CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

631321 Bijl01 motivering Tam omgevingsplan Canon.pdf

Raadsvergadering 8 juli 2026, gemeente VenloBij agendapunt: 4.6: Vaststellen TAM omgevingsplan Canon (631321)13.248 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

5.7.

Trillingen

Bij het TAM-Omgevingsplan vinden geen ontwikkelingen plaats die trillingshinder kunnen veroorzaken.

5.8.

Lichthinder

Op het plangebied van het TAM-Omgevingsplan wordt (eventuele) toekomstige verlichting niet anders gebruikt dan terreinverlichting ten behoeve van veiligheid, net zoals elders op het terrein. Deze verlichting is van vergelijkbare aard met straatverlichting, en zorgt derhalve niet voor onevenredige hinder naar de omgeving.

5.9.

Externe veiligheid

Het aspect externe veiligheid dient tweeledig te worden beoordeeld: enerzijds de eventuele invloed (risico’s) van het TAM-Omgevingsplan op kwetsbare objecten (zoals woningen, ziekenhuizen, etc.) in de omgeving, anderzijds de invloed van risicovolle activiteiten in de omgeving op het TAM-Omgevingsplan. Invloed (risico’s) van het plan op kwetsbare objecten Voor het eerstgenoemde geldt dat de voorgenomen ontwikkelingen van het TAM-Omgevingsplan geen ‘activiteiten met risico’s’ zijn zoals genoemd in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving (voorheen: geen Bevi-inrichting als bedoeld in het Bevi). In beginsel geldt dat dergelijke activiteiten met risico’s niet zijn toegestaan op de voorgenomen locaties. Indien er in de toekomst milieubelastende activiteiten met een mogelijk gevaaraspect -zoals bijvoorbeeld opslaan van gevaarlijke stoffen- plaats gaan vinden, wordt dit allereerst getoetst en zorgvuldig afgewogen in een separate vergunningprocedure voor een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit en/of milieubelastende activiteit. Conform de handreiking 2009 (zie 5.3 milieuzonering) geldt er géén richtafstand voor gevaar (0 meter), dus dit wordt onverminderd in acht genomen. Invloed van risicovolle activiteiten op het plan

20220692-070-RA-001 - 19 mei 2026

Voor het laatstgenoemde geldt dat beoordeeld moet worden of risicovolle activiteiten -bijvoorbeeld door bedrijven of transportroutes van gevaarlijke stoffen- een nadelige invloed kunnen hebben op het plan. Het plangebied van het TAMOmgevingsplan is niet gelegen binnen een brand-, explosie- of gifwolkaandachtsgebied, evenmin in een PR 10^-6 contour (plaatsgebonden risico). Zie onderstaande figuur. Bovendien geldt dat het TAM-Omgevingsplan geen (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk maakt, waardoor er geen (nadelige) invloed van risicovolle activiteiten is.

Figuur 8: Uitsnede risicokaart Atlas leefomgeving met plangebied in rood omlijnd

5.10.

Niet Gesprongen Explosieven

Door de Gemeente Venlo is een risicokaart voor ontplofbare oorlogsresten opgesteld. Op basis van deze kaart blijkt dat het plangebied een verhoogde tot hoge kans bevat op het aantreffen van ontplofbare oorlogsresten, zie onderstaande uitsnede.

20220692-070-RA-001 - 19 mei 2026

Figuur 9: Uitsnede uit de Risicokaart ontplofbare oorlogsresten van de Gemeente Venlo met plangebied in blauw omlijnd Op basis hiervan dient (in het kader van de Arbeidsomstandighedenwet), voorafgaand aan bodemroerende werkzaamheden, een veilige werkomgeving te worden gewaarborgd. Dit dient te worden onderzocht middels een onderzoek naar Niet Gesprongen Explosieven (NGE). De eerste stap is controleren of er in dit gebied al een vooronderzoek is uitgevoerd waarvan de conclusies afdoende zijn. Indien dit niet het geval is, dient een veldonderzoek te worden uitgevoerd. Dit onderzoek dient in kaart te brengen of er al dan niet ontplofbare oorlogsresten aanwezig zijn en of daarmee, in Arbo technische zin, sprake is van een veilige werkomgeving. Zo niet, dan dienen ontplofbare oorlogsresten verwijderd te worden om deze veilige werkomgeving alsnog te creëren. Een veldonderzoek als hierboven beschreven kan pas plaatsvinden indien er sprake is van een bouwrijp terrein. Voor onderhavig TAM-Omgevingsplan is geen sprake van een bouwrijp terrein. Indien er in de toekomst concrete projecten plaats gaan vinden ter plaatse van de plangebieden van dit TAM-Omgevingsplan, wordt een vooronderzoek geraadpleegd en eventueel vervolgonderzoek uitgevoerd indien er sprake is van een bouwrijp terrein.

5.11.

