CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

03 Onderzoeksrapport rekenkamer - Intergemeentelijke samenwerkingsverbanden

Gemeenteraad 15 februari 2022, gemeente VenrayBij agendapunt: Rekenkamerrapport intergemeentelijke samenwerkingsverbanden.15.577 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

2.3 /

Samenwerking bedrijfsvoering met Horst aan de Maas

Korte omschrijving en doelstelling samenwerkingsverband Begin 2021 is de gemeente Venray een gemeenschappelijke regeling (GR) ‘zonder meer’ op het gebied van informatievoorziening/WOZ, financiën, HRM en KCC/burgerzaken aangegaan met de gemeente Horst aan de Maas. Het college deed hiervoor op 9 februari 2021 een voorstel aan de gemeenteraad, die toestemming gaf voor het aangaan van de GR.19 De samenwerking zal na anderhalf jaar, dus medio 2022, worden geëvalueerd (zie ook het kopje ‘monitoring en evaluatie’). Op het gebied van bedrijfsvoering werkten beide gemeenten al in belangrijke mate samen. Zo kenden de beide gemeenten vóór het aangaan van de GR al een gezamenlijke ICT-infrastructuur, een gezamenlijk digitaal HR-systeem (aanbesteed), een gezamenlijke medewerker salarisadministratie en een gezamenlijke privacy officer. Daarvoor werd in dit verband samengewerkt met de gemeente Venlo. Het college van Venlo trok zich in februari 2019 echter uit deze samenwerking terug.20 Sinds 2016 al werd de raad per informatiebrief op de hoogte gehouden over het voornemen om tot een samenwerking op de genoemde gebieden te komen. Hieruit blijkt dat aanvankelijk de bedoeling was dat Venlo ook

16

Overlegstatuut Werkplein Venray-Venlo, geen datering.

17 Evaluatie Werkplein Venray-Venlo, juli 2018. 18 Ibid., p. 4. 19 Raadsbesluit samenwerking bedrijfsvoering Venray en Horst aan de Maas, d.d. 9 februari 2021. 20 B en W adviesnota samenwerking bedrijfsvoering Venray en Horst aan de Maas, d.d. 26 oktober 2020.

27

betrokken zou zijn bij samenwerking op bedrijfsvoering, maar dat deze gemeente zich in 2019 ‘voorlopig’ terugtrok met als reden prioriteit te stellen aan de eigen financiële huishouding.21 Met de nieuwe GR wil men onder meer een gezamenlijke invulling van bepaalde specialistische functies realiseren, alsmede het (verder) harmoniseren van systemen voor KCC en burgerzaken, het werven en opleiden van personeel en het gezamenlijk aanbesteden en inrichten van financieel beheer.22 De reden dat een GR ‘zonder meer’ is aangegaan, is onder meer dat dit voorkomt dat de beide gemeenten belasting- en aanbestedingsplichtig zijn voor activiteiten die tegen betaling voor elkaar worden uitgevoerd.23 Als belangrijkste reden voor het aangaan van de GR (naast juridische vastlegging van de samenwerking) worden de voordelige effecten van een GR op het gebied van ‘de drie K’s’ genoemd: minder kwetsbaarheid, behoud of verbetering van kwaliteit en kostenbeheersing (minder meerkosten).

Met andere woorden: door middel van de GR wil men als gemeenten resistent zijn tegen kwetsbaarheden op het gebied van bijvoorbeeld specialistische functies; het vergroten van de kwaliteit van (onder meer) functioneel, informatie- en systeembeheer; en het delen in de kosten van specialistische kennis, investeringen en systeembeheer.24 Monitoring en evaluatie Afspraken over tussentijdse monitoring en evaluatie van het samenwerkingsverband zijn vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst. Hierin is onder meer opgenomen dat een stuurgroep richting zal geven aan de programma’s per vakdomein en hier een uitvoeringsprogramma voor zal opstellen. Driemaandelijks informeert de gemeentesecretaris de colleges over de tussentijdse resultaten en de werking van de samenwerking. De gemeenteraden worden per raadinformatiebrief door de colleges geïnformeerd. Evaluatie van de samenwerking vindt plaats na 1,5 jaar na 1 januari 2021, dus medio 2022. Bij deze evaluatie zullen bereikte resultaten van de samenwerking, de impact voor organisatie en personeel, de werking van de samenwerkingsvorm en de opbrengsten en kosten van de samenwerking aan bod komen. Op basis van de evaluatie zal een besluit worden genomen over de toekomstige samenwerkingsvorm.

Hoewel verderop in de overeenkomst de mogelijkheid van beëindiging van het verband wordt voorzien, wordt dit niet expliciet gekoppeld aan deze evaluatie.25 Ervaringen De samenwerking op bedrijfsvoering met Horst aan de Maas is onlangs van start gegaan. Daardoor kunnen tussentijdse ervaringen over het samenwerkingsverband niet worden meegenomen in dit onderzoek. Wel hebben wij in gesprekken met betrokkenen gesproken over het totstandkomingsproces van het samenwerkingsverband. Hieruit komen een aantal relevante aspecten naar voren over de manier waarop een samenwerkingsverband in Venray tot stand komt. /

/

/

/

21

Zoals hierboven reeds benoemd is er al langer sprake van een mogelijk samenwerkingsverband op het gebied van bedrijfsvoering tussen Venray en Horst aan de Maas. Gedurende 2020 kreeg deze mogelijkheid concreet vorm door middel van een businesscase. In november 2020 werd de raad op een aparte raadsavond over het voornemen tot samenwerking geïnformeerd. Uit gesprekken komt naar voren dat er tijdens deze bijeenkomst verwarring ontstond over het financiële aspect. Er werd benadrukt dat de samenwerking tot kostenreducering en kwaliteitsverbetering kán leiden, maar de raad had behoefte aan meer zekerheid. De raad wilde bijvoorbeeld graag specifiekere criteria zien op basis waarvan kon worden beoordeeld in hoeverre de samenwerking meerwaarde zou hebben. Na deze bijeenkomst heeft de raad aangegeven het aangaan van samenwerking nog niet besluitrijp te vinden. Vervolgens heeft een extra informatiesessie met de raden van Venray en Horst aan de Maas plaatsgevonden en is het onderwerp besproken tijdens een presidiumvergadering in december 2020. Uiteindelijk is de raad in februari 2021 akkoord gegaan met het aangaan van de samenwerking. Uit het gesprek met het presidium blijkt echter dat de raad nog steeds behoefte heeft aan meer zekerheid wat betreft dit samenwerkingsverband.

Feitelijk bestaat er geen mogelijkheid voor de raad om tussentijds bij te sturen of te vragen tussentijds met de samenwerking te stoppen indien de resultaten onvoldoende blijken. Daarbij vragen raadsleden zich af in

Raadsinformatiebrieven d.d. 25 mei 2016, 22 mei 2017, 28 februari 2019 en 29 oktober 2020.

