CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

516716 Bijl01 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22A Trappistenweg 10-10A, toelichting.pdf

Raadsvergadering 22 oktober 2025, gemeente VenloBij agendapunt: 3.2: Vaststellen TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22A Trappistenweg 10-10A (516716)16.505 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A

27

Uitsnede kaartbeeld Natuurnetwerk Limburg met aanduiding ligging locatie met rode marker

Toepassing en conclusie De aan de bedrijfskavel Trappistenweg 10-10A toe te voegen strook ligt binnen het in de omgevingsverordening afgebakende Natuurnetwerk Limburg. Als wezenlijke kenmerken en waarden gelden, in bestaande en nog te realiseren natuurgebieden de aanwezige en potentiële natuurwaarden, zoals vertaald in natuurbeheertypen, die zijn vastgelegd op de natuurbeheertypenkaart en de ambitiekaart van het natuurbeheerplan. Verder behoren tot de wezenlijke kenmerken en waarden de beschermde soorten, de geomorfologische en aardkundige waarden en processen, het cultuurhistorisch erfgoed, de waterhuishouding, kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, stilte, donkerte, openheid of juist geslotenheid van de landschapsstructuur. De betreffende strook is aangeduid als bestaande natuur, type N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos in het provinciaal Natuurbeheerplan. Ook is in dit geval al sprake van een duidelijke grens tussen de bestemming 'Bedrijventerrein' en de bestemming 'Bos' die het Natuurnetwerk Limburg duidelijk afbakent. Wanneer de strook 'Bos' wordt toegevoegd aan de naastgelegen bedrijfskavel wordt de oppervlakte van het Natuurnetwerk Limburg kleiner, maar de vraag is of dat leidt tot een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Ten behoeve van deze wijziging van het omgevingsplan is een quickscan flora en fauna uitgevoerd door Aelmans (d.d.

15 augustus 2024, kenmerk AMO24022) die als Bijlage 2 bij deze motivering is gevoegd. Daaruit blijkt dat de kwaliteit van het gebied laag wordt geacht, gelet op het feit dat dit deel van het Natuurnetwerk Limburg (LNN) ligt ingeklemd tussen de Rijksweg A74 en het bedrijventerrein waarvan ook Trappistenweg 10-10A onderdeel uitmaakt. Ook heeft in de voorgaande jaren meermaals bodemroering plaatsgevonden en groeit binnen de locatie die aan de bedrijfskavel wordt toegevoegd slechts pioniervegetatie en Japanse duizendknoop. Als gevolg van het planvoornemen ontstaan geen negatieve effecten voor migratieroutes of de samenhang van het LNN. Er is daarom geen sprake van een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het LNN en de kwaliteit van het LNN op deze locatie. Ook is geen sprake van een vermindering van de samenhang tussen de gebieden die samen het LNN vormen, gezien de

28

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A

aard, ligging en oppervlakte van de gronden die aan de bedrijfskavel worden toegevoegd. Tot slot kan worden opgemerkt dat door de uitbreiding wordt voorzien in een betere afbakening tussen de bedrijfskavel en het LNN, waarbij door de te realiseren voorzieningen externe effecten (vanaf de bedrijfskavel richting LNN) worden beperkt. Er is sprake van een kleinschalige ingreep, waarbij geen wezenlijke kenmerken en waarden worden aangetast. In overeenstemming met de verordening zal worden voorzien in compensatie op basis van een overeenkomst tussen de Provincie Limburg als bevoegd gezag en de gemeente Venlo als inititatiefnemer. Daarmee wordt invulling gegeven aan de in de verordening opgenomen regeling voor kleinschalige ingrepen als opgenomen in artikel 8.6 van de verordening. 3.4.4 Vestigingsmogelijkheden bedrijventerreinen Inleiding Een toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen aan de voorraad in Noord-Limburg is alleen toegestaan indien wordt voldaan aan de Limburgse principes en hoofdstukken 3 (Algemene zonering), 8 (Economie) en 9 (Werklocaties) van de provinciale omgevingsvisie, de regionale visie Bedrijventerreinen Noord-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Noord-Limburg.

Met een wijziging van het omgevingsplan mogen verder geen bedrijfskavels van 5 hectare of groter worden toegelaten en mag geen samenvoeging van bedrijfskavels tot een kavel van 5 hectare of meer worden toegelaten. Toepassing en conclusie De planlocatie heeft betrekking op één bestaande bedrijfskavel die met circa 186 m2 wordt uitgebreid. Na uitbreiding is de kavel iets groter dan een halve hectare. Er wordt daarom geen bedrijfskavel van 5 hectare of meer mogelijk gemaakt. Verder betreft het een zeer beperkte uitbreiding van het bestaande bedrijfsterrein, waarbij in feite een perceelsgrens wordt 'rechtgetrokken'. Gelet op de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling is het planvoornemen niet (negatief) van invloed op de Limburgse principes en de genoemde hoofdstukken van de provinciale omgevingsvisie, de regionale visie op de bedrijventerrein dan wel regionale afspraken. 3.4.5 Zonnepanelen op daken bedrijfsgebouwen en zonneparken Inleiding In de motivering bij een omgevingsplan dat voorziet in de mogelijkheid tot realisatie van een bedrijfsgebouw moet worden beschreven op welke wijze gebruik is gemaakt van de bevoegdheid bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) tot het stellen van maatwerkregels gericht op het maximaal benutten van het dakoppervlak van bedrijfsgebouwen voor het plaatsen van zonnepanelen.

Toepassing en conclusie Uit het genoemde artikel 2.3 van het Bbl volgt slechts in algemene zin dat maatwerkregels (kunnen) worden opgenomen in het omgevingsplan. De mogelijkheden om maatwerkregels te stellen zijn beperkt tot de regels die zijn opgenomen in afdeling 4.5 Bbl, zo volgt uit artikel 4.7 Bbl. Die afdeling gaat over de bruikbaarheid van bouwwerken en heeft enkel betrekking heeft op nieuwbouw. Aanvankelijk was in artikel 4.7 Bbl ook opgenomen dat maatwerkregels konden worden gesteld ten aanzien van artikelen 4.149 en 4.159, welke artikelen betrekking hebben op bijna energieneutraal bouwen (BENG) en de milieuprestatie van gebouwen. Die artikelen zijn echter door een wijziging van het Bbl nog vóór de inwerkingtreding van het Bbl op 1 januari 2024 weer geschrapt. De aanleiding daarvoor is dat maatwerkregels op dat punt industrieel bouwen in de weg staan en dat niet wenselijk is gelet op de woningbouwopgave. Er kan daarom geen invulling (meer) worden gegeven aan deze instructieregel van de provincie. De systematiek van het Bbl is – net als gold voor het Bouwbesluit 2012 – dat de daarin geregelde onderwerpen worden geacht uitputtend te zijn geregeld en

