CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

660865 Bijl01 motivering.pdf

Raadsvergadering 8 juli 2026, gemeente VenloBij agendapunt: 4.7: Gewijzigd vaststellen TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22C Maasdal-Velden; Genooierweg 22 (660865)16.473 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Echter, gezien geringe omvang (ter plaatse van boring 1) wordt de kans klein geacht dat hier veel archeologische kenniswinst uit gehaald kan worden. Derhalve 30

wordt de kans op het aantreffen van intacte archeologische bewoningsresten laag geacht en zullen de voorgenomen graafwerkzaamheden geen bedreiging vormen voor het archeologisch bodemarchief. Voor het plangebied wordt om bovenstaande redenen geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht, indien de voorgenomen graafwerkzaamheden niet dieper gaan dan 120 centimeter onder maaiveld. Op basis van het uitgevoerde onderzoek heeft de gemeente Venlo een selectiebesluit genomen en de onderzochte gronden vrijgegeven. Op de niet onderzochte agrarische gronden binnen het plangebied wordt een dubbelbestemming opgenomen met een strenge oppervlaktenorm van 0 m2 omdat hier het onderzoek niet volledig is uitgevoerd. Het aspect archeologie is hiermee voldoende onderzocht en vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Figuur 11: Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Venlo met plangebied zwart omcirkeld (indicatief).

Cultuurhistorie Daarnaast is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en esembles van een grotere schaal. Conform de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg zijn er geen monumenten of cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig binnen het plangebied. Ook ligt het plangebied niet binnen een cultuurlandschap of ander waardevol gebied. 31

Naast dat getoetst wordt aan de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg dient ook getoetst te worden aan de Cultuurhistorische Inventarisatiekaart Venlo. Conform de cultuurhistorische inventarisatiekaart Venlo is het plangebied gelegen in de Droge kampontginningen. De kern van dit landschapstype wordt gevormd door de open velden. Dit waren oorspronkelijk meerdere kleinschalige ontginningen die aaneengegroeid zijn tot grotere akkercomplexen. Aan de randen van deze akkercomplexen, maar ook elders in de gemeente, komen droge kampontginningen met een rationale en onregelmatige structuur voor. Deze ontginningen zijn over het algemeen jonger en hadden een meer kleinschalig karakter. Met name binnen de variant met velden hebben in de tweede helft van de 20 e eeuw grote ruimtelijke ingrepen plaatsgevonden in de vorm van woningbouw. De van oorsprong kleinschalige rationale en onregelmatige kampontginningen hebben in de loop van de 20e eeuw door schaalvergroting hun kleinschalige karakter verloren. Aangezien de beoogde ontwikkeling voorziet in vermindering van het bebouwd oppervlak zullen de waarden van het landschapstypen versterkt worden. Met onderhavige ontwikkeling wordt dan ook geen afbreuk gedaan aan cultuurhistorische en landschappelijke kenmerken.

5.2

Beschermen van de gezondheid Conform artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. In de huidige situatie is binnen het plangebied een glastuinbouwbedrijf met bedrijfswoning aanwezig. Met onderhavige ontwikkeling wordt de staking van de glastuinbouwactiviteiten geborgd. De gronden zullen in de beoogde situatie worden gebruikt ten behoeve van woonfuncties en agrarisch grondgebruik. Naar verwachting heeft het toekomstige gebruik van de gronden geen negatieve gevolgen voor de gezondheid van omwonenden. Ook de gezondheid van toekomstige bewoners van de nieuwe woningen komt niet in het geding. In de nabijheid van het plangebied worden geen geiten, varkens en/of kippen gehouden die kunnen zorgen voor een verhoogd endotoxine gehalte. Voor wat betreft het aspect gewasbeschermingsmiddelen wordt rondom de nieuwe woningen een ‘spuitvrije’ zone (50 meter) opgenomen waar het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wordt uitgesloten. Tenslotte blijkt uit de overige paragrafen in dit hoofdstuk dat er geen belemmeringen zijn op het gebied van gezondheid. Er kan dan ook worden gesproken van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving.

5.3

Bodem In het kader van de Omgevingswet dient te worden aangegeven of de bodemkwaliteit geschikt is om een nieuwe functie te realiseren in de fysieke leefomgeving en hoe eventueel bodemverontreiniging kan worden voorkomen. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van de functiewijziging. Om te kunnen beoordelen of het perceel aanvaardbaar wordt geacht om te wonen is een verkennend bodemonderzoek door Aeres Milieu uitgevoerd. Onderstaand zijn de conclusies uit dit onderzoek weergegeven. Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage III. Als gevolg van de ecologische 32

waarden van de amfibiepoel is besloten de zuidelijke woning in westelijke richting te verplaatsen. Hierdoor is deze woning buiten het onderzoeksgebied van het verkennend bodemonderzoek komen te liggen. Aangezien er ter plaatse van de beoogde woningbouwkavel geen bedrijfsactiviteiten hebben plaatsgevonden kan worden gesteld dat de bodemkwaliteit op deze locatie minstens gelijkwaardig, zo niet beter, is aan de bodemkwaliteit binnen het onderzoeksgebied. Voor deze locatie kan derhalve worden aangesloten bij onderstaande conclusies. Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk plaatselijk baksteen- en puinresten en slakken aangetroffen. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond plaatselijk licht verhoogd is met kobalt, PAK en minerale olie. In de ondergrond zijn geen gehalten gemeten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met xylenen. De analyseresultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek.

Wel wordt geadviseerd om een verkennend onderzoek naar asbest in bodem uit te voeren ter plaatse van de boringen (boorpunten 5, 6, 13 en 14) waarin bijmengingen aan bodemvreemde materialen (puin, baksteen en slakken) zijn aangetroffen. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit en het Tijdelijk Handelingskader PFAS van toepassing. Het freatisch grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater. Verkennend bodem- en asbestonderzoek In bijlage IV is het volledige rapport van het Verkennend bodem- en asbestonderzoek opgenomen. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies opgenomen. Tijdens de veldinspectie zijn er op de locatie geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. Voor de semi-verharde weg is de bovengrond licht verontreinigd met PAK en plaatselijk met minerale olie. Er is geen overschrijding van de interventiewaarde aangetoond. Het grondwater is daarnaast licht verhoogd met molybdeen en nikkel. Er is geen aanleiding voor aanvullend onderzoek.

