516716 Bijl01 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22A Trappistenweg 10-10A, toelichting.pdf
Tekst van het document
Motivering
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A Gemeente Venlo
TAM-OMGEVINGSPLAN - Motivering -
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A Gemeente Venlo
IDN-nummer:
NL.IMRO.0983.TAM202401TRAP1010A-VA01
Status:
vastgesteld
Datum:
18 augustus 2025
Locatie Nijmegen Wijchenseweg 102 6538 SX Nijmegen 024 - 322 45 79 info@pouderoyentonnaer.nl www.pouderoyentonnaer.nl
Locatie Rosmalen Berlicumseweg 6D 5248 NT Rosmalen
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding
5
1.1 1.2 1.3 1.4
5 5 7 7
Doel en aanleiding Afbakening projectlocatie Plaats binnen het omgevingsplan Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
Hoofdstuk 2 De beoogde ontwikkeling
9
2.1 2.2
9 11
Beschrijving van de beoogde ontwikkeling Het geldende omgevingsplan
Hoofdstuk 3 Beleid en regelgeving
13
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
Rijksbeleid Besluit kwaliteit leefomgeving: instructieregels Rijk Provinciaal beleid Omgevingsverordening Limburg: instructieregels provincie Regionaal beleid
13 15 23 25 30
3.6
Gemeentelijk beleid
31
Hoofdstuk 4 Gevolgen voor de fysieke leefomgeving
39
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8
39 43 43 45 45 48 48 49
Milieuaspecten Gezondheid Cultureel erfgoed Stedenbouw & landschap Natuur Water Milieueffectrapportage Duurzaamheid
Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid
51
5.1 5.2
51 51
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Toelichting
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A
3
4
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Doel en aanleiding
De gemeente Venlo is voornemens een strook grond aan de Trappistenweg te Tegelen te verkopen aan het naastgelegen bedrijf, gevestigd aan de Trappistenweg 10-10A. Het betreft een gedeelte van het perceel kadastraal bekend Tegelen, sectie B, nummer 5150 van circa 186 m2 . Deze strook heeft in het geldende bestemmingsplan “Bedrijventerrein Kaldenkerkerweg – Emmaplein” - van rechtswege onderdeel van het Omgevingsplan gemeente Venlo - de bestemming 'Bos'. Het bedrijf is voornemens deze strook toe te voegen aan diens bedrijfsterrein, hetgeen op basis van voornoemde bestemming niet mogelijk is. Daarom wordt voorzien in een wijziging van het omgevingsplan dat deze ontwikkeling faciliteert. In verband met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024, is een wijziging van het Omgevingsplan gemeente Venlo nodig om het voorgaande planologisch mogelijk te maken. Per voornoemde datum is het voor deze locatie geldende bestemmingsplan onderdeel geworden van het omgevingsplan, dat naast alle geldende ruimtelijke plannen binnen de gemeente bestaat uit een set regels die door het Rijk zijn overgedragen aan de gemeente door middel van de zogenoemde 'bruidsschat', als opgenomen in hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan.
Aangezien het voor de gemeente Venlo nog niet (goed) mogelijk is een wijziging van het omgevingsplan voor te bereiden volgens de nieuwe STOP/TPOD-standaarden, wordt gebruik gemaakt van de Tijdelijke Alternatieve Maatregel “TAM-IMRO”. Hoewel daarbij gebruik kan worden gemaakt van de vertrouwde IMRO-techniek die werd gebruikt voor het opstellen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen via ruimtelijkeplannen.nl, dient een zogenoemd “TAM-omgevingsplan” inhoudelijk wel te voldoen aan de wettelijke kaders die voortvloeien uit de Omgevingswet en daarop gebaseerde regelgeving, waaronder het criterium 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
1.2
Afbakening projectlocatie
Het bestaande bedrijfsterrein bestaat uit de kadastrale percelen Tegelen, sectie B, nr 5105, 5106, 4479 en 4618. Samen zijn deze percelen 4.960 m2 groot. Het door de gemeente Venlo over te dragen deel van het perceel B5150 is circa 186 m2 groot, waarmee de totale omvang op circa 5.146 m2 uitkomt. Gelet op het feit dat de betreffende strook relatief klein is en één geheel gaat vormen met het reeds bestaande bedrijfsterrein wordt het gehele terrein gehanteerd als afbakening van deze herziening van het omgevingsplan. Zo wordt voor het terrein één eenduidig kader voor de gebruiks- en bouwmogelijkheden geboden.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A
5
Globale aanduiding ligging projectlocatie
Globale afbakening van de strook die aan het bedrijfsterrein wordt toegevoegd
6
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A
1.3
Plaats binnen het omgevingsplan
In verband met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024, is een wijziging van het Omgevingsplan gemeente Venlo nodig om het voorgaande planologisch mogelijk te maken. Per voornoemde datum is het voor deze locatie geldende bestemmingsplan onderdeel geworden van het omgevingsplan, dat naast alle geldende ruimtelijke plannen binnen de gemeente bestaat uit een set regels die door het Rijk zijn overgedragen aan de gemeente door middel van de zogenoemde 'bruidsschat', als opgenomen in hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan. Deze ruimtelijke plannen en de bruidsschat vormen samen het zogenoemde 'tijdelijke deel' van het omgevingsplan. Deze wijziging van het omgevingsplan voorziet in een gehele vervanging van de voor de projectlocatie geldende bestemmingsplannen die onderdeel zijn van voornoemd tijdelijke deel van het omgevingsplan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 22.5 van de Omgevingswet. Aangezien het nog niet (goed) mogelijk c.q. wenselijk is een wijziging van het omgevingsplan vorm te geven en beschikbaar te stellen volgens de nieuwe STOP/TPOD-standaarden, wordt gebruik gemaakt van de Tijdelijke Alternatieve Maatregel “TAM-IMRO”.
Hoewel daarbij de IMRO2012-standaard wordt toegepast die ook werd gebruikt voor het opstellen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen via ruimtelijkeplannen.nl, dient een zogenoemd “TAM-omgevingsplan” inhoudelijk wél te voldoen aan de wettelijke kaders die voortvloeien uit de Omgevingswet en daarop gebaseerde regelgeving, waaronder het criterium 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Het TAM-omgevingsplan wordt ook onderdeel van het zogenoemde 'nieuwe deel' van het omgevingsplan.
1.4
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
Voorliggende motivering voorziet in de onderbouwing dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan het criterium 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL)'. Daartoe wordt hierna in hoofdstuk 2 eerst de beoogde ontwikkeling geschetst, waarbij ook wordt ingegaan op (de strijdigheden met) het geldende omgevingsplan. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op de relevante beleidskaders en instructieregels vanuit Rijk en provincie, net als het regionaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de gevolgen van de beoogde ontwikkeling voor de fysieke leefomgeving, waarna in hoofdstuk 5 tot slot wordt ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A
7
8
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A
Hoofdstuk 2 2.1
De beoogde ontwikkeling
Beschrijving van de beoogde ontwikkeling
2.1.1 Ligging en omgeving De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op een uitbreiding van het bedrijfsterrein Trappistenweg 10-10A, waar een recyclingbedrijf met een bedrijfswoning is gevestigd. Het terrein wordt aan de noordzijde met circa 186 m2 uitgebreid. Daarmee bestaat het bedrijfsterrein dan uit de kadastrale percelen Tegelen, sectie B, nr 5105, 5106, 4479 en 4618 en B5150 (gedeeltelijk). Samen zijn deze percelen - na de uitbreiding - circa 5.146 m2 groot.