22 Factsheet samenwerking Venray-Horst aan de Maas, 2020, p. 2. 23 Raadsvoorstel d.d. 15 december 2020. 24 Factsheet samenwerking Venray-Horst aan de Maas, 2020, p. 2. 25 Samenwerkingsovereenkomst Venray en Horst aan de Maas, d.d. 19 januari 2021.

28

hoeverre de samenwerking in 2022 goed zal kunnen worden geëvalueerd, aangezien er geen concrete evaluatiecriteria zijn opgesteld.

2.4 /

Het beëindigen van samenwerkingsverbanden

In de visie- en kaderstukken van de gemeente Venray op het gebied van intergemeentelijke samenwerking gaat voor een belangrijk deel aandacht uit naar de mogelijkheden voor het beëindigen van een samenwerkingsverband wanneer deze niet meer voldoet aan vooraf opgestelde doelen en de algemene uitgangspunten van intergemeentelijke samenwerking. De checklist uit de nota ‘vizier op samenwerking’ en het toetsingskader voor samenwerkingsverbanden geven hier brede kaders voor. Hierbij wordt echter niet specifiek uitgewerkt wat zogenaamde exit-strategieën bij intergemeentelijke samenwerking zouden kunnen zijn. Venray is hierin overigens niet uniek, andere gemeenten moeten ook vaak constateren dat het ontbreekt aan een duidelijk scenario voor situaties waarin een samenwerking niet (meer) aan de gestelde eisen voldoet. Hieronder geven wij weer in hoeverre er op de hierboven beschreven samenwerkingsverbanden afspraken zijn gemaakt over de mogelijkheden van het beëindigen van samenwerking. Samenwerking op het gebied van toezicht en handhaving In de bestudeerde documenten is geen informatie gevonden over mogelijke regels of clausules betreffende het beëindigen van de samenwerking. Wel bestaat volgens gesprekspartners het voornemen om de samenwerking binnen de gemeenschappelijke regeling met Horst aan de Maas en de samenwerkingsovereenkomst met Gennep stop te zetten.

Samenwerking Werkplein met Venlo In de samenwerkingsovereenkomst voor het Werkplein zijn de volgende artikelen opgenomen over mogelijke beëindiging van het samenwerkingsverband:26 1. 2. 3.

4.

Partijen treden in overleg indien één partij of beide partijen deze samenwerkingsovereenkomst willen beëindigen. Partijen maken gezamenlijk een plan om tot afwikkeling van deze samenwerkingsovereenkomst te komen en de daarbij te hanteren termijnen. Als de gemeente Venlo kosten moet maken die direct of indirect voortvloeien uit de beëindiging van de overeenkomst als gevolg van opzegging door de gemeente Venray, dan treden partijen met elkaar in overleg over de bepaling van de hoogte van de eventueel door de gemeente Venray te betalen vergoeding. Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, staat het partijen vrij deze zaak voor te leggen aan de bevoegde rechter of om gezamenlijk te kiezen voor een andere wijze van conflictbeslechting. Als de gemeente Venlo de overeenkomst beëindigt door opzegging treden partijen met elkaar in overleg over de bepaling van de hoogte van de eventueel door de gemeente Venlo te betalen vergoeding aan de gemeente Venray. Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, staat het partijen vrij deze zaak voor te leggen aan de bevoegde rechter of om gezamenlijk te kiezen voor een andere wijze van conflictbeslechting.

Samenwerking bedrijfsvoering met Horst aan de Maas In de samenwerkingsovereenkomst voor dit verband zijn de volgende artikelen opgenomen over mogelijke beëindiging:27 1.

Een deelnemende gemeente kan besluiten de samenwerking te beëindigen. Hiertoe is een besluit tot uittreding van haar college en toestemming nodig van haar gemeenteraad welke bekendgemaakt wordt aan de andere gemeente.

26 Samenwerkingsovereenkomst werk en inkomen Venlo-Venray, prestatiecontract samenwerking inkomen, d.d. 1 januari 2016. 27 Samenwerkingsovereenkomst Venray en Horst aan de Maas, d.d. 19 januari 2021.

29

2. 3.

4.

2.5 /

Het beëindigen van de samenwerking kan niet eerder plaatsvinden dan (na 1 jaar) volgend op de datum van bekendmaking van het hiervoor bedoelde uittredingsbesluit. Bij beëindiging van de samenwerking dienen beide gemeenten de gezamenlijk aangegane contractuele verplichtingen op in het kader van de op deze samenwerking betrekking hebbende werkvelden te respecteren. Bij beëindiging van de samenwerking worden de consequenties van de gedurende de samenwerking gedane substantiële investeringen en personele beslissingen door de gemeenten gezamenlijk in beeld gebracht. Op basis hiervan vindt overleg plaats en worden nadere afspraken gemaakt over de gevolgen van de uittreding.

Conclusie: beantwoording onderzoeksvragen 2 t/m 5 en 10

2. Welke intergemeentelijke samenwerkingsverbanden op het gebied van operationele taken is de gemeente Venray de afgelopen jaren aangegaan? De gemeente Venray kent een groot aantal intergemeentelijke samenwerkingsverbanden. Een complete lijst op basis van de laatste begroting van de gemeente Venray is opgenomen in de bijlage van de rapportage. In dit onderzoek is gefocust op vier samenwerkingsverbanden:    

Samenwerking vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) met Gennep Samenwerking VTH met Mook Werkplein Venlo-Venray De samenwerking op bedrijfsvoering met Horst aan de Maas

3. Wat waren de beoogde doelstellingen bij het aangaan van de samenwerkingen en in hoeverre zijn deze doelstellingen gerealiseerd? Voor elk bestudeerd samenwerkingsverband zijn vooraf (financiële) doelstellingen opgesteld, maar de mate waarin deze concreet en tijdsgebonden zijn geformuleerd wisselt. Over de realisatie van de doelstellingen wordt in het geval van de VTH-samenwerkingen periodiek gerapporteerd. Voor alle samenwerkingen geldt dat via de P&C-cyclus wordt gerapporteerd over de voortgang, maar niet altijd op het niveau van het behalen van doelstellingen. 4. Wordt de uitvoering van de samenwerkingsverbanden gemonitord en is een (tussen)evaluatie uitgevoerd?  

Op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving vindt monitoring plaats via een vaste beleidscyclus en over de jaarlijkse resultaten wordt steeds gerapporteerd in (cijfermatige) jaarrapportages. De monitoring van de resultaten van het Werkplein vindt voornamelijk plaats op ambtelijk en collegeniveau; informatie aan de raad wordt via de P&C-cyclus verstrekt. Raadsleden zijn in hun beleving pas relatief laat geïnformeerd over de resultaten van het Werkplein. In 2018 heeft een uitgebreide evaluatie van het Werkplein plaatsgevonden. De samenwerking op bedrijfsvoering met Horst aan de Maas zal medio 2022 worden geëvalueerd. Afspraken over tussentijdse monitoring en evaluatie van het samenwerkingsverband zijn vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst.

