen woning ligt langs het bedrijventerrein op het adres Blakterweg 4, op een afstand van circa 300 meter. Verder zijn er in de omgeving incidenteel (bedrijfs)woningen aanwezig. Richting het dorp Leunen ligt de Laagriebroeksweg op circa 500 meter afstand en de woningen rond de weg Koepas op een afstand van circa 400 meter. Gelet op de ruime afstand tot aanliggende woningen is het de verwachting dat er geen verslechtering zal plaatsvinden van het woon- en leefklimaat. De transformatororen zijn verder alleen actief als er zon is. ’s-Nachts zal er daarom geen geluidproductie plaatsvinden. Van geluidsoverlast afkomstig van de transformatoren zal daarom geen sprake zijn.
Koepas
Figuur 14: Ligging woningen ten opzichte van projectgebied.
dinsdag 4 mei 2021
23
dinsdag 4 mei 2021
23
4 Onderzoek Zonnepark Oirlo-Leunen
Elektromagnetische straling Verder dient er aandacht te worden besteed aan elektromagnetische straling afkomstig van de transformatoren. Uit onderzoek van het RIVM over gezondheid en elektromagnetische velden als gevolg van de aanwezigheid van transformatorstations is geconcludeerd dat de sterkte van de velden afneemt wanneer de afstand tot de bron groter wordt. Uit het onderzoek blijkt dat 0,4 μT (jaargemiddelde) wordt bereikt op een afstand van 7 m van het transformatorstation. Dit wordt door de Rijksoverheid als grenswaarde aangenomen bij situaties van langdurige blootstelling. Aangezien er geen woningen zijn gelegen op een afstand van minder dan 7 meter is nader onderzoek op elektromagnetische straling niet noodzakelijk. Gelet op deze relatieve ruime afstand tot het plangebied zal er voor de omliggende woningen geen verslechtering plaatsvinden van het woon- en leefklimaat. Overige woningen liggen op een verdere afstand tot het plangebied. Conclusie Vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen oprichting van een zonnepark in het plangebied. 4.2.3
Geluid (Wet geluidhinder)
Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan geluidsgevoelige objecten en terreinen mogelijk maakt in zones van wegen, spoorwegen en/of geluidgezoneerde industrieterreinen dan wel sprake is van de aanleg of wijziging van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Een zonnepark betreft geen geluidgevoelig object of terrein. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek als bedoeld in
de Wet geluidhinder is dan ook niet noodzakelijk. Voor akoestische effecten van het zonnepark (transformatoren) wordt verwezen naar paragraaf 4.2.6.
er geen sprake is van een gevoelige functie, is een onderzoek naar de achtergrondwaarden in het kader van het woon- en leefklimaat niet aan de orde.
Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering in het kader van de ontwikkeling van het zonnepark.
Conclusie Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet bezwaarlijk uit luchtkwaliteitsoogpunt.
4.2.4
Luchtkwaliteit
Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een project draagt “niet in betekenende mate” (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. In dit geval is er sprake van het oprichten van een zonnepark. Een zonnepark kent een zeer lage verkeersaantrekkende werking. Er zal uitsluitend sprake zijn van sporadisch verkeer ten behoeve van onderhoud, controle en beheer. Op voorhand kan redelijkerwijs worden gesteld dat het initiatief niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Omdat
4.2.5
Geur
Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan of een ruimtelijke onderbouwing van een omgevingsvergunning voor geurgevoelige objecten (zoals woningen) moet het geuraspect meewegen. Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast mag geen inbreuk ontstaan op de milieuruimte van omliggende veehouderijen. Volgens de definitie van de Wet geurhinder en veehouderijen is een geurgevoelig object een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen en menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Een zonnepark is, gelet op deze definitie, niet aan te merken als een geurgevoelig object. Er is slechts sporadisch en kortdurend sprake van verblijf door mensen. De voorgenomen ontwikkeling van een zonnepark levert dan ook geen belemmeringen op voor veehouderijen en vice versa. Conclusie Vanuit het aspect geur bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling van een zonnepark.
dinsdag 4 mei 2021
24
dinsdag 4 mei 2021
24
4 Onderzoek Zonnepark Oirlo-Leunen
4.2.6
Externe veiligheid
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Met deze ruimtelijke onderbouwing wordt een zonnepark mogelijk gemaakt.
In de directe omgeving van het plangebied ligt de snelweg A73. Voor zowel de snelweg als het spoor ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen. Gezien de aard van deze functie is er geen sprake van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object dan wel handelingen met gevaarlijke stoffen in de zin van het Bevi. Het aspect externe veiligheid is voor deze ruimtelijke ontwikkeling dan ook niet relevant.
(droge en natte gebieden met een lage verwachting, vrijgegeven en verstoorde gebieden).
Conclusie Vanuit externe veiligheidsoogpunt zijn er geen belemmeringen voor de ontwikkeling van een zonnepark in het plangebied.
Op basis van het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied deels op een dekzandwelving ligt en deels binnen het beekdal met beekdalglooiing van de Oostrumse beek. Uit het gespecificeerde verwachtingsmodel komt naar voren dat voor het hele plangebied een middelhoge verwachting geldt voor vuursteenvindplaatsen uit de periode laat-paleolithicum tot en met het mesolithicum. Er geldt een hoge verwachting voor nederzettingsresten (dekzandwelving, zuidoostelijke deel) en voor off site resten (beekdal, noordwestelijke deel) uit de periode neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen. Er geldt een lage verwachting voor nederzettingsresten uit de periode volle middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd, met uitzondering van het noordelijke deel. Ter plaatse kunnen resten aanwezig zijn van een vluchtschans (boerenschans) uit de periode 16e – 17e eeuw (zie bijlage 3, categorie 3). Uit de bodemverstoringsgegevens blijkt dat een groot deel in het verleden is ontgrondt. Hierbij zijn ook losse vondsten uit met name het neolithicum aangetroffen. Ook zijn delen geëgaliseerd. Deze zijn niet altijd te herkennen op het kaartbeeld van het AHN, waarbij deze zuidelijke delen enig reliëf vertonen.