Luchtfoto van de huidige situatie, met een globale aanduiding van de projectlocatie in rood
De projectlocatie grenst aan de westzijde aan de Trappistenweg. Dit betreft sinds de aanleg van de Rijksweg A74 een doodlopende weg. Aan de overzijde van de Trappistenweg ligt een bedrijf dat keramische dakpannen maakt. Aan de noordzijde grenst de projectlocatie aan een bosstrook en een nutsvoorziening en ten noorden daarvan de Rijksweg A74. Aan de oostzijde grenst de locatie aan een bedrijf dat zich richt op logistieke dienstverlening (o.a. opslag). Ten zuiden van de locatie is een bedrijf in sportvoeding en -supplementen gevestigd. De huidige activiteiten van het bedrijf op de locatie betreffen de aanvoer van en het scheiden van metaalafval en aanverwante zaken en het vervolgens afvoeren voor hergebruik van de gescheiden materialen.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A
9
Luchtfoto van de huidige situatie, met een globale aanduiding van de beoogde uitbreiding 2.1.2 Beoogd gebruik De strook van circa 186 m2 wordt zoals hiervoor aangegeven toegevoegd aan het bestaande bedrijfsterrein, dat kortgezegd wordt gebruikt ten behoeve van recycling van onder andere metaal. De gebruiksmogelijkheden zullen aansluiten aan bij hetgeen het huidige bestemmingsplan toestaat. Kortgezegd betreft dit bedrijvigheid van milieucategorie 2 tot en met 4.2, op basis van een toegesneden Staat van Bedrijfsactiviteiten. Daarmee wijzigt de bestemming c.q. functie van de strook van Bos naar Bedrijventerrein. In paragraaf 2.2 wordt nader ingegaan op het geldende bestemmingsplan c.q. omgevingsplan. Bedrijven die in aanzienlijke mate geluid kunnen produceren worden niet toegelaten nu het bedrijventerrein waarop het bedrijf is gevestigd geen industrieterrein betreft waarvoor een geluidproductieplafond is vastgesteld c.q. geen industrieterrein betreft dat een geluidzone kent en het niet wenselijk is dat een dergelijk industrieterrein ontstaat. Ook risicovolle bedrijven worden niet toegestaan, waaronder bedrijven worden verstaan die activiteiten uitoefenen als bedoeld in Bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Ook bedrijven die vanwege hun activiteiten zijn aan te merken als een Seveso-inrichting als bedoeld in paragraaf 3.3.1 Besluit activiteiten leefomgeving worden niet toegestaan. Ook voor wat betreft de bouwmogelijkheden wordt aansluiting gezocht bij de mogelijkheden die het vooralsnog geldende bestemmingsplan biedt en die in paragraaf 2.2 worden beschreven. Aan de beoogde wijziging ligt overigens geen concreet bouwplan of concreet inrichtingsplan ten grondslag. Door het 'rechttrekken' van de perceelsgrens worden de gebruiksmogelijkheden van het perceel geoptimaliseerd. Een aandachtspunt is dat het perceel aan de noordzijde direct grenst aan het Natuurnetwerk Limburg en dat in de perceelsgrens sprake is van een verschil in maaiveldniveau. De gronden ten noorden van het bedrijfsterrein liggen lager. Indien wordt gebouwd in of nabij de perceelsgrens (voor zover de regels dat toestaan) mag dit niet leiden tot wijzigingen in het verloop van het maaiveld buiten het bedrijfsterrein door bijvoorbeeld het ophogen of juist afgraven van gronden ten behoeve van de fundering c.q. de stabiliteit van bouwwerken.
10
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A
2.1.3 Verkeer en parkeren De uitbreiding van het bedrijfsterrein bedraagt circa 186 m2 . Uitgaande van CROW-kencijfers (ASVV2021) leidt een gemengd bedrijventerrein zoals hier aan de orde tot een verkeersgeneratie van circa 128 verkeersbewegingen van personenauto's en 30 van vrachtauto's, weekdaggemiddeld per netto hectare bedrijventerrein. Omgerekend naar circa 186 m2 gaat het dan om respectievelijk 3 verkeersbewegingen van personenauto's en 1 van een vrachtauto, weekdaggemiddeld. Uitgaande van diezelfde CROW-kencijfers bedraagt de parkeerbehoefte - uitgaande van een arbeidsextensief en bezoekersextensief bedrijf - minimaal 0,7 tot maximaal 1,2 parkeerplaatsen per 100 m2 . In dit geval is geen sprake van een concreet bouwplan. Ook zal gelet op de aard en omvang van de activiteiten en zeer beperkte uitbreiding van het bedrijfsterrein met slechts 3,75% van de oppervlakte de extra parkeerbehoefte zeer beperkt zijn. Die behoefte kan op eigen terrein worden opgevangen en zal ook niet leiden tot onevenredige parkeerhinder in de openbare ruimte
2.2
Het geldende omgevingsplan
Voor de locatie gelden vooralsnog en als onderdeel van het Omgevingsplan gemeente Venlo de volgende bestemmingsplannen: Naam Bedrijventerrein Kaldenkerkerweg - Emmaplein Paraplubestemmingsplan kamerbewoning Paraplubestemmingsplan reguleren onbenutte plancapaciteit wonen
Vaststellingsdatum 27 maart 2013 25 november 2020 25 november 2020
De bestemming van het huidige bedrijfsperceel is op basis van het geldende bestemmingsplan “Bedrijventerrein Kaldenkerkerweg – Emmaplein” (van rechtswege onderdeel van het Omgevingsplan gemeente Venlo) de bestemming “Bedrijventerrein” met de aanduiding 'bedrijf van categorie 4' en 'specifieke vorm van bedrijf – afvalverwerkend bedrijf'. De bestaande bedrijfswoning is aangeduid als 'bedrijfswoning'.
Uitsnede verbeelding geldende bestemmingsplan met globale afbakening planlocatie in rood
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A
11
Kort samengevat zijn toegestaan: Bedrijven van categorie 2 en 3 als opgenomen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten, met uitzondering van Bevi- en BRZO-bedrijven en geluidzoneringsplichtige bedrijven; bedrijven van milieucategorie 4, gezien de opgenomen aanduiding 'bedrijf van categorie 4'; productiegebonden detailhandel met een maximale oppervlakte van 300 m2 , met uitzondering van detailhandel in voedings- en genotsmiddelen (art. 6.1, sub e planregels); een bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning'; daarbij behorende voorzieningen zoals waterhuishoudkundige voorzieningen, wegen en paden, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen e.d. Daarbij geldt dat op eigen terrein dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid; verder zijn gelet op de opgenomen aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - afvalverwerkend bedrijf' ook afvalverwerkende bedrijven toegestaan. De strook van circa 186 m2 groot die de gemeente wenst te verkopen aan het bedrijf heeft in het geldende bestemmingsplan “Bedrijventerrein Kaldenkerkerweg – Emmaplein” de bestemming "Bos". Die bestemming staat de beoogde bedrijfsactiviteiten niet toe.
