03 Bestemmingsplan Timmermannsweg Ysselsteyn (bijlage)
Tekst van het document
Hoofdstuk 4
31
Conclusie 1. De ontwikkeling van de 15 wooneenheden komt niet voor in onderdeel C van de bijlage van het Besluit m.e.r.. Er hoeft dan ook geen MER te worden opgesteld; 2. De acitiviteiten vallen wel onder categorie D 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. De in kolom 2 bij categorie D 11.2 genoemde ‘drempelwaarde’ worden niet overschreden; 3. Omdat de activiteit wordt genoemd in een van de categorieën in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., maar de drempelwaarde niet worden overschreden, moet voor dit plan wel een beperkte m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd. M.e.r.-beoordeling Op basis van paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer (Wm), dient degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, en voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, dit voornemen schriftelijk mee te delen aan het bevoegd gezag. Bij de mededeling dient in ieder geval de informatie te worden verstrekt zoals omschreven in artikel 7.16 lid 2 tot en met 4 Wm.
Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen. De achterliggende gedachte bij de m.e.r.-beoordeling is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling)plaatsvinden. In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria die genoemd zijn in bijlage III van de EEGrichtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook onderstaande tabel): 1. De kenmerken van het project; 2. De plaats van het project; 3. De kenmerken van het potentiële effect.
Hoofdstuk 4
32
Kenmerken van het project
Omvang van het project
Cumulatie met andere projecten
Gebruik van natuurlijke grondstoffen
Productie van afvalstoffen
Verontreiniging en hinder
Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën
Plaats van het project
Bestaand grondgebruik
Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied
Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
Kenmerken van het potentiële effect
Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking)
Grensoverschrijdende karakter van het effect
Waarschijnlijkheid van het effect
Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect
Criteria EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.
De m.e.r.-beoordeling is opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria
Toets
Omvang van het project
Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 2700 m². Het project richt zich op de realisatie van in totaal 15 wooneenheden binnen de kern van Ysselsteyn. In het kader van het planvoornemen wordt de Sint Odahoeve inpandig verbouwd. Hier worden 7 wooneenheden in gerealiseerd. Op het voormalige achtererf worden 8 woningen gerealiseerd.
Cumulatie met andere projecten
Nee.
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen
N.v.t. Bij de ontwikkeling wordt niet permanent gebruik gemaakt van natuurlijke hulpbronnen.
Productie van afvalstoffen
Naast het reguliere afval van de toekomstige bebouwing en functies zal geen sprake zijn van de productie van andere afvalstoffen.
Verontreiniging en hinder
De ontwikkeling vindt plaats in stedelijk gebied. Tijdens de aanlegfase is er mogelijk sprake van tijdelijke hinder als gevolg van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden, maar dit betreft geen hinder groter dan bij reguliere bouwwerkzaamheden.
Hoofdstuk 4
33
Kenmerken van het project Criteria
Toets Geluidhinder (zie ook paragraaf 4.1.2): het plangebied is niet gelegen binnen de geluidszone van een weg, danwel gelegen in de nabijheid van spoorwegen of een industrieterrein. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Luchtkwaliteit (zie ook paragraaf 4.1.3): Met voorliggend plan wordt geen significante invloed op de luchtkwaliteit uitgeoefend. De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Geur (zie ook paragraaf 4.1.6): De cumulatieve geurbelasting ter plaatse voldoet niet aan de gestelde normen in de Verordening geurhinder en veehouderij van de gemeente Venray. Berekend is een geurbelasting van 22,2 tot 23,3 ouE/m3. Het initiatief betekent geen belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van betreffende veehouderijen. Het plangebied is reeds volledig bestemd als ‘Wonen’. Ter plaatse van de initiatieflocatie is, behoudens een lichte overschrijding van de achtergrondbelasting (22-23 ouE/m3) sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, zodat kan worden afgeweken van de maximale geurbelasting uit de bijlage van de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Venray. Verkeersaantrekkende werking (zie ook paragraaf 4.5): de woningen worden ontsloten op de Timmermannsweg. De Timmermannsweg sluit in noordelijke richting aan op de Puttenweg (N277).
Wat betreft profiel en capaciteit zijn de wegen berekend op een geringe toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de realisatie van de 15 wooneenheden.
Risico van ongevallen
Er is sprake van de ontwikkeling van 15 wooneenheden. Er is geen sprake van de realisatie van een nieuwe risicobron.
Plaats van het object Criteria
Toets
Bestaand grondgebruik
In de huidige situatie staat de Sint Odahoeve leeg. Conform het vigerende bestemmingsplan geldt ter plaatse de woonbestemming en is een bouwvlak opgenomen ten behoeve van een woning. Het andere deel is agrarisch in gebruik. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is de beoogde ontwikkeling niet rechtstreeks toegestaan.
Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het
N.v.t.
regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor:
gevoelige gebieden (wetlands,
Het plangebied ligt niet binnen de invloedssfeer van door Wet natuurbescherming
kustgebieden, berg- en bosgebie-
beschermde gebieden. Zie ook paragraaf 4.4 ‘Ecologie’.
den, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden)
Hoofdstuk 4
34
Kenmerken van het project Criteria
Toets
Nee.
gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden
gebieden met een hoge bevol-
N.v.t.
kingsdichtheid
landschappen van historisch, cul-
Cultuurhistorie (zie ook paragraaf 4.2.2): binnen het plangebied en de directe omge-
tureel of archeologisch belang
ving is geen sprake van landschappen van (cultuur)historisch belang. De Sint Odahoeve blijft in het kader van het planvoornemen behouden, aangezien er sprake is van een inpandige verbouwing. Archeologie (zie ook paragraaf 4.2.1): het archeologisch belang is door middel van een archeologisch onderzoek betrokken in het plan.
In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied
Toets
Beschermd natuurmonument
Nee.
Habitat en vogelrichtlijngebieden
Nee, zie paragraaf 4.4 ‘Ecologie’.
Watergebied van internationale be- Nee. tekenis Natuurnetwerk Nederland
Het plangebied ligt niet binnen of in de nabijheid van het Natuurnetwerk
(voormalige EHS)
Nederland (NNN). Zie paragraaf 4.4 ‘Ecologie’.
Landschappelijk waardevol gebied
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van landschappelijk waardevol gebied.