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A

29

daarin opgenomen minimale eisen niet mogen worden aangescherpt, tenzij expliciet ruimte wordt geboden door het stellen van maatwerkregels. 3.4.6 Venloschol Inleiding In de provinciale omgevingsverordening zijn ook waterwingebieden en (grondwater)beschermingsgebieden aangewezen, waaronder ook twee boringsvrije zones: de Roeldalslenk en Venloschol. De locatie is gelegen binnen de begrenzing van de Venloschol, zoals die is begrensd in de provinciale verordening. De regels die daaraan zijn verbonden bestaan uit instructieregels gericht aan het waterschap en rechtstreeks werkende regels voor specifieke activiteiten, dus géén instructieregels voor gemeenten ten aanzien van het omgevingsplan. De instructieregels gericht aan het waterschap hebben betrekking op het opnemen van een verbod om grondwater te onttrekken of te infiltreren dieper dan 5 meter boven NAP, in combinatie met een vergunningplicht voor dergelijke activiteiten (paragraaf 4.2.1 verordening). In de Waterschapverordening Waterschap Limburg is daar ook in voorzien in Afdeling 4.1. De rechtstreeks werkende regels hebben betrekking op het aanleggen en in gebruik hebben van bodemenergiesystemen, het opsporen en winnen van aardwarmte, het boren van putten en andere grondroeringen dieper dan 5 meter boven NAP (paragraaf 4.3.1, 4.3.2 en 4.3.6).

Toepassing en conclusie Het maaiveldniveau op de locatie bedraagt circa 34 meter boven NAP. Gelet op de aard van de ontwikkeling wordt - bij eventuele bouwactiviteiten of andere activiteiten - niet voorzien in zodanig diepe boringen of grondroeringen dat een niveau dieper dan 5 meter boven NAP wordt gehaald. Ook wordt niet voorzien in de aanleg van een bodemenergiesysteem of het opsporen en/of winnen van aardwarmte. Gelet op de regels die ter bescherming van de Venloschol zijn opgenomen in de Omgevingsverordening Limburg van de provincie en de Waterschapsverordening Waterschap Limburg van het waterschap, bestaat ook geen aanleiding aanvullende regels op het nemen in deze wijziging van het omgevingsplan voor de locatie.

3.5

Regionaal beleid

3.5.1 Visie Bedrijventerreinen Noord Limburg Inleiding De regionale Visie Bedrijventerreinen Noord-Limburg bevat de ambities, opgaven en principes die de regiogemeenten in Noord-Limburg nastreven met betrekking tot bedrijventerrein. Daarnaast bevat de visie de regionale werkwijze en spelregels, rekening houdend met het door de provincie voorgestelde dynamisch voorraad beheer. Centraal in het dynamisch voorraadbeheer staan drie typen interventies: 1. 2. 3.

Werken aan de kwaliteit van de bestaande voorraad (bijvoorbeeld renovatie, herstructureren, energiemaatregelen, duurzaamheid). Onderdeel hiervan vormt de aanpak van de bestaande leegstand. Waar mogelijk schrappen (verkleuren / van functie veranderen) van harde plannen die niet de beoogde toevoeging van kwaliteit opleveren. Het kan ook gaan om tijdelijke andere functies. Onder voorwaarden (bijvoorbeeld alleen echte toevoeging kwaliteit, principes duurzame verstedelijking) ruimte bieden voor het toevoegen van goede nieuwe voorraad, maar dan wel in combinatie met het schrappen van bestaande voorraad.

Toepassing en conclusie Hoewel strikt genomen sprake is van een uitbreiding van een bedrijventerrein c.q. bedrijfsterrein, betreft het feitelijk een kleinschalige grenscorrectie, waardoor de noordelijke perceelsgrens van het bedrijfskavel wordt

30

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A

'rechtgetrokken' en bedrijfsprocessen en stromen binnen het bedrijfskavel kunnen worden geoptimaliseerd. In dien zin in sprake van duurzaam ruimtegebruik, aangezien de bedrijfskavel zo beter en praktischer kan worden benut. Gelet op de aard en omvang van de correctie is geen sprake van een waarneembare impact op de planvoorraad aan bedrijventerrein en kan de uitbreiding worden gezien als een eenmalige een beperkte uitbreiding van minder dan 500 m2 die niet hoeft te worden gesaldeerd c.q. verrekend binnen het dynamisch voorraadbeheer.

3.6

Gemeentelijk beleid

3.6.1 Strategische Visie Venlo 2040 De Strategische Visie Venlo 2040 die is vastgesteld op 26 mei 2021 vervangt de eerder in 2010 opgestelde Strategische Visie Venlo 2030, die opgesteld rondom de laatste herindeling, waarbij de voormalige gemeente Arcen en Velden onderdeel is geworden van de gemeente Venlo. Deze nieuwe visie is bijgesteld en aangevuld ten opzichte van de vorige versie, om zo in te kunnen spelen op nieuwe, grote ontwikkelingen zoals de ontwikkelingen rondom de thema's klimaat en energie, groeiende verschillen binnen de gemeenschap en het veranderen van de samenstelling van de gemeenschap en verder de versterking van het economisch fundament van Venlo. Hierna wordt per thema het perspectief voor 2040 kort samengevat. Gezondste regio De ambitie om de Gezondste regio te zijn heeft geleid tot een breed aanbod aan economische activiteiten die hieraan invulling geven. Gezonde voeding en een gezonde levensstijl hebben gemaakt dat niet alleen onze economie, maar vooral ook onze inwoners daarvan hebben geprofiteerd. Onze vrijetijdseconomie heeft mede daardoor een stevige impuls gekregen.

Venlo is niet alleen omwille van haar historie, winkelaanbod en ligging de moeite van het bezoeken waard, maar ook door de mogelijkheden om te kunnen wandelen, te kunnen fietsen, te kunnen ontspannen en te genieten van al het goede en lekkers dat specifiek in onze regio aan voeding wordt geproduceerd. Een (t)huis om van te houden Er wordt ingezet op bescheiden groei van het aantal inwoners. Het aantal Venlonaren met een niet-Venlose oorsprong zal toenemen vanwege de aantrekkingskracht van onze economie. Internationale medewerkers, kenniswerkers en studenten vragen om aantrekkelijke woonmilieus en voorzieningen. Door de toename van het aantal huishoudens vraagt dit om passende woonruimte voor alle doelgroepen, met name de doelgroepen die ondervertegenwoordigd zijn. Woningbouw vindt vooral plaats binnen de huidige stedelijke contouren. De woningvoorraad zal een kwaliteitsslag moeten maken gelet op de noodzakelijke verduurzaming. Verdergaande informatisering zorgt voor grotere verschillen binnen de gemeenschap. Elkaar ontmoeten krijgt andere vormen. De openbare ruimte en onze voorzieningen vervullen daarin een belangrijke rol. Digitalisering en domotica zal een belangrijke rol vervullen bij het langer dan voorheen thuis wonen van inwoners die zorg nodig hebben. De overheid garandeert een fatsoenlijk basisniveau van voorzieningen.