5. Op welke aspecten verliep de samenwerking goed en wat kon er beter? 

In gesprekken komt naar voren dat Venray door als hoofdleverancier van VTH-taken in de regio op te treden relatief de meeste risico’s draagt. Om meer gelijkwaardigheid in de onderlinge uitwisseling van diensten en producten te realiseren, worden de bestaande samenwerkingsverbanden ontbonden en wordt één nieuw samenwerkingsverband met alle vier gemeenten opgezet. Blijkens de evaluatie van het Werkplein in 2018 zijn onder meer de doelen behaald om een persoonlijke dienstverlening voor inwoners te realiseren en de taken op het gebied van werk en inkomen te beperken. Tegelijkertijd zijn een heel aantal doelen niet of slechts gedeeltelijk behaald. De wetswijziging met betrekking tot de Participatiewet leidde ertoe dat Venray de uitvoeringstaken op het gebied van werk en inkomen weer terug heeft gehaald. De samenwerking op bedrijfsvoering met Horst aan de Maas is onlangs van start gegaan. Daardoor kunnen tussentijdse ervaringen over het samenwerkingsverband niet worden meegenomen in dit onderzoek. Feitelijk bestaat er geen mogelijkheid voor de raad om tussentijds bij te sturen of te vragen tussentijds met

30

de samenwerking te stoppen indien de resultaten onvoldoende blijken. Daarbij vragen raadsleden zich af in hoeverre de samenwerking in 2022 goed zal kunnen worden geëvalueerd, aangezien er geen concrete evaluatiecriteria zijn opgesteld. 10. Welke ‘uitstapmogelijkheden’ bestaan er voor de gemeenteraad nadat intergemeentelijke samenwerkingen zijn aangegaan? In de nota vizier op samenwerking wordt net als in veel andere gemeenten niet specifiek uitgewerkt wat uitstapmogelijkheden bij samenwerkingen zouden kunnen zijn. Voor de samenwerkingen op het gebied van toezicht en handhaving geldt dat geen specifieke uitstapmogelijkheden zijn geformuleerd. Voor zowel de samenwerking met Venlo in het Werkplein als de samenwerking op bedrijfsvoering met Horst aan de Maas geldt dat er in de betreffende samenwerkingsovereenkomsten artikelen zijn opgenomen over het beëindigen van de overeenkomst.

31

3

De rol van de gemeenteraad

In dit hoofdstuk analyseren we de rol en positie van de gemeenteraad bij het aangaan en het functioneren van intergemeentelijke samenwerkingsverbanden. Onderzoeksvragen 6 t/m 9 worden hier beantwoord.

3.1 /

Grip op samenwerking

Grip op gemeentelijke samenwerking heeft drie verschillende aspecten. /

/ /

In de eerste plaats gaat het om de uitvoering van de taken waarvoor het samenwerkingsverband is opgericht. Worden die naar behoren uitgevoerd? Is de uitvoering die doeltreffend en doelmatig: zijn de beoogde doelen gerealiseerd binnen het afgesproken budget? Ten tweede gaat het om het samenwerkingsverband op zichzelf. Functioneert dat naar behoren: bevordert het een doeltreffende en doelmatige uitvoering van taken? Het derde gaat over de gewenste strategische positie van de gemeente. Draagt het samenwerkingsverband bij aan het realiseren van strategische doelstellingen ten aanzien van de relatie met buurgemeenten en de gewenste rol in de regio?

Om grip te kunnen hebben dient de gemeenteraad allereerst over de juiste informatie te beschikken die inzicht geeft in de onderwerpen waar de gemeenteraad grip op wil hebben: de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid, de mate waarin dat door het samenwerkingsverband wordt ondersteund en de mate waarin de samenwerking strategische doelstellingen van de gemeente realiseert. Om die informatie te kunnen beoordelen, is het ook nodig dat er duidelijke kaders zijn waaraan het beleid getoetst kan worden.

3.2 /

Informatiepositie

Informatiemogelijkheden van de raad /

/

In paragraaf 2.2 werd al ingegaan op de mogelijkheden van de raad voor het verkrijgen van informatie over specifieke samenwerkingsverbanden. Wat daarbij opvalt is dat informatievoorziening voornamelijk plaatsvindt via de gemeentelijke begroting. In de paragraaf ‘verbonden partijen’ van iedere begroting en jaarrekening wordt ingegaan op verschillende samenwerkingsverbanden. Hierin is onder meer opgenomen wat de openbare (maatschappelijke), bestuurlijke en financiële belangen per samenwerkingsverband zijn, en wordt weergegeven op welke wijze over de verbanden wordt gerapporteerd. Daarnaast wordt de gemeenteraad ook geïnformeerd via de gemeentelijke P&C-cyclus over de beleidsterreinen waar het samenwerkingsverband betrekking op heeft (VTH, Participatiewet, bedrijfsvoering). Uit gesprekken komt naar voren dat per samenwerkingsverband verschilt hoe naar de gemeenteraad wordt gerapporteerd, maar dat het uitgangspunt is dat informatie over de ontwikkeling van een

32

/

/

/

samenwerkingsverband indien dat nodig is ook los van de planning en controlecyclus kan worden gedeeld. In de stukken is terug te zien dat de raad bij het totstandkomingsproces van samenwerkingsverbanden eveneens wordt geïnformeerd, zij het niet structureel. Over de totstandkoming van de samenwerking op VTH-gebied en over ontwikkelingen rondom de samenwerking op bedrijfsvoering met Horst aan de Maas is de raad geïnformeerd door middel van raadsinformatiebrieven en raadsinformatiebijeenkomsten.28 In februari 2019 ontving de raad net als de overige raden van de regio Limburg-Noord een memo over grip op samenwerking. In de regio hebben griffiers, gemeentesecretarissen en vertegenwoordigers van de raden de mogelijkheden verkend om informatievoorziening over samenwerking te verbeteren en te structureren. Voor vijf grote samenwerkingsverbanden, waaronder de Veiligheidsregio en de RUD, wordt afgesproken dat er een vaste kaderbrief komt, dat de informatievoorziening wordt verbeterd en dat er scherpe afspraken voor de planning en controlecyclus worden gemaakt. Per samenwerkingsverband is één gemeente zogenaamd ‘adoptiegemeente’ en dus verantwoordelijk voor het uitvoeren van deze actiepunten. Venray is hierbij adoptiegemeente voor de Veiligheidsregio.29 Het onderwerp ‘gemeenschappelijke regelingen’ is een vast agendapunt bij vergaderingen van de gemeenteraad.

