CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

03 Bestemmingsplan Lorbaan 1 Veulen

Gemeenteraad 12 april 2022, gemeente VenrayBij agendapunt: Bestemmingsplan Lorbaan 1 Veulen35.237 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De gevolgen van de lineaire economie zijn overproductie (immers: productie is het verdienmodel), maar ook het uitputten van grondstoffen, een verslechtering van de luchtkwaliteit, de vergroting van de afvalberg, plastic soep, klimaatverandering en stikstofproblematiek. Het is zaak deze productiewijze te veranderen. Dat betekent dat er een verschuiving dient plaats te vinden naar een circulaire economie, waarin afval waarde heeft en als grondstof voor (nieuwe) producten wordt gebruikt. Waarin producten opnieuw gebruikt worden en waarin ervoor wordt zorg gedragen dat er al bij het produceren, inkopen en gebruiken wordt gedacht aan de manier waarop het straks weer een functie kan krijgen. De initiatiefnemer is continu aan het investeren in een verdere verduurzaming van het bedrijf. Daarbij maakt de initiatiefnemer zoveel mogelijk gebruik van duurzame materialen en wordt afval zoveel mogelijk gescheiden. Ook met het oog op de toekomst zal de initiatiefnemer blijven investeren in een verdere verduurzaming en het sluiten van kringlopen. Verder investeert de initiatiefnemer in een circulaire economie door het gebruik van ter plaatse geteelde producten in de eigen horeca en streekwinkel. Tevens wordt het gebruik van streekproducten gestimuleerd, waarbij producten rechtstreeks van de producenten worden geleverd.

Daarbij wordt onnodig verpakkingsmateriaal en onnodige vershoudmaterialen voorkomen en wordt een duurzame productie en 29

bedrijfsvoering verder gestimuleerd. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de uitgangspunten uit Venray vergroent van de gemeente Venray.

30

Hoofdstuk 4 4.1

Ruimtelijke- en milieuaspecten

Milieu

4.1.1 Milieuzonering Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen: 1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); 2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies.

De genoemde afstanden betreffen echter geen harde normen maar richtafstanden waarvan, mits goed gemotiveerd, kan worden afgeweken. Dit houdt in dat wanneer niet aan de afstanden wordt voldaan een nadere motivatie noodzakelijk is waaruit blijkt dat geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het aanbieden van dagrecreatieve voorzieningen en het verhuren van de woning als vakantiewoning. Vakantiewoningen hebben geen onevenredige milieuhinder aan de omgeving tot gevolg. Wel zijn in zijn algemeen voor verblijfsrecreatie de volgende richtafstanden opgenomen:

Geur: 10 meter; Stof: 0 meter; Geluid: 10 meter; Gevaar: 10 meter. Binnen 10 meter van de locatie zijn geen gevoelige objecten gelegen. Er is daarmee geen sprake van een onevenredige hinder aan de omgeving als gevolg van de vakantiewoning. Voor dagrecreatieve voorzieningen met daarbij een kinderboerderij zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen:

Geur: 30 meter. Stof: 10 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 0 meter. Binnen 30 meter van de locatie (gemeten vanaf het bouwvlak) zijn geen gevoelige objecten gelegen. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving. Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een nieuw gevoelig object. Wel zal de huidige bedrijfswoning worden verhuurd als vakantiewoning. De woning is echter al reeds een gevoelig 31

object. Een vakantiewoning is daarnaast, vanwege het tijdelijk karakter van het verblijf, vaak een minder gevoelige bestemming dan een volwaardige woning. Er is daarmee geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Hiermee zullen geen omliggende bedrijven, functies en bestemmingen in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.

4.1.2 Geur Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een veehouderij. Wel wordt ter plaatse kleinvee gehouden en gefokt ten behoeve van de ter plaatse aanwezige kinderboerderij. Voor kleinvee is vaak geen sprake van onevenredige geurhinder aan de omgeving. Er is voor een kinderboerderij een richtafstand voor geur van 30 meter tot gevoelige objecten gesteld. Binnen 30 meter van de locatie zijn geen gevoelige objecten gelegen. Voor dierenverblijven geldt dat de afstand van het emissiepunt van een dierenverblijf tot de gevel van een woning minimaal 50 meter moet bedragen. Binnen 50 meter van de gebouwen waarin dieren worden gehouden zijn geen gevoelige objecten gelegen. Hiermee is het aannemelijk dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot een onevenredige geurhinder aan de omgeving. Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige geurhinder aan de omgeving dient te worden aangetoond dat, omdat bij de voorgenomen ontwikkeling sprake is van het verblijven van mensen, ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de directe omgeving van de locatie zijn geen veehouderijbedrijven gelegen. De dichtstbijzijnde locatie waarop vee gehouden wordt is gelegen op een afstand van ongeveer 145 meter van de locatie (gemeten van bouwvlak tot bouwvlak). Dit betreft echter geen intensieve veehouderij, maar een rundveehouderij.