Verder is van belang dat over een groot deel van de strook van circa 186 m2 die gaat voorzien in de uitbreiding van de bestaande bedrijfskavel en een klein deel van die bedrijfskavel een aanduiding 'vrijwaringszone – weg' ligt, die is ingetekend op een afstand van 100 meter uit de buitenste kantstreep van de Rijksweg A74. De parapluplannen betreffen partiële herzieningen van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Kaldenkerkerweg - Emmaplein" en wijzigen de regels die betrekking hebben op wonen, om kamerbewoning en kamerverhuur en de plancapaciteit voor nieuwe woningen beter te kunnen reguleren. Die plannen zijn echter niet van invloed op de beoogde ontwikkeling. Gelet op het voorgaande is een herziening van de gebruiks- en bouwmogelijkheden voor de strook van circa 186 m2 nodig om deze strook aan het bestaande bedrijfsterrein toe te voegen. Om een eenduidig planologische kader voor het gehele bedrijfsterrein te kunnen bieden, wordt het huidige bedrijfsterrein betrokken in deze wijziging van het omgevingsplan.
12
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A
Hoofdstuk 3 3.1
Beleid en regelgeving
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Voorsorterend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet is op 11 september 2021 de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld en in werking getreden. Met de NOVI biedt het Rijk een duurzaam toekomstperspectief voor onze leefomgeving. Met ruim 17 miljoen mensen op ruim 41.000 m2 is het zoek goede keuzes te maken ten aanzien van ruimtebeslag, om Nederland over 30 jaar nog steeds een plek te laten zijn waar het goed wonen, werken en recreëren is. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen de 21 nationale belangen die in de NOVI worden onderscheiden. De belangrijkste keuzes zijn: De inpassing van duurzame energie(opwekking) met oog voor omgevingskwaliteit. Het bieden van ruimte voor een overgang naar een circulaire economie Woningbouw faciliteren in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden. Landgebruik meer in balans laten zijn met natuurlijke systemen. Het realiseren van deze wensen, het benutten van kansen en het oplossen van knelpunten vraagt om samenwerking tussen overheden. Zowel bij nationale vraagstukken als bij gebiedsgerichte regionale opgaven.
In de NOVI worden een viertal prioriteiten benoemd, met de bijbehorende beleidskeuzes. De voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan relevante keuzes worden hierna samengevat weergegeven.
1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. We reserveren voldoende ruimte voor toekomstige waterveiligheidsmaatregelen.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A
13
We maken de energie-infrastructuur geschikt voor duurzame energiebronnen en reserveren daarvoor ruimte. We passen duurzame energie in met oog voor de kwaliteit van de omgeving en combineren deze zo veel mogelijk met andere functies, zoals zonnepanelen op daken en clustering van windmolens. Voor de inpassing van duurzame energie op land worden regionale energiestrategieën opgesteld. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel De Nederlandse economie verandert van karakter en is in 2050 geheel circulair en de broeikasgasemissies zijn dan met 95% gereduceerd, met 55% reductie als beoogd tussendoel in 2030. We zetten in op optimale (inter)nationale bereikbaarheid van steden en economische kerngebieden in het Stedelijk Netwerk Nederland. Overheden investeren in een aantrekkelijke, gezonde en veilige leefomgeving in steden en regio's en bevorderen een aantrekkelijk vestigingsklimaat. 3. Sterke en gezonde steden en regio's We versterken het Stedelijk Netwerk Nederland door de ontwikkeling van de stedelijke regio's te ondersteunen en te zorgen voor goede onderlinge en externe verbindingen. Verstedelijking koppelen we aan de ontwikkeling van de (ov-) infrastructuur en vindt plaats in de regio's waar er vraag is. Het Rijk hanteert een integrale verstedelijkingsstrategie. Dit is een samenhangende aanpak van wonen, werken, mobiliteit, gezondheid, veiligheid en leefomgevingskwaliteit.
Zo kunnen steden zich duurzaam ontwikkelen. Verstedelijking vindt geconcentreerd plaats in de regio. Toe te voegen nieuwe woon- en werklocaties worden zorgvuldig en op efficiënte wijze ingepast met oog voor beschikbare ruimte en mobiliteit. Het woningaanbod in de regio's sluit aan bij de vraag naar aantallen en typen woningen, woonmilieus en prijsklasse. We richten de leefomgeving zo in dat deze een actieve, gezonde leefstijl en maatschappelijke participatie bevordert. We verbeteren de luchtkwaliteit, zodat in 2030 wordt voldaan aan de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie. We versterken het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad en verbeteren de aansluiting op het groene gebied buiten de stad. Een natuurinclusieve ontwikkeling van de stedelijke regio's en natuurinclusief bouwen zijn het uitgangspunt. We richten steden en regio's klimaatbestendig in. Het stedelijke mobiliteitssysteem levert een goede bereikbaarheid op. De auto, het ov, fietsen en lopen zijn onderling verknoopt. Het systeem draagt zo bij aan een gezonde leefomgeving en een gezonde leefstijl. Voor gebieden buiten het Stedelijk Netwerk Nederland, die liggen aan de grens van het land en/of waar vraagstukken rond bevolkingsdaling spelen, ontwikkelen de overheden gezamenlijk een integrale gebiedsgerichte aanpak. 4.
Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Unieke landschappelijke kwaliteiten worden versterkt en beschermd. Nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied voegen landschapskwaliteit toe. Omgevingsbeleid wordt landschapsinclusief. Conclusie Gezien de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling is het planvoornemen niet van invloed op deze nationale doelen en belangen en vormen die doelen en belangen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
14
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A
3.2
Besluit kwaliteit leefomgeving: instructieregels Rijk
3.2.1 Inleiding Het Rijk kan met het oog op nationale belangen en die belangen die niet op een doelmatige en doeltreffende wijze door het gemeentebestuur kunnen worden behartigd instructieregels stellen over de uitoefening van taken en bevoegdheden door gemeentebesturen. Bij het wijzigen van het gemeentelijk omgevingsplan – als hier aan de orde – gelden instructieregels als opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze instructieregels hebben betrekking op:
Afdeling 5.1 Besluit kwaliteit leefomgeving het waarborgen van de veiligheid (paragraaf 5.1.2); het beschermen van de waterbelangen (paragraaf 5.1.3); het beschermen van de gezondheid en het milieu (paragraaf 5.1.4); het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5); het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6); het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7); het gebruik van bouwwerken (paragraaf 5.1.7a) het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8); Afdeling 5.2 Besluit kwaliteit leefomgeving het voorkomen van belemmeringen voor het gebruik en het beheer van de hoofdspoorinfrastructuur en van Rijkswegen; het lozen van industrieel afvalwater op het openbaar vuilwaterriool; het vastleggen van een bebouwingscontour jacht en bebouwingscontour houtkap. Hierna wordt de strekking van die instructieregels beknopt beschreven, waarna wordt ingegaan op de relevantie voor en toepassing op het beoogde planvoornemen.
