CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

03 Bestemmingsplan Lorbaan 1 Veulen

Gemeenteraad 12 april 2022, gemeente VenrayBij agendapunt: Bestemmingsplan Lorbaan 1 Veulen35.237 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

5.2.3 Inspraak en vooroverleg In het kader van inspraak en vooroverleg is het voorliggende plan aangeboden aan de vooroverlegpartners, zijnde:

Provincie Limburg; Waterschap Limburg; Veiligheidsregio Limburg-Noord. De provincie Limburg heeft aangegeven akkoord te zijn met de plannen en had verder geen opmerkingen. Het waterschap heeft aangegeven akkoord te zijn met de plannen. Wel hadden zij nog de volgende opmerking: "De richtlijnen die staan opgenomen in de waterparagraaf van de toelichting zijn niet geheel juist meer. Bij een bui t=100 hanteren wij 100 mm per m² verhard oppervlak . Dit gezegd hebbende zal er middels onderhavig plan afk oppeling van hemelwater plaatsvinden. Dit is altijd positief en aan te bevelen. Er komt verder geen extra verhard oppervlak erbij. Het plan is ak koord." In de paragraaf "Wateraspecten" (paragraaf 4.5) is dit gecorrigeerd. De veiligheidsregio heeft aangegeven akkoord te zijn met de plannen. Wel hadden zij nog een kleine afwijking met het beleid ten aanzien van bluswater geconstateerd, maar deze is op basis van het advies van de veiligheidsregio acceptabel. Daarnaast is sprake van een overschrijding van de opkomsttijd van de Tankautospuit Venray van enkele minuten. Deze is echter op basis van het "Dekkingsplan werkexemplaar 1.06 gemeente Venray" eveneens acceptabel geacht. Voor de reacties van het waterschap en de veiligheidsregio wordt verwezen naar bijlage 6 van deze toelichting.

5.2.4 Ter inzage legging ontwerpbestemmingsplan Het voorliggende bestemmingsplan heeft van 24 december 2021 tot en met 3 februari 2022 als ontwerp ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is eenieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen. Tijdens de ter inzage termijn van het ontwerpbestemmingsplan zijn geen zienswijzen ingekomen. Een aanpassing van het voorliggende plan naar aanleiding van de terinzagelegging van het ontwerp is daarmee niet noodzakelijk gebleken.

5.3

Handhaving

Een bestemmingsplan en/of een omgevingsvergunning is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de regels in de omgevingsvergunning ligt bij de gemeente. Het handhavingsbeleid van de gemeente Venray vormt de basis van de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waarborgen tegen ongewenste activiteiten en overlast. In het kader van een ruimtelijk project heeft regelgeving met name betrekking op de 51

Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet. Bij overtreding van deze regels kan gedacht worden aan bouwen zonder vergunning, bouwen in afwijking van een verleende vergunning en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van een bestemmingsplan of een vrijstelling.

52

Hoofdstuk 6 6.1

Wijze van bestemmen

Doel en reikwijdte

Het bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. In artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat twee begrippen centraal staan. Dit zijn: 1. goede ruimtelijke ordening; 2. uitvoerbaarheid. Als een plan aan deze twee eisen voldoet, voldoet het aan de wet. Via een bestemmingsplan worden functies aan gronden gegeven. Vanuit de Wro volgt een belangrijk principe, namelijk toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder, etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan bepaalt uit te oefenen. Dit houdt in dat: 1. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en; 2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsregels zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken' (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen) en kan daarbij regels geven voor: 1. het bebouwen van de gronden; 2.

het verrichten van werken (aanleggen). Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is niet het enige instrument. Andere wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de Algemeen Plaatselijke Verordening, de Wet Milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitvoeren van het ruimtelijk beleid. Via overeenkomsten kan de gemeente met betrokken partijen aanvullende afspraken maken voor zover dat niet via het bestemmingsplan geregeld kan worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het zeker stellen dat bepaalde activiteiten ook werkelijk verricht worden om zo het toelatingskarakter van een bestemmingsplan aan te scherpen.

6.2

Onderdelen van een bestemmingsplan

Een bestemmingsplan bestaat uit 3 onderdelen. Dit zijn de toelichting, de planregels en de verbeelding (plankaart).

6.2.1 De toelichting De toelichting wordt opgesteld volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Hier staat, in het kort, dat in de toelichting verslag gedaan moet worden van de gemaakte keuzes in het plan. Voor een ontwikkelingsgericht plan vraagt dat een andere motivatie dan voor op beheer gerichte plannen (een plan kan ook zowel ontwikkelingsgericht zijn voor het ene deel en voor een ander deel beheergericht). Ook moet ingegaan worden op het aspect water, de afstemming met andere overheden (indien nodig), het onderzoek voor zover nodig voor de uitvoerbaarheid en de wijze waarop inspraak is verricht (indien nodig). Als er bij het bestemmingsplan een milieu-effect rapport is gemaakt hoeft niet ingegaan te worden op monumentale en/of andere waarden in het plangebied noch de milieukwaliteit in het gebied, want dat gebeurt in dat geval in het milieu-effect rapport. Via de toelichting wordt zo inzicht gegeven in de twee eisen uit artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). 53

Centraal in de toelichting moet staan waarom de functies als opgenomen op de plankaart, met de bijhorende regels, de mogelijkheden bieden en waarom dit past op die locatie. Bijlagen bij de toelichting: Bij de toelichting kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan zelf. Omdat ze een onlosmakelijk onderdeel zijn van het bestemmingsplan kan de toelichting zelf kort van tekst blijven omtrent het desbetreffende onderwerp. Hierdoor blijft de toelichting zelf kort en daarmee leesbaar. Algemene beleidsdocumenten hoeven vanwege het algemeen geldende karakter niet als bijlage opgenomen te worden bij het bestemmingsplan. Denk aan verschillende sectorale beleidsdocumenten als ook structuurvisies. Een toelichting moet, voor zover het beleidsstuk relevant is voor het plan, aangeven wat de relatie is tussen het bestemmingsplan en dat beleidsdocument.

6.2.2 De planregels De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1. Inleidende regels: In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de planregels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de planregels te waarborgen. Deze begrippen zijn soms erg belangrijk voor een goed inzicht in de gebruiksmogelijkheden. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2) bepaald; 2. Bestemmingsregels: In dit hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Als er voorlopige bestemmingen, nog uit te werken bestemmingen en/of dubbelbestemmingen zijn, worden die ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving, vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen de (mogelijke) afwijkingsmogelijkheden met betrekking tot de bouw en/of het gebruik. Ten slotte zijn (eventuele) omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden opgenomen, aangevuld met mogelijke wijzigingsbevoegdheden. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere regels relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden.

Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld; 3. Algemene regels: In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter die gelden voor het hele plan. Deze moeten daarom altijd goed gelezen worden voordat op basis van de bestemmingregels interpretaties worden verricht. Voorbeelden van algemene regels zijn de anti-dubbeltelregel, algemene procedurebepalingen maar ook regels met betrekking tot mogelijke binnenplanse afwijkingen (een binnenplanse afwijking is, zoals het woord het al zegt, een afwijkingsmogelijkheid van de regels in het bestemmingsplan zelf, dit in tegenstelling tot 'buitenplanse' afwijkingen). In de algemene regels kunnen erg belangrijke bepalingen zijn opgenomen; 4. Overgangs- en slotregels: In het laatste hoofdstuk wordt het overgangsrecht geregeld en wordt bepaald hoe het bestemmingsplan heet (de slotregel). Bijlagen bij de planregels: Bij de regels kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van de regels.

6.2.3 De verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen zoals gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc.. Via de bijhorende regels in de planregels wordt bepaald wat hier wel en niet is toegestaan. 54

De verbeelding wordt ook wel plankaart genoemd. Dan wordt hetzelfde bedoeld. Belangrijk te weten is dat een digitaal bestand (een '.gml-bestand') leidend is. Dat digitaal bestand bepaalt waar welke bestemming ligt en waar welke aanduidingen etc.. Een afgeleide van dat digitale bestand is bijvoorbeeld een '.pdf-bestand' of een papieren (analoge) verbeelding. Bij twijfel over een '.pdf-bestand' of een papieren versie van de verbeelding geeft het digitale bestand de juridische doorslag.

