CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

490343 Bijl02 Goede onderbouwing Fysieke Leefomgeving–Deken van Oppensingel 8.pdf

Raadsvergadering 17 december 2025, gemeente VenloBij agendapunt: 4.4: Bindend advies aanvraag tijdelijke omgevingsvergunning Deken van Oppensingel 8 in Venlo (490343)10.660 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Motivering ‘Evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ Deken van Oppensingel 8 te Venlo Gemeente Venlo

Colofon Motivering: ‘Deken van Oppensingel 8 te Venlo’ Rapportnummer: 2024.3409 Status: Definitief Datum: 16 oktober 2025 Projectlocatie Deken van Oppensingel 8 5911AD Venlo Opdrachtnemer Reland Adviseurs B.V.

Bezoekadres:

Mgr. Bekkersstraat 56 5846 AJ Ledeacker

Hurksestraat 60 5652 AL Eindhoven

Correspondentieadres: Postbus 186 5830 AD Boxmeer www.reland.nl Projectleiding Reland

Telefoon 085 043 1949

Email info@reland.nl

© oktober 2025 Reland

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een geautomatiseerd gegevensbestand worden opgeslagen, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Reland. Aan de inhoud van dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Reland verwerpt elke aansprakelijkheid voor een ander gebruik van deze tekst dan voor de situatie waarvoor deze wordt uitgebracht. De informatie in deze tekst is onder voorbehoud en kan worden veranderd zonder voorafgaande kennisgeving.

Inhoud HOOFDSTUK 1 Inleiding..................................................................................................... 5 1.1

Aanleiding en doel ............................................................................................ 5

1.2

Projectgebied .................................................................................................. 5

1.3

Het omgevingsplan........................................................................................... 6

1.4

Leeswijzer ........................................................................................................ 7

HOOFDSTUK 2 Gebieds- en projectprofiel ......................................................................... 8 2.1

Inleiding .......................................................................................................... 8

2.2

Gebiedsprofiel................................................................................................. 8

2.3

Projectprofiel, huidige situatie projectgebied .................................................... 8

HOOFDSTUK 3 Voorgenomen ontwikkeling ....................................................................... 9 3.1

Inleiding .......................................................................................................... 9

3.2

Projectbeschrijving .......................................................................................... 9

HOOFDSTUK 4 Beleid en regelgeving ............................................................................... 10 4.1

Inleiding ......................................................................................................... 10

4.2

Rijksbeleid ...................................................................................................... 10

4.2.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) ................................................................ 10

4.2.2

Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) .............................................................. 10

4.2.3

Ladder voor duurzame verstedelijking .......................................................... 11

4.2.4

Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) .......................................................... 12

4.3

Provinciaal beleid ........................................................................................... 12

4.3.1

Provinciale Omgevingsvisie Limburg ............................................................ 12

4.3.2

Omgevingsverordening Limburg ................................................................. 13

4.4 4.4.1

Gemeentelijk beleid ........................................................................................ 13 Omgevingsvisie Venlo.................................................................................. 13

HOOFDSTUK 5 Fysieke leefomgeving ............................................................................... 15 5.1

Leeswijzer ...................................................................................................... 15

5.2

Erfgoed.......................................................................................................... 15

5.3

Beschermen van de gezondheid ...................................................................... 16

5.4

Bodem ........................................................................................................... 16

5.5

Water(systemen) ............................................................................................ 17

5.5.1 5.6

Kenmerken huidige watersysteem ............................................................... 17 Ecologie ......................................................................................................... 18

5.6.1

Gebiedsbescherming ................................................................................... 18

5.6.2

Soortenbescherming ................................................................................... 19

5.7

Geluid ............................................................................................................ 19

5.8

Kwaliteit van de buitenlucht ........................................................................... 20

5.9

Geur ..............................................................................................................22

5.10

Externe veiligheid ...........................................................................................22

5.11

Milieubelastende activiteiten ...........................................................................25

5.12

Niet-gesprongen explosieven ..........................................................................27

5.13

Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen .........................................................27

5.13.1

Kabels en leidingen ......................................................................................27

5.13.2

Hoogspanningslijnen ...................................................................................28

5.14

Mobiliteit ........................................................................................................28

5.15

Duurzaamheid ............................................................................................... 29

