618130 Bijl01 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22K De Berktweg 13-17, motivering.pdf
Tekst van het document
Toetsing initiatief
Het projectgebied is niet binnen een Natura 2000-gebied gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Maasduinen’ welke op een afstand van circa 10 kilometer van het projectgebied is gelegen. Om de effecten van onderhavige ontwikkeling op Natura 2000-gebieden inzichtelijk te maken is een Aerius-berekening uitgevoerd. Onderstaand zijn de resultaten van de berekening weergegeven. Voor de volledige berekening wordt verwezen naar bijlage III en IV. Uit de uitgevoerde Aerius-berekeningen blijkt dat er in zowel de aanleg- als gebruiksfase geen sprake is van stikstofdepositie als gevolgd van de boogde ontwikkeling. Dit aspect vorm dan ook geen belemmering.
5.6.2
Soortenbescherming In de Omgevingswet wordt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen geregeld. Daarnaast dienen alle in het 30
wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. In dit geval is de definitie van een flora- en fauna-activiteiten een 'Activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Door deze strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • Er soorten aanwezig zijn; en • Welke soorten dat zijn. In artikel 11.27 van het Bal is opgenomen dat degene die een flora- en faunaactiviteit verricht en weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen (bedoeld in artikel 11.23 Bal), verplicht is: a. Alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Toetsing initiatief
Voor de herinrichting van het gebied is door het Waterschap Limburg een quickscan flora en fauna uitgevoerd. In deze quickscan is tevens aandacht besteed aan de te slopen woningen aan De Berktweg 13-17. Onderstaand zijn de resultaten van het onderzoek weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage V. Uit het onderzoek blijkt dat op diverse locaties nesten van jaarrond beschermde broedvogels zijn aangetroffen. Bij de woningen aan De Berktweg 13-17 zijn geen nesten van beschermde broedvogels aangetroffen. Het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora en fauna activiteit is dan ook niet noodzakelijk. Bij de bezoeken aan woningen werd alleen bij De Berktweg 17 bewoningssporen aangetroffen in de vorm van twee keutels op een vensterbank onder een rolluik. Deze waarneming is de enige indicatie van een verblijfplaats. Gezien de periode van aanwezigheid, de zeer beperkte hoeveelheid keutels en de waarnemingen tijdens de veldbezoeken van maximaal één exemplaar op deze locatie mag aangenomen worden dat het hier gaat om een zomerverblijfplaats van een solitair exemplaar. In het kader van de sloop van de woning zal een omgevingsvergunning voor een flora en fauna activiteit moeten worden aangevraagd.
31
5.7
Geluid
Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een of meerdere geluidgevoelige objecten, dient te worden getoetst aan de regels zoals die aangaande het aspect ‘geluid’ zijn opgenomen in de Omgevingswet. Deze regels in de Omgevingswet hebben enerzijds betrekking op geluid als gevolg van een activiteit en anderzijds op geluid als gevolg van geluidsbronsoorten met een aandachtsgebied. 1. Regels voor geluid als gevolg van een activiteit zijn door de gemeente vastgelegd in het (tijdelijke) omgevingsplan; 2. Regels voor geluid als gevolg van geluidsbronsoorten met een aandachtsgebied zijn terug te vinden in het Bkl en de provinciale omgevingsverordening. Geluid als gevolg van een activiteit wordt getoetst aan n het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximale geluidniveau LAmax). Geluid als gevolg van geluidsbronsoorten wordt getoetst aan de standaard- en grenswaarden zoals opgenomen in het Bkl. Voldoen aan de standaardwaarde is vanzelfsprekend het hoofduitgangspunt in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. Als voldaan wordt aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag mag echter meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen.
Toetsing aan bovenstaande regels is noodzakelijk indien een nieuw geluidsgevoelig gebouw (zoals gedefinieerd in artikel 3.21 van het Bkl) of een nieuwe geluidsbron wordt toegevoegd.