6.3

Voorliggend bestemmingsplan

Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:

'Recreatie', waarbij de functie voor het uitoefenen van het gewenste recreatiebedrijf wordt neergelegd. 'Agrarisch', waarbij de functie voor agrarisch grondgebruik wordt neergelegd. Dit plan kent de volgende noemenswaardige bijzonderheden:

In de regels behorende bij dit plan is opgenomen dat binnen de bestemming 'Recreatie' het uitvoeren van grondgebonden agrarische activiteiten als nevenactiviteit is toegestaan. In de regels behorende bij dit plan is opgenomen dat binnen de bestemming 'Recreatie' een kinderboerderij eveneens als recreatieve activiteit is toegestaan, waarbij het houden van kleinvee mogelijk is; De huidige bedrijfswoning zal op de verbeelding worden voorzien van de aanduiding 'vakantiewoning'. In de regels behorende bij dit plan is opgenomen dat binnen de bestemming 'Recreatie' verblijfsrecreatie in een vakantiewoning is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'vakantiewoning'. In de regels behorende bij dit plan is opgenomen dat binnen de bestemming 'Agrarisch' eveneens dagrecreatieve activiteiten mogen worden uitgevoerd, mits de gronden zijn gelegen aansluitend aan de bestemming 'Recreatie'. Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.1 van het Besluit omgevingsrecht (Bro).

55

56

Bijlagen bij de toelichting

57

Bijlage 1

Situatietekening op schaal

58

Legenda 1a 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23

18

19 23

9

5

6 17 4

3

2

7

20

8

1

11

12

13

1a

14

10 15

Situatie 22 Gemeente Sectie Nummer Schaal

16

21

www.dlvadvies.nl

DLV

Benaming:

Situatietekening

Opdrachtgever:

't Platteland Lorbaan 1 5814 AE Veulen Telefoon: 06 - 54 26 69 30

E-mail:

Bouwlocatie:

Projectleider:

Lorbaan 1 5814 AE Veulen

Telefoon: E-mail:

Formaat:

1:1000

A3

ADVIES &RESULTAAT

Datum:

DLV Advies Postbus 511 5400 AM Uden Telefoon:

Schaal:

15-01-2020

RD

Wijzigingen:

0413-336800 info.bmt@dlvadvies.nl Dhr. T. Mulders 06-54667488 t.mulders@dlvadvies.nl

A

05-11-2020

B

RD C D

Klantnummer:

221131

Werknummer:

B180386-91

Blad:

S10

Bijlage 2

Landschappelijk inrichtingsplan

60

Landschappenlijke inpassing Uitgangspunten Landschappelijke Inpassing: 1. Streekeigen: Toe te passen soorten dienen een streekeigen karakter te hebben.

2. Duurzaam: Daarnaast dienen de toe te passen soorten duurzaam te zijn. De toepassing van soorten die slechts enkele decennia levensvatbaar zijn heeft niet de voorkeur, omdat hiermee niet de landschappelijke inpassing op lange termijn gegarandeerd kan worden. Bomen worden immers waardevoller en karakteristieker naarmate zij in ouderdom toenemen. 3 Biologische diversiteit: Door toepassing van streekeigen en/of vruchtdragende soorten kan de landschappelijke inpassing die gerealiseerd wordt tevens een bijdrage leveren aan de biologisch diversiteit van het landelijk gebied. Zoogdieren, vogels, insecten en andere fauna profiteren van de bijzondere biotopen die ontwikkeld worden. Vruchten en bladeren bieden een voedselbron en de beplanting voorziet in schuil- en broedgelegenheden. 4 Samenhang: Bij de landschappelijke inpassing wordt zowel op kavel- als op omgevingsniveau gestreefd naar samenhang. Op deze wijze zal de belevingswaarde van het cultuurlandschap vergroot worden en zullen de verschillende landschapstypen meer herkenbaar worden. 5 Doelmatig en doordacht: Een goede inpassing houdt voldoende rekening met de aard van het bedrijf en bedrijfsvoering. Om latere aanpassingen waar mogelijk te voorkomen is vooraf goed gekeken naar de toegankelijkheid en de veiligheid. 6 Hiërarchie: Gestreefd wordt naar een landschappelijke inpassing van her voorerf en de bedrijfskavel.

Hierdoor zal enerzijds de belevingswaarde van het bedrijf vergroot worden en zal anderzijds de biologische waarde op de overgang naar het omringende landschap en/of natuur vergroot worden.

Landschappenlijke inpassing Situatietekening beplanting bestaand en nieuwe aanleg

In aanleg nieuwe groen: Hulst (struik) Ruwe Berk (boom) Hazelaar (struik) Vogelkers inlands (struik) Klein bladerige linde (boom) Hondsroos (struik) Vuilboom (struik) Lijsterbes ( boom struik) Vlier (struik)

Hout Wal: Berkenbomen Groene Els Gewone Esdoorn Gewone vlier Vogelkers Spar Hulst Christus doorn Zoete kers Nestkastjes Vogels

Haag: Sleedoorn Meidoorn Haag beuk Groene els Gewone es

In aanleg nieuwe groen: Hoogstam kersen

Haag met bomen: Groene Els Gewone Esdoorn Wege doorn Haag Liguster Rode Kamperfoelie Zoete kers bomen Gele brem

Open wal zicht speeltuin Bomen: Berkebomen Eikenbomen Noteboom Nestkasten Koolmees, Roodborstje

Boerenzwaluw nesten

Veiligheids Haag Bomen en struiken: Berken Wollige sneeuwbal Vogelkers Zoete kers bomen Gewone Sering Klein bladerige linde Groene Els Gewone esdoorn

2 Wilde kastanjebomen

Eikenlaan: 10x Inlandse eik Nestkasten Koolmees

Bomen laan: Groene els

Hout Wal: Berkebomen Spar Uilen kast Bijen kast Nest Holle duiven

Bomen en struiken: 4x Zoete kers bomen Christus doorn Wege doorn Gewone Vlier Valken kast voor Valken

Schaduw, veiligheids haag, Bomen en struiken haag: 7x klein bladerige Lindebomen Wollige Sneeuwbal Vogelkers Rode Kamperfoelie Vuilboom Christus doorn Gele Brem Er word nog een bijen motel geplaatst.

Bijlage 3

Rapport verkennend bodemonderzoek

63

RAPPORT Verkennend bodem- en asbest onderzoek Lorbaan 1 te Veulen

Opdrachtgever

:

DLV Advies Postbus 511 5400 AM UDEN

Projectnummer

:

20KL529/2

Datum

:

29 januari 2021

Auteur

:

ing. R.J. Wijma

Paraaf

:

Projectleider

:

Paraaf

:

ing. F.M. Bouma

Klijn Bodemonderzoek B.V. EG-Weg 1, 9636 HX Zuidbroek Telefoon 0598 – 23 20 35 Email info@klijnbodemonderzoek.nl Internet www.klijnbodemonderzoek.nl

2 INHOUD

Rapport 20KL529/2 BLAD

1.

INLEIDING 1.1. Algemeen 1.2. Opbouw

3 3 3

2.

VOORONDERZOEK 2.1. Algemeen 2.2. Ligging onderzoekslocatie 2.3. Historisch en huidig gebruik 2.4. Belendende percelen en omgeving onderzoekslocatie 2.5. Bodemkwaliteitskaart 2.6. Toekomstig gebruik van het terrein 2.7. Financieel/juridisch 2.8. Regionale opbouw en geohydrologie 2.9. Onderzoekshypothese

3 3 4 5 6 6 6 6 7 7

3.

ONDERZOEKSPROGRAMMA

8

4.

BODEMGEGEVENS 4.1. Bodemgesteldheid en zintuiglijke waarnemingen 4.2. Samenstelling grondmengmonsters 4.3. Concentratieberekening plaatmateriaal

10 10 11 11

5.

RESULTATEN METINGEN EN CHEMISCHE ANALYSES 5.1. Toetsingskader 5.2. Analyseresultaten verkennend asbestonderzoek NEN 5707 5.3. Analyseresultaten verkennend bodemonderzoek NEN 5740 5.4. Toelichting analyseresultaten

12 12 13 14 15

6.

