CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

525997 BIJL17 Bestemmingsplan Hakkesstraat-Hendrikkenhofstraat Venlo.pdf

Raadsvergadering 19 november 2025, gemeente VenloBij agendapunt: 6.3: Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan Hakkesstraat-Hendrikkenhofstraat Venlo (Albtertushof) (525997)15.255 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als akkerland grasland en bouwvoor en is deels bebouwd (geweest). Door ploegen rooiwerkzaamheden bouw- en sloopactiviteiten kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden die vanaf het maaiveld worden verwacht mogelijk verloren zijn ,

,

,

,

,

gegaan.

2. 9

Conclusie bureauonderzoek

Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Uit de landschappelijke ligging blijkt dat het plangebied vanaf het Paleolithicum gunstig is geweest voor jagers-verzamelaars en vanaf het Neolithicum voor landbouwers. De archeologische vondsten en sporen die rondom het plangebied zijn gevonden en het historische kaartmateriaal laten zien dat er menselijke activiteiten hebben plaats gevonden in het onderzoeksgebied in de perioden Paleolithicum tot en met Nieuwe tijd. De kans op het voorkomen van de archeologische resten in het plangebied is dien ten gevolgen hoog voor alle perioden.

Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend veldonderzoek verkennend. ,

Gezien de omvang van het plangebied is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een verkennend booronderzoek. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met als doel om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn. ,

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK

3. 1

Doelstelling en onderzoeksvragen

Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Tevens dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. ,

Rapport 9595. 001 versie 2

Pagina 14 van 20

Ne

3.2

Methoden

Het

inventariserend

veldonderzoek

uitgevoerd

de

vorm

boringen zijn verspreid

van

50 meter tussen

springend

de

van

verkennend

een

BRL

booronderzoek,

binnen

het

plangebied gezet.

een

afstand

raaien

en

elkaar

4000

van

40

van

waardoor

Er is

meter

in

vijf raaien geboord

tussen

de

boringen.

bestaande

met

De

een

raaien

een

uit

afstand

zijn

ver-

opzichte gezet, systeem gelijkbenige Bij het zetten van de boringen is rekening gehouden met de aanwezige bomen. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 7 cm) 17 boringen tot maximaal 2 m -mv gezet (Figuur 10). De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmeken

ten

de

van

De

SIKB

in

(KNA, versie 4.1, 24-05-2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24-05-2018), specificatie VSO3. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 5 juni 2019 door (geanonimiseerd) EN WN (geanonimiseerd) (senior KNA-archeoloog/senior prospector) een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld. Tijdens het veldwerk bleek dat een deel van het plangebied niet toegankelijk was al gevolg van asbest dat aangetroffen was tijdens de sloop van een gebouw. Hierdoor konden zeven van de geplande boringen niet gezet worden (zie figuur 10). onder

certificaat op grond

is

driehoe-

ontstaat.

beschreven.

thode

hulp

van

GPS.

Aan

de

hand

De

locatie

(Xx-, y- en z-waarden)

de

boringen

is

beoordeeld

materiaal

of

is

vastgelegd

met

be-

er

Resultaten

Geologie De

van

opgeboorde

van

wel, geen of slechts deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of die zichtbaar cultuurlagen, zijn als bodemverkleuringen. Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot. 3.3

het

exacte

bodem

en

resultaten

weergegeven.

van

de

Op

basis van

boringen

zijn opgenomen

deze

boorprofielen

in de kan

de

vorm

van

boorprofielen als

bodemopbouw

volgt

en

worden

worden

in

bijlage

7

beschreven.

In het

gehele plangebied komt matig fijn tot matig grof (dit laatste vooral onderin een aantal boringen) siltig zand voor. Bij boringen 3, 4, 6, 9, 10, 12, 13 en 14 is onder het zand een natuurlijke laag zandige leem aangetroffen. Het zand wordt geïnterpreteerd als dekzand dat eolisch is afgezet en vooral zwak

de

zandige

Van

de

als fluviatiele

17 boringen

bouwvoor tant

leem

van

25

B-horizont

een

horizont en

vertoonden

minimaal

van

afzettingen

bij boringen

cm

8 boringen

een

min

of

40

cm

onder

tot maximaal

aangetroffen 4 en

zijn afgezet in

die

(boringen 2, 5

9 mogelijk de B-horizont

de oude

meanderbocht van

de Maas.

bodemopbouw. Onder een bij drie boringen nog een resen 6), bij boring 3 en 10 mogelijk gelijk de Cdat niet in het veld). Bovenin maar duidelijk was meer

onverstoorde

maaiveld

is

plaatselijk licht geroerd. Hieronder zetten de onverstoorde afzettingen zich waarbij opvallend was dat bij boring 9 een gevlekt laagje zat tussen 70 en 85 cm onder maaiveld waarvan in het veld de indruk was dat dit natuurlijk was. Boring 7 is een vreemde eend in de bijt; hier werd onder een geroerd pakket (mogelijk deels opge-

waren

deze

horizonten

voort

het

hoogd?)

op 65

85

cm

De

resterende

boring 33

cm

onder

onder maaiveld

maaiveld

een

boringen

intacte

1,8

en

een

mogelijk

verstoorde

E-horizont

aangetroffen

met

hieronder

op

B-horizont.