Toetsing initiatief
In de beoogde situatie is er sprake van een gevoeliger gebruik voor het aspect geluid. Er worden immers nieuwe geluidsgevoelige gebouwen (woningen) binnen het projectgebied gerealiseerd. Derhalve is er een akoestisch onderzoek benodigd en uitgevoerd. Onderstaand zijn de conclusies uit het onderzoek weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage VI Uit het onderzoek volgt: • dat voor elke relevante geluidbronsoort voldaan wordt aan de standaardwaarde; • dat geen aanvullende maatregelen nodig zijn om te voldoen aan de eisen aangaande de gevelgeluidwering; • dat de nieuwe woonfuncties geen inbreuk doen op de geluidruimte van omliggende bedrijven/inrichtingen; • dat sprake blijft van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Vanuit akoestisch oogpunt zijn er geen bezwaren tegen de beoogde ontwikkeling. Het aspect geluid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
32
5.8
Kwaliteit van de buitenlucht
Om de risico's van luchtverontreiniging voor mens en natuur te beperken, zijn op Europees niveau normen vastgelegd. De Europese richtlijnen Luchtkwaliteit en Gevaarlijke stoffen in de lucht stellen grenswaarden en streefwaarden voor stoffen die de kwaliteit van de buitenlucht beïnvloeden. Deze zijn als rijksomgevingswaarden vastgelegd in paragraaf 2.2.1 van het Bkl. In Artikel 5.50 t/m 5.54 Bkl worden vervolgens de kaders gesteld waarbinnen al dan niet getoetst moet worden aan de luchtkwaliteitseisen. In het kader van een ruimtelijk plan dient het bevoegd gezag te toetsen of aan de (rijks)omgevingswaarden wordt voldaan. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor de beoogde planontwikkeling: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging (een plan is ‘NIBM’ als dat blijkt uit de NIBM-Tool, of als deze valt onder de ‘standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit’ (artikel 5.54 Bkl). d. Een plan betreft een locatie waarvoor in artikel 5.52 Bkl een uitzondering is opgenomen.
Toetsing initiatief
Aangezien onderhavige ontwikkeling de verplaatsing van twee woningen betreft, zal het aantal verkeersbewegingen niet toenemen. De ontwikkeling draagt dan ook per definitie in niet betekenende mate bij aan luchtverontreiniging. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering.
5.9
Geur
De Omgevingswet heeft onder andere tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting vanwege dierenverblijven en veehouderijen. Door het opnemen van geurnormen en/of vaste afstanden in het Bkl, wordt er op dit punt gestreefd naar een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen. Anderzijds dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde ontwikkeling.
Individuele geurhinder
In het Bkl zijn in artikel 5.109 standaardwaarden opgenomen die gelden voor landbouwhuisdieren waarvoor (bij ministeriële regeling) geuremissiefactoren zijn opgenomen. Voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactoren gelden de vaste afstanden zoals opgenomen in artikel 5.112 van het Bkl. Gemeenten hebben de bevoegdheid om in hun omgevingsplan afwijkende geurnormen en afstanden op te nemen. Tot het moment dat een gemeente een omgevingsplan heeft vastgesteld, blijven (indien een geurverordening van kracht was onder de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv), de geurnormen en afstanden uit de 33
geurverordening van kracht. Indien een gemeente geen geurverordening onder de Wgv heeft vastgesteld, gelden de regels zoals opgenomen in artikel 5.109 en 5.112 van het Bkl. De geurhinder dient te worden berekend op geurgevoelige gebouwen. In artikel 5.91 van het Bkl is opgenomen welke gebouwen gedefinieerd zijn als geurgevoelig gebouw. Gemeenten mogen in hun omgevingsplan meerdere gebouwen definiëren als geurgevoelig.
Toetsing initiatief
In de beoogde situatie is er sprake van een gevoeliger gebruik voor het aspect geur. Er worden immers nieuwe verblijfsruimten voor mensen toegevoegd die worden gezien als geurgevoelige objecten. Om een beeld te krijgen van de geursituatie ter plaatse is gekeken naar de afstand tot (intensieve) veehouderijen. Voor dieren zonder geuremissiefactor geldt een vaste afstand van 50 meter tot een geurgevoelig gebouw. Voor dieren met een geuremissiefactor gelden geen vaste afstanden. Binnen 50 meter van de projectlocatie zijn geen veehouderijen aanwezig. Binnen een straal van 500 meter zijn ook geen (intensieve) veehouderijen gelegen waarvoor een geuremissiefactor geldt. Hierdoor kan worden verondersteld dat de beoogde ontwikkeling niet binnen een geurcontour van een agrarisch bedrijf ligt. Hierbij is geen rekening gehouden met de voormalige veehouderij aan de Baarlosestraat 325. Deze locatie beschikt nog over een agrarische bestemming met aanduiding ‘intensieve veehouderij’ maar is reeds enige tijd in gebruik voor recreatieve doeleinden (airsoft). Voor deze activiteiten is door de gemeente Venlo een omgevingsvergunning verleend. Het gehele veebestand van het agrarische bedrijf is in 2018 ingetrokken. Een nadere toetsing aan het aspect geur is niet aan de orde.