De overheid en inwoners moeten bescheiden zijn in hun verwachtingen over en weer. Ruimte voor initiatieven De binnenstad heeft in 2040 een andere aanblik. Deze is groener geworden, beken zijn zichtbaar en nog meer een aantrekkelijk woon- en verblijfsgebied met aantrekkelijke voorzieningen. Ook in de wijken en dorpen is ontsteend en hebben is er werk gemaakt van de klimaatopgave gecombineerd met een impuls om een kwaliteitsslag in de openbare ruimte te maken. De klimaatopgaven hebben geleid tot een andere samenstelling van energiebronnen. Landbouwgrond heeft hierdoor deels een andere invulling gekregen, desondanks zijn de opbrengsten gegroeid. De ruimte tussen de kernen worden opengehouden en wordt gebruikt voor landbouw, recreatieve en toeristische functies. Natuurwaarden zijn versterkt in combinatie met energieopwekking en klimaatadaptatie.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A

31

Ruimtelijke ontwikkelingen hebben er toe bijgedragen dat er aan de westoever een stadsdeel is ontstaan dat aanvullend is op de historische stadskern. In de dorpskernen hebben gerichte investeringen bijgedragen aan unieke en kwalitatieve hoogwaardige dorpse woonmilieus. Werken in Venlo In de toekomst bevindt Venlo zich op een sleutelpositie binnen het Europese economische kerngebied. De opkomst van China als economische grootmacht en handelspartner heeft geleid tot een strategische heroriëntatie. Het logistieke belang van Venlo is gegroeid door digitalisering en robotsering. Er wordt binnen de logistiek ingezet op vergroting van de toegevoegde waarde. En dat geldt ook voor de toegevoegde waarde die Venlo biedt op het gebied van voedselproductie en gezonde voeding. De Brightlands Campus Greenport Venlo heeft haar vleugels uitgeslagen en er vindt fundamenteel en toegepast onderzoek plaats. Met een aanzienlijke economische spin-off als gevolg. Daarmee is het economisch fundament die dankzij de sterke basis op het gebied van de maakindustrie, logistiek en agribusiness verder is verbreed. Meer economie en minder beroepsbevolking biedt ook kansen voor diegenen die in het verleden minder gemakkelijk aan betaald werk konden komen. We hebben ontdekt dat menselijk kapitaal schaarser is geworden en er zorgvuldig mee moet worden omgegaan.

Een keur aan instrumenten en arrangementen hebben het in Venlo mogelijk gemaakt om zoveel mogelijk inwoners de kans te bieden op betaald werk, passend bij de mogelijkheden van zowel de werkgever als werknemer. Grenzeloos Wat betreft onze grensligging is het (relatieve) gemak toegenomen waarmee over en weer gebruik wordt gemaakt aan beide zijden van de grens van elkaars kwaliteiten en profiteren van elkaars aanwezigheid. De stedelijke en regionale programmering op een breed scala aan onderwerpen is veel hechter geworden Rol van de gemeente Venlo In de toekomst is de gemeente in staat op basis van ervaring een onderscheid te maken tussen de verschillende vormen die er bestaan tussen loslaten enerzijds en overnemen anderzijds. De gemeentelijke organisatie heeft ook een transformatie doorgemaakt. Digitalisering heeft het mogelijk gemaakt dat iedere inwoner, op ieder moment van de dag, snel zijn gegevens kan inzien en van onze dienstverlening gebruik kan maken.

32

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A

Uitsnede 'praatplaat' Strategische Visie Venlo 2040

Toepassing en conclusie Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling is het plan niet van invloed op de strategische koers van de gemeente Venlo. Vanuit deze visie zijn er dan ook geen belemmeringen voor het planvoornemen. 3.6.2 Omgevingsvisie Venlo 2040 De omgevingsvisie voor de gemeente Venlo, die is vastgesteld op 15 mei 2025, schets het beoogde toekomstbeeld voor Venlo voor 2040 aan de hand van een vijftal ambities: 1. 2. 3. 4. 5.

Venlo maakt een schaalsprong; Venlo gaat voor een vitale leefomgeving; Venlo zet in op een mobiliteitstransitie; Venlo werkt aan een waardevolle economie; Venlo wordt klimaatbestendig.

De vijf ambities Venlo maakt een schaalsprong Venlo ziet grote kansen om een forse schaalsprong te maken op het gebied van woningbouw, het voorzieningenniveau, bedrijvigheid en mobiliteit om zo ook een grote bijdrage te leveren aan de kwaliteit van leven in de hele gemeente in 2040 en daarna. Hoe dat invulling krijgt verschilt per gebied en wordt gebiedsgericht uitgewerkt en waarbij wordt ingezet op dynamische, gedifferentieerde en duurzame stedelijke woon- en werkmilieus. Bouwen in dorpen wordt gezien als sociaal investeren, waarbij het bouwen van voldoende woningen voor de (boven)lokale behoefte bijdraagt een de vitaliteit en levendigheid van dorpskernen en een impuls kan geven aan het voorzieningenniveau.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A

33

Venlo gaat voor een vitale leefomgeving De schaalsprong ziet niet alleen op een woningbouwopgave. Als contramal wordt ingezet op het bieden van een klimaatadaptieve en vitale leefomgeving, zowel vanuit ecologisch perspectief als vanuit het oogpunt van leefbaarheid. Dit onder meer door in te zetten op een robuuste groen-blauwe structuren binnen en buiten de stedelijke gebieden. De ambitie is daarbij ook te zorgen voor een omgeving die beweegvriendelijker is en waarbij de verkeersveiligheid en de luchtkwaliteit is verbeterd. Het bieden van voldoende passende ontmoetingsplekken, sportfaciliteiten en culturele voorzieningen is onderdeel van de ambitie, gelet op de gewenste sociale verbondenheid en vitale gemeenschappen. Venlo zet in op een goede mobiliteitstransitie Het mobiliteitssysteem zal op een toekomstbestendige manier moeten meegroeien om de gewenste schaalsprong goed tot zijn recht te kunnen laten komen. Daarbij gaat het om zowel de regionale als de lokale bereikbaarheid. Voor wat betreft de lokale bereikbaarheid wordt beoogd een transitie in gang te zetten naar een situatie waarin verplaatsing met het openbaar vervoer, de fiets en te voet maximaal wordt gefaciliteerd. Deze benadering past ook bij de ambitie om de verkeersveiligheid en leefbaarheid te verbeteren.