Waterwinlocaties. waterwingebie-
Nee, zie paragraaf 4.6 ‘Waterhuishouding’.
den, en grondwaterbeschermingsgebieden
Hoofdstuk 4
35
Conclusie Gezien het vorenstaande en indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen significant nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Er is dan ook bij terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan besloten om geen m.e.r.-procedure te doorlopen.
4.2 Archeologie en cultuurhistorie 4.2.1 Archeologie Algemeen Sinds de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) per 1 september 2007 is de gemeente verantwoordelijk voor het archeologiebeleid en heeft de provincie zich hiervan teruggetrokken. In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect archeologie in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: de archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard; er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect archeologie. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Een aantal onderdelen van de Monumentenwet 1988 gaat over naar de Omgevingswet. Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijven deze onderdelen van kracht binnen het overgangsrecht van de Erfgoedwet.
Voor archeologie gaat het onder meer om: het meewegen van het archeologische belang bij het opstellen van bestemmingsplannen; de mogelijkheid om voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning ter bescherming van archeologie; de mogelijkheid van de Minister van OCW om bij (dreigende) schade aan archeologische monumenten na een toevalsvondst voorschriften te stellen aan de uitvoering de werkzaamheden of die stil te leggen; de mogelijkheid van het bevoegd gezag of de Minister van OCW om toegang tot een terrein af te dwingen om archeologisch onderzoek te kunnen doen.
Hoofdstuk 4
36
Archeologische beleidskaart Binnen het plangebied ligt op basis van de Archeologische beleidskaart van de gemeente Venray deels de aanduiding “categorie 4”. Deze categorie omvat droge en natte gebieden met een hoge verwachting. Voor dit categorie 4-gebied geldt dat deze in het vigerende bestemmingsplan is vertaald naar een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’. Ter plaatse van deze dubbelbestemming geldt een onderzoeksverplichting ingeval de te verstoren oppervlakte groter is dan 500 m2 én de verstoringsdiepte dieper is dan 50 cm onder het maaiveld. Toetsing: Het totale plangebied betreft een oppervlakte van circa 2700 m 2 . In het kader van het planvoornemen worden 7 wooneenheden inpandig gerealiseerd ter plaatse van de bestaande Sint Odahoeve. Deze ontwikkeling betreft een inpandige verbouwing waarbij naar verwachting reeds bodemingrepen zijn gedaan en mogelijk aanwezige archeologische waarden reeds zijn verstoord. Daarentegen worden er wel bodemingrepen gedaan ter hoogte van het achtererfgebied van de Sint Odahoeve. Hier worden 8 nieuwbouwwoningen gerealiseerd. Het bouwvlak van deze woningen heeft een oppervlakte van 476 m2. De verstoringsvrije oppervlakte van 500 m2 wordt kortom niet overschreden. Ter aanvulling kan de hoge verwachtingswaarde in het plangebied worden gerelativeerd.
Deze is namelijk modelmatig tot stand gekomen, op basis van landschappelijke kenmerken en niet op basis van concrete vondsten ter plekke of uit de directe omgeving. Verder betreft deze verwachting specifiek de vroegere fase van de steentijd, waaruit alleen uiterst kwetsbare vindplaatsen resteren. Slechts indien er sprake is van een geheel of grotendeels intacte bodemopbouw, bestaat er een kans op het aantreffen van niet of nauwelijks verstoorde vindplaatsen. De ervaring in Ysselsteyn en omgeving leert dat de bodem in de meeste gevallen door latere bodembewerking dermate verstoord is dat geen zinvol onderzoek mogelijk is. Gelet op het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat in het kader van het voorliggende bestemmingsplan geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Wel blijft de vigerende archeologische bestemming gehandhaafd, zie paragraaf 5.3.2 Bestemmingsregels. 4.2.2 Cultuurhistorie Het dorp Ysselsteyn werd in 1918 gesticht op de grens van de Heijdsche Peel. De stichting kwam voort uit de grootschalige heideontginningen in de Peel dat vanaf het begin van de 20e eeuw plaatsvond, waarbij men een sterke boerenmiddenstand wilde creëren binnen deze nog onontgonnen woeste gronden. Ysselsteyn is een goed voorbeeld van een dorpsstichting, waarbij van te voren het stratenpatroon planmatig werd ontworpen.
Het dorp heeft de vorm van een modelontginning, waarbij het stratenpatroon Y-vormig is. Aan deze centrale wegen Timmermannsweg en Puttenweg werden vanaf de jaren 1920-1926 een kerk, een school en woningen voor middenstanders gebouwd. Met subsidie
Hoofdstuk 4
37
van de gemeente Venray kon men een boerenbedrijf beginnen in en nabij het dorp. Elk bedrijf had een eigen kavel van vaak meerdere hectaren groot, waardoor men meer dan voldoende ruimte had voor het bedrijf. De Sint Odahoeve behoort tot een van de eerste gebouwen van Ysselsteyn. Deze karakteristieke ontginningsboerderij is in 1929 gebouwd en beeldbepalend en typerend voor Ysselsteyn. In het kader van het planvoornemen blijft dit pand behouden voor de toekomst. Met deze ontwikkeling wordt het pand getransformeerd waarbij in totaal 7 wooneenheden inpandig worden gerealiseerd. Het gehele perceel van de Sint Odahoeve wordt heringericht en bovendien worden 8 grondgebonden seniorenwoningen gerealiseerd op het achtererf van de voormalige ontginningsboerderij. Hierdoor krijgt het planvoornemen het uiterlijk van een Vierkantshoeve waarbij sociale veiligheid en een groene leefomgeving centraal staan. Conclusie In het kader van het planvoornemen blijft de Sint Odahoeve behouden. Het aspect cultuurhistorie vormt derhalve geen belemmering voor de inpandige verbouwing en nieuwbouw op het achtererfgebied.
4.3 Leidingen en infrastructuur Er zijn blijkens het geldende bestemmingsplan en de Risicokaart Nederland in het plangebied geen leidingen gelegen die een zodanige bescherming behoeven dat zij voorzien zijn van een beschermingszone. Conclusie Leidingen en infrastructuur vormen geen belemmering voor het initiatief.