Voor rundveehouderijen gelden geen geuremissiefactoren, maar vaste afstanden. Deze afstanden zijn als volgt:

Tussen de gevel van een gevoelig object dat is gelegen binnen de bebouwde kom tot aan het emissiepunt van een dierenverblijf: 100 meter; Tussen de gevel van een gevoelig object dat is gelegen buiten de bebouwde kom tot aan het emissiepunt van een dierenverblijf: 50 meter; Tussen de gevel van een gevoelig object dat is gelegen binnen de bebouwde kom tot aan de gevel van een dierenverblijf: 50 meter; Tussen de gevel van een gevoelig object dat is gelegen buiten de bebouwde kom tot aan de gevel van een dierenverblijf: 25 meter. De locatie is gelegen buiten de bebouwde kom, waarmee de afstand tot een dierenverblijf (emissiepunt) minimaal 50 meter moet bedragen. De afstand tussen beide locaties bedraagt ongeveer 145 meter, waarmee ruimschoots aan de vereiste afstanden wordt voldaan. De dichtstbijzijnde intensieve veehouderij is gelegen op ongeveer 370 meter van de locatie. Op een dergelijke afstand is geen sprake van een onevenredige geurhinder op de locatie, waarmee het aannemelijk is dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd.

4.1.3 Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor fijnstof en stikstofoxiden 32

(NO2). Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit. 4.1.3.1 Luchtkwaliteit vanuit de inrichting De voorgenomen ontwikkeling betreft geen grootschalige infrastructurele of industriële ontwikkeling en geen ontwikkeling van een veehouderij. De uitstoot van fijnstof zal met de voorgenomen ontwikkeling niet in onevenredige mate toenemen, waarmee sprake is van een zogenaamde NIBM-ontwikkeling. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden.

4.1.3.2 Luchtkwaliteit vanuit verkeersbewegingen Naast het feit dat geen sprake mag zijn van een onevenredige toename van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van wijzigingen in de inrichting dient ook de uitbreiding van het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen. Hiermee is de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van het aantal verkeersbewegingen verwaarloosbaar en valt onder de noemer NIBM, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden.

4.1.4 Geluid De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de Wgh is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen:

Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen, zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.. Daarnaast kent de Wgh de volgende geluidsgevoelige terreinen: Terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg. Woonwagenstandplaatsen.

Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.

33

4.1.4.1 (Spoor)Wegverkeerslawaai Wanneer een woning of een andere geluidsgevoelige bestemming wordt opgericht in de zone langs een weg (behalve een 30 km/uur weg) of spoorweg is de Wgh van toepassing. Middels een akoestisch onderzoek moet in dat geval worden aangetoond dat wordt voldaan aan (in de eerste instantie) de voorkeursgrenswaarde (48 decibel). Is het niet mogelijk te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde dan biedt de Wgh de mogelijkheid af te wijken van de voorkeursgrenswaarde tot een maximale waarde (Hogere Grenswaarde). Bij burgerwoningen is ontheffing mogelijk tot 53 decibel. Bij agrarische bedrijfswoningen is zelfs ontheffing tot 58 decibel mogelijk. Bij vaststelling van het bestemmingsplan moet de voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere waarde, in acht worden genomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een woning of andere geluidsgevoelige bestemming. Hiermee kan verdere toetsing op het gebied van (spoor)wegverkeerslawaai achterwege blijven en kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een onevenredige geluidshinder als gevolg van (spoor)wegverkeerslawaai. 4.1.4.2 Industrielawaai Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gevoelige objecten in de omgeving.

Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen van een inrichting meegenomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van mogelijk geluidshinder veroorzakende inrichtingen of installaties. Tevens zal het aantal verkeersbewegingen, zoals nader is aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) niet in onevenredige mate toenemen. Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidsoverlast aan gevoelige objecten in de omgeving.

4.1.5 Woon- en leefklimaat Wanneer sprake is van het oprichten van gevoelige objecten of wanneer een inrichting wordt opgericht welke mogelijk hinder aan gevoelige objecten in de omgeving veroorzaakt is het van belang te onderzoeken of ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Een ontwikkeling kan niet plaatsvinden indien het niet aannemelijk is dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. 4.1.5.1 Woon- en leefklimaat op de locatie Wanneer bij een ontwikkeling sprake is van het oprichten van gevoelige objecten op het gebied van geur, fijnstof en/of geluid dan dient te worden aangetoond dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten, waarmee verdere toetsing op dit gebied achterwege kan blijven. 4.1.5.2 Woon- en leefklimaat in de omgeving Als bij een ontwikkeling wordt voorzien in een inrichting welke mogelijk leidt tot milieuhinder aan gevoelige objecten in de omgeving dan dient te worden aangetoond dat ter plaatse van de betreffende gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Op het gebied van geur, fijnstof en geluid dient nader te worden onderzocht of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Geur" (paragraaf 4.1.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geurhinder aan de omgeving. Ook zal er, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Luchtkwaliteit" (paragraaf 4.1.3) sprake zijn van een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. Ten slotte zal, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Geluid" (paragraaf 4.1.4) geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidshinder aan de omgeving. 34

Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredig nadelige invloed hebben op het woon- en leefklimaat ter plaats van gevoelige objecten in de omgeving en kan worden gesteld dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt daarnaast een bijdrage geleverd aan de verdere verduurzaming van de locatie. In de recreatiezaal en indoor speeltuin wordt voorzien in een warmtewisselaar voor een duurzame verspreiding van de warmte, waarmee aanzienlijk minder warmte verloren gaat en sprake is van een verhoogd rendement. Tevens vindt ter plaatse natuurlijke bestrijding van de (eikenprocessie)rups plaats, waarmee geen voor de natuur mogelijk schadelijke stoffen gebruikt hoeven worden en er kansen zijn voor soorten vogels om zich in het gebied te ontwikkelen. Verder wordt voor de speeltoestellen in de buitenspeeltuin uitsluitend duurzaam hout gebruikt. Er is geen sprake van gebruik van kunststoffen en/of eventuele andere materialen die mogelijk schadelijk zijn voor het milieu en/of aanzienlijk veel energie of fossiele grondstoffen gebruiken tijdens de productie ervan. In de toekomst vindt mogelijk verdere verduurzaming plaats. Hiervoor zal te zijner tijd in overleg worden getreden met de gemeente. Ook dit leidt tot een verbetering van het woon- en leefklimaat in de omgeving.

4.1.6 Externe veiligheid Externe Veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen. 4.1.6.1 Risicovolle inrichtingen Nabij de locatie bevinden zich geen risicovolle inrichtingen. Daarnaast geldt alleen voor bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) de verantwoordingsplicht wanneer binnen het invloedsgebied een ruimtelijk besluit genomen wordt. Er is geen sprake van ligging binnen het invloedsgebied van bedrijven welke vallen onder Bevi. In de volgende figuur is de risicokaart weergegeven, waarop mogelijke risicovolle inrichtingen weergegeven zijn.

35

Uitsnede Risicokaart. Bron: Interprovinciaal Overleg (IPO). Nabij de locatie zijn een tweetal bedrijven gelegen die zijn aangemerkt als mogelijk risicovolle inrichting. Dit komt omdat ter plaatse tanks voor de opslag van propaan aanwezig zijn. Voor propaantanks is geen invloedsgebied vastgelegd, maar geldt alleen een plaatsgebonden risicocontour. Deze risicocontour voor propaantanks bedraagt, afhankelijk van de inhoud van de tank, maximaal 25 meter. De betreffende tanks zijn niet binnen 25 meter van de locatie gelegen, waarmee geen sprake is van mogelijke risico's vanuit de betreffende tanks. 4.1.6.2 Transport (spoor-, vaar- en autowegen) en buisleidingen Het externe veiligheidsbeleid bij vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Bevt zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico. De locatie is niet binnen het invloedsgebied van een transportroute over weg, water of spoor gelegen. De locatie is eveneens niet binnen het invloedsgebied van een (buis)leiding gelegen. 4.1.6.3 Groepsrisico Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen.

De locatie is niet binnen een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute gelegen. Hiermee hoeft het groepsrisico niet verder te worden verantwoord.

36

4.1.7 Bodem De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Om aan te tonen of sprake is van een verwachtte of feitelijke verontreiniging is door een deskundig bureau een verkennend onderzoek conform de norm NEN 5740 uitgevoerd. Daaruit blijkt dat er in de bodem op basis van analytische waarnemingen verhoogde concentraties asbest zijn aangetroffen rondom de stallen. Het gehalte aan asbest liggen echter ruim onder de grens van 0,5 maal de interventiewaarde en vormen daarmee geen aanleiding tot het instellen van een nader asbestonderzoek. Bij onderhavige locatie betreffen de verhoogde concentraties aan asbest in de toplaag, ter plaatse van de druppelzones rondom de stallen. Deze stallen zijn gerealiseerd in 1966.

Gezien het jaartal mag ervan worden uitgegaan dat de verwering van de asbest houdende dakplaten voor 1993 is begonnen. Indien een verontreiniging met asbest in de bodem is ontstaan ná 1993 is in het kader van de Wet bodembescherming sprake van een nieuw geval van bodemverontreiniging. Een nieuw geval van bodemverontreiniging kan bijvoorbeeld worden veroorzaakt door een calamiteit. Bij een nieuw geval van bodemverontreiniging is de zorgplicht van toepassing. De zorgplicht houdt in dat de verontreiniging zo spoedig mogelijk verwijderd dient te worden. Omdat de verwering van de asbest houdende dakplaten voor 1993 is begonnen is geen sprake van een nieuwe verontreiniging. Hierdoor is de zorgplicht niet van toepassing en zijn sanerende activiteiten niet aan de orde. Ter plaatse van de voormalige dieseltank is een licht verhoogd gehalte aan minerale olie geconstateerd. De geconstateerde verhoogde gehalten liggen echter onder de indexwaarde van 0,5 en/of interventiewaarde en vormen daarmee geen aanleiding tot het instellen van een nader bodemonderzoek. Indien een verontreiniging is ontstaan na 1987 is in het kader van de Wet bodembescherming sprake van een nieuw geval van bodemverontreiniging. Een nieuw geval van bodemverontreiniging kan bijvoorbeeld worden veroorzaakt door een calamiteit. Bij een nieuw geval van bodemverontreiniging is de zorgplicht van toepassing.

