CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

633344 Bijl01 Motivering TAM omgevingsplan Genooyerweg 55.pdf

Raadsvergadering 22 april 2026, gemeente VenloBij agendapunt: 4.2: Vaststellen TAM Omgevingsplan Genooyerweg 55 Venlo (633344)14.214 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

5.8

Geur Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) vormt sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 het toetsingskader, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De wetgeving heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen en/of vaste afstanden. In de Omgevingswet is aangegeven dat sprake dient te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen. Anderzijds dient sprake te zijn van een acceptabel woonen leefklimaat ter plaatse van de beoogde ontwikkeling. De geurhinder dient te worden berekend op geurgevoelige gebouwen. In artikel 5.91 van het Bkl is opgenomen welke gebouwen gedefinieerd zijn als geurgevoelig gebouw. Gemeenten mogen in een omgevingsplan meerdere gebouwen definiëren als geurgevoelig. Burgerwoningen zijn in ieder geval geurgevoelige gebouwen. De voorgenomen ontwikkeling leidt tot de oprichting van één nieuw geurgevoelig gebouw zoals is gedefinieerd in artikel 5.91 van het Bkl. In de omgeving van het projectgebied is één veehouderij met geuremissie aanwezig aan de Genooyerweg 47.

Deze veehouderij heeft een vergunning voor het houden van onder andere 69 melk- en kalfkoeien en vier pony’s. Deze diersoorten hebben geen geuremissiefactor en hiervoor geldt dat er tussen de veehouderij en woningen een vaste afstand van 50 meter (buiten de bebouwde kom) dient te worden aangehouden. Daarnaast heeft de veehouderij een vergunning voor het houden van 71 varkens. Aangezien de beoogde woning in de nieuwe situatie op een afstand van meer dan 260 meter van de veehouderij wordt gerealiseerd, vormt dit geen belemmering voor de ontwikkeling.

5.9

Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in een wettelijk kader. Wettelijk kader De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. 28

Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het aandachtsgebieden. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Het aandachtsgebied vormt een instrument om het gesprek over veiligheid en bescherming door het treffen van maatregelen te starten.

Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: • brandaandachtsgebied • explosieaandachtsgebied • gifwolkaandachtsgebied Beleidsplan Externe Veiligheid Venlo 2012-2015 Voor 2030 wil Venlo nog meer innoveren en excelleren met als stuwende sectoren de logistiek, agribusiness en maakindustrie. Met dit beleidsplan wordt vanuit een integrale benadering duidelijk hoe vanuit het thema externe veiligheid een bijdrage kan worden geleverd aan de gewenste ontwikkeling van Venlo. Dit beleidsplan is richtinggevend voor het kader in ruimtelijke plannen, het afgeven van milieuvergunningen voor risicobedrijven en het afgeven van bouwvergunningen. Het beleidsplan heeft geen wettelijke basis, maar betreft een kaderstellend beleidsstuk. Overige wet- en regelgeving Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico. Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico.

Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel 29

toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Toetsing De te herbouwen woning betreft geen risicovolle inrichting welke een belemmering kan vormen voor (ontwikkelingen in) de omgeving. Met behulp van de PAV-kaart van het Register Externe Veiligheid is beschouwd of risicobronnen in de omgeving van het projectgebied een risico vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. In figuur 11 is een uitsnede van de PAV-kaart weergegeven.

Figuur 11 Uitsnede PAV-kaart Externe Veiligheid

Risicovolle inrichtingen Ten noorden van het projectgebied is op een afstand van circa 190 meter een tankstation gelegen. Het tankstation kent twee plaatsgebonden risicocontouren (PR 106) van 25 en 35 meter. Hierdoor ligt het projectgebied buiten de PR 10-6 contouren en vormt het plaatsgebonden risico geen belemmering.

30

Het tankstation heeft een explosieaandachtsgebied van 160 meter. Hierdoor is het projectgebied buiten de aandachtsgebieden van het tankstation gelegen en vormt dit geen belemmering voor het planvoornemen. Op ongeveer 850 meter van het projectgebied bevindt zich Broekman Logistics. Dit bedrijf heeft een plaatsgebonden risicocontour van circa 250 meter. Hierdoor is het projectgebied buiten de plaatsgebonden risicocontour gelegen. Daarnaast heeft het bedrijf een gifwolkaandachtsgebied dat reikt tot circa 680 meter. Het projectgebied is gelegen buiten de aandachtsgebieden en het plaatsgebonden risico van dit bedrijf waardoor dit bedrijf geen belemmering vormt voor de ontwikkeling. Risicovol transport over wegen In de ‘Circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen’ wordt aangegeven dat binnen 200 meter van een weg het groepsrisico betrokken moet worden. Het projectgebied ligt op circa 150 meter van de A67 en daarmee binnen 200 meter van belangrijke doorgaande routes waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Op basis van de PAV-kaart kan worden geconcludeerd dat het projectgebied binnen de explosie en gifwolkaandachtsgebieden van deze weg ligt maar buiten het plaatsgebonden risico.