4.4 Ecologie Natuurwetgeving De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de ‘Wet natuurbescherming’ (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Deurnsche Peel & Mariapeel”, bevindt zich op circa 2,8 kilometer afstand ten noordwesten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid,
Hoofdstuk 4
38
licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van woningen betreft, is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten, met name tijdens de aanlegfase maar ook door een toename aan verkeersbewegingen in de toekomstige situatie. Een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied tijdens de sloop- en/of de aanlegfase is niet uit te sluiten. Derhalve is er een vervolgonderzoek2 in de vorm van een AERIUS-berekening uitgevoerd of er een toename van stikstofdepositie plaatsvindt. De resultaten van het onderzoek worden hieronder kort beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage in bijlage 4. Uit het onderzoek en de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura-2000 gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Het plangebied is niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone. Het dichtstbijzijnde onderdeel van de goudgroene natuurzone ligt ongeveer 860 meter ten noordoosten van het plangebied.
Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de goudgroene natuurzone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van de goudgroene natuurzone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Beschermde houtopstanden De bestaande boom, gelegen ten westen van het plangebied, is nu niet als zodanig bestemd als waardevol in het vigerende bestemmingsplan. Daarnaast is deze boom gelegen buiten onderhavig plangebied, waardoor met het planvoornemen geen invloed wordt uitgeoefend op deze boom. Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Het aspect beschermde houtopstanden vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Soortenbescherming Het plangebied bestaat momenteel uit een karakteristieke ontginningsboerderij met tuin. Deze boerderij wordt inpandig verbouwd. Door een ecoloog van Faunaconsult is een Flora en Fauna inspectie3 uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport in bijlage 3.
Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen:
2
Els & Linde, Stikstofdepositie notitie bouwplan Odahof Ysselsteyn, d.d. 21 oktober 2019 Faunaconsult, Flora- en fauna-inspectie voor realisatie van seniorenwoningen aan Timmermannsweg te Ysselsteyn, d.d. 8 januari 2020. 3
Hoofdstuk 4
39
Met betrekking tot de inpandige verbouwing van de Sint Odahoeve zijn overtredingen ten aanzien van het verstoren/verwijderen van verblijfplaatsen van een vleermuissoort op basis van de inspectie niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek dient hieromtrent uitsluitsel te geven; Met betrekking tot de inpandige verbouwing van de Sint Odahoeve ten aanzien van nestlocaties van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.
Kortom, de ontwikkelingen binnen het plangebied aan de Timmermannsweg kunnen negatieve gevolgen hebben voor nestlocaties van broedvogels en verblijfplaatsen van een vleermuissoort. Daarom dienen voor het vervolgtraject de volgende maatregelen genomen te worden. Daarom zal middels soortgericht vervolgonderzoek eerst inzichtelijk moeten worden of in de huidige situatie nest - of verblijfplaatsen aanwezig zijn van de betreffende soort(groep)en: Broedvogels (algemeen): Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Een vervolgonderzoek conform het vleermuisprotocol loopt van half mei tot en met eind september. Vooruitlopend op de resultaten van het vleermuisonderzoek worden conform het advies van Faunaconsult 4 vleermuiskasten verspreid opgehangen in de wijk. In het kader van de planning is het jaarrond onderzoek uitgezet. De onderzoeksresultaten zullen te zijner tijd separaat worden toegevoegd aan het bestemmingsplan. Conclusie De ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde gebieden of beschermde natuurwaarden. Voordat de werkzaamheden worden uitgevoerd dient er aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar vleermuizen. Hiertoe is in de bestemmingsplanregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen.
Tijdens de werkzaamheden dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten op vleermuizen, algemene zoogdieren en broedvogels te voorkomen. Het bestemmingsplan is uitvoerbaar op het gebied van ecologie.
4.5 Verkeer en parkeren Verkeer Het plangebied blijft bereikbaar via de Timmermannsweg, Pioniersstraat en Grauwveen. De Timmermannsweg is verder weer ontsloten op de Puttenweg (N277). De Timmermannsweg betreft een 30 km/uur-weg. De Puttenweg (N277) betreft een 50 km/uur-weg.
Hoofdstuk 4
40
Als gevolg van de woningbouw zal er sprake zijn van een toename van het aantal verkeersbewegingen. De verwachte verkeersaantrekkende werking van het planvoornemen is berekend op basis van de CROW-publicatie 381 "Toekomstbestendig parkeren". Hierbij is uitgegaan van 8 seniorenwoningen en 7 mediorwoningen (overeenkomend met CROW-type: 8 huur appartementen, midden/goedkoop inclusief sociale huur, en 7 koopwoningen tussen/hoek) in het gebiedstype ‘rest bebouwde kom’ in de gemeente Venray (matig stedelijk). In totaal worden gemiddeld 78,5 verkeersbewegingen per etmaal gegenereerd op een gemiddelde weekdag met de voorgenomen ontwikkeling. Wat betreft profiel en capaciteit zijn de wegen berekend op een geringe toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de realisatie van de woningen. Parkeren De gemeente Venray hanteert met betrekking tot parkeerbeleid de ‘Beleidsnota Parkeernormen Gemeente Venray’. Binnen de beoogde ontwikkeling worden maximaal 15 wooneenheden gerealiseerd bestaande uit 8 seniorenwoningen en 7 grondgebonden woningen ten behoeve van kleine huishoudens/55+. De beoogde locatie is op basis van het gemeentelijke parkeer beleid gelegen in ‘rest bebouwde kom.
Als uitgangspunt geldt voor woningbouwontwikkelingen een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen per woning volgens de Nota Parkeernormen, doch hiervan kan mits goed gemotiveerd afgeweken worden door een maatwerknormering toe te passen. In onderhavige paragraaf wordt hier nader op ingegaan. Het woningbouwprogramma van het plan bestaat uit woningen voor één of twee persoonshuishoudens. Er is met het initiatief ingesprongen op een voor Ysselsteyn specifieke lokale vraag vanuit de ouderen/senioren om terug te kunnen keren naar het eigen dorp. De woningen hebben een beperkte vloeroppervlakte. De woning in de nieuwbouw hebben een slaapkamer op de begane grond, de woningen in de bestaande boerderij niet, deze ligt op de verdieping. Daarnaast zijn de percelen van de woningen klein gehouden en liggen de woningen gegroepeerd rondom een binnenhof waarop de voordeuren van de woningen uitkomen. Doel hiervan is een woningbouwplan te creëren waar een zekere geborgenheid en bescherming van uitgaat. Vanwege de type woningen en de gekozen ruimtelijke opzet van het ‘begijnhof’ wordt nadrukkelijk ingezet op kleine huishoudens en ouderen. Gelet op het voorgaande profiel van kleine huishoudens van ouderen is een lagere parkeernorm dan 2 parkeerplaatsen per woning motiveerbaar.