5.16

Trillingen ....................................................................................................... 30

5.17

Lichthinder ..................................................................................................... 31

5.18

Bezonning ...................................................................................................... 31

5.19

Slagschaduw ..................................................................................................32

5.20

Windhinder ....................................................................................................32

5.21

Project-mer-beoordeling ................................................................................33

HOOFDSTUK 6 Uitvoerbaarheid.......................................................................................35 6.1 6.1.1 6.2

Economische uitvoerbaarheid .........................................................................35 Financieel economische haalbaarheid ..........................................................35 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ..................................................................35

6.2.1

Participatie .................................................................................................35

6.2.2

Procedure .................................................................................................. 36

6.2.3

Bezwaar/ Beroep ....................................................................................... 36

HOOFDSTUK 7 Belangenafweging en conclusie ................................................................ 37 7.1

Is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties? ............. 37

7.2

Conclusie ........................................................................................................ 37

4

HOOFDSTUK 1.1

1 Inleiding

Aanleiding en doel

Het voormalig woonzorgcentrum “de Beerendonck” aan de Deken van Oppensingel 8 in Venlo is in de loop van 2021 leeg komen te staan en zal op termijn worden gesloopt om plaats te maken voor een nieuwe ontwikkeling. De Beerendonck wordt momenteel al enkele jaren door de gemeente ingezet voor de tijdelijke opvang van verschillende doelgroepen. Momenteel worden de volgende doelgroepen tijdelijk op de locatie opgevangen: • Sinds maart 2022 is de locatie door de gemeente Venlo in gebruik voor de tijdelijke opvang van Oekraïense ontheemden op grond van de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (RooO); • Begin 2024 heeft de gemeente Venlo de Beerendonck mede ter beschikking gesteld voor de tijdelijke huisvesting van jongeren in het kader van de Maatschappelijke Opvang Jeugd (MOJ). Het Leger des Heils geeft uitvoering aan de opvang van deze MOJ-groep; • Vanaf december 2024 is sprake van kortdurende opvang voor dakloze nietrechthebbende internationale werknemers. De raad heeft in een motie op 1 juli 2024 opgeroepen deze doelgroep op te vangen, op 27 november 2024 heeft het college van B&W tot opvang in de Beerendonck besloten; en • Met ingang van juni 2025 voorziet de locatie ook in kortdurende opvang van nieuwkomers in Venlo (statushouders) in aanloop naar een reguliere woning.

Het gebruik van het voormalig woonzorgcentrum als tijdelijke opvanglocatie van onder andere de bovengenoemde doelgroepen is niet toegestaan binnen het geldende omgevingsplan. De gemeente Venlo is voornemens deze activiteiten middels een tijdelijke vergunning toe te staan (tot 1 juli 2026). Aangezien er echter geen afwijkingsmogelijkheden zijn opgenomen in het omgevingsplan waarmee het gebruik toegestaan kan worden, dient een omgevingsvergunning voor een ‘Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit’ (BOPA) te worden aangevraagd. Onderliggend document betreft de onderbouwing behorende bij de BOPA waarin het plan wordt toegelicht en gemotiveerd.

1.2

Projectgebied

Het projectgebied betreft de locatie aan de Deken van Oppensingel 8 te Venlo. Het projectgebied is gelegen binnen de percelen welke kadastraal bekend staan als gemeente Venlo, sectie D, nummer 6230 en 8337 (figuur 1). De oppervlakte van dit gedeelte van het projectgebied bedraagt circa 6.000 m2.

5

Figuur 1 Projectgebied blauw omkaderd

1.3

Het omgevingsplan

Voor het projectgebied is het tijdelijke deel van het omgevingsplan gemeente Venlo geldend. Dit tijdelijke omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, aangevuld met regels van het Rijk, de zogenaamde bruidsschat. Voor het projectgebied zijn derhalve de regels zoals vastgelegd in het (voormalige) bestemmingsplan ‘Centrum Venlo’ van toepassing op het projectgebied. Het projectgebied heeft de enkelbestemming ‘Maatschappelijk’ met functieaanduiding ‘zorginstelling’ (figuur 2). Daarnaast heeft het projectgebied de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2’, ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waarde – Archeologie 4’. Tenslotte is de gebiedsaanduiding ‘veiligheidszone – lpg – groepsrisico’ van toepassing.

