03 Ruimtelijke onderbouwing Maasheseweg 59
Tekst van het document
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Nieuwbouw duurzame energiezuinige, aan de leefsituatie aanpasbare woning Maasheseweg 59 5804 AA te Venray
datum: 6 juni 2020 gew. 27 september 2020 01 februari 2021
INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK 1 INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel van de ruimtelijke onderbouwing 1.2 Ligging plangebied 1.3 Voorgaande plannen 1.4 Leeswijzer HOOFDSTUK 2 ANALYSE VAN HET PLANGEBIED EN PLANBESCHRIJVING 2.1 Analyse van het plangebied e.o. 2.2 Bouwproject HOOFDSTUK 3 BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Regionaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid HOOFDSTUK 4 MILIEU-PLANOLOGISCHE ASPECTEN EN ONDERZOEKEN 4.1 Geluidhinder 4.2 Bodem 4.3 Luchtkwaliteit 4.4 Geur 4.5 Bedrijven en milieuzonering 4.6 Externe veiligheid 4.7 Niet Gesprongen Explosieven (NGE) 4.8 Ecologie 4.9 Cultuurhistorie en archeologie 4.10 Verkeer en parkeren HOOFDSTUK 5 WATERPARAGRAAF 5.1 Waterbeleid 5.2 Geohydrologie en infiltratiewaarden 5.3 Waterhuishoudkundige situatie plangebied 5.4 Overleg Waterschap HOOFDSTUK 6 JURIDISCHE VORMGEVING 6.1 Algemeen HOOFDSTUK 7 UITVOERBAARHEID 7.1 Economische uitvoerbaarheid 7.2 Handhaving 7.3 Procedure en maatschappelijke uitvoerbaarheid
HOOFDSTUK 1 INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel van de ruimtelijke onderbouwing De heer en mevrouw Rouwette, woonachtig aan de Maasheseweg 57A, 5804 AA te Venray (gemeente Venray), zijn eigenaren van het perceel Maasheseweg 59, 5804 AA te Venray (hierna ook te noemen: de initiatiefnemers resp. het plangebied). Initiatiefnemers zijn voornemens de bestaande kavel op de locatie Maasheseweg 59, 5804 AA te Venray te bebouwen met een duurzame, energiezuinige, aan de leefsituatie aanpasbare woning. Met een aan de leefsituatie aanpasbare woning wordt in dit geval bedoeld een woning welke in de huidige levensfase als gezin met jonge en opgroeiende kinderen bewoond kan worden, maar welke ook tot in de verre toekomst met geringe bouwkundige aanpassingen (het verlagen van een raam in de achtergevel, omzetten van de bijkeuken tot minder validen slaapkamer en inbouwen van een mindervaliden badkamer in de huidige berging) op eenvoudige wijze rolstoel toegankelijk te maken is waardoor deze tot op hoge leeftijd als seniorenwoning door de initiatiefnemers bewoond kan worden. Bij brief van 10 oktober 2019 hebben de inititatiefnemers een verzoek tot principe-medewerking ingediend bij de gemeente Venray voor het bouwen van een woning aan de Maasheseweg te Venray kadastraal Venray, sectie T nr. 6720 (hierna ook te noemen: het project).
Op 14 oktober 2019 (kenmerk: HZ-VO-2019-0049) heeft de gemeente Venray aangegeven dat voor de locatie een bouwmogelijkheid is opgenomen. De woning dient te voldoen aan het bestemmingsplan "Venray" (vastgesteld op 19 september 2017).Voor het realiseren van het initiatief dient een aanvraag om omgevingsvergunning te worden ingediend. Met de aanvraag wordt één extra woning binnen het bouwvlak toegevoegd waardoor het maximaal aantal binnen het bouwvlak op te richten woningen overschreden wordt. Beleidsmatig en stedenbouwkundig is het toevoegen van een duurzame, energiezuinige, aanpasbare woning op deze locatie denkbaar. Binnen de kaders van dat bestemmingsplan kan geen rechtstreekse medewerking worden verleend aan de bouw van een extra woning; medewerking is echter mogelijk met een uitgebreide omgevingsvergunning. Hiertoe dient een procedure als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wabo te worden gevolgd waarbij de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. De voorliggende ruimtelijke onderbouwing ‘Maasheseweg 59, 5804 AA Venray’ voorziet in een adequate planologisch-juridische toelichting ten behoeve van de woningbouw op deze locatie.
1.2 Ligging plangebied Het plangebied van het onderhavige bestemmingsplan is gelegen binnen het bestaande stedelijk gebied van de kern Venray, aan de noordoostkant van het centrum aan een oude uitlegger van de hoofdstructuur van Venray richting Maashees. Zie voor de ligging de onderstaande afbeeldingen. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Venray, sectie T. nr. 6720 en plaatselijk bekend als Maasheseweg 59, 5804 AA te Venray. Het plangebied heeft een omvang van circa 810 m² .
De kadastrale situatie gemeente venray sectie t nr. 6720 is op de afbeelding hiernaast weergegeven.
1.3 Voorgaande plannen Voor het plangebied vigeert het volgende bestemmingsplan: Venray - enkelbestemming: Wonen vastgesteld 19 september 2017 dat voor de locatie de volgende planregels bevat: 19.2.2 Regels voor hoofdgebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; b per bouwvlak is maximaal één woning toegestaan, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden', het aangeduide aantal woningen/wooneenheden is toegestaan; c woningsplitsing is niet toegestaan; d vrijstaande, geschakelde, twee-aaneengebouwde, aaneengebouwde woningen en patiowoningen zijn overal toegestaan, met dien verstande dat: 1 ter plaatse van de aanduiding ‘gestapeld’ uitsluitend gestapelde woningen zijn toegestaan; 2 ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' uitsluitend vrijstaande woningen zijn toegestaan; 3 ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - patiowoning' uitsluitend patiowoningen zijn toegestaan;
4 ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd uitgesloten' geen aaneengebouwde woningen zijn toegestaan; e de goothoogte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' is aangegeven; f de bouwhoogte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven; g elke woning dient te worden afgedekt met een dak, waarvan de dakhelling ten minste 0° en ten hoogste 65° bedraagt; h de voorgevel van een hoofdgebouw dient in of ten hoogste 3 meter achter de voorgevelrooilijn te worden gebouwd.
Indien voor een bouwperceel twee voorgevelrooilijnen zijn bepaald dient zowel de voor- als zijgevel in of ten hoogste 3 meter achter deze lijn te worden gebouwd; i de voorgevelbreedte per hoofdgebouw mag maximaal 12 meter bedragen; j de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt: 1 bij vrijstaande woningen minimaal 3 meter aan beide zijden; 2 bij twee-aaneengebouwde woningen minimaal 3 meter aan één zijde; 3 bij eindwoningen van aaneengebouwde woningen minimaal 1 meter aan één zijde, met dien verstande dat indien de woning grenst aan de bestemming 'Groen' in de perceelsgrens gebouwd mag worden; k de maximale diepte van het hoofdgebouw bedraagt 12 meter, met dien verstande dat voor patiowoningen de maximale diepte 20 meter bedraagt en voor vrijstaande woningen de maximale diepte 15 meter bedraagt, tenzij ter plaatse de aanduiding 'vrijstaand' is aangegeven. In dat geval bedraagt de maximale diepte 20 meter; l het bepaalde onder k. is niet van toepassing op gestapelde woningbouw.
