CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

490343 Bijl02 Goede onderbouwing Fysieke Leefomgeving–Deken van Oppensingel 8.pdf

Raadsvergadering 17 december 2025, gemeente VenloBij agendapunt: 4.4: Bindend advies aanvraag tijdelijke omgevingsvergunning Deken van Oppensingel 8 in Venlo (490343)10.660 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Parkeren

Op basis van gemeentelijk parkeerbeleid of de kencijfers van kennisplatform CROW kan berekend worden hoeveel (extra) parkeerplaatsen er nodig zijn voorde beoogde ontwikkeling. De gemeente Venlo gaat uit van de CROWpublicatie.

Toetsing initiatief

Voor een zorginstelling in een sterk stedelijk gebied, in het centrum wordt uitgegaan van ten minste 0,6 parkeerplaatsen per woning. Dat zou betekenen dat er in de huidige situatie voor de 118 woningen (70,8) 71 parkeerplaatsen aanwezig dienen te zijn. Uit de luchtfoto kan worden afgeleid dat er ter plaatse 43 parkeerplaatsen aanwezig zijn. Daarnaast zijn er in de omgeving meerdere parkeerplaatsen aanwezig wanneer de parkeerplaats bij het pand volledig gebruikt worden. In de beoogde situatie zullen 93 kamers gebruikt worden ten behoeve van een soortgelijke functie als kamerverhuur. Voor deze categorie zijn in een sterk stedelijk gebied in het centrum geen parkeerplaatsen benodigd. Al zouden er 0,6 parkeerplaatsen per woning (55,8) noodzakelijk zijn zal er een afname van 15 benodigde parkeerplaatsen. Er kan dus voldaan worden aan de benodigde hoeveelheid parkeerplaatsen waardoor dit aspect geen belemmeringen vormt voor onderhavige ontwikkeling.

5.15

Duurzaamheid

De Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) is in 2016 opgesteld. In 2022 is de NAS in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat 29

geëvalueerd. Om de NAS te versnellen is in 2023 het Nationaal Uitvoeringsprogramma Klimaatadaptatie (NUPKA) verschenen. Het NUPKA laat zien welke aanpak al in gang is gezet voor de komende jaren én welke extra maatregelen er nodig zijn. Het document laat daarmee zien hoe de uitvoering van de NAS wordt aangepakt en wat nodig is om te versnellen. Zo dient er bij elke ontwikkeling in Nederland standaard rekening te worden gehouden met zeespiegelstijging, toenemende hitte, langere periodes van droogte en meer extreme neerslag. Verder moet het beleid om Nederland op tijd klimaatbestendig te maken slimmer, intensiever en inclusiever. Naast de NAS geldt voor alle nieuwbouw sinds 1 januari 2021 dat vergunningen moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De energieprestatie bij BENG wordt bepaald aan de hand van 3 individueel te behalen eisen: 1. De maximale energiebehoefte in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar (kWh/m2.jr); 2. Het maximale primair fossiel energiegebruik, eveneens in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar (kWh/m2.jr); 3. Het minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten (%). Als laatste moet rekening gehouden worden met de MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) bij de aanvraag van een omgevingsvergunning. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast.

Het gaat hierbij onder andere om nieuwbouwwoningen. Ten behoeve van de tijdelijke huisvesting van diverse doelgroepen binnen een bestaand pand vinden er geen nieuwbouwactiviteiten plaats waardoor dit aspect niet van toepassing is. Er hoeven dan ook geen BENG-rapport en MPGberekening aangeleverd te worden. De activiteiten die plaatsvinden ten behoeve van de appartementen hebben geen invloed op de aspecten duurzaamheid.

5.16

Trillingen

Ten behoeve van de bescherming van de fysieke leefomgeving, kunnen gemeenten regels opnemen ten aanzien van trillingen. In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels voor trillingen door activiteiten. Deze instructieregels zijn gericht op de bescherming van trillinggevoelige ruimten in trillinggevoelige gebouwen. Deze instructieregels gelden voor het op een locatie toelaten van een activiteit en/of een trillinggevoelig gebouw en/of het aanpassen daarvan.