Verder is een licht verhoogde concentratie aan asbest aangetroffen. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Ter plaatse van de bouwkavels en de voormalige technische ruimte zijn geen verontreinigingen gevonden. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt ter plaatse van deze locatie dan ook geen belemmering voor de realisatie van de woningen. 33

Ter plaatse van de semi-verharde weg kan niet worden voldaan aan het toekomstige gebruik als ‘wonen’, echter zal het gebruik als weg niet veranderen waardoor dit geen belemmering vormt voor de ontwikkeling.

5.4

Water(systemen) In deze paragraaf wordt uiteengezet op welke wijze bij onderhavige ontwikkeling rekening wordt gehouden met het aspect water en watersystemen. Deze paragraaf bestaat uit sub paragrafen waarin achtereenvolgens het wettelijk toetsingskader, de waterkundige situatie ter plaatse, eventuele te treffen maatregelen en de conclusie worden besproken.

5.4.1

Wettelijk toetsingskader Besluit kwaliteit leefomgeving Op grond van artikel 5.37 van het Bkl moet bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening gehouden worden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij is aangegeven dat daarbij de opvattingen van de beheerder van deze watersystemen moeten worden betrokken. Er zijn diverse beleidsdocumenten op verschillende bestuursniveaus die ten grondslag liggen aan de uitgangspunten op het gebied van duurzaam waterbeheer. De relevante beleidsdocumenten zijn de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), het Nationaal Waterplan (NW), het Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21), het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) en de Waterwet. Onder de Omgevingswet is het beleid van de waterschappen dat de kwaliteit en veiligheid van watersystemen borgt opgenomen in de waterschapsverordeningen. Binnen de ruimtelijke planvorming vormt water, in toenemende mate, een belangrijk aspect. De toename van verhard oppervlak zorgt voor hitte, verdroging en vergroot de kans op wateroverlast. Bij alle ruimtelijke plannen moeten de waterhuishoudkundige doelstellingen binnen het plangebied op een evenwichtige wijze beschouwd worden. Deze zogenaamde Watertoets is ook onder de Omgevingswet verplicht. In paragraaf 5.1.3 van het Bkl zijn aanvullende eisen gesteld ten aanzien van relevante waterhuiskundige elementen.

Aangezien onderhavige ontwikkeling in de nabijheid ligt van het stroomvoerend deel van het rivierbed van een grote rivier is een nadere toetsing aan de orde, dit is getoetst in 4.2.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Beleid Waterschap Limburg Het beleid van het waterschap Limburg is vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. De speerpunten in het Waterbeheerprogramma 2022-2027 zijn: - Hoogwaterbescherming van de Maasvallei; - Klimaatadaptatie: balans tussen water afvoeren en vasthouden; - Waterkwaliteit en ecologie: het water is schoon en natuurlijk ingericht; - Zuiveren van de waterketen: zuiveren rioolwater en grondstoffen terugwinnen en gebruiken. Het waterschap Limburg stimuleert om nieuwe projecten waterneutraal te maken door voldoende ruimte te reserveren voor berging en afvoer van regenwater. Regenwater van daken en verharding wordt zo veel mogelijk opgevangen op eigen terrein.

34

Uitgangspunt hierbij is hergebruik of infiltreren in de bodem. Alleen als dit echt niet mogelijk is kan, gedoseerd, worden afgevoerd op oppervlaktewater. Afkoppel beslisboom gemeente Venlo De afkoppel-beslisboom van de gemeente Venlo is bedoeld als stappenplan om te bepalen welke eisen er gelden voor de omgang met hemelwater. Om te bepalen of er dient te worden voorzien in een bergings- of infiltratievoorziening en hoe groot de capaciteit moet zijn, is de afkoppel beslisboom doorlopen. Ten behoeve van de nieuwe woningbouwkavels zal worden voorzien in een infiltratievoorziening op eigen perceel voor het afkoppelen van hemelwater. Hierbij wordt aangesloten bij ‘bergingseis 3’. Dat wil zeggen dat er een waterbergings/infiltratievoorziening op het eigen terrein dient te worden gerealiseerd van T=10 (50 liter per m2 in 24 uur), oftewel een waterberging van 0,05 m3 per m2 aan verhard oppervlak. De wijze waarop de voorziening(en) voor de waterberging worden gedimensioneerd, zal nader worden uitgewerkt in de uiteindelijke aan te vragen omgevingsvergunning Bouwen.

5.4.2

Waterkundige situatie plangebied De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied en de omgeving, kunnen beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, afvalwater en hemelwater. Grondwater Het plangebied ligt binnen de attentiezone Venloschol met betrekking tot grondwater. Echter zal onderhavige ontwikkeling niet van invloed zijn op de grondwaterstand en worden er geen onttrekkingen voorzien. Dit vormt derhalve geen belemmering Oppervlaktewater Op circa 400 meter ten westen van het plangebied is de Maas gelegen. Binnen het plangebied is een amfibiepoel aanwezig. Beide oppervlaktewateren blijven behouden en worden niet beïnvloedt door onderhavige ontwikkeling. Afvalwater Het huidige afvalwater wordt middels het gemeentelijke rioleringsstelsel afgevoerd. Met onderhavige ontwikkeling zal de hoeveelheid afvalwater niet toenemen. Hemelwater Het Waterschap Limburg en de gemeente Venlo streven ernaar om bij nieuwbouw en herstructurering regenwater volledig af te koppelen en zoveel mogelijk binnen het plangebied te verwerken. Derhalve is de afkoppel beslisboom van de gemeente Venlo doorlopen. In paragraaf 5.4.1 wordt inzichtelijk gemaakt hoe hemelwater op eigen terrein kan worden opgevangen en verwerkt.

5.5

Ecologie De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. 35

5.5.1

Natura-2000 activiteit In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Zo is het conform artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Omgevingswet verboden om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000activiteit te verrichten. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, geldt: 1. niet voor een Natura 2000-activiteit in gevallen aangewezen in een omgevingsverordening. 2. in gevallen aangewezen in een omgevingsverordening niet voor zover het gaat om gevolgen die samenhangen met een bij de omgevingsverordening bepaalde factor die een daarbij bepaalde drempel niet overschrijdt. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart te worden gebracht en te worden beoordeeld. Wanneer deze mogelijk een negatief effect hebben op beschermde natuur in een Natura 2000-gebied geldt een vergunningsplicht. Middels het rekeninstrument AERIUS Calculator is berekend of er eventueel een negatief effect is op een Natura 2000-gebied. Natura 2000 Ten noorden van de planlocatie is, op een afstand van circa 3,4 kilometer, het Natura 2000-gebied ‘Maasduinen’ gelegen.