Uit gesprekken komt naar voren dat dit een vast agendapunt is geworden om zo het college de gelegenheid te geven om relevante ontwikkelingen over gemeenschappelijke regelingen met de raad te delen. Tegelijkertijd komt naar voren dat het college zelden van deze gelegenheid gebruik maakt. Verdere inhoudelijke bespreking geschiedt voornamelijk in de commissievergaderingen, waar per samenwerkingsverband een periodiek evaluatiemoment is vastgesteld. De frequentie hiervan verschilt per samenwerkingsverband. Naast informatievoorziening middels de begrotingscyclus, tussentijdse rapportages en raadsvergaderingen kan de raad ook geïnformeerd worden over samenwerkingsverbanden middels informatiebijeenkomsten. Uit gesprekken komt naar voren dat de laatste brede informatiebijeenkomst over samenwerkingsverbanden plaatsvond op 12 maart 2019. Tijdens deze bijeenkomst is gesproken met de raad over de hoeveelheid samenwerkingsverbanden, de rol van de raad bij monitoring (zie ook paragraaf 2.3) en de eigen wensen van de raad. 30 Uit informatiebrieven blijkt dat hier ook gesproken is over de nota ‘vizier op samenwerking’ en het destijds terugtrekken van Venlo uit de mogelijke samenwerking op bedrijfsvoering. Zoals benoemd hebben verder enkele informatieavonden plaatsgevonden die specifiek gericht waren op de totstandkoming van de samenwerking op bedrijfsvoering met Horst aan de Maas.

Daarnaast vinden blijkens gesprekken regelmatig regiobijeenkomsten plaats in het verband van de regio Limburg-Noord.

Ervaringen van raadsleden Over de daadwerkelijke informatiepositie van de gemeenteraad bestaan er gemengde beelden, zo blijkt uit gevoerde gesprekken. / / /

/

/

Aan de ene kant is de raad tevreden over de informatie over samenwerkingsverbanden die tussentijds of via de begrotingscyclus wordt gedeeld. Aan de andere kant is er een duidelijke behoefte aan een meer uitgebreide en structurele informatievoorziening, bijvoorbeeld via raadsinformatiebijeenkomsten of tussentijdse rapportages. Wat daarbij ook wordt genoemd is dat de raad wanneer nodig ook graag vertrouwelijk zou worden geïnformeerd wanneer een samenwerkingsverband minder goed loopt. Gesprekspartners noemen het samenwerkingsverband in het Werkbedrijf Limburg Noord via de NLW Groep als een voorbeeld waar de informatievoorziening goed verloopt middels tussentijdse kwartaalrapportages die ter informatie met de raad worden gedeeld. Ook worden raadsleden eens of vaker per jaar uitgenodigd om op locatie langs te komen om te zien hoe een en ander verloopt. De stevige betrokkenheid van de raad bij dit verband wordt als positief gezien, maar vraagt veel tijdsinzet van raadsleden. Volgens gesprekspartners is zo’n intensieve betrokkenheid van de raad niet bij alle samenwerkingsverbanden nodig. Dat is ook afhankelijk van de aard van een samenwerkingsverband.

De betrokkenheid van de raad bij samenwerkingsverbanden is volgens gesprekspartners voor een belangrijk deel ook afhankelijk van de eigen mogelijkheden en belangstelling van de raadsleden.

28 Informatiebrieven aan de raad, 2014-2020. 29 Memo grip op samenwerking regio Limburg-Noord, februari 2019. 30 Presentatie raadsinformatieavond regionale samenwerking, 12 maart 2019.

33

/

/

/

De vierjaarlijkse hernieuwing van de raad betekent dat regelmatig nieuwe raadsleden zich moeten inlezen in samenwerkingsverbanden die al meerdere raadsperiodes beslaan. Daarbij hebben raadsleden een natuurlijke focus op verbanden die relatief dichtbij de inwoners staan. Denk daarbij aan de samenwerking op het gebied van toezicht en handhaving, maar ook de samenwerking in het eerder genoemde werkbedrijf. Door de grote hoeveelheid samenwerkingsverbanden verliezen raadsleden gemakkelijk het overzicht. Informatiebijeenkomsten over samenwerkingen in de regio Noord-Limburg worden ook relatief weinig bezocht door raadsleden. Raadsleden geven aan dat het zou helpen als het college de raad actiever meeneemt in de mogelijkheden voor bijsturing en kaderstelling die er bij samenwerkingsverbanden voor de raad zijn. Een expliciete wens daarbij is het duidelijk weergeven van de mogelijkheden voor bijsturing of beëindiging van een samenwerkingsverband als de resultaten niet overeenkomen met vooraf opgestelde doelen. In nogal wat andere gemeenten proberen raadsleden meer grip te krijgen op samenwerkingsverbanden door de krachten te bundelen via partijlijnen: raadsleden van dezelfde partij in buurgemeenten zoeken elkaar gemakkelijk op om over samenwerkingsverbanden te overleggen.

In Venray gebeurt dit ook wel, maar voor de lokale partijen die enkel in de eigen gemeente zijn vertegenwoordigd is deze mogelijkheid niet aanwezig.

Zoals eerder benoemd wordt er bij evaluaties van samenwerkingsverbanden teruggekoppeld in de commissievergaderingen. / /

/

Over het algemeen vinden gesprekspartners dat de termijnen waarbinnen samenwerkingsverbanden worden geëvalueerd wat diffuus zijn en gemakkelijk kunnen worden opgerekt door het college. De raad zou aan de ene kant graag zien dat er kortere evaluatietermijnen komen, maar ziet ook in dat dit niet bij elk verband mogelijk is. Tegelijkertijd bestaat er bij de raad de ervaring dat de raad pas laat door het college wordt meegenomen wanneer samenwerkingsverbanden minder goed lopen. Een voorbeeld hiervan is het Werkplein met Venlo. Bovendien laat volgens gesprekspartners de beantwoording van schriftelijke vragen over samenwerkingsverbanden vaak lang op zich wachten. De onderzoekers hebben bij bestudering van het raadsinformatiesysteem (zie ook hieronder) kunnen constateren dat dit bij een aantal vragen het geval is, maar dat het gaat om een minderheid van het totaal aantal vragen dat in de afgelopen raadsperiode over intergemeentelijke samenwerkingen is gesteld.