De centrale beoordelingsregel voor trillingen door activiteiten is geformuleerd in artikel 5.83 van het Bkl: • In een omgevingsplan (of in het kader van een wijziging of afwijking daarvan) wordt rekening gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen; • Een omgevingsplan (of in het kader van een wijziging of afwijking daarvan) voorziet erin dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. 30

In artikel 5.87 en 5.87a van het Bkl staan de standaardwaarden voor continue en herhaald voorkomende trillingen. De gemeente hanteert deze standaardwaarden bij het opnemen van waarden voor trillingen door activiteiten voor een bepaald gebied in haar omgevingsplan. Niet op alle locaties leiden de voornoemde standaardwaarden voor een activiteit die trillingen genereert tot het gewenste evenwicht tussen ‘beschermen’ en ‘benutten’. Een gemeente kan dan ook gemotiveerd kiezen voor andere waarden voor specifieke locaties. Zo kan een gemeente, uit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, bijvoorbeeld een lagere waarde vaststellen voor een activiteit op een bedrijventerrein om hiermee een woonwijk te beschermen.

Toetsing initiatief

Met onderhavige ontwikkeling worden geen nieuwe trilgevoelige ruimten toegevoegd. Er zullen daarnaast ook geen trilgevoelige activiteiten uitgevoerd worden. Het aspect trillingen zal voor het realiseren van de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen vormen.

5.17

Lichthinder

Er zijn veel locaties met kunstmatige verlichting. Afhankelijk van de positionering van deze verlichting en de functies in de omgeving kan er sprake zijn van lichthinder. Dit kan verschillende soorten negatieve effecten veroorzaken: - hinder voor de mens; - hinder langs wegen; - verstoring van de natuur; - horizonvervuiling. Voorbeelden hiervan zijn verstoring voor verkeer door het optreden van reclameverlichting, of natuurimpact als gevolg van onvoldoende duisternis. Lichthinder is dan ook een thema dat decentrale overheden moeten afwegen. Rijksregels zijn er alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen. In het gemeentelijke omgevingsplan kan het aspect lichthinder meewegen in het kader van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit.

Toetsing initiatief

Aangezien geen verlichting wordt toegevoegd in of op het projectgebied is het aspect lichthinder echter niet van toepassing.

5.18

Bezonning

Voor gebouwen, tuinen, terrassen en speelplekken is het belangrijk dat er voldoende zonlicht of juist voldoende schaduw aanwezig is. Een toename van schaduw – door beplanting, nieuwbouw of andere ruimtelijke ontwikkelingen – kan ongewenst zijn. Het is belangrijk om ervoor te zorgen dat er voldoende bezonning en schaduw is en blijft. De Rijksoverheid heeft voor dit aspect van de 31

fysieke leefomgeving echter geen instructieregels opgesteld, waardoor de gemeente deze regels zelf in kan vullen. Het onafhankelijke onderzoeksinstituut TNO (Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek) heeft een norm voor bezonning bepaald: De bezonningsliniaal – een eenvoudig hulpmiddel voor de beoordeling van de bezonning en de dagverlichting. Veel gemeenten hanteren deze TNOnorm, maar dit is niet verplicht. Een aantal gemeenten heeft haar beleid op het gebied van bezonning gebaseerd op deze norm. Zo kan een gemeente er eventueel voor kiezen om een verplichting voor een onderzoek volgens deze TNO-norm in het omgevingsplan (of wijziging of afwijking daarvan) op te nemen. TNO kent een 'lichte' en een 'strenge' norm: • De 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam; • De 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam. Om voldoende zonlicht en schaduw te borgen kunnen gemeenten bouwregels opnemen in het omgevingsplan (of wijziging of afwijking daarvan). Ook behoren een omgevingsvergunningplicht en/of een meldingsplicht voor het bouwen van hoge gebouwen tot de mogelijkheden.

Toetsing initiatief

Aangezien in de toekomstige situatie geen nieuwbouw gerealiseerd wordt, zal het woongenot van omwonenden niet worden aangetast. Dit aspect zorgt derhalve niet voor belemmeringen.

5.19

Slagschaduw

De passerende schaduw van draaiende wieken van een windturbine kan bij zonnig weer een hinderlijk schaduweffect veroorzaken. Wanneer een windturbine met een rotordiameter van 2 meter of meer op een locatie wordt toegelaten, gelden er voor het aspect slagschaduw instructieregels (paragraaf 5.1.4.4a Bkl). Deze regels gelden alleen ter bescherming tegen slagschaduw op gevoelige gebouwen, zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en kinderdagverblijven. Gemeenten kunnen de regels voor slagschaduw van de windturbines en windparken op hun grondgebied aanpassen in het omgevingsplan (of wijziging of afwijking daarvan).

Toetsing initiatief

In de omgeving van het projectgebied zijn geen windmolens gelegen die slagschaduw kunnen veroorzaken. Het aspect slagschaduw vormt geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling.