19.2.3 Regels voor bijgebouwen: Voor het bouwen van bijgebouwen gelden de volgende regels: a voor het bouwen van bijgebouwen bij vrijstaande-, twee-aaneengebouwde- en aaneengebouwde woningen, gelden de volgende bepalingen: 1 bijgebouwen mogen uitsluitend op het achtererf worden gebouwd, met dien verstande dat: – bij vrijstaande woningen aan één zijde minimaal 7 meter aan opstelruimte ten behoeve van parkeren vrij blijft; – ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' bijgebouwen mogen worden opgericht met een oppervlakte van maximaal 20 m2 en een bouwhoogte van maximaal 3 meter; 2 ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' dient één zijerf vrij te zijn van bijgebouwen; 3 tegen de achtergevel van het hoofdgebouw mag/mogen (een) bijgebouw(en) worden gebouw over de volledige breedte van die achtergevel, met een diepte van maximaal 4 meter. De oppervlakte hiervan telt niet mee bij de berekening van de oppervlakte als bedoeld onder 4 en 5; 4 bijgebouwen zijn toegestaan met een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 50 m².
De oppervlakte van carports en de oppervlakte van bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' blijft bij de berekening van die oppervlakte buiten beschouwing; 5 de gezamenlijke oppervlakte als bedoeld onder 4 mag worden verhoogd tot maximaal 70 m2, mits het achtererf, ook na de bouw van bijgebouwen als bedoeld onder 4 en carports, voor niet meer dan 40% wordt bebouwd; 6 de goothoogte van bijgebouwen mag niet hoger zijn dan: – Voor aangebouwde bijgebouwen: 0,3 meter boven de vloer van de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw, of -als het hoofdgebouw geen tweede bouwlaag heeft- even hoog als het hoofdgebouw met een maximum van 3 meter; – Voor vrijstaande bijgebouwen 3 meter. 7 de bouwhoogte van bijgebouwen mag maximaal 5 meter bedragen; 8 aangebouwde bijgebouwen dienen plat te worden afgedekt indien de bijbehorende woning plat is afgedekt; 9 bijgebouwen dienen met de dichtstbijzijnde gevel binnen een afstand van 15 meter van de achter- en/of zijgevels van de woning te worden gebouwd.
b in afwijking van het bepaalde in lid a onder 1 mogen worden gebouwd: 1 bijgebouwen in hoeksituaties op het naar openbaar gebied gekeerde zijerf, met dien verstande dat: – de totale bebouwde oppervlakte maximaal 30 m2 mag bedragen; – slechts aan het hoofdgebouw aangebouwde bijgebouwen zijn toegestaan, met een breedte van maximaal 4 meter; 2 carports, zowel op het voorerf als het achtererf, met dien verstande dat: – de oppervlakte tot maximaal 30 m² mag bedragen; – de bouwhoogte maximaal 3 meter mag bedragen;
– de carport met minimaal één zijde of een deel daarvan tegen de zijgevel van het hoofdgebouw of tegen een voor- of zijgevel van een bijgebouw wordt gebouwd; de carport maximaal 2,5 meter voor de voorgevelrooilijn mag worden gebouwd; 3 ondergeschikte bouwdelen op het voorerf, met dien verstande dat: – de diepte maximaal 1,2 meter bedraagt; – de breedte maximaal 50% bedraagt van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw; – de hoogte maximaal 3 meter bedraagt. c bij patiowoningen zijn geen bijgebouwen toegestaan. Het project betreft het binnen de bestemming wonen oprichten van een vrijstaande duurzame, energiezuinige, aan de leefsituatie aanpasbare woning. Het hoofdgebouw met een bouwdiepte van 9,7 meter wordt om een subtiele overgang in de verspringende voorgevelrooilijnen van de naastgelegen woningen te creëren binnen het bouwvlak op 2,3 meter achter de voorgevelrooilijn opgericht. De hoofdmassa kent teneinde een betere aansluiting met de bestaande bebouwing te realiseren een goothoogte van 5 meter (toegestaan 6 meter) en wordt afgedekt met een dak met een dakhelling van 45°.
Het aangebouwde bijgebouw heeft na aftrek van de oppervlakte als vernoemd onder artikel 19.2.3 onder a sub 3 een oppervlakte van 50 m² en een goothoogte van 3,1 (toegestaan 0,3 meter boven de vloer van de tweede bouwlaag) waarmee de woning inclusief het aangebouwde bijgebouw aan de bouwregels van het vigerende bestemmingsplan Venray voldoet. Binnen het bouwvlak is het maximaal aantal woningen gerealiseerd; het bestemmingsplan kent verder geen afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden om de bouw van een nieuwe woning toe te staan. Medewerking aan het beoogde woningbouwplan kan verleend worden door middel van een uitgebreide omgevingsvergunning.
1.4 Leeswijzer De plantoelichting bestaat uit de volgende delen. Na deze inleiding volgt hoofdstuk 2 met een analyse van het plangebied en een beschrijving van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling (het plan). In hoofdstuk 3 wordt het plan getoetst aan het relevante rijks-, provinciale - en gemeentelijke beleid. Hoofdstuk 4 bevat een expliciete toetsing van het plan aan alle relevante milieu-planologische aspecten. De gevolgen voor de waterhuishouding (waterparagraaf) zijn beschreven in hoofdstuk 5. De juridische vormgeving van het plan wordt behandeld in hoofdstuk 6. Hoofdstuk 7 behandelt de economische uitvoerbaarheid van dit plan, de handhavingsaspecten en beschrijft de gevolgde procedure.
HOOFDSTUK 2 ANALYSE VAN HET PLANGEBIED EN PLANBESCHRIJVING 2.1 Analyse van het plangebied e.o. 2.1.1 Korte historische schets Van oorsprong is het bouwlandencomplex van Venray in het westen en noorden begrensd door bossen, stuifduinen en heidevelden. In het zuidoosten liggen de bouwlanden tegen het beekdal van de Oostrumsebeek. Venray bestaat rond 1850 uit twee bebouwde wegen, linten, met een sterke noord-zuid oriëntatie. Daar waar beide linten elkaar bijna raken, is sprake van een zekere centrumvorming. Rond het dorp, over de akkers ligt een enigszins verdicht, grillig wegenpatroon. De eerste vormen van verstedelijking tekenen zich af rond 1915. Pal langs Oostrum wordt de spoorlijn aangelegd. Door de aanwezigheid van een station bij Oostrum neemt de betekenis van de landweg tussen Oostrum en Venray toe. Buiten Venray worden twee psychiatrische instituten gesitueerd: Sint Anna ten noorden van Venray in het bos en Sint Servatius centraal op het bouwlandencomplex ten oosten van Venray. De verbindingen naar het westen (de peel) nemen langzaam in betekenis toe, zonder dat dit al te sterke gevolgen heeft voor de uitbreidingsrichting van het dorp. De echte verstedelijking van Venray begint rond 1965 zichtbaar te worden. De contour van het verstedelijkte gebied wordt vooral bepaald door de West- en Oostsingel.