Water

Het TAM-Omgevingsplan maakt mogelijk dat er in de toekomst concrete (bouw)projecten gerealiseerd kunnen worden. Hierbij kunnen verschillende soorten (afval)waterstromen ontstaan: Voor industrieel en/of huishoudelijk afvalwater geldt dat dit op het gemeentelijk riool geloosd wordt; Voor de afhandeling van niet-verontreinigd water (hemelwater) dient een adequate voorziening getroffen te worden voor de opvang, berging en infiltratie. Om dit te borgen is in de planregels een artikel (art. 13.1) opgenomen. Naast de Van der Grintenstraat loopt de Zwartwaterbeek. Voor de toekomstplannen van Canon is het van essentieel belang dat deze beek overkluisd wordt. Er is een onderzoek uitgevoerd over de mogelijkheden om de Zwartwaterbeek te verleggen. Uit dit onderzoek is gebleken dat het omleggen van de beek op vele bezwaren stuit en tot zeer hoge maatschappelijke kosten leidt, zonder dat er ook een meerwaarde kan worden gerealiseerd in ruimtelijke of ecologische zin. Op 20-06-2025 is door de gemeente Venlo een vergunning voor de overkluizing aangevraagd, waarbij ook zorg wordt gedragen voor andere manieren om een ecologische en ruimtelijke meerwaarde te creëren, bijvoorbeeld door het actief afkoppelen van de gebouwen van Canon middels de realisatie van o.a. wadi’s.

20220692-070-RA-001 - 19 mei 2026

5.12.

Kabels en leidingen

Het plangebied wordt door de gemeente opgeleverd zonder kabels en leidingen (dan wel zijn deze afgekoppeld). Indien er ter plaatse van het plangebied toekomstige projecten gaan plaatsvinden, wordt voorafgaand evenwel een KLICmelding gedaan.

5.13. 5.13.1.

Flora en Fauna Soortenbescherming (ecologie)

Om de achteruitgang van biodiversiteit te voorkomen, is soortenbescherming geïntegreerd in de Omgevingswet (voorheen Wet natuurbescherming). De Omgevingswet vereist dat bij activiteiten in de fysieke leefomgeving onderzoek plaatsvindt naar de aanwezigheid van beschermde plant- en diersoorten. Dit houdt in dat bij ruimtelijke ontwikkelingen of ingrepen de volgende stappen worden ondernomen: -

Het vaststellen of er dier- en/of plantsoorten aanwezig zijn in het gebied; Identificeren welke soorten dat zijn (en of dat beschermde soorten zijn).

Quickscan Ter plaatse van de Van der Grintenstraat is door Geonius een Quickscan flora en fauna uitgevoerd. Dit onderzoek (kenmerk: “EA250094.R01.V1”) is bijgevoegd als separate bijlage. Uit de quickscan blijkt dat het plangebied en de directe omgeving daarvan (mogelijk) functies biedt voor de volgende beschermde soorten: -

-

-

Vogels met een jaarrond beschermd nest (categorie 1 t/m 4) →nesten en leefgebied van ransuil, bosuil, havik, boomvalk, grote gele kwikstaart, buizerd en ijsvogel; Vleermuizen → kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen van diverse boombewonende vleermuizen als rosse vleermuis, bosvleermuis, gewone grootoorvleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis een essentiële vliegroutes van diverse lokaal voorkomende vleermuizen; Grondgebonden zoogdieren → Nesten van eekhoorn binnen het plangebied. Verder is incidenteleaanwezigheid binnen het plangebied door in de omgeving voorkomende soorten als das, steenmarter en bever mogelijk binnen het plangebied. Algemeen voorkomende vrijgestelde grondgebonden zoogdieren zijn niet uitgesloten binnen het plangebied; Amfibieën → Land en waterhabitat van algemeen voorkomende vrijgestelde soorten als gewone pad en bruine kikker mogelijk aanwezig binnen het plangebied; Vissen → leefgebied van niet strikt beschermde vissoorten als blankvoorn, bermpje en snoek mogelijk aanwezig binnen het plangebied; Insecten en overige ongewervelden → leefgebied van beekrombout, hoewel niet optimaal, niet volledig uitgesloten binnen het plangebied.

Bij eventuele werkzaamheden die gepaard gaan met de herinrichting van het gebied leidt dit voor een aantal soorten mogelijk tot nadelige gevolgen en zijn schadelijke handelingen niet op voorhand te voorkomen. De mogelijke nadelige gevolgen voor vogels met een jaarrond beschermd nest (categorie 1 t/m 4), eekhoorn, vleermuizen en beekrombout zijn niet volledig te voorkomen. Om een volledige effectbeoordeling en toetsing van de toekomstig ingreep aan de Omgevingswet uit te kunnen voeren is ter plaatse nader onderzoek voor specifieke soorten uitgevoerd. Zowel voor de Van der Grintenstraat als de realisatie overkluizing Zwartwaterbeek is een natuurtoets uitgevoerd (projectnummer 0509672.100). Uit de natuurtoetsen blijkt dat nader onderzoek noodzakelijk is. Uit dit nader onderzoek zal blijken of het voornemen vergunningplichtig is. Daarnaast is het noodzakelijk dat de werkzaamheden conform het werkprotocol worden uitgevoerd. De natuurtoetsen voor de Van der Grintenstraat en de natuurtoets voor de realisatie overkluizing Zwartwaterbeek zijn in een separate bijlage bij deze toelichting opgenomen. Onderhavig TAM-Omgevingsplan Dit TAM-Omgevingsplan (middels TAM-IMRO procedure) betreft enkel het wijzigen van een bestemming ter plaatse van de Van der Grintenstraat, strook boven slingertracé en ventweg (zie onderstaande figuur).