5.20

Windhinder

Windhinder treedt vooral op rond hoge gebouwen zoals kantoren, woontorens of hotels. Wanneer het gemiddelde windklimaat te wensen overlaat (het waait 32

te hard en te vaak) zullen mensen (recreatieve) plekken eerder mijden. Dit betekent dat de aantrekkingskracht van bijvoorbeeld winkelgebieden, pleinen en terrassen afhankelijk is van het gemiddelde windklimaat. Gemeenten kunnen de gevolgen van windhinder beperken door regels aan bouwwerken te stellen in het omgevingsplan (of wijziging of afwijking daarvan). Deze (stedenbouwkundige) oplossingen kunnen zijn: - Voldoende afstanden tussen (hoge) bebouwing; - Per locatie bekijken welke bouwhoogte toegestaan kan worden; - Rekening houden met de fysieke vorm van de gebouwen. Voor het beoordelen van het windklimaat is een norm opgesteld, namelijk NEN 8100. Deze norm werkt met uurgemiddelde windsnelheden (m/s) gerelateerd aan de overschrijdingskans (in percentage van het aantal uren per jaar). In de NEN-norm wordt aangegeven wanneer een windonderzoek nodig is: - Ingeval van gebouwen hoger dan 30 meter: windonderzoek is nodig; - Bij beschut gelegen gebouwen met een hoogte van 15 tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is; - Bij onbeschut gelegen gebouwen met een hoogte tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is. Deze normering is echter niet wettelijk verplicht, maar een gemeente kan er wel voor kiezen om hiertoe regels op te nemen in het omgevingsplan (of wijziging of afwijking daarvan).

Toetsing initiatief

Met onderhavige ontwikkeling wordt geen nieuwbouw gerealiseerd. Derhalve is het niet aannemelijk dat er windhinder zal plaatsvinden. Het aspect windhinder vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

5.21

Project-mer-beoordeling

Een milieueffectrapportage (mer) is een hulpmiddel bij het nemen van besluiten. In het milieueffectrapport (MER) worden de effecten van een plan of project, en de effecten van alternatieven, op het milieu beschreven. Het doel van een mer is het milieubelang een volwaardige plaats geven in de besluitvorming. Het gaat dan om besluitvorming over plannen en programma’s en projecten die duidelijke milieueffecten kunnen hebben. Milieu is een breed begrip. Het gaat onder andere om water, bodem, lucht, afval, natuur, gezondheid en archeologisch erfgoed. Een project kan op twee manieren leiden tot een project-mer-plicht: 1. de generieke aanwijzing geldt voor plannen waarvoor direct een projectmer-plicht geldt. 2. de project-mer-beoordeling geldt voor een project dat kaderstellend is Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die al dan niet in bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn opgenomen. Staat het project niet in bijlage V dan geldt geen project-mer-(beoordelings-)plicht. Staat het project wel in kolom 1, dan dient te worden gekeken of de ondergrenzen voor een (beoordelings-)plicht al dan niet worden overschreden. 33

Toetsing initiatief

Omdat er in onderhavige ontwikkeling sprake is van een tijdelijke omgevingsvergunning voor het tijdelijk huisvesten van diverse doelgroepen mensen, is er geen mer-(beoordelings)-plicht van toepassing. Dit aspect vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

34

HOOFDSTUK

6 Uitvoerbaarheid

6.1

Economische uitvoerbaarheid

6.1.1

Financieel economische haalbaarheid Het aanvragen van de vergunning voor de tijdelijke huisvesting van diverse doelgroepen wordt gedaan in naam van de gemeente Venlo. De kosten die gemaakt moeten worden voor het opstellen van deze BOPA komen dan ook voor rekening van de gemeente Venlo.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1

Participatie De opvang van doelgroepen in ‘De Beerendonck’ is begonnen in maart 2022. De gemeente heeft omwonenden en belanghebbenden toen een brief gestuurd om hen hier over te informeren. Buurtbewoners is ook de mogelijkheid geboden om als vrijwilliger bij te dragen aan de opvang en betrekken te zijn bij activiteiten. Een aantal omwonenden zijn ook daadwerkelijk betrokken geweest bij bijvoorbeeld de (organisatie van de) kerstviering en bij het stilstaan bij 1 jaar oorlog in Oekraïne.

In deze paragraaf wordt de wijze van bekostiging van het initiatief beschreven.

Deze onderbouwing evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt aan de gemeente Venlo voorgelegd welk gedurende 8 weken de tijd heeft een besluit te nemen. Wanneer sprake is van benodigde afstemming met de Provincie zullen deze 8 weken verlengd worden tot 12 weken. Bij de onderbouwing ETFAL is tevens een beheerplan toegevoegd waarin de belangrijkste onderwerpen staan die te maken hebben met de opvang in De Beerendonck.

