CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

618130 Bijl01 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22K De Berktweg 13-17, motivering.pdf

Raadsvergadering 8 juli 2026, gemeente VenloBij agendapunt: 4.10: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22K De Berktweg 13-17 Hout-Blerick (618130)13.877 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ruimtelijke motivering TAM-Omgevingsplan ‘Hoofdstuk 22k De Berktweg 13-17 Hout-Blerick’ Gemeente Venlo

NL.IMRO.0983.TAM202506BKTWG1317-VA01

Colofon Motivering: ‘Hoofdstuk 22k De Berktweg 13-17 Hout-Blerick’ Rapportnummer: 2024.3477 Status: Vastgesteld Datum: 12 mei 2026 Projectlocatie De Berktweg 13-17 5926 PE Venlo Opdrachtnemer Reland Adviseurs B.V.

Bezoekadres: Mgr. Bekkersstraat 56 5846 AJ Ledeacker

Hurksestraat 60 5652 AL Eindhoven

Correspondentieadres: Postbus 186 5830 AD Boxmeer www.reland.nl Projectleiding Reland

Telefoon 085 043 1949

Email info@reland.nl

© mei 2026 Reland

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een geautomatiseerd gegevensbestand worden opgeslagen, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Reland. Aan de inhoud van dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Reland verwerpt elke aansprakelijkheid voor een ander gebruik van deze tekst dan voor de situatie waarvoor deze wordt uitgebracht. De informatie in deze tekst is onder voorbehoud en kan worden veranderd zonder voorafgaande kennisgeving.

Inhoud HOOFDSTUK 1 Inleiding..................................................................................................... 5 1.1

Aanleiding en doel ............................................................................................ 5

1.2

Projectgebied .................................................................................................. 6

1.3

Het omgevingsplan........................................................................................... 6

1.4

Leeswijzer ........................................................................................................ 7

HOOFDSTUK 2 Gebieds- en projectprofiel ......................................................................... 8 2.1

Inleiding .......................................................................................................... 8

2.2

Gebiedsprofiel................................................................................................. 8

2.3

Huidige situatie projectgebied .......................................................................... 8

HOOFDSTUK 3 Voorgenomen ontwikkeling ...................................................................... 10 3.1

Inleiding ......................................................................................................... 10

3.2

Projectbeschrijving ......................................................................................... 10

3.3

Landschappelijk inpassingsplan en stedenbouwkundige aspecten. .................... 10

HOOFDSTUK 4 Beleid en regelgeving ............................................................................... 12 4.1

Inleiding ......................................................................................................... 12

4.2

Rijksbeleid ...................................................................................................... 12

4.3

Provinciaal beleid ........................................................................................... 14

4.4

Gemeentelijk beleid ........................................................................................ 17

HOOFDSTUK 5 Fysieke leefomgeving ...............................................................................22 5.1

Leeswijzer ......................................................................................................22

5.2

Erfgoed..........................................................................................................22

5.3

Beschermen van de gezondheid ......................................................................25

5.4

Bodem ...........................................................................................................27

5.5

Water(systemen) ............................................................................................28

5.6

Ecologie ........................................................................................................ 30

5.7

Geluid ............................................................................................................32

5.8

Kwaliteit van de buitenlucht ............................................................................33

5.9

Geur ..............................................................................................................33

5.10

Externe veiligheid .......................................................................................... 34

5.11

Milieubelastende activiteiten .......................................................................... 36

5.12

Niet-gesprongen explosieven ..........................................................................38

5.13

Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen ........................................................ 39

5.14

Mobiliteit ....................................................................................................... 40

5.15

Trillingen ........................................................................................................ 41

5.16

Energie en duurzaamheid............................................................................... 42

5.17

Lichthinder .................................................................................................... 42

5.18

Bezonning ..................................................................................................... 43

5.19

Slagschaduw ................................................................................................. 44

5.20

Windhinder ................................................................................................... 44

5.21

Project-mer-beoordeling ............................................................................... 45

HOOFDSTUK 6 Uitvoerbaarheid...................................................................................... 46 6.1

Economische uitvoerbaarheid ........................................................................ 46

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................. 46

HOOFDSTUK 7 Belangenafweging en conclusie ............................................................... 48 7.1

BIJLAGEN Bijlage I Bijlage II Bijlage III Bijlage IV Bijlage V Bijlage VI Bijlage VII Bijlage VIII

Is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties? ............ 48

Landschappelijk inpassingsplan Bodemonderzoek Stikstofdepositieberekening aanlegfase Stikstofdepositieberekening gebruiksfase Quickscan flora en fauna Akoestisch onderzoek Verslag omgevingsdialoog Nota van zienswijzen

4

HOOFDSTUK 1.1

1 Inleiding

Aanleiding en doel

In het kader van hoogwaterbescherming wordt gewerkt aan een nieuwe inrichting van het laagterras tussen Kessel, Baarlo en Hout-Blerick, specifiek het voormalig tuinbouwgebied Laerbroeck. De aanleiding van deze herinrichting is de noodzaak tot het versterken van de primaire kering tussen Baarlo en Hout-Blerick. Hier wordt invulling aan gegeven door het landinwaarts verleggen van de kering. Als gevolg hiervan komen een aantal woningen buitendijks te liggen, dit heeft gevolgen voor de bewoners van dit gebied. Bij hoge maasafvoeren zal het gebied immers regelmatig onder water komen te staan. Bij extreem hoge waterstanden zal het hele gebied zelfs meestromen. De hoge stroomsnelheden en waterdieptes maken dat het niet meer mogelijk is om in dit gebied veilig te wonen. De initiatiefnemers zijn woonachtig aan De Berktweg 13-17 te Hout-Blerick. Deze locatie maakt deel uit van het gebied dat na het verleggen van de kering buitendijks zal komen te liggen (figuur 1). De bestaande woningen zullen dan ook verplaatst moeten worden naar een locatie die na de herinrichting van het gebied wel veilig is om te bewonen. De woningen zullen in de beoogde situatie dan ook worden verplaatst naar de andere zijde van De Berktweg.

Figuur 1: Herinrichting van het laagterras bij Hout-Blerick. Bestaande woningen aan De Berktweg 13-17 rood omcirkeld.

De beoogde ontwikkeling is niet rechtstreeks mogelijk op basis van het geldende omgevingsplan. Om de gewenste situatie te realiseren, dient derhalve te worden afgeweken van de geldende planologische mogelijkheden. Hiervoor is het noodzakelijk een planologische procedure te doorlopen, in dit geval een wijziging van het (tijdelijke deel van het) omgevingsplan middels de TAM-IMRO procedure. 5

Onderliggend document betreft de onderbouwing behorende bij de wijziging van het (tijdelijke deel van het) omgevingsplan. In deze onderbouwing wordt het plan nader toegelicht en wordt gemotiveerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

1.2

Projectgebied

Het projectgebied ten behoeve van de verplaatsing van de woningen is gelegen binnen de percelen die die kadastraal bekend staan als gemeente Venlo, sectie P, nummers 9, 1195, 1229 en 1230. Aanvullend maken ook de agrarische percelen die kadastraal bekend staan als gemeente Venlo, sectie P, perceelnummer 6, 7, 8, 10, 14 en 1231 gedeeltelijk deel uit van het projectgebied. Op deze percelen wordt een spuitvrije zone opgenomen. Hier vinden verder geen planologische wijzigingen plaats. Het gehele projectgebied is weergegeven in figuur 2. De totale oppervlakte van het projectgebied bedraagt circa 3 hectare.