20220692-070-RA-001 - 19 mei 2026

Figuur 10: Huidige situatie met bestemmingswijzigingen als pijl (links) en verbeelding met bestemmingswijzigingen (rechts) Dit TAM-Omgevingsplan is dus vooralsnog een administratieve bestemmingswijziging waarbij op korte termijn nog geen fysieke veranderingen of concrete projecten plaatsvinden. In de toekomst zijn wel concrete projecten/fysieke ontwikkelingen voorgenomen op het Canon-terrein. Hierbij dient expliciet te worden benadrukt dat deze ontwikkelingen pas plaatsvinden nadat de gemeente Venlo het Slingertracé fysiek heeft gerealiseerd (separate BOPA-procedure). De schatting is dat dit pas medio 2027 is afgerond. Voor de BOPA 'Slingertracé' is door Bureau 'BRO' een vervolgonderzoek Ecologie uitgevoerd, welke als separate bijlage bij deze toelichting is bijgevoegd (kenmerk: "P07272 Rapport Vervolgonderzoeken Flora en Fauna Venlo-Noord_20241119"). Voordat de Van der Grintenstraat wordt overgedragen aan Canon worden vooralsnog alleen de kabels en leidingen afgesloten ter plaatse van de Nijmeegseweg en de Sint Urbanusweg. Verdere ingrepen t.a.v. overkluizing, de verharding en beplanting zijn nog niet gepland. Deze werkzaamheden (door de gemeente) worden uitgevoerd met toepassing van de landelijke "Gedragscode soortenbescherming gemeenten 2025" (versie 2 juni 2025)1.

Zoals hierboven ook aangegeven, betreft dit TAM-Omgevingsplan vooralsnog enkel een administratieve bestemmingswijziging waarbij op korte termijn nog geen fysieke veranderingen of concrete projecten plaatsvinden. Op basis van het soortenonderzoek is gebleken dat nader onderzoek noodzakelijk is. Voor alle toekomstige concrete/fysieke ontwikkelingen geldt dat dit nader onderzoek dient te zijn afgerond, met eventuele noodzakelijke mitigerende maatregelen en/of een vergunningaanvraag bij de Provincie. Om dit te borgen is in de planregels (artikel 9.5, zie onderstaande uitsnede) een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat bij concrete (bouw)projecten altijd eerst nader soortenonderzoek (+ eventuele mitigerende en/of compenserende maatregelen) uitgevoerd moet worden alvorens aan de gebruiks- en bouwregels gevolg kan worden gegeven. Daarmee is de (wettelijk verplichte) bescherming van flora en fauna bij toekomstige projecten geborgd.

1 https://www.stadswerk.nl/documenten/handlerdownloadfiles.ashx?idnv=1847788

20220692-070-RA-001 - 19 mei 2026

Conclusie Op basis van het bovenstaande is in redelijkheid inzicht ontstaan dat flora en fauna de uitvoerbaarheid van het TAMOmgevingsplan niet in de weg staat.

5.13.2.

Gebiedsbescherming (stikstofdepositie)

In het kader van stikstofdepositie zijn voor voorliggend TAM-Omgevingsplan een tweetal AERIUS-berekeningen opgesteld in de meest recente AERIUS-software, zijnde AERIUS Calculator versie 2025.0.1. Dit is onderstaand nader toegelicht. Op een afstand van circa 4 km is het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied ‘Krickenbecker Seen en Kleiner De Witt-See’ gelegen (op circa 5km is Natura 2000-gebied ‘Maasduinen’ gelegen).

5.13.2.1

Aantonen haalbaarheid TAM-Omgevingsplan – Toekomstige ‘ruimte’ gebruiksfase

Om te beoordelen welke stikstofemissies (in de gebruiksfase) op de beoogde locaties Van der Grintenstraat, ventweg en strook boven het Slingertracé zijn toegestaan binnen de huidige wet- en regelgeving, zijn de mogelijke stikstofeffecten op Natura 2000-gebieden beoordeeld. Beoordeling Om te beoordelen welke stikstofemissies (in de gebruiksfase) op de beoogde locaties Van der Grintenstraat, ventweg en strook boven het Slingertracé zijn toegestaan binnen de huidige wet- en regelgeving, is een nauwkeurige inschatting van vervoersbewegingen gemaakt op deze locaties i.o.m. Canon (zie bijgevoegd "20220692 - Benodigde input AERIUSberekening (gebruiksfase)"). De aantallen vervoersbewegingen zijn worst-case naar boven afgerond en de oppervlakte waarop deze vervoersbewegingen plaatsvinden is worst-case naar beneden afgerond. Naast de vervoersbewegingen vinden er géén activiteiten plaats waarbij stikstofemissies plaatsvinden, omdat alle toekomstige projecten gasloos gebouwd zullen worden. Voor de Van der Grintenstraat en de strook boven het Slingertracé is het uitgangspunt dat voor de desbetreffende te wijzigen plangebieden eenzelfde bestemming als het huidige perceel van Canon toelaatbaar dient te zijn.