In maart 2024 heeft het Leger des Heils omwonenden en belanghebbenden middels een brief geïnformeerd over het bieden van verblijf en begeleiding bieden aan 9 jongeren van 18 tot 27 jaar. In december 2024 heeft de gemeente Venlo omwonenden en belanghebbenden een brief gestuurd over het bieden van onderdak en begeleiding aan 10 tot 15 dakloze internationale medewerkers. Op 4 juni 2025 heeft de gemeente Venlo de omwonenden en belanghebbenden een brief gestuurd over het bieden van tijdelijke huisvesting van 42 statushouders welke nog geen woning hebben. Bij de gemeente Venlo zijn sinds de start van de opvang in maart 2022 geen meldingen binnengekomen aangaande onvrede over het gebruik van De Beerendonck als opvanglocatie. Gelet op de voornoemde ontstaansgeschiedenis, het ontbreken van meldingen en/of klachten en de tijdelijkheid (tot 1 juli 2026) van het beoogde gebruik is de omgeving voldoende 35

geïnformeerd en betrokken bij de huisvesting van de opeenvolgende huisvestingsinitiatieven voor de genoemde doelgroepen. 6.2.2

Procedure Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het tijdelijke Omgevingsplan van Venlo dient de reguliere procedure, zoals beschreven in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te worden doorlopen. De aanvraag wordt ingediend via het DSO. De beslistermijn begint te lopen vanaf het moment van ontvangst van de aanvraag. Als het bevoegd gezag de beslissing op de aanvraag aanhoudt, begint de termijn te lopen op de dag waarop de aanhouding eindigt. De beslistermijn is normaliter 8 weken. Het bevoegd gezag kan de beslistermijn 1 maal met maximaal 6 weken verlengen. Het bevoegd gezag maakt het besluit tot verlenging bekend aan de aanvrager binnen de beslistermijn (artikel 16.64, lid 1 en 2, Omgevingswet, en 4:14 Awb). Bij een besluit op aanvraag geeft het bevoegd gezag kennis van dat besluit tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking. Het geeft kennis in een zelf uitgegeven elektronische publicatie (gemeenteblad, provinciaal blad, et cetera) via DROP. In de kennisgeving (artikel 16.64, lid 3, en artikel 16.64a Omgevingswet) staat: • Een zakelijke weergave van de inhoud; • Dat geen omgevingsvergunning nodig is, als het bevoegd gezag vindt dat dit het geval is; • Dat het gaat om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, als dit het geval is.

Een vergunning welke is voorbereid met de reguliere voorbereidingsprocedure, treedt in werking met ingang van de dag na de dag waarop het bevoegd gezag het besluit bekend heeft gemaakt.

6.2.3

Bezwaar/ Beroep Na het verlenen van de vergunning kan een bezwaarschrift worden ingediend bij de gemeente tegen de verleende vergunning. Vervolgens kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank en tot slot kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

36

HOOFDSTUK 7.1

7 Belangenafweging en conclusie

Is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?

Voor de tijdelijk huisvesting van diverse doelgroepen binnen de voormalige zorginstelling, is het noodzakelijk een tijdelijke omgevingsvergunning aan te vragen. Dit aangezien onderhavige ontwikkeling niet rechtstreeks is toegestaan binnen het huidige planologisch-juridische kader. Binnen de kaders van het geldende tijdelijke omgevingsplan zijn ook geen afwijkings- en/of wijzigingsregels opgenomen waarmee het initiatief kan worden toegestaan. Door het afwijken van het tijdelijke omgevingsplan middels een BOPA, kan het initiatief mogelijk worden gemaakt. De ontwikkeling wordt niet belemmerd door aanwezige, storende milieuaspecten en de benodigde voorzieningen zijn reeds in het projectgebied aanwezig. Bovendien zal, gezien de bestaande situatie, geen schade worden toegebracht aan natuur- of landschapselementen en -structuren. Verder is een integraal beheersplan opgesteld voor dit specifieke gebruik van het pand. Ten slotte zal de sociale veiligheid niet in het geding komen, aangezien omwonenden vanaf het begin van de activiteiten ter plaatse zijn betrokken bij de plannen van de huisvesting. Daarnaast hebben sommige omwonenden ook vrijwillig geholpen bij activiteiten zoals de kerstviering en het stilstaan bij 1 jaar oorlog in Oekraïne. Hierdoor is de omgeving altijd goed op de hoogte en betrokken geweest bij de ontwikkeling en zijn er geen meldingen ontvangen over onvrede.

7.2

Conclusie

Op basis van het voorgaande wordt door de initiatiefnemer dan ook geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling vanuit het oogpunt van een goede fysieke leefomgeving aanvaardbaar en haalbaar is. Derhalve is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

37

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/894/documents/24257