De zorgplicht houdt in dat de verontreiniging zo spoedig mogelijk verwijderd dient te worden. Bij onderhavige locatie wordt vooralsnog van uitgegaan dat de tank is verwijderd voor 1987. Hierdoor is de zorgplicht niet van toepassing en zijn sanerende activiteiten niet aan de orde. Op basis van de onderzoeksresultaten bestaan er, vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien, geen belemmeringen ten aanzien van het gebruik van het terrein en de geplande bestemmingswijziging. Voor het gehele onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 3 van deze toelichting. Op basis van het voorgaande kan worden gesteld dat de bodemgesteldheid ter plaatse de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging niet in de weg zal staan.

4.1.8 Voortoets MER-beoordeling Op 16 mei 2017 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst uit de bijlage van het besluit ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld. Deze handreiking geeft aan hoe moet worden vastgesteld of een activiteit, met een omvang onder de drempelwaarde, toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of 37

plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst uit de bijlage van het besluit en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kan een van twee onderstaande conclusies volgen: 1. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten; of 2. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uit te sluiten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(-beoordelings)-plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. Die toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten. 4.1.8.1 Omvang van het project De voorgenomen ontwikkeling voorziet in omschakeling van een agrarisch bedrijf naar een recreatiebedrijf. Een dergelijke ontwikkeling is niet opgenomen op de C-lijst en/of D-lijst uit de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten. De bijlage maakt onderscheid in de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect.

Hieronder wordt hier nader op ingegaan. De voorgenomen ontwikkeling betreft een project van geringe omvang. De ontwikkeling zal de drempelwaarden voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige omvang niet overschrijden. Er zijn geen andere projecten in de omgeving bekend die leiden tot cumulatieve effecten. Er is binnen het project slechts gering sprake van gebruik van natuurlijke hulpbronnen. De productie van afvalstoffen beperkt zich tot een geringe hoeveelheid mest en/of reststoffen. Onevenredige verontreiniging en hinder is, gelet op de geringe bedrijfsomvang, ook niet te verwachten. Er worden enkel reguliere stoffen en technologieën gebruikt. Gelet hierop is er geen verhoogd risico op ongevallen. 4.1.8.2 Plaats van het project De locatie is niet gelegen in een gebied dat, gelet op de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde kwetsbaar is voor een nieuwe kleinschalige invulling van een bestaand erf. Er zullen met de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Ecologie" (paragraaf 4.2) en de paragraaf "Archeologie en cultuurhistorie" (paragraaf 4.3), geen natuurlijke, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden worden geschaad. 4.1.8.3 Kenmerken van het potentiële effect van het project De potentiële effecten van de voorgenomen ontwikkeling zijn zeer gering en lokaal.

Zoals nader aangetoond in de paragrafen "Milieuzonering", "Geur", "Luchtkwaliteit", "Geluid", "Woon- en leefklimaat", "Externe veiligheid" en "Bodem" (paragraaf 4.1.1 t/m 4.1.7) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een onevenredige hinder op het gebied van milieu. Daarnaast is, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Ecologie" (paragraaf 4.2) geen sprake van aantasting van natuurlijke en landschappelijke waarden. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de ontwikkeling die met dit project wordt mogelijk gemaakt in voldoende mate is afgewogen en geen nadelige effecten zijn te verwachten, waarmee de voorgenomen ontwikkeling niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is.

38

4.2

Ecologie

4.2.1 Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang. De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht. Een vergunning voor een project wordt alleen verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten. Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming. 4.2.1.1 Gebiedsbescherming Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht.

Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000. Het dichtstbijzijnd Natura 2000 gebied (Deurnsche Peel & Mariapeel) is gelegen op een afstand van ongeveer 4,6 kilometer van de locatie. Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat een ruimtelijke ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied. Om aan te tonen dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een toenemende depositie op de betreffende gebieden is met het rekenprogramma Aerius Calculator een berekening gemaakt van de voorgenomen activiteiten. Hierbij is uitgegaan van de worst-case situatie. Uit de uitgevoerde berekening, waarvan de resultaten zijn opgenomen in bijlage 4 van deze toelichting, blijkt dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van een projecteffect (er is geen sprake van een toename van meer dan 0,00 mol per hectare per jaar). Hiermee is geen sprake van mogelijk nadelige effecten als gevolg van de uitstoot van ammoniak en/of stikstofoxiden op de betreffende gebieden.