Gelet op de aard van de ontwikkeling, waarbij geen woningbouw is voorzien en ook niet wordt voorzien in openbare buitenruimte, blijven de instructieregels over het gebruik van bouwwerken (paragraaf 5.1.7a Bkl) en de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte (paragraaf 5.1.8 Bkl) buiten beschouwing. 3.2.2 Het waarborgen van de veiligheid Inleiding In paragraaf 5.1.2 van het Bkl is voorzien in instructieregels met betrekking tot omgevingsveiligheid. De kern van deze paragraaf is dat bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het voorkomen en beperken van risico's van branden, rampen en crises (verder: incidenten), het bestrijden van de gevolgen van dergelijke incidenten en de mogelijkheden van personen om zich in veiligheid te brengen wanneer zich een incident voordoet. Deze instructieregel is opgenomen in artikel 5.2 Bkl en verder geconcretiseerd in een aantal instructieregels die zijn opgenomen in paragraaf 5.1.2 Bkl. Kort samengevat wordt in die instructieregels uitgegaan van een onderscheid in vijf kwetsbare functies: beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Bij het toelaten van dergelijke kwetsbare functies dient te worden getoetst
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A
15
aan de opgenomen instructieregels, waarbij – net als vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet – onderscheid wordt gemaakt tussen het plaatsgebonden risico en groepsrisico vanwege risicobronnen. Andersom zijn deze instructieregels ook relevant bij het toelaten van nieuwe risicobronnen nabij kwetsbare functies. Toepassing en conclusie In paragraaf 4.1.2 van deze motivering wordt inhoudelijk ingegaan op dit aspect. Zoals uit die paragraaf blijkt, vormt dit aspect geen belemmering voor het planvoornemen en wordt daarmee voldaan aan deze instructieregels. 3.2.3 Het beschermen van de waterbelangen Inleiding Bij het wijzigen van het omgevingsplan dient rekening te worden gehouden met de gevolgen van die wijziging voor het beheer van watersystemen, zolgt uit paragraaf 5.1.3 Bkl. Daarbij worden de opvattingen van de beheerder van het watersysteem betrokken. Verder is in genoemde paragraaf voorzien in instructieregels ten aanzien van primaire waterkeringen, het kustfundament, het rivierbed van en reserveringsgebieden voor grote rivieren en het IJsselmeer.
Toepassing en conclusie Het planvoornemen is niet van invloed op primaire waterkeringen, het kustfundament, het rivierbed van of reserveringsgebieden voor een grote rivier of het IJsselmeer. In paragraaf 4.6 van deze motivering wordt inhoudelijk ingegaan op de relevante wateraspecten. Zoals uit die paragraaf blijkt, zijn geen waterbelangen in het geding en is daarover ook advies ingewonnen bij het Waterschap Limburg. Daarmee wordt voldaan aan deze instructieregels. 3.2.4
Het beschermen van de gezondheid en het milieu
3.2.4.1 Inleiding In paragraaf 5.1.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn instructieregels opgenomen ten aanzien van diverse milieuaspecten zoals luchtkwaliteit, geluid, trillingen, bodemkwaliteit en geur. Die aspecten komen hierna achtereenvolgens aan bod. 3.2.4.2 De kwaliteit van de buitenlucht Inleiding Wanneer met de wijziging van het omgevingsplan activiteiten worden toegelaten die een toename van de verkeersintensiteit veroorzaken op wegen, vaarwegen of spoorwegen of het activiteiten betreft waarover in het Besluit activiteiten leefomgeving regels zijn gesteld met het oog op het beperken van de verontreiniging van de lucht, dienen de gevolgen voor de kwaliteit van de buitenlucht te worden beschouwd. Wanneer de betreffende activiteiten niet leiden tot een verhoging van de kalendergemiddelde concentratie van stikstofdioxide en fijnstof (PM1 0) in de buitenlucht van meer dan 1,2 µg/m3 en geen sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 5.53, eerste lid Bkl of wanneer sprake is van een 'standaardgeval' als bedoeld in artikel 5.54 Bkl, draagt de ontwikkeling niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
Wanneer sprake is van het mogelijk maken van meerdere activiteiten binnen een bepaalde afstand die gebruik gaan maken van dezelfde ontsluitingsweg binnen een periode van vijf jaar na vaststelling van de wijziging van het omgevingsplan, worden gevolgen cumulatief beschouwd, voor zover die activiteiten afzonderlijk een bijdrage aan de luchtverontreiniging opleveren van 0,1 µg/m3 of meer. Toepassing en conclusie
16
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A
Gelet op de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling en zoals ook blijkt uit de inhoudelijke toets van de gevolgen voor de kwaliteit voor de buitenlucht als opgenomen in paragraaf 4.1.3 draagt de ontwikkeling niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Daarmee wordt voldaan aan deze instructieregels. 3.2.4.3 Geluid door activiteiten Inleiding Bij het toelaten van activiteiten – anders dan wonen – die geluid kunnen veroorzaken op geluidgevoelige gebouwen bij het wijzigen van het omgevingsplan, dient rekening te worden gehouden met dat geluid op geluidgevoelige gebouwen en moet erin worden voorzien dat het geluid van die activiteiten op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Daarvan is sprake wanneer de standaardwaarden als opgenomen in artikel 5.65 Bkl worden overgenomen in het omgevingsplan. Dit betreft standaardwaarden voor toelaatbaar geluid op de gevel van (geprojecteerde) geluidgevoelige gebouwen en locaties voor woonschepen en woonwagens en grenswaarden voor toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen. Op een bedrijventerrein – zoals hier aan de orde – zouden de standaardwaarden voor toelaatbaar geluid op de gevels van geluidgevoelige gebouwen voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,L) en het maximaal geluidniveau (LAmax) eventueel met 5 dB(A) kunnen worden verhoogd.
Daarnaast bieden de instructieregels op onderdelen ruimte om andere waarden te hanteren in het plan of om er op een andere wijze in te voorzien dat het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Verder zien de instructieregels onder meer op het uitsluiten van bepaalde activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken en het uitzonderen van de regels over geluid voor activiteiten op geluidgevoelige gebouwen voor bepaalde activiteiten zoals het geluid van hulpverleningsvoertuigen, gladheidsbestrijdingsvoertuigen en traumahelikopters en menselijk stemgeluid. Daarnaast zijn er voor enkele specifieke activiteiten ook specifieke instructieregels opgenomen, zoals voor windturbines en windparken, civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen. Deze instructieregels zijn niet relevant voor onderhavige planlocatie en worden daarom niet verder beschreven Verder is van belang dat het voorgaande niet geldt voor geluid van activiteiten op geluidgevoelige gebouwen die een (voormalige) functionele binding hebben met die activiteit, zoals in dit geval de eigen bedrijfswoning.
En tot slot is van belang dat ondanks het feit dat het begrip 'inrichting' met de invoering van de Omgevingswet is losgelaten, activiteiten als één activiteit worden beschouwd als meerdere activiteiten worden verricht op dezelfde locatie en die óf rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan, óf ze elkaar functioneel ondersteunen. Tot slot is van belang dat op grond van dit gemeentelijk omgevingsplan reeds regels over het geluid van activiteiten op geluidgevoelige gebouwen gelden op grond van paragraaf 22.3.4 van dit omgevingsplan (de zogenoemde bruidsschat). Daarmee wordt er in voorzien dat geluid door activiteiten op de planlocatie aanvaardbaar is en blijft. Niet wordt beoogd de planregels omtrent het geluid van activiteiten als opgenomen in hoofdstuk 22 van het gemeentelijk omgevingsplan (de zogenoemde bruidsschat) aan te passen. Gelet op het overgangsrecht als opgenomen in paragraaf 22.1.1 van de Omgevingswet hoeft dat ook (nog) niet. Toepassing en conclusie Gelet op de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling, de afstand tot de meest nabij gelegen woningen en zoals ook blijkt uit de inhoudelijke toets als opgenomen in paragraaf 4.1.4 is als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen onaanvaardbare geluidhinder te verwachten. Daarmee wordt voldaan aan deze instructieregels.