5.10
Externe veiligheid
Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in een wettelijk kader. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Bal; • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal; • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal.
34
Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden.
Plaatsgebonden risico (PR)
Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 106 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.
Aandachtsgebieden
Aandachtsgebieden zijn gebeiden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Het aandachtsgebied vormt een instrument om het gesprek over veiligheid en bescherming door het treffen van maatregelen te starten. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarbij zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: • brandaandachtsgebied; • explosieaandachtsgebied; • gifwolkaandachtsgebied.
Toetsing initiatief
Met behulp van de Atlas Leefomgeving (Pav-kaart figuur 11) is gekeken welke risicobronnen in de nabijheid van het projectgebied zijn gelegen.
35
Figuur 11: Uitsnede PAV-kaart.
Uit de kaart blijkt dat op korte afstand van het projectgebied diverse aandachtsgebieden en contouren met betrekking op het plaatsgebonden risico aanwezig zijn. Deze hebben betrekking op de aanwezigheid van een buisleiding en de transportroutes over de Maas. Het projectgebied is buiten alle aandachtsgebieden en risicocontouren gelegen. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor het planvoornemen.
5.11
Milieubelastende activiteiten
Onder een milieubelastende activiteit wordt verstaan: een activiteit die
nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit. In het Bal worden in
hoofdstuk 3 de hoofdcategorieën van milieubelastende activiteiten benoemd en worden de procedureregels vastgesteld. In hoofdstuk 4 worden voor deze hoofdcategorieën en daarbijbehorende nevengeschikte milieubelastende activiteiten de gedragsregels vastgesteld. Daarnaast zijn in het Bal regels opgenomen over thematische onderwerpen, zoals bodem, luchtkwaliteit en industrielawaai, activiteiten bij rijkswaterstaatswerken en -infrastructuur, activiteiten die de natuur beïnvloeden en overige activiteiten van nationaal belang. Om e.e.a. hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot een gevoelige functie dient te zijn (zogenaamde richtafstanden). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. Het ruimtelijk scheiden van bedrijven en gevoelige objecten bij nieuwe ontwikkelingen heeft als doel om: 36
•
•
Het al in het ruimtelijk spoor voorkomen, danwel het zoveel mogelijk beperken, van hinder en gevaar voor omliggende gevoelige objecten zoals woningen; Het voldoende zekerheid bieden aan bedrijven om de gewenste milieubelastende activiteit uit te voeren.
De afstanden uit de VNG-publicatie zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustig buitengebied/woonwijk’. Indien er sprake is van een ‘gemengd gebied’ mogen de richtafstanden met 1 stap worden verkleind. De omgevingstypen zijn te definiëren als; • Rustig buitengebied/woonwijk: Een omgevingstype dat gericht is op het principe van functiescheiding. Er komen enkel gebiedsgerichte activiteiten voor waarbij geen tot kleinschalige functiemenging plaatsvindt. Tevens is er weinig verstoring door verkeer. • Gemengd gebied: Een omgevingstype dat gekenmerkt wordt door een matige tot sterke functiemenging. In de directe nabijheid van woningen vinden meerdere verschillende functies plaats in de vorm van winkels, horeca en kleine bedrijven. Met betrekking tot het buitengebied geldt dat sprake is van lintbebouwing met overwegend agrarische en nietagrarische bedrijvigheid.