In dit geval dient te worden gekeken naar het risico van ongevallen met brandbaar gas (explosieaandachtsgebied) en ongevallen met giftige gassen en vloeistoffen (gifwolkaandachtsgebied). - Ongevallen met brandbaar gas Het effect dat optreedt bij een ongeval met enkel brandbare vloeistoffen is vooral warmtestraling door een (plas)brand. Het invloedsgebied van dergelijke plasbranden bedraagt volgens de regeling basisnet artikel 16 onder sub 1 circa 30 meter uitgaande van een calamiteit waarbij de gehele wagen- of tankinhoud vrijkomt. Indien bij een calamiteit met brandbare vloeistoffen personen betrokken zijn moeten zij zich in veiligheid brengen op een afstand van ten minste 30 meter, buiten het invloedsgebied van brandbare vloeistoffen. Personen binnen de 30 meter kunnen ernstige brandverwondingen oplopen. In de regels van het huidige bestemmingsplan is dan ook middels een gebiedsaanduiding een belemmeringenstrook van 30 meter vanaf de rechterrand van de rechterrijstrook van de A67 opgenomen, welke conform het Basisnet Weg regelt dat binnen die zone van 30 meter geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten zijn toegestaan. Gelet op de afstand van circa 150 meter tot de A67, ligt het projectgebied ruimschoots buiten het gebied waar de kans op ernstige brandverwondingen in geval van ramp aanwezig is.

- Ongevallen met giftige gassen en vloeistoffen Conform de PAV-kaart vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats over de A67 welke op een afstand van circa 150 meter ten noorden van het projectgebied is gelegen. Over deze weg vindt onder andere vervoer van toxische vloeistoffen (LT2) plaats. Het projectgebied valt binnen het gifwolkaandachtsgebied en hiermee is deze risicobron dus relevant voor externe veiligheid.

31

Gelet op het voorgaande, wordt in deze paragraaf verder ingegaan op de verantwoording van het groepsrisico ten aanzien van de A67. Risicovol transport over spoorwegen In de omgeving van het projectgebied bevindt zich geen spoorlijn, waardoor dit niet voor een belemmering zorgt met betrekking tot onderhavige ontwikkeling. Risicovol transport over water Ten westen van het projectgebied is op een afstand van circa 400 meter rivier de Maas gelegen. Over de Maas vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. De plaatsgebonden risicocontour 10-6/jr reikt niet tot buiten de oever, waardoor het projectgebied buiten deze contour is gelegen. Het projectgebied ligt tevens buiten de aandachtsgebieden van de Maas. Hierdoor vormt de ligging ten opzichte van de Maas in het kader van externe veiligheid geen belemmering. Buisleidingen Ten noorden van het projectgebied zijn op een afstand van circa 120 meter drie aardgasleidingen met een brandaandachtsgebied gelegen. Het projectgebied is conform figuur 7 gelegen binnen het brandaandachtsgebied van deze buisleidingen, maar buiten het plaatsgebonden risico. Ten aanzien van deze buisleidingen dient echter een afstand van 75 en 95 meter te worden aangehouden. Gezien het projectgebied op een afstand van 120 meter van deze aardgasleidingen is gelegen, vormt dit geen belemmering voor het planvoornemen.

Verantwoording groepsrisico In dit geval ligt het projectgebied binnen het invloedsgebied van de A67. Indien een ruimtelijk plan in dit gebied tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dat het groepsrisico niet significant zal toenemen, vanwege: - de afstand tot de plaats van het mogelijke incident; - de aard van incident (blootstelling aan toxisch gas en/of explosie door brandbaar gas); - de reeds hoge personendichtheden binnen de gemeente Venlo nabij de grote risicobronnen. In dit geval wordt op de locatie reeds gewoond in de woonunit. De woonfunctie wordt verplaatst naar de nieuw te realiseren woning.. Het aantal wooneenheden ter plaatse zal dan ook niet toenemen. Het aantal personen op de locatie blijft ongewijzigd, waardoor ook de personendichtheid en daarmee het groepsrisico niet toeneemt. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico door maatregelen bij de risicobron zijn beschreven in het beleidsplan externe veiligheid. De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is binnen het projectgebied geen item, vanwege het gegeven dat de: - de beperkte toename van de personendichtheid geen significant effect op het groepsrisico heeft; - kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen in deze gebieden bijzonder klein is.