Op een afstand van circa 15,2 kilometer ten westen van de planlocatie is het Natura 2000-gebied ‘Deurnsche Peel & Mariapeel gelegen. Verder is ten oosten van de beoogde ontwikkeling het Duitse Natura 2000-gebied Vogelschutzgebied ‘Schwalm- Nette- Platte mit Grenzwald u. Meinweg’ gelegen. Dit gebied is gelegen op een afstand van circa 5,2 kilometer. Overige gebieden zijn op grotere afstand gelegen. Gezien de aard van de ontwikkeling en de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden, zijn significante negatieve effecten niet op voorhand uit te sluiten. Er is derhalve een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Onderstaand zijn de resultaten weergegeven. Voor de volledige stikstofdepositieberekening en rapportage wordt verwezen naar bijlage V. Uit de rekenresultaten van zowel de aanleg- als de gebruikersfase blijkt dat er geen toename (>0,00 mol/ha/jaar) van stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000gebieden wordt berekend als gevolg van het plan. Hiermee kan geconcludeerd worden dat het aspect stikstof geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied is niet binnen het Natuurnetwerk Nederland gelegen. Het dichtstbijzijnde gebied behorend tot het Natuurnetwerk Nederland is aangrenzend aan het plangebied gelegen.

Ten zuidwesten van het plangebied is een bospartij gelegen die in het bestemmingsplan bestemd is als ‘Bos’ en onderdeel vormt van de goudgroene natuurzone. Gezien de ontwikkeling in positieve zin bijdraagt aan de landschappelijke en natuurlijke kwaliteit van het Maasdal en het bebouwd oppervlak ter plaatse afneemt, zijn significante negatieve effecten uit te sluiten.

36

5.5.2

Flora en fauna activiteit De Omgevingswet regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Het komt voor dat bebouwing en groenelementen zoals bomen fungeren als vaste verblijf- of voortplantingsplaats voor dieren. Het verwijderen hiervan kan een negatieve gevolgen hebben voor dieren. In het kader van de Omgevingswet dient te worden bepaald of er al dan niet nader onderzoek dient te worden gedaan naar voorkomende diersoorten. In dit geval kunnen de te slopen opstallen als verblijfplaatsen voor diersoorten dienen. Er dient voor de functiewijziging vastgesteld te worden of de ontwikkeling een negatief effect heeft op eventueel aanwezige dier- en plantensoorten. Er is daarom een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is als separate bijlage VI bijgevoegd. Hieronder zijn de conclusies en aanbevelingen uit het onderzoek weergegeven.

Soorten Vogelrichtlijn Vogels met jaarrond beschermde nesten De te slopen bebouwingen zijn niet geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten in de te slopen bouwwerken van de huismus, gierzwaluw, kerk- en steenuil aangetroffen. Nader onderzoek naar de huismus in de te slopen bebouwingen wordt niet nodig geacht. Er zijn wel huismussen met nesten aangetroffen in de bedrijfswoning en in de aangrenzende beplantingen en bomen binnen het plangebied aangetroffen. Wanneer geen werkzaamheden uitgevoerd gaan worden aan de bedrijfswoning en aan de bomen en beplantingen direct grenzend aan de bedrijfswoning, wordt nader onderzoek niet nodig geacht. Wel is het belangrijk om te kijken of de nieuwe woningen en de nieuwe tuinen daarom heen geschikt gemaakt kunnen worden voor de huismus door de aanplant van bomen, hagen en kruidachtige begroeiing en het inbouwen van nestkasten voor huismussen in de nieuwe woningen (natuur-inclusief bouwen). Vogels met niet- jaarrond beschermde nesten (Categorie 0) Het plangebied is potentieel geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen vogels met niet jaarrond beschermde nesten, zoals de spreeuw, koolmees en pimpelmees.

Vogels met niet jaarrond beschermde nesten (Categorie 0) zijn vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan en die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. Categorie 0-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In dezen zijn er geen ecologische omstandigheden waardoor categorie 0 soorten in het plangebied jaarrond beschermd dienen te zijn. Het betreft een lokaal en regionaal algemene vogels. In de directe omgeving zijn voldoende geschikte structuren die als alternatief gebruikt

37

kunnen worden. Tijdelijke schadelijke effecten op Categorie 0 soorten vogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog. Algemene broedvogels Het plangebied is potentieel geschikt voor algemene broedvogels om te broeden. Zij kunnen nestelen in de beplantingen en bomen welke aanwezig zijn op de kavels. Tijdelijke schadelijke effecten op algemene broedvogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een extra controle op aanwezige nesten noodzakelijk. Soorten Habitatrichtlijn Vleermuizen De voorgenomen ontwikkelingen kunnen niet leiden tot een negatief effect op vleermuizen.

Hierdoor kunnen ook de verbodsbepalingen Art 3.5 lid 2 en 4 van de Wnb niet worden overtreden. Wel is het belangrijk om, wanneer gewerkt wordt na zonsondergang en voor zonsopkomst, dat werklicht afgewend wordt van de bestaande bedrijfswoning en groenstructuren. Dit om eventueel aanwezige vleermuizen/ verblijfslocaties niet te verstoren. Amfibieën en reptielen De geplande ontwikkeling van de nieuwbouwwoningen hebben geen negatief effect op beschermde amfibieën en reptielen, wanneer de vegetatie behouden blijft rondom de amfibieënpoel (enkel bestendig beheer toegestaan na beoordeling aanwezigheid beschermde soorten door een amfibieën en reptielen deskundige), zoals aangegeven in het landschappelijk inpassingsplan. Overige habitatrichtlijnsoorten Voor overige habitatrichtlijnsoorten is het plangebied (redelijkerwijs) ongeschikt door het ontbreken van een geschikt habitat. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Nationaal beschermde soorten In het plangebied bestaat potentie voor nationaal beschermde soorten amfibieën waarvoor géén provinciale vrijstelling geldt. Aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van de alpenwatersalamander in de amfibieënpoel is noodzakelijk. Het plangebied is potentieel geschikt voor Nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie Limburg een vrijstelling geldt als egel, konijn of (spits)muizen.

Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk gezien de geplande werkzaamheden. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijke schadelijke effecten op de egel en (spits)muizen zoveel mogelijk dient te worden voorkomen. Te 38

denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden. Conclusie Als gevolgd van de conclusies van de quickscan flora en fauna is besloten om de woningbouwkavel die was beoogd ter plaatse van de amfibiepoel te verplaatsen in westelijke richting, achter de poel. Op deze wijze kan de amfibiepoel behouden blijven. Nader onderzoek naar deze soorten is dan ook niet noodzakelijk. Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

5.6

Geluid In de Omgevingswet is vastgesteld dat, indien binnen het plangebied geluidgevoelige functies zijn voorzien binnen de geluidaandachtsgebieden van omliggende (spoor)wegen en/of industrieterreinen, een akoestisch onderzoek dient te worden uitgevoerd bij vaststelling, herziening of afwijking van het tijdelijke omgevingsplan. Het plangebied waarbinnen de nieuwe woningbouwkavels worden gerealiseerd, is gelegen binnen het invloedsgebied van een of enkele wegen. Tevens zijn er enkele in de omgeving functies aanwezig waar geluidproducerende activiteiten plaatsvinden. Er is derhalve door HMB een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Onderstaand zijn de conclusies uit het onderzoek weergegeven. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar bijlage VII. Wegverkeerslawaai Uit het onderzoek volgt dat het geluid als gevolg van gemeentewegen voldoet aan de standaardwaarde. Het geluid als gevolg van rijkswegen is hoger dan de standaardwaarde, wel wordt voldaan aan de grenswaarde. Het gezamenlijke geluid is hoger dan 53 dB. In een later stadium zal daarom aanvullend onderzoek nodig zijn naar eventueel benodigde bouwkundige maatregelen opdat voldaan kan worden aan de eisen aangaande de binnenwaarde. Aanvullend onderzoek is pas mogelijk op het moment dat een definitieve ontwerptekening beschikbaar is.

Industrielawaai Ten aanzien van het aspect industrielawaai is gekeken naar de vigerende vergunde situatie (maximale geluidruimte) voor de fabriek/champignonverwerkingsbedrijf aan de Oude Venloseweg 84. Op deze wijze wordt de vergunde geluidruimte van dit bedrijf gerespecteerd. Met deze akoestische situatie als uitgangspunt is getoetst of ter plaatse van de nieuwe woningen voldaan wordt aan de geluidnormering zoals vastgelegd in het Bkl (standaardwaarde 50-45-40 dB(A)) voor de dag-, avond- en nachtperiode). Uit de berekeningen blijkt dat ter plaatse van de nieuwe woningen ten noorden van de Genooierweg 22 wordt voldaan aan de standaardwaarde. Voor de zuidelijke woning nabij de poel wordt naar verwachting niet voldaan aan de standaardwaarde. Hier is sprake van een geluidbelasting van ten hoogste 55 dB(A). De grenswaarde wordt dus niet overschreden. Op basis van artikel 5.65 van het Bkl kan de gemeente Venlo een hogere geluidbelasting toestaan dan de standaardwaarde. Hierbij moet worden gemotiveerd dat het redelijkerwijs niet mogelijk is om de geluidbelasting te verminderen en moet sprake zijn van een maatschappelijk belang.

39

Onderhavig plan is tot stand gekomen naar aanleiding van het project Maasdal Velden. Dit project is ingegeven door de ligging van het projectgebied in het Maasdal en de beperkingen voor de bedrijfsactiviteiten die hieruit voortvloeien als gevolg van de beleidslijn Ruimte voor de Rivier. In het gebiedsplan Maasdal Velden worden gebiedsontwikkeling en bedrijfsontwikkeling geïntegreerd om economische, ecologische en maatschappelijke doelen te verwezenlijken. Uitgangspunt daarbij is dat het Maasdal op enig moment vrij moet zijn van niet-grondgebonden landbouw. Diverse bedrijven (waaronder het bedrijf op de locatie Genooierweg 22) zijn met de gemeente hiertoe een overeenkomst aangegaan om de kas te verwijderen en als compensatie op of grenzend aan de bedrijfslocatie 3 nieuwe woningbouwkavels te realiseren. Het realiseren van de woningen draagt zodoende bij aan het maatschappelijk belang om de kassen uit het Maasdal te verwijderen. Nabij het plangebied is van oudsher een fabriek/champignonverwerkingsbedrijf aanwezig. Tevens is het plangebied in de nabijheid van enkele grotere wegen gelegen, waaronder de Rijksweg A67. Voor het aspect akoestiek zorgt dit voor aandachtspunten en uitdagingen.

Als gevolg van deze uitdagingen en aandachtspunten voor het aspect natuur, is reeds besloten om de kavels te verplaatsen zodat deze verder van de fabriek aan de Oude Venloseweg zijn komen te liggen. Als gevolg van bestaande rechten wordt de standaardwaarde echter, ook na de verplaatsing, overschreden. Door middel van maatregelen zoals de situering van de bebouwing en geluiddempende maatregelen in de gevel wordt getracht de geluidbelasting zo veel mogelijk naar beneden te brengen. In de planregels is geborgd dat de woning enkel in gebruik kan worden genomen indien blijkt dat aan de grenswaarden voor toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten binnen geluidgevoelige gebouwen wordt voldaan. Op deze wijze is voldoende geborgd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast wordt de geluidruimte van omliggende bedrijven gerespecteerd. Er is voor dit punt sprake van ETFAL. Het aspect geluid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.7

Kwaliteit van de buitenlucht Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 is het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) maatgevend voor de luchtkwaliteit bij het toestaan van ruimtelijke ontwikkelingen. Hierin staan de hoofdlijnen rondom luchtkwaliteitseisen beschreven. Artikel 2.1 en 2.1a stellen samen met artikel 2.3 t/m 2.8 de grenswaarden voor luchtkwaliteit. In artikel 5.51-5.53 is de toepassing hiervan uiteengezet. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Een plan is ‘NIBM’ als dat blijkt uit de NIBM-Tool, of als deze valt onder de ‘standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit’ (artikel 5.54 Bkl). Onderhavige ontwikkeling valt binnen de categorie ‘gebouwen met een woonfunctie en 40

nevengebruiksfuncties daarvan met één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen’ zoals opgenomen in artikel 5.54 Bkl. Onderhavige ontwikkeling draagt daarmee in niet betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Dit aspect vormt derhalve geen belemmering.