4.2.7
Archeologie
In de Erfgoedwet is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect archeologie en cultuurhistorie in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Erfgoedwet zijn als volgt: de archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard; er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect archeologie; beschrijving op te nemen van de wijze waarop rekening gehouden is met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden Archeologie De planlocatie ligt volgens de Archeologische Beleidskaart van de gemeente Venray in drie verschillende zones. Binnen de planlocatie gelden de zones categorie 2 (monumenten van zeer hoge waarde en monumenten die betrekking hebben op de historische kernen), categorie 4 (droge en natte gebieden met een hoge verwachting) en categorie 7
Om de archeologische waarden in het gebied in beeld te krijgen is door Aeres Milieu een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage toegevoegd aan onderhavige ruimtelijke onderbouwing. Hieronder zullen beknopt de conclusies worden beschreven.
Op basis van deze gegevens wordt voor het hele plangebied een vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een verkennend booronderzoek.
dinsdag 4 mei 2021
25
dinsdag 4 mei 2021
25
4 Onderzoek Zonnepark Oirlo-Leunen
Voor de percelen sectie R, nummers 1524 en 1525 (oppervlakte 8,08 ha), waar ontgrondingen hebben plaatsgevonden, wordt geadviseerd de verwachte verstoring te toetsen middels het laten uitvoeren van enkele controleboringen. Doel hiervan is om de mate van ontgronding vast te stellen, aangezien niet bekend is hoe diep deze zone is ontgrondt en uit te sluiten dat het archeologische niveau nog aanwezig kan zijn. 4.2.8
Flora en fauna
De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied, zijn vergunningplichtig.
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De soortenbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ont-heffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend.
Vanaf 1 januari 2017 moet, onder de Wet natuurbescherming, bij ruimtelijke ontwikkelingen naast de zorgplicht ook rekening gehouden worden met juridisch zwaarder beschermde soorten vanuit nationaal en Europees oogpunt. Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bijlage A en B’ van de Wet natuurbescherming. Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn).
Op de ‘Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten’ van het Ministerie van LNV (augustus 2009) wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën vogelnesten. Van de meeste vogelsoorten zijn de nesten uitsluitend beschermd wanneer deze tijdens de broed- en nestperiode in gebruik zijn. Het gaat om soorten die jaarlijks nieuwe nesten maken. Van een aantal soorten roofvogels en uilen, koloniebroeders en gebouw bewonende vogelsoorten (‘categorie 14 soorten’) zijn de nesten en de functionele leefomgeving jaarrond beschermd. Tenslotte is er een categorie nesten van vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om, als die broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (‘categorie 5-soorten’). Vooralsnog is het uitgangspunt dat deze indeling gehandhaafd blijft, totdat de provincies deze hebben aangepast en vastgesteld. Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden.
Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend. Voor onderhavige ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Deze is als bijlage opgenomen in onderha-
dinsdag 4 mei 2021
26
dinsdag 4 mei 2021
26
4 Onderzoek Zonnepark Oirlo-Leunen
vige ruimtelijke onderbouwing. Hieronder worden de belangrijkste conclusies beschreven. Voor de volledige rapportage met bevindingen wordt verwezen naar de bijlagen. Stikstof Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Boschhuizerbergen”, bevindt zich op circa 2,6 kilometer afstand ten noorden van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Bij de aanleg van een zonneweide komt geen groot bouwmaterieel te kijk, noch zullen er intensieve grondwerkzaamheden plaatsvinden. Trillingen als een extern effect op het nabijgelegen Natura-2000 gebied kan worden uitgesloten. Licht en geluid zullen tevens geen extern effect op het nabijgelegen Natura-2000 gebied hebben. Er zal geen extra verlichting worden aangelegd binnen de voorgenomen plannen, noch zorgt een zonneweide tijdens gebruik voor geluidsproductie. Uit vervolgonderzoek met een AERIUS-berekening zijn bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen depositie-resultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j.
Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden.
De kernkwaliteiten van het landschap zijn meegenomen binnen het landschappelijk inpassingsplan, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de bronsgroene landschapszone niet worden aangetast. Tevens zullen de natuurlijke waarden van de aangrenzende goudgroene landschapszone niet worden aangetast, gezien er binnen de voorgenomen plannen geen extra verlichting, wandelpaden of bebouwing wordt aangelegd ten opzichte van de huidige situatie. Vervolgonderzoek in het kader van de bronsgroene landschapszone of de goudgroene landschapszone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Conclusie Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen:
Provinciaal beleid Het plangebied is gelegen binnen de bronsgroene landschapszone, en grenst aan de goudgroene landschapszone.
Een AERIUS-berekening dient de toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door de werkzaamheden te berekenen. Uit het vervolgonderzoek blijkt dat er geen toename is aan stikstofdepositie; Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op opgaand groen te worden vermeden; De werkwijze van activiteiten dient te worden aangepast om verstoring van dassen en de dassenburcht ten zuidoosten van het plangebied te voorkomen. Dit geldt voor alle activiteiten in een straal van 200 meter van de dassenburcht; Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid en opgaand groen buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle
moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.