6

Figuur 2 Uitsnede bestemmingsplan 'Centrum Venlo' projectgebied blauw omkaderd

De gewenste ontwikkeling voor het legaliseren van het huisvesten van diverse doelgroepen mensen zoals jongeren, ontheemden en dak- en thuislozen, is niet rechtstreeks mogelijk conform de geldende planregels. Binnen de bestemming ‘Maatschappelijk’ met de functieaanduiding ‘zorginstelling’ is enkel een zorginstelling mogelijk en de bedoelde diverse doelgroepen hebben geen directe zorg nodig enkel een tijdelijke woonplek met dagelijkse begeleiding, waarbij 24/7 een beveiligingsbedrijf aanwezig is. Om de gewenste situatie mogelijk te maken is dan ook een afwijking van het tijdelijke Omgevingsplan van Venlo noodzakelijk in de vorm van een vergunning(saanvraag) voor een ‘Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit’ (BOPA).

1.4

Leeswijzer

Deze motivering ten behoeve van onderhavige vergunningaanvraag ‘Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit’ (BOPA) bestaat uit zeven hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 een beschrijving van het gebiedsprofiel en de huidige situatie van het projectgebied. Hoofdstuk 3 betreft een beschrijving van de voorgenomen ontwikkeling. Hoofdstuk 4 geeft een beschrijving van het relevante beleid en de regelgeving. In hoofdstuk 5 is getoetst of de ontwikkeling al dan niet effect heeft op de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 6 zijn de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst en hoofdstuk 7 betreft een afweging van de belangen.

7

HOOFDSTUK

2 Gebieds- en projectprofiel

2.1

Inleiding

2.2

Gebiedsprofiel

In dit hoofdstuk is een beschrijving gegeven van de huidige situatie van het projectgebied en de omgeving waarin het zich bevindt.

Het besluitgebied ligt in de wijk ‘Rosarium’ in de buurt van het historische stadscentrum van Venlo. Aan de overkant van de straat is het stadspark ‘Julianapark’ gelegen. Parallel aan dit stadspark ligt de Burgemeester van Rijnsingel, welke als mobiliteitsader dwars door de stad Venlo loopt. Op circa 700 meter van het besluitgebied stroomt de rivier de Maas. Het treinstation van Venlo en tevens de daardoorheen lopende spoorlijn liggen op een afstand van circa 720 meter van het projectgebied. De Deken van Oppensingel verschijnt in de stadsplattegronden van Venlo aan het eind van de 19e eeuw. Voor de realisatie van de Burgemeester van Rijnsingel was de Deken van Oppensingel de noord-zuid verbinding aan de rand van het centrum van de stad. Op historische kaartmateriaal is te zien dat toendertijd parallel aan de Deken van Oppensingel een spoorlijn liep, welke als bestemming Wezel (D) had. De omgeving kent overwegend woonfuncties, afgewisseld met diverse andere functies.

2.3

Projectprofiel, huidige situatie projectgebied

Het projectgebied is gelegen aan de Deken van Oppensingel 8 te Venlo en ter plaatse bevindt zich een voormalig verzorgingshuis waar momenteel in het bestaande pand (MOJ) jongeren, Oekraïense ontheemden, dakloze internationale werknemers en statushouders opgevangen worden. Deze functie ter plaatse is niet rechtstreeks toegestaan, waardoor het noodzakelijk is een tijdelijke omgevingsvergunning aan te vragen.

8

HOOFDSTUK

3 Voorgenomen ontwikkeling

3.1

Inleiding

3.2

Projectbeschrijving

In dit hoofdstuk wordt de beoogde situatie omschreven.

De initiatiefnemer is voornemens om het feitelijk gebruik (de tijdelijke opvang van verschillende doelgroepen) van het bestaande pand aan de Deken van Oppensingel 8 te Venlo te continueren tot uiterlijk 1 juli 2026. Deze verschillende doelgroepen betreffen tot op heden Oekraïense ontheemden, jongeren (MOJ), dakloze niet-rechthebbende internationale werknemers en nieuwe inwoners van Venlo (statushouders). Doordat het pand voormalig in gebruik is geweest als woonzorgcentrum voor zorg aan ouderen zijn de benodigde voorzieningen, zoals sanitair, slaapkamers en keukens reeds aanwezig. Aangezien deze ontwikkeling niet rechtstreeks toegestaan is op deze locatie, is het noodzakelijk om een omgevingsvergunning ten behoeve van een ‘Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit’ (BOPA) aan te vragen.