32

In dit geval ligt het projectgebied binnen het invloedsgebied van de A67. Bij een verantwoording van het groepsrisico dient onder andere te worden ingegaan op: • de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op de weg, en; • de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de weg een ramp voordoet (zelfredzaamheid). Mogelijkheden voorbereiding van bestrijding en beperking omvang ramp Er bestaan in verband met de ligging in het invloedsgebied van de A67 met name risico’s in verband met ongelukken: - met brandbaar gas (BLEVE); - met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario). De kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen binnen het projectgebied is zeer klein. Er bestaan geen feitelijke mogelijkheden om middels deze ontwikkeling de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp direct te beïnvloeden. De bestrijding vindt voor zover mogelijk plaats bij de risicobron. Het projectgebied is bij eventuele calamiteiten via verschillende routes over het algemeen goed bereikbaar is voor de hulpdiensten. Zelfredzaamheid Indien er zich een ramp voordoet waarbij mogelijk gevaarlijke stoffen zoals toxische gassen vrijkomen, worden deuren en ramen gesloten en vindt het schuilen plaats binnen het bouwwerk.

Er wordt gezorgd dat ramen en deuren in het pand goed afsluitbaar zijn, om de kans op mogelijke blootstelling aan giftige stoffen zo klein mogelijk te houden. In dit geval is het zo dat de nieuwe woning beter bestand is tegen de gevolgen van ongevallen, gelet op de kwaliteit van de nieuwe woning waarbij rekening kan worden gehouden met de sluiting van ramen en deuren en ventilatiemogelijkheden. Artikel 4.124 van het Bbl heeft afsluitbare ventilatie verplicht gesteld. Bewoners kunnen deze noodschakelaar bij een calamiteit bedienen en daardoor veiliger schuilen. Deze afschakelbare ventilatie kan ook van toegevoegde waarde zijn bij een brand in de omgeving, waarbij het gebouw in de rook komt te liggen. Indien gebouwen geheel of gedeeltelijk zijn voorzien van natuurlijke ventilatie, is het advies om naar een ruimte te gaan waar ramen en deuren gesloten kunnen worden en de mechanische ventilatie uitgezet kan worden. Ten aanzien van een (plas)brand en een explosie, is juist vluchten de meest effectieve strategie. In dit geval is de locatie goed ontsloten en zijn er vluchtroutes in verschillende richtingen aanwezig. Aanwezigen in het pand worden gewaarschuwd middels het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert. Verder informeert de veiligheidsregio c.q.

gemeente haar inwoners over de handelingsstrategie bij calamiteiten. Ten slotte is door de Veiligheidsregio Limburg-Noord onderstaand advies gegeven ten aanzien van de voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en over de zelfredzaamheid van personen binnen het invloedsgebied. De Veiligheidsregio Limburg-Noord adviseert rekening te houden met onderstaande beheersmaatregelen ter verbetering van de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid voor zowel de initiatiefnemer, gebruiker van het gebouw en de gemeente:

33

Initiatiefnemer: • Pas de beleidsregels ‘Bluswater en bereikbaarheid’ die door de gemeente zijn vastgesteld toe. In de omgeving van het projectgebied liggen meerdere brandkranen met elk een debiet van 20 m3/uur. Deze hebben echter een te lage capaciteit en liggen op te grote afstand. Aangezien dergelijke (kleine) vrijstaande woningen over het algemeen met de tankinhoud van een tankautospuit kunnen worden geblust, adviseert de gemeente om deze situatie te accepteren. Daarbij is dit in de bestaande situatie ook reeds het geval. Wanneer het initiatief aan de beleidsregels voldoet, kunt u ervan uitgaan dat een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening gerealiseerd wordt. • Wanneer voor ventilatie een installatie nodig is, plaats dan op een makkelijk te bereiken plaats, een noodknop waarmee de installatie uitgezet kan worden zodat er geen ventilatielucht meer van buitenaf wordt ingebracht. De noodknop kan bijvoorbeeld in de meterkast of bij een brandmeldinstallatie worden geplaatst. Gebruiker: • Zorg dat de gebruikers en BHV organisatie (indien wettelijk noodzakelijk) op de hoogte zijn van de risico’s van een toxisch incident met gevaarlijke stoffen, het handelingsperspectief: “binnenblijven, ramen en deuren sluiten en mechanische ventilatie uitzetten” en hiernaar wordt gehandeld.