4.2.9
Verkeerskundige aspecten
Verkeer In de huidige situatie bestaat het projectgebied voornamelijk uit agrarische gronden. De nieuwe functie heeft een verwaarloosbare verkeersaantrekkende werking. Er zal uitsluitend sprake zijn van incidenteel verkeer ten behoeve van onderhoud, controle en beheer van het zonnepark en de groene inpassing. Hierbij is uitgegaan van maximaal 2 motorvoertuigen (lichte busje) bewegingen per maand. Er zal gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. In de aanlegfase van het zonnepark zal wel (tijdelijk) een toename plaatsvinden van verkeer. Het gaat hier onder meer in de vorm van vrachtwagens en busjes die de materialen komen leveren. In het kader van de AERIUS-berekening is in overleg met initiatiefnemer gekeken welke verkeersaantrekkende werking dit heeft. Geschat wordt dat de verkeersbewegingen van bouwverkeer circa 80 p/jaar zal bedragen. Gelet op de tijdelijkheid van de verkeersbewegingen zal het initiatief geen negatieve effecten in verkeerskundig opzicht opleveren. Parkeren Het zonnepark betreft een bedrijfsmatige functie, maar van vaste werknemers of verblijvende personen ter plaatse is geen sprake. Incidenteel zal er sprake zijn van een parkeerbehoefte bij onderhouds-, beheer-, controlewerkzaamheden
dinsdag 4 mei 2021
27
dinsdag 4 mei 2021
27
4 Onderzoek Zonnepark Oirlo-Leunen
e.d. In dat geval kan gebruik worden gemaakt van parkeerruimte ter plaatse van de inrit. De incidentele parkeerbehoefte kan daarmee in voldoende mate worden opgevangen op eigen terrein. Gelet op de beperkte aanwezigheid van personen voor onderhouds-, beheer-, controlewerkzaamheden is het aanleggen van parkeerplaatsen niet noodzakelijk.
Bij de aanleg van een transformatorhuisje noordelijk dient rekening gehouden te worden met de GHG. Deze dienen boven het bestaand maaiveld aangelegd te worden of zuidoostelijker op de hoger gelegen percelen geplaatst te worden. Voor de toekomstige zonnepanelen op stellingen vormen de optredende grondwaterstanden geen belemmerende factor.
Door de omliggende begroeiing rondom het zonnepark wordt tevens voorkomen dat hemelwater oppervlakkig kan afstromen waardoor het ter plaatse in de bodem zal infiltreren en er geen versnelde afvoer naar het oppervlaktewater optreedt. Voor het dempen van de twee overige watergangen is geen vergunning benodigd.
4.2.10 Waterparagraaf
De aanleg van een zonnepark met panelen op stellingen veroorzaakt slechts een beperkte toename aan verharding door de open ruimte tussen de zonnepanelen op stellingen met enkele transformatorhuisjes. Het is niet noodzakelijk geacht om voor het planvoornemen watercompensatie toe te passen. Enig verhard oppervlak betreft enkele kleine transformatorstations van 10-25 m2 en eventueel een toegangs-/onderhoudspad. Deze kleine hoeveelheid water kan nabij het huisje eenvoudig in de bodem infiltreren. Het eventueel dicht verhard oppervlak ter plaatse van de toegangspaden kan verder beperkt worden door de aanleg van grasdallen.
Door de landschappelijke inpassing en rekening te houden met het bestaande oppervlaktewater en de afstroming wordt door het planvoornemen hydrologisch gezien positief ontwikkeld en is er ter plaatse en in de omgeving geen overlast te verwachten.
In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in voorliggend plan rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Door Aeres Milieu is een onderbouwing van het wateraspect uitgevoerd. De rapportage is als bijlage 5 toegevoegd aan onderhavige ruimtelijke onderbouwing. In deze onderbouwing worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Het onderzoeksgebied is aflopend van zuid (ca. 23,2 m +NAP) naar het noorden (ca. 21,7 m +NAP). De bodem bestaat naar verwachting uit een fijn zandige bodem met noordwestelijk hogere grondwaterstanden. Naast de omliggende greppels zijn in het plangebied drie oost-west gerichte greppels/watergangen aanwezig. Door de aflopende hoogteligging is op het grootste gedeelte van het plangebied geen hoge grondwaterstand te verwachten. Het grondwater is noordelijk in het plangebied relatief hoog te verwachten met een GHG van ca. 21,4 m +NAP. De noordelijke watergang is eigendom van het waterschap en blijft behouden bij het planvoornemen. Onderhoud blijft tevens mogelijk door de vrijgehouden onderhoudsstrook.
Bij het planvoornemen blijven de omliggende greppels en de watergang noordelijk door het plangebied behouden. Deze watergangen zijn ook van belang voor de bestaande ontwatering van het lager gelegen noordelijke perceel en de overloop van het oppervlaktewater dat nabij de A73 aanwezig is. Zuidelijk binnen het plangebied zullen twee oost-west gerichte greppeltjes van 20-30 cm diep gedempt worden. Dit heeft als gevolg dat de lokale bodem iets meer vernat. Door de hoge ligging en de verwachte matig tot goede doorlatende zandbodem zuidelijk zal de demping slechts lokaal een lichte invloed op de optredende grondwaterstanden veroorzaken. Een iets hogere grondwaterstand is tevens ter plaatse van het toekomstige zonnepark geen belemmerende factor en draagt dit bij aan de vermindering van de verdroging van het gebied.