Toetsing initiatief
De beoogde ontwikkeling is gelegen in een redelijk rustig buitengebied. In dit geval wordt derhalve uitgegaan van het gebiedstype rustig buitengebied. In onderstaande tabel is de toets aan de van toepassing zijnde afstanden weergegeven. De werkelijke afstand heeft betrekking op de afstand tussen de beoogde woonfunctie (bestemming) en de grens van het bouwvlak van omliggende bedrijven/functies. Locatie
Functie
Richtafstand
Baarlosestraat 325 De Berktweg 4
Airsoft Glastuinbouw
50 meter 30 meter
Werkelijke afstand Ca. 55 meter Ca. 110 meter
Voor het voormalige agrarische bedrijf op de Baarlosestraat 325 is per 21-102024 een vergunning verleend door de gemeente Venlo voor het recreatief gebruiken van het perceel ten behoeve van airsoft. In de VNG-publicatie is geen richtafstand opgenomen voor de functie airsoft. Om de impact van de activiteit te beoordelen wordt aangesloten bij een buitensportveldcomplex met verlichting. De richtafstand van deze functie bedraagt 50 meter. Uit bovenstaande tabel blijkt dat aan alle richtafstanden kan worden voldaan. Er worden derhalve geen belemmeringen verwacht ten aanzien van het woonen leefklimaat. Tevens worden omliggende functies niet in hun mogelijkheden belemmerd.
37
5.12
Niet-gesprongen explosieven
Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog ontplofbare oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen, blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Voor ontplofbare oorlogsresten zijn geen rijksregels opgenomen in de Omgevingswet. De Omgevingswet biedt decentrale overheden wel de mogelijkheid om zelf decentrale regels op te stellen voor de fysieke leefomgeving. Gemeente Venlo heeft een eigen risicokaart opgesteld ten aanzien van niet-gesprongen explosieven. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties vindt desondanks toetsing plaats van dit aspect.
Toetsing initiatief
Door de gemeente Venlo is voor het gehele grondgebied een historisch onderzoek naar de aanwezigheid van conventionele explosieven (CE) uit de Tweede Wereldoorlog uitgevoerd. Het doel van dit onderzoek is om vast te stellen op welke plaatsen een verhoogde kans is op het aantreffen van CE in/op de (water)bodem. Deze gebieden zijn verdacht op het aantreffen van CE. Voor de verdachte gebieden worden de volgende zaken vastgesteld: de soort(en) CE, de hoeveelheid, de verschijningsvorm, de horizontale en de verticale afbakening. Uit de bodembelastingkaart blijkt dat ter plaatse van het projectgebied geen sprake is van een verhoogde kans op het aantreffen van CE (figuur 12). Nader onderzoek wordt dan ook niet als noodzakelijk gezien. In het kader van de herinrichting van het gehele gebied door het Waterschap is echter volledigheidshalve een onderzoek uitgevoerd naar niet-gesprongen explosieven. De projectlocatie is hierbij ook onderzocht. Op dit moment is de rapportage van dit onderzoek nog niet voorhanden.
38
Figuur 12: Risicoclassificering als gevolg van CE.
Het aspect niet-gesprongen explosieven vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
5.13
Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen
5.13.1
Kabels en leidingen Ondergrondse kabels en leidingen zijn belangrijk voor het transport van data, elektriciteit en stoffen zoals gas en water. Sommige ondergrondse leidingen kunnen een risico zijn voor de omgeving. In het gemeentelijk Omgevingsplan zijn normaliter geen of zeer beperkte gebruiksregels voor ondergrondse kabels en leidingen opgenomen aangaande ligging, type leiding en gebruikskenmerken. In het kader van een voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling is het echter wel belangrijk om te bezien of er in de omgeving kabels en/of leidingen (al dan niet met veiligheidszone) aanwezig zijn.
Bij ontwikkelingen is het van belang om te kijken of er door of nabij het projectgebied kabels, leidingen en/of hoogspanningslijnen zijn gelegen waar rekening mee gehouden dient te worden.
Toetsing initiatief
Binnen het projectgebied zijn geen leidingen aanwezig die zijn voorzien van een planologische beschermingszone. Derhalve vormt dit aspect geen belemmeringen.
5.13.2
Hoogspanningslijnen Hoogspanningsverbindingen zijn essentieel voor het energienetwerk, maar hebben ook effect op (ontwikkelingen in) de omgeving. Zo is vanwege de 39
magneetvelden rondom een hoogspanningsverbinding afstand nodig tot gevoelige functies zoals woningen.
Toetsing initiatief
In de directe omgeving van het projectgebied zijn geen hoogspanningslijnen aanwezig. Hoogspanningslijnen zullen bij de realisatie van de beoogde ontwikkeling dan ook geen belemmeringen vormen.