• Indien gebouwen geheel of gedeeltelijk zijn voorzien van natuurlijke ventilatie is het advies om naar een ruimte te gaan waar ramen en deuren gesloten kunnen worden en de mechanische ventilatie uitgezet kan worden. • Indien sprake is van een BHV organisatie dan dient het toxisch scenario en handelwijze te worden opgenomen in het bedrijfsnoodplan. Gemeente: • Informeer de initiatiefnemer en de gebruikers van het plan over de risico’s van de risicobron en het daarbij horende handelingsperspectief en borg dit in overeenkomsten, voorschriften etc. voor zover dit (juridisch) mogelijk is. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Doordat het groepsrisico niet toe zal nemen en rekening gehouden wordt met de zelfredzaamheid.

5.10

Milieubelastende activiteiten Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot een gevoelige functie dient te zijn (zogenaamde richtafstanden). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. De te herbouwen woning betreft geen bedrijf of inrichting welke moet worden getoetst aan een minimumafstand tot andere gevoelige objecten. Omdat de beoogde woning

34

een gevoelig object betreft, is gekeken naar de omliggende functies en de bijbehorende aan te houden afstanden tot gevoelige objecten. De richtafstanden welke zijn opgenomen in de VNG-publicatie worden aangehouden om te bepalen of er genoeg ruimte zit tussen bedrijven en gevoelige objecten. Deze afstanden zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ en kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. In het geval dat een locatie is gelegen binnen een ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden met 1 stap worden verkleind. Een gemengd gebied heeft verschillende kenmerken. Dit kan bijvoorbeeld een lint zijn waar meerdere functies naast elkaar zijn gevestigd of een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg is gelegen. Een gemengd gebied kent hierdoor al een hogere milieubelasting, waardoor er kleinere richtafstanden mogen worden aangehouden dan bij een rustige woonwijk. In dit geval is het projectgebied in het buitengebied van Venlo gelegen, waar verschillende functies naast elkaar of in de nabije omgeving aanwezig zijn. Er zijn zowel woonbestemmingen als voorzieningen en bedrijven te vinden. In onderstaande tabel zijn de verschillende functies in de omgeving weergegeven en is getoetst of er, conform de VNG-publicatie, voldoende afstand zit tussen deze functies en het projectgebied.

In dit geval is ten oosten van het projectgebied het bedrijventerrein Océ gelegen. De activiteiten binnen dit bedrijventerrein zijn vergelijkbaar met een bedrijf met de omschrijving ‘fotochemische productenfabrieken’ zoals opgenomen in de VNGpublicatie. Ten noorden van het projectgebied is een tankstation aanwezig aan de A67. Verder bevindt zich ten noorden aan de overzijde van de toegangsweg een locatie welke is bestemd als glastuinbouwbedrijf en ten zuiden is een melkveehouderij gevestigd. Uit bovenstaande tabel blijkt dat het projectgebied op grotere afstand van omliggende functies ligt dan de aan te houden richtafstanden conform de VNG-publicatie. Het herbouwen van een woning binnen het projectgebied zorgt er niet voor dat bedrijven in de omgeving in hun (uitbreidings-)mogelijkheden worden beperkt. Dit aspect vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Adres

Soort bedrijf

Categorie

Genooyerweg 47 Bedrijventerrein Océ

Melkrundveebedrijf Fotochemische productenfabrieken Tankstation

Europaweg 21

5.11

Werkelijke afstand 230 meter 300 meter

Voldaan

3.2 3.2

Richtafstand 100 meter 100 meter

3.1

50 meter

170 meter

Ja

Ja Ja

Niet-gesprongen explosieven Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog ontplofbare oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen, blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Op de VEO-Bommenkaart is te zien of er (voor)onderzoek (Natuurvriendelijke oevers Maas, 25 maart 2011) is gedaan op een locatie ten behoeve van een grotere ontwikkeling. Daarnaast is op de BEOBOM ruimingskaart (figuur 12) te zien dat er in de nabijheid van het projectgebied een ruiming heeft plaatsgevonden.

35

Aangezien reeds onderzoek heeft plaatsgevonden naar niet gesprongen explosieven en over is gegaan tot ruiming, valt te verwachten dat het projectgebied vrij is van niet gesprongen explosieven.