9

HOOFDSTUK

4 Beleid en regelgeving

4.1

Inleiding

4.2

Rijksbeleid

4.2.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI bevat de hoofdzaken van het beleid voor de fysieke leefomgeving. Uit de Omgevingswet volgt dat al het strategische beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, én het nieuwe strategische beleid op het beleidsterrein van de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de NOVI. Het gaat om het strategisch beleid, omdat de NOVI een visie is en de hoofdzaken bevat van het beleid voor de fysieke leefomgeving.

In dit hoofdstuk wordt onderhavige ontwikkeling getoetst aan het algemene Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid en regelgeving. Aan het eind van iedere paragraaf is een conclusie/beschrijving van de doorwerking van het specifieke beleid en wet- en regelgeving voor het projectgebied opgenomen.

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) richt zich op vier prioriteiten. Deze onderwerpen hebben onderling veel met elkaar te maken en ze hebben gevolgen voor hoe we onze fysieke leefomgeving inrichten. De Nationale Omgevingsvisie helpt bij het maken van de noodzakelijke keuzes: a) Ruimte maken voor de klimaatverandering en energietransitie; b) De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden; c) Onze steden en regio’s sterker en leefbaarder maken; d) Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen. Bij kleinschalige ontwikkelingen op lokaal niveau dient rekening te worden gehouden met een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan is een kleinschalig initiatief passend binnen de NOVI.

Toetsing initiatief

In hoofdstuk 5 van deze motivering is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de van toepassing zijnde omgevingsaspecten en is beoordeeld of (en zo ja, in hoeverre) deze van invloed is op de fysieke leefomgeving. Op basis hiervan is gebleken dat er vanuit de NOVI geen belemmeringen bestaan voor het initiatief. 4.2.2

Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) Vanuit de algemene rijksregels voor de fysieke leefomgeving zijn vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) opgesteld. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geeft instructieregels van het Rijk voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bovenlokale belangen werken daarmee 10

door in de vaststelling en wijziging van een omgevingsplan. Deze instructieregels (afdeling 5.1 Bkl) gelden ook voor de omgevingsverordening, het projectbesluit en de omgevingsvergunning (artikel 8.0b, 8.0c, 8.0d en 8.0e). Bij deze regels gaat het over normen voor geluid en geur van bedrijfsmatige activiteiten, externe veiligheid en erfgoed.

Toetsing initiatief

In hoofdstuk 5 van deze motivering is de beoogde ontwikkeling getoetst aan deze rijksregels uit het Bkl en is beoordeeld of (en zo ja, in hoeverre) deze hieraan voldoet. Op basis hiervan is gebleken dat er vanuit het Bkl geen belemmeringen bestaan voor het initiatief. 4.2.3

Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in artikel 5.129g ‘zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand’ van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De ladder voor duurzame verstedelijking is een uitwerking van hetgeen is opgenomen in het NOVI en ziet op ‘zorgvuldig ruimtegebruik’. De ladder is er voor bedoeld dat zorgvuldig wordt nagedacht over nieuwe ontwikkelingen en de plek van de nieuwe ontwikkeling. Zo gaat bijvoorbeeld inbreiding voor uitbreiding. Voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen geldt daarom dat de ladder doorlopen dient te worden om te bepalen of sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. In eerste instantie is het van belang om te bepalen of sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Jurisprudentie heeft ervoor gezorgd dat dit begrip steeds verder gedefinieerd werd en in sommige gevallen zelfs kwantitatief is. Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. De tweede vraag is of het een nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft. Om dit te bepalen moet een vergelijking worden gemaakt tussen de planologische mogelijkheden in de huidige en toekomstige situatie. In het Bkl is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd.

Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Op basis van jurisprudentie kan gesteld worden dat de grens in beginsel ligt op het toevoegen van 12 woningen of meer, dan wel 500 m² of meer voor andere ontwikkelingen.