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief. 4.2.11 Kabels en leidingen In het besluitgebied komen blijkens de provinciale risicokaart en blijkens de verbeelding van het geldende bestemmingsplan geen kabels en/of leidingen voor. Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt zodoende geen belemmering voor de voorgestelde ruimtelijke ontwikkeling. 4.2.12 Lichtreflectie De beoogde locatie van het zonnepark ligt in de nabijheid van de A73. Vanwege deze ligging is het van belang mogelijke hinder ten gevolgde van reflectie op wegverkeer te beschouwen. Het glazen oppervlak van de zonnepanelen kan namelijk zorgen voor hinder voor weggebruikers vanwege reflectie
dinsdag 4 mei 2021
28
dinsdag 4 mei 2021
28
4 Onderzoek Zonnepark Oirlo-Leunen
Conclusie Door het uitvoeren van het inpassingsplan zal er geen overschrijding plaatsvinden van de richtlijnen voor lichthinder voor weggebruikers. In de modeluitkomsten wordt uitgegaan van maximale hoeveelheid zoninstraling en is er geen rekening gehouden met filtering door autoruiten en met atmosferische verstrooiing en bewolking. In de praktijk zal de (berekende) hinder dus minder zijn. Desondanks zorgt het inpassingsplan er ook voor dat de schittering niet leidt tot hinder op de onderzochte observatiepunten. Het aspect lichtreflectie vormt daarmee geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
van zonlicht op de panelen. De mate van hinder is afhankelijk van een aantal factoren, zoals de opstelrichting van de panelen ten opzichte van wegen, de hellingshoek, de hoogte waarop deze worden geplaatst, het materiaal van de panelen, het al dan niet gebruiken van coating en de omgeving van de locatie. Voor hinder ten gevolge van reflectie bestaat géén specifiek beleid of regelgeving. Wel dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening dit aspect nader te worden onderzocht in verband met de ligging van de A73. Om dit aspect nader te onderbouwen is een reflectieonderzoek uitgevoerd om inzicht te krijgen van de mogelijke effecten van het zonnepark in relatie tot lichtreflectie. Dit onderzoek is als bijlage 7 toegevoegd aan onderhavige ruimtelijke onderbouwing. Voor de volledige conclusies wordt verwezen naar deze bijlage. Hieronder zal beknopt de conclusie van het onderzoek worden weergegeven. In het onderzoek zijn 19 observatiepunten geplaatst en berekend, zie hiervoor ook figuur 15. Op basis van het onderzoek wordt geconstateerd dat op merendeel van de observatiepunten geen hinder zal worden ondervonden. Op twee locaties zal in een worst-case scenario een overschrijding plaatsvinden bij observatiepunten 2 en 3 (links van de A73) en observatiepunten 16, 18 en 19 (rechts voor De Locht).
Bij deze observatiepunten is (zoals hierboven vermeld) nog geen rekening gehouden met de huidige beplanting. In de rapportage wordt vermeld dat hinder grotendeels beperkt zal worden door beplanting die op basis van het inpassingsplan worden gerealiseerd. Voor de observatiepunten ter hoogte van De Locht zullen de voorgestelde inpassingsmaatregelen de negatieve effecten van lichtreflectie voldoende beperken. Vanaf de A73 bieden de vogelbosjes voldoende
Figuur 15: Uitsnede observatiepunten. Zie voor een grotere weergave figuur 4.1 in bijlage 7.
blokkering van de reflectie, echter tussen observatiepunt 3 en 4 is een open ruime waardoor lichthinder toch mogelijk is. Er wordt geadviseerd om voor het stuk tussen observatiepunt 3 en 4 ook enige vorm van beplanting te plaatsen. Op basis van dit onderzoek is er gekeken naar een mogelijke oplossing om tussen observatiepunt 3 en 4 maatregelen te nemen om lichthinder te voorkomen. In de inpassing is daarom een extra maatregel opgenomen dat het hekwerk grenzend aan de A73 wordt begroeid met wintergroene klimplanten om overlast te voorkomen. Lonicera periclymenum en Hedera helix zijn beide inheems en geschikt, waarmee de landschappelijke kenmerken behouden blijven.
dinsdag 4 mei 2021
29
dinsdag 4 mei 2021
29
5 Afweging belangen Zonnepark Oirlo-Leunen
5
Afweging belangen
De gewenste ontwikkeling van een zonnepark is strijdig met het vigerende bestemmingsplan. Om het initiatief juridischplanologisch mogelijk te maken, dient een omgevingsvergunning volgens artikel 2.1, eerste lid, onder c juncto artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht te worden verleend. Daarvoor is een ruimtelijke onderbouwing noodzakelijk. Met deze ruimtelijke onderbouwing wordt hierin voorzien.
Daarnaast wordt de ontwikkeling niet belemmerd door aanwezige omliggende functies en treedt andersom geen onevenredige overlast voor omliggende functies op. Gelet op de afstand tot omliggende woonpercelen, is er ook naar verwachting ook geen sprake van een verslechtering van het woon- en leefklimaat. Bovendien zal geen schade wordt toegebracht aan omringende natuur- of landschapselementen en -structuren. Op basis van het voorgaande wordt dan ook geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling niet bezwaarlijk is en derhalve niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Het initiatief levert een bijdrage aan een zeer belangrijke doelstelling, namelijk de transitie naar duurzame vormen van energieopwekking. Tegen de gewenste ontwikkeling bestaan uit ruimtelijk en landschappelijk oogpunt geen bezwaren. Door middel van de voorgestelde landschappelijke inpassing, wordt de impact van het initiatief op het landschap beperkt. In de voorgaande hoofstukken van de ruimtelijke onderbouwing is beschreven dat het zonnepark een positief effect kan hebben op de biodiversiteit binnen het gebied. In de huidige situatie hebben de gronden een beperkte ecologische waarde vanwege het gebruik als akkergrond. Door de aanleg van een gemengd struweel en grasland, alsmede het beperken van landbouwactiviteiten op de percelen, zijn er kansen voor biodiversiteit. Voorts zal in het kader van participatie in overleg met stakeholders en de lokale omgeving worden gekeken naar een optimale invulling van het zonnepark, waarbij 50% lokaal eigendom de mogelijkheden biedt om de omgeving mee te laten profiteren met de opbrengsten van het zonnepark. Aan de voorwaarden, die zowel het rijks-, provinciaal als gemeentelijk beleid stelt, wordt met de ontwikkeling voldaan.