Bij de Aerius berekening is uitgegaan van het principe intern salderen op basis van de huidige aanwezige vergunde en legale situatie. Bij de gewenste situatie is uitgegaan van de worst-case situatie. Dit om aan te tonen dat ook als er sprake zou zijn van een groei van de activiteiten er geen sprake is van een toename van de depositie op de betreffende gebieden. In de praktijk zal de emissie en depositie op de betreffende gebieden nog lager zijn dan in de Aerius berekening is berekend. Naast de depositie van stikstof kunnen ook aspecten als licht, geluid en trillingen leiden tot een verstoring van de betreffende gebieden. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een constante uitstraling van geluid, licht en/of trillingen. Daarnaast is de locatie op een dusdanige afstand van de betreffende gebieden gelegen dat dergelijke effecten in de betreffende gebieden niet merkbaar zullen zijn.

39

Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden. Bron: Aerius Calculator. Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000 gebieden onevenredig worden geschaad. 4.2.1.2 Houtopstanden Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden. Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel. Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die:

buiten de bebouwde kom-boswet liggen; een oppervlakte hebben van 10 are of meer; rijbeplantingen die meer dan twintig bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen; Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten. Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.

40

4.2.1.3 Soortenbescherming De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde. De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. De mate van bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime. De Wet natuurbescherming kent zowel verboden als de zorgplicht. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk. Het is voor elke beschermde soort in elk geval verboden deze te vervoeren of bij te hebben.

Vogelrichtlijn: Dit betreffen alle vogelsoorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten en verwilderde soorten, zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Voor soorten beschermd vanuit de Vogelrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten opzettelijk te doden of te vangen, nesten of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te vernielen of te beschadigen en/of weg te nemen, eieren van deze soorten te rapen en/of bij te hebben en/of deze soorten opzettelijk te storen (tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de instandhouding van de betreffende soort). Habitarichtlijn: Dit zijn alle soorten van bijlage IV onderdeel a van de Habitatrichtlijn inclusief het verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd.

Voor de soorten beschermd vanuit de Habitatrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, eieren van deze soorten te rapen, vernielen en/of bij te hebben, voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten te beschadigen of te vernielen en/of beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Nationaal beschermde soorten: Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Voor de Nationaal beschermde soorten geldt dat het verboden is om de in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en/of beschermde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Zorplicht: Naast beschermde dier- en plantensoorten, moet iedereen voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

Deze zorgplicht geldt voor alle, dus ook voor niet beschermde, soorten planten en dieren. Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet Natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn. Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd. Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet Natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn. Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende 41

maatregelen gevraagd. Bij de voorgenomen ontwikkeling vinden feitelijk geen wijzigingen plaats. De activiteiten worden reeds uitgevoerd. De voorgenomen ontwikkeling dient ervoor de activiteiten positief te bestemmen. Aan de huidige bebouwing en aan het terrein zal niets worden gewijzigd. Volgens gegevens uit de Atlas van de provincie Limburg blijkt dat ter plaatse mogelijk broedvogels op en/of aansluitend aan het terrein aanwezig kunnen zijn. Omdat ter plaatse feitelijk niets wijzigt zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een mogelijke aantasting van de (leefgebieden van) broedvogels. Daarnaast dient te worden bekeken of met de voorgenomen ontwikkeling mogelijk sprake is van een mogelijke aantasting van mogelijk in gebouwen voorkomende soorten. De veehouderijactiviteiten zijn in het verleden reeds gestaakt. Er wordt ter plaatse, afgezien van het gehouden kleinvee op de kinderboerderij, geen vee meer gehouden. De voormalige stallen zijn reeds in gebruik voor de recreatieve activiteiten. Aan het gebruik van de bebouwing verandert daarmee feitelijk niets. Ervaring leert dat, met name oude, varkensstallen nog wel eens nesten van huismussen kunnen bevatten.

Echter blijkt ook dat zodra er geen vee meer wordt gehouden en er daardoor geen voer meer aanwezig is, dat ook geen nesten van huismussen meer aanwezig zijn, omdat de huismussen in dat geval te weinig voedselvoorzieningen hebben in de (voormalige) stallen. Voor het overige zijn varkensstallen doorgaans altijd dichtgemaakt om ongedierte in de stallen te voorkomen. Omdat aan de bebouwing en het terrein feitelijk niets meer wordt gewijzigd (de wijzigingen hebben reeds plaatsgevonden) is geen sprake van een mogelijke aantasting van (leefgebieden van) mogelijk voorkomende beschermde soorten.

4.2.2 Natuurnetwerk Nederland Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op. Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur. Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in het NNN gelegen. Het dichtstbijzijnd NNN-gebied is gelegen op een afstand van ongeveer 300 meter.

42

Uitsnede kaart NNN. Bron: Provincie Limburg. Gezien de locatie niet in het NNN is gelegen zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed hebben op deze gebieden en staat het plan de ontwikkeling van deze gebieden niet in de weg.