Toetsing initiatief

In onderhavige ontwikkeling wordt een tijdelijke vergunning aangevraagd voor het huisvesten van diverse groepen dak- en thuislozen binnen een bestaand pand. Hierbij gaat het om een voormalige zorginstelling welke tijdelijk in gebruik genomen zal worden voor deze functie tot 1 juli 2026. Derhalve is geen sprake van een Ladderplichtige ontwikkeling en is een nadere behoefteonderbouwing op dit punt niet noodzakelijk.

11

4.2.4

Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) stelt het Rijk algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. Het Bal geldt voor alle partijen die actief zijn in de fysieke leefomgeving – burgers, bedrijven en overheid.

Toetsing initiatief

In hoofdstuk 5 van deze motivering is de beoogde ontwikkeling getoetst aan deze rijksregels uit het Bal en is beoordeeld of (en zo ja, in hoeverre) deze hieraan voldoet. Op basis hiervan is gebleken dat er vanuit het Bal geen belemmeringen bestaan voor het initiatief.

4.3

Provinciaal beleid

4.3.1

Provinciale Omgevingsvisie Limburg Op 1 oktober 2021 is de Provinciale Omgevingsvisie Limburg vastgesteld. In de Omgevingsvisie Limburg wordt de lange termijn visie voor de periode 2021 tot 2030-2050 uitgewerkt en wordt richting gegeven aan toekomstbestendige ontwikkelingen. Hierbij wordt steeds de balans tussen het beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving gezocht. In de Limburgse omgevingsvisie wordt het toekomstbeeld voor 2030-2050 geschetst voor de provincie. Het toekomstbeeld voor Limburg kan worden gevangen in een indicatieve zonering. De begrenzingen van de zoneringen en andere werkingsgebieden die voortkomen uit de Limburgse principes en de uitwerkingen in de thema’s in de Omgevingsvisie, zijn verankerd in het kaartmateriaal behorende bij de Omgevingsverordening Limburg (zie paragraaf 4.3.2).

Provinciaal belang

De provincie Limburg beschouwt alle woningbouwontwikkelingen als een provinciaal belang. Daarnaast is het een provinciaal belang dat er sprake is van een woningaanbod/ planvoorraad waarbij vraag en aanbod in evenwicht zijn, zowel in kwalitatief en kwantitatief opzicht. Dat betekent dat er voldoende woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek op het juiste moment beschikbaar zijn.

Opgave

Vanuit het onderdeel wonen is het een grote opgave om op de korte en middellange termijn de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad toekomstgeschikt te maken. Daarnaast is er behoefte aan passende, en mogelijk tijdelijke, huisvesting voor bijvoorbeeld internationale werknemers, ontheemden, statushouders en woonurgenten.

Toetsing initiatief

De Provinciale Omgevingsvisie Limburg streeft naar locaties waar mogelijk tijdelijk verschillende groepen mensen gehuisvest kunnen worden. Door het bestaande pand te gebruiken voor bovenstaande en soortgelijke doelgroepen wordt slim omgegaan met de beschikbare ruimte tot een andere locatie voor deze doelgroepen gevonden kan worden. De beoogde ontwikkeling draagt

12

daarmee bij aan de principes en uitwerkingen zoals deze in de Provinciale Omgevingsvisie Limburg zijn opgenomen. 4.3.2

Omgevingsverordening Limburg Op 17 december 2021 is de Omgevingsverordening Limburg 2021 vastgesteld door Provinciale Staten en gewijzigd op 16 december 2022. De Omgevingsverordening is op 1 januari, gelijktijdig met de Omgevingswet per 1 januari 2024 in werking getreden. In de Omgevingsverordening legt de Provincie regels vast voor onder meer natuur, milieu, (grond-)water, ontgronding, wegen, ruimte (verstedelijking, woon- en werklocaties, agrarische bedrijven). Eén van de hoofdopgaven Limburg-breed is ‘Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving in zowel stedelijk c.q. bebouwd gebied als in landelijk gebied’.

Toetsing initiatief

Gezien de ligging van de projectlocatie (gelegen in de zone ‘Stedelijk gebied’ (figuur 3)) en het feit dat de projectlocatie niet gelegen is binnen (milieu)beschermingsgebieden of beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap, voldoet de beoogde ontwikkeling aan de kaders zoals gesteld in de Provinciale Omgevingsverordening Limburg 2021.