3.2.4.4 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Inleiding Voor zover het geluid van wegen en spoorwegen betreft wordt onderscheid gemaakt tussen wegen en
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A
17
spoorwegen met geluidproductieplafond en zonder geluidproductieplafond. Ook voor industrieterreinen waarop activiteiten worden toegelaten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken, geldt een systematiek van geluidproductieplafonds. Op het bedrijventerrein waarvan de planlocatie onderdeel uitmaakt zijn geen activiteiten toegestaan die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken. Gelet op de beschrijving van het planvoornemen in paragraaf 2.1 van deze motivering, worden dergelijke activiteiten op de planlocatie ook niet mogelijk gemaakt met deze wijziging van het omgevingsplan. De instructieregels die in het Bkl zijn opgenomen ten aanzien van industrieterreinen met een geluidproductieplafond blijven daarom buiten beschouwing. De instructieregels voor geluid door wegen en lokale spoorwegen zonder geluidproductieplafonds hebben betrekking op de aanleg of het wijzigen van een gemeenteweg of waterschapsweg, dan wel lokale spoorweg en een wijziging van het gebruik van een lokale spoorweg. In die gevallen dient rekening te worden gehouden met het geluid van die wegen en spoorwegen op geluidgevoelige gebouwen en dient het omgevingsplan erin te voorzien dat dat geluid binnen een geluidsaandachtsgebied aanvaardbaar is.
Ook is voorzien in instructieregels aan de hand waarvan moet worden beoordeeld of het toelaten van geluidgevoelige gebouwen in geluidsaandachtsgebied aanvaardbaar is. Deze instructieregels gelden voor zowel geluidaandachtsgebieden langs wegen met als zonder geluidproductieplafond. Hierbij is verder relevant dat zolang voor een weg nog geen geluidaandachtsgebied is bepaald aan de hand van de basisgeluidemissie, in de Omgevingsregeling is voorzien in overgangsrecht dat inhoudt dat het geluidaandachtsgebied wordt bepaald aan de hand van vaste afstanden tot de (spoor)weg. Tot slot dient bij het wijzigen van het omgevingsplan ook rekening te worden gehouden met indirecte akoestische effecten. Zo dient bij wijzigingen die een toename van de verkeerintensiteit op een weg of spoorweg veroorzaken te worden onderzocht of die wijziging leidt tot een toename van het geluid op geluidgevoelige gebouwen van 1,5 dB en zo ja, of bijvoorbeeld beperking van die toename door geluidbeperkende maatregelen mogelijk is. Ook is voorzien in instructieregels die gelden voor situaties waarin wijzigingen in een geluidsaandachtsgebied plaatsvinden die gevolgen hebben voor de geluidsoverdracht.
Toepassing en conclusie Gelet op de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling, het feit dat de ontwikkeling niet voorziet in de aanleg, wijziging of het het gebruik van wegen lokale spoorwegen, dan wel het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw binnen het geluidsaandachtsgebied van een dergelijke (spoor)weg, vormt het geluid vanwege wegen en spoorwegen geen belemmering voor het planvoornemen. Zoals ook blijkt uit de inhoudelijke toets in paragraaf 4.1.4 is ook geen sprake van indirecte akoestische die een belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling. Daarmee wordt voldaan aan deze instructieregels. 3.2.4.5 Trillingen Inleiding Bij een wijziging van het omgevingsplan dient rekening te worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen en dient er in te worden voorzien dat die trillingen in de genoemde ruimten van de genoemde gebouwen aanvaardbaar zijn. Trillinggevoelige ruimten zijn onder meer verblijfsruimten en verblijfsgebieden in gebouwen met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie met bedgebied of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied.
Ruimten in een gebouw met een industriefunctie vallen er niet onder en de instructieregels gelden niet voor trillinggevoelige ruimten in trillinggevoelige gebouwen die een (voormalige) functionele binding hebben met de activiteit die de trillingen kan veroorzaken.
Toepassing en conclusie Gelet op de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling, de afstand tot de meest nabijgelegen
18
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A
trillingsgevoelige gebouwen en zoals ook blijkt uit de inhoudelijke toets als opgenomen in paragraaf 4.1.5, leidt de beoogde ontwikkeling niet tot onaanvaardbare trillingen. Bovendien gelden voor de beoogde activiteiten op grond van paragraaf 22.3.5 van het omgevingsplan reeds regels die voorzien in het voorkomen van onaanvaardbare trillingen. 3.2.4.6 Bodemkwaliteit Inleiding In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn instructieregels opgenomen over de bodemkwaliteit voor bodemgevoelige locaties. Dit zijn locaties waarop bodemgevoelige gebouwen en daarbij behorende aangrenzende, aaneengesloten tuinen en terreinen zijn toegelaten op basis van het omgevingsplan. Dit zijn gebouwen die geheel of gedeeltelijk de bodem raken en waarvoor het aannemelijk is dat er voor meer dan twee uur per dag aaneengesloten mensen aanwezig zullen zijn. De instructieregels gelden ook voor locaties waar woonschepen of woonwagen zijn toegelaten op basis van het omgevingsplan. De strekking van de instructieregels is dat in een omgevingsplan waarden worden opgenomen voor de toelaatbare bodemkwaliteit voor het bouwen van bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties en dat bij een overschrijding van die waarden sanering plaatsvindt of andere beschermende maatregelen worden getroffen.
Bij het bepalen van voornoemde waarden dient rekening te worden gehouden met de interventiewaarden bodemkwaliteit als opgenomen in Bijlage IIA van het Bal, maar er kan ook worden voorzien in hogere waarden. Verder dient in het omgevingsplan te worden voorzien in bepaalde regels voor locaties waarvoor nazorg aan de orde is, zoals het in stand houden en onderhouden c.q. vervangen van na sanering aangebrachte afdeklagen en tijdelijke beschermingsmaatregelen die blootststelling aan een niet weggenomen bron van verontreiniging voorkomen. Toepassing en conclusie Er is geen sprake is van een concreet bouwplan voor een bodemgevoelig gebouw. Zoals blijkt uit de inhoudelijke toets als opgenomen in paragraaf 4.1.5, is in het omgevingsplan voldoende geborgd dat wanneer zich een concreet bouwplan aandient, ook onderzoek plaatsvindt naar de bodemkwaliteit en daarbij moet worden aangetoond dat wordt voldaan aan de toelaatbare bodemkwaliteit. Daarmee wordt voldaan aan deze instructieregels. 3.2.4.7 Geur Inleiding In paragraaf 5.1.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn voorts instructieregels opgenomen over het veroorzaken van geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen.
Dit zijn in ieder geval gebouwen of delen van gebouwen met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie met bedgebied of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied, alsmede nevengebruiksfuncties van die functies. Het gaat niet alleen om feitelijk bestaande gebouwen, maar ook om gebouwen die op basis van het omgevingsplan zijn toegelaten, maar nog niet zijn gerealiseerd. In het omgevingsplan kunnen verder ook andere gebouwen of locaties als geurgevoelig worden aangewezen, mits in die gebouwen c.q. op die locaties hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. Ook voor geur geldt dat de aan te houden afstanden of geurnormen (waarden) niet gelden voor geurgevoelige gebouwen die een (voormalige) functionele binding hebben met de geurveroorzakende activiteit. Bij het wijzigen van het omgevingsplan dient rekening te worden gehouden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en het omgevingsplan dient er in te voorzien dat die geur aanvaardbaar is. In aanvulling op de hiervoor beschreven 'algemene' instructieregels voor geur, gelden voor enkele specifieke activiteiten aanvullende instructieregels. Het betreft geur vanwege zuiveringstechnische werken, geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (bijvoorbeeld stallen), geur door andere agrarische activiteiten (bijvoorbeeld de opslag van mest en compost en de opslag van kuilvoer).