Venlo werkt aan een waardevolle economie Venlo richt zich op een duurzame en toekomstbestendige economische groei, waarbij het begrip brede welvaart vanuit economisch perspectief centraal staat en wil zich door te investeren in de kenniseconomie steviger profileren als innovatieve kennisstad, onder meer door goed functionerend onderwijs, het aantrekken van buitenlandse studenten en het maken van koppelingen tussen studenten en bedrijven. Zo gaat de economie 'van volume naar waarde'. Naast het bieden van ruimte voor het MKB en bedrijven in de circulaire economie op bestaande werklocaties is er ook ruimte voor nieuwe werklocaties. Voorts wordt ingezet op een verbreding van het economisch profiel, waarin de vrijetijdseconomie en de zorgsector steeds grotere rol speelt. Venlo wordt klimaatbestendig Venlo wil in 2040 een toonbeeld zijn van een groene en duurzame gemeente. Door robuust natuur-, water- en bodembeheer ontstaat een gezond en veerkrachtig ecosysteem. De Maas, bossen en andere natuurgebieden worden optimaal beleefbaar en bereikbaar gemaakt voor recreatie en toerisme, aansluitend op het stedelijk gebied. Ook wordt ingezet op het verhogen van de waterveiligheid en het vergroenen van de bebouwde omgeving, waarbij c.q. waarmee bescherming wordt geboden tegen hitte, droogte en wateroverlast.

Verder gaat een klimaatbestendig Venlo hand in hand met verduurzaming en de energietransitie. Het streven is in 2050 klimaatneutraal te zijn en een volledig circulaire economie te zijn. Voor het buitengebied is van belang dat bodem en water sturend zijn. Nieuwe functies volgen het landschap en de ondergrond.

Drie deelgebieden De verdere uitwerking van de ambities vindt in de visie plaats aan de hand van een visiekaart en een drietal deelgebieden, waarbinnen weer deelgebieden worden onderscheiden:

34

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A

Voor de planlocatie is het deelgebied 'Een aantrekkelijk en sterk Centraal stedelijk gebied' van belang. De locatie is aangemerkt als 'Werklocatie' en meer concreet als toekomstbestendig, kleinschalig bedrijventerrein.

Uitsnede kaart omgevingsvisie met globale aanduiding ligging planlocatie met zwarte marker

Het streefbeeld voor 2040 is dat Venlo (nog) een aantrekkelijke en innovatieve kennisstad is met (EU)regionale betekenis. Venlo is en blijft een belangrijke vestigingsplaats voor bedrijven in de agrofood, maakindustrie en logistieke sector, zowel op de grootschalige Tradeports als de meer kleinschalige bedrijventerreinen zoals onderhavig bedrijventerrein Kaldenkerkerweg. Naast het creëren van circa 40 hectare aan nieuw bedrijventerrein voor lokale en regionale bedrijven wordt ingezet op het beter benutten van de ruimte op bestaande bedrijventerreinen, onder meer door herstructurering. Verder wordt ingezet op het versnellen van de transitie naar duurzaamheid en circulariteit.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A

35

Toepassing en conclusie Gelet op de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling is de impact zeer beperkt. Hoewel strikt genomen sprake is van een uitbreiding, betreft het feitelijk meer een grenscorrectie, waarbij een perceelsgrens wordt 'rechtgetrokken'. Daarmee wordt een bestaand lokaal MKB-bedrijf gefaciliteerd dat een bijdrage levert aan het bereiken van een circulaire economie door recycling. De beoogde ontwikkeling sluit daarmee aan bij de beleidslijnen voor werklocaties 3.6.3 Agenda Groen en Water Met de in september 2020 vastgestelde Agenda Groen & Water verbreedt Venlo de traditionele koers van het groen- en waterbeleid en richt zich daarmee meer op functionaliteit, want groen en water dragen bij aan heel veel verschillende doelen. Dit is vertaald naar een multifunctionele groenblauwe basisstructuur, die men beter kan benutten en versterken. Ook de economische waarde van het groen en water wordt (h)erkend. Groen en water zijn onderdeel van het ruimtelijk vastgoed en dat vraagt een goed beheer. Zo blijft het groen en water duurzaam in stand en wordt vernietiging van dit kapitaal voorkomen: de basis op orde. Verder geldt uiteraard dat bij nieuwe ontwikkelingen ook groen en water als ontwerpprincipe worden meegenomen en zo klimaatdaptatief en toekomstbestendig te ontwikkelen.

Gezien het voorgaande dient bij nieuwe ontwikkelingen rekening te worden gehouden met klimaataspecten. Vermindering van verharding en bebouwingsoppervlak ten behoeve van het toevoegen van groen hebben hierop een gunstig effect en dragen in de regel ook bij aan de biodiversiteit en leefbaarheid. Het afkoppelen en infiltreren van water is ook van belang om droogte en wateroverlast te beperken. In de Agenda Groen en Water zijn deze zaken vertaald als beleidsrichtingen. Bij nieuwe ontwikkelingen dienen deze beleidsrichtingen vertaald te worden in de plannen. Toepassing en conclusie De Groenblauwe basiskaart die bij de Agenda Groen en Water hoort laat rond de toe te voegen strook bestaand groen zien, net als Natuurnetwerk Nederland. Op de gevolgen voor deze bestaande natuur als onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland en de uitwerking daarvan in de provinciale verordening: Natuurnetwerk Limburg is reeds ingegaan in paragraaf 3.4.3 van deze motivering. Kortgezegd blijkt daaruit dat de strook weinig natuurwaarde heeft, dan geen sprake is van een aantasting van wezenlijke kenmerken of waarden en dat wordt voorzien in compensatie.

36

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A

Uitsnede kaart Groenblauwe basisstructuur 3.6.4

Economische Visie Venlo 2030

Deze op 28 juni 2023 vastgestelde visie, met als ondertitel “Van volume naar waarde” gaat uit van een viertal basisprincipes bij de inzet op een duurzaam, en inclusief vestigingsklimaat: versterken van Venlo als kennisstad, door de kennisbasis van de stad en de regio naar een structureel hoger niveau te tillen; beperkt ruimte ruimte toestaan en bestaande ruimte beter benutten: meer (maatschappelijke) waarde halen uit de bestaande ruimte en hierbinnen inspelen op veranderingen op het gebied van klimaat en circulaire economie. actief de uitvoering van transities versnellen door te doen: het richten van de gemeentelijke inzet op toepassing in de praktijk, samen met bedrijven en kennisinstellingen en daarbij extra aandacht hebben en houden voor de positie van het MKB. positionering van Venlo als veelzijdig centrum van de (Eu)regio, niet alleen als logistieke hotspot, Greenport Venlo en koopcentrum, maar ook op het gebied van duurzame energie, onderwijs, recreatie, cultuur, retail en specialistische zorg. Het voornemen is een verandering op gang te brengen waarbij wordt gericht op een vijftal belangrijke sectoren: agrofood, maakindustrie, logistiek, vrijetijdseconomie en zorg.