SAMENVATTING EN CONCLUSIES 6.1. Samenvatting 6.2. Conclusies en aanbevelingen 6.3. Slotopmerking

16 16 17 18

BIJLAGEN 1

Ligging van de locatie en kadastrale kaart

2

Boorprofielen en legenda

3

Analyserapporten

4

Toetsingstabellen

5

Overzicht posities monsternamepunten

6

Foto's

7

Tekening met deelgebieden

8

Asbestinventarisatierapport

9

Opleveringsverklaring van Laarakkers Sloop en Asbest B.V.

3

Rapport 20KL529/2

1.

INLEIDING

1.1.

Algemeen In opdracht van DLV Advies is door Klijn Bodemonderzoek B.V. een verkennend bodem- en asbest onderzoek uitgevoerd op de locatie Lorbaan 1 te Veulen. De aanleiding tot het verkennend bodem- en asbest onderzoek vormt de voorgenomen bestemmingswijziging van de locatie, waarbij de agrarische functie zal wijzigen naar een recreatieve functie. Echter is het bedrijf al enig tijd in gebruik voor recreatie doeleinden. Het onderzoek heeft alleen betrekking op de voormalige bouwvlakken, waar daadwerkelijk mensen aanwezig zullen zijn voor het recreëren Het doel van het verkennend bodem- en asbestonderzoek is het verkrijgen van een indicatie van de kwaliteit van de grond en het ondiepe grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie. Klijn Bodemonderzoek B.V. is gecertificeerd volgens “NEN-EN-ISO 9001:2015”, voor het uitvoeren van milieukundig bodemonderzoek, inclusief partijkeuringen conform het Besluit Bodemkwaliteit en tevens volgens de “Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek SIKB 2000, protocollen 2001, 2002, 2003 en 2018”. Met betrekking tot onderhavig onderzoek verklaart Klijn Bodemonderzoek B.V. op geen enkele wijze in organisatorische, financiële of personele zin, betrokkenheid te hebben met de activiteiten van de opdrachtgever. De achterliggende gedachte hierbij is dat er geen “eigen” grond wordt onderzocht.

1.2.

Opbouw In het voorliggende rapport komen de volgende aspecten aan de orde:  vooronderzoek  onderzoeksprogramma  bodemgegevens  metingen en chemische analyses  samenvatting, toetsing van de gekozen onderzoekshypothese, conclusies en aanbevelingen

(hoofdstuk 2); (hoofdstuk 3); (hoofdstuk 4); (hoofdstuk 5); (hoofdstuk 6).

2.

VOORONDERZOEK

2.1.

Algemeen Ten behoeve van het bodemonderzoek is een standaard vooronderzoek conform de NEN 5725 (2017) ‘Uitvoeren van een milieuhygiënisch vooronderzoek’ uitgevoerd. In het vooronderzoek wordt informatie verzameld over het vroegere en huidige gebruik van het terrein. Het onderzoek is gericht op het vinden van mogelijke bronnen van bodembelasting. Evenals het verzamelen van informatie over het toekomstige gebruik, bodemopbouw, geohydrologie en financieel/juridische aspecten. Op basis van de verzamelde gegevens kan een totaalbeeld worden gevormd en conclusies worden getrokken over de afbakening van het geografische besluitvormingsgebied, de afbakening van de onderzoekslocatie voor het bodemonderzoek, de onderverdeling van de onderzoekslocatie voor het bodemonderzoek in deellocaties en de te hanteren onderzoekshypothese per deellocatie. De verzamelde informatie is opgesplitst in de volgende categorieën: o ligging onderzoekslocatie (paragraaf 2.2) o historisch en huidig gebruik (paragraaf 2.3) o belendende percelen en omgeving onderzoekslocatie (2.4) o bodemonderzoek (2.5) o bodemkwaliteitskaart (2.6) o toekomstig gebruik (2.7) o financieel/juridisch (2.8) o bodemopbouw en geohydrologie (2.9) o onderzoekshypothese (2.10)

4

Rapport 20KL529/2

Ter verkrijging van de benodigde informatie zijn onderstaande bronnen geraadpleegd:  Locatie-inspectie (d.d. 15 december 2020);  Informatie opdrachtgever;  Gemeente Venray (d.d. 28 april 2020)  Provincie Limburg (bodeminformatie);  Internetsite bodeminformatie (https://bodemloket.nl);  Internetsite Dinoloket (https://dinoloket.nl);  Internetsite Basisregistratie Adressen en Gebouwen (https://bagviewer.kadaster.nl);  Luchtfoto Google Earth;  Grondwaterkaart van Nederland;  Topografische Atlas van Nederland (2002);  Internetsite Tijdreis, historisch kaartmateriaal van ca. 1815 tot heden (https://topotijdreis.nl);  Kadastrale kaart. Voorafgaand aan de veldwerkzaamheden zijn bovenstaande bronnen geraadpleegd en is door Klijn Bodemonderzoek een locatie-inspectie uitgevoerd. Tijdens de locatie-inspectie is onder andere gelet op verdachte plekken (zoals verkleuringen, brandplekken, olieopslag etc.), asbest op of in de bodem, asbestbeschoeiingen, verzakkingen en ophogingen. 2.2.

Ligging onderzoekslocatie Het perceel ligt aan de Lorbaan 1 te Veulen en is kadastraal bekend als Gemeente Venray, sectie O, nr. 901. De onderzoekslocatie betreft een gedeelte van het kadastrale perceel en heeft een oppervlakte van 5.000 m2. De locatie bevindt zich aan de oostzijde van de dorpskern en buiten de bebouwde kom van Veulen. In figuur 1 is een luchtfoto te zien van de onderzoekslocatie en directe omgeving. Figuur 1: Luchtfoto onderzoekslocatie en omgeving

Onderzoekslocatie

De omgeving van de onderzoekslocatie betreft voornamelijk bouw- en /of weilanden (agrarisch gebied). Voor een topografisch overzicht van de locatie en omgeving verwijzen wij naar de tekening in bijlage 1, een tekening van de locatie is weergegeven in bijlage 5.

5 2.3.

Rapport 20KL529/2

Historisch en huidig gebruik De gehele locatie aan de Lorbaan 1 te Veulen (kadastrale percelen 901 en 60) hebben een totale oppervlakte van ruim 10,5 hectare. Tot een aantal jaren geleden (circa 2009) was er een woning met boerderij, twee biggenstal, een tweede woning en enkele schuurtjes op de locatie aanwezig. De omliggende landerijen waren in gebruik als zijnde landbouwgrond. Uit de verkregen gegevens van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) is gebleken dat de woning met boerderij uit 1950 dateren en dat de achterliggend stallen in 1966 zijn gerealiseerd. De noordelijke gelegen landbouwschuur is in 1988 gebouwd. De zuidelijk gelegen woning dateert van 1935 en de daarbij gelegen schuurtjes dateren respectievelijk uit 1935 en 1940. Sinds circa 2009 zijn de agrarische activiteiten beëindigd en zijn de biggenstallen buiten gebruik gesteld. Ter plaatse is de speel- en kinderboerderij ’t Platteland gevestigd. De boerderij en de stallen zijn in gebruik als een binnenspeeltuin, een boerderijwinkel en een restaurant. Op de omliggende percelen (landbouwgrond) is een buitenspeeltuin, een kinderboerderij, (mais)doolhof en een parkeerplaats gecreëerd. De zuidelijk gelegen woning (uit 1935) wordt verhuurt als recreatiewoning. De huidige onderzoekslocatie betreft de gebieden waar daadwerkelijk mensen aanwezig zullen zijn voor het recreëren.