Figuur 3 Uitsnede Omgevingsverordening Limburg stedelijk gebied

4.4

Gemeentelijk beleid

4.4.1

Omgevingsvisie Venlo De gemeente Venlo heeft op 14 mei 2025 de Omgevingsvisie Venlo vastgesteld. In elke fase zijn inwoners en belanghebbenden betrokken. Met de blik van nu wordt vooruit gekeken naar toekomstige ontwikkelingen, kansen en uitdagingen richting 2040.

13

De gemeente Venlo wil nu en in de toekomst een passend onderdak kunnen bieden aan iedereen die dat nodig heeft, aangezien zij het belangrijk vinden dat iedereen een eigen woonplek kan hebben. Hierbij heeft de gemeente voornamelijk aandacht voor bijzondere doelgroepen zoals aandachtsgroepen, Oekraïense ontheemden, internationale werknemers, asielzoekers, woonurgenten en statushouders, al dan niet met een zorgvraag. De gemeente is op zoek naar plekken om kwalitatief goede short-stay huisvesting voor onder andere deze doelgroepen te bieden met de daarbij behorende voorzieningen.

Toetsing initiatief

De Omgevingsvisie Venlo streeft naar het bieden van passende tijdelijke huisvesting voor diverse doelgroepen waarbij dit initiatief een mogelijkheid hiervoor kan bieden. Door een voormalig zorgpand voor ouderen te gebruiken voor tijdelijke huisvesting van diverse doelgroepen zijn alle benodigde voorzieningen reeds aanwezig en zal zo de beschikbare ruimte goed benut worden. De beoogde ontwikkeling draagt daarmee bij aan de beleidsuitgangspunten en uitwerkingen zoals deze in de Omgevingsvisie Venlo zijn opgenomen.

14

HOOFDSTUK 5.1

5 Fysieke leefomgeving

Leeswijzer De Omgevingswet (Ow) is sinds 1 januari 2024 in werking getreden. De

omgevingswet gaat over de ruimte waarin mensen wonen, werken en ontspannen. In deze wet zijn meerdere wetten en regels gebundeld. Er zijn vier AMvB's (Algemene Maatregel van Bestuur) vastgesteld: Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het omgevingsbesluit over bevoegd gezag (welk orgaan is bevoegd en welke procedure is van toepassing). Omdat de onderdelen uit de fysieke leefomgeving, zoals genoemd in art. 1.2 Ow, beoordeeld dienen te worden in het kader van een vergunningsaanvraag voor een ‘Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit’ (BOPA), worden in dit hoofdstuk de activiteiten en/of werkzaamheden van de beoogde ontwikkeling getoetst. In elke paragraaf van dit hoofdstuk wordt allereerst ingegaan op hetgeen er over dit aspect is opgenomen in de Omgevingswet, waarna vervolgens de beoogde ontwikkeling op deze punten per aspect wordt getoetst.

5.2

Erfgoed

Het beleidskader Cultureel Erfgoed (art. 5.130 lid 1 Bkl) is opgesteld voor alle aspecten van de fysieke leefomgeving en om als instrument uitvoering te geven aan het archeologiebeleid of voor het aanwijzen en beschermen van gemeentelijke monumenten en provinciale monumenten.

Uitgaande van de wettelijke begripsbepaling kan cultureel erfgoed in het stelsel van de Omgevingswet worden gezien als een soort ‘schijf van vijf’ die bestaat uit de volgende elementen: 1. Monumenten (gebouwd en aangelegd (groen) cultureel erfgoed); 2. Archeologische monumenten; 3. Stads- en dorpsgezichten; 4. Cultuurlandschappen; 5. Roerend en immaterieel erfgoed, voor zover in het omgevingsplan aan een locatie te verbinden.