Toepassing en conclusie Gelet op de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling is de impact zeer beperkt. Hoewel strikt genomen sprake is van een uitbreiding, betreft het feitelijk meer een grenscorrectie, waarbij een perceelsgrens wordt 'rechtgetrokken'. Daarmee wordt een bestaand lokaal MKB-bedrijf gefaciliteerd dat een bijdrage levert aan het bereiken van een circulaire economie door recycling. De beoogde ontwikkeling past binnen de kaders als geschetst in de Economische Visie Venlo 2023.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A

37

38

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A

Hoofdstuk 4 Gevolgen voor de fysieke leefomgeving 4.1

Milieuaspecten

4.1.1 Inleiding In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is van belang de gevolgen van de beoogde ontwikkeling voor de fysieke leefomgeving te beoordelen. Daarbij zijn de gevolgen van het planvoornemen voor de omgeving relevant, maar ook de invloed van die omgeving op (de locatie van) de beoogde ontwikkeling. Die aspecten komen hierna aan de orde. Voor een belangrijk deel van deze aspecten geldt dat instructieregels vanuit het Rijk en/of provincie aan de orde zijn aan de hand waarvan die beoordeling dient plaats te vinden. Deze instructieregels zijn reeds beschreven in Hoofdstuk 3 van deze motivering, hierna vindt de inhoudelijk toetsing plaats. Ook wordt ingegaan op andere aspecten waarvoor geen instructieregels zijn gesteld door het Rijk of de provincie maar die wel van belang zijn voor de beoordeling of de beoogde wijziging van het omgevingsplan voorziet in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.1.2 Omgevingsveiligheid Het bestaande bedrijf is – voor zover bekend en uitgaande van de huidige planologische mogelijkheden – géén bedrijf waarbinnen milieubelastende activiteiten plaatsvinden die externe veiligheidsrisico's met zich mee brengen. Het geldende bestemmingsplan c.q. omgevingsplan sluit dergelijke bedrijven (Bevi-bedrijven en Brzo-bedrijven) ook uit.

Er bestaat geen aanleiding om die mogelijkheden vanwege het planvoornemen wel te gaan bieden met de deze wijziging van het omgevingsplan. Risicobronnen in de omgeving betreffen volgens het Register Externe Veiligheid de spoorlijn Roermond – Venlo en de spoorlijn vanuit Venlo naar Kaldenkirchen (Basisnetroutes), de Rijksweg A73 (Basisnetroute) en een hoge druk gasleiding langs Egypte. Op grotere afstand ligt de Maas (Basisnetroute). Voor deze risicobronnen geldt dat de contouren van het plaatsgebonden risico of het brand- dan wel explosieaandachtsgebied de planlocatie niet overlappen.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A

39

Uitsnede kaartbeeld Register Externe Veiligheid via Atlas Leefomgeving, aanduiding ligging planlocatie met blauwe marker De planlocatie is wel gelegen binnen het gifwolkaandachtsgebied van eerder genoemde transportroutes en (mogelijk) de Rijksweg A74, die overigens geen onderdeel uitmaakt van een Basisnet-route. Het aanwezige bedrijf en de aanwezige bedrijfswoning zijn niet aan te merken als kwetsbaar of zeer kwetsbaar gebouw. Gelet op de beperkte omvang van de strook die wordt toegevoegd aan het bestaande bedrijfsterrein leidt deze uitbreiding niet tot een uitbreiding van het aantal binnen het bedrijf werkzame personen. Bovendien is de aanwezigheid van personen gelet op de aard en omvang van de activitieiten beperkt. Verder is vluchten mogelijk van de risicobron af en is geen sprake van verblijf van niet- of verminderd zelfredzame personen. Conclusie Gezien het voorgaande zijn er vanuit het oogpunt van omgevingsveiligheid geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling. 4.1.3 Kwaliteit van de buitenlucht De beoogde wijziging van het omgevingsplan voorziet in de toevoeging van circa 186 m2 aan gronden die gelet op de bestemming en inrichting als groen/bos geen verkeersaantrekkende werking kennen, aan het bedrijfsterrein van het naastgelegen recyclingbedrijf.

Uitgaande van kengetallen van de CROW leidt een 'gemengd (bedrijven)terrein' als hier aan de orde tot een verkeersgeneratie per netto hectare bedrijventerrein van 128 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal door personenauto's en 30 door vrachtauto's. Omgerekend naar 186 m2 gaat het dan – naar boven afgerond – om respectievelijk 3 en 1 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal van personenauto's en vrachtauto's. Met deze cijfers kan met toepassing van de NIBM-rekentool de bijdrage van het planvoornemen aan de luchtverontreiniging worden berekend. De NIBM-tool is een MS excel-applicatie op basis van de Standaardrekenmethode 1 (SRM-1). De rekenmethode voldoet aan de eisen van luchtkwaliteit onderzoeken van de huidige wet- en regelgeving. De NIBM-tool rekent met de meest actuele generieke invoergegevens zoals emissiefactoren wegverkeer en grootschalige achtergrond concentraties.

40

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A

Conclusie Zoals uit voorgaande afbeelding blijkt, draagt het planvoornemen niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging en is voor de beoogde planwijziging geen verder onderzoek naar de gevolgen van die wijziging voor de kwaliteit van de buitenlucht nodig. 4.1.4 Geluid Geluid door activiteiten Het planvoornemen betreft een relatief kleine uitbreiding van een bestaande bedrijfskavel en met de beoogde wijziging van het omgevingsplan wordt beoogde het planologisch gebruik van de betreffende gronden overeenkomstig de uitgangspunten als benoemd in paragraaf 2.1.2 van deze motivering mogelijk gemaakt. Niet wordt beoogd de planregels omtrent het geluid van activiteiten als opgenomen in hoofdstuk 22 van het gemeentelijk omgevingsplan (de zogenoemde bruidsschat) aan te passen. Gelet op het overgangsrecht als opgenomen in paragraaf 22.1.1 van de Omgevingswet hoeft dat ook (nog) niet. Tot het moment dat daarin wel wordt voorzien, gelden regels over het geluid van activiteiten op geluidgevoelige gebouwen op grond van paragraaf 22.3.4 van het gemeentelijk omgevingsplan (bruidsschat). Daarmee wordt er in voorzien dat geluid door activiteiten op de planlocatie aanvaardbaar is en blijft.