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A
19
Toepassing en conclusie Gelet op de aard van de beoogde ontwikkeling wordt met de wijziging van het omgevingsplan geen geurgevoelige bebouwing toegestaan. Zoals blijkt uit de inhoudelijke toets in paragraaf 4.1.7 is redelijkerwijs ook geen onaanvaardbare geurhinder te verwachten vanwege het planvoornemen. Daarmee vormt het aspect geur geen belemmering voor het planvoornemen en wordt voldaan aan deze instructieregels. 3.2.5
Landschappelijkewaarden, stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed
3.2.5.1 Inleiding In paragraaf 5.1.5 zijn een aantal uiteenlopende instructieregels gebundeld die betrekking hebben op de bescherming van landschappelijke waarden, stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed. Ook de ladder voor duurzame verstedelijking is hier in onder gebracht. Een deel van de instructieregels heeft betrekking op de kustlijn, de Waddenzee en het Waddengebied. Die worden buiten beschouwing gelaten, maar de overige instructieregels komen hierna aan bod. 3.2.5.2 Ladder voor duurzame verstedelijking Inleiding Artikel 5.129g Bkl is van toepassing op stedelijke ontwikkelingen die betrekking hebben op de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.
Voor zover een wijziging van een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. Toepassing en conclusie Deze afwegingsladder was voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. In dat kader is ook jurisprudentie gevormd die kan worden toegepast bij de beantwoording van de vraag wanneer een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel is. Voor bedrijfsmatige activiteiten werd een ondergrens van 500 m2 aangehouden. Daar blijft de beoogde ontwikkeling met een uitbreiding van de bedrijfskavel van circa 186 m2 onder.
Voor wat betreft de bestaande bedrijfskavel die omwille van een logische begrenzing van de planlocatie wordt meegenomen geldt dat dit geen nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft, nu de bestaande planologische mogelijkheden worden overgenomen en er in ieder geval geen nieuwe planologische mogelijkheden worden geboden voor dat deel van de planlocatie. 3.2.5.3 Cultureel erfgoed en werelderfgoed Inleiding Bij een wijziging van het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten en met het oog op het belang van het behoud van dat cultureel erfgoed moet in een omgevingsplan in ieder geval worden voorzien in regels ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij
20
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A
rekening wordt gehouden met een aantal beginselen: het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten en archeologische monumenten; het voorkomen van verplaatsing van op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend is vereist voor het behoud van die monumenten; het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden; het voorkomen van aantasting van: 1. de omgeving van rijksmonumenten, voorbeschermde rijksmonumenten en monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, voor zover die monumenten door die aantasting worden ontsierd of beschadigd; en 2. het karakter van in het omgevingsplan beschermde stads- of dorpsgezichten of beschermde cultuurlandschappen door de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen of andere belangrijke veranderingen; en het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.
Daarnaast kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan ook regels worden gesteld over in welke gevallen onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie moet worden verricht (bij een bodemverstoring meer dan 100m2 ), de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden.
Toepassing en conclusie In paragraaf 4.3 van deze motivering is een beschouwing van de cultuurhistorische waarde van de planolocatie en de impact van de beoogde ontwikkeling daarop opgenomen. Daaruit blijkt dat er op dit punt geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen. Uit diezelfde paragraaf blijkt dat sprake is van een lage archeologische verwachtingswaarde waarbij enkel archeologisch onderzoek nodig bij bodemingrepen dieper dan 40 cm beneden maaiveld en een oppervlakte groter dan 5.000 m2 . Dergelijke grote bodemingrepen worden ten behoeve van het planvoornemen niet voorzien. Gezien het voorgaande is geen sprake van belemmeringen voor het planvoornemen en wordt voldaan aan de instructieregels ten aanzien van cultureel erfgoed. 3.2.6
Het behoud van ruimte voor toekomstige functies
3.2.6.1 Inleiding In paragraaf 5.1.6 van het Bkl is voorzien in instructieregels die het behoud van ruimte voor toekomstige ontwikkelingen moeten borgen door te voorkomen dat in de betreffende reserveringszones ontwikkelingen plaatsvinden die die toekomstige ontwikkelingen kunnen belemmeren. Het betreft enkele concrete ontwikkelingen voor specifieke locaties zoals Mainportontwikkeling Rotterdam en de Parallelle Kaagbaan bij Schiphol, maar ook enkele meer algemene ontwikkelingen zoals reserveringsgebieden voor autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen en reserveringsgebieden voor (nieuwe) leidingen van nationaal belang. Op die laatste twee onderwerpen wordt hierna ingegaan. 3.2.6.2 Reserveringsgebieden autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen Inleiding Langs autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen kunnen reserveringsgebieden worden vastgelegd in de Omgevingsregeling. Een dergelijk reserveringsgebied langs een weg kan – afhankelijk van het aantal rijstroken – maximaal 34 tot 45 meter breed zijn. Binnen een dergelijk gebied mag niet worden gebouwd,
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A
21
behoudens tijdelijke bouwwerken voor maximaal 5 jaar. Toepassing en conclusie Langs de nabijgelegen Rijksweg A74, die bestaat uit twee rijstroken per rijrichting en er is géén reserveringsgebied ingetekend. Bovendien is de planlocatie niet gelegen binnen 38 meter van de buitenste kantstreep van de weg, hetgeen in dit geval de maximale breedte van een aan te wijzen reserveringsgebied betreft. Deze instructieregel vormt daarom geen belemmering voor het planvoornemen. 3.2.6.3 Reserveringsgebieden voor (nieuwe) leidingen van nationaal belang Inleiding Deze reserveringsgebieden zijn vastgelegd in de Omgevingsregeling en bestaan uit een reserveringsgebied van 70 meter breed en een zoekgebied van 250 meter breed aan weerszijden van dat reserveringsgebied. Gemeenten kunnen de ligging van het reserveringsgebied uitwerken in het omgevingsplan binnen het aangegeven zoekgebied, zolang er maar een aansluiting blijft op het reserveringsgebied in de buurgemeenten. Binnen het reserveringsgebied mogen geen activiteiten worden toegelaten die een belemmering kunnen vormen voor de aanleg van een buisleiding van nationaal belang. Toepassing en conclusie Ten oosten van het bedrijventerrein waarvan de planlocatie onderdeel uitmaakt is wel een zoekgebied en een reserveringsgebied ingetekend, maar deze gebieden overlappen niet met de planlocatie.
Op dit punt vormen de relevante instructieregels geen belemmering voor het planvoornemen.
Uitsnede kaart reserveringsgebied en zoekgebied buisleidingen van nationaal belang
3.2.7 De staat en goede werking van infrastructuur en voorzieningen Inleiding
22
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A
In paragraaf 5.1.7 van het Bkl zijn enkele instructieregels gebundeld die betrekking hebben op het behoud van de staat en goede werking van infrastructuur en bepaalde voorzieningen. Het betreft voorzieningen in het kader van de landsverdediging en nationale veiligheid (o.a. militaire terreinen, laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen, militaire radarinstallaties), grootschalige energieproductieinstallaties , Rijksvaarwegen, Communicatie-, navigatie- en radarapparatuur voor de burgerluchtvaart, landelijke fiets- en wandelroutes en hyperscale datacentra.