5.8

Geur Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) vormt sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 het toetsingskader, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen of andere bedrijfsactiviteiten waarbij geur vrijkomt. De wetgeving heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen en/of vaste afstanden. In de Omgevingswet is aangegeven dat sprake dient te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen of andere bedrijven. Anderzijds dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde ontwikkeling. De geurhinder dient te worden berekend op geurgevoelige gebouwen. In artikel 5.91 van het Bkl is opgenomen welke gebouwen gedefinieerd zijn als geurgevoelig gebouw. Gemeenten mogen in een omgevingsplan meerdere gebouwen definiëren als geurgevoelig. Burgerwoningen zijn in ieder geval geurgevoelige gebouwen. De voorgenomen ontwikkeling leidt tot de oprichting van drie nieuwe geurgevoelige gebouwen zoals is gedefinieerd in artikel 5.91 van het Bkl. De gemeente Venlo heeft geen aanvullende gebouwen gedefinieerd in haar omgevingsplan.

Het Bkl maakt onderscheid in dieren met een geuremissiefactor (bijvoorbeeld varkens en kippen) en dieren zonder geuremissiefactor (bijvoorbeeld melkvee en paarden). Voor dieren met geuremissiefactor gelden standaardwaarden voor de toelaatbare geur. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden vaste afstanden die in acht moeten worden gehouden tussen het geurgevoelige object en het dierenverblijf. Voor locaties buiten de bebouwingscontour is deze vaste afstand vastgelegd op 50 meter. In de nabijheid van het plangebied zijn enkel melkrundveehouderijen aanwezig. Aangezien het plangebied in het buitengebied van Venlo ligt en er binnen een afstand van 50 meter geen melkrundveehouderijen in de omgeving aanwezig zijn, vormt het aspect geur afkomstig van veehouderijen geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. In de nabijheid van het plangebied is wel een fabriek voor de conservering van champignons aanwezig. Bij deze bedrijfsactiviteiten komt ook geur vrij. Aangezien de nieuwe woningen op ruime afstand (respectievelijk 65 en 90 meter) van de bestaande fabriek worden gerealiseerd en de windrichting in Nederland overwegend zuidwestelijke wind betreft en de nieuwe woningen ten noordwesten van de fabriek worden gerealiseerd, wordt er ter plaatse van de nieuwe woningen geen geuroverlast verwacht. Er is derhalve sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Voor wat betreft de omgekeerde werking geldt de woning aan Genooierweg 22 als maatgevend. Aangezien de nieuwe woningen op een grotere afstand dan Genooierweg 22 worden gerealiseerd,

41

worden de bedrijfsactiviteiten niet meer belemmerd dan in de huidige situatie het geval is. Het aspect geur vormt zodoende geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.9

Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in een wettelijk kader. Wettelijk kader De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het aandachtsgebieden.

Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is

42

de kans daarop klein. Het aandachtsgebied vormt een instrument om het gesprek over veiligheid en bescherming door het treffen van maatregelen te starten. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: • brandaandachtsgebied • explosieaandachtsgebied • gifwolkaandachtsgebied Beleidsplan Externe Veiligheid Venlo 2012-2015 Voor 2030 wil Venlo nog meer innoveren en excelleren met als stuwende sectoren de logistiek, agribusiness en maakindustrie. Met dit beleidsplan wordt vanuit een integrale benadering duidelijk hoe vanuit het thema externe veiligheid een bijdrage kan worden geleverd aan de gewenste ontwikkeling van Venlo. Dit beleidsplan is richtinggevend voor het kader in ruimtelijke plannen, het afgeven van milieuvergunningen voor risicobedrijven en het afgeven van bouwvergunningen. Het beleidsplan heeft geen wettelijke basis, maar betreft een kaderstellend beleidsstuk. Overige wet- en regelgeving Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico. Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar.

In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl) Toetsing Met behulp van de risicokaart/Pav-kaart is beschouwd of risicobronnen in de omgeving van het plangebied een risico vormen voor de voorgenomen ontwikkeling.

In figuur 12 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven.

43

Figuur 12: Uitsnede Pav-kaart atlas leefomgeving met locatie beoogde woningen blauw omcirkeld.

Uit de kaart zoals weergegeven in figuur 12 blijkt dat er over het plangebied geen aandachtsgebieden of plaatsgebonden risicocontouren zijn gelegen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

5.10

Milieubelastende activiteiten Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot een gevoelige functie dient te zijn (zogenaamde richtafstanden). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. De beoogde woningen betreffen geen bedrijf of inrichting welke moet worden getoetst aan een minimumafstand tot andere gevoelige objecten. Omdat de beoogde woningen gevoelige objecten betreffen, is gekeken naar de omliggende functies en de bijbehorende aan te houden afstanden tot gevoelige objecten. De richtafstanden welke zijn opgenomen in de VNG-publicatie worden aangehouden om te bepalen of er genoeg ruimte zit tussen bedrijven en gevoelige objecten. Deze 44

afstanden zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ en kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. In het geval dat een locatie is gelegen binnen een ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden met 1 stap worden verkleind. Een gemengd gebied heeft verschillende kenmerken. Dit kan bijvoorbeeld een lint zijn waar meerdere functies naast elkaar zijn gevestigd of een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg is gelegen. Een gemengd gebied kent hierdoor al een hogere milieubelasting, waardoor er kleinere richtafstanden mogen worden aangehouden dan bij een rustige woonwijk. In de omgeving van het plangebied zijn enkele woonbestemmingen en (agrarische) bedrijven aanwezig. Daardoor kan er gesproken worden van een gemengd gebied. De aan te houden afstanden conform de VNG-publicatie mogen daarom met 1 stap worden verkleind. In onderstaande tabel is getoetst of voldaan kan worden aan de VNGafstanden. De afstanden zijn gemeten van bestemmingsvlak tot bestemmingsvlak en betreffen de minimale afstand tot het plangebied. Adres

Functie

Richtafstand

Oude Venloseweg 84

Conservenfabriek (groente algemeen) Loonbedrijf Tuincentrum

Genooierweg 32 Vorstweg 60

Voldaan?