dinsdag 4 mei 2021
30
dinsdag 4 mei 2021
30
6 Uitvoerbaarheid Zonnepark Oirlo-Leunen
6
Uitvoerbaarheid
6.1
Economische uitvoerbaarheid
Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie in werking getreden. In afdeling 6.4 van de Wro is bepaald dat de gemeente verplicht is bij het vaststellen van een planologische maatregel die mogelijkheden schept voor een bouwplan zoals bepaald in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Dit betekent dat er voor de gemeente een verplichting bestaat om de kosten, die gepaard gaan met een bouwplan, te verhalen op de initiatiefnemer. Deze verplichting vervalt indien de gronden volledig in eigendom zijn van de gemeente. In het voorliggende geval is geen sprake van een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro. Tussen gemeente en initiatiefnemer zal een anterieure overeenkomst worden gesloten waarmee de financiële uitvoerbaarheid van het plan wordt gewaarborgd. Verder zal de ontwikkeling van het zonnepark (deels) gefinancierd worden vanuit de SDE++ subsidie. Als voorwaarde om in aanmerking te komen voor de SDE++ subsidie is het verkrijgen van de omgevingsvergunning.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Omgevingsdialoog
In paragraaf 3.4.1 is uitvoerig beschreven hoe wordt omgegaan met participatie en omgevingsdialoog. Voor de ontwikkeling is een communicatieplan opgesteld. In de komende maanden zal de lokale omgeving op verschillende momenten
en via verschillende mediakanalen op de hoogte worden gebracht en uitgenodigd worden om te participeren. Daarvoor worden de volgende middelen ingezet: Sociale media van de gemeente, Solarfields en Coöperatie BeePower; De gemeentepagina in huis-aan-huiskrant HAC; E-mails en brieven; Informatieavonden in dorpshuizen; Projectpagina op de website van Solarfields. Het proces zoals hierboven omschreven betreft geen uitputtende uiteenzetting. Vanwege het dynamische proces van participatie zullen meerdere stakeholders (zoals natuurorganisaties, dorpsraden) worden benaderd. Hierdoor kan het zijn dat onderhavige informatie vanwege tijdsverloop is achterhaald. In deze paragraaf is getracht duidelijk te maken dat initiatiefnemers participatie van belang vinden voor de ontwikkeling. Daarnaast zal het door initiatiefnemer opgestelde participatieplan onderdeel worden van de aanvraag. 6.2.2
indienen. Op basis van de zienswijzen neemt het college van burgemeester en wethouders een definitief besluit over het al dan niet afgeven van de omgevingsvergunning. Beroep / hoger beroep Na verlening van de omgevingsvergunning wordt deze voor de tweede maal voor een periode van zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden beroep instellen tegen de omgevingsvergunning bij de rechtbank en later in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien binnen de beroepstermijn geen beroep wordt ingesteld, is de omgevingsvergunning na het verstrijken van de beroepstermijn onherroepelijk. Belanghebbenden kunnen eventueel ook een voorlopige voorziening vragen tegen de omgevingsvergunning. Solarfields verzoekt om een omgevingsvergunning waarbij de exploitatieduur van het zonnepark 30 jaar bedraagt ingaande zodra het park operationeel is.
Procedure omgevingsvergunning
De aanvraag om de omgevingsvergunning heeft onder andere betrekking op het toestaan van een gebruik in afwijking van het geldend bestemmingsplan. Op de onderhavige aanvraag is (ex artikel 3.10 lid 1, onder a Wabo) de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing. In deze paragraaf wordt de procedure rondom de omgevingsvergunning toegelicht. Tervisielegging De ontwerp omgevingsvergunning wordt gedurende een periode van zes weken ter visie gelegd. De aanvraag, de bijlagen en de bijbehorende ruimtelijke onderbouwing zijn onderdeel van de (ontwerp) omgevingsvergunning. Gedurende de termijn van de ter visie legging kan eenieder een zienswijze
dinsdag 4 mei 2021
31
dinsdag 4 mei 2021
31
Bijlage 1 Landschappelijke inpassing
Landschappelijke inpassing Zonnepark Oirlo-Leunen Gemeente Venray Solarfields
Landschappelijke inpassing Zonnepark Oirlo-Leunen Gemeente Venray Solarfields
Rapportnummer:
01
Datum:
november 2020
Contactpersoon opdrachtgever:
Dhr. SH
Projectteam BRO:
SvdS
Projectnummer:
P03221
Bron foto kaft:
Afbeelding van Sebastian Ganso via Pixabay
Trefwoorden:
Zonneweide, Energietransitie, Duurzame energiebronnen, Klimaat, Buitengebied
Ontwerpatelier BRO Wij zien de Nederlandse leefruimte als een schaars collectief goed. Daarom vinden wij dat een ruimtelijke opgave nooit sec te benaderen is. Ons ontwerpatelier is ingericht met landschapsarchitecten, stedenbouwkundigen, ecologen, architecten en planologen om integraal te kunnen werken. Anders dan de tekentafel- en de beeldgerichte ontwerpbureaus richten wij ons daarbij op het social-design door publieke en private belangen te verenigen waardoor grip en begrip ontstaat in het ontwikkelingsproces. Daarbij maken we o.a. visie’s en zoeken we naar het evenwicht van bestaand naar nieuw beleid.
Aanleiding In 2015 heeft de Rijksoverheid op de VN-klimaattop in Parijs ingestemd met een internationaal klimaatakkoord. Het akkoord heeft als doel: de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder 2 graden Celsius, met een duidelijk zicht op 1,5 graden Celsius. In 2019 is hierover door de Eerste Kamer de Klimaatwet aangenomen. De Klimaatwet stelt vast met hoeveel procent ons land de CO2-uitstoot moet terugdringen. Het streven is naar 95% minder CO2 uitstoot in 2050 met als tussenstation 49% in 2030. Om te voldoen aan de maatregelen die voortvloeien uit het klimaatakkoord zet Venray op gemeentelijk niveau1 in op verschillende onderdelen als het gaat om duurzaamheid: energietransitie, klimaatadaptatie en circulaire economie. In het coalitieakkoord 2018 - 2022 staan de volgende ambities beschreven: - Het gebruik van fossiele brandstoffen beperken en een duurzame energievoorziening stimuleren; - Een besparing realiseren op het totale energieverbruik van 37,5% ten opzichte van 2013, waarbij 45% van de resterende energiebehoefte in de gemeente geproduceerd wordt met schone technieken; - Volledig energieneutraal in 2050 door in het landschap ruimte te maken voor grootschalige duurzame energieopwekking.