Beide singels bestaan uit een combinatie van “opgewaardeerde” landwegen en nieuwe tracés. Binnen de singels komen de planmatig ontwikkelde gebieden tot stand die op het kaartbeeld aan het stratenpatroon herkend kunnen worden. De industriële ontwikkeling van Venray wordt in gang gezet met het ten noorden van de kern gesitueerde bedrijventerrein Smakterheide. De opkomst van het moderne verkeer is verder afleesbaar aan de ontwikkeling van de infrastructuur. De oorspronkelijke twee noord-zuid gerichte linten vormen niet langer de functionele hoofdverkeerstructuur. Alleen de Maasheseweg en de Leunseweg zijn nog onderdeel van de hoofdstructuur. Opmerkelijk is de toegenomen betekenis van de oost-west verbindingen. De huidige Noordsingel/Beekweg en de Deurneseweg zorgen voor verbindingen met Brabant. Daarbij doorsnijdt de Deurneseweg het bebouwingslint tussen Leunen en Veltum.
Beschrijving plangebied e.o. De Maasheseweg deel uitmakend van de hoofdverkeersstructuur van Venray met daarlangs lintbebouwing is reeds herkenbaar op kaarten van Venray uit 1850. Het plangebied is gelegen aan de Maasheseweg. Aan de west- en noord- en zuidzijde wordt het begrenst door tuinen. De aan de oostzijde gelegen Maasheseweg ligt (zoals eerder aangegeven) ten noordoosten van het centrum van Venray en is in de loop der jaren van een belangrijke verbindingsweg richting Maashees, Boxmeer, Gennep en Nijmegen en het in de jaren 50 en 60 ontwikkelde bedrijventerrein "Smakterheide" getransformeerd tot een in een rustige woonwijk gelegen woonstraat. Anders dan een fiets- voetgangers verbinding is er geen doorgaande verbinding met het centrum/ de binnenring. Het perceel is momenteel in gebruik als tuin bij de woning Maasheseweg 57A, 5804 AA Venray.
2.1.2 Ruimtelijke structuren en functies Ruimtelijke hoofdstructuur In de Tweede Wereldoorlog is een groot deel van het centrum verwoest of beschadigd. Na de oorlog ontwikkelt Venray zich tot een stad met een binnenring en buitenwijken. De singels zijn grotendeels wel aangelegd maar pas in de 80-er jaren is met de aanleg van de Zuidsingel de buitenring afgerond tot een sluitend verkeerssysteem. Deze verkeersring doorkruist op regelmatige afstand de historische radialen die vanuit het centrum naar de omliggende dorpen lopen. Ten aanzien van de oriëntatie op de singels is het opvallend dat de bebouwing aan de centrumzijde (binnenkant) sterk is georiënteerd op de singels. Duidelijke wanden aan de singels wisselen af met delen die een transparant karakter hebben. Langs de singels is er een globale bebouwingshoogte van 2 tot 4 lagen. Verkeersstructuur Als de ontwikkeling van de singelstructuur in kaart gebracht wordt, blijkt duidelijk dat langs de linten de ontwikkeling van Venray in gang is gezet en dat de singelstructuur in de loop der tijd daar min of meer een resultante van is. Er is een aaneenrijging ontstaan van verschillende ruimten die verbonden blijken te zijn door de verkeerskundige singelstructuur (buitenring). De historische linten herbergen dan ook heel andere kwaliteiten en potenties dan de singels. De hoofdfunctie van de singels is het afwikkelen van het verkeer.
In verkeerstermen wordt gesproken over de buitenring, welke als hoofdontsluitingsweg voor heel Venray functioneert, en op haar beurt aantakt op het provinciale en landelijke wegennet. Het centrum (de binnenring) en de aanliggende wijken worden bereikt over de ontsluitingswegen die op de buitenring aansluiten. Hiervoor wordt een groot aantal historische linten gebruikt. Tevens sluiten direct op de buitenring verschillende erftoegangswegen aan. Het beleid is er op gericht om een optimale doorstroom te garanderen op de buitenring. Het merendeel van deze directe aansluitingen is dan ook afgesloten voor gemotoriseerd verkeer. De meeste kruisingen van de buitenring met de erftoegangswegen zijn gerealiseerd in de vorm van rotondes. Er wordt een profiel gebruikt van een enkelbaans weg met twee (gescheiden) rijstroken met vrij liggende fietspaden. Groenstructuur De hoofdlijnen van het gemeentelijke groenbeleid zijn vastgelegd in het Groenstructuurplan. Venray wordt gekenmerkt door het groene karakter dat vanuit het buitengebied het centrum binnendringt. Aan elke singel ligt een groot groengebied, elk met een eigen karakter. Het parkachtige Sint Servaasterrein (Oostsingel) is omsloten door woongebieden. Het Sint Annaterrein en het Sint Servaasterrein kenmerken zich doordat de parken zijn aangelegd voor haar specifieke functie en dateren van het begin van 1900.
Het groene karakter van de singels wordt ook gekenmerkt door het brede wegprofiel met de bomenrijen, hagen en grasstroken. Veel bebouwing heeft groene voor- of achtertuinen grenzend aan de singel. Tevens ligt aan de singels strokenbouwing haaks op de singel waartussen het groen zich afspeelt. Functies In functionele zin is het plangebied en haar omgeving te kwalificeren als een woongebied aan de noordelijke rand van het centrum van Venray. Tevens liggen er in de omgeving enkele bedrijven. 2.1.3 Feitelijke staat van het plangebied Het plangebied is een woonperceel en feitelijk in gebruik als tuin bij de woning Maasheseweg 57A, 5804 AA te Venray. De lintbebouwing langs dit deel van de Maasheseweg wordt aan de westzijde gevormd door een fijnkorrelige aaneenschakeling van vrijstaande en twee onder een kapwoningen met wisselende goothoogten variërend van 3 ot 6 meter en wisselende kaprichtingen; aan de oostzijde van de Maasheseweg komen ter plaatse van het plangebied ook rijtjeswoningen voor. Ter plaatse van het plangebied verspringt de rooilijn en bevindt zich een onderbreking in de lintbebouwing. Binnen het vigerende bestemmingsplan Venray is op de locatie reeds een doorlopend bouwvlak aanwezig.
De nieuw te bouwen duurzame, energiezuinige en aan de leefsituatie aanpasbare woning zal worden gesitueerd in de tuin van de bestaande woning waar zich thans nog een ten behoeve van het bouwplan te amoveren open overkapping bevindt welke momenteel als overdekt terras/ opslag in gebruik is .
Hieronder een afbeelding die aangeeft wat de staat van het huidige plangebied is ter hoogte van de bestaande woning c.q. de realisering van de nieuw te bouwen duurzame, energiezuinige en aan de leefsituatie aanpasbare woning.