Figuur 2: Begrenzing van het projectgebied met rood weergegeven (indicatief).

1.3

Het omgevingsplan

Voor het projectgebied is het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Venlo geldend. Dit tijdelijke omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, aangevuld met regels van het Rijk, de zogenaamde bruidsschat. Voor het projectgebied zijn derhalve de regels zoals vastgelegd in het (voormalige) bestemmingsplannen ‘Buitengebied Laerbroeck’ en het ‘paraplubestemmingsplan kamerbewoning’ van toepassing. Het projectgebied beschikt over de enkelbestemmingen ‘Wonen’ en ‘Agrarisch met waarden’ (figuur 3). De gronden beschikken daarnaast gedeeltelijk over de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Stroomvoerend rivierbed’. Op gedeelten van het projectgebied zijn bouwvlakken en/of de aanduidingen ‘milieuzone – 6

boringsvrije zone venloschol’ en ‘overige archeologische verwachting’ van toepassing.

zone

–

middelhoge/hoge

Figuur 3: Uitsnede bestemmingsplan Buitengebied Laerbroek. Projectgebied rood omkaderd (indicatief).

De beoogde verplaatsing van de woningen is niet rechtstreeks mogelijk conform de geldende planregels. Om de gewenste situatie mogelijk te maken is dan ook een wijziging van het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Venlo noodzakelijk.

1.4

Leeswijzer

Deze motivering ten behoeve van de wijziging van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Venlo bestaat uit zeven hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 een beschrijving van het gebiedsprofiel en de huidige situatie van het projectgebied. Hoofdstuk 3 betreft een beschrijving van de voorgenomen ontwikkeling. Hoofdstuk 4 geeft een beschrijving van het relevante beleid en de regelgeving. In hoofdstuk 5 is getoetst of de ontwikkeling al dan niet effect heeft op de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 6 zijn de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst en hoofdstuk 7 betreft een afweging van de belangen.

7

HOOFDSTUK

2 Gebieds- en projectprofiel

2.1

Inleiding

2.2

Gebiedsprofiel

In dit hoofdstuk is een beschrijving gegeven van de huidige situatie van het projectgebied en de omgeving waarin het zich bevindt.

Het projectgebied maakt deel uit van het buurtschap Laerbroeck in HoutBlerick en bevindt zich in het buitengebied (figuur 4). Laerbroeck stond na de Tweede Wereldoorlog vooral in het teken van de glastuinbouw. Tegenwoordig zijn zo goed als alle kassen uit het gebied verdwenen. Het gebied bestaat nu grotendeels uit agrarische gronden die als weiland worden gebruikt. Er is zodoende sprake van een relatief open karakter. Naast agrarische gronden zijn in het gebied voornamelijk woonfuncties en nog enkele agrarische bedrijven aanwezig. De oever van de Maas bevindt zich op circa 650 meter van het projectgebied.

Figuur 4: Omgeving van het projectgebied (rood omcirkeld).

2.3

Huidige situatie projectgebied

Binnen het projectgebied zijn in de huidige situatie twee woningen (De Berktweg 13 en 17) met tuinen aanwezig (figuur 5). De woningen maakten in het verleden deel uit van een tuinbouwbedrijf waarvan de kassen op het achterliggende

8

perceel waren gelegen. Deze kassen zijn reeds in 2011-2012 gesloopt. Beide woningen zijn daarna ook herbestemd naar de bestemming ‘wonen’. De overige gronden binnen het projectgebied zijn onbebouwd en worden gebruikt voor agrarische doeleinden. De gronden ten noorden van De Berktweg worden voornamelijk gebruikt voor de teelt van asperges.

De Berktweg 13 De Berktweg 17

Figuur 5: Huidige situatie projectgebied.

9

HOOFDSTUK

3 Voorgenomen ontwikkeling

3.1

Inleiding

3.2

Projectbeschrijving

In dit hoofdstuk wordt de beoogde situatie omschreven. Ook wordt ingegaan op de stedenbouwkundige en landschappelijke aspecten van de beoogde ontwikkeling.

Als gevolg van de landinwaartse verlegging van de waterkering zal de locatie waar de huidige woningen gesitueerd zijn buitendijks komen te liggen. Dat wil zeggen dat het gebied bij hoge waterstanden onder water zal komen te staan. De nieuwe waterkering zal gedeeltelijk over de huidige Berktweg komen te liggen. In overleg met het waterschap en de gemeente Venlo is besloten om de bestaande woningen te verplaatsen naar de noordzijde van De Berktweg. Deze gronden liggen na de herinrichting van het gebied wel binnendijks. Omdat de toekomstige invulling van het gebied, waaronder de ligging van de waterkering, nog niet geheel bekend is, is ervoor gekozen om de verplaatsing van de woningen gefaseerd plaats te laten vinden. Met deze wijziging van het omgevingsplan wordt de beoogde woonfunctie reeds verplaatst. Het is echter wenselijk dat de exacte ligging van de woningen aansluit bij de verdere inpassing van het gebied. Zodoende zijn in dit plan geen bouwvlakken opgenomen. In het kader van de bouw van de woningen zal dan ook een omgevingsvergunning moeten worden aangevraagd. Op deze wijze is verzekerd dat de uiteindelijke ligging van de woningen optimaal aansluit bij de ontwikkelingen in de rest van het gebied.

3.3

Landschappelijk inpassingsplan en stedenbouwkundige aspecten.

Bij ontwikkelingen in het buitengebied is een zorgvuldige inpassing van de ontwikkeling in het landschap van belang. In dat kader is voor de woningen een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Het inpassingsplan is opgenomen als bijlage I bij deze motivering. Onderstaand worden de belangrijkste punten uit het inpassingsplan benoemd. Uitgangspunt in het inpassingsplan is het behouden van zoveel mogelijk zichtlijnen vanaf de Baarlosestraat richting de Maas. De inpassing bestaat uit een (semi) groenblijvende haag aan de noordzijde van het projectgebied, aansluitend wordt een hakhoutsingel gerealiseerd. Aan beide zijdes van het perceel wordt een meer open landschappelijke inrichting voorgesteld met lage beukenhagen, eventueel ruimte voor een poel/wadi en een aantal solitaire kleine bomen (knotwilgen). De beplanting bestaat uit inheemse soorten.

10

Figuur 6: Landschappelijk inpassingsplan.

11

HOOFDSTUK

4 Beleid en regelgeving

4.1

Inleiding

4.2

Rijksbeleid

4.2.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI bevat de hoofdzaken van het beleid voor de fysieke leefomgeving. Uit de Omgevingswet volgt dat al het strategische beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, én het nieuwe strategische beleid op het beleidsterrein van de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de NOVI. Het gaat om het strategisch beleid, omdat de NOVI een visie is en de hoofdzaken bevat van het beleid voor de fysieke leefomgeving.

In dit hoofdstuk wordt onderhavige ontwikkeling getoetst aan het algemene Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid en regelgeving. Aan het eind van iedere paragraaf is een conclusie/beschrijving van de doorwerking van het specifieke beleid en wet- en regelgeving voor het projectgebied opgenomen.