Met het ‘Kader voor opwekking duurzame energie’ (KODE – september 2019) richt de gemeente zich binnen het brede thema duurzaamheid op het onderdeel energietransitie en daarbinnen specifiek op de lokale opwekking van zonne-energie, gezien dit een toepasbare en bewezen techniek is. Het voorgenomen doel rond lokale hernieuwbare stroom ligt op ‘ca. 250 ha = 970 TJ’2 De omschakeling die er mee gepaard gaat heeft een enorme impact op de Nederlandse samenleving, en zo ook de gemeente Venray. Energietransitie en klimaatverandering zijn urgente en actuele maatschappelijke thema’s. We zijn er bij gebaat komend decennium flinke stappen te maken in het overstappen op gebruik van duurzame en schone energie, om daarmee de negatieve effecten van de klimaatverandering beheersbaar te houden. Wanneer gesproken wordt over de inzet van zonne-energie voor duurzame energieopwekking, is de eerste gedachte doorgaans ‘eerst zon op dak’. Met al het potentieel dakoppervlak binnen de gemeente kan slecht een fractie van de energievraag in 2050 worden benut. Wil worden voldaan aan voorgenoemde doelstellingen ‘nagenoeg 100% duurzame energieopwekking in 2050’, dan is in Venray de behoefte aan flinke uitbreiding van de duurzame energieopwekking. Grondgebonden zonneparken bieden potentieel om in die behoefte te kunnen voorzien.
1 2
Coalitieakkoord 2018 - 2022 Energiestrategie 2030
P03221 Landschappelijke inpassing Zonnepark Oirlo-Leunen Gemeente Venray 2
Initiatief Solarfields Nederland B.V. maakt deel uit van de energietransitie in Nederland door aan ontwikkeling van grondgebonden zonneparken te werken. Zo bestaat het voornemen de percelen 588, 596, 597, 598, 600, 1415, 1416, 1418, 1419, 1524, 1525, 2113 te sectie R aan de Beemdweg te Leunen in te richten als zonnepark. De locatie waar het zonnepark is voorzien bestaat uit agrarisch gronden en heeft een ca. oppervlak van 24,6 ha. Globaal begrenst tussen de A73 (N) en de Locht (Z), zie figuur 1. Voorliggend initiatief is strijdig met het vigerende bestemmingsplan. Om het initiatief juridischplanologisch mogelijk te maken is een afwijking van het bestemmingsplan noodzakelijk. Een voorwaarde voor nieuwvestiging van een zonnepark in landelijk gebied is dat er zorg wordt gedragen voor een goede landschappelijke inpassing. Elke ontwikkeling in het buitengebied dient namelijk bij te dragen aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het betrokken gebied en de naaste omgeving. De landschappelijke inpassing richt zich op de uitstraling en de verankering van de ontwikkeling naar de omgeving toe en tevens op de interne ordening en inrichting van het perceel. Aspecten zoals oriëntatie, ligging, ontsluiting en toe te passen groenelementen worden hierin meegenomen.
Onderhavig advies geeft inzicht in welke inrichtingsmaatregelen er genomen moeten worden opdat de beoogde ontwikkeling kan worden gerealiseerd.
Figuur 1 globale ligging en begrenzing plangebied
P03221 Landschappelijke inpassing Zonnepark Oirlo-Leunen Gemeente Venray 3
Beleidskaders Op de locatie zijn verschillende beleidsregimes van toepassing. Hieronder is beknopt weergegeven welke relevant zijn voor het planvoornemen en welke kaders sturend zijn voor de ontwikkeling. Provinciaal Omgevingsvisie/verordening Limburg 2014 Vanuit het kaartbeeld ‘zonering’ gelden meerdere aanduidingen voor het plangebied. De gronden waar realisatie van de zonnepanelen is beoogd zijn gedeeltelijk aangewezen als: Buitengebied en Bronsgroene landschapszone grenzend aan Goudgroene natuurzone. De zone ‘Buitengebied’ betreft alle gronden in het landelijk gebied, die niet zijn aangewezen als landschaps- of natuurzone. Deze zone heeft als voornaamste doelstelling om milieubelasting vanuit landbouw terug te dringen. De ‘Bronsgroene landschapszone’ concentreert zich in en rond beekdalen en langs steilere hellingen in het Limburgse landschap. Voor deze zone geldt dat ontwikkeling mogelijk is mits het bijdraagt aan behoud, beheer, ontwikkeling of beleving van de landschappelijke kernkwaliteiten.
Figuur 2 uitsnede Omgevingsvisie Limburg 2014
Landschapskader Noord- en Midden Limburg In 2009 heeft de Provincie Limburg voor de regio’s Noord en Midden een landschapskader opgesteld, waarin de verschillende landschappen en de ruimtelijke kwaliteiten hiervan beschreven worden. Met het landschapskader wordt richting gegeven aan de landschappelijke inpassing van ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied ligt grotendeels op de overgang van droge heide-ontginningen naar beekdal. Enkel het noordelijkste deel is aangeduid als natte heide-ontginningen en de naastgelegen bospercelen als bos in mozaïeklandschap. Per type landschap zijn verschillende ontwikkelingsrichtlijnen opgesteld waarmee men rekening dient te houden: Beekdal: - Beekdal als herkenbare structuur (kamertjes-, bos- of open daltype) - Ruimte voor grasland, water en (agrarische) natuur - Bebouwing binnen beekdal dient te worden beperkt
P03221 Landschappelijke inpassing Zonnepark Oirlo-Leunen Gemeente Venray 4
Droge heide-ontginningen - Versterken raamwerk - Binnenruimte multifunctioneel - Ruimte voor optimaal agrarisch ruimtegebruik
Figuur 3 uitsnede Landschapskader Noord- en Midden Limburg - Kaart 4 kwaliteitskaart landschap
Gemeentelijk Kader voor opwekking duurzame energie (KODE) Met KODE zet de gemeente Venray uiteen hoe invulling te geven aan de wijze waarop realisatie van zonne-energie mogelijk is. Hierin staat voorop: een goede balans tussen de ruimtelijke kaders en maatschappelijke doelen. Het Kode onderscheid hierin vier pijlers die vertaalt zijn naar vier doelen waaraan initiatieven worden getoetst. Daarnaast zijn per doel uitgangspunten geformuleerd waaronder de volgende relevant voor de landschappelijke inpassing: Pijler: Ruimte Doel: zuinig en zorgvuldig gebruik van de ruimte. De gemeente Venray volgt nadrukkelijk de landelijke zonneladder. Omdat veldopstellingen nodig zijn om aan de opgave te voldoen is gekozen twee gebieden te onderscheiden waar ontwikkeling mogelijk is: oude en jonge ontginningen. Voor deze gebieden is aangegeven wat maximaal is toegestaan qua schaalgrootte, totale omvang en inpassingscriteria.