50 meter

Werkelijke afstand 10 meter

30 meter 10 meter

250 meter 100 meter

Ja Ja

Nee

Uit bovenstaande tabel blijkt dat niet aan de richtafstand tot het bedrijf op de locatie aan de Oude Venloseweg 84 voldaan kan worden. Conform het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ zijn de voor ‘Bedrijfsdoeleinden’ met de functieaanduiding ‘productiefabriek’ aangewezen gronden bestemd voor een productiefabriek. Feitelijk is hier een fabriek aanwezig voor de conservering van champignons. Conform de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG worden conservenfabrieken (groente algemeen) in milieucategorie 3.2 ingedeeld en dient een richtafstand van 50 meter (in gemengd gebied) tot omliggende milieugevoelige objecten aangehouden te worden. Deze afstand geldt voor het aspect geluid. Voor de aspecten geur, stof en gevaar geldt een richtafstand van respectievelijk 30, 10 en 10 meter. Bestaande bedrijfswoning De afstand van het beoogde bestemmingsvlak ‘Wonen’ van de huidige bedrijfswoning aan de Genooierweg 22 tot het bestemmingsvlak van de bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden’ aan de Oude Venloseweg 84 bedraagt circa 10 meter waardoor er niet aan de minimum richtafstand kan worden voldaan. Aangezien het een bestaande bedrijfswoning betreft, is deze woning in de huidige situatie reeds maatgevend. Het feit dat het een bedrijfswoning betreft doet hier niets aan af. Een bedrijfswoning is immers een gevoelig object.

De conservenfabriek wordt met onderhavige ontwikkeling dan ook niet meer belemmerd dan in de huidige situatie reeds het geval is. Toe te voegen woningen De nieuw toe te voegen woningen worden voor toetsing aan dit aspect verdeeld over twee clusters, enerzijds de nieuwe woningen ten noorden van Genooierweg 22 en anderzijds te zuidelijke woning nabij de bestaande poel. De zuidelijke woning nabij de

45

poel ligt op ruim 50 meter afstand van de champignonkwekerij. Deze voldoet daarmee aan de richtafstand conform de VNG-publicatie. De nieuwe woningen ten noorden van Genooierweg 22 liggen op een afstand van respectievelijk 65 en 95 meter van de huidige inrichting aan de Oude Venloseweg 84. Ten opzichte van de huidige inrichting wordt dan ook aan de richtafstand voldaan. Echter is perceel 214 ook voorzien van een bedrijfsbestemming. De afstand tot dit perceel bedraagt respectievelijk 15 en 30 meter. Dit perceel is onbebouwd en maakt in de huidige situatie geen deel uit van de bedrijfsactiviteiten van de inrichting aan de Oude Venloseweg 84. Strikt formeel wordt hierdoor echter niet voldaan aan de richtafstand. Bij een eventuele bedrijfsuitbreiding is echter de bestaande woning aan Genooierweg 22 maatgevend. Deze woning is immers dichter op het onbebouwde perceel gelegen. Het bedrijf wordt zodoende niet in haar mogelijkheden beperkt. In het kader van een aanvaardbaar woon en leefklimaat wordt een en ander nader onderbouwd in de paragrafen ‘geluid’ en ‘geur’. Het aspect ‘milieubelastende activiteiten’ vormt dan ook geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

5.11

Niet-gesprongen explosieven Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog ontplofbare oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen, blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Op de VEO-Bommenkaart is te zien of er (voor)onderzoek is gedaan op een locatie (figuur 13). Hieruit blijkt dat er ter plaatse van het plangebied reeds vooronderzoek naar niet gesprongen explosieven heeft plaatsgevonden. Op de BEOBOM ruimingskaart (figuur 14) is te zien dat er tevens een ruiming heeft plaatsgevonden.

46

Figuur 13: Kaart niet-gesprongen explosieven (met in rood het plangebied)

Figuur 14: Uitsnede BEOBOM ruimingskaart

47

Aangezien reeds onderzoek heeft plaatsgevonden naar niet gesprongen explosieven en over is gegaan tot ruiming, valt te verwachten dat het plangebied vrij is van niet gesprongen explosieven. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

5.12

Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen Bij ontwikkelingen is het van belang om te kijken of er door of nabij het plangebied kabels, leidingen en hoogspanningslijnen zijn gelegen waar rekening mee gehouden moet worden.

5.12.1

Kabels en leidingen Ondergrondse kabels en leidingen zijn belangrijk voor het transport van data, elektriciteit en stoffen zoals gas en water. Sommige ondergrondse leidingen kunnen een risico zijn voor de omgeving. In het Omgevingsplan staan geen of zeer beperkt gebruiksregels voor ondergrondse kabels en leidingen. De regels richten zich op de ligging, het type leiding en de gebruikskenmerken. In dit geval is het belangrijk om te bezien of er in de omgeving kabels en/of leidingen al dan niet met veiligheidszone aanwezig zijn. Aangezien er in de omgeving van het plangebied geen kabels en/of leidingen aanwezig zijn, vormt dit aspect geen belemmering.

5.12.2

Hoogspanningslijnen Hoogspanningsverbindingen zijn essentieel voor het energienetwerk, maar hebben ook effect op de (ontwikkelingen in de) omgeving. Zo is vanwege de magneetvelden rondom een hoogspanningsverbinding afstand nodig tot gevoelige functies zoals woningen. Op een afstand van circa 2,5 kilometer van het plangebied bevinden zich hoogspanningslijnen met een voltage van 150 kV. Gezien de afstand tot het plangebied vormt de aanwezigheid van deze lijnen geen belemmering.

5.13

Mobiliteit Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.

5.13.1

Verkeersgeneratie De beëindiging en de sanering van het glastuinbouw en de realisatie van drie woningen zal per saldo zorgen voor een afname van het aantal verkeersbewegingen. Gezien de huidige infrastructuur voldoende capaciteit heeft om het bestaande aantal verkeersbewegingen te verwerken zal dit in de beoogde situatie, waarbij er sprake is van een afname van het aantal verkeersbewegingen, geen belemmeringen opleveren. Hierdoor is aanpassing van de Genooierweg en de wegen die met de Genooierweg in verbinding staan niet aan de orde.

5.13.2

Parkeren Conform de parkeernormen gesteld door de gemeente Venlo, dient er bij een vrijstaande woning in het buitengebied van Venlo te worden voorzien in minimaal 2,0 tot maximaal 2,8 parkeerplaatsen op het eigen terrein. Dat betekent dat in onderhavige ontwikkeling dient te worden voorzien in 2 á 3 parkeerplaatsen per woning. In dit geval zijn alle percelen voldoende groot om te kunnen voorzien in het benodigde aantal 48

parkeerplaatsen. Er kan dus worden voldaan aan het minimum aantal benodigde parkeerplaatsen volgens gemeentelijk beleid. Het aspect ‘parkeren’ levert geen belemmering op.