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) richt zich op vier prioriteiten. Deze onderwerpen hebben onderling veel met elkaar te maken en ze hebben gevolgen voor hoe we onze fysieke leefomgeving inrichten. De Nationale Omgevingsvisie helpt bij het maken van de noodzakelijke keuzes: a) Ruimte maken voor de klimaatverandering en energietransitie; b) De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden; c) Onze steden en regio’s sterker en leefbaarder maken; d) Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen. Bij kleinschalige ontwikkelingen op lokaal niveau dient rekening te worden gehouden met een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan is een kleinschalig initiatief passend binnen de NOVI.

Toetsing initiatief

In hoofdstuk 5 van deze motivering is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de van toepassing zijnde omgevingsaspecten en is beoordeeld of (en zo ja, in hoeverre) deze van invloed is op de fysieke leefomgeving. Op basis hiervan is gebleken dat er vanuit de NOVI geen belemmeringen bestaan voor het initiatief. 4.2.2

Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) Vanuit de algemene rijksregels voor de fysieke leefomgeving zijn vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) opgesteld. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geeft instructieregels van het Rijk voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bovenlokale belangen werken daarmee 12

door in de vaststelling en wijziging van een omgevingsplan. Deze instructieregels (afdeling 5.1 Bkl) gelden ook voor de omgevingsverordening, het projectbesluit, het omgevingsplan en de omgevingsvergunning (artikel 8.0b, 8.0c, 8.0d en 8.0e). Bij deze regels gaat het over normen voor geluid en geur van bedrijfsmatige activiteiten, externe veiligheid en erfgoed .

Toetsing initiatief

In hoofdstuk 5 van deze motivering is de beoogde ontwikkeling getoetst aan deze rijksregels uit het Bkl en is beoordeeld of (en zo ja, in hoeverre) deze hieraan voldoet. Op basis hiervan is gebleken dat er vanuit het Bkl geen belemmeringen bestaan voor het initiatief. 4.2.3

Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in artikel 5.129g ‘zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand’ van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De ladder voor duurzame verstedelijking is een uitwerking van hetgeen is opgenomen in het NOVI en ziet op ‘zorgvuldig ruimtegebruik’. De ladder is er voor bedoeld dat zorgvuldig wordt nagedacht over nieuwe ontwikkelingen en de plek van de nieuwe ontwikkeling. Zo gaat bijvoorbeeld inbreiding voor uitbreiding. Voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen geldt daarom dat de ladder doorlopen dient te worden om te bepalen of sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. In eerste instantie is het van belang om te bepalen of sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Jurisprudentie heeft ervoor gezorgd dat dit begrip steeds verder gedefinieerd werd en in sommige gevallen zelfs kwantitatief is. Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. In het Bkl is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving.

Op basis van jurisprudentie kan gesteld worden dat de grens in beginsel ligt op het toevoegen van 12 woningen of meer, dan wel 500 m² of meer voor andere ontwikkelingen. De tweede vraag is of het een nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft. Om dit te bepalen moet een vergelijking worden gemaakt tussen de planologische mogelijkheden in de huidige en toekomstige situatie.

Toetsing initiatief

Met onderhavige ontwikkeling worden geen nieuwe woningen toegevoegd. Er worden immers twee bestaande woningen verplaatst. Het aantal woningen neemt hierbij niet toe. Er is derhalve geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet aan de orde.

13

4.2.4

Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) stelt het Rijk algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. Het Bal geldt voor alle partijen die actief zijn in de fysieke leefomgeving – burgers, bedrijven en overheid.

Toetsing initiatief

In hoofdstuk 5 van deze motivering is de beoogde ontwikkeling getoetst aan deze rijksregels uit het Bal en is beoordeeld of (en zo ja, in hoeverre) deze hieraan voldoet. Op basis hiervan is gebleken dat er vanuit het Bal geen belemmeringen bestaan voor het initiatief. 4.2.5

Beleidsregels grote rivieren 2025 (Bgr 2025) Op 1 februari 2025 zijn de nieuwe beleidsregels grote rivieren 2025 in werking getreden. Deze beleidsregels schrijven voor welke activiteiten wel en niet zijn toegestaan binnen het rivierbed van de grote rivieren en onder welke voorwaarden hiervan kan worden afgeweken. Met de inwerkingtreding van deze nieuwe beleidsregels zijn de regels zoals opgenomen in de voormalige beleidslijn ingetrokken en komen te vervallen.

Toetsing initiatief

Onderhavige locatie is gelegen in het beperkingengebied ten aanzien van een oppervlaktewater (de Maas) en is zodoende vergunningsplichtig in het kader van de Bgr. De verplaatsing van de woningen is het gevolg van de nieuw aan te leggen waterkering. De verplaatsing vindt zodoende plaats in het kader van het maatschappelijk belang van de herinrichting van het laagterras. Voor nietriviergebonden activiteiten die plaatsvinden in het kader van een maatschappelijk belang kan op basis van de Bgr een omgevingsvergunning worden verleend. In het kader van de nog aan te vragen omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen zal tevens een omgevingsvergunning bij Rijkswaterstaat worden aangevraagd. Hierin zullen de aspecten ten aanzien van de Bgr nader worden uitgewerkt.

4.3

Provinciaal beleid

4.3.1

Provinciale Omgevingsvisie Limburg Op 1 oktober 2021 is de Provinciale Omgevingsvisie Limburg vastgesteld. In de Omgevingsvisie Limburg wordt de lange termijn visie voor de periode 2021 tot 2030-2050 uitgewerkt en wordt richting gegeven aan toekomstbestendige ontwikkelingen. Hierbij wordt steeds de balans tussen het beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving gezocht.

14

In de Limburgse omgevingsvisie wordt het toekomstbeeld voor 2030-2050 geschetst voor de provincie. Het toekomstbeeld voor Limburg kan worden gevangen in een indicatieve zonering. De begrenzingen van de zoneringen en andere werkingsgebieden die voortkomen uit de Limburgse principes en de uitwerkingen in de thema’s in de Omgevingsvisie, zijn verankerd in het kaartmateriaal behorende bij de Omgevingsverordening Limburg.

Figuur 7: Uitsnede kaart 'wonen, werken en recreëren'. Projectgebied rood omcirkeld.