Figuur 4 uitsnede Zonnekaart, overzicht van mogelijkheden
P03221 Landschappelijke inpassing Zonnepark Oirlo-Leunen Gemeente Venray 5
Het plangebied maakt deel uit van het oude-ontginningslandschap, hier geldt een ‘ja mits’ voorwaarde en zijn de volgende ruimtelijke uitgangspunten opgesteld: - de minimaal (bruto)maat is 2 ha, de maximaal maat is 25 ha; - ten behoeve van enige spreiding liggen zonneparken groter dan 5 ha minimaal 1.000 meter verwijderd van elkaar; - er is sprake van landschappelijke inpassing. Pijler: Locatie Doel: esthetica, inpassing, verbetering kwaliteit en ecologie Het eerste uitgangspunt bij deze pijler is het stellen van kwalitatieve ontwerpprincipes en eisen. Landschappelijke inpassing is een eis; de mate waarin is bepalend voor de aanvaardbaarheid en draagkracht van een gebied. Ten aanzien van de landschappelijke inpassing zijn ontwerpprincipes opgesteld, deze maken onderscheid tussen het niveau van het landschap, de kavel en het object. Naast voorgaande wordt gevraagd om het plangebied te monitoren in termen van biodiversiteit. Middels een (uniform in opzet) 0-meting van : - bodemgesteldheid; - organisch stofgehalte; - bodemleven en bodemstructuur; - biodiversiteit. Zodat de verwachte positieve effecten inzichtelijk gemaakt worden. Vigerend bestemmingsplan Op basis van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Venray 2010’ maakt de locatie deel uit van de enkelbestemming ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch met waarden’.
Daarnaast rust op de westflank de dubbelbestemming ‘Waarde – Beekdal’ en centraal gedeeltelijk ‘Waarden – Archeologie – 2’. Parallel aan de A73 doorkruist de gebiedsaanduiding ‘Vrijwaringszone – weg – 2’ het plangebied. Zowel de enkelbestemming ‘Verkeer’ in de zuidoostelijke hoek als de enkelbestemming ‘Water’ met ‘Beschermingszone watergang’ maken geen onderdeel uit van de projectlocatie. Het voorliggende planvoornemen betreft de realisatie van een zonneweide, ten behoeve van het opwekken van zonne-energie. Ontwikkeling van het initiatief op aangewezen gronden dient gepaard te gaan met behoud en herstel van landschappelijke, cultuurhistorische en aardkundige waarden.
P03221 Landschappelijke inpassing Zonnepark Oirlo-Leunen Gemeente Venray 6
Gebiedskarakteristieken Om de beoogde ontwikkeling goed te kunnen verankeren in het landschap is hieronder beknopt beschreven hoe de omgeving van de planlocatie is opgebouwd en wat de belangrijkste kenmerken en kwaliteiten zijn vanuit bodem, ecologie en landschap. Deze gebiedskarakteristieken vormen uiteindelijk de uitgangspunten voor de ruimtelijke inpassing van het plan. Het plangebied ligt Geomorfologisch gezien op het snijvlak van een relatief laaggelegen beekdalbodem naar een vrij vlak en laaggelegen dekzandrug. Deze loopt ter hoogte van de kruising Locht/ Beemdweg uit in een glooiing van beekdalzijde. De bodem bestaat grotendeels uit een veldpodzolgronden (leemarm en zwak lemig fijn zand) en gaat richting het beekdal over in gooreerdgronden (lemig fijn zand) met een grondwatertrap V (GHG <40 – GLG 120). Zoals hiervoor vermeld grenst en kruist het plangebied een aantal type cultuurlandschap. Op basis van het natuurlijk fundament, ruimte/ massa, gebruik en patroon in de tijd verbeeld het Landschapskader Noord- en Midden Limburg verschillen in landschapstype. Onderstaande uitsnede maakt inzichtelijk dat het hoofdzakelijk gaat om Beekdal en Droge heide-ontginningen gronden in de context van mozaïek bospercelen.
Dit gebied vindt zijn oorsprong door de groei van bevolking in de 19e eeuw en een tekort aan beschikbare meststoffen, hierdoor was intensiveren van de bestaande landbouwgebieden geen optie. In de eerste helft van 1900 worden al verbeterde ontwateringstechnieken en kunstmest toegepast, hierdoor konden ook de voorheen ongeschikte woeste gronden geschikt worden gemaakt voor landbouwkundig gebruik. Dit resulteerde in de grootschalige droge en natte heideontginningen met grote rechtlijnige verkaveling en wegenstructuur. Met name na de tweede wereldoorlog werden de ontginningen in versneld tempo doorgezet met behulp van de modernste technieken. Tegelijk vonden op reeds ontgonnen landbouwgebieden ruilverkavelingen plaats, waarbij ook de minder rationeel verkavelde gebieden opnieuw volgens de moderne maatstaven werden ingericht. Eventueel nog aanwezige lokale verschillen in de bodem werden zoveel mogelijk opgeheven (diepploegen, ophogen, ontwateren e.d.). Door de ruilverkavelingen, de verbeterde ontwateringstechnieken en de kunstmest konden de bestaande gronden intensiever worden gebruikt. Veel van het oorspronkelijke kleinschalige en gevarieerde cultuurlandschap is door het intensievere gebruik steeds meer een éénvormig, open landschap geworden.