Figuur 12 BEOBOM ruimingskaart

Daarnaast is er door de gemeente Venlo een Historisch Vooronderzoek CEBodembelastingskaart uitgevoerd op 28 april 2017. Behorende bij dit onderzoek is er door Bombs Away een CE-Bodembelastingskaart opgesteld waarbij gebieden zijn aangegeven welke verdacht zijn op afwerpmunitie, diverse hoofdgroepen CE, geschutmunitie, landmijnen en raketmunitie. In figuur 13 is een uitsnede toegevoegd waarin te zien is dat het projectgebied buiten een verdacht gebied is gelegen voor landmijnen, maar binnen verdacht gebied voor geschutmunitie. Doordat er in het kader van de woningbouwontwikkeling ter plaatse van huisnummer 94-96 geen explosieven zijn gevonden, wordt de kans minimaal geacht dat er niet gesprongen explosieven in het projectgebied worden aangetroffen. Volledigheidshalve is in de planregels echter wel een voorwaardelijke verplichting tot het uitvoeren van explosievenonderzoek opgenomen, om zodoende zeker te stellen dat, ten tijde van de uiteindelijke daadwerkelijke bouw van de woning, passend onderzoek voor dit aspect gedaan kan worden. Dit zou bijvoorbeeld (vanwege de zeer beperkte omvang van de ontwikkeling) ook kunnen in de vorm van begeleiding van de graafwerkzaamheden door een explosievenexpert, waarbij het “protocol spontaan aantreffen” wordt gebruikt (bepaalde specifieke onderzoeksvorm van NGE-begeleiding).

36

Figuur 13 Uitsnede CE-bodembelastingskaart Venlo projectgebied nieuwe woning rood omcirkeld

5.12

Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen Bij ontwikkelingen is het van belang om te kijken of er door of nabij het projectgebied kabels, leidingen en hoogspanningslijnen zijn gelegen waar rekening mee gehouden moet worden. Kabels en leidingen Ondergrondse kabels en leidingen zijn belangrijk voor het transport van data, elektriciteit en stoffen zoals gas en water. Sommige ondergrondse leidingen kunnen een risico zijn voor de omgeving. In het Omgevingsplan staan geen of zeer beperkt gebruiksregels voor ondergrondse kabels en leidingen. De regels richten zich op de ligging, het type leiding en de gebruikskenmerken. In dit geval is het belangrijk om te bezien of er in de omgeving kabels en/of leidingen al dan niet met veiligheidszone aanwezig zijn. Aangezien er in de omgeving van het projectgebied geen kabels en/of leidingen aanwezig zijn, vormt dit aspect geen belemmering. Hoogspanningslijnen Hoogspanningsverbindingen zijn essentieel voor het energienetwerk, maar hebben ook effect op de (ontwikkelingen in de) omgeving. Zo is vanwege de magneetvelden rondom een hoogspanningsverbinding afstand nodig tot gevoelige functies zoals woningen. Aangezien er in de omgeving van het projectgebied geen hoogspanningslijnen aanwezig zijn, vormt dit aspect geen belemmering.

5.13

Mobiliteit Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren. 37

Verkeersgeneratie In de huidige situatie zijn er verkeersbewegingen afkomstig van het projectgebied als gevolg van het gebruik van de woonunit. Door de sloop van de woonunit en herbouw van de woning elders op het perceel, zal het aantal verkeersbewegingen per saldo gelijk blijven. Gelet op het feit dat de huidige infrastructuur het aantal verkeersbewegingen in de huidige situatie zonder probleem kan verwerken, worden er voor de beoogde situatie tevens geen problemen verwacht. Derhalve behoeft de huidige infrastructuur geen aanpassingen. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering. Parkeren De gemeente Venlo gaat uit van de CROW-publicatie 744 en voor vrijstaande koopwoningen dient in het buitengebied te worden voorzien in ten minste twee parkeerplaatsen op het eigen terrein. In dit geval wordt de inrit voldoende breed en lang gemaakt dat er plaats is voor het parkeren van ten minste twee parkeerplaatsen. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor de herbestemming.