11 tot

en

met

17 vertoonden

een

verstoorde

bodemopbouw

die

per

verschilde.

Bosch, 2005.

Rapport 9595.001 versie 2

Pagina 15 van 20

De verstoringsdiepten per boring waren: Tabel V.

Verstoringsdiepten in het plangebied

Boornummer

Diepte verstoord

Bijzondere kenmerken

1

90 cm –mv

Onderin en 35 cm dik pakket met daarin resten van een B-horizont.

8

95 cm –mv

Tot onderin baksteenhoudend

11

110 cm –mv

Dik pakket bouwvoor

12

70 cm –mv

Vanaf maaiveld en pakket sterk zandige leen met baksteen , hieronder een laag zandige leem die er onverstoord uit zag

13

175 cm –mv

Verschillende verstoorde lagen tot in de Chorizont

14

130 cm –mv

Verschillende verstoorde lagen waarvan één laag baksteenspikkels bevat , onderin een gevlekte leemlaag (natuurlijk?).

15

85 cm -mv

Verschillende verstoorde lagen.

16

100 cm –mv

Verschillende verstoorde lagen

17

150 cm -mv

Verschillende verstoorde lagen die onderin baksteenhoudend waren.

De gevlektheid van de bodem met de resten van baksteen aangetroffen boringen 8 14 17 wijzen op en (sub-)recente verstoring. Volgens de bodemkaart is echter een groot deel van het plangebied opgehoogd en deze verstoringen zouden daar op kunnen wijzen. Op de AHN is echter geen ophoging in het plangebied te zien maar lijkt eerder het bedrijventerrein er omheen alleen te zijn opgehoogd. Er wordt daarom vanuit gegaan dat het terrein niet is opgehoogd maar dat de bodemopbouw bij boringen 1 8 en 11 tot en met 17 is verstoord. ,

,

,

Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn relevante archeologische indicatoren waargenomen. Het gaat hier echter om een verkennend bodemonderzoek dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen. ,

3. 4

Conclusie veldonderzoek

Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. De resultaten van het booronderzoek geven aan dat in het zuidelijke en noordwestelijke deel van het nu door middel van booronderzoek onderzochte deel van het plangebied (bij boringen 1 8 en 11 tot en met 17) geen archeologische resten meer te verwachten zijn door de sterke verstoring van de bodem. Op de locatie van boringen 2 3 4 5 6 7 9 en 10 is de bodem dermate intact dat hier archeologische waarden in situ aanwezig kunnen zijn. ,

,

Rapport 9595. 001 versie 2

,

,

,

,

,

Pagina 16 van 20

Ne

4

CONCLUSIE

EN

ADVIES

Het

bureauonderzoek

toonde

zouden

kunnen

resultaten

nu

door

zich

mogelijk

archeologische

waarden

in

het

plangebied

is.

Op de

Daar

het

waar

aan

dat

in het

onderzochte

deel

van

boringen 2, 3, 4, 5, 6, 7, 9 en 10

is de

booronderzoek

van

locatie van

door middel

het

het booronderzoek

van

middel

In

er

bijzonder verhoogt de aanwezigheid van dekzandruggen en lage landduinen bij een oude Maasarm de kans daarop. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De

bevinden.

dat

aan

bodemprofiel

is

geven

verstoord,

booronderzoek

binnen

het

deel

zuidelijke

en

noordwestelijke

van

het

kan

deel

van

het

worden

nu

plangebied, geconcludeerd archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. Ter plaatse van boringen 2, 3, 4, 5, 6, 7, 9 en 10 zijn de verstoringen dermate marginaal dat hier nog wel archeologische resten in situ te verwachten zijn. van

onderzochte

zuidelijke en noordwestelijke deel van het plangebied de bodem sterke verstoord bodem nog wel goed intact.

het

dat

een plangebied, waar nog archeologische waarden worden verwacht, adviseert (geanonimiseerd) EN de waarden ín situ worden bedubbelbestemming archeologie waarbij mogelijke archeologische waard. Hiertoe dienen beschermende regels in het bestemmingsplan te worden opgenomen. Mocht