5.14
Mobiliteit
Het Bkl bevat verschillende rijkinstructieregels voor de instandhouding van de rijksinfrastructuur. Mobiliteit is daarnaast ook een belangrijk aspect dat meeweegt in het kader van de afweging of er sprake is van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Bij nieuwe ontwikkelingen moet in acht genomen worden dat er geen belemmeringen zullen ontstaan voor de omliggende wegen. Daarnaast moeten er ook voldoende parkeerplaatsen voor (deel)auto’s en voor fietsen gerealiseerd worden. Wat voldoende is, is afhankelijk van de locatie en gemeentelijk beleid. Vanuit de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zijn er twee nationale belangen gericht op mobiliteit: - Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; - In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit. Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.
Verkeersgeneratie
Op basis van gemeentelijk beleid of de kencijfers van kennisplatform CROW kan berekend worden of er sprake is van een wijziging van het aantal verkeersbewegingen afkomstig van de locatie en kan worden bepaald of dit gevolgen heeft met betrekking tot de infrastructuur.
Toetsing initiatief
In de huidige situatie zijn er reeds verkeersbewegingen afkomstig van de twee bestaande woningen. Met de verplaatsing van de woningen naar de overzijde van de straat zal het aantal verkeersbewegingen niet toenemen, het aantal woningen blijft immer gelijk. Dit aspect vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling
Parkeren
Op basis van gemeentelijk parkeerbeleid of de kencijfers van kennisplatform CROW kan berekend worden hoeveel parkeerplaatsen er nodig zijn voor de beoogde ontwikkeling. De gemeente Venlo gaat uit van de meest recente CROW publicatie (744). 40
Toetsing initiatief
In de huidige situatie wordt op eigen perceel geparkeerd. Conform de parkeernormen dienen binnen het projectgebied 2,5 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd per woning voor bewoners. Voor bezoekers wordt rekening gehouden met 0,2 parkeerplaatsen per woning. In totaal zal voorzien moeten worden in 5,4 parkeerplaatsen binnen het projectgebied. Dit komt neer op 3 parkeerplaatsen per woning. Beide woonpercelen zijn voldoende groot om deze parkeervraag op eigen terrein te kunnen realiseren. Het aspect mobiliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.15
Trillingen
Ten behoeve van de bescherming van de fysieke leefomgeving, kunnen gemeenten regels opnemen ten aanzien van trillingen. In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels voor trillingen door activiteiten. Deze instructieregels zijn gericht op de bescherming van trillinggevoelige ruimten in trillinggevoelige gebouwen. Deze instructieregels gelden voor het op een locatie toelaten van een activiteit en/of een trillinggevoelig gebouw en/of het aanpassen daarvan.
De centrale beoordelingsregel voor trillingen door activiteiten is geformuleerd in artikel 5.83 van het Bkl: • In een omgevingsplan (of in het kader van een wijziging of afwijking daarvan) wordt rekening gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen; • Een omgevingsplan (of in het kader van een wijziging of afwijking daarvan) voorziet erin dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. In artikel 5.87 en 5.87a van het Bkl staan de standaardwaarden voor continue en herhaald voorkomende trillingen. De gemeente hanteert deze standaardwaarden bij het opnemen van waarden voor trillingen door activiteiten voor een bepaald gebied in haar omgevingsplan. Niet op alle locaties leiden de voornoemde standaardwaarden voor een activiteit die trillingen genereert tot het gewenste evenwicht tussen ‘beschermen’ en ‘benutten’. Een gemeente kan dan ook gemotiveerd kiezen voor andere waarden voor specifieke locaties. Zo kan een gemeente, uit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, bijvoorbeeld een lagere waarde vaststellen voor een activiteit op een bedrijventerrein om hiermee een woonwijk te beschermen.