5.14

Duurzaamheid en klimaatadaptatie De Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) is in 2016 opgesteld. In 2022 is de NAS in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat geëvalueerd. Om de NAS te versnellen is in 2023 het Nationaal Uitvoeringsprogramma Klimaatadaptatie (NUPKA) verschenen. Het NUPKA laat zien welke aanpak al in gang is gezet voor de komende jaren én welke extra maatregelen er nodig zijn. Het document laat daarmee zien hoe de uitvoering van de NAS wordt aangepakt en wat nodig is om te versnellen. Er staat bijvoorbeeld dat we vanaf nu bij elke ontwikkeling in Nederland standaard rekening moeten houden met zeespiegelstijging, toenemende hitte, langere periodes van droogte en meer extreme neerslag. Verder moet het beleid om Nederland op tijd klimaatbestendig te maken slimmer, intensiever en inclusiever. Onderhavige ontwikkeling is derhalve in lijn met de doelstellingen uit het NAS en NUPKA. Naast de NAS geldt voor alle nieuwbouw sinds 1 januari 2021 dat vergunningen moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De energieprestatie bij BENG wordt bepaald aan de hand van 3 individueel te behalen eisen: 1. de maximale energiebehoefte in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar (kWh/m2.jr) 2. het maximale primair fossiel energiegebruik, eveneens in kWh per m 2 gebruiksoppervlak per jaar (kWh/m2.jr) 3.

het minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten (%) Als laatste moet rekening gehouden worden met de MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) bij de aanvraag van een omgevingsvergunning. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Het gaat hierbij om nieuwe kantoorgebouwen (groter dan 100 m2) en om nieuwbouwwoningen. Onderhavige ontwikkeling gaat gepaard met nieuwbouw waardoor in het kader van he aspect ‘bouwen’ getoetst moet worden aan BENG en MPG. Aangezien in een later stadium pas wordt gebouwd is toetsing aan BENG en MPG nog niet aan de orde.

38

Vanuit de Omgevingsverordening Limburg artikel 3.5 dienen tevens de wijze te worden beschreven waarop in het plan rekening is gehouden met de risico’s en gevolgen van klimaatverandering voor de aspecten hitte, wateroverlast en droogte. Hierbij wordt verwezen naar de stresstestkaarten van Waterpanel Noord. Hitte In figuur 14 is te zien dat ter plaatse van de huidige woning een warmer gebied aanwezig is en ter plaatse van de locatie waar de woning herbouwd wordt een koeler gebied. Met de sloop en herbouw van de bestaande woning naar de oostzijde van het perceel, zal dan dus tevens dit warmere gebied verplaatst worden, doordat de verharding/bebouwing geheel wordt verwijderd en geen warmte meer zal vasthouden. Doordat het verhard/bebouwd oppervlak zal afnemen zal hierdoor ook het warmere gebied kleiner worden. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling.

Figuur 14 Uitsnede Hitte stresstestkaart Water in Limburg projectgebied blauw omcirkeld

Wateroverlast Ter plaatse van de huidige woning is de hoogte van het maaiveld 17,62 meter (figuur 15). Ter plaatse van de beoogde locatie voor de herbouw van de woning is de hoogte van het maaiveld 17,32 meter. Het maaiveld in de omgeving is hierdoor overal ongeveer even hoog zonder grote verschillen. Conform de afkoppelbeslisboom van Venlo is het noodzakelijk om het hemelwater te infiltreren binnen het projectgebied (paragraaf 5.4). Dit zal in het kader van de bouw verder worden uitgewerkt. Hierdoor zal er binnen het projectgebied geen wateroverlast veroorzaakt worden en vormt dit aspect geen belemmering voor de ontwikkeling.

39

Figuur 15 Uitsnede kaart Hoogte Water in Limburg huidige en beoogde locatie

Droogte Ter plaatse van de huidige woning is de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) ongeveer 2,18 m-mv (figuur 16). Ter plaatse van de locatie voor de beoogde herbouw is deze 1,59 m-mv. In de beoogde situatie zal er geen grondwater onttrokken worden uit de bodem. Hierdoor vormt dit aspect geen belemmering voor de ontwikkeling.

Figuur 16 Uitsnede kaart Droogte Water in Limburg huidige en beoogde situatie

Uit toetsing van de stresstesten voor de aspecten hitte, wateroverlast en droogte blijkt dat de ontwikkeling geen belemmering vormt voor het aspect klimaatadaptatie.

5.15

Trillingen Activiteiten In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels voor trillingen door activiteiten. Deze instructieregels zijn gericht op de bescherming van trillinggevoelige ruimten in trillinggevoelige gebouwen. Deze instructieregels gelden voor: 1. Het op een locatie toelaten van een activiteit en het aanpassen daarvan 2. Het op een locatie toelaten van een trillinggevoelig gebouw en het aanpassen daarvan 3. Een combinatie van beide. In artikel 5.87 en 5.87a van het Bkl staan de standaardwaarden voor continue en herhaald voorkomende trillingen. De gemeente hanteert deze standaardwaarden bij het opnemen van waarden voor trillingen door activiteiten voor een bepaald gebied in het omgevingsplan. Niet op alle locaties leiden de standaardwaarden voor een activiteit tot het gewenste evenwicht tussen beschermen en benutten. Een gemeente kan dan gemotiveerd kiezen 40