4.2.3 Wet ammoniak en veehouderij Op 8 mei 2002 is de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) in werking getreden. De Wav vormt een onderdeel van de ammoniakregelgeving voor dierenverblijven van veehouderijen en kent een emissiegerichte benadering voor heel Nederland met daarnaast aanvullend beleid ter bescherming van de (zeer) kwetsbare gebieden. Deze (zeer) kwetsbare gebieden ingevolge de Wav (Wav-gebieden) zijn gebieden die nadelige invloed kunnen ondervinden als de uitstoot van ammoniak op deze gebieden toeneemt. Ter bescherming van deze gebieden is een zone van 250 meter rondom deze gebieden aangewezen als buffer om ontwikkelingen die schadelijk zijn voor deze gebieden te beperken. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in een Wav-gebied of zone van 250 meter daaromheen gelegen.

43

Uitsnede kaart Wav-gebieden. Bron: Provincie Limburg. Gezien de locatie niet in een Wav-gebied of zone van 250 meter daaromheen is gelegen zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van deze gebieden onevenredig worden aangetast.

4.3

Archeologie en cultuurhistorie

4.3.1 Archeologie Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden. Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is weergegeven in een archeologische verwachtingskaart. Afhankelijk van de verwachtingswaarde stelt de gemeente Venray voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek.

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie vanuit de archeologische verwachtingskaart gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'Categorie 7'.

44

Uitsnede archeologische verwachtingskaart. Bron: Gemeente Venray. Ten aanzien van deze gebieden stelt de gemeente in haar beleid dat dit gebieden met een lage verwachtingswaarde, vrijgegeven en/of verstoorde gebieden zijn. Binnen deze gebieden is geen nader archeologisch onderzoek nodig. Tevens is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bodemverstorende activiteiten. Er wordt immers niet gebouwd en/of gesloopt. Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen mogelijk voorkomende archeologische resten zullen worden geschaad.

4.3.2 Cultuurhistorie Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang. De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd. Zoals te zien in de volgende figuur zijn nabij de locatie enkele cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen.

45

Uitsnede cultuurhistorische waardenk aart. Bron: Provincie Limburg. Nabij de locatie is een kapel gelegen. De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats op een bestaand erf. Er is geen sprake van uitbreiding. Er zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen wijzigingen aan de betreffende kapel plaatsvinden. Hiermee zal de waardevolle kapel niet onevenredig worden aangetast. Een deel van de Lorbaan en van de Kooiweg is aangemerkt als historisch waardevol lijnelement. Het betreft een weg die is aangemerkt als 'andere weg ouder dan 1806'. Met de voorgenomen ontwikkeling zullen geen wijzigingen aan een van beide wegen plaatsvinden. De ontwikkeling vindt immers plaats op een bestaand erf en er is geen sprake van uitbreiding. Er is geen sprake van het aanpassen of aantasten van de structuur van de betreffende wegen. Hiermee is geen sprake van een onevenredige aantasting van de betreffende wegen. Een deel van het landschap aan de overzijde van de Lorbaan en in het daarachter gelegen gebied is aangemerkt als cultuurhistorisch vlak. Het betreft enkeerdgronden die zijn aangemerkt als cultuurhistorisch landschap. De voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend betrekking hebben op het bestaande erf. Het bestaande erf is niet binnen dit historisch landschap gelegen. Er zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van (de structuur van) het landschap.

Het historisch vlak en landschap zal daarmee niet onevenredig worden geschaad. Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van onevenredige aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen.

4.4

Verkeer en parkeren

4.4.1 Infrastructuur en parkeren Een goede ontsluiting is gerealiseerd op de Lorbaan. De locatie is voorzien van inritten welke aansluiten op de openbare weg. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden. Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid voor personenauto's en vrachtwagens om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende personenauto's en/of vrachtwagens de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid. 46

Ter plaatse was aan de voorzijde van de woning met nummer 1 en de streekwinkel een spiegel aanwezig voor uitrijdende auto's. In overleg met de verkeersdeskundige van de gemeente is deze spiegel verwijderd omdat deze een onveilige situatie zou suggereren. De verkeerskundige van de gemeente heeft verder nog een aantal punten aangedragen waarop in de huidige situatie wellicht op verkeerskundig vlak nog wat verbeteringen zouden kunnen plaatsvinden. In overleg met de verkeerskundige en de initiatiefnemer is een verkeerskundig aangepaste situatie opgezet op het bedrijf, waarbij de kiss-and-ride strook en de parkeerplaatsen voor minder validen op de parkeerplaats worden gerealiseerd. Daarnaast wordt de entree vanaf de parkeerplaats verbreed zodat de entree beter toegankelijk is voor minder validen met bijvoorbeeld een rolstoel of rollator. In bijlage 5 bij deze toelichting is een situatietekening opgenomen met daarop de aangepaste verkeerssituatie op het bedrijf. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Hierbij zal rekening worden gehouden met de capaciteit van de ontsluitingsweg, zodat geen situatie ontstaat waarbij meer verkeer over de ontsluitingsweg rijdt dan dat deze kan verwerken. Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van aantasting van de bestaande infrastructuur.