Op basis van de gehanteerde uitgangspunten (zie bijlage “20220692 - Benodigde input AERIUS-berekening (gebruiksfase)”) is in de berekening rekening gehouden met worst-case 20 zware vrachtbewegingen, 8 middelzware vrachtbewegingen en 62 lichte bewegingen voor de Van der Grintenstraat en 8 zware vrachtbewegingen, 4 middelzware vrachtbewegingen en 22 lichte bewegingen voor de strook boven het Slingertracé. Hierbij is als worst-case uitgangspunt aangehouden dat al het lichte vertrekkende verkeer vertrekt met een koude motor. Bij al het lichte verkeer is rekening gehouden met een koude start, zijnde 31 koude starts voor de Van der Grintenstraat en 11 koude starts voor de strook boven het Slingertracé. Aangezien er geen zware of middelzware voertuigen langer dan 2 uur op de locaties stil zullen staan zijn hier geen koude starts voor opgenomen. Het verkeer dat in de huidige situatie via poort 4 en 5 het perceel betreedt zal in de beoogde situatie via de ventweg rijden. Uit de opgave van Canon (zie bijlage “20220692 - Benodigde input AERIUS-berekening (gebruiksfase)”) met betrekking tot het verkeer via poort 4 en 5 volgt dat op de ventweg maximaal 74 zware vrachtbewegingen, 2 middelzware vrachtbewegingen en 18 lichte bewegingen zullen plaatsvinden. Worst-case zijn maximaal 9 koude starts opgenomen op de ventweg. Het rekenjaar voor de berekening is 2026.

De reden hiervoor is dat er voor de betreffende gebieden (Van der Grintenstraat, ventweg en strook boven Slingertracé), op de dag van de vaststelling van het TAM-Omgevingsplan (welke gepland is voor 2026), 'stikstof-gebruiksruimte' vergund/toegestaan dient te zijn (voor een uitvoerbaar plan). Rekenjaar 2026 is het eerst mogelijke rekenjaar (en daarmee een worst-case uitgangspunt). Uit de berekening (welke als separate bijlage is bijgevoegd) volgt dat bovenstaande gebruikssituatie niet resulteert in een stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol N/ha/jaar op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Aangetoond is dat er uitgesloten kan worden dat het plan resulteert in significante gevolgen voor beschermde habitats en hieraan gekoppelde

20220692-070-RA-001 - 19 mei 2026

soorten. De instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden worden gerespecteerd en de natuurlijke kenmerken worden niet aangetast.

5.13.2.2

Ventweg – beschouwing realisatiefase

Een concreet onderdeel van het Ontwikkelingsplan Venlo-Noord is de aanleg van een Ventweg op het Canon terrein. Voor de realisatiefase zijn de mogelijke stikstofeffecten op Natura 2000-gebieden beoordeeld. Beoordeling Aan de hand van twee referentieprojecten is een gedetailleerde inschatting gemaakt van de te verwachten werkzaamheden voor de aanleg van de ventweg op het desbetreffende plangebied (zie bijlage “20220692 - Benodigde input AERIUS-berekening (bouwfase) - Canon Ventweg”). Hierbij zijn de werkzaamheden naar rato van de oppervlakte van het plangebied verschaald en naar boven afgerond (worst-case). In de bijlage is de inschatting van de werkzaamheden bijgevoegd. Het brandstof- en AdBlue-verbruik is gebaseerd op de AUB methode (TNO Rapport, 6% AdBlue). Naast de mobiele werktuigen is ook rekening gehouden met de verkeersbewegingen als gevolg van de realisatie van de ventweg (verkeer op N271 <1% toename, dus opgenomen in het heersende verkeer), het laden en lossen van verkeer op de locatie (conform “Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2025”) en koude starts op de planlocatie in de realisatiefase (vrachtverkeer worst-case 5%, licht verkeer 90%). Het rekenjaar voor de berekening is 2027. De reden hiervoor is dat deze ventweg pas gerealiseerd wordt als het slingertracé fysiek gerealiseerd is.

Vanwege het feit dat start aanleg Slingertracé pas in Q3 2026 gepland staat en dus op zijn vroegst pas in 2027 is afgerond, is voor de aanleg ventweg het jaar 2027 gehanteerd. Op basis van bovengenoemde uitgangspunten is ook voor de realisatiefase een AERIUS-berekening opgesteld (bijgevoegd als separate bijlage). Hieruit volgt dat ook in de realisatiefase geen sprake is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol N/ha/jaar op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Aangetoond is dat er uitgesloten kan worden dat het plan resulteert in significante gevolgen voor beschermde habitats en hieraan gekoppelde soorten. De instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden worden gerespecteerd en de natuurlijke kenmerken worden niet aangetast. Verklaring verschil met Slingertracé (BOPA) Het verschil met het stikstofonderzoek van het Slingertracé (BOPA) is te verklaren door de wijze van het bepalen van uitgangspunten. Voor de zorgvuldige analyse die is uitgevoerd om te komen tot een gedetailleerde set uitgangspunten (onderhavige stikstofbeoordeling) van mobiele werktuigen (zie bijlage "20220692 - Benodigde input AERIUS-berekening (bouwfase) Canon ventweg") is gebruik gemaakt van een referentieproject voor de reconstructie (opnieuw aanleggen) van een Nweg, alsook een gerealiseerd referentieproject van RA+ (RA+ is betrokken bij de Ventweg).