5.14

Duurzaamheid en klimaatadaptatie De Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) is in 2016 opgesteld. In 2022 is de NAS in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat geëvalueerd. Om de NAS te versnellen is in 2023 het Nationaal Uitvoeringsprogramma Klimaatadaptatie (NUPKA) verschenen. Het NUPKA laat zien welke aanpak al in gang is gezet voor de komende jaren én welke extra maatregelen er nodig zijn. Het document laat daarmee zien hoe de uitvoering van de NAS wordt aangepakt en wat nodig is om te versnellen. Er staat bijvoorbeeld dat we vanaf nu bij elke ontwikkeling in Nederland standaard rekening moeten houden met zeespiegelstijging, toenemende hitte, langere periodes van droogte en meer extreme neerslag. Verder moet het beleid om Nederland op tijd klimaatbestendig te maken slimmer, intensiever en inclusiever. Onderhavige ontwikkeling ziet toe op het amoveren van de bestaande tuinbouwkassen. Op deze wijze wordt ruimte gecreëerd voor de Maas. Deze ruimte is noodzakelijk voor een toekomstgerichte invulling van het rivierbed. Op deze wijze draagt onderhavige ontwikkeling bij aan het creëren van een veilige leefomgeving. Het plangebied is daarnaast omgeven door groenelementen, die met de landschappelijke inpassing nog eens worden verstrekt.

Deze groenelementen zorgen voor natuurlijke schaduw op warme dagen, waardoor de gevolgen van extreme hitte zullen verminderen. Tenslotte is er voldoende ruimte voor hemelwater om natuurlijk in de grond te infiltreren bij extreme neerslag. Onderhavige ontwikkeling is derhalve in lijn met de doelstellingen uit het NAS en NUPKA. Naast de NAS geldt voor alle nieuwbouw sinds 1 januari 2021 dat vergunningen moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De energieprestatie bij BENG wordt bepaald aan de hand van 3 individueel te behalen eisen: 1. de maximale energiebehoefte in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar (kWh/m2.jr) 2. het maximale primair fossiel energiegebruik, eveneens in kWh per m 2 gebruiksoppervlak per jaar (kWh/m2.jr) 3. het minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten (%) Als laatste moet rekening gehouden worden met de MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) bij de aanvraag van een omgevingsvergunning. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Het gaat hierbij om nieuwe kantoorgebouwen (groter dan 100 m2) en om nieuwbouwwoningen. De MPG eis voor woningen betreft 0,8. Onderhavige ontwikkeling gaat gepaard met nieuwbouw waardoor getoetst moet worden aan BENG en MPG.

Aangezien in een later stadium pas gebouwd zal worden en enkel woningbouwkavels gerealiseerd zullen worden, is toetsing aan BENG en MPG nog niet aan de orde.

49

5.15

Trillingen Activiteiten In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels voor trillingen door activiteiten. Deze instructieregels zijn gericht op de bescherming van trillinggevoelige ruimten in trillinggevoelige gebouwen. Deze instructieregels gelden voor: 1. Het op een locatie toelaten van een activiteit en het aanpassen daarvan 2. Het op een locatie toelaten van een trillinggevoelig gebouw en het aanpassen daarvan 3. Een combinatie van beide. In artikel 5.87 en 5.87a van het Bkl staan de standaardwaarden voor continue en herhaald voorkomende trillingen. De gemeente hanteert deze standaardwaarden bij het opnemen van waarden voor trillingen door activiteiten voor een bepaald gebied in het omgevingsplan. Niet op alle locaties leiden de standaardwaarden voor een activiteit tot het gewenste evenwicht tussen beschermen en benutten. Een gemeente kan dan gemotiveerd kiezen voor andere waarden. Uit het oogmerk van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties kan de gemeente bijvoorbeeld een lagere waarde vaststellen voor een activiteit op een bedrijventerrein om hiermee een woonwijk te beschermen. Met onderhavige ontwikkeling zullen trilinggevoelige ruimten toegevoegd worden. Binnen het plangebied is echter reeds een bedrijfswoning aanwezig, welke wordt omgezet naar een reguliere woning. Voor bedrijfswoningen gelden dezelfde normen als voor reguliere woningen.

Er zullen daarnaast ook geen trilgevoelige activiteiten uitgevoerd worden. Het aspect trillingen zal voor het realiseren van de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen vormen.

5.16

Lichthinder In het gemeentelijke omgevingsplan is lichthinder een aspect dat meeweegt vanuit een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Een gemeente kan zelf bepalen of ze regels ter voorkoming van lichthinder wil stellen in het omgevingsplan. Alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen gelden rijksregels uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Het Bkl bevat geen richtlijnen voor lichthinder. Aan de overzijde van de Genooierweg is een conservenfabriek in groente- en fruitwaren gevestigd. Op het buitenterrein van deze fabriek zijn enkele lantaarnpalen aanwezig voor het verlichten van de transportplaatsen. Deze lantaarnpalen zijn gericht op het binnen terrein en schijnen niet buiten het terrein van de conservenfabriek. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat de beoogde woningen geen lichthinder ondervinden van de verlichting aanwezig bij de fabriek. Daarnaast wordt er geen verlichting toegevoegd binnen het plangebied zal het aspect lichthinder niet van toepassing zijn.

5.17

Bezonning Bezonning is een van de afwegingsaspecten voor de ruimtelijke kwaliteit. Voldoende zonlicht of juist voldoende schaduw op gebouwen, tuinen, terrassen en speelplekken is belangrijk. Een toename van schaduw – door beplanting, nieuwbouw of andere ruimtelijke ontwikkelingen – kan ongewenst zijn. Het is belangrijk om ervoor te zorgen dat er 50

voldoende bezonning en schaduw is en blijft. De gemeente kan voorkomen dat er te veel schaduw ontstaat. En juist zorgen voor voldoende schaduw. Voldoende zonlicht en schaduw zijn aspecten van de fysieke leefomgeving (artikel 2.1 Omgevingswet). Hierdoor is het een onderdeel van de taak van de gemeente voor het evenwichtig toedelen van functies aan locaties (artikel 2.4 en 4.2 Omgevingswet) in het omgevingsplan. De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom heeft de gemeente de vrijheid om deze zelf in te vullen. Daarbij kan de gemeente gebruikmaken van alle mogelijkheden van het instrument omgevingsplan. Het onafhankelijke onderzoeksinstituut TNO heeft een norm voor bezonning: De bezonningsliniaal – Een nieuw eenvoudig hulpmiddel voor de beoordeling van de bezonning en de dagverlichting. TNO kent een 'lichte' en een 'strenge' norm: •

de 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam • de 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam Deze normen zijn alleen van toepassing op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen nooit direct zonlicht. De wet stelt de TNO-norm niet verplicht, maar veel gemeenten hanteren hem. Een aantal gemeenten heeft beleid gebaseerd op deze norm. De gemeente kan er eventueel voor kiezen om een verplichting voor een onderzoek volgens deze TNO-norm in het omgevingsplan op te nemen. Aangezien in de toekomstige situatie geen hoge bebouwing geplaatst zal worden, zal het woongenot van omwonende niet aangetast worden.