In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt. Ook na realisatie van het project zal er op eigen terrein, zoals nader omschreven in de paragraaf "Beleidsnota parkeernormen gemeente Venray" (paragraaf 3.3.5) voldoende gelegenheid zijn voor zowel vracht- als personenauto's om te kunnen parkeren. Hiermee zal parkeren, ook na realisatie van het project, geheel op eigen terrein plaatsvinden.

4.4.2 Verkeersbewegingen Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van omschakeling van een agrarisch bedrijf met als nevenactiviteit het uitvoeren van recreatieve activiteiten naar een recreatiebedrijf met als nevenactiviteit het uitvoeren van agrarische activiteiten. In vergelijking met de huidige situatie zal het aantal verkeersbewegingen niet in onevenredige mate toenemen. Op de locatie is momenteel een intensieve veehouderij vergund. Bij een intensieve veehouderij zijn veel verkeersbewegingen nodig met vrachtverkeer voor het aan- en afvoeren van dieren, het aanvoeren van voer en bodembedekking en het afvoeren van mest. Daarnaast is sprake van regelmatige controle van de veearts en sprake van een regelmatige levering van andere goederen en diensten (vaak met bestelauto). Daarnaast vinden bij de agrarische bedrijfsvoering akker- en tuinbouwactiviteiten plaats. Momenteel vinden de gewenste recreatieve activiteiten al plaats als zijnde een nevenactiviteit bij het agrarisch bedrijf. De recreatieve activiteiten zullen niet onevenredig wijzigen, maar in de worst-case situatie alleen wat worden uitgebreid. Er is wellicht sprake van een (geringe) toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de recreatieve activiteiten, maar daar staat een (forse) afname van het aantal verkeersbewegingen ten behoeve van de veehouderij tegenover.

De afname van het aantal verkeersbewegingen (met name met vrachtverkeer) als gevolg van het beëindigen van de veehouderij is groter dan de verwachtte toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de recreatieve activiteiten. Daarnaast zijn de verkeersbewegingen als gevolg van de recreatieve activiteiten vrijwel uitsluitend met personenvervoer. Gezien het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toeneemt, meer eerder juist zal afnemen, zal geen sprake zijn van negatieve effecten op de verkeersveiligheid en zal geen sprake zijn van een toenemende overlast aan de omgeving.

4.5

Wateraspecten

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Met ingang van 3 juli 2003 is een watertoets in de vorm van een waterparagraaf en de toelichting hierop een verplicht onderdeel voor ruimtelijke plannen en projecten van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten. De watertoets is verankerd in de Waterwet (Wtw). Dit houdt in dat de toelichting bij het 47

ruimtelijk plan of project een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Dit beleid is voortgezet in het huidige Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit besluit wordt het begrip “waterhuishouding” breed opgevat. Aangesloten wordt bij de definitie zoals die is opgenomen in de Wtw. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de waterhuishouding. Bij de voorbereiding van een waterparagraaf dienen alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten beoordeeld te worden. De locatie valt onder het werkgebied van het Peel en Maasvallei (hierna: het waterschap). Het waterschap Peel en Maasvallei heeft ten aanzien van de watertoets een handboek opgesteld waarin het beleid ten aanzien van de waterhuishouding is omschreven en waarin de nomen voor de waterbergingscompensatie staan genoemd. Het doel van de watertoets is te waarborgen dat water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing wordt genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen van zowel Rijk, provincies als gemeenten. Dit betekent in de praktijk dat in beeld gebracht dient te worden welke weg het water aflegt binnen een ruimtelijk plan. Hierbij is het doel 'waterneutraal bouwen in ruimte en tijd', waarvoor de initiatiefnemer verantwoordelijk is.

De beoordeling van de waterhuishoudkundige relevantie vindt plaats voor zowel regionale wateren, grondwater, als rijkswateren en kan betrekking hebben op alle mogelijke wateraspecten. Binnen een bestemmingsplanwijziging heeft het waterschap verschillende rollen, namelijk die van informateur, adviseur, controleur en vergunningverlener. De voorgenomen ontwikkeling past binnen de beleidsuitgangspunten van het waterschap, mits deze in acht worden genomen bij de ontwikkeling.