Het projectgebied is volgens de algemene zonering gedeeltelijk gelegen binnen de groenblauwe mantel en het buitengebied (figuur 7). Binnen de groenblauwe mantel is de grondgebonden landbouw de belangrijkste functie en tevens beheerder van het gebied. In de groenblauwe mantel worden tevens mogelijkheden geboden voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer dat bijdraagt aan de instandhouding en versterking van de landschappelijke kernkwaliteiten. De focus ligt hier op het versterken van het klimaatadaptieve karakter met meer ruimte voor de beken en de Maas, de biodiversiteit en kernkwaliteiten van het landschap. In het buitengebied zijn op de hogere zandgronden van Noord- en MiddenLimburg een breed scala aan grondgebruiksvormen mogelijk. Vanzelfsprekend moet rekening worden gehouden met de natuurlijke omstandigheden en de ruimteclaims vanuit verschillende transitieopgaven. In de omgevingsvisie zijn door de provincie Limburg ook specifieke opgaven gedefinieerd aangaande het aspect water. In het kader van de beoogde ontwikkeling zijn met name de doelstellingen voor de Maasvallei relevant. De provincie zet hier in op een herijking van het waterveiligheidsbeleid. Zo wil men komen tot een integrale en realistische benadering van de hoogwaterbescherming langs het stroomgebied van de Maas. Uitvoering vindt plaats in samenwerking met andere overheden. 15

Toetsing initiatief

Met onderhavige ontwikkeling worden twee woningen verplaatst. De woningen zijn in de huidige situatie gelegen binnen de groenblauwe mantel en zullen in de beoogde situatie worden gesitueerd in het buitengebied. Op deze wijze ontstaat ruimte voor de nieuwe inrichting van het gebied. Door de verlegging van de dijk krijgt de Maas in dit gebied meer ruimte. Zodoende draagt de ontwikkeling bij aan het versterken van het klimaatadaptieve karakter van het gebied. De nieuwe invulling van het gebied zal ook ten goede komen aan de kernkwaliteiten van de groenblauwe mantel. Aangezien binnen het buitengebied een breed scala aan gebruiksmogelijkheden zijn toegestaan en er op deze locatie geen concrete ruimteclaims aanwezig zijn van andere transitieopgaven, is het toestaan van twee woningen op deze locatie aanvaardbaar. De ontwikkeling past binnen het beleid uit de omgevingsvisie. 4.3.2

Omgevingsverordening Limburg Op 17 december 2021 is de Omgevingsverordening Limburg 2021 vastgesteld door Provinciale Staten en gewijzigd op 16 december 2022. De Omgevingsverordening is op 1 januari, gelijktijdig met de Omgevingswet per 1 januari 2024 in werking getreden. In de Omgevingsverordening legt de Provincie regels vast voor onder meer natuur, milieu, (grond-)water, ontgronding, wegen, ruimte (verstedelijking, woon- en werklocaties, agrarische bedrijven). Uit voorgaande paragraaf blijkt dat het projectgebied is gelegen binnen het buitengebied en de groenblauwe mantel. Daarnaast is de locatie ook gelegen binnen de Venloschol.

Toetsing initiatief

Aangezien onderhavige ontwikkeling de verplaatsing van woningen betreft dient te worden getoetst aan artikel 12.1. Hierin wordt gesteld dat een ruimtelijke motivering beschrijft dat: a. Rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de omgevingsvisie;

Met onderhavige ontwikkeling wordt bebouwing verwijderd uit de groenblauwe mantel. Hierdoor wordt bijgedragen aan het groene karakter en de kernkwaliteiten van de groenblauwe mantel. De woningen worden verplaatst naar de zone ‘buitengebied’. Deze zone is niet primair bedoeld voor het toevoegen van woningen, maar is wel geschikt voor diverse gebruiksdoelen. Aangezien de woningen doelgericht worden verplaatst om een bredere gebiedsontwikkeling te realiseren en landschappelijk goed worden ingepast, is het toestaan van de woningen in de zone buitengebied voorstelbaar. Voor het toevoegen van nieuwe woningen gelden diverse eisen conform de omgevingsvisie. In dit geval betreft het echter geen toename van het aantal woningen. Het ligt dan ook voor de hand dat in de nieuwe situatie woningen van een vergelijkbaar segment worden teruggebouwd.

16

b. Sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van regionaal behoefteonderzoek;

Er is geen sprake van een toename van het aantal woningen. Deze voorwaarde is derhalve niet van toepassing.

c. Over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat in de regio;

Er is geen sprake van een toename van het aantal woningen. Deze voorwaarde is derhalve niet van toepassing.

d. Het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring;

Er is geen sprake van een toename van het aantal woningen. Deze voorwaarde is derhalve niet van toepassing.

e. Realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan.

Realisatie van de woningen is beoogd binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan. Ter waarborging hiervan is in gemeentelijk beleid opgenomen dat omgevingsvergunningen kunnen worden ingetrokken indien na twee jaar geen gebruik is gemaakt van de vergunning, conform de ‘Beleidsregel intrekken omgevingsvergunningen gemeente Venlo 2024’

Venloschol

Gelet op de aard van de ontwikkeling wordt - bij eventuele bouwactiviteiten of andere activiteiten - niet voorzien in zodanig diepe boringen of grondroeringen dat een niveau dieper dan 5 meter boven NAP wordt gehaald. Ook wordt niet voorzien in de aanleg van een bodemenergiesysteem of het opsporen en/of winnen van aardwarmte. Verder geldt dat er geen sprake is van het onttrekken van grondwater. Gelet op de regels die ter bescherming van de Venloschol zijn opgenomen in de Omgevingsverordening Limburg en de Waterschapsverordening, bestaat ook geen aanleiding aanvullende regels op te nemen in deze wijziging van het omgevingsplan. De ligging van de locatie binnen de Venloschol vormt dan ook geen belemmering. De ontwikkeling voldoet aan de regels uit de omgevingsverordening.

4.4

Gemeentelijk beleid

4.4.1

Strategische Visie Venlo 2040 De Strategische Visie Venlo 2040 betreft een visie hoe de gemeente Venlo zich tot 2040 wil ontwikkelen. Binnen deze visie zijn afwegingskaders opgenomen op basis waarvan toekomstige besluiten kunnen worden afgewogen en nieuwe ontwikkelingen binnen een breder perspectief kunnen worden geplaatst. De Strategische visie 2040 is de opvolger van de Strategische visie 2030 waarbij het strategisch perspectief voor de toekomst iets is bijgesteld. Voor de visie zijn vijf thema’s gekozen waarvoor de ambities voor het jaar 2030 zijn beschreven: 17

• • • • •

Stad van actieve mensen; Innovatieve en excellente stad; Venlo internationaal; Centrum van de Euregio: hoofdstad en vitaal hart; Veelzijdige stad in het groen.

Aanvullend op deze ambities zijn in de Strategische visie 2040 de volgende thema’s toegevoegd: • Gezondste regio • Een (t)huis om van te houden • Ruimte voor ontwikkeling • Werken in Venlo • Grenzeloos De geschetste thema’s en ambities zijn samengetrokken tot een drietal scenario’s waarin duidelijk herkenbare accenten worden gezet. Tijdens het besluitvormingsproces over de strategische visie in de gemeenteraad is een aantal elementen uit deze drie scenario’s samengevoegd tot een samengesteld scenario: Venlo Kansenstad. Dit is het scenario waarvoor de gemeenteraad zich raadsbreed heeft uitgesproken. Individuele ontplooiing en participatie, innovatiekracht en een aantrekkelijk woonklimaat zijn de belangrijkste karakteristieken van dit toekomstscenario.