Toepassing en conclusie Gelet op de ligging van het plangebied en de aard van de ontwikkeling is enkel de mogelijke verstoring van het radarbeeld van de radarinstallatie bij vliegbasis Volkel relevant. Aangezien de planlocatie is gelegen binnen de zone op een afstand tussen de 15 en 75 kilometer van de radarinstallatie, gelden enkel beperkingen ten aanzien van de tiphoogte van windturbines. Nu de beoogde wijziging van het omgevingsplan geen windturbines mogelijk maakt, vormt deze instructieregel geen belemmering voor het planvoornemen. 3.2.8 Instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving Inleiding In afdeling 5.2 van het Bkl zijn enkele specifieke instructieregels gebundeld omtrent de aanwijzing van gebieden in relatie tot bepaalde bevoegdheden en het stellen van eisen aan bepaalde industriële lozingen op een vuilwaterriool: géén regels opnemen in het omgevingsplan voor de hoofdspoorweginfrastructuur en wegen in beheer bij het Rijk die het gebruik, de instandhouding, de verbetering of de vernieuwing van die infrastructuur belemmeren (artikel 5.163 Bkl); het aanwijzen in het omgevingsplan van een beperkingengebied waarbinnen een omgevingsvergunningplicht beperkingengebiedactiviteit overeenkomstig het gebied dat door het dagelijks bestuur van een vervoersregio is aangewezen (art.5.164 Bkl); het stellen van eisen aan lozingen van industrieel
afvalwater, niet afkomstig uit van een milieubelastende activiteit als aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal (art 5.165 Bkl); het aanwijzen van een bebouwingscontour jacht (art. 5.165a Bkl) en een bebouwingscontour houtkap (art. 5.165b Bkl). Toepassing en conclusie Gelet op de aard van de beoogde ontwikkeling en ligging van de planlocatie zijn deze instructieregels niet relevant voor de beoogde wijziging van het omgevingsplan. Voor wat betreft het aanwijzen van de genoemde bebouwingscontouren ligt het voor de hand dit in één keer voor de hele gemeente te regelen.
3.3
Provinciaal beleid
3.3.1 Omgevingsvisie Limburg Provinciale Staten van Limburg hebben op 1 oktober 2021 de Omgevingsvisie Limburg vastgesteld. Die Omgevingsvisie Limburg richt zich op de langere termijn (2030-2050) en bestaat uit een thematisch deel waarin de provincie haar visie geeft op thema's als Wonen & leefomgeving, Veiligheid en gezondheid en Werklocaties. Daarnaast bestaat de visie uit een gebiedsgericht deel waarin wordt voorzien in een regiovisie voor Noord-, Midden- en Zuid-Limburg. De provincie onderscheidt in haar nieuwe omgevingsvisie drie hoofdopgaven: Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving in zowel stedelijk c.q. bebouwd gebied als in landelijk gebied
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A
23
Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie) Klimaatadaptatie en energietransitie De Limburgse principes Om afwegingen te kunnen maken en daarbij een balans te vinden tussen het beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving worden de zogenoemde Limburgse principes gehanteerd: streven naar een inclusieve, gezonde en veilige leefomgeving; de kenmerken en identiteit van gebieden centraal stellen; meer stad, meer land; zorgvuldig omgaan met onze ruimte en voorraden bovengronds én ondergronds; procesmatige uitgangspunten: 1. de maatschappelijke opgaven en kansen staan centraal; 2. (grensoverschrijdende) samenwerking, participatie en eigenaarschap; 3. we werken gebiedsgericht; 4. we werken adaptief aan de opgaven; 5. we werken als één overheid. Thema Werklocaties Het beleid voor zogenoemde werklocaties, waaronder begrepen bedrijventerreinen kan als volgt kort worden samengevat. Voor de vestiging of uitbreiding van bedrijven is geschikte huisvesting en ruimte noodzakelijk. Dat kan in Limburg een probleem zijn. Soms is er onvoldoende beschikbare ruimte, of voldoet de beschikbare ruimte niet aan de eisen van de gebruikers. Die eisen kunnen bovendien in de toekomst veranderen door digitalisering, verduurzaming, globalisering of robotisering van bedrijfsprocessen.
De provincie kiest voor compacte werklocaties om het gebruik van de ruimte en de landschappelijke inpassing te optimaliseren. Bij nieuwe initiatieven wordt een voorkeursvolgorde gehanteerd. Eerst dient te worden bezien of het opknappen of herontwikkelen van verouderde werklocaties mogelijk is, pas daarna wordt gelegenheid geboden om nieuwe bedrijventerreinen te ontwikkelen. Dit gebeurt dan bij voorkeur via uitbreiding van bestaande terreinen. Het ontwikkelen van nieuwe locaties is de laatste optie. Nog steeds geldt dat op bedrijventerreinen geen plaats is voor de vestiging van zelfstandige kantoren en detailhandel. Kantoorruimte en showrooms als onderdeel van productiebedrijven zijn wel mogelijk. Ook is er op bedrijventerreinen eventueel ruimte voor de vestiging van detailhandel in volumineuze en brand- en explosiegevaarlijke goederen. Visie Noord-Limburg De regio Noord-Limburg kenmerkt zich in ruimtelijk, economisch en maatschappelijk opzicht het beste door twee dominante, voor iedereen herkenbare assen: een snelle, hoog-dynamische Oost-West-as en een rustige, meer op (be)leefkwaliteit gerichte Noord-Zuid-as. De hoog-dynamische, economisch-georiënteerde Oost-West-as is de wereld van infrastructuur en logistiek, agrofood, maar ook de maakindustrie in z'n vele gedaanten.
Samen wordt werk gemaakt van de Greenport-ontwikkeling, het stimuleren en verder uitbouwen van de reeds aanwezige bedrijvigheid door innovatie en onderwijs en het versterken van de samenwerking met omliggende regio's. Vanwege haar strategische ligging op de Oost-West-as en de nabijheid van grote afzetgebieden, zoals de regio Eindhoven, de Vlaamse Ruit en het Ruhrgebied, levert de regio een significante bijdrage aan de Nederlandse economie. De regio kent daarnaast een wereld van rust, ruimte en schoonheid, met de Maas als herkenbare kwaliteits-as. Het landschap is afwisselend met het terrassenlandschap van het Maasdal, Maasmeanders, natuur- en bosgebieden, Peelvenen en ontginningsgebieden en gevarieerde landbouwactiviteiten. Juist de afwisseling van landschappen, natuur en cultuur, de nabijheid van steden en dorpen en economische activiteiten en voorzieningen, maakt Noord-Limburg prettig divers. Binnen Noord-Limburg vormen Venlo en Venray samen een logistieke hotspot; goed ontsloten over weg, water
24
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A
en spoor én met ruimte voor ontwikkeling. Opgaven voor Noord-Limburg zijn (voor zover relevant voor dit plan): 1.