Het stikstofonderzoek van Slingertracé (BOPA) hanteert diverse referentieprojecten voor 'aanleg van een weg' (achtergrond en inhoud van deze referentieprojecten is onbekend). In dit stikstofonderzoek is uitgegaan van een worstcase stikstofemissierange. Als de emissie uit de onderhavige beoordeling/AERIUS-berekening (67,2 kg NOx en 2,6kg NH3) langs de emissie van diverse referentieprojecten van het Slingertracé wordt gelegd, zijn verschillende uitkomsten – naar rato van de lengte en het type weg – gelijkwaardig. Zie onderstaande tabel. Tabel 4: Vergelijking onderhavig project (aanleg ventweg) met referentieprojecten van het Slingertracé Referentieprojecten Slingertracé Onderhavig project: tweebaans weg, ca. 300m lengte – 67,2 kg NOx en 2,6kg NH3 Project B: 500m zesbaans weg inclusief aansluiting op 2 delen door 3 (ivm tweebaans) en x 0,6 (ivm lengte ca kruispunten – 270,4 kg NOx en 8,8 kg NH3 300) – 54,1 kg NOx en 1,8 kg NH3 Project E: Aanpassen 1200m vierbaansweg met 3 delen door 2 (ivm tweebaans) en x 0,25 (ivm lengte ca kruisingen, fietspaden en stoplichten – 413,0 kg NOx en 300) – 51,6 kg NOx 1,6 kg NH3 13,0 kg NH3 Project G: Aanpassing van circa 450 meter weg met x 0,67 (ivm lengte ca 300) – 21,0 kg NOx en 0,8 kg NH3 aansluiting op kruising – 31,3 kg NOx en 1,2 kg NH3

5.14.

Emissies en lozingen

Bij onderhavig TAM-Omgevingsplan vinden geen emissies en lozingen naar de bodem/lucht/water plaats, en er is ook geen sprake van geuremissie. Indien er toekomstig projecten in het plangebied plaatsvinden, zullen de voorgenomen

20220692-070-RA-001 - 19 mei 2026

activiteiten in lijn zijn met de reeds vergunde activiteiten van Canon, met een vergelijkbare impact op emissies en lozingen.

5.15.

IPPC / BREF

Canon en haar bijbehorende (toekomstige) bedrijfsactiviteiten bevatten geen IPPC-installaties (Integrated Pollution Prevention and Control) zoals bedoeld in de Richtlijn Industriële Emissies (RIE / Richtlijn 2010/75/EU). Derhalve zijn er geen Europese BREF-documenten van toepassing waaraan getoetst dient te worden.

5.16.

Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie Voor dit TAM-Omgevingsplan dient te worden voldaan aan de voorwaarden zoals opgenomen in de ‘Erfgoedverordening Venlo 2024’ onder artikel 7.3, zie onderstaande uitsnede.

Het plangebied heeft op de archeologische beleidskaart grotendeels waarde middelhoog/hoog. Plaatselijk middelhoog voor natte gebieden, plaatselijk zelfs een zone met een zeer hoge archeologische verwachting en bevinden er zich enkele vindplaatsen. Zie onderstaande uitsnede en de gehanteerde ondergrenzen voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek.

20220692-070-RA-001 - 19 mei 2026

Figuur 11: Uitsnede plangebied archeologische beleidskaart Gemeente Venlo

Figuur 12: Legenda archeologische beleidskaart Gemeente Venlo Uit het bovenstaande kan worden opgemerkt dat per verwachtingswaarde andere ondergrenzen gelden. Echter, een gemeenschappelijk onderdeel is dat indien de bodem dieper dan 40 cm -mv geroerd wordt, een archeologisch onderzoek vereist is. Bij onderhavig TAM-Omgevingsplan vinden geen grondroerende werkzaamheden plaats. Indien bij (toekomstige) concrete projecten bodemroerende werkzaamheden gaan plaatsvinden, dient een archeologisch onderzoek plaats te vinden indien de ondergrenzen conform de legenda hierboven worden overschreden. Cultuurhistorie In 2015 heeft de gemeente Venlo de ‘Cultuurhistorische inventarisatiekaart Venlo 2015’ gepubliceerd, zie onderstaande uitsnede.

20220692-070-RA-001 - 19 mei 2026

Figuur 13: Uitsnede Cultuurhistorische inventarisatiekaart Venlo 2015 Uit bovenstaande uitsnede blijkt dat de Van der Grintenstraat een historische verbindingsweg was tussen de Maas en ’t Ven. Hierin werd eveneens een verbinding gevormd tussen het kapelletje van Genooy en een (voormalige) boerderij (Nijmeegseweg) en het klooster (nu Albertushof). De structuur is in de loop der tijd grotendeels vervaagd door stedelijke ontwikkeling. Hoewel de weg een historische functie heeft gehad, is die tegenwoordig niet meer herkenbaar in het veld (o.a. omdat de boerderij is verdwenen). Onderhavig TAM-Omgevingsplan (het onttrekken van de Van der Grintenstraat aan de openbaarheid) heeft gevolgen voor de cultuurhistorische leesbaarheid van het landschap. De Van der Grintenstraat kan zowel in functie als tracé worden gezien als de historische opvolger van het historisch wegtracé op deze locatie. Indien eventuele toekomstige nieuwbouw dit tracé overschrijdt, wordt rekening gehouden met de cultuurhistorische waarde. Dit kan bijvoorbeeld door de oorspronkelijke ligging van de weg zichtbaar of herkenbaar te houden in het ontwerp (bijvoorbeeld door een markering in de gevel, plint of buitenruimte), danwel door anderszins ruimtelijk naar de verbinding te verwijzen.

5.17.