Toetsing initiatief

In de strategische visie 2040 wordt geen aandacht besteed aan klimaatadaptatie en de rol van de Maas hierin. Wel wordt aandacht gevraagd voor een aantrekkelijk woonklimaat. Door het verplaatsen van de bestaande woningen aan De Berktweg ontstaat ruimte om de bestaande waterkering landinwaarts te verplaatsen. Op deze wijze wordt de waterveiligheid voor de gehele regio verbeterd. Deze ontwikkeling draagt zo bij aan het realiseren van een veilig en aantrekkelijk woonklimaat. De ontwikkeling is zo in lijn met het beleid uit de omgevingsvisie. 4.4.2

Omgevingsvisie Venlo 2040 In 2040 is Venlo een sterke en aantrekkelijke gemeente waarin nieuwe economische verdienmodellen zijn ontstaan en waar water- en bodemsystemen een belangrijke rol spelen in ruimtelijke ontwikkelingen. De gemeente hecht waarde aan haar historische gelaagdheid en zorgt voor verbinding tussen stad, dorpen, landelijk gebied en de Maas. Venlo is gegroeid en biedt ruimte voor wonen, werken, leren, ondernemen, genieten en recreëren. Om deze toekomst te realiseren, werkt de gemeente aan vijf ambities: • Venlo maakt een schaalsprong • Venlo gaat voor de vitale leefomgeving • Venlo zet in op een mobiliteitstransitie • Venlo werkt aan een waardevolle economie • Venlo wordt klimaatbestendig.

18

Deze ambities zijn vervolgens uitgewerkt in de visiekaart bestaande uit drie deelgebieden: • Een aantrekkelijk en sterk centraal stedelijk gebied • Vitale en leefbare dorpen • Een beleefbaar, veerkrachtig en toekomstbestendig buitengebied.

Figuur 8: Uitsnede Visiekaart Venlo 2040 met projectgebied rood omcirkeld.

Conform de visiekaart behorende bij de omgevingsvisie (figuur 8) is het projectgebied gelegen in het buitengebied. Het buitengebied van Venlo is in transitie. Specifiek wordt gewezen op de water- en bodemopgave, natuuropgave en transitie in de agrarische sector. De gemeente Venlo streeft samen met ondernemers en bewoners naar een toekomstbestendig buitengebied. Om de grillen van klimaatverandering op te vangen is een veerkrachtig buitengebied vereist. Door water en bodem leidend te maken kunnen natte en droge periodes beter worden opgevangen. Onderdeel hiervan is het versterken van groen-blauwe kwaliteiten. Hierbij heeft men aandacht voor ecologie, biodiversiteit, historische landschapselementen en watersystemen. Het klimaatbestendigheid betekend ook dat Venlo hoogwaterveilig is. Primair betekent dit dat de waterkeringen op orde zijn en het Maasdal klimaatrobuust is ingericht. De omgevingsvisie bevat een grove zonering voor de gewenste activiteiten in het buitengebied. Deze dienen als richtinggevend raamwerk. In de groene zone krijgen doelen op het gebied van natuur en klimaat prioriteit. In de gele gebieden blijft er ruimte voor buitengebied gerelateerd gebruik.

19

Tenslotte wordt in de omgevingsvisie aandacht geschonken aan het behouden van cultuurhistorisch waardevolle landschappen. Het gebied Laerbroeck is ook als cultuurhistorisch waardevol aangewezen.

Toetsing initiatief

Met onderhavige ontwikkeling worden twee woningen verplaatst naar de overzijde van De Berktweg. Deze verplaatsing is noodzakelijk om ruimte te maken voor de Maas. Op deze wijze kan er een nieuwe kering worden gerealiseerd landinwaarts. Dit moet zorgen voor betere waterveiligheid. Gezien de doelstellingen van de omgevingsvisie aangaande de Maas kan worden geconstateerd dat de beoogde ontwikkeling hieraan bijdraagt. De clustering van de nieuwe woningen aan de overzijde van De Berktweg zorgt tevens voor een ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Aangezien de nieuwe woningen landschappelijk worden ingepast met gebiedseigen beplanting, is ook voldoende aandacht voor de cultuurhistorische waarden van het gebied. 4.4.3

Programma Baarlo – Hout-Blerick Dit programma vervangt de vervallen structuurvisie Laerbroeck en is vastgesteld door het college van B&W van de gemeente Venlo. In dit programma wordt het toekomstperspectief beschreven voor het laagterras in Baarlo – Hout-Blerick, en de maatregelen die genomen zullen worden om dit toekomstperspectief te bereiken. Samengevat vormen de dijkversterking, de systeemmaatregel, het beekherstel, de KRW kwelgeulen, het faciliteren van de transitie van het laagterras en het bieden van deugdelijke evacuatieroutes en voorzieningen de zes opgaven voor dit programma. Uitgangspunt in deelgebied Hout-Blerick is dat de huidige dijk hier wordt afgegraven en dat het gebied weer als overstromingsgebied gaat functioneren, ook bij lagere waterstanden. Er ontwikkelt zich dan (weer) een open rivierenlandschap. Dit alles heeft belangrijke gevolgen voor de bewoners van het gebied. Bij hoge maasafvoeren zal het middengebied regelmatig onder water komen te staan. Bij extreem hoge waterstanden zal het hele gebied meestromen. De hoge stroomsnelheden en waterdieptes maken dat het niet meer mogelijk is om in het middendeel van het gebied veilig te wonen. Dit geldt voor zeker 14 woningen. Daarnaast is er sprake van een zestal woningen op het ‘wooneiland’ waarvan nader onderzoek moet uitwijzen of deze met maatwerk toch op de huidige plek kunnen blijven staan of niet.

Als de huidige kering wordt verwijderd zijn ook nieuwe keringen nodig, en wel ten noorden van kasteel de Berckt en langs de huidige steilrand langs de Berktweg-Voortweg-Molenkampweg. Als gevolg van het landinwaarts verleggen van de kering wordt deelgebied Hout-Blerick grotendeels een buitendijks gebied en dit vraagt (deels) om nieuwe functies. Het gebied wordt ingericht als kleinschalig en afwisselend open landschap met lage begroeiing en ruimte voor natuur, landbouwkundig gebruik, en andere gebiedspassende functies zoals recreatie of energie/ duurzaamheidsfuncties.

20

Toetsing initiatief

De bestaande woningen aan De Berktweg 13-17 zijn twee van de 14 woningen waar na herinrichting van het gebied niet meer veilig kan worden gewoond. Derhalve ziet dit plan erop toe dat beide woningen worden verplaatst naar de andere zijde van De Berktweg. Deze komen dan achter de nieuwe kering te liggen waar wel veilig gewoond kan worden. Op deze wijze wordt invulling gegeven aan het beleid uit het programma. 4.4.4

Ruimtelijk kader woonopgave Hout-Blerick In Hout-Blerick staan enkele grote ontwikkelingen op stapel, van de dijkverlegging tot het faciliteren van woningbouw door middel van inbreiding en het faciliteren van uitbreiding en maatschappelijk programma in de kernrandzone en het buitengebied. In het kader van deze opgaven is een ruimtelijk kader opgesteld waaraan initiatieven kunnen worden getoetst. Voor een aantal mogelijk vrijkomende locaties is een concrete visie uitgewerkt. Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen in dit gebied is een integrale benadering van thema’s zoals landschap, woningbouw, mobiliteit, waterveiligheid en energie van belang. Hiermee kan een daadwerkelijke toekomstbestendige ontwikkeling plaatsvinden.