voor andere waarden. Uit het oogmerk van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties kan de gemeente bijvoorbeeld een lagere waarde vaststellen voor een activiteit op een bedrijventerrein om hiermee een woonwijk te beschermen. Met onderhavige ontwikkeling zal een trillinggevoelige ruimte toegevoegd worden. Binnen het projectgebied is echter reeds een bestaande woning aanwezig, welke wordt herbouwd. Doordat er reeds een woonbestemming aanwezig is, worden er voor de beoogde woning eveneens geen belemmeringen verwacht. Daarbij is nieuwbouw beter bestand tegen aspecten zoals trillingen. Er zullen daarnaast ook geen trilgevoelige activiteiten uitgevoerd worden. Het aspect trillingen zal voor het realiseren van de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen vormen.

5.16

Lichthinder In het gemeentelijke omgevingsplan is lichthinder een aspect dat meeweegt vanuit een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Een gemeente kan zelf bepalen of ze regels ter voorkoming van lichthinder wil stellen in het omgevingsplan. Alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen gelden rijksregels uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Het Bkl bevat geen richtlijnen voor lichthinder. Aangezien geen verlichting wordt toegevoegd en geen hinderende verlichting aanwezig is in de directe omgeving, zal het woon- en leefklimaat binnen het projectgebied niet negatief worden aangetast. Het aspect lichthinder is dan ook niet van toepassing.

5.17

Bezonning Bezonning is een van de afwegingsaspecten voor de ruimtelijke kwaliteit. Voldoende zonlicht of juist voldoende schaduw op gebouwen, tuinen, terrassen en speelplekken is belangrijk. Een toename van schaduw – door beplanting, nieuwbouw of andere ruimtelijke ontwikkelingen – kan ongewenst zijn. Het is belangrijk om ervoor te zorgen dat er voldoende bezonning en schaduw is en blijft. De gemeente kan voorkomen dat er te veel schaduw ontstaat. En juist zorgen voor voldoende schaduw. Voldoende zonlicht en schaduw zijn aspecten van de fysieke leefomgeving (artikel 2.1 Omgevingswet). Hierdoor is het een onderdeel van de taak van de gemeente voor het evenwichtig toedelen van functies aan locaties (artikel 2.4 en 4.2 Omgevingswet) in het omgevingsplan. De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom heeft de gemeente de vrijheid om deze zelf in te vullen. Daarbij kan de gemeente gebruikmaken van alle mogelijkheden van het instrument omgevingsplan. Het onafhankelijke onderzoeksinstituut TNO heeft een norm voor bezonning: De bezonningsliniaal – Een nieuw eenvoudig hulpmiddel voor de beoordeling van de bezonning en de dagverlichting. TNO kent een 'lichte' en een 'strenge' norm: •

de 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam

41

•

de 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam Deze normen zijn alleen van toepassing op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen nooit direct zonlicht. Aangezien in de toekomstige situatie geen hoge bebouwing geplaatst zal worden, zal het woongenot van omwonende niet aangetast worden.

5.18

Toetsing Besluit m.e.r./m.e.r.-beoordeling De wetgeving rond de milieueffectrapportage (mer, ook wel m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)plicht. Om te bepalen of een mer-plicht of mer-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden of de ontwikkeling voorkomt in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Onderhavige ontwikkeling is opgenomen in kolom 1 van bijlage V, waarbij geen drempel is opgenomen in kolom 2 waardoor sprake is van een project-mer-beoordeling. Deze mer-beoordelingsplicht volgt uit artikel 16.43 lid 1 Omgevingswet, hoofdstuk 11 Omgevingsbesluit en bijlage V. Doorwerking projectgebied In dit geval kan de ontwikkeling worden onderverdeeld in categorie J11: ‘Stedelijk ontwikkelproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’. Voor deze categorie is geen ondergrens opgenomen in kolom 3, maar geldt er in ieder geval een m.e.r.-beoordelingsplicht voor de aanleg, wijziging of uitbreiding (kolom 3) van een stedelijk ontwikkelproject. Uit dit hoofdstuk (5) blijkt dat de ontwikkeling geen onevenredige negatieve effecten heeft op de fysieke leefomgeving. Met onderhavige ontwikkeling wordt een bestaand bouwperceel herontwikkeld.