Gelet op de afstand tot de meest nabijgelegen geluidgevoelige gebouwen (in dit geval woningen aan de Kaldenkerkerweg) die zijn gelegen op minimaal 250 meter afstand en gelet op de tussenliggende bebouwing, kan redelijkerwijs ook goed worden voldaan aan die regels. Bovendien wordt de afstand tot die woningen niet kleiner als gevolg van de beoogde ontwikkeling en zal de geluidemissie gelet op de aard en omvang van de uitbreiding van het bedrijf redelijkerwijs beperkt zijn. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Het planvoornemen heeft geen betrekking op de aanleg, wijziging of het gebruik van wegen en lokale spoorwegen. Gelet op de verwachte toename van het aantal verkeersbewegingen (uitgaande van kencijfers uit de ASVV2021, zie ook paragraaf 2.1.3) is redelijkerwijs geen toename van het geluid van wegverkeer op geluidgevoelige gebouwen van 1,5 dB of meer te verwachten. Ook leidt de beoogde ontwikkeling niet tot indirecte akoestische effecten. Verder is van belang dat het bedrijf niet is gelegen op een industrieterrein waarop bedrijven zijn toegelaten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken, zoals bedoeld in artikel 5.78b Bkl, het bedrijf dergelijke activiteiten ook niet verricht of zal gaan verrichten, hetgeen in de planregels ook wordt uitgesloten.

Conclusie Gezien het voorgaande zijn er ten aanzien van geluid geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van de

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A

41

beoogde ontwikkeling. 4.1.5 Trillingen De afstand van het bedrijf tot de meest nabijgelegen trillinggevoelige gebouwen (in dit geval woningen aan de Kaldenkerkerweg) bedraagt minimaal 250 meter. Over een dergelijke afstand leiden industriële activiteiten bijna nooit tot goed voelbare trillingen, zo blijkt uit informatie die beschikbaar is via de website van Kenniscentrum Infomil. Gelet op de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling zijn ter plaatse van de meest nabijgelegen woningen redelijkerwijs geen voelbare trillingen, laat staan onaanvaardbare trillingen te verwachten. Bovendien zijn in hoofdstuk 22 van dit gemeentelijke omgevingsplan (de zogenoemde bruidsschat) regels opgenomen over het voorkomen van onaanvaardbare trillingen. Er wordt niet beoogd die planregels met deze wijziging van het omgevingsplan aan te passen. Gelet op het overgangsrecht als opgenomen in paragraaf 22.1.1 van de Omgevingswet hoeft dat ook (nog) niet. Die regels gelden ook voor de beoogde nieuwe activiteiten op de planlocatie, waarmee is geborgd dat geen onaanvaardbare trillingen in woningen van derden of in andere trillinggevoelige gebouwen ontstaan. Conclusie Gezien het voorgaande zijn er ten aanzien van trillingen geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling.

4.1.6 Bodemkwaliteit Relevant voor de beoogde wijziging is dat in de gebouwen die de wijziging van het omgevingsplan mogelijk maakt meer dan twee uur per dag aaneengesloten mensen aanwezig kunnen zijn. Daarmee maakt de beoogde planwijziging bodemgevoelige gebouwen mogelijk en is de planlocatie aan te merken als een bodemgevoelige locatie. Daarbij is wel van belang dat slechts van de aan het bedrijfsterrein toe te voegen strook van circa 186 m2 een wijziging van de functie plaatsvindt, de rest van het terrein heeft en houdt een functie als bedrijventerrein en krijgt met de wijziging van dit omgevingsplan geen functie die bodemgevoeliger is. Er zijn voor de voornoemde strook van circa 186 m2 geen concrete bouwplannen. In het geldende omgevingsplan zijn reeds regels opgenomen voor de toelaatbare bodemkwaliteit voor het bouwen van bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties (paragraaf 22.2.7.2, onderdeel van de zogenoemde bruidsschat). Die regels gelden ook voor de bouw van bodemgevoelige gebouwen op de planlocatie, waarmee is geborgd dat geen bodemgevoelige gebouwen kunnen worden gebouwd indien de toelaatbare bodemkwaliteit wordt overschreden. Er wordt niet beoogd de regels ten aanzien van de toelaatbare bodemkwaliteit als opgenomen in voornoemde paragraaf van het gemeentelijk omgevingsplan aan te passen.

Gelet op het overgangsrecht als opgenomen in paragraaf 22.1.1 van de Omgevingswet hoeft dat ook (nog) niet. Conclusie Gezien het voorgaande zijn er ten aanzien van de bodemkwaliteit geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling.

42

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A

4.1.7 Geur De gebouwen die de beoogde ontwikkeling toelaat zijn niet aan te merken als geurgevoelige gebouwen. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot de meest nabijgelegen geurgevoelige gebouwen (woningen aan de Kaldenkerkerweg, > 250 meter) kan onaanvaardbare geurhinder redelijkerwijs worden uitgesloten. Verder zijn in de directe omgeving van de planlocatie zijn geen zuiveringstechnische werken of agrarische activiteiten aan de orde waarvoor specifieke instructieregels gelden ten aanzien van geur. Bovendien is op de strook grond waarvan de functie wordt aangepast met de beoogde wijziging van het omgevingsplan geen geurgevoelige bebouwing toegestaan en heeft de gemeente Venlo in aanvulling op de geurgevoelige gebouwen als genoemd in artikel 5.91 Bkl géén andere gebouwen als geurgevoelig gebouw aangewezen in het omgevingsplan. Conclusie Gezien het voorgaande zijn er ten aanzien van geur geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling.

4.2

Gezondheid

Gelet op de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling, de conclusies van voorgaande paragrafen en de afstand tot de meest nabijgelegen woningen en andere milieugevoelige functies zijn redelijkerwijs geen onaanvaardbare gevolgen voor de gezondheid te verwachten. Vanuit het oogpunt van een positieve gezondheid kan nog worden opgemerkt dat de bereikbaarheid van de locatie vanuit woongebieden zowel te voet als per fiets goed is en er vanuit dat oogpunt geen belemmeringen zijn om lopen of fietsen te verkiezen boven gemotoriseerd verkeer om de locatie te bereiken.

4.3

Cultureel erfgoed

Zoals uit paragraaf 3.2.5.3 van deze motivering blijkt dient bij een wijziging van het omgevingsplan ook rekening te worden gehouden met cultuurhistorische waarden, waaronder ook begrepen archeologische waarden en werelderfgoed van uitzonderlijke universele waarde. Cultuurhistorische waarden Zoals blijkt uit de gemeentelijke cultuurhistorische inventarisatiekaart ligt het bestaande bedrijfsterrein op een locatie die in het verleden tot een oud bos heeft behoort, maar het gebied reeds sterk is gewijzigd. De strook die aan het bestaande bedrijfsterrein wordt toegevoegd ligt op de rand van het nog bestaande oude bos, maar maakt daar gelet op de feitelijke inrichting geen onderdeel van uit. Verder laat de inventarisatiekaart zien dan in het verleden nabij de locatie (smal)spoorlijnen aanwezig zijn geweest in verband met kleiwinningen ten noorden van de locatie en de deels nog aanwezige kleiwarenindustrie nabij de locatie. Die sporen zijn echter niet meer aanwezig. Van werelderfgoed van uitzonderlijke universele waarde is op de locatie, dan wel in de nabijheid daarvan geen sprake.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A

43

Uitsnede cultuurhistorische inventarisatiekaart met aanduiding van de ligging van de locatie met de rode marker.