Toetsing initiatief
Met onderhavige ontwikkeling worden trilgevoelige ruimten verplaatst. Per saldo neemt het aantal gevoelige ruimten niet toe. In de nabijheid van de nieuwe woningen zijn geen functies aanwezig die bovenmatig veel trillingen veroorzaken. Er is derhalve geen aanleiding voor het uitvoeren van een specifiek onderzoek. Het aspect trillingen zal voor het realiseren van de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen vormen. 41
5.16
Energie en duurzaamheid
De Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) is in 2016 opgesteld. In 2022 is de NAS in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat geëvalueerd. Om de NAS te versnellen is in 2023 het Nationaal Uitvoeringsprogramma Klimaatadaptatie (NUPKA) verschenen. Het NUPKA laat zien welke aanpak al in gang is gezet voor de komende jaren én welke extra maatregelen er nodig zijn. Het document laat daarmee zien hoe de uitvoering van de NAS wordt aangepakt en wat nodig is om te versnellen. Zo dient er bij elke ontwikkeling in Nederland standaard rekening te worden gehouden met zeespiegelstijging, toenemende hitte, langere periodes van droogte en meer extreme neerslag. Verder moet het beleid om Nederland op tijd klimaatbestendig te maken slimmer, intensiever en inclusiever. Naast de NAS geldt voor alle nieuwbouw sinds 1 januari 2021 dat vergunningen moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De energieprestatie bij BENG wordt bepaald aan de hand van 3 individueel te behalen eisen: 1. De maximale energiebehoefte in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar (kWh/m2.jr); 2. Het maximale primair fossiel energiegebruik, eveneens in kWh per m 2 gebruiksoppervlak per jaar (kWh/m2.jr); 3. Het minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten (%).
Als laatste moet rekening gehouden worden met de MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) bij de aanvraag van een omgevingsvergunning. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Het gaat hierbij onder andere om nieuwbouwwoningen.
Toetsing initiatief
Onderhavige ontwikkeling is het gevolg van een algehele herinrichting van het stroomgebied van de Maas tussen Hout-Blerick en Baarlo. Op deze wijze wordt meer ruimte gegeven aan de rivier. Deze ontwikkeling draagt zodoende bij aan het klimaatadaptief maken van de regio. Bij de bouwvergunningen van de nieuwe woningen zullen tevens een BENGrapport en MPG-berekening aangeleverd worden. Dit aspect vormt geen belemmering.
5.17
Lichthinder
Er zijn veel locaties met kunstmatige verlichting. Afhankelijk van de positionering van deze verlichting en de functies in de omgeving kan er sprake zijn van lichthinder. Dit kan verschillende soorten negatieve effecten veroorzaken: - hinder voor de mens; - hinder langs wegen; - verstoring van de natuur; - horizonvervuiling.
42
Voorbeelden hiervan zijn verstoring voor verkeer door het optreden van reclameverlichting, of natuurimpact als gevolg van onvoldoende duisternis. Lichthinder is dan ook een thema dat decentrale overheden moeten afwegen. Rijksregels zijn er alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen. In het gemeentelijke omgevingsplan kan het aspect lichthinder meewegen in het kader van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit.
Toetsing initiatief
Met onderhavige ontwikkeling zal in beperkte mate (buiten)verlichting worden geplaatst binnen het projectgebied. Door de verplaatsing zal op de hoeveelheid verlichting op de voormalige locaties van de woningen afnemen. Per saldo zal de hoeveelheid verlichting niet toenemen. Er zal indien noodzakelijk aangepaste verlichting worden gebruikt om de aanwezige natuur en vliegroutes van vleermuizen zo min mogelijk te belasten. Het aspect lichthinder vormt derhalve geen belemmering.
5.18
Bezonning
Voor gebouwen, tuinen, terrassen en speelplekken is het belangrijk dat er voldoende zonlicht of juist voldoende schaduw aanwezig is. Een toename van schaduw – door beplanting, nieuwbouw of andere ruimtelijke ontwikkelingen – kan ongewenst zijn. Het is belangrijk om ervoor te zorgen dat er voldoende bezonning en schaduw is en blijft. De Rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving echter geen instructieregels opgesteld, waardoor de gemeente deze regels zelf in kan vullen. Het onafhankelijke onderzoeksinstituut TNO (Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek) heeft een norm voor bezonning bepaald: De bezonningsliniaal – een eenvoudig hulpmiddel voor de beoordeling van de bezonning en de dagverlichting. Veel gemeenten hanteren deze TNOnorm, maar dit is niet verplicht. Een aantal gemeenten heeft haar beleid op het gebied van bezonning gebaseerd op deze norm. Zo kan een gemeente er eventueel voor kiezen om een verplichting voor een onderzoek volgens deze TNO-norm in het omgevingsplan (of wijziging of afwijking daarvan) op te nemen.