Een trend waarvan we in de laatste 10-20 jaar een ommekeer zien, het oppervlak natuurlandschap breid uit doordat cultuurland wordt omgezet in natuur.
P03221 Landschappelijke inpassing Zonnepark Oirlo-Leunen Gemeente Venray 7
Ecologische betekenis Gekeken naar de omgeving van het plangebied komen hier grofweg de volgende natuurwaarden in voor: - Naar het oosten toe de bospercelen die grenzen aan het plangebied. Deze zijn in de Omgevingsverordening Limburg 2014 aangeduid als Goudgroene Natuurzone; - Naar het westen toe sluit het projectgebied aan bij natuurontwikkelingsgebied de Leunse Paes (beekdal Oostrumse Beek). - Over een aanzienlijk, voornamelijk noordelijk, deel rust de aanduiding Bronsgroene landschapszone, eveneens uit de Omgevingsverordening Limburg 2014. Door de relatieve rust en de vele overgangen tussen bos en de open, grazige vegetaties, herbergt met name het bos- en mozaïeklandschap veel natuurwaarden. De vele verschillende landschapselementen op korte afstand van elkaar bieden vele soorten planten en dieren de gelegenheid zich te voeden, te verplaatsen, te schuilen en zich voort te planten. Door de huidige natuurwaarden vallen vele bossen binnen de ecologische hoofdstructuur (EHS). Naar het oosten toe maakt het plangebied de overgang naar een (N16.03) voormalig droog productiebos, anders dan het ten zuiden gelegen (N15.02) dennen-, eiken- en beukenbos. De Beemdweg gaat richting het westen over in de Leunse Paes, een vrij toegankelijk gebied bestaande uit moerasbos, poelen, vennen, natte graslanden en droog bos.
Naast een scala aan watervogels, waaronder de grote zilverreiger, komt hier ook de bever voor. Ter plaatse van het plangebied zelf laat een nadere inventarisatie van soortgroepen uit de Nationale Databank Flora en Fauna zien dat in de afgelopen 3 jaar enkele unieke dagvlinders als bruin dikkopje, bruin zandoogje, groot koolwitje, landkaartje waargenomen zijn. Daarnaast wordt het plangebied sporadisch gebruikt door enkele akker- en weidevogels als de blauwborst, geelgors, kievit en vink.
Figuur 5 Vink (Fringilla coelebs) bron: Natuurpunt
Figuur 6 De geelgors (Emberiza citrinella) bron: Natuurpunt
Figuur 7 De blauwborst (Luscinia svecica) bron: Natuurpunt
Figuur 8 Groot koolwitje (Pieris Brassicae) bron: Vlinderstichting
Figuur 9 Bruin zandoogje (Maniola Jurtina) bron: Vlinderstichting
Figuur 10 Bruin dikkopje (Erynnis tages) bron: Vlinderstichting
P03221 Landschappelijke inpassing Zonnepark Oirlo-Leunen Gemeente Venray 8
Onderstaande uitsneden van (historische) kaarten duiden de ontwikkeling en waarden in de nabijheid van het plangebied zien.
Figuur 11 Bodemkaart: Geel; veldpodzolgronden, Donkergroen; gooreerdgronden (bron: Atlas Limburg)
Figuur 12 Kaart natuurbeheerplan (bron: Atlas Limburg)
Figuur 13 situatie anno 1800 (bron: Topotijdreis)
Figuur 14 situatie anno 1900 (bron Topotijdreis)
Figuur 15 situatie anno 1925 (bron Topotijdreis)
Figuur 16 situatie anno 1950 (bron Topotijdreis)
P03221 Landschappelijke inpassing Zonnepark Oirlo-Leunen Gemeente Venray 9
Figuur 17 situatie anno 1975 (bron Topotijdreis)
Figuur 18 situatie anno 2019 (bron Topotijdreis)
Kaders Beschikbaarheid: Solarfields heeft overeenkomsten voor het gebruik van de gronden met de grondeigenaar afgesloten. Schaal: ca. 24,6 hectare, passend in het landschap en cf. draagkracht oude-ontginningen3 Bij de totstandkoming van de landschappelijke inpassing worden de volgende ruimtelijke voorwaarden meegenomen: Ruimtelijke voorwaarden landschappelijke schaal - Vooraf is een zorgvuldige locatiekeuze gemaakt waarin gekeken is naar frequentie van functies in directe omgeving en de aanwezigheid van mogelijk andere zonneparken; - Het zonnepark sluit aan bij de aanwezige dragende ruimtelijke en historische structuren; - De opzet beslaat bruto ca. 24,6 ha. Daarmee passend qua maat en schaal en binnen dit type landschap acceptabel en gedragen; Ruimtelijke voorwaarden kavel niveau - De opzet volgt de verkavelingsrichting; - Landschappelijke inpassing voorziet in een robuuste randzone, waarbij uitsluitend inheems plantmateriaal gebruikt wordt; - Recreatief medegebruik is mogelijk; Ruimtelijke voorwaarden object niveau - Hekwerk faunavriendelijk, sober en in een donkere kleurstelling uitgevoerd; (te plaatsen langs binnenzijde inpassing en dus uit het zicht) - Transformatoren e.d. binnenplans opnemen, geordend gepositioneerd in een enkele rij volgend aan de opstelrichting panelen.