Archeologische waarden In het geldende bestemmingsplan "Bedrijventerrein Kaldenkerkerweg " - als onderdeel van het omgevingsplan gemeente Venlo - is voor de locatie geen dubbelbestemming ter bescherming van archeologische (verwachtings)waarden opgenomen. De gemeentelijke kaart waarop de archeologische verwachtingswaarden zijn aangegeven laat een lage verwachtingswaarde zien. De beoogde wijziging van het omgevingsplan heeft betrekking op een functiewijziging met een oppervlakte van circa 186 m2 , die daarmee ruim beneden de ondergrens voor archeologisch onderzoek bij bodemingrepen van 5.000 m2 blijft. Aangezien voor het huidige bedrijfsterrein géén archeologische dubbelbestemming is opgenomen in het geldende bestemmingsplan/omgevingsplan, wordt geen aanleiding gezien daar nu alsnog wel in te voorzien door het toekennen van een functie aan de locatie met die strekking.

44

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A

Uitsnede gemeentelijke archeologische basiskaart met aanduiding van de ligging van de locatie met de rode marker

Conclusie Gezien het voorgaande zijn er ten aanzien van cultureel erfgoed geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling.

4.4

Stedenbouw & landschap

De locatie heeft geen bijzondere stedenbouwkundige waarde en voor de locatie gelden ook geen specifieke regels voor de ruimtelijke kwaliteit op basis van de vooralsnog geldende gemeentelijke welstandsnota (gebied is welstandsvrij). De locatie heeft ook geen bijzondere landschappelijke waarden. Dat geldt wel voor het aangrenzende oude bos, dat is aangegeven op de cultuurhistorische inventarisatiekaart, dat ook is aangeduid als Natuurnetwerk Limburg in de Omgevingsverordening Limburg en dat is aangeduid als onderdeel van de groenblauwe basisstructuur van de gemeente Venlo in de Agenda Groen en Water. De aan de bestaande bedrijfskavel toe te voegen strook maakt feitelijk echter geen onderdeel uit van het bestaande oude bos, waardoor de beoogde grenscorrectie met beperkte uitbreiding van de bestaande bedrijfskavel geen onaanvaardbare aantasting van landschappelijke waarden leidt. Op de gevolgen van de ontwikkeling voor het Natuurnetwerk Limburg is reeds ingegaan in paragraaf 3.4.3. Conclusie Gezien het voorgaande zijn er ten aanzien van stedenbouw en landschap geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling.

4.5

Natuur

Natuur – gebiedsbescherming

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A

45

Hoewel het bevoegd gezag ten aanzien van Natura 2000-activiteiten niet bij de gemeente ligt, maar bij de provincie (Gedeputeerde Staten) en in het Bal is voorzien in zowel een specifieke zorgplicht als een vergunningplicht voor Natura 2000-activiteiten, is dit aspect ook van belang in het kader van de afweging of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Ligging Natura 2000-gebieden ten opzichte van de planlocatie, die is aangeduid met een rode marker

Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is gelegen in Duitsland: 'Schwalm-Nette-Platte mit Grenzwald u. Meinweg'. Een deel van dat gebied ligt op ruim 3 kilometer ten noordoosten van de planlocatie en een deel aspect ligt op circa 1,2 afstand ten zuidoosten van de planlocatie. Het meest nabijgelegen Nederlandse Natura 200-gebied betreft 'Maasduinen', dat op ruim 10 kilometer ten noorden van de planlocatie is gelegen. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden kunnen externe effecten zoals geluid en lichthinder redelijkerwijs worden uitgesloten, met dien verstande dat dit voor wat betreft stikstofdepositie moeten worden aangetoond met een Aerius-berekening. Verder is van belang dat de ontwikkeling betrekking heeft op het Natuurnetwerk Limburg. Op de gevolgen van de ontwikkeling voor het Natuurnetwerk Limburg en de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling op dit punt is reeds ingegaan in paragraaf 3.4.3. Onderzoek: Aerius-berekening Voor zowel de realisatie van het planvoornemen (inrichting als bedrijfsterrein) als de gebruiksfase is door middel van de Aerius Calculator berekend of externe effecten op Natura 2000-gebieden in de vorm van stikstofdepositie te verwachten zijn (van meer dan 0,00 mol/hectare/jaar). De resultaten van die berekeningen zijn als Bijlage 1 bij deze motivering gevoegd.

Daaruit blijkt dat de stikstofdepositie als gevolg van het planvoornemen niet boven de 0,00 mol/hectare/jaar uitkomt, waarmee significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden in Nederland kunnen worden uitgesloten. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling kan redelijkerwijs ook worden gesteld dat het planvoornemen op Natura 2000-gebieden in Duitsland niet zal leiden tot overschrijding van de daar gehanteerde norm voor stikstofdepositie op Natura

46

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A

2000-gebieden van 7,14 mol/hectare/jaar. Conclusie gebiedsbescherming Gezien het voorgaande leidt de beoogde ontwikkeling niet tot significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden en zijn er vanuit dit oogpunt geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling. Natuur - soortenbescherming Ook het bevoegd gezag ten aanzien van flora- en fauna-activiteiten ligt niet bij de gemeente, maar bij de provincie (Gedeputeerde Staten). Ook op dit punt is in het Bal voorzien in zowel een specifieke zorgplicht als diverse vergunningplichten voor flora- en fauna-activiteiten, is dit aspect ook van belang in het kader van de afweging of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In het kader van een eenwichtige toedeling van functies aan locatie is van belang of de beoogde ontwikkeling gevolgen heeft voor beschermde soorten en hun nesten, foerageerplaatsen, voortplantingsplaatsen en rustplaatsen: zijn er aanwijzingen voor de aanwezigheid van dier(- en/of planten)soorten op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid daarvan, die zijn genoemd in: 1. bijlage I Vogelrichtlijn; 2. geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten 3. bijlage II, IV en V Habitatrichtlijn 4. bijlage IX Bal of rode lijsten plus belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats waar de genoemde dieren/planten leven.

als deze aanwijzingen er zijn: kan er worden vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: ga na welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; tref passende preventieve maatregelen om die nadelige gevolgen te voorkomen; ga tijdens en na het verrichten van de activiteit na of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en staak het verrichten van de activiteit als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen. Dit komt overeen met de specifieke zorgplicht als opgenomen in artikel 11.27 van het Bal. Onderzoek: quickscan flora en fauna Ten behoeve van deze ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd door Aelmans (d.d. 15 augustus 2024, kenmerk AMO24022), die als Bijlage 2 bij deze motivering is gevoegd.