4.5.1 Voorgenomen activiteit Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van omschakeling van een agrarisch bedrijf met als neventak het uitvoeren van recreatieve activiteiten naar een recreatiebedrijf met als neventak het uitvoeren van agrarische activiteiten. Afkoppeling van het hemelwater zal plaatsvinden middels een gescheiden stelsel. Hierbij zal het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak niet op het riool worden afgevoerd, maar middels straatkolken en dakgoten worden afgevoerd naar infiltratie- en/of bergingsvoorzieningen. Van belang daarbij is dat bij een ruimtelijke ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld. Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang (waterbergingscompensatie). Voor de mate van compensatie hanteert het waterschap specifieke richtlijnen. Het waterschap maakt onderscheid in een situatie voor maatgevende buien eens in de 10 jaar (T=10) en eens in de 100 jaar (T=100). Bij een situatie T=10 dient de buffer 44 millimeter groot te zijn. Bij een situatie T=100 moet de buffer 100 millimeter bedragen. Een situatie T=100 is een uitzonderlijke situatie waarbij het terrein gedurende één dag onder water mag staan (inundatie).

Voorwaarde hierbij is dat de situatie geen overlast aan de omliggende percelen mag veroorzaken. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het verhard oppervlak niet toenemen. Hiermee is geen aanvullende compensatie vereist en zal met de voorgenomen ontwikkeling sprake zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Om negatieve effecten op de huidige goede waterkwaliteit te voorkomen en waterbesparing te bereiken wordt/worden:

zoveel mogelijk maatregelen getroffen om het waterverbruik zo gering mogelijk te laten zijn en verontreiniging van het regenwater en oppervlaktewater te voorkomen; duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toegepast; 48

een bergingsvoorziening gerealiseerd. De locatie is voorzien van riolering, waar het afvalwater van de bedrijfswoning op wordt geloosd. Het bedrijfsafvalwater wordt middels een gescheiden stelsel afgevoerd. Hemelwater wordt hierbij niet afgevoerd op het rioleringssysteem, maar wordt middels dakgoten en straatkolken opgevangen in een bergingsvoorziening. Hiermee is geen sprake van afkoppeling van hemelwater naar Rioolwaterzuiveringsinstallaties. Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige aantasting van de waterhuishouding ter plaatse.

4.5.2 Compenserende waterberging Ter compensatie van de toename van het verharde oppervlak bij ruimtelijke ontwikkelingen dient compenserende waterberging plaats te vinden om wateroverlast te voorkomen. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Voorgenomen activiteit" (paragraaf 4.5.1) is voor de voorgenomen ontwikkeling geen compenserende waterberging nodig.

49

Hoofdstuk 5 5.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een nieuwe ruimtelijk project dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het project. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaar van het project. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van projectkosten. In principe dient bij vaststelling van het ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van projectkosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeente een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Bro zijn deze bouwplannen nader omschreven: "Artikel 6.2.1 Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt aangewezen een bouwplan voor: a. de bouw van een of meer woningen; b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen; d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; e.

de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m2 bruto-vloeroppervlakte bedraagt; f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte." Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een in het betreffende artikel genoemde bouwplan, waarmee geen exploitatieplan nodig is. Kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de procedure zijn daarnaast voor rekening van de initiatiefnemer. Gemaakte kosten door de gemeente worden middels het heffen van leges op de initiatiefnemer verhaald, zoals is opgenomen in de legesverordening van de gemeente Venray. Hiermee kan worden gesteld dat het project financieel haalbaar wordt geacht.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.2.1 Algemeen Het voorliggend plan betreft een herziening op het bestemmingsplan "Buitengebied Venray 2010" en de daarop van toepassing zijnde herzieningen van gemeente Venray en wordt opgesteld conform de Uniforme Voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het kader van deze procedure wordt eenieder tijdens de terinzagetermijn in de gelegenheid gesteld zienswijzen op het plan in te dienen. Wanneer het plan ter inzage ligt wordt gepubliceerd in de gemeentelijke bladen, op de gemeentelijke website en in de digitale Staatscourant. Tevens wordt het plan voor eenieder digitaal raadpleegbaar gesteld via www.ruimtelijkeplannen.nl.

5.2.2 Dialoog met de omgeving Het is van belang om ruimtelijke ontwikkelingen vooraf goed te bespreken in de omgeving. Daarmee worden omwonenden en belanghebbenden tijdig op de hoogte gebracht van de plannen en wordt vooraf duidelijk of de ontwikkeling maatschappelijk ook wordt gedragen. In het kader van een goede dialoog met de omgeving heeft de initiatiefnemer de verschilende omwonenden en belanghebbenden benaderd, waarbij deze op de hoogte zijn gebracht van de plannen van de 50

initiatiefnemer en in de gelegenheid zijn gesteld hierop te reageren. Vanuit de dialoog met de omgeving zijn gen bezwaren of verbeterpunten naar voren gekomen. Elk van de omwonenden en belanghebbenden die hebben gereageerd zijn enthousiast en wensen de initiatiefnemer veel succes. De eigenaren van de nabijgelegen bedrijven hebben wel aangegeven dat de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige gevolgen mag hebben voor deze bedrijven. Zoals nader omschreven en aangetoond in de paragraaf "Milieu" (paragraaf 4.1) zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een beperking van de (ontwikkelings)mogelijkheden van de omliggende bedrijven. Daarmee zijn er vanuit de omgeving geen bezwaren en/of verbeterpunten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11353852/1