TNO kent een 'lichte' en een 'strenge' norm: • De 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam; • De 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam. Om voldoende zonlicht en schaduw te borgen kunnen gemeenten bouwregels opnemen in het omgevingsplan (of wijziging of afwijking daarvan). Ook behoren een omgevingsvergunningplicht en/of een meldingsplicht voor het bouwen van hoge gebouwen tot de mogelijkheden. 43
Toetsing initiatief
Binnen het projectgebied zal in de toekomstige situatie bebouwing en groen worden geplaatst. Gezien de ruime afstand ten opzichte van omliggende woningen, zal het woongenot van omwonenden echter niet worden aangetast. Dit aspect zorgt derhalve niet voor belemmeringen.
5.19
Slagschaduw
De passerende schaduw van draaiende wieken van een windturbine kan bij zonnig weer een hinderlijk schaduweffect veroorzaken. Wanneer een windturbine met een rotordiameter van 2 meter of meer op een locatie wordt toegelaten, gelden er voor het aspect slagschaduw instructieregels (paragraaf 5.1.4.4a Bkl). Deze regels gelden alleen ter bescherming tegen slagschaduw op gevoelige gebouwen, zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en kinderdagverblijven. Gemeenten kunnen de regels voor slagschaduw van de windturbines en windparken op hun grondgebied aanpassen in het omgevingsplan (of wijziging of afwijking daarvan).
Toetsing initiatief
In de omgeving van het projectgebied zijn geen windmolens gelegen die slagschaduw kunnen veroorzaken. Het aspect slagschaduw vormt geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling.
5.20
Windhinder
Windhinder treedt vooral op rond hoge gebouwen zoals kantoren, woontorens of hotels. Wanneer het gemiddelde windklimaat te wensen overlaat (het waait te hard en te vaak) zullen mensen (recreatieve) plekken eerder mijden. Dit betekent dat de aantrekkingskracht van bijvoorbeeld winkelgebieden, pleinen en terrassen afhankelijk is van het gemiddelde windklimaat. Gemeenten kunnen de gevolgen van windhinder beperken door regels aan bouwwerken te stellen in het omgevingsplan (of wijziging of afwijking daarvan). Deze (stedenbouwkundige) oplossingen kunnen zijn: - Voldoende afstanden tussen (hoge) bebouwing; - Per locatie bekijken welke bouwhoogte toegestaan kan worden; - Rekening houden met de fysieke vorm van de gebouwen. Voor het beoordelen van het windklimaat is een norm opgesteld, namelijk NEN 8100. Deze norm werkt met uurgemiddelde windsnelheden (m/s) gerelateerd aan de overschrijdingskans (in percentage van het antal uren per jaar). In de NEN-norm wordt aangegeven wanneer een windonderzoek nodig is: - Ingeval van gebouwen hoger dan 30 meter: windonderzoek is nodig; - Bij beschut gelegen gebouwen met een hoogte van 15 tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is; - Bij onbeschut gelegen gebouwen met een hoogte tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is.
Deze normering is echter niet wettelijk verplicht, maar een gemeente kan er wel voor kiezen om hiertoe regels op te nemen in het omgevingsplan (of wijziging of afwijking daarvan). 44
Toetsing initiatief
In de nabijheid van het projectgebied is geen hoge bebouwing gelegen tevens zal geen nieuwbouw van hoge gebouwen plaatsvinden. Derhalve is het niet aannemelijk dat er windhinder zal plaatsvinden. Het aspect windhinder vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
5.21
Project-mer-beoordeling
Een milieueffectrapportage (mer) is een hulpmiddel bij het nemen van besluiten. In het milieueffectrapport worden de effecten van een plan of project, en de effecten van alternatieven, op het milieu beschreven. Het doel van een mer is het milieubelang een volwaardige plaats geven in de besluitvorming. Het gaat dan om besluitvorming over plannen en programma’s en projecten die duidelijke milieueffecten kunnen hebben. Milieu is een breed begrip. Het gaat onder andere om water, bodem, lucht, afval, natuur, gezondheid en archeologisch erfgoed. Een project kan op twee manieren leiden tot een project-mer-plicht: 1. de generieke aanwijzing geldt voor plannen waarvoor direct een projectmer-plicht geldt 2. de project-mer-beoordeling geldt voor een project dat kaderstellend is Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die al dan niet in bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn opgenomen. Staat het project niet in bijlage V dan geldt geen project-mer-(beoordelings-)plicht. Staat het project wel in kolom 1, dan dient te worden gekeken of de ondergrenzen voor een (beoordelings-)plicht al dan niet worden overschreden.