Dit leidt dan ook niet tot een (toekomstige) grootschalig initiatief. In dit geval is dan ook geen m.e.r.-plicht aan de orde.

42

HOOFDSTUK

6 Beperkingengebieden

In een beperkingengebied gelden beperkingen voor activiteiten die de functie van een maatschappelijk belangrijk werk of object kunnen verstoren. Dit kan onder andere gaan om wegen, spoorwegen, luchthavens en waterstaatswerken. In de hoofdstukken 6 tot en met 10 van het Bal staan de voorschriften voor speciale gebieden in beheer bij het Rijk. Niet alleen het Rijk kan beperkingengebieden aanwijzen, dat geldt ook voor provincies en waterschappen. Om de functie van het werk of object te beschermen, gelden er beperkingen in een aangewezen gebied daaromheen. Het bevoegd gezag wijst dat gebied op kaart aan. De beperkingen gelden voor activiteiten in dit gebied (het beperkingengebied). De beperkingen kunnen een vergunningplicht inhouden of bestaan uit algemene regels. Doorwerking projectgebied In onderhavig projectgebied is geen sprake van een beperkingengebied. De beoogde ontwikkeling voorziet niet in activiteiten die op grond van deze regels aan beoordeling door het bevoegd gezag onderhevig zijn. Derhalve vormt dit aspect geen belemmering.

43

HOOFDSTUK 7.1

7 Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid In deze paragraaf wordt de wijze van bekostiging van het initiatief beschreven.

7.1.1

Financieel economische haalbaarheid Uitgangspunt is dat de kosten die gemaakt worden voor het opstellen van een wijziging omgevingsplan voor rekening komen van de initiatiefnemer.

7.1.2

Kostenverhaal Daar waar nodig zal op basis van artikel 13.18 het publiekrechtelijke kostenverhaal worden verrekend door middel van een kostenverhaalsbeschikking (artikel 13.18 Ow). Tevens worden voor het in behandeling nemen van en de procesbegeleiding kosten gerekend. Deze worden verrekend via de leges.

7.1.3

Nadeelcompensatie Op basis van art. 4.5 Awb wordt voor iedere wijziging van het omgevingsplan een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Deze motivering evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt ingevolge artikel 16.66 van de Omgevingswet gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij gelegenheid is geboden tot het indienen van zienswijzen.

7.2.1

Participatie De initiatiefnemers hebben de beoogde plannen toegelicht aan de directe buren middels een gesprek. Bij dit gesprek is gebruik gemaakt van de ontwerptekeningen. De reactie van de omwonenden waren allen positief op de beoogde plannen. Er worden dan ook geen bezwaren verwacht vanuit de omgeving.

7.2.2

Procedure De procedures voor vaststelling van een TAM-omgevingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het TAM-omgevingsplan van start gaan.

7.2.3

Bezwaar/ Beroep Gedurende de terinzagelegging van de ontwerpversie van het TAM-omgevingsplan wordt gelegenheid geboden tot het indienen van zienswijzen. Tot slot kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

44

HOOFDSTUK 8.1

8 Belangenafweging en conclusie

Is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties? Onderhavige ontwikkeling, de sloop en herbouw van een woning binnen het projectgebied, is niet toegestaan binnen het huidige planologisch-juridische kader. Binnen de kaders van het geldende omgevingsplan zijn ook geen afwijkings- en/of wijzigingsregels opgenomen waarmee het initiatief kan worden toegestaan. Door het wijzigen van Het tijdelijke omgevingsplan, kan het initiatief mogelijk worden gemaakt. Met de ontwikkeling zal de bestaande woonfunctie worden verplaatst naar de nieuwe woning. Hierdoor zal het bestaande gebruik van het perceel ongewijzigd blijven. Door de herbouw van de woning elders op het perceel zullen de belangen van de omgeving niet geschaad worden. Dit geldt voor zowel de woningen in de omgeving als de mogelijkheden voor omliggende functies en bedrijven. Daarnaast is het voornemen niet in strijd met de overheidsbelangen aangezien er reeds een woonbestemming aanwezig is op de locatie met een woning. Ook het belang van het waterschap en Rijkswaterstaat komen niet in het geding. De ontwikkeling wordt verder niet belemmerd door aanwezige, storende milieuaspecten. Bovendien zal, gezien de bestaande situatie, geen schade worden toegebracht aan natuur- of landschapselementen en -structuren.

Op basis van het voorgaande wordt dan ook geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling vanuit het oogpunt van een goede fysieke leefomgeving aanvaardbaar en haalbaar is. Derhalve is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

45

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/967/documents/25259