2.2 Bouwproject Het plan behelst realisatie van een nieuwe duurzame, energiezuinige en aan de leefsituatie aanpasbare woning in het als zijtuin bij de woning Maasheseweg 57A, 5804 AA in gebruik zijnde perceel. De nieuwe woning zal met de voorgevel georiënteerd zijn op de Maasheseweg. De toegang alsmede de achteringang naar de woning worden aan de noord-oostzijde gerealiseerd waar ook de oprit met parkeerruimte voor twee auto's is gesitueerd. Specifiek aan het ontwerp van deze woning is dat het pand zal worden uitgevoerd met een sterke nadruk op duurzaamheid, energiezuinigheid en levensloopbestendigheid. Dat zal worden vormgegeven door het feit dat: er gasloos gebouwd wordt; zonnepanelen worden toegepast voor de elektriciteitsvoorziening; (aard)warmtepomp wordt toegepast voor verwarming; levensloopbestendig gebruik mogelijk wordt gemaakt door de specifieke indeling van het gebouw met de mogelijkheid op termijn zonder aantasting van de hoofdstructuur van de woning alle primaire woonfuncties gelijkvloers te realiseren door een deel van de garage berging ten behoeve van slaap en badkamer in te zetten. De beoogde woning betreft dus een kwalitatieve toevoeging aan de woningvoorraad van Venray. Hierdoor is het initiatief volkshuisvestelijk gezien zeer wenselijk. Daarmee is de beleidsregel ‘Kavel voor Kavel’ niet van toepassing.
In stedenbouwkundige en architectonische zin reageert de nieuw te bouwen duurzame, energiezuinige en aan de leefsituatie aanpasbare woning, die qua hoofdmasa gesitueerd wordt binnen het reeds aanwezige bestaande bouwblok in de tuin van de bestaande woning op de reeds aanwezige bebouwing aan weerszijden van het plangebied. Door de hoofdmassa van de woning binnen de in het bestemmingsplan opgenomen planregels terugliggend te plaatsen wordt een logische overgang gecreëerd in de verspringing van de rooijlijnen tussen huisnummer 57a en 59a en de onderbreking in de lintbebouwing gedicht. Qua maat en schaal sluit de nieuw te bouwen woning aan bij de reeds aanwezige bebouwing; de kaprichting haaks op de weg versterkt hierbij het karakter van de vrijstaande woning zonder in architectonische zin te concurreren met de bescheiden architectuur van de naastgelegen twee onder een kap woning Maasheseweg 57/57A.
Bouwkundige vormgeving en architectuur Nevenstaande afbeelding bevat de beoogde inrichting van het perceel. Op een bouwperceel van circa 810 m² wordt een nieuwe duurzame, energiezuinige en aan de leefsituatie aanpasbare woning met een oppervlakte van 161 m² gerealiseerd .
Plattegronden
Gevels en doorsneden 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Structuurvisie infrastructuur en ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De SVIR is het kader dat de (nieuwe) ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 benoemt. Een van de kernbegrippen in de Structuurvisie is decentralisatie. Dit kabinet wil beslissingen over ruimtelijke ontwikkelingen dichter bij burgers en bedrijven brengen en provincies en gemeenten letterlijk de ruimte geven om maatwerk te leveren voor regionale opgaven. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om oplossingen te creëren. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en
richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de belangen voor Nederland als geheel, zoals de hoofdnetwerken voor personen- en goederenvervoer (waaronder buisleidingen), energie en natuur, alsook ondergrond en ruimte voor militaire activiteiten. Ook waterveiligheid en milieukwaliteit (lucht, geluid, bodem, water en externe veiligheid) horen daarbij, evenals de bescherming van ons werelderfgoed (zoals de Waddenzee en de Nieuwe Hollandse Waterlinie). Verstedelijkings-, landschaps- en bedrijventerreinenbeleid laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Het onderhavige bouwplan heeft geen betrekking op deze nationale belangen. 3.1.2 Ladder voor Duurzame Verstedelijking De 'ladder voor duurzame verstedelijking' is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd. Vanaf 1 juli 2017 moeten ruimtelijke plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken worden getoetst aan de nieuwe Ladder Duurzame Verstedelijking. De grondslag voor de nieuwe Ladder-toets is het nieuwe artikel 3.1.6 lid 2 Bro.
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt dat in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden.
Indien niet meer dan 11 woningen binnen een bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, is er volgende de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geen sprake van de ruimtelijke ontwikkeling van een woningbouwlocatie of een andere stedelijke voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i van het Bro (zie uitspraak ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921 (dorpskern Annen)). Dit bouwplan voorziet in de realisatie van één extra woning. Het betreft hier een duurzame, energiezuinige en aan de leefsituatie aanpasbare woning. Een toets van dit bouwplan c.q. de aanvraag om omgevingsvergunning aan de Ladder duurzame verstedelijking is dan ook niet noodzakelijk. 3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) voorheen ook genoemd: AMvB Ruimte) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden. Het Barro bevat alle ruimtelijke rijksbelangen uit de eerder uitgebrachte planologische kernbeslissingen (PKB's) en geeft middels regels en plankaarten (juridisch) de mogelijkheid om de rijksbelangen veel directer door te laten werken in de ruimtelijke plannen van andere overheden.
De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische Hoofdstructuur (EHS), nationale landschappen, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied. Het plan heeft geen betrekking op een van de genoemde rijksbelangen. In het gebied is verder ook geen sprake van een gebiedsreservering voor de lange termijn. 3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 Het POL 2014 heeft vier wettelijke functies: structuurvisie (Wet ruimtelijke ordening), provinciaal milieubeleidsplan (Wet milieubeheer), regionaal waterplan (Waterwet), provinciaal verkeer- en vervoersplan (Planwet verkeer en vervoer). In het POL 2014 formuleert de provincie een aantal zogenoemde 'Limburgse principes' welke de komende jaren richtinggevend zijn voor de ruimtelijke ontwikkeling van Limburg. Belangrijke principes in dit nieuwe omgevingsbeleid zijn: Kwaliteit. Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto 'meer stad, meer land', het bieden van ruimte voor verweving
van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien. Algemene principes voor duurzame verstedelijking. De ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen. Uitnodigen. De manier waarop de provincie samen met de partners het voortreffelijke leef- en vestigingsklimaat willen realiseren. Met instrumenten op maat en ruimte om te experimenteren. De provincie wil hierbij selectief zijn: het POL richt zich alleen op die zaken die er op provinciaal niveau echt toe doen en vragen om regionale oplossingen. Voor wat betreft het besluitgebied geeft het POL 2014 aan dat de omgeving getypeerd kan worden als 'overig bebouwd gebied'. Het betreft gemengde woon/werkgebieden met voorzieningen, deels met een stedelijk karakter, deels met een dorps karakter. Transformatie naar woningbouw dient samen te gaan met kwaliteitsverbetering, herstructurering en waar nodig sloop. Dynamisch voorraadbeheer betekent ook dat er slechts ruimte is voor nieuwe toevoegingen aan de voorraad als deze echt kwaliteit toevoegen en samengaan met het schrappen van slechte voorraad. Noord-Limburg kenmerkt zich door een aantrekkelijk woon- en leefklimaat. Er dient een transformatie van de bestaande woningvoorraad plaats te vinden, aangezien er nauwelijks bevolkingsgroei meer is.
Daarbij zal primair worden gekozen voor inbreiding, aanpassing en functieverandering en slechts voor een beperkte uitbreiding in de nabijheid van kleine kernen. Uitbreiding via uitleggebieden is nog slechts in uitzonderlijke gevallen mogelijk, met als uitgangspunt bouwen voor eigen behoefte.