5.18

M.e.r. plicht Een milieueffectrapportage (mer) is een hulpmiddel bij het nemen van besluiten. In het milieueffectrapport worden de effecten van uw plan of project, en de effecten van alternatieven, op het milieu beschreven. Het doel van een mer is het milieubelang een volwaardige plaats geven in de besluitvorming. Het gaat dan om besluitvorming over plannen en programma’s en projecten die duidelijke milieueffecten kunnen hebben. Milieu is een breed begrip. Het gaat onder andere om water, bodem, lucht, afval, natuur, gezondheid en archeologisch erfgoed. Een plan kan op twee manieren leiden tot een plan-mer-plicht: de generieke aanwijzing en de plan-mer-beoordeling. Onder de generieke aanwijzing van plannen waarvoor direct een plan-mer-plicht geldt. Een plan-mer-beoordeling geldt voor een plan dat kaderstellend is voor projecten. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die al dan niet in bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn opgenomen. Staat het project niet in bijlage V dan geldt altijd een plan-mer-beoordeling. Staat het project wel in bijlage V,

51

maar komt deze niet boven de drempel van kolom 2 uit deze bijlage dan geldt een planmer-beoordeling als: 1. Het plan een kleine wijziging van het plan is. 2. Het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau en als voor dat plan een gemeente het bevoegd gezag is. Om te bepalen of een mer-plicht of mer-beoordeling noodzakelijk is, moet beoordeeld worden of de onderhavige ontwikkeling voorkomt in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Onderhavige ontwikkeling is opgenomen in kolom 1 van bijlage V, waarbij geen drempel is opgenomen in kolom 2 waardoor sprake is van een projectmer-beoordeling. Deze mer-beoordelingsplicht volgt uit artikel 16.43 lid 1 Omgevingswet, hoofdstuk 11 Omgevingsbesluit en bijlage V. In een project-mer-beoordeling toetst het bevoegd gezag of er bij het project aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn 2 uitkomsten mogelijk: • Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt. • Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen mer nodig er hoeft geen MER te worden gemaakt. In dit geval is sprake van de realisatie van drie nieuwe woningbouwkavels en de sanering van de bedrijfsbebouwing (kassen). Het plan is van kleinschalige aard. Er is derhalve geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Deze ontwikkeling komt ook niet voor op de lijst met genoemde projecten in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Gelet op het bovenstaande vormt het aspect m.e.r. geen belemmering.

52

HOOFDSTUK 6.1

6 Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid In deze paragraaf wordt de wijze van bekostiging van het initiatief beschreven.

6.1.1

Financieel economische haalbaarheid Uitgangspunt is dat de kosten die gemaakt worden voor het opstellen van een wijziging omgevingsplan voor rekening komen van de initiatiefnemer.

6.1.2

Kostenverhaal Daar waar nodig zal op basis van artikel 13.18 het publiekrechtelijke kostenverhaal worden verrekend door middel van een kostenverhaalsbeschikking (artikel 13.18 Ow). Tevens worden voor het in behandeling nemen van en de procesbegeleiding kosten gerekend. Deze worden verrekend via de leges.

6.1.3

Nadeelcompensatie Op basis van art. 4.5 Awb wordt voor iedere wijziging van het omgevingsplan een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Deze motivering evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt ingevolge artikel 16.66 van de Omgevingswet gedurende zes weken te inzage gelegd, waarbij gelegenheid is geboden tot het indienen van zienswijzen.

6.2.1

Participatie Initiatiefnemer heeft onder omwonenden en grondeigenaren een brief verspreid met informatie over de beoogde ontwikkeling. Tevens vindt overleg plaats met de inrichting aan de Oude Venloseweg 84. Een verslag van de omgevingsdialoog is bijgenomen als bijlage bij deze motivering.

6.2.2

Procedure De procedures voor vaststelling van een TAM-omgevingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Gedurende de terinzagelegging van het ontwerpplan heeft eenieder de gelegenheid gekregen een zienswijze in te dienen. Tijdens de inzageperiode is één reactie met zienswijzen ontvangen. De inhoud van de zienswijze en gemeentelijke reactie zijn opgenomen in de Nota van zienswijzen zoals opgenomen in bijlage IX.

6.2.3

Bezwaar/ Beroep Na vaststelling van het plan kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien sprake is van spoedeisend belang kan een voorlopige voorziening worden aangevraagd.

53

HOOFDSTUK 7.1

7 Belangenafweging en conclusie

Is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties? Onderhavige ontwikkeling is niet toegestaan binnen het huidige planologisch-juridische kader. Binnen de kaders van het geldende omgevingsplan zijn ook geen afwijkingsen/of wijzigingsregels opgenomen waarmee het initiatief kan worden toegestaan. Door het wijzigen van het tijdelijke omgevingsplan, kan het initiatief mogelijk worden gemaakt. Onderhavige ontwikkeling draagt bij aan het realiseren van een toekomstbestendige invulling van het rivierbed van de Maas. Door het saneren van de bestaande bebouwing en fors minder bebouwing terug te bouwen wordt namelijk ruimte voor de Maas gecreëerd. Door deze ruimte daalt de kans op wateroverlast. De ontwikkeling wordt verder niet belemmerd door aanwezige, storende milieuaspecten. Bovendien zal, gezien de bestaande situatie, geen schade worden toegebracht aan natuur- of landschapselementen en -structuren. Op basis van het voorgaande wordt dan ook geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling vanuit het oogpunt van een goede fysieke leefomgeving aanvaardbaar en haalbaar is. Derhalve is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/969/documents/25953