Kwantificering van de norm De standaard bruto-parkeernorm van 2 parkeerplaatsen per woning is samengesteld uit twee waarden, namelijk het verwachte aantal auto’s per woning en het aandeel bezoekersparkeren. Voor bezoekersparkeren wordt een standaardnorm van 0,3 parkeerplaats per woning aangehouden, waardoor de nettonorm voor reguliere woningen op 1,7 parkeerplaats per woning ligt.
Hoofdstuk 4
41
Parkeerbehoefte plan In onderhavige situatie is er vanwege het type woningen en de beoogde doelgroep aanleiding om gemotiveerd een lagere parkeernorm toe te passen. Tevens is het gelet op de doelgroep en het type woning (zie omschrijving hiervoor) niet ondenkbaar dat naast bewoners er ook mantelzorgers actief in het complex zullen zijn. Ook voor deze doelgroep gaan we uit van een bepaald aandeel in het parkeren. 1. De volgende argumenten zijn aanleiding om uit te gaan van een netto-norm van 1,0 parkeerplaats per woning (excl bezoekersparkeren en mantelzorg): Het project richt zich op de doelgroepen (gepensioneerde) ouderen en kleine huishoudens. De woningen hebben een beperkt vloeroppervlak en zijn standaard voorzien van een functionele indeling gericht op de doelgroep ouderen en kleine huishoudens. Het is zeer aannemelijk dat gelet op het profiel van de doelgroep men gemiddeld slechts over 1 auto per huishouden beschikt. Het bovenstaande maakt een parkeernorm van 1 parkeerplaats per woning aanvaardbaar, hetgeen bij 15 woningen resulteert in een behoefte van 15 parkeerplaatsen. 2. Voor bezoekers is het standaardaandeel 0,3 parkeerplaats per woning. Voor dit plan houden we dit uitgangspunt aan wat betekent dat er voor bezoekersparkeren 15 x 0,3 pp/woning = 4,5 parkeerplaatsen benodigd is. 3. Voor mantelzorg gaan we uit van een laag aandeel.
Dit kan immers deels worden ingevuld door de bewoners zelf vanwege de gekozen woonvorm van een hofje en deels door bezoekers waarmee dit reeds deels in bewoners en bezoekersparkeren verdisconteert zit. Aannemelijk is dat dit aandeel het bezoekersparkeren niet overstijgt. Stellen we deze op de helft daarvan dan bedraagt de norm 0,15 parkeerplaats per woning. Bij 15 woningen zijn dit 2.25 parkeerplaatsen. De totale behoefte voor dit plan komt afgerond uit op 22 parkeerplaatsen. In dit aantal wordt in het planontwerp voorzien. Kwalitatief Het aantal parkeerplaatsen en de daaruit voortvloeiende norm is geen garantie dat er in de werkelijke situatie precies op dezelfde wijze sprake is van autobezit, regulier bezoekersparkeren en mantelzorg en er precies dezelfde parkeerdruk ontstaat. De richtlijnen van het CROW zijn opgebouwd uit ervaringsgegevens en jarenlange verzamelde kennis van parkeersituaties in, in dit geval woonwijken en vormen een belangrijke basis op basis waarvan maatwerk per plan mogelijk is. Om ongewenste effecten tegen te gaan wordt in het kader van onderhavig bestemmingsplan in zowel de huur- als koopovereenkomsten opgenomen dat de huurder en koper bij een overeenkomst zich er van bewust is dat is uitgegaan van een beperkt auto bezit van maximaal 1 autovoertuig per woning.
Daarnaast zijn initiatiefnemers op dit moment de mogelijkheden van een of meerdere deelauto’s aan het onderzoeken in het kader van onderhavig initiatief. De inzet van deelauto’s wordt gezien als een
Hoofdstuk 4
42
kansrijke alternatieve vervoersmogelijkheid in het kader van onderhavige ontwikkeling. Met het planvoornemen wordt onder andere beoogd dat er een grote sociale cohesie en gemeenschapszin ontstaat. De inzet van een deelauto draagt hieraan bij. Conclusie Binnen onderhavig plan wordt voorzien in de realisatie van 22 parkeerplaatsen. Hiervan worden in totaal 14 parkeerplaatsen op de kopse kanten (7 + 7) van de Sint Odahoeve binnen het plangebied en in totaal 8 parkeerplaatsen (4 + 4) aan zowel het Grauwveen en de Pioniersstraat gerealiseerd. Hiermee wordt enerzijds voldaan aan de parkeerbehoefte van de in totaal 15 woningen, alsmede de parkeerbehoefte voortkomend uit mogelijke bezoekers en mantelzorg. De beoogde ontwikkeling voorziet hiermee in voldoende parkeervoorzieningen binnen onderhavige ontwikkeling.
4.6 Waterhuishouding Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheersplan van waterschap Peel en Maasvallei, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2006 (POL2006), de Nationaal Waterplan, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. De meest relevante beleidsstukken worden hierna verder toegelicht. Nationaal Waterplan 2009-2015 In december 2009 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen.
Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014) De opgave in het POL2014 inzake het regionale water, is te komen tot robuuste en natuurlijk functionerende, veerkrachtige watersystemen, waardoor risico’s op wateroverlast en watertekort verminderen en ook bij klimaatverandering beheersbaar en maatschappelijk acceptabel blijven. Er dient voldaan te worden aan de regionale normering voor wateroverlast. Daarnaast is de opgave het ontwikkelen van regionale, gebiedsgerichte adaptatiestrategieën en het treffen van effectieve maatregelen voor het omgaan met huidige én toekomstige watertekorten, waarbij beschikbaarheid van voldoende water van
Hoofdstuk 4
43
de juiste kwaliteit een belangrijke voorwaarde is. Op die manier zijn problemen op gebied van watertekort in tijden van schaarste, beheersbaar en maatschappelijk acceptabel. Een van de provinciale doelen is om wateroverlast en watertekorten in het regionale watersysteem te beperken door meer ruimte voor water beschikbaar te stellen, de sponswerking te versterken en te anticiperen op de gevolgen van klimaatverandering. Waterschap Peel en Maasvallei Het Waterbeheerplan 2016-2021 is op 14 oktober 2015 vastgesteld door de Algemeen besturen van Waterschap Roer en Overmaas en Waterschap Peel en Maasvallei en op 22 december 2015 in werking getreden. Het plan heeft een looptijd van 2016 tot en met 2021. Met dit Waterbeheerplan zetten de waterschappen de koers uit voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg; hoe men invulling wil geven aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon water. Keur waterschap Peel en Maasvallei Op waterstaatswerken en watergangen (waterlopen) is de Keur van het waterschap Peel en Maasvallei van toepassing. In de Keur worden enkele handelingen in het watersysteem beperkt, waaronder het lozen van water in het watersysteem en het realiseren van werken c.q. bebouwing binnen de keurzones van een waterstaatswerk of watergang.