In

het

het

niet

mogelijk zijn om

om

een

karterend

zochte met

deel

17),

archeologische

het

waarden

worden

het

te laten

uitvoeren

in situ te

proefsleuvenonderzoek

plangebied, zuidelijke geen archeologische resten

van

volgonderzoek

de

waarderend

en

noordwestelijke

en

in situ

(zie figuur 11).

meer

Voor

het

een

De

deel

verwacht

verstoringen

terrein

niet

adviseert

(geanonimiseerd)

De

rest

het

van

(bij boringen 1,8 en

en

van

dan

wordt

kon

worden

door

maar

nu

onder-

11 tot

geadviseerd geen

boring 8, 13 de

17 kunnen

en

van

en ver-

het

de

verstoringen

er

niet op dat de

bij de sloop aangetroffen asbest wordt geadviseerd om hier alsnog een verkennend booronderzoek uit te voeren na de asbestsanering om de archeologische verwachting van het bureauonderzoek ook voor dit deel van het plangebied te toetsen waar

geboord

heen

voeren.

gevolg zijn weg plangebied liep gezien diepte en de ligging van deze verstoorde boringen t.o.v. andere verstoorde boringen lijkt het verstoorde bodemopbouw in de boringen hiermee te maken hebben. van

die door het

behouden,

uit te

de

(zie figuur 11). Bij met

een

als

proefsleuvenonderzoek doel

dient een

om

door de

vastgelegd

legd

aan

de

verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is

waaraan

Bovenstaand

dienen

eventuele

betreft

het onderzoek

een

bevoegde

moet

voldoen.

advies, opgesteld

overheid

door

(geanonimiseerd) Het advies MM

is ter

goedkeuring voorge-

(gemeente Venlo).

Selectiebesluit De

gemeente Venlo neemt het advies over om het onderzochte gedeelte van het plangebied gedeeltelijk vrij te geven op basis van de aangetroffen verstoring. Opgemerkt moet worden dat ongeveer een derde van het plangebied nog niet is onderzocht. Gevraagd wordt om het onderzoek hier alsnog zo snel mogelijk uit te voeren, zodat ook de verwachtingswaarde van het zuiddeel van het plangebied duidelijk is en een volledig selectiebesluit kan worden genomen. Het selectiebesluit voor zover

dat op dit moment

de voorgenomen

in ieder

Rapport 9595.001 versie 2

ontwikkeling

geval

kan

in het

worden

genomen,

houdt

noordoostelijke gedeelte

in dat ten van

het

behoeve

van

plangebied

(zie

Pagina 17 van 20

Ne

fig.

11

Voor

in

het

rapport)

dit onderzoek

vervolgonderzoek

dient een

Programma

dient te van

Eisen

worden ter

uitgevoerd door middel van proefsleuven. goedkeuring bij het bevoegd gezag te worden

aangeleverd. tijdens de graafwerkzaamheden in het nu door (geanonimiseerd) vrijgegeven deel van het planBEN waarden worden dan dient hiervan gebied archeologische melding te worden geaangetroffen, maakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016. Melding van archeologische waarden kan Mochten

toch

plaatsvinden

bij de gemeente Venlo,

dienst voor het Cultureel

34

Infodesk email:

Provincie

Limburg

of bij het Ministerie

van

OCW

(de Rijks-

Erfgoed).

info@cultureelerfgoed.nl

Rapport 9595.001 versie 2

de

of tel: 033-4217456

Pagina 18 van 20

Ne

LITERATUUR

Alterra, 2003: Digitale Geomorfologische

kaart

van

Amersfoort,

Mei

1940.

&

H.

P.H.

Kamphuis,

1990:

Nederland, De

schaal

strijd op

1:25.000.

grondgebied. ‘s- Graven-

Nederlands

hage. Berendsen, H.J.A., 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel ding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Berg,

M.W.

mate

den, 1996:

van

change

Fluvial

Bergman, W.A., 2016: Plangebied Van de fase). BAAC Rapport V-15.0218. Boer,

of the

sequences

at various time-scales.

Thesis, der

Maas;

Landbouw

Grintenstraat

1: De

10 Ma

a

record

Universiteit

het land.

van

of neotectonics

Inlei-

and

cli-

Wageningen.

Inventariserend

veldonderzoek

(verkennen-

’s-Hertogenbosch.

de, 2016: Venlo Plangebied Van der Grintenstraat Rapport V-15.0153 5. ’s-Hertogenbosch.

E.A.M

BAAC

vorming

Archeologisch

Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode,

bureauonderzoek-

Versie

5.2. Utrecht

(TNO-

rapport, NITG 05-043-A). Dijk,

X.C.C, 2005:

van

derzoek

Jong,

L.

een

de, 1969-1994:

Klep C. & Haag.

B.