Toetsing initiatief

De projectlocatie is niet gelegen binnen een van de beoogde ontwikkellocaties. Als gevolg van de verlegging van de waterkering is verplaatsing van de huidige woningen noodzakelijk. Het verplaatsen en clusteren van de bebouwing aan de overzijde van De Berktweg biedt echter een kans om de ruimtelijke kwaliteit van het gebied te versterken. Deze clustering vindt plaats door de woningen dichter bij elkaar te plaatsen als in de huidige situatie het geval is. Daarnaast sluiten de woningen aan de overzijde van de weg beter aan bij het bestaande bebouwingscluster aan de Baarlosestraat. Dit komt de openheid van het gebied ten goede. Er wordt zodoende geconstateerd dat het initiatief een positief effect heeft op de waterveiligheid, woningbouwopgave en het verbeteren van de landschappelijke/ruimtelijke kwaliteit. Gezien de integrale afweging wordt dan ook geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling past binnen de kaders uit het ruimtelijk kader.

21

HOOFDSTUK 5.1

5 Fysieke leefomgeving

Leeswijzer De Omgevingswet (Ow) is sinds 1 januari 2024 in werking getreden. De

omgevingswet gaat over de ruimte waarin mensen wonen, werken en ontspannen. In deze wet zijn meerdere wetten en regels gebundeld. Er zijn vier AMvB's (Algemene Maatregel van Bestuur) vastgesteld: Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het omgevingsbesluit over bevoegd gezag (welk orgaan is bevoegd en welke procedure is van toepassing). Omdat de onderdelen uit de fysieke leefomgeving, zoals genoemd in art. 1.2 Ow, beoordeeld dienen te worden in het kader van een wijziging van het omgevingsplan, worden in dit hoofdstuk de activiteiten en/of werkzaamheden van de beoogde ontwikkeling getoetst. In elke paragraaf van dit hoofdstuk wordt allereerst ingegaan op hetgeen er over dit aspect is opgenomen in de Omgevingswet, waarna vervolgens de beoogde ontwikkeling op deze punten per aspect wordt getoetst.

5.2

Erfgoed

Het beleidskader Cultureel Erfgoed (art. 5.130 lid 1 Bkl) is opgesteld voor alle aspecten van de fysieke leefomgeving en om als instrument uitvoering te geven aan het archeologiebeleid of voor het aanwijzen en beschermen van gemeentelijke monumenten en provinciale monumenten.

Uitgaande van de wettelijke begripsbepaling kan cultureel erfgoed in het stelsel van de Omgevingswet worden gezien als een soort ‘schijf van vijf’ die bestaat uit de volgende elementen: 1. Monumenten (gebouwd en aangelegd (groen) cultureel erfgoed); 2. Archeologische monumenten; 3. Stads- en dorpsgezichten; 4. Cultuurlandschappen; 5. Roerend en immaterieel erfgoed, voor zover in het omgevingsplan aan een locatie te verbinden. Voor de ontwikkeling dient te worden aangetoond dat er geen negatieve effecten zijn ten aanzien van cultureel erfgoed. Wanneer een van de bovenstaande elementen voorkomt in het ontwikkelingsgebied zal een analyse worden uitgevoerd voor de mogelijkheid tot bescherming van het cultureel erfgoed.

Archeologie

Vanuit artikel 5.130 lid 3, 4 en 5 van het Bkl kan een gemeente lokale regels opstellen over archeologisch onderzoek. Conform het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Venlo is het projectgebied aangewezen als een gebied met 22

middelhoge/hoge archeologische verwachtingswaarde. Het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Venlo bestendigt hiermee het beleid uit het gemeentelijke archeologische beleidskader (figuur 9). Uitgangspunt vormt de gemeentelijke archeologische beleidskaart (ABK). Hierop is het projectgebied deels gesitueerd in een gebied met hoge tot middelhoge archeologische verwachting. Een klein deel van het zuidelijke projectgebied heeft een lage archeologische verwachting. De projectlocatie grenst aan een vindplaats. Het projectgebied is groter dan de vrijgestelde oppervlakte behorend bij de archeologische verwachtingswaarden (500 m2 voor hoog-middelhoog. Bovendien is de hoogste verwachtingswaarde leidend. Conform het archeologisch beleidskader van de gemeente Venlo is daarom archeologisch onderzoek noodzakelijk. In eerste instantie moet de archeologische verwachting van het gehele projectgebied worden getoetst door verkennend vooronderzoek in de vorm van bureau- en booronderzoek. Op basis daarvan neemt de gemeente een besluit over de noodzaak van vervolgonderzoek in de vorm van karterend en waarderend vooronderzoek. Aan de hand van de resultaten volgt een besluit over vrijgave of definitief onderzoek door middel van een opgraving. Indien een opgraving nodig is zal deze zich beperken tot de delen van het projectgebied die dieper dan 40 cm verstoord zullen worden bij planrealisatie.

In het geval van vrijgave speelt het aspect archeologie verder geen rol meer

Figuur 9: Uitsnede archeologische beleidskaart Venlo. Projectgebied indicatief rood omcirkeld.

Toetsing initiatief Cultuurhistorie

De bestaande woningen zijn niet aangewezen als monument. Voor de onbebouwde percelen geldt de bepaling Agrarisch met waarden. In de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Venlo (figuur 10) wordt de waardering genuanceerd. De gronden zijn aangewezen als voormalige oude bossen, omgezet in landbouwgrond. Omdat de betreffende percelen geen noemenswaardige landschappelijke erfgoedwaarden bezitten, vormt de cultuurhistorie geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 23

Figuur 10: Uitsnede Cultuurhistorische inventarisatiekaart met projectgebied rood omcirkeld.

Archeologie

Met onderhavige ontwikkeling vinden er wel bodemingrepen plaats die de ontheffingsvrije waarden voor wat betreft het aspect archeologie overschrijden. Het plangebied valt binnen het grotere archeologische onderzoeksgebied van de gebiedsontwikkeling (HWBP) Baarlo - Hout-Blerick, gemeenten Peel en Maas en Venlo. In opdracht van Waterschap Limburg is binnen dit gebied verkennend archeologisch onderzoek gedaan door middel van boringen en profielputjes. Het conceptrapport over dit onderzoek is in maart 2026 ter beoordeling aan de gemeente voorgelegd. Het betreft:

Gebiedsontwikkeling (HWBP) Baarlo - Hout-Blerick, gemeenten Venlo en Peel en Maas. Een inventariserend veldonderzoek (IVO-O verkennende fase) door middel van boringen en profielputjes, auteurs: J. de Moor, S. Rumping, L. van der Lee, E. Arler en A.M.I. van Waveren (EARTH Integrated Archaeology Rapporten 360, concept rapportage versie 2 (03-03-2026)). Op afb. 2 en 5 is te zien dat de De Berktweg ongeveer het tracé vormt van dijkvak 14 (dijk op steilrand) met direct ten zuiden daarvan een kwelgeul. Binnen het plangebied zijn 5 boringen (nr. 94-98) gezet en bevindt zich één profielput (nr. 2) (afb. 8 - 9). Op basis van de boringen en profielputten is in eerste instantie een gedetailleerde landschapskaart gemaakt (afb. 12). Deze kaart vormt een verfijning van de beschikbare ‘geomorfogenetische kaart van het Maasdal’ (GMKM). Het noordelijke deel van het plangebied is gelegen in een middelhoge tot hoge terrasvlakte die deels is afgedekt met een eolisch dek. Het zuidelijke gedeelte is lagergelegen en betreft een restgeul. Uit de boringen en de profielput is gebleken dat de bodem in het noordelijke gedeelte verstoord is en geen archeologische verwachting meer heeft. Ook aan het zuidelijke gedeelte wordt geen verwachtingswaarde meer toegekend

24

wegens de situering in een oude restgeul (afb. 32). Op afb. 32 - 38 zijn de verwachtingen en adviezen voor de verschillende perioden en (deel)gebieden weergegeven. De gemeente neemt het advies om het plangebied vrij te geven over. Dat betekent dat het aspect archeologie hier geen rol meer speelt en de dubbelbestemming archeologie vervalt. Het aspect erfgoed (cultuurhistorie en archeologie) vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

5.3

Beschermen van de gezondheid

Conform artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Hierbij spelen onder andere aspecten zoals geur, bodem, spuitzones, ligging ten opzichte van veehouderijen en externe veiligheid een belangrijke rol.