Gemeentelijk Rioleringsplan Venray 2018-2021 Op 31 juli 2017 heeft de gemeenteraad het Gemeentelijk Rioleringsplan Venray (GRP) 2018-2021 vastgesteld. Dit rapport betreft de actualisatie van het voormalige GRP 2013-2016 voor de periode 2018 tot en met 2021. Met dit gemeentelijk rioleringsplan geeft de gemeente Venray invulling aan haar zorgplicht voor (stedelijk) afvalwater, hemelwater en grondwater, alsmede een doelmatig en duurzaam beheer van de gemeentelijke riool- en watervoorzieningen. Met de indeling van dit GRP is aangesloten bij de nieuwe Omgevingswet. In het GRP zijn actuele ontwikkelingen uit het stedelijk waterbeheer opgenomen en is de visie van de gemeente Venray hierop uiteengezet. Een belangrijke ontwikkeling binnen de planperiode van dit GRP is de komst van de Omgevingswet, waarin verschillende aspecten van het huidige beleid en regelgeving op het gebied van (afval) water in opgenomen worden. De zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater blijven bestaan met de komst van de Omgevingswet. Verder blijft de verplichting tot onderhoud van kapitaalgoederen bestaan en ook de separate financiële positie voor rioolbeheer in de gemeentelijke begroting blijft van toepassing. Door klimaatverandering valt neerslag over een jaar genomen steeds ongelijkmatiger.
Perioden met extreme droogte nemen toe en ook het aantal en de intensiteit van extreme buien nemen toe. Verdroging zal toenemen door lage grondwaterstanden. Ook de kans op hinder, overlast en schade als gevolg van overtollig hemelwater zal toenemen. Al in het vorige GRP is daarom een apart budget opgenomen voor klimaatadaptatie. De klimaat adaptieve maatregelen in Venray bestaan veelal uit het afkoppelen van verhard oppervlak van de bestaande gemengde riolering. Het GRP van Venray kent tevens een apart budget voor het jaarlijks afkoppelen van verhardingen in
Hoofdstuk 4
44
de openbare ruimte of gemeentelijke gebouwen. De gemeente Venray heeft de voorkeur voor bovengrondse maatregelen in het kader van klimaatadaptatie. Daarmee wordt de gemeentelijke zorgplicht in Venray meer bovengronds zichtbaar in wegen en groen en is de relatie met ruimtelijke ordening, openbare ruimte en vergunningverlening cruciaal. In het basisrioleringsplan (BRP) 2015 zijn de maatregelen beschreven die noodzakelijk zijn om Venray klimaatproof te maken voor wat betreft neerslag. In het GRP zijn de maatregelen uiteengezet. Met het in werking treden van het Bestuursakkoord Water ligt de focus op het water(keten)beheer op een doelmatige aanpak: Doen we de goede dingen en doen we die dingen vervolgens goed? De omslag van sterk normatief beleid naar een meer effectgerichte benadering van het beleid is al ingezet in de gemeente Venray.
Kenmerken van het watersysteem In het kader van onderhavige ontwikkeling is geohydrologisch onderzoek uitgevoerd 4. De resultaten van het onderzoek worden hieronder kort beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage in bijlage 5. Grondwater en waterkwaliteit Het plangebied ligt niet binnen waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied of een boringsvrije zone. Het is van belang in het plangebied verontreiniging als gevolg van afstromend hemelwater te voorkomen. Om de waterkwaliteit te garanderen wordt geadviseerd bij de aanleg van de in het plangebied te realiseren gebouwen geen gebruik te maken van uitlogende materialen. Daarnaast dient het gebruik van strooizout en chemische onkruidbestrijdingsmiddelen in het plangebied zoveel mogelijk te worden voorkomen. Tijdens het onderzoek waargenomen grondwaterniveaus liggen tussen 2,86 m – mv en 3,00 m – mv. Uit de gegevens van grondwatertools.nl de globale horizontale stroming van het freatisch grondwater is noordelijk, oostelijk en westelijk gericht met een verhang van circa 0,5 meter per kilometer. De verticale stroming van het grondwater is doorgaans neerwaarts gericht (infiltratie). Oppervlaktewater In het plangebied zelf is geen primair oppervlaktewater aanwezig. Daarnaast wordt in de toekomstige situatie ook niet voorzien in nieuw oppervlaktewater binnen het plangebied.
Uit zowel de POL2014kaarten als de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijken geen belemmeringen voor het plangebied. Hemel- en afvalwater Het regenwater dat afstroomt van de daken en verhardingen zal in het plangebied moeten worden opgevangen en geïnfiltreerd middels een zelfstandig infiltratiesysteem. Het regenwater zal in geen geval afgegeven mogen worden op het gemeentelijke rioleringsstelsel. Conform de Toetssteen Openbare Ruimte van de gemeente Venray dienen bij het ontwerp van de toekomstige voorzieningen de volgende uitgangspunten in acht te worden gehouden: Ontwerp van infiltratie- en retentievoorzieningen volgens module B1200 uit de Leidraad Riolering. 4
Lankelma, Geohydrologisch onderzoek infiltratiegeschiktheid bouwplan Odahof Ysselsteyn, d.d. 5 maart 2020.
Hoofdstuk 4
45
De infiltratievoorziening heeft een totale bergingscapaciteit van minimaal 40mm (het aangesloten verharde oppervlak vermenigvuldigd met 40 mm geeft de benodigde bergingscapaciteit in m³). Indien de voorziening een overloop heeft richting waterschapswater, gelden de rekenwaardes van het waterschap. De infiltratievoorziening heeft een leeglooptijd van 24 uur of minder. Aan te tonen middels een berekening in combinatie met bodemonderzoek. De initiatiefnemer mag een noodoverloop maken als de noodoverloop overstort op maaiveldniveau, dus niet via een buis ondergronds naar het openbaar riool. De voorkeur gaat uit naar een centrale open infiltratievoorziening, indien wegens ruimtegebrek niet mogelijk, dan een ondergrondse voorziening. Het type infiltratie- en/of retentievoorziening dient in overleg met de gemeente te worden vastgesteld. De infiltratievoorziening moet reinigbaar en inspecteerbaar zijn. Voorzieningen die ondergronds worden aangebracht dienen aantoonbaar de belasting van een brandweer blusvoertuig te kunnen weerstaan.