Gebruik van het raadsinstrumentarium In aanvulling op de gevoerde gesprekken hebben de onderzoekers het raadsinformatiesysteem van de gemeente Venray bestudeerd om na te kunnen gaan in hoeverre de raad gebruik heeft gemaakt van het raadsinstrumentarium (schriftelijke vragen, amendementen en moties) om informatie op te vragen over intergemeentelijke samenwerkingsverbanden of hierin bij te sturen. In verband met de doorlooptijd van het onderzoek hebben de onderzoekers zich beperkt tot de huidige raadsperiode (2018-heden). Schriftelijke vragen In onderstaand overzicht geven wij weer wanneer en betreffende welk samenwerkingsverband in de afgelopen raadsperiode schriftelijke vragen zijn gesteld aan het college door de raad. Ook geven we aan wanneer de vragen zijn beantwoord. Datum

Samenwerkingsverband

Beantwoording op

25-11-2018

Veiligheidsregio Limburg-Noord

Onbekend

28-01-2019

NLW Groep

25-06-2019

11-03-2019

NLW Groep

03-04-2019

06-05-2019

RUD Noord-Limburg

07-05-2019

06-05-2019

Omnibuzz

07-05-2019

07-05-2019

Omnibuzz

07-05-2019

24-09-2019

NLW Groep

11-10-2019

14-05-2020

Omnibuzz

14-05-2020

15-06-2020

Veiligheidsregio Limburg-Noord

15-06-2020

34

/

/

15-06-2020

RUD Noord-Limburg

16-06-2020

16-06-2020

NLW Groep

16-06-2020

22-06-2020

NLW Groep

22-06-2020

05-10-2020

MGR Sociaal Domein Limburg Noord

07-10-2020

18-01-2021

MGR Sociaal Domein Limburg Noord

20-01-2021

15-04-2021

RUD Noord-Limburg

Onbekend, datum verwachte beantwoording (29-04-2021) is verstreken

Op basis van bovenstaand overzicht uit het raadsinformatiesysteem zijn er in de raadsperiode 2018-heden vijftien keer schriftelijke vragen gesteld met betrekking tot intergemeentelijke samenwerkingsverbanden. Bij bestudering van deze vragen valt op dat raadsleden voornamelijk vragen stellen met betrekking tot financiën (in relatie tot de jaarverantwoording en/of begroting) en of financiële kaders voor de samenwerkingsverbanden. Over het algemeen kan gesteld worden dat beantwoording van de schriftelijke vragen over het algemeen binnen een week plaatsvindt. In drie gevallen liet de beantwoording langer dan een week op zich wachten. Het uiterste geval is de beantwoording op schriftelijke vragen over de NLW Groep op 28 januari 2019: beantwoording vond pas een klein halfjaar later, op 25 juni, plaats. In twee gevallen is niet te achterhalen in hoeverre de gestelde vragen zijn beantwoord.

Amendementen /

/

In de afgelopen raadsperiode is tweemaal een amendement ingediend in relatie tot gemeentelijke samenwerkingsverbanden. Beide amendementen hebben betrekking tot de Veiligheidsregio Limburg Noord (VRLN). In het eerste amendement, ingediend op 11 februari 2019, wordt de zienswijze op het beleidsplan van de Veiligheidsregio voor de periode 2020-2023 aangepast. Met de aanpassing wil de raad aandacht vragen voor ‘’(…) het feit dat de gemeente Venray (…) te weinig middelen krijgt toebedeeld en dat [de raad] dit (…) op korte termijn gerepareerd [wil] zien.’’31 In het tweede amendement, ingediend op 7 juli 2020, wordt de zienswijze op de jaarverantwoording 2019 en begroting 2019 van de Veiligheidsregio aangepast. In de nieuwe zienswijze wordt hetzelfde punt aan de orde gesteld als in het eerdere amendement. 32

Moties In de afgelopen raadsperiode is een maal een motie ingediend in relatie tot gemeentelijke samenwerkingsverbanden. Deze motie ging over de governance-structuur van de NLW Groep, een werkbedrijf wat taken uitvoert voor de gemeenten Peel en Maas, Horst aan de Maas en Venray. Middels de motie trachtte de indiener aandacht te vragen voor het belang van transparante informatievoorziening over en democratische controle door de raad bij het samenwerkingsverband. De motie ingediend tijdens de raadsvergadering op 29 oktober 2019, draagt het college op: -

-

‘’Binnen het bestuur van NLW aan te dringen op het op zo kort mogelijke termijn onderzoek doen naar een verbeterde governance-structuur van NLW met een zo transparant mogelijke informatievoorziening richting Ondernemingsraad, gemeenteraden en buitenwereld, waarbij democratische controle door de gemeenteraden gewaarborgd wordt; Binnen het bestuur van NLW voor te stellen om dit onderzoek met een voorstel voor een verbeterde governance-structuur voor te leggen aan de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten;’’ 33

De motie is na toezeggingen uit het college ingetrokken.

31 Amendement ontwerp beleidsplan 2020-2023 VRLN, d.d. 11 februari 2020. 32 Amendement jaarverantwoording 2019 en begroting 2021 VRLN, d.d. 7 juli 2020. 33 Motie Governance-structuur NLW, d.d. 29 oktober 2019.

35

3.3 /

Sturen en bijsturen

Rol gemeenteraad volgens de nota ‘vizier op samenwerking’ In de nota ‘vizier op samenwerking’ wordt toegelicht wat de rol van de gemeenteraad is bij intergemeentelijke samenwerkingsverbanden. De gemeenteraad is formeel kadersteller, controleur en vertegenwoordiger, ook als het gaat om intergemeentelijke samenwerkingsverbanden. In de nota wordt aangegeven dat de rol van de raad bij intergemeentelijke samenwerking vaak naar de achtergrond schuift en meer een toezichthoudende rol wordt. Desondanks kan de raad positie kiezen en de gewenste invloed uitoefenen op intergemeentelijke samenwerking door gebruik te maken van de kaders uit de nota. Daarnaast wordt aangegeven dat per samenwerkingsverband de raad een andere rol inneemt, afhankelijk van de gemeentelijke bevoegdheden, of het samenwerkingsverband privaat- of publiekrechtelijk karakter heeft, op welke manier de governance van de samenwerking is ingericht en de mate van onafhankelijkheid van het samenwerkingsverband ten opzichte van de deelnemende gemeenten en hun raden.34 Om de rol van de raad in te kaderen wordt opnieuw onderscheid gemaakt tussen strategische, operationele en bedrijfsvoeringssamenwerkingen. Hierbij wordt de volgende indeling gemaakt aan de hand van de drie rollen van de gemeenteraad.

Hierbij wordt duidelijk dat naarmate de samenwerking meer gericht is op bedrijfsvoering, de gemeenteraad volgens de nota minder aan zet is. Het stellen van duidelijke kaders is nog het meest van belang.

Rol/niveau

Strategisch

Operationeel

Bedrijfsvoering

Volksvertegenwoordiging

+++

++

+

Kaderstelling

+++

++

++

Controle

+++

+

+

Hierbij staat +++ voor zeer belangrijk, ++ voor belangrijk en + voor minder belangrijk.