De onderzoekslocatie heeft hierdoor een oppervlakte van circa 5.000 m2. Het betreft de gebieden genummerd als 1, 1A, 1a t/m 9, 11, 12 en 17 op de tekening bijgevoegd in bijlage 7. Uit de verkregen informatie is gebleken dat over de aanwezigheid van ondergrondse opslagtanks of in het verleden uitgevoerde dempingen geen gegevens bekend zijn. Tevens betreft de locatie geen voormalige stortlocatie. Wel was een bovengrondse dieseltank in een betonnen lekbak op het perceel gelegen. De tank is al enige jaren niet meer aanwezig. De exacte datum van verwijdring is niet bekend. Wel is de bak met de pomp nog aanwezig. De bak bevindt zich onder een afkapping (dakbedekking van asbest verdacht materiaal) naast de noordelijke schuur. Ter plaatse van het binnenterrein (nummer 17) is het perceel verhard met klinkers. Onder de klinkers bevindt zich een opgebrachte zandlaag met daaronder een asfalt verharding. Deze asfalt laag was voor 2009 al aanwezig en is destijds bij het ophogen niet verwijderd. De asfaltlaag zorgt voor een stabiele draagkracht van het onbebouwde gebied ter plaatse. In oktober 2014 is door Nomacon Asbestinventarisaties B.V. een asbestinventarisatie, met kenmerk NOM 171106, uitgevoerd op de aanwezige biggenstallen en bijbehorende bijgebouwen.

De geconstateerde asbesthoudende materialen betroffen golfplaten en bijbehorende vormstukken op en van de daken, schoorsteenbuis, enkele ventilatiekokers en enkele restanten golfplaten. De restanten golfplaten lagen opgeslagen in dichte kisten tussen de stallen in. De erfverharding rondom de biggenstallen en/of asbesthoudende toepassingen bestaat uit een aaneengesloten klinker verharding of een betonverharding. Het inventarisatierapport is opgenomen in bijlage 8. Het dak van de biggenstal, die nu voor recreatiedoeleinden wordt gebruikt, was tot eind 2017 voorzien van asbesthoudende golfplaten. Het dak was aan beide zijden tevens voorzien van dakgoten waardoor het hemelwater correct werd afgevoerd. Tijdens de sanering van het dak zijn de golfplaten en de dakgoten als asbesthoudend materiaal afgevoerd. Het dak is voorzien van nieuwe dakpanelen inclusief dakgoten. Uit de opleveringsverklaring van Laarakkers Sloop en Asbest B.V. (opgenomen in bijlage 9) blijkt dat de locatie is gesaneerd en dat de asbesthoudende materialen zijn verwijderd. In opdracht van Laarakkers Sloop en Asbest B.V. is op 30 november 2017, door SGS Search een visuele inspectie uitgevoerd. Tijdens deze inspectie zijn geen onvolkomenheden geconstateerd. Uit de conclusie van de visuele inspectie blijkt dat de locatie zonder persoonlijke beschermingsmiddelen kan worden betreden.

Tevens is uit de verkregen informatie gebleken dat de tweede biggenstal inclusief de aanbouw, welke nog zijn voorzien van asbesthoudende golfplaten, in de nabije toekomst wordt gesaneerd. Evenals het al gesaneerde dak van de biggenstal is het dak van de tweede biggenstal ook voorzien van functionerende dakgoten. Het bijgebouw achter de tweede biggenstal heeft geen dakgoten en tevens zijn de wanden van het gebouw voorzien van asbesthoudende golfplaten.

6

Rapport 20KL529/2

Het is echter niet bekend of op de onderzoekslocatie in het verleden een bodemonderzoek is uitgevoerd. Wel is in mei 2020 door Klijn Bodemonderzoek B.V. een dossier onderzoek uitgevoerd waaruit is gebleken dat op de locatie, met uitzondering van het bijgebouw achter de tweede biggenstal (asbestverdacht), geen sprake is van (voormalige) puntbronnen. Tevens waren er geen gegevens bekend over eventuele uitgevoerde verdachte (bodembedreigende) activiteiten op het perceel die de milieuhygiënische kwaliteit van grond en grondwater nadelig kunnen hebben beinvloed. 2.4.

Belendende percelen en omgeving onderzoekslocatie De directe omgeving van de onderzoekslocatie bestaat uit: - Noordzijde: openbare weg en landbouwpercelen - Oostzijde: recreatie, speelplaats - Zuidzijde: landbouwgrond - Westzijde: openbare weg en bossages en een woning met schuur De activiteiten die plaatsvinden en/of plaats hebben gevonden op de belendende percelen worden weergegeven in tabel 1. Tabel 1:

Activiteiten die plaatsvinden / plaats hebben gevonden op de belendende percelen Adres

Historische activiteit

Periode

Lorbaan 3

Bloemkwekerij Ondergrondse hbo-tank Bovengrondse petroleum- of kerosinetank

1980-heden 1980-onbekend 1980-onbekend

Vooralsnog wordt niet verwacht dat de activiteiten van de belendende percelen een nadelige invloed hebben gehad op de bodemkwaliteit van onderhavige onderzoekslocatie. 2.5.

Bodemkwaliteitskaart Op basis van de toepassingskaart van de Nota Bodembeheer Limburg Noord valt zowel de bovenals de ondergrond ter plaatse van de onderzoekslocatie in de klasse Landbouw en Natuur (AW2000).

2.6.

Toekomstig gebruik van het terrein Het voornemen is om de bestemming van de onderzoekslocatie te wijzigen van een agrarisch bestemming naar recreatieve bestemming.

2.7.

Financieel/juridisch Op het perceel hebben, voor zover bekend, geen calamiteiten plaatsgevonden waarbij de bodem verontreinigd is geraakt.

7 2.8.

Rapport 20KL529/2

Regionale opbouw en geohydrologie De regionale bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie is weergegeven in tabel 2. Tabel 2: Regionale bodemopbouw diepte m-mv

doorlatendheid

samenstelling

0–4 4 – 10 30 – ?

Deklaag 1e watervoerend pakket 2e watervoerend pakket

Enkeerdgronden, zwart fijn zand, plaatselijk leem of kleilaagjes mogelijk Grove zanden Kleien met bruinkoollaagjes, humeus kleihoudend zand

De locatie bevindt zich in een gebied welke volgens de digitale bodemkaart van Nederland gekenmerkt wordt als “gronden in een oude maasmeander. De afzettingen, waarin deze bodem is ontstaan, behoren geologisch gezien tot de Formatie van Boxtel. De maaiveldhoogte van de locatie bedraagt circa 29,9 m+NAP. Het eerste watervoerend pakket heeft een dikte van circa 10 m en wordt gevormd door de grove en grindrijke zanden van de Peize-Waalre Formatie. Op deze fluviatiele en glaciofluviatiele formaties liggen de fijnzandige, matig goed doorlatende dekzandafzettingen, behorende tot de Formatie van Boxtel en Beegden, met een dikte van ± 7 m. Het eerste watervoerend pakket wordt aan de onderzijde begrensd door de Kiezelooliet Formatie. De gemiddelde stand van het freatisch grondwater bedraagt circa 14 m +NAP, waardoor het grondwater zich op ± 2,5 m -mv zou bevinden. Het water van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens de isohypsenkaart van de Dienst Grondwaterverkenning van TNO, kaartblad 52 Oost, 1978 (schaal 1:50.000), in westelijke richting. De onderzoekslocatie ligt in een grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied. 2.9.

Onderzoekshypothese Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Overig terrein Conform de aanpak van de NEN 5740 dient, voorafgaand aan de uitvoering van het veld- en laboratoriumonderzoek, op basis van de verkregen informatie een hypothese te worden opgesteld. Het betreft hierbij een aanname met betrekking tot het al dan niet aanwezig zijn van bodemverontreiniging op de te onderzoeken locatie. Op basis van de gestelde informatie met betrekking tot de historie en het huidige gebruik van de onderzoekslocatie, wordt de onderzoekslocatie beschouwd als “niet-verdacht” ten aanzien van bodemverontreiniging. Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is met stoffen in concentraties boven de achtergrondwaarde (grond) en/of de streefwaarde (grondwater). Voor het toetsen van bovenstaande hypothese is de onderzoeksstrategie “onverdacht” uitgevoerd. Deze strategie is verder uitgewerkt in hoofdstuk 3. Tankinstallatie diesel Op basis van de gestelde informatie met betrekking tot de historie en het huidige gebruik van de onderzoekslocatie, wordt de onderzoekslocatie beschouwd als “verdacht” ten aanzien van bodemverontreiniging. Bij verdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem verontreinigd is met stoffen in concentraties boven de achtergrondwaarde (grond) en/of de streefwaarde (grondwater).