In het kader van de concrete uitwerking van het bouwplan vindt ook de uitwerking van het infiltratiesysteem in het plangebied plaats. Hierbij worden de hiervoor genoemde richtlijnen in acht genomen. Vooralsnog is het uitgangspunt dat er een infiltratieriool in het openbare gebied wordt gerealiseerd. In het kader van het uitgevoerde onderzoek blijkt dat de bodem mogelijkheden biedt voor infiltratie, aangezien de k-waarde van de zandige bodem groter is dan 0,4 m/dag en de gemiddelde hoogte van de grondwaterstand dieper is dan 0,7 m – mv. Op basis van het uitgevoerde infiltratieonderzoek wordt geadviseerd bij de dimensionering van de infiltratievoorziening uit te gaan van een gemeten minimale k-waarde van 0,7 m/dag. Het afvalwater wordt geloosd op het bestaande rioolstelsel. Binnen het plangebied zal voorzien worden in een gescheiden rioleringsstelsel voor de gescheiden afvoer van afval- en hemelwater. Conclusies en overleg met de waterbeheerder Uit het overleg met de waterbeheerder is geconcludeerd dat de waterbeheerder geen aanleiding ziet om te reageren op de voorgenomen ontwikkeling. Ook ligt het plangebied niet binnen een, door het waterschap aangegeven, aandachtsgebied. Het plangebied is geschikt voor het realiseren van een infiltratievoorziening.
Als gevolg van de realisatie van het wooncomplex treden geen negatieve effecten op met betrekking tot de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en staat het aspect water de uitvoering van het plan niet in de weg.
4.7 Onderzoek niet gesprongen explosieven Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Het gehele grondgebied van de gemeente Venray heeft in de Tweede Wereldoorlog zwaar onder vuur gelegen. Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het be-
Hoofdstuk 4
46
sluitgebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven (NGE). Met behulp van het explosievenonderzoek worden de aanwezigheid en risico’s van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht. De gemeente Venray adviseert bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detectieonderzoek uit te (laten) voeren. Dit onderzoek dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de bestemmingsplanprocedure niet juridisch afdwingbaar. Het is echter te allen tijden de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving.
4.8 Ladder voor duurzame verstedelijking In het kader van een goede ruimtelijke ordening is voor de beoogde ontwikkeling door BRO een onderbouwing aan de hand van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking opgesteld 5. De resultaten van het onderzoek worden hieronder kort beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderbouwing in bijlage 6. De regio Noord-Limburg vindt het van belang dat de plancapaciteit in lijn is met de huishoudensprognose zodat er kan worden gebouwd naar reële behoefte. Wanneer de huishoudensprognose en het harde plancapaciteit met elkaar worden gematcht blijkt dat er in de woonregio Venray nog ruimte is voor het toevoegen van circa 1.870 woningen en in de woonregio Venlo ruim 1.400 woningen. De netto plancapaciteit in de gemeente Venray is 1.267 woningen, waarvan er 927 een harde status hebben. Afgezet tegen de huishoudensprognose is er in de gemeente Venray dus nog ruimte voor 516 woningen. Voor de gemeente Venray geldt dat er een reductie van plancapaciteit ten opzichte van 2016 heeft plaatsgevonden, waardoor nu naar behoefte gebouwd kan worden. De actuele huishoudensprognose schetst een positiever beeld dan enkele jaren geleden. Dit heeft een positief effect op de woningbehoefte in de gemeente Venray en redelijkerwijs ook in de kern Ysselsteyn.
Deze behoefte wordt bevestigt door de actuele behoeftepeiling en onderschreven in de actualisering van de ruimtelijke visie voor Ysselsteyn. Hieruit blijkt een tekort aan woningen, nadrukkelijk voor starters en senioren. De exacte kwantitatieve woningbehoefte in Ysselsteyn is echter niet bekend. Tegelijkertijd is er ook sprake van andere woningbouwinitiatieven en wil de gemeente in de kerkdorpen ruimte geven aan kwalitatief goede initiatieven. Dit vraagt dus om een zorgvuldige afweging van de verschillende initiatieven door de gemeente (op basis van Afwegingskader woningbouwplannen dorpen). Noord-Limburg wil bouwen voor de reële behoefte en vindt het hierbij noodzakelijk dat een omslag wordt gemaakt naar een vraaggerichte woningmarkt. In de Regionale Structuurvisie wordt benadrukt dat er in het lokale woonbeleid voldoende aandacht moet zijn voor vergrijzing. Toevoeging van 15 woningen specifiek bedoeld voor senioren/55-plussers speelt hier nadrukkelijk op in. In de visie worden tevens kansrijke segmenten benoemd, waaronder een toenemende vraag naar huur en een groeiende 5BRO, ‘Ladder voor duurzame verstedelijking, woningbouw Timmermannsweg te Ysselsteyn’, projectnr.: P02305, d.d. 9 juli 2020.
Hoofdstuk 4
47
behoefte aan levensloopbestendige woningen. De beoogde ontwikkeling sluit geeft hier invulling aan. De gemeente Venray bouwt voort op de regionale visie door te stellen dat ze een kwalitatief gedifferentieerde woningvoorraad wil realiseren (in eigendom, type en prijs) die aansluit op de vraag van de huidige en toekomstige inwoners. Op basis van woningbehoefteonderzoek in de Noord-Limburgse gemeenten blijkt dat er in Venray relatief veel behoefte bestaat aan eengezinswoningen en wonen in een dorps milieu. Het huidige initiatief geeft invulling aan deze behoefte. Volgens de dorpsraad van Ysselsteyn is sprake van woningbehoefte onder ouderen en starters. De ontwikkeling van 15 seniorenwoningen past hier nadrukkelijk bij. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat er zowel een kwantitatieve als een kwalitatieve behoefte bestaat aan het planinitiatief binnen het verzorgingsgebied. Naar verwachting zullen er door het beoogde initiatief geen onaanvaardbare effecten optreden voor de bestaande woningmarkt in Ysselsteyn. Tevens wordt het initiatief gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied en is er daarmee sprake van duurzaam ruimtegebruik.