Uit de presentatie die tijdens de raadsbijeenkomst op 12 maart 2019 is gegeven komt naar voren dat de raad bij samenwerking op bedrijfsvoering de resultaten kan monitoren via de reguliere planning en controlecyclus. Om de rol van de raad daarnaast goed in te kunnen vullen, is een goede en transparante informatievoorziening door het college van belang, op het gebied van de volgende onderdelen:   

‘’De resultaten van de samenwerking in relatie tot de door de raad vastgestelde doelen van die samenwerking; De wijze waarop de samenwerking is georganiseerd: de rollen, taken en bevoegdheden van de verschillende partners (waaronder de raad) in de samenwerking; De wijze waarop de samenwerking functioneert.’’35

Inzet van het instrumentarium door de raad en ervaring eigen sturingsmogelijkheden In gesprekken geven raadsleden desgevraagd aan dat zij vinden dat het college als eerstverantwoordelijke voor de uitvoering het primaat hoort te hebben bij intergemeentelijke samenwerkingsverbanden. De raad kiest daarmee voor een afstand ten opzichte van de samenwerkingspraktijk. Tegelijkertijd kan die afstand voor de raad een belemmering vormen wanneer getracht wordt invulling te geven aan de kaderstellende en controlerende rol. Zoals hierboven uiteengezet heeft de raad behoefte aan structurelere informatievoorziening om de afstand tot samenwerkingsverbanden waar nodig te kunnen verkleinen. Daarbij zou het college expliciete aandacht mogen hebben voor het ondersteunen van de raad door te wijzen op bestaande controle- en bijsturingsmogelijkheden. /

Uit het bovenstaande komt naar voren dat de raad zowel in brede als specifieke zin overigens wel degelijk instrumenten inzet om kaders te stellen voor samenwerking. In brede zin is de totstandkoming van de nota

34 Nota ‘vizier op samenwerking’, pp. 13-14. 35 Ibid., p. 16.

36

/

/

‘vizier op samenwerking’ daarvan het voorbeeld. Door expliciet te vragen om toetsingscriteria en uitgangspunten heeft de raad invulling gegeven aan de kaderstellende rol. Daarnaast heeft de raad bij de totstandkoming van de samenwerking met Horst aan de Maas op bedrijfsvoering zijn rol gepakt door te vragen om duidelijker criteria op basis waarvan de samenwerking kan worden beoordeeld. Tegelijkertijd laat dit ook zien dat de raad in grote mate afhankelijk is van het college voor het invullen van zijn rol. Het blijft het college dat het initiatief neemt. Tot slot valt het op dat het strategische perspectief op samenwerkingsrelaties – draagt het bij aan de gewenste positie van de gemeente ten opzichte van buurgemeente en de regio - niet of nauwelijjks aan bod komt. Er zijn in de nota Vizier op Samenwerking wel een aantal globale uitgangspunten voor opgesteld, maar over de mate waaraan hieraan wordt voldaan wordt geen informatie gegeven of gevraagd.

3.4 /

Conclusies: beantwoording onderzoeksvragen 6 t/m 9

6. Hoe kan de raad de ontwikkeling van samenwerkingsverbanden volgen en welke informatie heeft de raad daarvoor nodig? Wat betreft de ontwikkeling van samenwerkingsverbanden in algemene zin wordt de raad in staat gesteld om via de planning en controlecyclus de (financiële) ontwikkelingen te volgen. In de planning- en controledocumenten is standaard een lijst met samenwerkingsverbanden opgenomen, waarin informatie wordt gegeven over de (financiële) voortgang van samenwerkingsverbanden. Dit overzicht is overigens zeer beknopt; voor niet alle samenwerkingsverbanden is de genoemde informatie specifiek uitgewerkt. En wanneer deze informatie is uitgewerkt, is dit vaak slechts in een paar zinnen gedaan.

7. Welke informatiepositie heeft de gemeenteraad daadwerkelijk ten aanzien van de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden? De raad wordt op verschillende manieren geïnformeerd over de samenwerkingsverbanden en hun voortgang, waaronder via een lijst met samenwerkingsverbanden in de begroting, specifieke informatiecycli per samenwerkingsverband en tijdens een vast agendapunt in de raadsvergaderingen. Voor raadsleden is vaak beperkt inzichtelijk of navolgbaar wat de voortgang van een specifiek samenwerkingsverband is in relatie tot de doelstellingen van de samenwerking. Bij de raad bestaat een sterke behoefte om meer en periodiek informatie te ontvangen over de voortgang van samenwerkingsverbanden. Dat kan middels periodieke rapportages (waar dat op dit moment nog niet gebeurt), maar ook via (vertrouwelijke) bijpraatsessies met het college. 8. Welke mogelijkheden tot (bij)sturen heeft de raad ten aanzien van intergemeentelijke samenwerkingsverbanden? Ten aanzien van intergemeentelijke samenwerkingsverbanden kan de raad gebruik maken van het schriftelijke vragen, moties en amendementen om informatie op te vragen en/of waar nodig (bij) te sturen. Los van het raadsinstrumentarium heeft de raad vaak beperkte mogelijkheden om bij te sturen in samenwerkingsverbanden. De raad is sterk afhankelijk van de informatie die door het college wordt geleverd.

En hoewel er wel afspraken zijn gemaakt over waar samenwerkingsverbanden precies aan dienen te voldoen in de nota vizier op samenwerking, is niet duidelijk afgesproken wat precies de mogelijkheden zijn wanneer een samenwerkingsverband hier niet aan voldoet. 9. Waar moet de gemeenteraad op letten bij het aangaan en het verder ontwikkelen van intergemeentelijke samenwerkingen? Samenwerkingsverbanden blijven zich ontwikkelen als gevolg van nieuwe wet- en regelgeving, nieuwe beleidsopgaven, veranderde financiële kaders of politiek-bestuurlijke veranderingen in de samenwerkende gemeenten en hun directe omgeving. Bij het aangaan van nieuwe samenwerkingsverbanden moeten deze worden getoetst aan de bestuurlijke kaders. De gemeentelijke beleidsnota Vizier op samenwerking biedt hiervoor een goede basis. Het verdient aanbeveling om bij het aangaan van een samenwerkingsverband vooraf bepalingen over (tussentijdse) evaluatie van de samenwerking, het (tussentijds) bijstellen van doelen en het herzien of beëindigen van de samenwerking op te nemen.

37

4

Aanbevelingen

In dit hoofdstuk wordt met de beantwoording van de centrale onderzoeksvraag een aantal conclusies geformuleerd. Het hoofdstuk sluit af met vier aanbevelingen.

4.1 /

/

/

/

/

Conclusie: welke lessen kan de gemeenteraad van Venray trekken uit eerdere aangegane samenwerkingsverbanden voor het bepalen van zijn rol bij samenwerkingsverbanden?