Toetsing initiatief
Onderhavige ontwikkeling kan worden gezien als een stedelijke ontwikkeling zoals opgenomen in kolom I van bijlage V Omgevingsbesluit. Dat houdt in dat bij aanleg, wijziging of uitbreiding beoordeeld moet worden of er sprake is van nadelige milieueffecten op de omgeving. Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat de beoogde ontwikkeling geen nadelige milieueffecten heeft op de omgeving. Het bevoegd gezag kan dan ook besluiten dat geen milieueffectrapportage hoeft worden opgesteld.
45
HOOFDSTUK
6 Uitvoerbaarheid
6.1
Economische uitvoerbaarheid
6.1.1
Financieel economische haalbaarheid Uitgangspunt is dat de kosten die gemaakt worden voor het opstellen van een wijziging van het omgevingsplan voor rekening komen van de initiatiefnemer.
6.1.2
Kostenverhaal Voor zover de kosten van (door de gemeente uit te voeren) aanpassingen aan de openbare ruimte beperkt blijven tot nuts- en/of inritaansluitingen, kunnen de kosten worden verhaald via de gemeentelijke leges en kan het stellen van kostenverhaalsregels of het sluiten van een anterieure overeenkomst achterwege blijven. Aangezien geen sprake is van andere kosten worden de kosten verhaald via de gemeentelijke leges. Het sluiten van een anterieure overeenkomst is niet noodzakelijk. Het kostenverhaal is zodoende voldoende verzekerd.
6.1.3
Nadeelcompensatie Onderhavige ontwikkeling wordt gerealiseerd door de initiatiefnemer en derhalve is een overeenkomst nadeelcompensatie van toepassing. Kosten als gevolg van nadeelcompensatie zullen aan de initiatiefnemer worden doorbelast. Dit is geregeld middels een overeenkomst tussen initiatiefnemer en de gemeente.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Participatie en vooroverleg Voorafgaand aan de formele procedure heeft een omgevingsdialoog plaatsgevonden. Omwonenden zijn middels een persoonlijk gesprek geïnformeerd over de beoogde ontwikkeling. Een verslag van de omgevingsdialoog is bijgevoegd als bijlage VII bij deze onderbouwing.
In deze paragraaf wordt de wijze van bekostiging van het initiatief beschreven.
In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze de belangen van belanghebbenden zijn meegenomen in onderhavige ontwikkeling.
Het plan is in het kader van het vooroverleg door de gemeente Venlo tevens voorgelegd aan andere overheidsinstanties waaronder de brandweer, Rijkswaterstaat, provincie Limburg en het Waterschap Limburg. Naar aanleiding van het vooroverleg is het plan op relevante punten aangepast. 6.2.2
Ontwerp Conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geldt voor de wijziging van het omgevingsplan de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Als gevolg hiervan wordt het ontwerp wijziging van het omgevingsplan voor 6 weken ter inzage gelegd. Eenieder heeft hierbij de 46
mogelijkheid een zienswijze in te dienen. Tijdens de inzageperiode is één reactie met zienswijzen binnengekomen. Deze inhoud van de zienswijze en reactie van gemeentezijde is opgenomen in de Nota van zienwijzen die als bijlage VIII bij deze motivering is opgenomen. 6.2.3
Bezwaar/ Beroep Na het vaststellen van de wijziging van het omgevingsplan kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien sprake is van spoedeisend belang kan een verzoek voor een voorlopige voorziening worden gedaan.
47
HOOFDSTUK 7.1
7 Belangenafweging en conclusie
Is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?
De beoogde ontwikkeling ziet toe op de verplaatsing van twee woningen aan De Berktweg naar de overzijde van de straat. Door deze woningen te verplaatsen ontstaat ruimte voor een nieuwe hoogwaterkering. Op deze manier wordt meer ruimte gecreëerd voor de Maas. Uit de voorgaande hoofdstukken blijkt dat de ontwikkeling past binnen het Rijks-, provinciale en gemeentelijke beleid. Daarnaast wordt de ontwikkeling niet belemmerd door eventuele omgevingsaspecten. Ook de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan zijn in voldoende mate verzekerd. Derhalve wordt geconcludeerd dat er met de voorgenomen ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
48