4.9 Duurzaamheid Het Bouwbesluit stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuwe woningen. De belangrijkste eis daarvoor is de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). De beoogde woning dient te voldoen aan de vereiste energieprestatie die op het moment van vergunningaanvraag geldig is. De beoogde woningen dienen te voldoen aan de vereiste energieprestatie die op het moment van vergunningaanvraag van toepassing is. Voor woningen geldt momenteel een EPC-waarde van 0,4. Naast de Energie Prestatie Coëfficiënt zijn in het Bouwbesluit eisen opgenomen ten aanzien van de ventilatie, luchtdichtheid en isolatie van woningen. Ook deze aspecten zijn van belang in het kader van duurzaamheid. Zo zorgt een goed ventilatiesysteem voor de juiste balans in luchtkwaliteit, comfort en energieprestatie van gebouwen en wordt door ‘kierdicht’ te bouwen voorkomen dat lucht, vocht of warmte ongewenst het gebouw binnenkomt of verlaat. Een goede isolatie zorgt daarnaast voor meer comfort en lagere energiekosten. Verder stelt het Bouwbesluit eisen aan de milieuprestaties van een gebouw. Hierbij geldt als voorwaarde dat bij nieuwbouw de belasting van het milieu wordt beperkt door de in het bouwwerk toe te passen materialen. Voor nieuwbouwwoningen groter dan 100 m² geldt dat een zogeheten Milieuprestatieberekening (MPG) bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te worden ingediend.
Tot slot is op basis van de ‘Wet voortgang energietransitie’ de gasaansluitplicht komen te vervallen. Dit volgt uit het nieuwe lid 7 van artikel 10 van de Gaswet, waarin is bepaald dat de aansluittaak van de netbeheerders niet van toepassing is op het aansluiten van (onder meer) nieuwbouwwoningen. Dit betekent in de praktijk dat de te realiseren appartementen niet zullen worden aangesloten op het gasnet.
Hoofdstuk 4
48
5.
JURIDISCHE ASPECTEN 5.1 Planonderdelen Het bestemmingsplan bestaat uit de toelichting, de regels en de verbeelding. De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van de aanwezige bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk worden de diverse bepalingen artikelsgewijs besproken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding zijn de bestemmingen weergegeven. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is opgesteld conform de landelijke richtlijn voor bestemmingsplannen (SVBP 2012), alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Verder is aangesloten bij de systematiek van het ontwerpbestemmingsplan voor het centrum van Venray.
5.2 Toelichting op de verbeelding De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1: 500. Opgenomen is een woonbestemming met daarin een bouwvlak waar de nieuwe wooneenheden, alsmede verkeer-, parkeer- en groenvoorzieningen zijn toegestaan. Door middel van aanduidingen zijn aanvullende (bouw)regels, waaronder het maximum aantal woningen, de goothoogte, het achtererf en een bebouwsvrije zone weergegeven. Daarnaast is aangrenzend aan de woonbestemming een verkeersbestemming opgenomen waarbinnen verkeer-, parkeer- en groenvoorzieningen zijn toegestaan.
5.3 Toelichting op de planregels De regels leggen de gebruiksmogelijkheden van de gronden en de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing vast. De toelichting heeft welis-
Hoofdstuk 5
49
waar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Inleidende regels; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3: Algemene regels; Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels. 5.3.1 Inleidende regels De inleidende regels behelzen de begrippen en de wijze van meten. Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden. 5.3.2 Bestemmingsregels De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid. Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen.
De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van gronden en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning. De afwijking van de bouwregels geven het
Hoofdstuk 5
50
bevoegd gezag de bevoegdheid om onder voorwaarden afwijking te verlenen van een specifieke regel. De specifieke gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik. De afwijking van de gebruiksregels heeft tot doel bepaald gebruik wat eerder is uitgesloten onder voorwaarden wel toe te laten. Onderstaand worden de regels van de opgenomen bestemming nader toegelicht. ‘Verkeer’ De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor verkeer - en verblijfsdoeleinden, water en waterhuishoudkundige doeleinden, wegen, paden, verhardingen en andere bij de bestemming passende voorzieningen, groenvoorzieningen, kunstwerken, parkeervoorzieningen, voorzieningen van openbaar nut, speel- en wandelgebied en bluswatervoorzieningen. ‘Wonen’ De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor ‘wonen’. Binnen de enkelbestemming zijn, naast woningen binnen het bouwvlak, voorzieningen voor de infiltratie van hemelwater, paden, verhardingen en in- en uitritten toegestaan conform de regels uit het bestemmingsplan ‘Ysselsteyn’ (vastgesteld door de gemeenteraad van Venray op 27 september 2016). Daarnaast zijn binnen de enkelbestemming gebouwen en daarbij behorende bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. Om de stedenbouwkundige invulling van het planvoornemen te waarborgen zijn ter plaatse van de bestemming ‘Wonen’ enkele aanduidingen opgenomen.
Ter plaatse van de aanduiding ‘gevellijn’ geldt dat elke naar de openbare weg toegekeerde gevel wordt beschouwd als voorgevel. Ter plaatse van deze aanduiding en de gronden van de ‘specifieke vorm van wonen – bebouwingsvrijezone’ geldt dat enkel terrasafscheidingen zijn toegestaan conform de voorwaarden zoals opgenomen in de regels. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – achtererf’ geldt dat enkel bijgebouwen en erf- en terreinafscheidingen zijn toegestaan. Voordat de werkzaamheden in het planvoornemen worden uitgevoerd dient er aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar vleermuizen. Hiertoe is in de bestemmingsplanregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Tijdens de werkzaamheden dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten op vleermuizen, algemene zoogdieren en broedvogels te voorkomen. ‘Waarde – Archeologie 4’ De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende (enkel) bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de archeologische waarden in het gebied. Op basis van deze dubbelbestemming geldt een archeologische onderzoeksplicht bij verstoringen met een oppervlakte van meer dan 500 m² per bouwperceel en een diepte van meer dan 50 cm.