Het project behelst de realisatie van een nieuwe - architectonische hoogwaardige en duurzame – vrijstaande duurzame energiezuinige aan de leefsituatie aanpasbare woning binnen een bestaand stedelijk (woon) gebied. Dit is in overeenstemming met de beleidsdoelstellingen voor dit gebied. 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 De Omgevingsverordening Limburg 2011 was een samenvoeging van de Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening. In 2014 is de Omgevingsverordening opnieuw gewijzigd, vanwege de vaststelling van POL 2014, waarin is bepaald dat er een nieuw hoofdstuk Ruimte aan de Omgevingsverordening wordt toegevoegd. Dat hoofdstuk Ruimte is gericht op de doorwerking van het ruimtelijke beleid van POL 2014 naar gemeentelijke ruimtelijke plannen. Het hoofdstuk Ruimte heeft twee kenmerkende verschillen met de andere onderdelen van de Verordening: Het hoofdstuk bevat geen gedragsvoorschriften die gelden voor iedereen, maar uitsluitend instructiebepalingen die zijn gericht tot gemeentebesturen. Elders in de Omgevingsverordening wordt zeer incidenteel gebruik gemaakt van deze methodiek, maar het hoofdstuk Ruimte kent geen andere bepalingen dan opdrachten aan gemeentebesturen, die door de besturen in acht moeten worden genomen bij het vaststellen van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen.
Het tweede verschil met de overige onderdelen van de Omgevingsverordening is dat de Wet ruimtelijke ordening slechts zeer beperkte mogelijkheden biedt om ontheffing te verlenen van een bepaling uit het hoofdstuk Ruimte. Reikwijdte
verordening Artikel 2.2.2 van de Omgevingsverordening eist van het bevoegd gezag dat in een ruimtelijk plan waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, toepassing wordt gegeven aan de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. De toelichting bij het ruimtelijk plan bevat een verantwoording over de wijze waarop invulling is gegeven aan deze eis. Artikel 2.4.2 van de Omgevingsverordening stelt verder dat een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg niet voorziet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. Het betreft hier een zodanig kleinschalige ontwikkeling dat deze niet valt onder de definitie 'nieuwe stedelijke ontwikkeling ' zoals bedoeld in artikel 2.2.1 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 en artikel 1.1.1 onder i, jo. artikel 3.1.6 lid 2 van het Bro. Hierdoor is de toepassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking in het kader van dit plan niet aan de orde. 3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Woonvisie Noord – Limburg 2020 - 2024 Met de op 22 september 2020 door de gemeente Venray vastgestelde Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 wordt richting gegeven aan het woonbeleid voor de komende 4 jaar.
Het is de 2e visie die door de 8 Noord-Limburgse gemeenten in gezamenlijkheid is opgesteld. In deze visie wordt nadrukkelijk de link tussen de (toekomstige) bevolkingssamenstelling en de bestaande woningvoorraad gelegd. Hierbij gaat het zeker niet alleen om aantallen, maar ook om de bevolkingssamenstelling. Uit sterkte- zwakte analyse van de woningvoorraad, blijkt dat met name aandacht moet uitgaan naar de bestaande voorraad. Ook zijn allerlei trends en ontwikkelingen die de context waarbinnen wordt gewerkt, beïnvloeden en de druk op de leefbaarheid vergroten zoals de energietransitie en de vergaande extramuralisering van de zorg. Mismatch woningbehoefte en woningvoorraad: Het gaat hierbij om zowel de bestaande woningvoorraad, als nieuwbouw. Er wordt geconstateerd dat de samenstelling van onze bevolking verandert. Men wordt ouder en er is een grote toename van het aantal 1-persoonshuishoudens. Dit brengt een andere woonvraag met zich mee. Deze vraag sluit maar deels aan op wat we in de bestaande voorraad hebben. De opgave ligt dan ook bij het aanpassen van de bestaande voorraad. De nieuwbouw die wordt toegevoegd dient toegespitst te worden op de toekomstige woningbehoefte. Hierbij wordt nog meer dan voorheen gekeken naar de kwalitatieve vraag en het bevorderen van de doorstroming op de regionale woningmarkt.
Bij nieuwbouw is de kwalitatieve toets daarom leidend en in mindere mate de kwantitatieve toets. Zoektocht om alle doelgroepen een plek te geven binnen onze woningmarkt: In onze regio komen verschillende doelgroepen nadrukkelijker naar voren. Die moeten allemaal een plek krijgen binnen onze woningmarkt en maatschappij. Denk hierbij aan zorgdoelgroepen (vanuit beschermd wonen naar de reguliere woningmarkt) en internationale werknemers die zich hier voor langere tijd willen vestigen. Voor een deel zijn bijzondere doelgroepen afhankelijk van de sociale huursector. De druk op dit segment lijkt dan ook toe te nemen. Niet alleen qua aantallen, maar juist door een concentratie van mensen die door allerlei oorzaken hun weg maar moeilijk kunnen vinden in onze maatschappij. Dit brengt druk op de leefbaarheid met zich mee. 3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Strategische visie Venray 2020 en Venray, stad in de Peel (2025) In de Strategische visie 2020 uit 2009, wordt een toekomstvisie geformuleerd waarin een antwoord wordt gegeven op de vraag waar de gemeente Venray in het jaar 2020 wil staan. Met de visie op de gewenste toekomstrichting kan de gemeente Venray effectief sturing geven aan het proces van beleidsontwikkeling en prioritering. De doelstellingen en speerpunten voor het beleid in de komende jaren zijn gebundeld in een aantal strategische thema's.
De identiteit van Venray is gebaseerd op in het verleden opgebouwde pijlers. Venray zet niet meer in op groei maar op versterking van de kwaliteit van leven (quality of life). Men onderscheidt daarin: Venray is het tweede stedelijke centrum van de regio Noord Limburg. Venray heeft zorg in de genen. Venray is een levendige gemeente. Venray is een aantrekkelijke woongemeente. Venray heeft een gezonde economie gebaseerd op de historisch gegroeide pijlers zorg, agribusiness, industrie & logistiek en toerisme & recreatie. Met de nota 'Venray, stad in de Peel (2025)' is deze visie geactualiseerd. Veel in de huidige visie van Venray (Strategische visie Venray 2020, 2009) is nog altijd relevant, waardevol en heeft bovendien veel draagvlak. Het gaat met deze aanvullende nota meer om kennis te nemen van trends, ontwikkelingen en uitdagingen die op de gemeente afkomen.
3.4.2 Ontwikkelingsperspectief Venray 2015 Het door de gemeente Venray opgestelde Ontwikkelingsperspectief 2015 beoogt de verbindende schakel te vormen tussen het strategisch beleid zoals verwoord in de strategische visie en het tactisch beleid zoals opgesteld in verschillende Dorp- en Wijkontwikkelingsplannen. In het document is derhalve een uitvoeringsstrategie opgenomen die de gemeente Venray wil hanteren bij de verdere uitwerking en uitvoering van deze nota. In het kader van dit project zijn de volgende doelstellingen van belang: 1. De waterhuishoudkundige aspecten worden op evenwichtige wijze meegenomen bij de ontwikkeling van ruimtelijke plannen en projecten; 2. Duurzaamheidsaspecten zullen in een vroegtijdig stadium worden meegenomen bij plannen en projecten; 3. Voor woningbouw op nieuwe locaties, maar ook bij inbreiding en herstructurering van de bestaande wijken, wordt ingezet op een zo groot mogelijke differentiatie van woningtypen, prijsklassen en life-styles; 4. Zowel in de ruimtelijke inrichting als in de sociaal-economische structuur, streeft Venray er naar om zowel dorp als stad te zijn. Het onderhavige woningbouwplan wordt ontwikkeld met in acht name van deze beleidsuitspraken. 3.4.3 Woonvisie Venray 2017 De gemeenteraad heeft op 16 mei 2017 de Woonvisie Venray 2017 vastgesteld.