Ondernemen & innoveren: een robuuste economische structuur die is afgestemd op het economisch landschappelijk en maatschappelijk draagvlak in de regio, met aandacht voor o.a. a. ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, zoals vergrijzing en een groeiend gebrek aan vakmensen; b. een goede balans tussen gezondheid, welzijn en het welbevinden van mens, dier en plant enerzijds en de 'voetafdruk' van de logistiek en land- en tuinbouw anderzijds; c. voorkomen dat slechts een werkplaats ontstaat voor kale productie en logistiek zonder investeringen in een aantrekkelijk en duurzaam woon- en leefklimaat.
2.
Vitale en gezonde bewoners en hun leefomgeving met aandacht voor o.a.: a. het behouden van een vitale en bereikbare basisvoorzieningenstructuur; b. een prettige woon- en leefomgeving die ook een gezonde levenswijze stimuleert; c. waardige en passende huisvesting voor (tijdelijke) internationale werknemers; d. duurzame en klimaatbestendige dorpen en steden door ruimte efficiënt te benutten; e. de toegankelijkheid en bereikbaarheid van voorzieningen op het gebied van zorg, educatie, werk en vrije tijd, die niet afhankelijk moet zijn van de woonplaats, buurt of bestaande collectieve vervoersvoorzieningen.
Toepassing en conclusie Onderhavig bestemmingsplan heeft betrekking op een bestaand bedrijfsterrein op een bedrijventerrein dat met circa 186 m2 beperkt wordt uitgebreid en waarmee in feite een perceelsgrens wordt 'rechtgetrokken'. Er wordt geen ruimte geboden voor de vestiging van nieuwe zelfstandige kantoren of nieuwe detailhandel. Daarmee past de ontwikkeling binnen de kaders van de omgevingsvisie van de provincie. Wel is van belang dat de toe te voegen strook - hoe klein ook - onderdeel uitmaakt van het Natuurnetwerk Limburg (NNL). Binnen het Natuurnetwerk Limburg wordt ingezet op een goede kwaliteit en bescherming van de natuur met een bijzonder accent op bedreigde Limburgse dier- en plantensoorten. Ook wordt ingezet op het bieden van mogelijkheden voor natuurbeleving. Op de gevolgen van de status NNL van de toe te voegen strook. voor het planvoornemen wordt nader ingegaan in paragraaf van deze motivering. Conclusie Gelet op het voorgaande sluit het plan aan bij het provinciaal beleid c.q. is het plan daarmee niet in strijd.
3.4
Omgevingsverordening Limburg: instructieregels provincie
3.4.1 Inleiding De Provincie Limburg heeft met het oog op provinciale belangen instructieregels opgenomen in de Omgevingsverordening Limburg (OvL). Die instructieregels zijn deels gericht aan het Waterschap Limburg en deels aan gemeenten. Niet alle instructieregels zijn relevant voor de beoogde planwijziging voor de locatie Trappistenweg 10-10A, gelet op de mogelijk te maken activiteiten of de ligging van het de planlocatie. Hierna wordt ingegaan op de volgende, voor deze wijziging van het omgevingsplan relevante instructieregels: Watersystemen: motiveringsplicht klimaatadaptatie (paragraaf 3.2.3); Natuurgebieden: motiveringsplicht Natuurnetwerk Limburg (paragraaf 8.1.2); Werken: vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen (paragraaf 12.1.4); zonnepanelen op daken bedrijfsgebouwen en zonneparken (Afdeling 13.2); Verder is van belang dat de locatie is gelegen binnen het (grondwater)beschermingsgebied 'Venloschol'.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A
25
3.4.2 Klimaatadaptatie Inleiding In de motivering bij wijziging van een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt moet worden beschreven op welke wijze in het plan rekening wordt gehouden met de risico's en gevolgen van klimaatverandering, welke maatregelen en voorzieningen worden getroffen om de risico's en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. Bij die beschrijving wordt gebruik gemaakt van de informatie van gemeentelijke, regionale en landelijke stresstest- en overstromingskaarten. Toepassing en conclusie De locatie is gelet op de ligging ten opzichte van beken en rivieren niet gevoelig voor overstromingen. Wel laat kaartmateriaal van Waterpanel Noord dat beschikbaar is via wpn.klimaatmonitor.net zien dat de strook die wordt toegevoegd aan het bestaande bedrijfsterrein gevoelig is voor wateroverlast bij hevige regenval. Dit aangezien deze strook ten opzichte van omliggende gronden het laagste maaiveldniveau heeft. Wanneer deze gronden worden toegevoegd aan de bestaande bedrijfskavel zal het maaiveld echter gelijk worden getrokken met de maaiveldhoogte van het bestaande terrein, waardoor geen overlast is te verwachten.
Uitsnede kaartbeeld stedelijke wateroverlast
Voor wat betreft hitte geldt voor het bedrijventerrein dat het op zomerse dagen aanzienlijk warmer kan worden dan de nabijgelegen woongebieden en zeker warmer dan het buitengebied aan de overzijde van de Rijksweg A74. Voor onderhavig bedrijfskavel is de indicatie vergelijkbaar met het nabijgelegen woongebied. De bedrijfskavel ligt aan de rand van het bedrijventerrein en grenst aan een groengebied met bomen, wat ook positief effect zal hebben. Gelet op de aard van de bedrijfsactiviteiten (waarbij o.a. vloeistofdichte vloeren en een gebruik van keermuren van belang zijn), zijn de mogelijkheden voor het voorzien in groen maar beperkt.
26
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Trappistenweg 10-10A
Uitsnede kaartbeeld hitte
Gezien het voorgaande zijn er geen onaanvaardbare risico's te verwachten in het kader van klimaatadaptief bouwen en ontwikkelen en zijn er op dit punt geen belemmeringen voor het planvoornemen. 3.4.3 Natuurnetwerk Limburg Inleiding Binnen het Natuurnetwerk Limburg mogen in een (wijziging van) een omgevingsplan géén nieuwe activiteiten worden toegelaten of bestaande activiteiten worden gewijzigd, indien dat nadelige gevolgen kan hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Limburg of kunnen leiden tot een vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang tussen gebieden binnen dat Natuurnetwerk Limburg, hetgeen in de motivering op de wijziging van het omgevingsplan moet worden gemotiveerd. Een uitzondering op het voorgaande geldt voor ontwikkelingen van groot openbaar belang, waarvoor geen andere reële mogelijkheden zijn om in dat belang te voorzien. Voor dergelijke ontwikkelingen dient dan te worden aangegeven hoe negatieve effecten worden beperkt en de resterende negatieve gevolgen worden gecompenseerd, in financiële dan wel fysieke vorm.
Daarnaast biedt de omgevingsverordening mogelijkheden voor activiteiten die negatieve effecten kunnen hebben op het Natuurnetwerk Limburg bij toepassing van een saldobenadering op basis van een gebiedsvisie die per saldo leidt tot een verbetering van de natuurwaarden in en rond het betreffende gebied en voor individuele kleinschalige ingrepen die leiden tot een verbetering van het Natuurnetwerk Limburg. De buitengrenzen van het Natuurnetwerk Limburg passen bij het karakter van de Omgevingsverordening: vrij precies, schaal 1:10.000, maar zeker niet op perceelsniveau, zo blijkt uit de toelichting op de verordening. Zijn er ontwikkelingen waardoor het omgevingsplan moet worden aangepast, dan is er afstemming tussen gemeente en provincie gewenst over de vraag waar de begrenzing in het omgevingsplan precies moet worden gelegd. De bestaande natuur ligt wel (bijna) altijd al precies vast in een omgevingsplan.