Plangebied

bureau-

Het

Koninkrijk

Schoenmaker, 1995:

Locher, W.P. & H. de Bakker, Malmberg, Den Bosch. Mooren

J.R.

derzoek

Mulder,

& C.C.

E.F.J.

omgeving,

en

1990:

der Nederlanden

Bevrijding

Van

Bodemkunde

Venlo

gemeente

in de

Tweede

Nederland

kaart, gemeente voor

Venlo.

proefsleuven (IVO-P). BAAC-rapport

RAAP

Bodemkartering,

actualisatie

Adviesdocument

1975:

van

Wong,

Gravenhage.

op de flank. Den

1: Algemene

Deel

bodemkunde.

Inventariserend

A-16.0053.

T.E.

Oorlog

‘s-

vooron-

1253. Weesp

Veldon-

‘s-Hertogenbosch

2003:

De

ondergrond

archeologische verwachtings-

529. RAAP

Bodemkaart

-

OCE-Technologies

Plangebied

Verantwoordingsdocument

Wereldoorlog.

1944-1945

Nederland.

van

Venlo; archeologisch

(verkenning). Raap-rapport

de, M.C. Geluk, IL. Ritsema, W.E. Westerhoff, Wolters-Noordhoff, Groningen.

(geanonimiseerd) Mi. 2015: B.

Stichting

De

Kalisvaart, 2016:

door middel van

Nederland.

Venlo-Océ

inventariserend veldonderzoek

en

en

van

beleids-

Archeologisch Adviesbureau, Weesp.

Nederland,

schaal

1:50.000,

Venlo;

archeologisch

blad

52

Oost/Venlo.

Verhoeven, zoek

M.P.F., 2007:

en een

Veegtes,

inventariserend veldonderzoek.

Zwanenburg G.J., 1990:

Rapport 9595.001 versie 2

Plangebied

En nooit was

het stil

-

gemeente

RAAP-NOTITIE Kroniek

van

een

een

bureauonder-

2034. Amsterdam

luchtoorlog.

Emmen.

Pagina 19 van 20

BRONNEN AHN; internetsite juni 2019. http://www. ahn. nl ,

Archeologisch informatiesysteem Archis3 Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) juni 2019. https://archis. cultureelerfgoed. nl ,

,

Amersfoort

,

Beeldbank Vrije Universiteit; internetsite juni 2019. http://imagebase. ubvu. vu. nl/cdm/compoundobject/collection/krt/id/5629/rec/1 ,

Beeldbank Cultureelerfgoed; internetsite juni 2019 http://www. beeldbank. cultureelerfgoed. nl ,

Dinoloket; internetsite juni 2019. http://www. dinoloket. nl/ ,

Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite juni 2019. http://www. ikme. nl/ ,

Kadaster Topotijdreis; internetsite juni 2019. http://www. topotijdreis. nl/ ,

Ondergrondportaal; internetsite juni 2019. https://portal. prvlimburg. nl/viewer/app/default ,

Provinciaal Omgevingsplan Limburg; internetsite juni 2019. https://www. limburg. nl/onderwerpen/omgeving/omgevingsplan/pol-2014-inclusief/ ,

Ruimingskaart; internetsite juni 2019. http://www. beobom. nl/ruimingskaart/ ,

SIKB; internetsite juni 2019. http://www. sikb. nl ,

VEO Bommenkaart; internetsite juni 2019. http://www. explosievenopsporing. nl/veo-bommenkaart/ ,

Rapport 9595. 001 versie 2

Pagina 20 van 20

Figuur 1. Situering van het plangebied binnen Nederland

Nijmeegseweg Ong. te Venlo. Situering van het plangebied binnen Nederland Legenda Plangebied

Rapport 9595. 001 versie 2

Figuur 2.

Detailkaart van het plangebied

Nijmeegseweg Ong. te Venlo. Detailkaart van het plangebied Legenda Plangebied

Rapport 9595. 001 versie 2

Figuur 3.

Luchtfoto van het plangebied

Nijmeegseweg Ong. te Venlo. Luchtfoto van het plangebied Legenda Plangebied

Rapport 9595. 001 versie 2

Figuur 4.

Situering

van

het

plangebied binnen de archeologische

210000

0

210200

210400

ZE

3

210400 Nijmeegseweg Ong. Situering

van

het

te Venlo.

plangebied

Legenda

[mn | Plangebied

(geanonimiseerd)

Rapport 9595.001 versie 2

binnen

de

archeologische

beleidskaart

gemeente Venlo

beleidskaart®® 210500 Ad

Figuur 5.

Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart 36

Nijmeegseweg Ong. te Venlo. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart Plangebied

36 Archeologisch informatiesysteem Archis3 , Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) , Amersfoort

Rapport 9595. 001 versie 2

Figuur 6.

Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) 37

Nijmeegseweg Ong. te Venlo. Situering van het plangebied binnen Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Legenda Plangebied

37 AHN

Rapport 9595. 001 versie 2

Figuur 7.

Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart 38

Nijmeegseweg Ong. te Venlo. Situering van het plangebied binnen de bodemkaart Legenda Plangebied

38 Archeologisch informatiesysteem Archis3 , Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) , Amersfoort

Rapport 9595. 001 versie 2

Eco/nsultancy,

Figuur 8.

Archeologische Gegevenskaart

208500

209000

5

209500 4641579100

_“

onderzoeksgebied®®

het

van

210000

210500

211000

211500

ä

2436929100

212000

2245444100

4

£8226849100 5 8

8

+

21024131

2436029100

Frozen 5 Si

bij

+

bs

@ &

\

#t2874564100 E

& 5

+

@ &l

Es) 8

(geanonimise rd)

jie

+

8

+

al 5

B

es

2859369100 #k 2858923100

6100

SE

04455810

a

ES

8

2245444100

4

2 8

el 8

ze

+

BE 24529671

is8

9 48) D

el

&

n

8

El

5

5 A 2858907100

Aen

06487110 ®

2102413100 a 8

32929100 6

De

8

En

_2779008100_\\

HN

&

782

PS oi

3115732100

,5e

EE

0

Ee

5

ol El

3

ij

2346370100

8

oh

IS

8

4659381100

IS

2266601100

2257384100

ElË Beaioo

Ken:

h2505310d

225615

de

+

í

4720520100

2812963100

4587988100

Sje 3:occhPO-m 123 86100

8á

2279976100 Nijmeegseweg Ong.

van

het

8

+

,

$

210500

211000

8ii ;

211500

onderzoeksgebied (bron: Archeologisch informatiesysteem Archis3, AHN) Waarnemingen,

Plangebied

Vondsten

Categorie

Monumenten EN B

Periode

A_Nederzetting

=_Paleolithicum =

Terrein

van

archeologische waarde

®

Terrein

van

®_Verdedigingswerk

Terrein

van

hoge archeologische waarde zeer hoge archeologische waarde

Terrein

van

zeer

hoge archeologische waarde,

beschermd

_Grafcontext

__Mesolithicum Neolithicum

*

Religieuze context

=

Bronstijd

*

Onbepaald

=_

Izertijd

=

Romeinse

=

Middeleeuwen

=

Nieuwe

Onderzoeksmeldingen

amet |

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het

Rapport 9595.001 versie 2

Cultureel

Erfgoed (RCE),

Amersfoort

tijd

tijd

Onbepaald

39

î

{2249762100

te Venlo.

Archeologische Gegevenskaart

]

(oo

2255578100 +

210000

EA

ss

8

2320341100

8

CJ

je

212000

Figuur 9.

Situering van het plangebied binnen de historische kaarten

Situatie 1805 (bron: Beeldbank Vrije Universiteit)

Situatie 1840-1843 (bron: Beeldbank Cultureelerfgoed)

Situatie 1896 (bron: Kadaster Topotijdreis)

Situatie 1936 (bron: Kadaster Topotijdreis)

Situatie 1967 (bron: Kadaster Topotijdreis)

Situatie 1979 (bron: Kadaster Topotijdreis)

Nijmeegseweg Ong. te Venlo. Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Legenda Plangebied

Rapport 9595. 001 versie 2

Figuur 10. Boorpuntenkaart

Nijmeegseweg Ong. te Venlo. Boorpuntenkaart Legenda Plangebied Boorpunt met nummer Niet toegankelijk deel Plangebied

Rapport 9595. 001 versie 2

Figuur 11. Advies

Nijmeegseweg Ong. te Venlo. Verstoord en/of niet toegankelijk deel plangebied Legenda Plangebied Advies vervolgonderzoek proefsleuven Advies vervolgonderzoek verkennend booronderzoek Vrijgave Boorpunt verstoorde boring met nummer Boorpunt intacte boring met nummer

Rapport 9595. 001 versie 2

Bijlage 1 Ouderdom in jaren

Overzicht geologische

Chronostratigrafie

MIS

Holoceen

1

11. 755 12. 745 13. 675 14. 025

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

15. 700 29. 000 50. 000 75. 000

115. 000 130. 000

370. 000 410. 000

en archeologische tijdvakken

Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)

Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien) , Nieuwkoop (veen) , Echteld (fluviatiel)

2

LaatPleniglaciaal MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal

3

van

5a 5b 5c 5d

Eemien (warme periode)

5e

Saalien (ijstijd)

6

Boxtel Formatie van

Beegden Eem Formatie Formatie van Drente Formatie van

Urk

Cromerien (warme periode) Formatie van

2. 600. 000

Rapport 9595. 001 versie 2

Formatie Peelo

van

475. 000

Pre-Cromerien

van

4

Elsterien (ijstijd)

850. 000

Formatie

Kreftenheye

VroegW eichselien (VroegGlaciaal)

Holsteinien (warme periode)

Formatie

Sterksel

Cal. jaren v/n Chr.