De visie heeft de focus op de rol van het wonen in de algehele ambitie om Venray sterker en aantrekkelijker te maken. Uit de verrichte onderzoeken is gebleken dat in Limburg, dat wordt aangeduid als een anticipeergebied, er tegen de stroom in nog 3 plaatsen zijn die groeien; één daarvan is de gemeente Venray. Met deze woonvisie wil de gemeente zorgen dat Venray zich ook op langere termijn positief ontwikkelt. De focus ligt op het beantwoorden van de groeiende vraag naar woningen in Venray voor de komende jaren. Om de verwachte groei te kunnen opvangen, zijn woningen nodig om de nieuwe wens van de woonconsument te kunnen vervullen: een wat kleinere woning, gebruiksvriendelijk en duurzaam. Deze woningen staan er al voor een groot deel, maar omdat de huishoudenssamenstelling verandert, is het nodig om de bestaande voorraad aan te passen. Daarmee wil de gemeente tegelijkertijd de differentiatie in de bestaande voorraad vergroten. Ook toevoegingen zullen moeten bijdragen aan de differentiatie, waardoor er een betere balans komt in de woningvoorraad. Daarmee wil de gemeente de waarde van de bestaande voorraad in stand houden en tegelijkertijd de kwaliteit van de bestaande voorraad verbeteren. Planovercapaciteit Dit begrip houdt in, dat er meer plannen zijn dan nodig. De gemeente werkt eraan, om de overcapaciteit te verminderen.
Toch wil men dat niet al te rigoureus doen, omdat er ruimte nodig blijft om de voorziene groei van Venray te kunnen opvangen. Het komt er dan op aan, dat we waar nodig én mogelijk de overcapaciteit omzetten naar plannen, die een bijzondere bijdrage leveren aan Venray. Beleidsmatige inzet voor nieuwbouw een gedifferentieerd aanbod aan woningtypes en woonmilieus, aansluitend bij de kwantitatieve én kwalitatieve behoefte meer levensloopbestendige en duurzame woningen het verder terugbrengen van het overschot aan woningbouwplannen, waaraan geen behoefte meer is, om zodoende ruimte te creëren voor goede, nieuwe plannen. Aan de hand van het (regionaal) afwegingskader woningbouw worden alle bestaande plannen tegen het licht gehouden en zal een herprogrammeringsvoorstel worden opgesteld nieuwe plannen worden beoordeeld aan de hand van het afwegingskader, waarbij we voorrang geven aan hergebruik van leegstaand cq. vrijkomend (maatschappelijk) vastgoed. Het plan past binnen de Woonvisie Venray 2017 omdat het plan voorziet in de bouw van een woning binnen een zeer specifiek segment in de woningmarkt van Venray. Het betreft hier namelijk een duurzame, energiezuinige en aan de leefsituatie aanpasbare woning. Er is binnen de woningmarkt in Venray een speciale doelgroep van (oudere) woonconsumenten die op zoek is naar dergelijke (vrijstaande) woningen.
Er zijn nog steeds te weinig woningen in dit specifieke segment van de Venrayse woningmarkt. 3.4.5 Verkeers- en vervoersbeleid Het verkeers- en vervoersplan (Gemeente Venray (maart 2007), Venray's Verkeers- en vervoersplan. Venray) is in maart 2007 vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Venray en recentelijk geactualiseerd. Met het verkeers- en vervoersplan worden een viertal doelstellingen nagestreefd: een voortzetting van het "Duurzaam Veilig" -beleid; het mogelijk maken en ondersteunen van ruimtelijke ontwikkelingen door de bereikbaarheid te verbeteren; het bijdragen aan het verbeteren van de situatie voor de leefbaarheid, het welzijn, de economie en het milieu; het verbeteren van de verkeersveiligheid voor alle, maar vooral de kwetsbare verkeersdeelnemers. Conform de principes van "Duurzaam Veilig" kan het
wegennet worden opgedeeld in drie functies, te weten stroomwegen, gebiedsontsluitingswegen en erftoegangswegen. In de Visie Wegenstructuur en Wegcategorisering, welke een aanvulling vormt op het Verkeers- en vervoersplan, onderscheidt de gemeente Venray daarbij nog een specifiek type gebiedsontsluitingsweg, te weten de wijkontsluitingsweg. De Maasheseweg is een erftoegangsweg. Een erftoegangsweg is bedoeld voor directe toegang naar particuliere erven, met een menging van verkeerssoorten, een toegestane snelheid van 30km/h binnen de bebouwde kom, een groot aandeel verkeer met herkomst en/of bestemming in de en directe omgeving van de weg en een weginrichting plus omgeving geheel gericht op verblijven. De situering van de woning aan een erftoegangsweg past binnen het verkeers- en vervoersbeleid. HOOFDSTUK 4 MILIEU-PLANOLOGISCHE ASPECTEN EN ONDERZOEKEN 4.1 Geluidhinder De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen) en geluidsgevoelige terreinen (onder meer woonwagenstandplaatsen). Uit art. 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen voorzien zijn van een geluidzone, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt.
De zonebreedte is afhankelijk van het gebied (stedelijk of buitenstedelijk) en het aantal rijstroken. Binnen de zones moet een akoestisch onderzoek worden verricht. De voorkeursgrenswaarde voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen bedraagt in die zone op de buitengevel 48 dB (art. 82 lid 1 Wgh). Er geldt verder een maximale ontheffingswaarde binnen buitenstedelijk gebied van 53 dB (artikel 83 lid 1 Wgh). Het plangebied ligt binnen een gebied waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt en buiten de geluidszone van 200 meter (binnenstedelijk gebied) behorende bij de Nieuwe Maasheseweg. Op basis van de Wgh zijn er geen belemmeringen voor het bouwplan. 4.2 Bodem In het kader van het onderhavige plan wordt binnen het plangebied een nieuwe bodemgevoelige functie toegelaten in de vorm van een grondgebonden woning. Voordat door middel van dit bestemmingsplan deze nieuwe functie mogelijk wordt gemaakt zal er inzicht moeten zijn of de bodem- en grondwaterkwaliteit een dergelijke bebouwing en gebruik ook mogelijk maken. M&A Bodem & Asbest BV. heeft een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd conform NEN 5740 m.b.t. het plangebied. Op basis van het verkennend bodemonderzoek en de terreininspectie kan gesteld worden dat er milieuhygiënisch géén belemmeringen bestaan voor de voorgenomen bouwplannen binnen het plangebied.