Hoofdstuk 5
51
5.3.3 Algemene regels In de algemene regels is een aantal standaardbepalingen opgenomen te weten, de antidubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels, algemene procedureregels en overige regels. Anti-dubbeltelregel In de anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels zijn regels gesteld die gelden voor alle bestemmingen uit hoofdstuk 2. In dit geval zijn dit regels met betrekking tot ondergronds bouwen, bestaande afstanden en maten en infiltratie van hemelwater. Tevens is een regeling opgenomen ten aanzien van het aantal noodzakelijk aan te leggen parkeerplaatsen bij bouwen, uitbreiden of verbouwen van gebouwen. Algemene gebruiksregels In deze algemene gebruiksregels wordt gebruik in strijd met de bestemmingsomschrijvingen uit de afzonderlijke bestemmingen als strijdig gebruik aangemerkt. Algemene afwijkingsregels In deze regels zijn algemene afwijkingsbepalingen opgenomen.
Zo is opgenomen dat binnen alle bestemmingen kan worden afgeweken van opgenomen maten tot een maximum van 10%. Ook zijn afwijkingsregels opgenomen die het mogelijk maken bij meetverschillen ontwikkelingen toe te staan en is bepaald dat kleine bouwwerken van openbaar nut, mits ze voldoen aan bepaalde voorwaarden, ook in afwijking van de bestemmingsregels vergund kunnen worden. Algemene wijzigingsregels In deze bepaling wordt aan burgemeester en wethouders een algemene bevoegdheid gegeven om kleinschalige wijzigingen aan te brengen in de bestemmingen van onderhavig plan. Algemene procedureregels In de algemene procedureregels zijn de procedures opgenomen die dienen te worden doorlopen bij een binnenplanse wijziging of het stellen van nadere eisen. Overige regels In deze regels zijn de voorrangsbepalingen voor bestemmingen opgenomen, wordt ingegaan op de consequenties van een overtreding van de gebruiksregels en wordt duidelijk gemaakt hoe overige wettelijke regelingen in relatie staan tot de regels in dit bestemmingsplan.
Hoofdstuk 5
52
5.3.4 Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk is het sluitstuk van de regels en bevat alle bepalingen die nog niet elders ondergebracht zijn. De regels zijn algemeen van aard en gelden in principe voor alle bestemmingen. Overgangsrecht In deze regel wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht. Slotregel Als laatste is de slotregel opgenomen. Deze regel bevat de titel van het plan.
Hoofdstuk 5
53
6.
HANDHAVING Een bestemmingsplan is voor de gemeente een belangrijk instrument om haar ruimtelijk beleid vorm te geven. Door middel van een combinatie van positieve bestemmingen en het uitsluiten van bepaalde activiteiten en functies kan een sturing plaatsvinden van gewenste en ongewenste ontwikkelingen. Een belangrijk aspect hierbij is de handhaving en het toezicht op de naleving van het bestemmingsplan. Deze handhaving is van cruciaal belang om de in het plan opgenomen ruimtelijke kwaliteiten ook op langere termijn daadwerkelijk te kunnen vasthouden. Daarnaast is de handhaving van belang uit een oogpunt van rechtszekerheid: alle bewoners en gebruikers dienen door de gemeente op eenzelfde wijze daadwerkelijk aan het plan worden gehouden. In dit bestemmingsplan is daarom allereerst gestreefd naar een zo groot mogelijke eenvoud van in het bijzonder de planregels. Hoe groter de eenvoud (en daarmee de toegankelijkheid en leesbaarheid), hoe groter in de praktijk de mogelijkheden om toe te zien op de naleving van het plan. Bewust zijn in het plan geen detailbepalingen opgenomen die – hoewel misschien op zichzelf niet onwenselijk – in de praktijk niet kunnen worden gehandhaafd. In het verlengde daarvan is zoveel mogelijk afgezien van bepalingen die door de bewoners en andere gebruikers als een onnodige beperking van hun vrijheid kunnen worden gevoeld.
Hoe minder knellend de planregels zijn, hoe kleiner de kans dat het met de regels wat minder nauw wordt genomen. In de praktijk worden op de lange duur immers ook alleen die regels gerespecteerd waarvan door de betrokkenen de noodzaak en de redelijkheid wordt ingezien. In de bouwregels zijn maten opgenomen die van toepassing zijn op gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Te realiseren gebouwen en andere bouwwerken moeten voldoen aan deze maatvoering, zo niet, dan kan het college van burgemeester en wethouders geen omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen. Gebruiksregels zijn opgenomen om gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken en ongewenste ontwikkelingen uit te sluiten. Toetsing aan de gebruiksregels is aan de orde bij functiewisseling of nieuwvestiging. Het gemeentebestuur draagt de verantwoordelijkheid om toe te zien op de naleving van de opgenomen regels in het bestemmingsplan.
Hoofdstuk 6
54
7.
HAALBAARHEID 7.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. In de Grondexploitatiewet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd, kan de gemeente afzien van het opstellen van een exploitatieplan. Eveneens is de gemeente niet verplicht een exploitatieplan vast te stellen in bij het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangegeven gevallen waar de verhaalbare kosten uitsluitend de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen, of niet opweegt tegen de bestuurlijke lasten (artikel 6.12, lid 2, aanhef, juncto artikel 6.2, lid 1 Bro). Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt onder andere aangewezen een bouwplan voor de bouw van een of meer woningen. Er is in dit geval dus sprake van een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, waardoor een verplichting tot kostenverhaal geldt.
Tussen de initiatiefnemer en de gemeente worden hiertoe een anterieure overeenkomst en een planschadeovereenkomst afgesloten. Het voorliggende initiatief heeft betrekking de bouw van 15 wooneenheden en betreft daarmee een bouwplan. De gemeente en de initiatiefnemer sluiten een anterieure overeenkomst waarin het kostenverhaal wordt verzekerd. Tevens wordt een planschadeverhaalsovereenkomst afgesloten tussen de initiatiefnemer en de gemeente.
7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Ingevolge artikel 1.3.1. van het Bro dienen Burgemeester en Wethouders te besluiten en te publiceren of er terinzagelegging van het bestemmingsplan plaatsvindt, of er zienswijzen kunnen worden ingediend en of er een onafhankelijke adviesinstantie advies uitbrengt. Ook is in artikel 1.3.1. Bro bepaald dat het voornemen tot het voorbereiden van een bestemmingsplan waarbij geen MER wordt opgesteld, dient te worden gepubliceerd conform artikel 3:12 lid 1 en 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en langs elektronische weg.