14

C jaren

Chronostratigrafie

0

1950

zones

Vb2

1500

Subatlanticum koeler vochtiger

450 0 12

Pollen

Vb1 Va

800

2650

815

IVb Subboreaal koeler droger

2000

3755

IVa

5000

4900

Atlanticum

5300

warm

III

Boreaal

II

vochtig 8000

7020

warmer 8240

9000

Preboreaal

8800

warmer 11. 755

10. 150

12. 745

10. 800

13. 675

11. 800

14. 025

12. 000

15. 700

13. 000

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

Late Dryas

LW III

Allerød

LW II

Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge , boekweit , korenbloem Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk1% > invloed landbouw (granen)

LW I

Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd Bronstijd

Neolithicum

Loofbos eik , els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar , eik , iep , linde , es eerst berk en later den overheersend

Mesolithicum

parklandschap dennen- en berkenbossen open

Vroege Dryas Bølling

35. 000

I

Vegetatie

parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra

VroegWeichselien (VroegGlaciaal)

perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap

Laat-Paleolithicum

75. 000

115. 000 130. 000

Eemien (warme periode)

Midden-Paleolithicum

loofbos

Saalien (ijstijd) 300. 000

Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974) , Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3. 9 Bronk Ramsey (2003) , toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).

Rapport 9595. 001 versie 2

Bijlage 2 AMK nr.

11190

Situering t. o. v. plangebied 480 meter ten noorden

Rapport 9595. 001 versie 2

AMK-terreinen Datering

Waarde en omschrijving

Mesolithicum

Toponiem: Veegtes Complex: Nederzetting Waarde: Terrein van hoge archeologische waarde Terrein met sporen van bewoning (vuursteenvindplaats) uit het Mesolithicum. Veldcontrole Van der Gaauw 1994: aan het oppervlak ligt erg veel vuursteenmateriaal. Het bodemprofiel is op veel plaatsen nog intact , maar het lijkt erop dat het perceel vroeger reliëfrijker is geweest dan vandaag de dag. Tijdens de ontginning is het perceel enigszins afgevlakt , waarbij het bodemprofiel in de lagere delengoed bewaard is gebleven. Vrijwel overal is nog een B-horizont aanwezig , waarin de artefacten nog min of meer in situ kunnen liggen. De dikte van de bouwvoor varieert tussen de 25 en 50 centimeter. Dwars door het perceel loopt een gasleiding , die maar een klein deel van de vindplaats verstoord heeft. In de nabijheid ligt een groot kassencomplex.

Eco/nsultancy,

Bijlage Zaaknummer

Onderzoeksmeldingen

3

| Situering

(OM-

t.o.v.

nummer)

bied

plange-

2144291100

Plangebied

(20887)

er

ligt

in

| Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek | Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Veegtes Venlo Uitvoerder: RAAP Archeologisch Datum:

Adviesbureau

25-1-2007

Resultaat: Niet vermeld 2107533100

190

meter

(15613)

westen

ten

in Archis

| Type onderzoek: booronderzoek Toponiem:

Venlo-Océ

Uitvoerder:

RAAP

Datum:

Venlo

Archeologisch

Adviesbureau

1-10-2005

Resultaat: Het

plangebied is onderverdeeld in 3 categorieën om tot een geschikt advies te komen. 1)Gebieden vindplaatsen/monumenten: Een oppervlaktekartering en een booronderzoek. 2)Arch vindplaatsen zonder status: Vermijden van ingrepen die tot aantasting van de arch. waarde buiten arch.

leiden.

3) Arch. vindplaatsen

met

status

(in dit geval

AMK-nummer

8339).