Voor het toetsen van bovenstaande hypothese is de onderzoeksstrategie “verdacht” uitgevoerd. Deze strategie is verder uitgewerkt in hoofdstuk 3.

8

Rapport 20KL529/2

Verkennend asbestonderzoek NEN 5707 (Voormalige) druppelzones stallen en schuur Het verkennend asbestonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5707. Op basis van de verkregen informatie met betrekking tot de historie en het huidige gebruik van de onderzoekslocatie, wordt de onderzoekslocatie (druppelzone) beschouwd als “verdachte” locatie ten aanzien van bodemverontreiniging met asbest in de toplaag. Bij verdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem verontreinigd is met asbest in concentraties boven de grenswaarde of het geldende achtergrondgehalte. Waarbij geldt dat nader onderzoek dient plaats te vinden bij concentraties boven de 0,5 maal de interventiewaarde (0,5 x 100 mg/kgds= 50 mg/kgds). Voor het toetsen van bovenstaande hypothese is de onderzoeksstrategie “asbest onverdacht met een verdachte toplaag” uitgevoerd. Deze strategie is verder uitgewerkt in hoofdstuk 3. Op basis van het vooronderzoek wordt de onderzoekslocatie onderverdeeld in vijf deellocaties: 1. Overig terrein (5.000 m2), 2. Druppelzone middelste stal (56 m2), 3. Druppelzone zuidelijke stal (60 m2), 4. Druppelzone noordelijke schuur (ca. 36 m²), 5. Tankinstallatie diesel (20 m2).

3.

ONDERZOEKSPROGRAMMA Ten behoeve van dit onderzoek is een programma voor veld- en laboratoriumwerk opgesteld. Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Overig terrein De onderzoeksopzet is gebaseerd op de Nederlandse Eindnorm voor verkennend bodemonderzoek ((NEN 5740 versie januari 2009, inclusief correctieblad A1 van februari 2016) voor een onverdachte locatie (ONV-NL). Volgens de NEN 5740 wordt de eerdergenoemde hypothese aanvaard indien in de grond en/of het freatisch grondwater geen concentraties van onderzochte parameters worden aangetroffen boven de achtergrond- of streefwaarden. Tankinstallatie diesel De onderzoeksopzet is gebaseerd op de Nederlandse Eindnorm voor verkennend bodemonderzoek (NEN 5740 versie januari 2009, inclusief correctieblad A1 van februari 2016) waarbij de onderzoeksstrategie voor verdachte locaties met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern (VEP) is gehanteerd. Dit, omdat de bodem ter plaatse van de voormalige tank(s) mogelijk verontreinigd is met oliehoudende producten. Volgens de NEN5740 wordt de eerdergenoemde hypothese aanvaard indien in de grond en/of het freatisch grondwater concentraties van één of meerdere onderzochte parameters worden aangetroffen boven de achtergrond- of streefwaarden.

9

Rapport 20KL529/2

Verkennend asbestonderzoek NEN 5707 (voormalige) druppelzones stallen en schuur De onderzoeksopzet ten behoeve van het verkennend asbest onderzoek is gebaseerd op de Nederlandse Eindnorm voor verkennend asbestonderzoek in grond (NEN 5707, paragraaf 6.4.4) voor verdachte toplaag met plaatselijke bodembelasting met duidelijke verontreinigingskern. Volgens de NEN 5707 (versie augustus 2015, inclusief correctieblad C2 van december 2017), het verkennend asbest onderzoek, wordt de eerdergenoemde hypothese aanvaard indien ter plaatse in de grond concentraties aan asbest worden aangetroffen boven de grenswaarde dan wel onder 0,5 maal de interventiewaarde. Het veldonderzoek is uitgevoerd volgens de SIKB Beoordelingsrichtlijn voor Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodemonderzoek (BRL SIKB 2000) en de Nederlandse Normen en Praktijk Richtlijnen (NEN en NPR) van het Nederlands Normalisatie-Instituut. De verrichte veldwerkzaamheden en chemische analyses zijn weergegeven in tabel 3. Tabel 3: Verrichte veldwerkzaamheden en chemische analyses (deel-)locatie

oppervlakte m2

monsternamepunten1)

Chemische analyses grond2) grondwater3)

Overig terrein, boringen 1 t/m 18

5.000

14 boringen tot 0,5 m-mv 3 boringen tot 2,0 m-mv 1 boring tot 5,0 m-mv

3 x NEN-bovengrond 1 x NEN-ondergrond

n.v.t.

Middelste stal gaten 101 t/m 105

56

3 gaten tot 0,2 m-mv 2 gaten tot 0,5 m-mv

1 x asbest in grond

n.v.t.

Zuidelijk stal gaten 201 t/m 206

60

6 gaten tot 0,5 m-mv

1 x asbest in grond

n.v.t.

Noordelijke schuur gaten 301 t/m 305

36

2 gaten tot 0,2 m-mv 3 gaten tot 0,5 m-mv

1 x asbest in grond

n.v.t.

Tankinstallatie diesel boringen 401 en 402

20

1 boring tot 0,5 m-mv 1 boring tot 5,0 m-mv

1 x minerale olie en vluchtige aromaten

n.v.t.

1) m-mv = meter minus maaiveld 2) NEN-grond =

zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Pb, Mo, Ni en Zn); PCB’s; minerale olie (GC); PAK -VROM vluchtige aromaten (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen, naftaleen en styreen) ; minerale olie (GC); vluchtige organische halogeenverbindingen 4) inspectiegaten = minimaal 0,3 m bij 0,3 m 3) NEN-grondwater = zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Pb, Mo, Ni en Zn);

De posities van de monsternamepunten zijn in bijlage 5 weergegeven. Gezien het feit dat tijdens veldwerk is gebleken dat het grondwater, ter plaatse van de onderzoekslocatie, zich bevindt op een diepte onder de 5,0 m-mv, wordt conform de NEN geen grondwateronderzoek verricht. Tevens zijn de boringen ter plaatse van het terras gestaakt op 0,2 m-mv vanwege de aanwezigheid van asfalt verharding. De asfaltverharding is in onderhavig onderzoek niet doorboord. Daarnaast is ter plaatse van de tankinstallatie boring 402 gestaakt. Ter plaatse was een ondoordringbare harde laag op een diepte van 0,5 m-mv aanwezig. De chemische analyses zijn conform het AS3000 protocol uitgevoerd door het milieulaboratorium van AL-West B.V. te Deventer. AL-West B.V. beschikt over een accreditatie volgens NEN-ENISO 17025.

10

Rapport 20KL529/2

4.

BODEMGEGEVENS

4.1.

Bodemgesteldheid en zintuiglijke waarnemingen Ten behoeve van het onderzoek is op 15 december 2020 een veldonderzoek uitgevoerd door J.A. Post (erkend monsternemer volgens certificaat K44009) en R.J. Wijma (monsternemer in opleiding). Het opgeboorde materiaal is in het veld beoordeeld op textuur, (afwijkende) kleuren en zintuiglijk waarneembare verontreinigingen. De bemonstering heeft plaatsgevonden conform de NEN5742 en/of NEN5743. Daarnaast is voor de opgeboorde grond een olie-op-water-test gedaan: via dompeling van een met olie verontreinigd grondmonster in water ontstaat er een zichtbare film op het water. De grootte en de kleurschakering hiervan kunnen een indicatie zijn voor de mate van olieverontreiniging. Ten behoeve van het verkennend asbest onderzoek is het opgeboorde materiaal in het veld beoordeeld op textuur, (afwijkende) kleuren en zintuiglijk waarneembare verontreinigingen. Voorafgaand aan de veldwerkzaamheden is op diverse plaatsen op het terrein het vochtpercentage in de bodem bepaald. Uit de metingen bleek een gemiddeld bodemvochtgehalte van 22-27% waarna is gestart met de werkzaamheden. Tevens is tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden periodiek het vochtgehalte in de bodem bepaald. Tijdens de periodieke metingen is gebleken dat het vochtgehalte niet onder de 10% is gemeten.