De onderzoeksresultaten geven géén aanleiding voor verder bodemonderzoek dan wel een bodemonderzoek op analytische grondslag. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar het rapport dat als bijlage 2 integraal onderdeel uitmaakt van deze plantoelichting. 4.3 Luchtkwaliteit Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) heeft tot doel het beschermen van mensen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op de gezondheid. Hierbij is het van belang een onderscheid te maken tussen het: 1. realiseren van een bron (bijvoorbeeld inrichting of weg); 2. realiseren van een nieuwe gevoelige functie. Bij het realiseren van een nieuwe bron moet in beeld gebracht worden of deze ontwikkeling leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit, tenzij de ontwikkeling NIBM (Niet In Betekende Mate) is of onder het NSL valt. Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) Dit is een Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 31 oktober 2007, nr. DJZ2007004707, houdende regels omtrent de aanwijzing van categorieën van gevallen die in ieder geval
niet in betekenende mate bijdragen als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer (Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)). Voor woningbouw geldt dat woningbouwprojecten van netto niet meer dan 1500 woningen (in geval van één ontsluitingsweg) niet in betekende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit (art. 4 lid 1 Besluit NIBM jo. art. 4 lid 2, bijlage 3B.2 Regeling NIBM). Het onderhavige plan voorziet slechts in de bouw van één nieuwe woning. Het plan is te kleinschalig om in betekende mate bij te dragen aan een verandering/verslechtering van de luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. 4.4 Geur Voor het toetsen van een aanvaardbaar woon- en/of leefklimaat ter plaatse van het plangebied en om te voorkomen dat agrarische bedrijven in hun ontwikkeling belemmerd worden, is het bepaalde in de Wet geurhinder en veehouderij van belang. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Buiten de bebouwde kom geldt een vaste afstand van 50 meter tot een emissiepunt van een veehouderij en 25 meter afstand tot de gevel van een stal van een veehouderij. Aan deze afstanden wordt voldaan.
De gemeenteraad van de gemeente Venray heeft een Verordening geurhinder en veehouderij vastgesteld. In deze verordening wijkt de gemeente Venray deels af van de wettelijke normen uit de Wgv. De geurverordening van de gemeente Venray stelt de volgende normen: 1. Bestaande woongebieden 3,0 ouE/m3 2. Zoekgebieden woningbouw en bedrijventerreinen 8,0 ouE/m3 3. Buitengebied 14,0 ouE/m3 De normstelling is onderbouwd in de Gebiedsvisie geurhinder en veehouderij. In de ‘Aanvulling op de Gebiedsvisie, geurhinder en veehouderij gemeente Venray. Aanvaardbaar woon- en leefklimaat’ is verder voor het buitengebied een maximale achtergrondbelasting van 20 ouE/m³ opgenomen. Een matig woon en leefklimaat (tot 20% geurgehinderden) wordt aanvaardbaar geacht. Bij de beoordeling of het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van het plangebied acceptabel is, dient de geurbelasting veroorzaakt door de individuele bedrijven (voorgrondbelasting) en de geurbelasting op het plangebied veroorzaakt door alle veehouderijen samen (achtergrondbelasting) in beeld te worden gebracht. Beoordeeld moet worden of de belasting acceptabel is. Voorgrondbelasting Ter plaatse van het onderhavige plangebied geld er conform de Geurverordening een geurnorm van 3 ouE/m3 . Uit de meest recente geurhinderkaarten (14 november 2018) van de gemeente Venray blijkt dat – m.b.t.
de voorgrondgeurbelastingen - er geen enkele 3, 8 en 14 ouE/m3 - geurcontouren van andere intensieve veehouderijen over het plangebied liggen.
Achtergrondbelasting Uit de geurhinderkaart achtergrondbelasting 2018 van de gemeente Venray blijkt dat de huidige achtergrondbelasting op het plangebied kan worden gekwalificeerd als een 'zeer goed' leefklimaat. Dit komt overeen met een geurbelasting van (0-3 ouE/m3). In de ‘Aanvulling op de Gebiedsvisie,
geurhinder en veehouderij gemeente Venray’ is aangegeven dat tot 20.0 ouE/m3 nog sprake is van een aanvaardbaar woon-en leefklimaat. 4.5 Bedrijven en milieuzonering Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing op milieuhygiënische aspecten wordt milieuzonering gehanteerd. Hieronder wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies of gebieden. Om deze milieuzonering hanteerbaar te maken wordt gebruik gemaakt van de Staat van bedrijfsactiviteiten zoals die is opgenomen in de VNG Handreiking 'Bedrijven en milieuzonering', van maart 2009. Bedrijven en Milieuzonering; Staat van bedrijfsactiviteiten De VNG Handreiking is ingedeeld in een zestal categorieën met toenemende potentiële milieuemissies. Per bedrijfsactiviteit is voor elk ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven die in beginsel moet worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden.
Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: - het betreft 'gemiddelde' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; de richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstype 'rustige woonwijk’, 'rustig buitengebied' of vergelijkbare omgevingstypen; de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten. het betreft 'gemiddelde' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; - de richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstype 'rustige woonwijk’, 'rustig buitengebied' of vergelijkbare omgevingstypen; - de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten. De grootste afstand van de milieucomponenten vormt de indicatie voor de aan te houden afstand van de bedrijfsactiviteit tot een milieugevoelig object. Elk bedrijf c.q. bedrijfsactiviteit wordt in een bepaalde milieucategorie ingedeeld.
De milieucategorie is direct afgeleid van de grootste afstand: - categorie 1: grootste afstand 10 meter; - categorie 2: grootste afstand 30 meter; - categorie 3.1: grootste afstand 50 meter; - categorie 3.2: grootste afstand 100 meter; - categorie 4.1: grootste afstand 200 meter; - categorie 4.2: grootste afstand 300 meter; - categorie 5.1: grootste afstand 500 meter; - categorie 5.2: grootste afstand 700 meter; - categorie 5.3: grootste afstand 1.000 meter; - categorie 6: grootste afstand 1.500 meter. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kortere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype 'gemengd gebied', dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. In zo'n geval is het ruimtelijk aanvaardbaar dat de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd. Invloed milieuhinder op het plangebied In de omgeving van het plangebied zijn geen potentieel milieubelastende functies - zoals niet-agrarische bedrijven, of horeca - aanwezig. Het plangebied maakt deel uit van een rustige woonwijk. Binnen de bestemming ‘Wonen’ - die geldt voor alle woningen in deze woonwijk - zijn alleen beroepen aan huis en bedrijven aan huis toegestaan.
Het betreft hier activiteiten die naar aard, omvang en invloed zodanig zijn dat deze in een woning en bijgebouwen kunnen worden uitgeoefend waarbij de woonfunctie in overwegende mate wordt gehandhaafd. Dergelijke lichte en kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten zijn dus qua ruimtelijke gevolgen en milieubelasting aanvaardbaar binnen een woonwijk. Er behoeft derhalve redelijkerwijs niet gevreesd te worden dat door de milieu-invloed van deze activiteiten een goed woon- en leefklimaat in de woning niet gegarandeerd kan worden. 4.6 Externe veiligheid Het wettelijk kader voor risicovolle bedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), voor het transport van gevaarlijke stoffen is het vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het Nederlandse externe veiligheidsbeleid is gebaseerd op twee elementen: een harde norm in de vorm van het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde in de vorm van het groepsrisico (GR). De norm voor het plaatsgebonden risico bedraagt één op de miljoen (10-6 ) per jaar, ofwel 1 op de miljoen blootgestelde personen. Het hanteren van een norm voor het plaatsgebonden risico biedt een basisveiligheidsniveau voor de individuele burger in de omgeving van een risicovolle activiteit.