Behoud

van

de bestaande

situatie is

gewenst. De Arch

resten in het plangebied bestaan uit één vindplaats uit de Steentijd (Mesolithisch kampement), vindplaatsen uit de Romeinse tijd (w.o. waarschijnlijk één wachtpost) en resten uit de LateMiddeleeuwen (alleen scherven). Bij laatstgenoemde vindplaats is het niet zeker of het om bewoning of om plaggenbemesting gaat. | Type onderzoek: bureauonderzoek Toponiem: Venlo twee

3293682100

190

meter

ten

westen

Uitvoerder: Datum:

BAAC

BV

17-7-2015

Resultaat: Niet vermeld 3976675100

190

meter

ten

westen

in Archis

| Type onderzoek: booronderzoek Toponiem:

Venlo

Uitvoerder:

BAAC

Datum:

BV

27-10-2015

Resultaat:

Tijdens het verkennend onderzoek zijn in het zuidwestelijk deel een aantal boringen gestuit op een puinlaag. Verspreid in het gebied zijn rivierduin- en terrasafzettingen en een lokale dekzandafzetting aangetroffen. Vaak is de bodem afgedekt door za onderzoek: proefsleuvenonderzoek Type | Toponiem: Venlo -

-

-

3991376100

190

meter

ten

westen

Uitvoerder: Datum:

BAAC

BV

14-3-2016

Resultaat: Niet vermeld 2232995100

440

meter

(33510)

zuidwesten

ten

in Archis

| Type onderzoek: Toponiem: Venlo Uitvoerder: Datum:

bureauonderzoek

(geanonimiseerd)

17-2-2009

Resultaat:

(geanonimiseerd) adviseert, veldonderzoek

uit te

na

voeren

overleg met

het

door

van

middel

bevoegd een

gezag,

karterend

(geanonimise rd)___} (geanonimiseerd) |

om

een

inventariserend

booronderzoek, teneinde de op basis

van

het bureauonderzoek

2236097100

440

(33962)

zuidwesten

meter

ten

opgestelde gespecificeerde verwachting aan te vullen en te toetsen. Tevens dient het booronderzoek om een betrouwbaar beeld te krijgen van de gaafheid van de bodem. Voor dit booronderzoek dienen in het onbebouwde deel van het plangebied 8 karterende boringen met een 15 20 cm in de C-horizont te worden gezet. Het opgeboorde materiaal dient te em edelman tot minimaal worden gezeefd over een zeef met een maaswijdte van 4 mm. | Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Venlo Uitvoerder: Synthegra BV Datum:

3-3-2009

Resultaat: Er is aanbevolen

veling

Rapport 9595.001 versie 2

over

om

geen

vervolgonderzoek

te laten uitvoeren.

De

gemeente Venlo neemt

de aanbe-

Bijlage 4

Vondstmeldingen

Zaaknummer (Waarnemingsnr. ) 2724121100 (6754)

Locatie t. o. v. plangebied

Omschrijving

160 meter ten zuidwesten

3115732100 (28643)

200 meter ten zuiden

2855237100 (28619)

250 meter ten oosten

Vroege-Middeleeuwen : - aardewerk - waterput Mesolithicum : - vuursteen kernen - fragmenten van vuursteen spitsen - vuursteen afslagen Paleolithicum - IJzertijd : - 2 vuursteen brokken

2144291100 (404193)

400 meter ten zuidoosten

3115821100 (28688)

400 meter ten oosten

2858907100 (28644)

450 meter ten oosten

3991376100

450 meter ten westen

Mesolithicum : - 9 fragmenten van vuursteen klingen - vuursteen afslagen Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd : - 2 huisplattegronden Paleolithicum - Neolithicum : - vuursteen kernen - vuursteen afslagen - fragmenten van vuursteen werktuigen Mesolithicum : - 800 fragmenten van vuursteen objecten , Recent: - metalen afval Prehistorie - Recent : - 48 fragmenten van natuurlijk grondspoor , Prehistorie - Nieuwe tijd : - 24 paalgaten

2858818100 (28628)

550 meter ten noordoosten

3115676100 (28620)

550 meter ten noordoosten

Rapport 9595. 001 versie 2

Nieuwe tijd : - kuil , - 18 greppels/sloten Mesolithicum : - vuursteen afslagen Paleolithicum - IJzertijd : - fragment van een vuursteen object , - 4 fragmenten van vuursteen klingen - vuursteen afslagen

Bijlage 5

Bewoningsgeschiedenis van Nederland

Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot circa 8800 voor Chr. ) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd circa 300. 000-130. 000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren mammoeten paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het LaatPaleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten wilde zwijnen en oerossen gejaagd. ,

,

,

,

Mesolithicum (circa 8800-4900 voor Chr. ) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (circa 9000 voor Chr. ) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg waardoor de variatie in flora en fauna (o. a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu. Doordat de temperatuur steeg trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden en maakte plaats voor meer territoriumgebonden klein wild vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. ,

,

,

,

,

,

,

Neolithicum (circa 5300-2000 voor Chr. ) Aan het begin van deze periode gingen het jagen vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp. Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend te weten grafkelders hunebedden en grafheuvels. ,

,

,

,

,

,

,

Bronstijd (circa 2000-800 voor Chr. ) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven zij het minder in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had ,

Rapport 9595. 001 versie 2

,

wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie die tijdens het Neolithicum haar intrede deed werd in eerste voortgezet maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het Laat-Neolithicum koperen voorwerpen bekend. ,