Op het maaiveld ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn, op basis van zintuiglijke waarnemingen, geen asbestverdachte materialen waargenomen. Ten behoeve van het asbestonderzoek zijn de inspectiegaten handmatig gegraven (50 bij 50 centimeter tot 0,5 m-mv). Alleen is de eerste 10 cm grond (verdachte laag) bemonsterd ter plaatse van de druppelzones. De gaten zijn gelijkmatig verdeeld over het onderzoeksperceel. Het onderzoeksgebied bestaat uit drie RE`s. De opgegraven grond uit de gaten is uitgespreid met een maximale laagdikte van 2 cm en geïnspecteerd op asbestverdacht materiaal. De grond is met behulp van een hark uitgeharkt zodat alle delen groter dan 20 mm van het grondmonster worden gescheiden. De inspectie efficiëntie ter plaatse van het maaiveld wordt gesteld op 95%. Op basis van zintuiglijke waarnemingen is geen asbestverdacht materiaal geconstateerd. Ook zijn er geen andere bijzonderheden in de bodem geconstateerd die kunnen duiden op een verontreiniging in de grond en/of het grondwater. De boorprofielen met veldwaarnemingen zijn opgenomen in bijlage 2. Op basis van zintuiglijke waarnemingen is geen asbestverdacht materiaal geconstateerd. De overige veldwaarnemingen zijn samengevat in tabel 4. De boorprofielen met veldwaarnemingen zijn opgenomen in bijlage 2. Tabel 4: Veldwaarnemingen Boring

Traject (m-mv)

Waarneming

12+16+17+101 t/m 103

0,2

gestaakt op asfalt

402

0,5

gestaakt

11 4.2.

Rapport 20KL529/2

Samenstelling grondmengmonsters Op basis van de bodemopbouw en de zintuiglijke waarnemingen zijn grondmonsters geselecteerd voor chemische analyse. Bij het samenstellen van de grondmengmonsters is als uitgangspunt gehanteerd dat een mengmonster kan worden samengesteld uit individuele grondmonsters, indien het bodemmateriaal min of meer dezelfde samenstelling heeft. De samenstelling van de grond(meng)monsters is vermeld in tabel 5. Tabel 5: Samenstelling grond(meng)monsters Grond(meng)monster

Samengesteld uit boringen

Diepte (m-mv)

Opmerking

Verkennend bodemonderzoek Overig terrein MM1

1+2+4 t/m 8

0,0-0,5

-

MM2

12 9 t/m 11+13 t/m 15

0,08-0,2 0,0-0,5

-

MM3

16+17 3+18

0,08-0,2 0,08-0,5

-

MM5

3+4 1+2

0,5-1,5 0,5-2,0

-

401+402

0,0-0,5

-

101 t/m 103 104 t/m 105

0,08-0,2 0,0-0,1

-

201 t/m 208

0,0-0,1

-

301+302 303+304

0,0-0,1 0,08-0,2

-

Tankinstallatie MM4 Verkennend asbestonderzoek Druppelzones Middelste stal RE1 Zuidelijke stal RE2 Noordelijke schuur RE3

4.3.

Concentratieberekening plaatmateriaal Voor het berekenen van het gehalte asbestmateriaal in grond, met een diameter groter dan 20 mm, is het noodzakelijk om de door het laboratorium gerapporteerde gehalten te corrigeren aan de inspectie efficiëntie en de massa van het uitgegraven materiaal. Het gehalte wordt berekend met de onderstaande formule. Cm,i = ∑ (Mk x %k,i / 100) / Mlok Cm,i = het gehalte asbest per asbestsoort is afkomstig van de verzamelde asbesthoudende materialen, in mg/kg ds.; Mk = de massa verzamelde asbesthoudende materialen van het type k, in mg; %k,i = het percentage asbest van het asbestsoort i in de verzamelde asbesthoudende materialen van het type k, in %; Mlok = het drooggewicht van het verzamelmonster grond op de locatie, in kg.

Gezien het feit dat een groot monster is geïnspecteerd, is weging van het monster niet mogelijk waardoor het drooggewicht van het monster is afgeleid van de volgende formule. Mlok = (1000 x V x ns) x (%E/100) x Ma/Mva V = het volume van de geïnspecteerde deelpartij in m³; Ns = het stortgewicht van het materiaal, in kg/dm³; %E = een schatting van de inspectie efficiëntie, in %; Ma = de massa van het gedroogde analysemonster, in kg; Mva = de massa van het veldvochtige analysemonster, in kg.

12

Rapport 20KL529/2

Formeel dient de bulkdichtheid (ns) van het materiaal worden bepaald conform NEN 5926, echter op basis van ervaringscijfers kan worden aangenomen dat het gewicht van het materiaal (puin en grond) is gelegen tussen de 1,5 en 1,9 ton/m³. In onderhavig onderzoek is een bulkdichtheid van 1,65 ton/m³ aangehouden. Tijdens het onderzoek is gerekend met een inspectie efficiëntie van 95%. Ten tijde van het onderzoek voldeden de weersomstandigheden aan de gestelde randvoorwaarden voor asbestonderzoek. Dit betekent: o het maaiveld is vrij inspecteerbaar; o het maaiveld is droog, vorstvrij en onbesneeuwd; o geen regenval van meer dan 100mm/h; o geen hagel of sneeuwval; o onderzoek is uitgevoerd tussen zonsopkomst en zonsondergang; o geen mist met een zicht van minder dan 50 meter. Gezien het feit dat in de opgeboorde/opgegraven grond geen asbestverdacht materiaal is aangetroffen, is in onderhavig onderzoek geen concentratie berekening uitgevoerd.

5.

RESULTATEN METINGEN EN CHEMISCHE ANALYSES

5.1.

Toetsingskader Om de mate van verontreiniging van de bodem te kunnen beoordelen, zijn de chemische analyseresultaten van de grond en het grondwater getoetst aan de richtlijnen die zijn opgesteld door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (Circulaire Bodemsanering per 1 juli 2013, Staatscourant 27 juni 2013, nr. 16675). Ten behoeve van deze toetsing wordt gebruik gemaakt van de begrippen achtergrond-, streef- en interventiewaarde. De achtergrondwaarden (AW) zijn landelijk geldende waarden voor een multifunctionele bodemkwaliteit en geven de bovengrens aan voor wat in de dagelijkse praktijk 'schone grond' wordt genoemd. Deze achtergrondwaarden zijn vastgesteld op basis van gehalten zoals deze voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden. Dit omdat in dergelijke gronden geen belasting door lokale verontreinigingsbronnen aanwezig wordt geacht. De streefwaarde (S) geeft het concentratieniveau in grondwater aan waarboven wèl en waaronder géén sprake is van een aantoonbare verontreiniging. De interventiewaarde (I) geeft het concentratieniveau in de grond, waterbodem of grondwater aan waarboven de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, dier en plant heeft, in ernstige mate kunnen zijn verminderd.

In het overheidsbeleid wordt gesproken van een geval van ernstige bodemverontreiniging indien de gemiddelde concentratie aan één stof de interventiewaarde overschrijdt in tenminste 25 m3 grond/slib of voor het grondwater in tenminste 100 m3 bodemvolume. Over de hoeveelheid grond/slib of grondwater waarop een eventuele overschrijding van de interventiewaarde voordoet kan in een eerste onderzoek meestal nog geen betrouwbare uitspraak worden gedaan. Daarom kunnen op basis van de resultaten van dit eerste onderzoek dan ook geen conclusies worden getrokken ten aanzien van het wel of niet ernstig zijn van het verontreinigingsgeval.

13

Rapport 20KL529/2

Bij de getoetste waarden is tevens een index opgenomen. Deze index is als volgt berekend: Index = (GSSD - AW) / (I - AW). Een negatieve waarde voor de index houdt in dat de gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD) lager is dan de achtergrondwaarde. Bij een index boven de 1 ligt de gestandaardiseerde meetwaarde boven de interventiewaarde. Een index tussen de 0 en 0,5 betekent dat de gestandaardiseerde meetwaarde (ver) onder de interventiewaarde ligt. Een index tussen de 0,5 en 1 houdt in dat de gestandaardiseerde meetwaarde (dicht) bij de interventiewaarde ligt (overschrijding voormalige tussenwaarde). Afhankelijk van de specifieke situatie kan dit aanleiding geven voor het uitsplitsen van een mengmonster en/of het uitvoeren van een nader onderzoek. Met een nader bodemonderzoek kan de ernst en spoedeisendheid van het geval worden vastgesteld. Een nader onderzoek kan worden uitgevoerd als er een duidelijke indicatie bestaat dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Bij de toetsing worden de gemeten gehalten aan de hand van geanalyseerde of geschatte gehalten organische stof en lutum met BOTOVA-gevalideerde software omgerekend naar zogenaamde standaardbodemcondities (bodem met 10% organische stof en 25% lutum). Deze gestandaardiseerde meetwaarden worden vergeleken met de vaste normwaarden.