Verkeer en parkeren

Verkeer Het onttrekken van de Van der Grintenstraat aan de openbaarheid heeft gevolgen voor de verkeersstromen in het gebied. Onderhavig TAM-Omgevingsplan dient derhalve integraal beschouwd te worden in het licht van het totaal aan ontwikkelingen (ontwikkelingsplan Venlo-Noord, zie hoofdstuk 3): -

De Van der Grintenstraat wordt pas afgesloten als het Slingertracé, de nieuwe toekomstbestendige ontsluitingsweg voor Venlo Noord, gereed is. Het Slingertracé bestaat uit rijbanen met een maximum snelheid van 30km/uur en een vrij liggend fietspad. Dankzij deze fietsverbinding wordt het primair fietsnetwerk sterk verbeterd omdat dit fietspad via de Sint Urbanusweg helemaal doorgetrokken wordt tot aan het Venlose centrum en het NS Station. Met het Slingertracé gaat voorkomen worden dat ongewenst verkeer door de woonstraten van Venlo-Noord gaat rijden en ontstaat er een zogenaamde buffer tussen werk, verkeer en wonen. Door de functieverandering van de Van der Grintenstraat naar bedrijventerrein kan een aaneengesloten Canon Campus ontwikkeld worden met centrale toegang voor (vracht)verkeer aan de Nijmeegseweg incl. aanleg van interne ventwegen. Hierdoor wordt er door Canon minder gebruik gemaakt van de openbare wegen. Door het centraliseren van bedrijfsprocessen zal in de toekomst ook het aantal vrachtbewegingen reduceren. Dit levert een positieve bijdrage aan de verkeersveiligheid van de omgeving;

-

De centrale toegang die grenst aan de Nijmeegseweg (N271) gaat voor alle doelgroepen (medewerkers, bezoekers, leveranciers en hulpdiensten) een snelle en adequate entree bieden. Terugslag op de N271 en A67

20220692-070-RA-001 - 19 mei 2026

moet worden voorkomen, hiervoor wordt een passend en efficiënt slagboomsysteem met voldoende verwerkingscapaciteit gerealiseerd. Er komen (op eigen terrein) meerdere invoegstroken en ingangen voor diverse weggebruikers die de entreestroom adequaat afwikkelen. Daarnaast wordt, indien nodig, de Intelligente Verkeersregelinstallatie (iVRI) op de kruising Nijmeegseweg – Van der Grintenstraat aangepast aan de nieuwe situatie en draagt daardoor ook bij aan het faciliteren van het inkomend en uitgaand verkeer en het voorkomen van terugslag op de Nijmeegseweg en A67. Canon en de gemeente treden in nader overleg zodra de nieuwe entree concreet wordt uitgewerkt. -

Duurzame mobiliteit wordt actief gestimuleerd binnen Canon: Elektrisch rijden, maar ook (elektrisch) fietsen middels een fietsplan en leasefietsplan. Ieder complex binnen CPPN faciliteert oplaadpunten voor elektrische auto’s. Medewerkers kunnen voor dienstreizen gebruik maken van dienstfietsen en (elektrische) dienstauto’s. Binnen Canon wordt ook hybride gewerkt, waarbij medewerkers geacht worden minimaal 50% aanwezig te zijn op kantoor. De diverse medewerkerspopulatie (denk o.a. aan R&D, assemblage, logistiek) werken op diverse tijdstippen waardoor er geen grote piekbelasting ontstaat op dezelfde tijdstippen. Medewerkers blijven gebruik maken van alle aanwezige in- en uitritten. Alle bezoekers zullen via de centrale entree de campus betreden. Voorgenoemde aspecten hebben een gunstig effect op de totale entreestroom op de centrale entree.

Parkeren Door Canon en de gemeente Venlo zijn ten tijde van de Omgevingstafel al diverse oriënterende gesprekken gevoerd over parkeren in de toekomstige situatie (Canon Campus, zie paragraaf 1.2). Hieruit volgt dat Canon te allen tijde voldoende ruimte op het eigen terrein heeft om voor toekomstige ontwikkelingen aan de parkeernormen te voldoen. De concrete uitwerking van het aspect parkeren wordt steeds bij concrete projectontwikkelingen uitgewerkt, waarbij de geldende parkeerregels in acht worden genomen.

5.18.

Duurzaamheid

Canon heeft duurzaamheid hoog in het vaandel staan. Canon is ISO 14001 gecertificeerd (milieuzorgsysteem, inclusief energiemanagementsysteem), en heeft een duidelijke duurzaamheidsvisie, waarbij continue gestreefd wordt naar het verbeteren van hun milieu-performance en het zo veel mogelijk minimaliseren van haar milieu-impact. Concrete doelstellingen op het gebied van klimaatverandering zijn: Minimaliseren van CO2-footprint van de (eind)producten gedurende hun hele levenscyclus; Er is een transitieplan in werking om al het gebruik van aardgas te vervangen door elektriciteit; Minimale milieu-impact is een belangrijke criteria bij aankoop (van bijvoorbeeld grondstoffen). Concrete doelstellingen op het gebied van grondstoffenuitputting en vervuiling zijn: Streven naar het gebruik van zoveel mogelijk circulaire materialen in producten en bedrijfslocaties; Streven naar de hoeveelheid nieuwe materialen te minimaliseren en hergebruik van producten, componenten, onderdelen en materialen te optimaliseren; Streven naar het inktverbruik van onze producten te minimaliseren en afval bij onze klanten te voorkomen. Streven naar het waterverbruik, afval en emissies in onze productiefaciliteiten te minimaliseren.

5.19.