Daaruit blijkt dat negatieve gevolgen voor beschermde soorten niet geheel kunnen worden uitgesloten voor wat betreft de Alpenwatersalamander, aangezien de nabij de locatie gelegen bosschage en poel mogelijk geschikt voortplantings- en landhabitat voor deze soort vormen. Het is niet uit te sluiten dat deze soort overwintert onder de hopen opgeslagen materiaal op de locatie. Negatieve gevolgen kunnen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de overwinteringsperiode (september t/m maart). Als gevolg van de ontwikkeling zal ook worden voorzien in een een 'harde' afbakening van de gehele noordelijke perceelsgrens van de bedrijfskavel, waardoor het ontstaan van nieuwe overwinteringsplekken door salamanders vanuit de bosschage / poel wordt voorkomen. Verder is een aandachtspunt dat op de planlocatie een haag van de Japanse Duizendknoop aanwezig is, die is

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A

47

aan te merken als een invasieve exoot, waarvan verspreiding bij werkzaamheden moet worden voorkomen.

Conclusie soortenbescherming Gezien het voorgaande zijn er - met inachtname van de overwinteringsperiode voor de Alpenwatersalamander - geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling vanuit het oogpunt van bescherming van beschermde soorten en hun hun nesten, foerageerplaatsen, voortplantingsplaatsen en rustplaatsen.

4.6

Water

Op de locatie waarop deze wijziging betrekking heeft is géén oppervlaktewater aanwezig, wel is ten noorden van de locatie oppervlaktewater aanwezig. Dit betreft geen water dat in beheer is bij het Waterschap Limburg. ook is geen sprake van watergangen of waterstaatswerken die in beheer zijn bij het waterschap. Verder is de planlocatie ook niet gelegen binnen een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. De planlocatie bestaat grotendeels uit een reeds bestaand bedrijfsterrein dat met circa 186 m2 wordt uitgebreid. De binnen het plangebied aanwezige gebouwen zijn reeds aangesloten op het bestaande riool. Ten aanzien van gevolgen voor de waterhuishouding is met name de omgang met hemelwater bij het toevoegen van bebouwing of verharding van belang. Daarvoor geldt - nu geen sprake is van wateren en waterstaatkundige werken van het waterschap in de omgeving - de gemeentelijke afkoppelbeslisboom, waarvan de toepassing bij uitbreiding van de bebouwde oppervlakte binnen het plangebied in de planregels is geborgd.

4.7

Milieueffectrapportage

Een plan-m.e.r.-plicht is aand e orde wanneer een besluit wordt voorbereid dat het kader schept voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit of wanneer een besluit wordt voorbereid waarvoor een zogenaamde passende beoordeling is vereist. Of sprake is van een kaderstellend plan voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit blijkt uit bijlage V van het Omgevingsbesluit. De beoogde activiteit valt strikt genomen als nieuw bedrijventerrein onder categorie J10. De wijziging van het omgevingsplan heeft echter betrekking op een klein gebied in verhouding met het totale grondgebied van de gemeente en het betreft slechts een beperkte wijziging van de regels van het ‘gemeentebrede’ omgevingsplan. Om die reden kan in beginsel worden volstaan met m.e.r.-beoordeling.

Bij deze beoordeling dient rekening te worden gehouden met de criteria van bijlage II bij de SMB-richtlijn: Kenmerken van het project; omvang van het project; cumulatie met andere projecten; gebruik van natuurlijke grondstoffen; productie van afvalstoffen; verontreiniging en hinder; risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën; plaats van het project: bestaand grondgebruik; relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied; het opnamevermogen van het natuurlijk milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit al worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang;

48

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A

kenmerken van het potentiële effect: bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking); grensoverschrijdend karakter van het effect; waarschijnlijkheid van het effect; duur, frequentie en de onomkeerbaarheid van het effect. Zoals uit deze motivering blijkt geven de kenmerken van de beoogde ontwikkeling, de locatie van de beoogde ontwikkeling en potentiële effecten van de beoogde ontwikkeling geen aanleiding aan te nemen dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden, waardoor het opstellen van een milieueffectrapport niet noodzakelijk of zinvol is.

4.8

Duurzaamheid

Zoals uit eerdere paragrafen blijkt wordt voorzien in een duurzaam ruimtegebruik en wordt afdoende rekening gehouden met klimaataspecten. Verder gelden voor nieuwe ontwikkelingen en dan met name nieuwe bebouwing duurzaamheidseisen op basis van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Het gaat dan om energieprestatie-eisen (BENG) die zien op de maximale energiebehoefte, maar ook op het gebruik van energiebronnen: er geldt een maximum voor de toepassing van fossiele energie in kWh per m2 gebruiksvloeroppervlak per jaar en juist een minimum aandeel uit hernieuwe energie (in %). Dit geldt voor zowel woningbouw als utiliteitsbouw. Daarnaast dient bij een aanvraag omgevingsvergunning voor nieuwe gebouwen ook de milieubelasting in beeld te worden gebracht voor de te gebruiken materialen (MilieuPrestatie Gebouwen of MPG). Dit laatste geldt alleen voor woningen en kantoorgebouwen en is ook uitgewerkt in het Besluit bouwwerken leefomgeving. Vooralsnog worden geen nieuwe gebouwen voorzien ten behoeve van deze ontwikkeling, maar mocht daar alsnog in worden voorzien, dan dient afhankelijk van de aard van het gebouw te worden voldaan aan BENG en eventueel MPG.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A

49

50

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A

Hoofdstuk 5 5.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Het verhaal van de gemaakte kosten is aan de orde indien de wijziging van het omgevingsplan een nieuwe (gebieds)ontwikkeling mogelijk maakt met daarin kostenverhaalplichtige activiteiten zoals genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit. Daarvan is in dit geval geen sprake. Gelet op de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling bestaat ook geen aanleiding te twijfelen aan de financiële uitvoerbaarheid van het planvoornemen.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Gelet op de aard en omvang van het planvoornemen is de impact op de omgeving beperkt en wordt - in lijn met het huidige beleid - ruimte geboden voor een lokaal MKB-bedrijf. De meest nabijgelegen woningen liggen op meer dan 250 meter afstand en de verkeersgeneratie als gevolg van het planvoornemen is zeer beperkt. Er worden daarom op voorhand geen belemmeringen gezien voor het draagvlak voor de ontwikkeling en de maatschappelijke impact ervan. Omliggende bedrijven, grondeigenaren en omwonenden zijn schriftelijk geïnformeerd over de beoogde ontwikkeling en in de gelegenheid gesteld een reactie te geven. Daarvan is geen gebruik gemaakt.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A

51

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/891/documents/23559