De belangrijkste les die de gemeenteraad van Venray kan trekken is dat het van belang is om vooraf duidelijke kaders te stellen over de doelen van de samenwerking (op het gebied van de doeltreffendheid en doelmatigheid van de taakuitvoering en de strategische positie van de gemeente in de regio) en te controleren op de mate waarin die doelen worden gerealiseerd. Dat betekent dat de gemeenteraad zich niet slechts focust op financiële kengetallen, maar ook let op de mate waarin intergemeentelijke samenwerkingsverbanden bijdragen aan de realisatie van gemeentelijke beleidsdoelstellingen. Goede afspraken over de informatievoorziening zijn hiervoor essentieel. De raad is nu nog sterk afhankelijk van de informatie die door het college wordt geleverd; met afspraken vooraf kan die afhankelijkheid worden verminderd. Als het samenwerkingsverband naar het oordeel van de gemeenteraad onvoldoende doelmatig en doeltreffend is, kan de raad erop aandringen dat de afspraken die zijn uitgewerkt in de gemeenschappelijke regeling (dan wel dienstverleningsovereenkomsten die hier onderdeel van uitmaken) worden aangepast of dat de samenwerking wordt beëindigd. Dat betekent dat vooraf moet worden afgesproken wat de opties zijn als een samenwerkingsverband niet aan de gestelde eisen voldoet.

Dit alles betekent dat de gemeenteraad kiest voor een meer proactieve kaderstellende en controlerende rol bij gemeentelijke samenwerkingsverbanden. Een rol die past bij het inmiddels toegenomen belang van samenwerkingsverbanden.

4.2 /

Toets de ontwikkeling van samenwerkingsverbanden aan bestuurlijke kaders en stel deze kaders periodiek bij

Samenwerkingsverbanden blijven zich ontwikkelen als gevolg van nieuwe wet- en regelgeving, nieuwe beleidsopgaven, veranderde financiële kaders of politiek-bestuurlijke veranderingen in de samenwerkende gemeenten en hun directe omgeving. Als gevolg van diezelfde ontwikkelingen worden ook nieuwe samenwerkingsverbanden opgericht. Dit alles heeft betekenis voor de uitvoering van de gemeentelijke taken waarvoor het samenwerkingsverband is opgericht, het functioneren van het samenwerkingsverband en voor de strategische positie van de gemeente in de regio. Hierbij is het steeds de vraag of deze ontwikkeling van samenwerkingsrelaties aansluit bij de gestelde kaders voor intergemeentelijke samenwerking – zoals die zijn uitgewerkt in de nota Vizier op samenwerking – of dat deze kaders moeten worden herzien.

38

/

/

/

/

Bij het aangaan van nieuwe samenwerkingsverbanden moeten deze worden getoetst aan de bestuurlijke kaders op het gebied van de doeltreffendheid en doelmatigheid van de taakuitvoering en de strategische positie van de gemeente in de regio. De gemeentelijke beleidsnota Vizier op samenwerking biedt hiervoor een goede basis. Het verdient aanbeveling om bij het aangaan van een samenwerkingsverband vooraf een evaluatiebepaling op te nemen. Bij bestaande samenwerkingsverbanden die geen evaluatiebepaling kennen, is het raadzaam het functioneren ervan periodiek – iedere vier of zes jaar – te evalueren om na te gaan of het samenwerkingsverband nog aan de gestelde doelen voldoet. Bij het toetsen van samenwerkingsvanden moet vooraf worden nagegaan of de gestelde doelen (op het gebied van de doeltreffendheid en doelmatigheid van de taakuitvoering en de strategische positie van de gemeente in de regio) nog bijstelling behoeven. Op basis van de toetsing van het functioneren van een samenwerkingsverband kan worden besloten om – in overleg met samenwerkingspartners – de bestaande samenwerking te herzien. In het uiterste geval kan worden besloten de samenwerking te beëindigen.

4.3 /

Versterk de mogelijkheden tot sturing en bijsturing door de gemeenteraad

De raad wordt nu vooral over samenwerkingsverbanden geïnformeerd via de gemeentelijke begroting en via de jaarstukken van ieder samenwerkingsverband. Dat kan op de volgende manieren worden verbeterd: /

/

/

/

Allereerst dient de informatie-/verantwoordingscyclus van samenwerkingsverbanden beter te worden afgestemd op de gemeentelijke begrotingscyclus. Hiervoor is het nodig dat de begrotingscycli van de samenwerkende gemeenten gesynchroniseerd zijn. De griffiers van de gemeenten dienen hiervoor zorg te dragen en hierop toe te zien. Daarnaast zijn er ook andere manieren om de gemeenteraad te informeren over het functioneren van samenwerkingsverbanden, zoals raadsinformatiebrieven, tussentijdse bijeenkomsten, werkbezoeken of met inzet van de auditcommissie. Ook kan worden gedacht aan halfjaaroverzichten of kwartaaloverzichten met een dashboarddfunctie. De gemeenteraad dient in zijn raadsagenda vooraf aan te geven welke samenwerkingsverbanden extra aandacht behoeven. Zo beperkt de gemeenteraad zich tot de politiek meest relevante samenwerkingsverbanden, zodat de tijdsinzet beperkt blijft. In het verlengde hiervan kan de gemeenteraad afspraken maken over informatievoorziening over samenwerkingsverbanden, met daarin opgenomen vaste informatiemomenten/bijpraatmomenten, bijvoorbeeld ieder halfjaar.

4.4 /

Stel heldere beoordelingskaders vast

Naast betere informatievoorziening, zijn ook duidelijke kaders nodig die het mogelijk maken om deze informatie te kunnen beoordelen. De nota Vizier op samenwerking biedt hiervoor een goede basis; wat nodig is dat de hierin geformuleerde kaders ook worden toegepast en dat duidelijke afspraken worden gemaakt over situaties waarin een samenwerkingsverband niet aan de gestelde kaders voldoet. /

/

Hiertoe kan de gemeenteraad vooraf kaders/beoordelingscriteria meegeven of achteraf het college via een motie op dragen beoordelingscriteria te ontwikkelen en deze te hanteren bij de monitoring en beoordeling van samenwerkingsverbanden door middel van een stoplichtmodel. Een variant hierop is dat de gemeenteraad vooraf kaders aangeeft en een bandbreedte vaststelt waarbinnen ieder aspect van het functioneren van het samenwerkingsverband dient te blijven. Als een bepaald aspect buiten bandbreedte treedt dan informeert het college de raad daarover.

Bij de beoordeling van samenwerkingsverbanden is het goed om een onderscheid te maken tussen de verschillende typen doelstellingen die moeten worden gerealiseerd. /

Het eerste type doelstelling heeft betrekking op taakuitvoering. Worden de taken waarvoor het samenwerkingsverband is opgericht naar behoren uitgevoerd? Is de uitvoering doeltreffend en doelmatig: zijn de beoogde doelen gerealiseerd binnen het afgesproken budget? Dit zijn vragen die een raad altijd hoort te stellen, ook als een taak in eigen beheer wordt uitgevoerd.