Spuitzones

Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terecht komt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt op stam (bijv. appels, peren etc.) dan bij de akkerbouw en lage fruitteelt bijvoorbeeld aardbeien en bessen), waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten. In het kader van de borging van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient afstand te worden gehouden tussen gevoelige objecten en agrarische gronden waarop teelt van gewassen plaatsvindt. Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. Op basis van jurisprudentie wordt bij beoordeling van nieuwe ruimtelijke situaties vanwege drift een afstand van 50 meter aangehouden.

Veehouderijen

Er zijn verschillende onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond (intensieve) veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stofemissie afkomstig van veehouderijen. Specifiek geldt dat in een straal van 2 kilometer rond geitenhouderijen er sprake is van een verhoogd risico op longklachten.

Toetsing initiatief Spuitzones

Met de realisatie van de nieuwe woningen worden nieuwe gevoelige functies mogelijk gemaakt binnen het projectgebied. Aangezien de woningen binnen 50 meter van agrarische gronden waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gerealiseerd, dienen maatregelen te worden genomen om de gezondheid van gebruikers van de woningen te beschermen. Derhalve is in het plan een spuitvrije zone opgenomen. Deze zone ziet er op toe dat binnen een straal van 25

50 meter van de woningen en bijbehorende gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt.

buitenruimte

geen

De spuitvrije zone is van toepassing op de percelen die kadastraal bekend staan als: - Venlo-sectie P- perceelnummer 6 (gedeeltelijk): Dit perceel is voorzien van de bestemmingen ‘wonen’ en ‘agrarisch met waarden’. De agrarische gronden binnen dit perceel worden in de huidige situatie gebruikt als tuin, paardenweide en rijbak. Op de als ‘agrarisch met waarden’ bestemde gronden is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen echter niet uitgesloten. Zodoende is het opnemen van een spuitvrije zone op het deel van het perceel dat is gelegen binnen 50 meter van de beoogde woon/tuinfuncties aan De Berktweg en is voorzien van de bestemming ‘agrarisch met waarden’ noodzakelijk om te voorzien in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het huidige gebruik van het perceel ten behoeve van wonen of als tuin, paardenweide en rijbak wordt door het opnemen van de spuitvrije zone niet belemmerd. - Venlo-sectie P- perceelnummers 7, 8, 10, 1231 (allen gedeeltelijk): Deze percelen zijn allen geheel bestemd als ‘agrarisch met waarden’ en worden ook als zodanig gebruikt voor de bedrijfsmatige teelt van gewassen. Om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen is op deze percelen een spuitvrije zone opgenomen van 50 meter vanaf de beoogde woon/tuinfuncties aan De Berktweg.

- Venlo-sectie P- perceelnummer 9 (gedeeltelijk): In de beoogde situatie wordt dit perceel deels voorzien van de functies ‘wonen’ en ‘tuin’. De meest zuidwestelijke zijde van het perceel behoud de huidige functie ‘agrarisch met waarden’. Op deze gronden kunnen in de beoogde situatie, ongewijzigd ten aanzien van de huidige situatie, gewassen worden geteeld. Aangezien dit deel van het perceel binnen 50 meter ligt van de beoogde woon-/tuinfunctie is op dit deel van het perceel een spuitvrije zone opgenomen. - Venlo-sectie P- perceelnummer 14 (gedeeltelijk): Dit perceel beslaat grotendeels De Berktweg en bestaat voor een klein deel uit agrarisch bestemde grond. Aangezien dit deel van het perceel binnen 50 meter ligt van de beoogde woon-/tuinfunctie is op dit deel van het perceel een spuitvrije zone opgenomen. - Venlo-sectie P- perceelnummer 1195, 1229 (gedeeltelijk) en 1230: Deze percelen zijn in de huidige situatie voorzien van de bestemmingen ‘wonen’ en ‘agrarisch met waarden’ en worden gebruikt voor wonen en als tuin. Na deze wijziging van het omgevingsplan komt op deze locaties de bestemming ‘wonen’ geheel te vervallen. Deze wordt vervangen voor de functie ‘agrarisch met waarden’. Het gebruik voor wonen en als tuin wordt zodoende beëindigd. Er ontstaat agrarische grond waarop gewassen kunnen worden geteeld.

Om een goed woon- en leefklimaat te garanderen voor de nieuwe woon-/tuinfuncties aan de overzijde van de weg wordt een spuitvrije zone op deze gronden opgenomen voorzover deze binnen 50 meter van de woon-/tuinfuncties zijn gelegen. Deze zone is enerzijds geborgd door de toegewezen functie ‘spuitvrije zone’ op de verbeelding. Voor de percelen die zijn voorzien van de functie ‘agrarisch met waarden’ geldt dat in de regels behorende bij deze functie een verbod is opgenomen voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. 26

Door het opnemen van een spuitvrije zone op alle agrarische gronden die binnen 50 meter van de beoogde woon-/tuinfuncties aan De Berktweg zijn gelegen wordt voorzien in voldoende ruimtelijke scheiding tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de nieuwe gevoelige functies. Op deze wijze vormt het aspect spuitzones geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Veehouderijen

De meest nabijgelegen actieve intensieve veehouderijen bevinden zich op circa 570 en 1.000 meter ten noorden van het projectgebied (Moutzdijkweg 73-75 en Berendonksweg 20). Hierbij is geen rekening gehouden met de voormalige veehouderij aan de Baarlosestraat 325. Deze locatie beschikt nog over een agrarische bestemming met aanduiding ‘intensieve veehouderij’ maar is reeds enige tijd in gebruik voor recreatieve doeleinden (airsoft). Voor deze activiteiten is door de gemeente Venlo een omgevingsvergunning verleend. Het gehele veebestand van het agrarische bedrijf is in 2018 ingetrokken. Aangezien aan de Baarlosestraat 325 geen agrarische activiteiten meer worden uitgevoerd en de afstand tot de overige veehouderijen worden geen nadelige effecten voor de gezondheid verwacht. Daarnaast zijn er binnen een straal van 2 kilometer van het projectgebied geen geitenhouderijen aanwezig. Het initiatief wordt derhalve niet gehinderd door de aanwezigheid van veehouderijen in de omgeving.

Algemeen

Uit de algehele toetsing van de fysieke leefomgevingsaspecten in het vervolg van dit hoofdstuk blijkt dat er ook voor overige aspecten geen belemmeringen zijn voor het realiseren van de beoogde ontwikkeling en de gezondheid hiermee niet in het geding komt.