Voor nieuwe situaties geldt deze norm als grenswaarde.
Dat wil zeggen dat kwetsbare objecten buiten de 10-6 contour moeten zijn gelegen. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de plaatsgebonden risico-contour ook, maar daar geldt de contour alleen als richtwaarde. Het groepsrisico gaat over de impact van een calamiteit met veel dodelijke slachtoffers tegelijk. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied (1 % letaliteitgrens) gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbare aantal personen, de oriënterende waarde. Dit is een richtwaarde waarvan het bevoegd gezag, voldoende gemotiveerd, kan afwijken. 4.6.1 Bedrijven en transport gevaarlijke stoffen Binnen dit plan wordt een woonbestemming gerealiseerd. Het betreft hier een beperkt kwetsbaar object in de zin van artikel 1 Bevi. Volgens de Risicokaart Limburg zijn er binnen een straal van ruim 500 meter om het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting is gelegen aan de Raadhuisstraat 30 (Van Gerven Tankstation met LPG vulpunten) met een PR 10-6 contour van 15 meter. Het plangebied ligt op ca. 500 meter van deze inrichting. De dichtstbijzijnde weg waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt is de A73.
Overeenkomstig het Bevt (artikel 8, lid 1) en de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART (paragraaf 2.1)) hoeven geen beperkingen aan het ruimtegebruik van een plan te worden gesteld in het gebied dat op meer dan 200 meter van een route of tracé ligt. Indien de risicobron op meer dan 200 meter afstand van het plangebied is gelegen, hoeft geen berekening plaats te vinden van de ligging van de plaatsgebonden risicocontouren of de (toename van) de hoogte van het groepsrisico. Een (beperkte) verantwoordingsplicht voor de hoogte van het groepsrisico is wel aan de orde indien een plangebied zich bevindt binnen het invloedsgebied van een risicobron. Het invloedsgebied wordt bepaald door de 1% letaliteitsafstand van bepaalde stofcategorieën die getransporteerd worden. In de HART zijn per stofcategorie en per modaliteit vaste afstanden opgenomen voor de begrenzing van het invloedsgebied. Voor de stofcategorieën LF1 en LF2 is dit een invloedsgebied van maximaal 45 meter, voor de stofcategorieën LT2 en GF3 bedraagt het invloedsgebied maximaal 880 meter resp. 355 meter. Het plangebied ligt op ruim 1.300 meter van de A73. Het plangebied is gelegen buiten het invloedsgebied van de A73 er behoeft derhalve geen verantwoording van het groepsrisico opgenomen te worden.
Risicokaart met risicovolle inrichtingen en buisleidingen 4.6.2 Ondergrondse buisleidingen Een buisleiding die wordt gebruikt voor transport van gevaarlijke stoffen, vormt een risico voor de veiligheid. Als de leiding gaat lekken, kunnen de gevaarlijke stoffen vrijkomen en ontstaat er een kans op een explosie, vergiftiging van mensen of dieren of verontreiniging van het milieu. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zoals dit vanaf 1 januari 2011 geldt, staan veiligheidseisen voor
de exploitant en de gemeente. Exploitanten hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn. Gemeenten moeten buisleidingen in hun bestemmingsplannen opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen. Op basis van de Risicokaart Limburg en het vigerende bestemmingsplan blijkt dat er binnen het plangebied en in de omgeving van het plangebied geen ondergrondse olie- of gasbuisleidingen zijn gelegen die van invloed zijn op het plan. 4.6.3 Hoogspanningsleidingen Zonering rond het bovengrondse hoogspanningsnet in Nederland is vastgelegd in de Netkaart van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De Netkaart bevat o.a. gegevens over de netbeheerder en de breedte van de indicatieve zones. Op basis van de informatie van o.a. de Netkaart blijkt dat er geen hoogspanningslijnen in de directe nabijheid van het plangebied liggen die van invloed zijn op het plan. 4.7 Niet Gesprongen Explosieven (NGE) Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers), granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Ook in Venray hebben delen van het gemeentelijke grondgebied in de Tweede Wereldoorlog onder vuur gelegen.
Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het besluitgebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven (NGE). Met behulp van het explosievenonderzoek worden de aanwezigheid en risico’s van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht. De gemeente Venray adviseert bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detectieonderzoek uit te (laten) voeren. 4.8 Ecologie Natuur en landschap Het plangebied is gelegen binnen stedelijk gebied. Het maakt geen onderdeel uit van het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen Ecologische HoofdStructuur (EHS)), Natura 2000-gebieden of beschermde natuurmonumenten. Het plangebied zelf heeft geen bijzondere natuurwaarden. Stikstof De bescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming. In zowel de Habitatals de Vogelrichtlijn zijn de gebieden opgenomen welke als Natura 2000-gebied worden aangemerkt. Ten behoeve van de instandhouding van de natuurgebieden dienen negatieve effecten te worden uitgesloten, waardoor onder andere onderzoek plaats dient te vinden naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Na de uitspraak van de Raad van State (d.d. 29 mei 2019) mag het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer als basis voor toestemming voor activiteiten die stikstof uitstoten worden gebruikt.
Daarom moet per activiteit duidelijk worden gemaakt dat beschermde natuurgebieden daardoor niet worden aangetast. Het beoogde project mag geen negatieve effecten veroorzaken op de omliggende Natura 2000-gebieden. Het plangebied is gelegen op ca. 1,75 km afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Boschhuizerbergen). Vanwege deze ruime afstand en vanwege de kleinschaligheid van het plan (beperkte verkeersaantrekkende werking tijdens zowel de aanlegfase als de gebruiksfase van 1 woning), kan er redelijkerwijs vanuit gegaan worden dat dit plan niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied. Bijgevoegde aeriusberekening toont dit ook aan. Flora en fauna Op de site van de Provincie Limburg (www.natuurgegevensprovincielimburg.nl) zijn de actuele natuurgegevens (flora en avifauna) van de provincie Limburg ontsloten . Uit deze gegevens blijkt dat op de locatie geen rode lijst soorten of aandachtsoorten voorkomen. Gezien het huidige gebruik van de locatie en de te amoveren open overkapping (ongeschikt als verblijfsplaats voor o.a. vleermuizen) is het de verwachting dat er alleen algemene soorten planten en dieren aanwezig zijn. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud.
Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. In het gebied kunnen vleermuizen aanwezig zijn. Het betreft dan alleen vleermuizen die hier kunnen foerageren. Ook na realisering van de extra woning kunnen vleermuizen hier foerageren en zullen er mogelijk nieuwe plekken voor kraamkolonies ontstaan. Verder kunnen algemene soorten zoals een veldmuis, mol, konijn en egel van het gebied gebruik blijven maken. Overigens kunnen al deze dieren ook in tuinen leven, waardoor de ingreep (op termijn) zelfs positief zal zijn. Gezien het gebruik van het gebied en het ontbreken van geschikte wateren is dit gebied niet geschikt voor amfibieën of reptielen. Gelet op het ontbreken van beschermde soorten planten en broedvogels op de bouwlocatie vindt er geen verstoring