,

,

,

,

IJzertijd (circa 800-12 voor Chr. ) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields'). Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen) die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland met daarin luxe geïmporteerde bijgaven zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. ,

,

,

,

Romeinse tijd (circa 12 voor Chr. - 450 na Chr. ) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 na Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn tot diep in Duitsland 'castella' (militaire forten) gebouwd. ,

,

,

De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 na Chr. de Romeinse invloed steeds duidelijker. In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld naast het eigen handgevormde aardewerk Romeins importaardewerk in gebruik dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden vooral in Limburg grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd hetzij nieuw gesticht hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. ,

,

,

,

,

,

,

,

,

De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking ten noorden van de Limes werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond onder meer door invallen van Germaanse stammen een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. ,

,

,

,

,

,

Middeleeuwen (circa 450-1500 na Chr. ) Over de Vroege-Middeleeuwen vooral over het tijdvak 450-600 na Chr. is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen. De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Ro,

Rapport 9595. 001 versie 2

,

meinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand. Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. Vanaf de 10 e – 11 e eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde in combinatie met een zwak centraal gezag veelvuldig tot lokaal geweld waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen schansen landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. ,

,

,

,

,

,

,

,

,

Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie. Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriele revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19 e tot het begin van de 20 e eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats wat zich tot in het begin van de 20 e eeuw uit in de kunsten. ,

,

Rapport 9595. 001 versie 2

Bijlage 6

AMZ-cyclus

Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan indien reeds voldoende gegevens bekend zijn een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid gemeente provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. ,

,

,

,

,

,

,

,

,

Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting. Indien dit het geval is dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). ,

,

De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie aan de hand van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. ,

,

,

,

De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid de aard het karakter de omvang de datering de gaafheid de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. ,

,

,

,

,

,

Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende karterende en waarderende fase. De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. ,

,

,

Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.

Rapport 9595. 001 versie 2

Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen die aanleiding geven tot nader onderzoek kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan. ,

,

,

De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven maar wel van belang zijn voor de wetenschap kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving. Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden die van belang is voor kennisvorming over het verleden. ,

,

,

Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen die aanleiding geven tot nader onderzoek kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan. ,

,

,

Rapport 9595. 001 versie 2

Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente , Provincie , Rijk) ▼ Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Inventariserend veldonderzoek* ▼ ▼ Verkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie ▼****** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** (variant begeleiding) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ ▼ Opgraven*** Beschermen Verwijderen van de Bescherming van de archeologische archeologie door planaanpassing resten door archeologen (variant begeleiding)

►

Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzakelijk wordt geacht.

►

Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek , vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen. ***

►

Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek , vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen. ***

►

Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie , wel archeologische waarden aanwezig maar geen vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardering. Einde onderzoek , vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden).

* Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk , indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld , toetsing door de bevoegde overheid. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld , toetsing door de bevoegde overheid. **** Na een verkennend booronderzoek kan de bevoegde overheid besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk , indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid. ****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk , indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.

Rapport 9595. 001 versie 2

Bijlage 7

Rapport 9595. 001 versie 2

Boorprofielen

Rapport 9595. 001 versie 2

Rapport 9595. 001 versie 2

Rapport 9595. 001 versie 2

Legenda (conform NEN 5104) grind

klei

geur

Grind , siltig

Klei , zwak siltig

Grind , zwak zandig

Klei , matig siltig

Grind , matig zandig

Klei , sterk siltig

Grind , sterk zandig

Klei , uiterst siltig

Grind , uiterst zandig

Klei , zwak zandig Klei , matig zandig

geen geur

zwakke geur matige geur sterke geur uiterste geur

olie geen olie-water reactie

zwakke olie-water reactie matige olie-water reactie sterke olie-water reactie uiterste olie-water reactie

Zand , matig siltig

Leem , zwak zandig

p. i. d. -waarde >0 >1 > 10 > 100 > 1000 > 10000

Zand , sterk siltig

Leem , sterk zandig

monsters

zand

Klei , sterk zandig Zand , kleiïg Zand , zwak siltig

leem

geroerd monster

Zand , uiterst siltig

overige toevoegingen zwak humeus veen Veen , mineraalarm

matig humeus

ongeroerd monster volumering

overig bijzonder bestanddeel

Veen , zwak kleiïg

sterk humeus

Veen , sterk kleiïg

zwak grindig

Veen , zwak zandig

matig grindig

Veen , sterk zandig

sterk grindig

Gemiddeld hoogste grondwaterstand grondwaterstand Gemiddeld laagste grondwaterstand slib water

Rapport 9595. 001 versie 2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/893/documents/23884