39

/

/

Het tweede type doelstellingen betreft de samenwerking. Functioneert het samenwerkingsverband naar behoren: bevordert het een doeltreffende en doelmatige uitvoering van taken? Daarbij kan worden gelet op de klassieke K’s die voor dit soort samenwerkingsverbanden vaak worden gehanteerd, waarbij kostenefficiency en kwaliteit de belangrijkste zijn. De tweede doelstelling gaat over de strategische positie van de gemeente. Draagt het samenwerkingsverband bij aan het realiseren van strategische doelstellingen ten aanzien van de relatie met buurgemeenten en de rol in de regio? Ziet de gemeente zichzelf als initiator of als volger van regionale ontwikkelingen? Draagt het samenwerkingsverband en de positie van de gemeente hierin bij aan deze rol?

4.5 /

Zoek samenwerking met andere gemeenteraden

Tot slot kunnen gemeenteraden door samen te werken met andere gemeenteraden meer invloed uitoefenen op het functioneren van samenwerkingsverbanden. /

/

Hierbij kan worden gedacht aan gezamenlijke commissievergaderingen voor beeld- en oordeelsvorming, op basis waarvan adviezen over het samenwerkingsverband (bijvoorbeeld over het vaststellen van de begroting) aan de afzonderlijke gemeenteraden kunnen worden voorgelegd. De griffiers van de deelnemende gemeenten dienen hierin een initiërende rol te spelen; de gemeenteraden kunnen als werkgever van de griffiers hiertoe opdracht geven.

40

Bijlage bronnen

Gesprekspartners Geïnterviewde

Functie

Datum

Mw. S. Boere

Griffier

03-03-2021

Dhr. J. Smits

Controller

09-03-2021

Leden presidium

15-03-2021

Dhr. G. Reintjes Dhr. T. Zandbergen Dhr. M. Leenders Dhr. B. Künen Dhr. H. Bisschops Dhr. J. Gielens

Bronnen In de lopende tekst is via voetnoten vermeld op welke documentatie de bevindingen zijn gebaseerd.

41

Lijst met samenwerkingsverbanden

Hieronder volgt een lijst met intergemeentelijke samenwerkingsverbanden waarin de gemeente Venray participeert. Hierin zijn verbonden partijen waar de gemeente deelnemer is niet in opgenomen. 36

Samenwerkingsverband

Rechtsvorm

Veiligheidsregio Limburg-Noord (VRLN)

GR*

Werkvoorzieningsschap Noord-Limburg West (NLW)

GR

Euregio Rijn-Maas-Noord

GR

Modulaire gemeenschappelijke regeling Sociaal Domein Limburg-Noord

GR

Omnibuzz

GR

Regionale Uitvoeringsdienst Limburg-Noord (RUD)

GR

Bodemzorg Limburg BV

BV

Brabander – Aan den Heuvel

Publiek-private samenwerking

Samenwerkingsovereenkomst De Blakt

Publiek-private samenwerking

Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum

Bestuursovereenkomst

Via Venray

Bestuursovereenkomst

Regio Noord-Limburg

Overlegorgaan

Werkplein Venlo-Venray

Dienstverlening

Werkbedrijf regio Limburg Noord

Samenwerkingsovereenkomst

RIEC

Netwerkorganisatie

Regionaal Mobiliteitsoverleg (RMO) Noord-Limburg

Bestuursovereenkomst

Samenwerking VTH Gennep-Venray

Bestuursovereenkomst

Toezicht-/handhavingsorganisatie Horst aan de Maas en Venray

GR

36 Begroting 2021, paragraaf F: verbonden partijen.

42

Blueports Limburg

Samenwerkingsverband

Samenwerkingsovereenkomst Regionale Sociale Recherche Noord-Limburg

GR

*Gemeenschappelijke regeling

43

Gehanteerd normenkader

Deelvraag

1.

Norm -

Beschikt de gemeente Venray over een visie op samenwerkingsverbanden met een afwegings- (beleids-) kader? -

2.

3.

Welke intergemeentelijke samenwerkingsverbanden op het gebied van operationele taken is de gemeente Venray de afgelopen jaren aangegaan?

Wat waren de beoogde doelstellingen bij het aangaan van de samenwerkingen en in hoeverre zijn deze doelstellingen gerealiseerd?

-

Geen norm, dit is een beschrijvende vraag.

-

Per samenwerkingsverband zijn (financiële) doelstellingen geformuleerd met daarbij een inschatting van de mogelijke risico’s en maatregelen in het kader van risicobeheersing; Per samenwerkingsverband is navolgbaar in hoeverre de (financiële) doelstellingen zijn gerealiseerd volgens de vastgestelde kaders; In zoverre doelstellingen niet zijn gerealiseerd wordt aangegeven wat daarvoor de redenen zijn; De uitvoering van de samenwerkingsverbanden wordt periodiek gemonitord aan de hand van de vooraf opgestelde doelstellingen; Er is zicht op de voortgang van de samenwerkingen in materiële en immateriële zin;

-

-

4.

Wordt de uitvoering van de samenwerkingsverbanden gemonitord en is een (tussen)evaluatie uitgevoerd?

5.

Op welke aspecten verliep de samenwerking goed en wat kon er beter?

-

-

44

De gemeente heeft een uitgewerkte visie op samenwerkingsverbanden (en doorvertaald in afwegingskader) met bijbehorende doelstellingen, uitgangspunten en randvoorwaarden (wat wil je bereiken met de samenwerking en waarom wordt voor de betreffende vorm van samenwerking gekozen?); De gemeente beschikt over een beleidskader voor de aansturing en controle op samenwerkingsverbanden;

-

6.

Hoe kan de raad de ontwikkeling van samenwerkingsverbanden volgen en welke informatie heeft de raad daarvoor nodig?

7.

Welke informatiepositie heeft de gemeenteraad daadwerkelijk ten aanzien van de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden?

8.

Welke mogelijkheden tot (bij)sturen heeft de raad ten aanzien van intergemeentelijke samenwerkingsverbanden?

9.

Waar moet de gemeenteraad op letten bij het aangaan en het verder ontwikkelen van intergemeentelijke samenwerkingen?

-

10. Welke ‘uitstapmogelijkheden’ bestaan er voor de gemeenteraad nadat intergemeentelijke samenwerkingen zijn aangegaan?

45

De raad wordt in staat gesteld om via de planning en controlecyclus en via de specifieke informatiecyclus per samenwerkingsverband de ontwikkelingen te volgen; De raad wordt, per samenwerkingsverband, periodiek geïnformeerd over de realisatie van de doelstellingen en is op basis van die informatie in staat om vast te stellen of de samenwerking volgens de gemaakte afspraken verloopt en om vast te stellen of de realisatie van de beoogde doelen op koers ligt of dat bijsturing nodig is;

-

Idem als bovenstaande norm.

-

De raad wordt in staat gesteld om door middel van vooraf opgestelde kaders te kunnen (bij)sturen ten aanzien van de samenwerkingsverbanden

-

Geen norm, dit is een beschrijvende vraag.

-

Per samenwerkingsverband zijn kaders geformuleerd ten aanzien van het (tussentijds) stopzetten van of uittreden uit het samenwerkingsverband.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11003096/1