Gezondheid

Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (Ow) is een gezonde fysieke leefomgeving (artikel 1:3 Ow). In artikel 2.1 lid 4 Ow is bepaald dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Voorzorg kan daarbij een rol spelen. Naast de gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag het belang van gezondheidsbevordering meewegen. Zo heeft de fysieke leefomgeving positieve gezondheidseffecten als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten. De GGD kan hierbij adviseren. Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid. Bijvoorbeeld via instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds gemotiveerd.

5.20.

Conclusie onderbouwing ETFAL

Uit bovenstaande onderbouwingen blijkt dat het plan voldoet aan de uitgangspunten van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het voorziet in een duidelijke behoefte, verbetert de leefomgeving, en draagt bij aan de doelstellingen van duurzaam en toekomstgericht ruimtegebruik.

20220692-070-RA-001 - 19 mei 2026

6. Juridisch kader TAM-Omgevingsplan 6.1.

Algemeen

Onderhavig TAM-Omgevingsplan ‘Canon Venlo’ voorziet in de aanvraag om dezelfde bestemming aan ‘de laatste puzzelstukjes’, zijnde de Van der Grintenstraat, ventweg en de strook ten noorden van het Slingertracé, toe te voegen. En dat daarmee huidige bestemmingen (verkeer, water en groen) komen te vervallen. De exacte bestemmingswijzigingen zijn opgenomen in de verbeelding behorende bij dit TAM-Omgevingsplan. Het TAM-Omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat losstaat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Om te zorgen dat het TAM-Omgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd. Onderhavig TAM-Omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de bruidsschat van het omgevingsplan. Daarom is er in de regels van onderhavig TAM-Omgevingsplan een pre-ambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22H van het omgevingsplan.

6.2.

Opzet ‘Regels van het TAM-Omgevingsplan’

In onderhavige paragraaf zijn de hoofdstukken uit de ‘Regels’ toegelicht. De regels zijn als een separaat onderdeel bij dit TAM-Omgevingsplan bijgevoegd.

6.2.1.

Hoofdstuk 1 – Algemene bepalingen

Dit TAM-Omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Venlo. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling bij Canon (tenzij ze daarmee strijdig zijn). Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling bij Canon.

6.2.2.

Hoofdstuk 2 – Functies en regels voor activiteiten

Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven voor de specifieke locatie. Alhoewel de regels niet hoeven te voldoen aan de SVBP, en er dus over 'functies en activiteiten' wordt gesproken in plaats van 'bestemmingen', staan deze op de verbeelding behorend bij onderhavig plan nog wel aangeduid als zijnde 'bestemming'. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet juist gepubliceerd kan worden op de (nog tijdelijke) landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Voor onderhavig TAM-Omgevingsplan ‘Canon Venlo’ is zoveel mogelijk aangesloten bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit tijdelijk deel van het omgevingsplan, waaronder bestemmingsplan ‘Océ en omgeving (vastgesteld 2008-12-17)’. Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet.

6.2.3.

Hoofdstuk 3 – Algemene regels

Voor dit hoofdstuk zijn er algemene bepalingen opgenomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit dit TAMOmgevingsplan. Hier zitten bijvoorbeeld algemene bouw- en functieregels in die gelden voor het gehele grondgebied van de ontwikkellocatie.

6.2.4.

Hoofdstuk 4 – Overgangsrecht

In onderhavig TAM-Omgevingsplan zijn regels opgenomen voor het overgangsrecht van bouwwerken en gebruiken van gronden en bouwwerken.

6.2.5.

Bijlagen bij de regels

Er wordt gekozen om zo min mogelijk gebruik te maken van bijlagen bij de regels, om het plan zo overzichtelijk mogelijk te houden. Dit is in lijn met kernvereiste 1 uit de VNG Bijsluiter ‘TAM-IMRO Omgevingsplan’.

6.3.

Verbeelding

De verbeelding die is opgesteld voor het TAM-Omgevingsplan dient te worden opgesteld conform de technische eisen van IMRO2012. Dat betekent dat er op de verbeelding wel 'bestemmingen' zijn te zien, en dat specifieke functies als zijnde 'functieaanduidingen' worden benoemd. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet door de validator van ruimtelijke plannen komt.

20220692-070-RA-001 - 19 mei 2026

7. Uitvoerbaarheid 7.1.

Financieel – economische uitvoerbaarheid

Met deze plantoelichting is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het omgevingsplan, in de vorm van een TAM-Omgevingsplan, een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en de toegedachte functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan in het verlengde daarvan aangenomen worden dat realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegedachte functies om financiële redenen op langere termijn niet zullen worden gerealiseerd. Kostenverhaal Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat hier om kostenverhaalsplichtige activiteiten als genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit, (hierna "een aangewezen bouwactiviteit"). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels gemeentelijke gronduitgifte dan wel, of in combinatie met, een anterieure overeenkomst, cofinanciering, subsidies, gemeentelijk krediet de kosten die het vanwege artikel 8.15 Ob maakt anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt/is verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Ob. Voor onderhavig TAM-Omgevingsplan vindt het kostenverhaal plaats via de leges die verschuldigd zijn bij de aanvraag.