Door een aantal wijzigingen in de Regeling Bodemkwaliteit zijn per 1 april 2009 de normen voor barium in grond tijdelijk buiten werking gesteld. Als blijkt dat verhoogde gehalten aan barium worden veroorzaakt door antropogene bronnen, kan het bevoegd gezag dit gehalte beoordelen aan de voormalige interventiewaarden. Wanneer het gehalte van een parameter beneden de rapportagegrens van AS3000 ligt mag er, conform de Wijziging Regeling Bodemkwaliteit (Stc. 122, 27 juni 2008), voor de betreffende parameter vanuit worden gegaan dat deze voldoet aan de achtergrondwaarde (AW2000). 5.2.

Analyseresultaten verkennend asbestonderzoek NEN 5707 De resultaten zijn getoetst aan het integrale beleid voor asbest in bodem, grond en puin(granulaat). De interventiewaarde bodemsanering voor asbest en de restconcentratienorm voor asbesthoudende bulkmaterialen is vastgesteld op 100 mg/kg (gewogen). Met “gewogen” wordt bedoeld de concentratie serpentijnasbest vermeerderd met tienmaal de concentratie amfiboolasbest. Indien de grens van 0,5 maal de interventiewaarde van 100 mg/kg ds. (= 50 mg/kg d.s) aan asbest wordt overschreden is nader onderzoek gewenst. In tabel 6 is de totale hoeveelheid asbest in grond opgenomen. In de analyserapporten (bijlage 3) zijn de gemeten concentraties aan asbest in de fijne fractie (delen kleiner dan 20 mm) weergegeven. Tabel 6: Totale hoeveelheid asbest in mg/kg ds. per RE Monster

Omgerekend gewicht asbest in mg/kg ds.

Geanalyseerd gewicht asbest in mg/kg ds.

Totaal gewicht asbest in mg/kg ds.

Druppelzone middelste stal RE1

0,0

12

12

Druppelzone zuidelijke stal RE2

0,0

7,1

7,1

Druppelzone noordelijke schuur RE3

0,0

<2

<2

14 5.3.

Rapport 20KL529/2

Analyseresultaten verkennend bodemonderzoek NEN 5740 In bijlage 4 zijn de toetsingstabellen opgenomen met alle analyseresultaten, de omgerekende analyseresultaten (GSSD) en de bijbehorende toetsingsresultaten (waarden kleiner dan de detectielimiet zijn niet omgerekend). Tevens is in de toetsingstabel de indicatieve waarde voor hergebruik, conform de toetsing Besluit Bodem Kwaliteit, opgenomen. In de tabellen 6 en 7 wordt een samenvatting weergegeven van de toetsingsresultaten van respectievelijk grond en grondwater. De analyserapporten zijn opgenomen in bijlage 3. Tabel 6: Samenvatting toetsingsresultaten grond(meng)monsters (gehalten in mg/kg ds., tenzij anders vermeld) Parameters

Resultaat GSSD

AW

I

T index

Toets oordeel Toetsing BBK

parameters NEN-pakket

-

-

-

-

-

< AW

<Achtergrondwaarde

MM2 (0,0-0,5 m-mv) Samenstelling: 9 t/m 15

Minerale olieC10-C40 overige parameters NEN-pakket

60 -

207 -

190 -

5000 0,0035 -

> AW en <= T < AW

Industrie <Achtergrondwaarde

MM3 (0,08-0,5 m-mv) Samenstelling: 3+16+17+18

Minerale olie C10-C40 overige parameters NEN-pakket

120

600

190 -

5000 0,085 -

> AW en <= T < AW

Industrie <Achtergrondwaarde

overige parameters NEN-pakket

-

-

-

-

< AW

<Achtergrondwaarde

Minerale olie C10-C40 overige parameters NEN-pakket

82

265

190 -

5000 0,016 -

> AW en <= T < AW

Industrie <Achtergrondwaarde

Overig terrein

MM1 (0,0-0,5 m-mv) Samenstelling: 1+2+4 t/m 8

MM5 (0,5 -2,0 m-mv) Samenstelling: 1 t/m 4

-

Tankinstallatie diesel MM4 (0,0-0,5 m-mv) Samenstelling: 401+402 AW I GSSD T-index Toets oordeel Toetsing BBK Index < 0 0 < Index < 0,5 0,5 < Index < 1 Index > 1 NEN-pakket

Achtergrondwaarde Interventiewaarde Gestandaardiseerde meetwaarde Index voor de afwijking van Gstandaard tov gemiddelde van Achtergrondwaarde en Interventiewaarde Parameteroordeel op basis van de waarde bij 'T Index' Indicatieve waarden voor hergebruik van de geanalyseerde grond, conform toetsing Besluit Bodem Kwaliteit GStandaard < AW GStandaard ligt tussen de AW en de oude T GStandaard ligt tussen de oude T en I I overschreden Geen verhoogde gehalten ten opzichte van de achtergrondwaarden Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Pb, Mo, Ni en Zn); PCB’s; minerale olie (GC); PAK som 10

15 5.4.

Rapport 20KL529/2

Toelichting analyseresultaten Op basis van de veldwaarnemingen en de analyseresultaten kan de bodemkwaliteit als volgt worden toegelicht: Verkennend asbestonderzoek NEN 5707 Druppelzone grond, Middelste stal In de opgegraven en bemonsterde grond (RE1) zijn zintuigelijk geen asbest verdachte materialen aangetoond. Analytisch (12 mg/kg droge stof) is een licht verhoogd gehalte aan asbest aangetoond. Druppelzone grond, zuidelijke stal In de opgegraven en bemonsterde grond (RE2) zijn zowel geen asbest verdachte materialen aangetoond. Analytisch (7 mg/kg droge stof) is een licht verhoogd gehalte aan asbest aangetoond. Druppelzone grond, Noordelijk schuur In de opgegraven en bemonsterde grond (RE3) zijn zowel zintuigelijk als analytisch geen asbest verdachte materialen aangetoond. Analytisch is een verwaarloosbare concentratie asbest (<2,0 mg/kg droge stof) aangetoond. De gewogen asbestconcentratie van RE1 t/m RE3 liggen ruim onder de grens van 0,5 maal de interventiewaarde (=50 mg/kg ds.). Voor de volledigheid dient te worden vermeld dat bij analyse van mengmonsters de gehalten bij separate analyse van individuele deelmonsters zowel hoger als lager kunnen uitvallen. Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Grond, overig terrein In mengmonster MM1 (0,0-0,5 m-mv) is geen van de geanalyseerde parameters in een verhoogde concentratie ten opzichte van de achtergrondwaarde aangetroffen.

In mengmonsters MM2 (0,0-0,5 m-mv) en MM3 (0,08-0,5 m-mv) zijn de gehalten aan minerale olie verhoogd aangetoond ten opzichte van de achtergrondwaarden. In mengmonster MM5 (0,5-2,0 m-mv) is het gehalte aan PCB verhoogd aangetoond ten opzichte van de achtergrondwaarde. Echter gezien waarden van de geanalyseerde gehalten van onafhankelijk PCB parameters zijn gemeten onder de detectielimiet, kan ervan worden uitgegaan dat het gehalte aan PCB in werkelijkheid niet is verhoogd. De gerapporteerde verhoging wordt veroorzaakt door de omrekening naar de gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD). Grond, tankinstallatie diesel In mengmonster MM4 (0,0-0,5 m-mv) is het gehalte aan minerale olie verhoogd aangetoond ten opzichte van de achtergrondwaarden. De licht verhoogde gehalten met minerale olie op het overige terreindeel hangen vermoedelijk samen met het langdurig menselijk gebruik van het terrein. Het verhoogde gehalte aan minerale olie nabij de tankinstallatie voor diesel is mogelijk te wijten aan de ter plaatse uitgevoerde activiteiten gerelateerd aan de tankinstallatie. Voor de volledigheid dient te worden vermeld dat bij analyse van mengmonsters de gehalten bij separate analyse van individuele deelmonsters zowel hoger als lager kunnen uitvallen.