5.4

Bodem

Het onderdeel bodem dient getoetst te worden aan de volgende paragrafen uit artikel 2.34 Bkl: • §5.1.4 Beschermen van de gezondheid en van het milieu; ▪ §5.1.4.5 Bodemkwaliteit; - §5.1.4.5.1 Toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie; - §5.1.4.5.2 Nazorg (in stand houden afdeklagen en tijdelijke beschermingsmaatregelen om blootstelling aan bodemverontreiniging te voorkomen); - §5.1.4.5.3 Aanwijzing bodembeheergebieden en indeling landbodem in bodemfunctieklassen.

Toetsing initiatief

In de beoogde situatie is er sprake van een gevoeliger gebruik voor het aspect bodem. Er worden immers nieuwe gevoelige objecten mogelijk gemaakt binnen het projectgebied. Derhalve is een vooronderzoek bodem uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen als bijlage II bij deze motivering. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde vooronderzoek wordt geconcludeerd dat het projectgebied als onverdacht ten aanzien van 27

bodemverontreiniging te beschouwen is. Ter plaatse wordt, met uitzondering van de bekende verhoogde achtergrondgehalten, geen bodemverontreiniging verwacht. De regio Limburg-Noord, waaronder de gemeente Venlo, beschikt over een (regionale) bodemkwaliteitskaart. Ter plaatse van de onderzoekslocatie wordt de boven- en ondergrond – volgens de ontgravingskaarten – ingedeeld in de ontgravingskwaliteit “landbouw/natuur”. Er zijn geen relevante gegevens bekend met betrekking tot (voormalige) bodembedreigende activiteiten als (ondergrondse) brandstoftanks, calamiteiten, ophogingen of dempingen welke aanleiding kunnen geven om bodemverontreiniging ter plaatse van de onderzoekslocatie te verwachten. Ook het huidige gebruik vormt geen aanleiding om uit te gaan van een verdachte situatie ten aanzien van bodemverontreiniging. Gezien de verzamelde gegevens wordt geconcludeerd dat er voldoende bodeminformatie beschikbaar is om te concluderen dat de locatie onverdacht is op het voorkomen van bodemverontreiniging. Daarom wordt, conform de bodemkwaliteitskaart (BKK) in combinatie met het vooronderzoek bodem geconstateerd dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor het planvoornemen. De uitvoering van een nader (verkennend) bodemonderzoek in verband met de functiewijziging wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

5.5

Water(systemen)

Op grond van artikel 5.37 van het Bkl moet bij een wijziging of afwijking van het planologisch regime rekening gehouden worden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij is aangegeven dat daarbij de opvattingen van de beheerder van deze watersystemen moeten worden betrokken. Er zijn diverse beleidsdocumenten op verschillende bestuursniveaus die ten grondslag liggen aan de uitgangspunten op het gebied van duurzaam waterbeheer. De relevante beleidsdocumenten zijn de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), het Nationaal Waterplan (NW), het Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21), het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) en de Waterwet. Onder de Omgevingswet is het beleid van de waterschappen die de kwaliteit en veiligheid van watersystemen borgen opgenomen in de waterschapsverordeningen. Binnen de ruimtelijke planvorming vormt water een belangrijk aspect. De toename van verhard oppervlak zorgt voor hitte, verdroging en vergroot de kans op wateroverlast. Bij alle ruimtelijke plannen moeten de waterhuishoudkundige doelstellingen binnen het projectgebied op een evenwichtige wijze beschouwd worden. Deze zogenaamde Watertoets is verplicht. In paragraaf 5.1.3 van het Bkl zijn aanvullende eisen gesteld ten aanzien van relevante waterhuiskundige elementen.

Aangezien onderhavige ontwikkeling in de nabijheid ligt van een van deze waterhuishoudkundige elementen is een nadere toetsing niet aan de orde.

28

5.5.1

Kenmerken watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het projectgebied en de omgeving, kunnen beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, afvalwater en hemelwater.

Toetsing initiatief Grondwater

In het projectgebied zal geen grondwater worden onttrokken. Daarnaast zullen er geen activiteiten plaats vinden die het grondwater mogelijk kunnen vervuilen. Er worden ten aanzien van grondwater dan ook geen belemmeringen verwacht.

Oppervlaktewater

Op een afstand van circa 650 meter van het projectgebied is de rivier Maas gelegen. Momenteel wordt gewerkt aan een nieuwe invulling van het stroomgebied van de Maas tussen Baarlo en Hout-Blerick. In de toekomst zal de huidige waterkering landinwaarts worden verplaatst. Bij hoog water zullen nu droge gronden dan ook onder water lopen. In de beoogde situatie komen de twee woningen in de nabijheid van de nieuwe waterkering te liggen. Derhalve is het Waterschap Limburg en Rijkswaterstaat in een vroeg stadium betrokken bij de planvorming. De exacte locaties van de woningen zijn in nauw overleg bepaald zodat er nog voldoende ruimte is voor de aanleg van een pad voor onderhoud aan de kering.

Afvalwater

In de huidige situatie is er reeds afvalwater afkomstig van de bestaande woningen. In de beoogde situatie zal de hoeveelheid te verwerken afvalwater niet toenemen. Het afvalwater middels het gemeentelijke rioleringsstelsel afgevoerd.

Hemelwater

Aangezien het de verplaatsing van twee woningen betreft, zal de hoeveelheid bebouwing en verharding per saldo niet toenemen. Voor de nieuw te realiseren woningen geldt wel het uitgangspunt dat het hemelwater op eigen terrein wordt opgevangen en kan infiltreren. Dit is ook een verplichting uit de afkoppel beslisboom van de gemeente Venlo. Conform deze beslisboom geldt voor onderhavige ontwikkeling bergingseis 4. Dit houdt in dat een bui van T=25 (71 mm in 48 uur) op eigen terrein moet worden opgevangen. Voor een bui van T=100 (84 mm in 48 uur) geldt dat geen schade in gebouwen mag ontstaan. Het realiseren van een noodoverlaat of leegloopvoorziening naar het gemeentelijk stelsel is niet toegestaan. Binnen de nieuwe woonpercelen is voldoende ruimte aanwezig om in een voorziening te voorzien die aan deze eisen voldoet.

Conclusie

Uit het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat onderhavige ontwikkeling geen belemmeringen vormt voor de afvoer, kwaliteit of infiltratie van water. 29

5.6

Ecologie

5.6.1

Gebiedsbescherming Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart te worden gebracht en te worden beoordeeld. Wanneer deze mogelijk een negatief effect hebben op beschermde natuur in een Natura 2000-gebied geldt een vergunningsplicht.

De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Het aspect ecologie kent dan ook twee subcategorieën: Natura 2000-gebieden en (beschermde) flora en fauna.

In hoofdstuk 11 van het Bal is bepaald wanneer een vergunning nodig is. Zo is het conform artikel 5.1, lid 1, en onder e Ow verboden om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten. Het verbod geldt: 1. Niet voor een Natura 2000-activiteit in gevallen die zijn aangewezen in een omgevingsverordening. 2. In gevallen aangewezen in een omgevingsverordening niet voor zover het gaat om gevolgen die samenhangen met een bij de omgevingsverordening bepaalde factor die een daarbij bepaalde drempel niet overschrijdt. Er is sprake van een algemene zorgplicht voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. In dit geval kan worden volstaan met toetsing voor het aspect stikstof aangezien voor de overige aspecten geen negatieve effecten worden verwacht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/969/documents/25826