Voor toekomstige (concrete) bouwprojecten geldt dit eveneens. Er is derhalve geen separate kostenverplichting (bijvoorbeeld via anterieure overeenkomst) benodigd. Nadeelcompensatie In artikel 8.15 Omgevingsbesluit worden de kostensoorten in de tabellen A en B van bijlage IV aangewezen als verhaalbare kostensoorten. In onderdeel A11 staat “Nadeelcompensatie aan derden als bedoeld in hoofdstuk 15 van de wet”. Nadeelcompensatie is een regeling voor schadevergoeding voor rechtmatig overheidsoptreden. Het gaat over schade boven het normale maatschappelijke risico en het bedrijfsrisico die iemand onevenredig zwaar treft. Het kan gaan om directe of indirecte schade. Directe schade is het gevolg van inperking van bestaande rechten van de eigenaar. Indirecte schade wordt veroorzaakt door activiteiten in de omgeving. In titel 4.5 Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan de grondslagen, inhoudelijke eisen en procedurele bepalingen over toekenning van nadeelcompensatie. Onderhavig TAM-Omgevingsplan is onderdeel van de ontwikkelingen van de Canon Campus, wat een samenwerking is tussen de gemeente Venlo en Canon. Bij deze ontwikkelingen vind(t)(en) grondtransactie(s) plaats, waarbij een verrekening van kosten en baten plaatsvindt. Ten aanzien van eventuele planschade of andere vormen van nadeel is in de (concept)koopovereenkomst reeds voorzien in een regeling voor nadeelcompensatie.

Hiermee zijn de mogelijke risico’s voor betrokken partijen contractueel afgedekt.

7.2. 7.2.1.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Participatie

Het ontwikkelingsplan Venlo-Noord bestaat uit verschillende onderdelen en procedures (zie paragraaf 3.1). Voor het slingertracé (BOPA procedure) is op 14 en 17 april 2025 een omgevingsdialoog georganiseerd door de Gemeente Venlo. Hierin is ook de (integrale) relatie met de andere onderdelen toegelicht. De verslagen van deze avonden zijn als bijlagen bij deze toelichting bijgevoegd.

7.2.2.

Zienswijzen

Het TAM-Omgevingsplan heeft van 24 december 2025 tot en met 13 februari 2026 voor eenieder ter inzage gelegen. Gedurende de terinzagelegging zijn er door twee reclamanten schriftelijke zienswijzen ingediend. Besloten is één zienswijze over te nemen en het TAM-Omgevingsplan daarop aan te passen. In de toelichting is de verkeersgeneratie van het initiatief en de gevolgen daarvan op de aansluiting van de Rijksweg A67 nader toegelicht. Tevens is als gevolg van de zienswijze het beperkingengebied van de A67 vertaald naar het TAM-Omgevingsplan. Los van de zienswijzen zijn nog enkele ambtelijke wijzigingen doorgevoerd in het plan. De Nota van zienswijzen TAM-Omgevingsplan Canon en de Nota van Wijzigingen TAM-Omgevingsplan Canon maken onderdeel uit van de besluitdocumenten van dit plan.

20220692-070-RA-001 - 19 mei 2026

8. Procedure De gemeente heeft bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet een omgevingsplan met de regels voor activiteiten voor de leefomgeving. Om dit 'omgevingsplan van rechtswege' te wijzigen, volgt de gemeente een vaste juridische procedure. De procedurebepalingen staan in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht. De van toepassing zijnde openbare voorbereidingsprocedure staat in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Onderhavig planvoornemen voorziet in een TAM-Omgevingsplan, dit is een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) die middels voorgaande regelgeving gepubliceerd kan worden. De procedure is in te delen in 3 procedurestappen: • Vóór het ontwerp-omgevingsplan De gemeente maakt bekend dat ze het omgevingsplan gaat wijzigen en stelt eventueel een milieueffectrapport op. De gemeente geeft in het digitale gemeenteblad kennis van het voornemen om een omgevingsplan te wijzigen (artikel 3:12, Awb). In de kennisgeving staat onder andere hoe de gemeenteraad burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding gaat betrekken. Dit heet participatie (artikelen 16.29, Ow, en 10.2, lid 1, Ob). •

Ontwerp-omgevingsplan De gemeente geeft kennis van het ontwerp-omgevingsplan. De gemeente plaatst het ontwerpbesluit integraal in het digitale gemeenteblad (artikel 10.3c, Ob) en legt het ontwerp-omgevingsplan en de bijbehorende stukken 6 weken ter inzage (artikel 3:11, Awb). Binnen 6 weken vanaf het moment van terinzagelegging van het ontwerpomgevingsplan kan iedereen zienswijzen inbrengen. Als er tijdens de termijn van 6 weken geen zienswijzen op het ontwerpbesluit zijn gekomen, dan: doet de gemeente hiervan zo spoedig mogelijk mededeling in het elektronische gemeenteblad, en neemt de gemeente het besluit binnen 4 weken nadat de termijn voor zienswijzen is verstreken (artikel 3:18, lid 4, Awb).

•

Vaststellen omgevingsplan De gemeenteraad stelt het omgevingsplan vast. De gemeente maakt het besluit bekend door het te publiceren in het elektronische gemeenteblad. Een wijziging van een omgevingsplan treedt in werking op de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag waarop de gemeente het besluit bekend heeft gemaakt. De gemeente kan een later tijdstip van inwerkingtreding in het omgevingsplan opnemen. Tegen het besluit tot het wijzigen van een omgevingsplan kan rechtstreeks beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

20220692-070-RA-001 - 19 mei 2026

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/969/documents/25847