16

Rapport 20KL529/2

6.

SAMENVATTING EN CONCLUSIES

6.1.

Samenvatting In opdracht van DLV Advies is een verkennend bodem- en asbest onderzoek uitgevoerd op de locatie Lorbaan 1 te Veulen. In het uitgevoerde bodemonderzoek is door middel van de bemonstering en analyse van grond de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vastgesteld. Van de bodemkwaliteit op de onderzoekslocatie is het volgende beeld verkregen: Gehele onderzoekslocatie  Zintuiglijk zijn er geen verontreinigingen waargenomen. Druppelzone stallen en schuur  Ter plaatse van de middelste stal (RE1) is analytisch een licht verhoogd gehalte (12 mg/kg) asbest aangetoond;  Ter plaatse van de zuidelijke stal (RE2) is analytisch een licht verhoogd gehalte (7 mg/kg) asbest aangetoond;  Ter plaatse van de noordelijke schuur (RE3) is analytisch (<2 mg/kg) geen verhoogde asbest concentratie aangetoond;  De gemiddeld gewogen asbestconcentraties van RE1 t/m RE3 liggen ruim onder de grens van 0,5 maal de interventiewaarde (=50 mg/kg ds.).

Grond, overig terrein  Analytisch zijn in grondmengmonster MM1 (0,0-0,5 m-mv) geen verhoogde gehalten aan geconstateerd;  Analytisch zijn in grondmengmonster MM2 (0,0-0,5 m-mv) en MM3 (0,08-0,5 m-mv) licht verhoogde gehalten aan minerale olie geconstateerd;  Analytisch zijn in grondmengmonster MM5 (0,5-2,0 m-mv) geen verhoogde gehalten met de onderzochte componenten geconstateerd;  Het grondwater is, gezien de actuele grondwaterstand (> 5,0-mv), niet onderzocht. Grond, tankinstallatie diesel  Analytisch is in grondmengmonster MM4 (0,0-0,5 m-mv) een licht verhoogd gehalte aan minerale olie geconstateerd;  Het grondwater is, gezien de actuele grondwaterstand (> 5,0-mv), niet onderzocht.

17 6.2.

Rapport 20KL529/2

Conclusies en aanbevelingen Verkennend asbestonderzoek NEN 5707 Druppelzone stallen en schuur Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de voor de onderzoekslocatie opgestelde hypothese “locatie met verdachte toplaag”, juist is. Er zijn immers in de bodem ter plaatse van RE1 t/m RE3 op het perceel, op basis van analytische waarnemingen, verhoogde concentraties aan asbest aangetroffen. Echter de geconstateerde verhoogde gehalten liggen ruim onder de grens van 0,5 maal de interventiewaarde (=50 mg/kg ds.) en vormen géén aanleiding tot het instellen van een nader asbestonderzoek. Op basis van de onderzoeksresultaten bestaan er, vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien, geen belemmeringen ten aanzien van het gebruik van het terrein en de geplande bestemmingswijziging. De asbesthoudende dakplaten op de stallen, waar de druppelzones RE1 en RE2 zich bevinden, zijn gerealiseerd in 1966. Gezien het jaartal mag ervan worden uitgegaan dat de verwering van de asbest houdende dakplaten voor 1993 is begonnen. Indien een verontreiniging met asbest in de bodem is ontstaan ná 1993 is in het kader van de Wet bodembescherming sprake van een nieuw geval van bodemverontreiniging. Een nieuw geval van bodemverontreiniging kan bijvoorbeeld worden veroorzaakt door een calamiteit. Bij een nieuw geval van bodemverontreiniging is de zorgplicht van toepassing.

De zorgplicht houdt in dat de verontreiniging zo spoedig mogelijk verwijderd dient te worden. Bij onderhavige locatie betreffen de verhoogde concentraties aan asbest in de toplaag, ter plaatse van de druppelzones, op basis van bovenstaande, geen nieuw geval van bodemverontreiniging. Hierdoor is de zorgplicht niet van toepassing en zijn sanerende activiteiten niet aan de orde. Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Gehele onderzoekslocatie inclusief tankinstallatie Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de voor de onderzoekslocatie opgestelde hypothese “niet verdachte locatie met verdachte deellocatie”, gedeeltelijk juist is. De hypothese voor het onverdachte terrein deel wordt verworpen. Er zijn immers op het overige “onverdachte” terrein enkele licht verhoogde gehalten aangetroffen. Ter plaatse van het verdachte deellocatie wordt de hypothese gehandhaafd aangezien er een licht verhoogd gehalte aan minerale olie is geconstateerd. De geconstateerde verhoogde gehalten liggen onder de indexwaarde van 0,5 en/of interventiewaarde en vormen géén aanleiding tot het instellen van een nader bodemonderzoek. De exacte installatie en verwijder datum van de voormalige bovengrondse dieseltank is niet bekend. De bewoner/gebruiker van het perceel wist zich geen specifieke data te herinneren.

Uit de verkregen informatie afkomstig van de gemeente Venray is gebleken dat er geen gegevens over een bovengrondse tank is geregistreerd. Indien ervan wordt uitgegaan dat de tank is verwijderd voor 1987 valt het aangetroffen licht verhoogde gehalte aan minerale olie in de bovengrond niet onder de zorgplicht. Indien een verontreiniging is ontstaan ná 1987 is in het kader van de Wet bodembescherming sprake van een nieuw geval van bodemverontreiniging. Een nieuw geval van bodemverontreiniging kan bijvoorbeeld worden veroorzaakt door een calamiteit. Bij een nieuw geval van bodemverontreiniging is de zorgplicht van toepassing. De zorgplicht houdt in dat de verontreiniging zo spoedig mogelijk verwijderd dient te worden. Bij onderhavige locatie wordt vooralsnog van uitgegaan dat de tank is verwijderd voor 1987. Hierdoor is de zorgplicht niet van toepassing en zijn sanerende activiteiten niet aan de orde.

18

Rapport 20KL529/2

Resume Op basis van de onderzoeksresultaten bestaan er, vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien, geen belemmeringen ten aanzien van het gebruik en de geplande bestemmingswijziging van het terrein. Hergebruik van grond Voor de volledigheid kan nog worden vermeld dat de grond naar verwachting niet als schone grond kan worden hergebruikt. Voor grond welke op het perceel wordt toegepast gelden ons inziens, gezien de geringe overschrijding(en) ten opzichte van de achtergrondwaarden, geen gebruiksbeperkingen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat dit een indicatieve toetsing aan de Regeling en het Besluit Bodemkwaliteit betreft; het uitgevoerde onderzoek betreft immers geen partijkeuring conform BRL SIKB 1000, protocol 1001. 6.3.

Slotopmerking Het onderhavige onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de huidige inzichten en algemeen gebruikelijke methoden. Hoewel het verrichte veldonderzoek, zoals ieder milieutechnisch onderzoek, steekproefsgewijs is uitgevoerd, is ernaar gestreefd om representatieve monsters te verkrijgen. Het is echter nooit uit te sluiten dat er lokaal afwijkingen in de bodem voorkomen. Klijn Bodemonderzoek B.V. acht zich niet aansprakelijk voor de schade die hieruit voort kan vloeien. Het uitgevoerde onderzoek is een momentopname, waardoor de onderzoeksresultaten een beperkte geldigheid hebben. Beïnvloeding van grond- en grondwaterkwaliteit zal ook plaats kunnen vinden na uitvoering van een onderzoek, bijvoorbeeld door het bouwrijp maken van de locatie, aanvoer van grond van elders zonder kwaliteitsgegevens of verspreiding van verontreinigingen van verder gelegen terreinen via het grondwater. Naarmate de periode tussen uitvoering van het onderzoek en het gebruik van de resultaten langer wordt, zal meer voorzichtigheid betracht moeten worden bij het gebruik van de gegevens. De conclusies zijn deels gebaseerd op de analyse van gegevens die door de opdrachtgever en derden zijn verstrekt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11353852/1