Cultureel erfgoed

Voor de ontwikkeling dient te worden aangetoond dat er geen negatieve effecten zijn ten aanzien van cultureel erfgoed. Wanneer een van de bovenstaande elementen voorkomt in het ontwikkelingsgebied, dient te worden bekeken welke mogelijkheden er zijn tot bescherming van het cultureel erfgoed. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (art. 5.130 lid 2 Bkl) over: ▪ Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; ▪ Verplaatsing van beschermde monumenten; 15

▪ ▪ ▪ ▪

Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; Aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

Om het gewenste beschermingsregime te bepalen kunnen als voorbeeld de bijlagen uit de ‘Handreiking begrippenkader cultureel erfgoed onder de Omgevingswet november 2022’ worden gebruikt.

Archeologie

Vanuit artikel 5.130 lid 3, 4 en 5 van het Bkl kan een gemeente lokale regels opstellen over archeologisch onderzoek. Conform het tijdelijke Omgevingsplan van Venlo heeft het projectgebied de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2’, ‘Waarde – Archeologie 3’en ‘Waarde – Archeologie 4’. In de planregels is opgenomen dat een onderzoeksplicht naar mogelijk aanwezige archeologische waarden verplicht is indien meer dan 100 m2 bebouwd wordt. Het tijdelijke Omgevingsplan van Venlo bestendigd hiermee het beleid uit het beleidsplan archeologische monumentenzorg.

Toetsing initiatief

Met onderhavige ontwikkeling vinden er geen bodemingrepen plaats die de ontheffingsvrije waarden overschrijden. Derhalve is er geen archeologisch onderzoek benodigd en vormt het aspect erfgoed geen belemmering voor de ontwikkeling.

5.3

Beschermen van de gezondheid

Conform artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Hierbij spelen onder andere aspecten zoals geur, bodem, spuitzones, ligging ten opzichte van veehouderijen en externe veiligheid een belangrijke rol.

Toetsing initiatief

Uit de algehele toetsing van de fysieke leefomgevingsaspecten in het vervolg van dit hoofdstuk blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor het realiseren van de beoogde ontwikkeling en de gezondheid hiermee niet in het geding komt.

5.4

Bodem

Het onderdeel bodem dient getoetst te worden aan de volgende paragrafen uit artikel 2.34 Bkl: • §5.1.4 Beschermen van de gezondheid en van het milieu; ▪ §5.1.4.5 Bodemkwaliteit; - §5.1.4.5.1 Toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie; - §5.1.4.5.2 Nazorg (in stand houden afdeklagen en tijdelijke beschermingsmaatregelen om blootstelling aan bodemverontreiniging te voorkomen); - §5.1.4.5.3 Aanwijzing bodembeheergebieden en indeling landbodem in bodemfunctieklassen. 16

Toetsing initiatief

In de beoogde situatie is er geen sprake van een gevoeliger gebruik voor het aspect bodem. Immers is er op de locatie sprake van een zorgfunctie. Verder worden er geen bodemwerkzaamheden uitgevoerd waarbij grond vrijkomt. Derhalve is er uit planologisch-juridisch oogpunt geen bodemonderzoek benodigd en vormt het aspect bodem geen belemmering voor de ontwikkeling.

5.5

Water(systemen)

Op grond van artikel 5.37 van het Bkl moet bij een wijziging of afwijking van het planologisch regime rekening gehouden worden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij is aangegeven dat daarbij de opvattingen van de beheerder van deze watersystemen moeten worden betrokken. Er zijn diverse beleidsdocumenten op verschillende bestuursniveaus die ten grondslag liggen aan de uitgangspunten op het gebied van duurzaam waterbeheer. De relevante beleidsdocumenten zijn de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), het Nationaal Waterplan (NW), het Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21), het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) en de Waterwet. Onder de Omgevingswet is het beleid van de waterschappen die de kwaliteit en veiligheid van watersystemen borgen opgenomen in de waterschapsverordeningen. Binnen de ruimtelijke planvorming vormt water een belangrijk aspect. De toename van verhard oppervlak zorgt voor hitte, verdroging en vergroot de kans op wateroverlast. Bij alle ruimtelijke plannen moeten de waterhuishoudkundige doelstellingen binnen het projectgebied op een evenwichtige wijze beschouwd worden. Deze zogenaamde Watertoets is verplicht. In paragraaf 5.1.3 van het Bkl zijn aanvullende eisen gesteld ten aanzien van relevante waterhuiskundige elementen.

Aangezien onderhavige ontwikkeling niet in de nabijheid ligt van een van deze waterhuishoudkundige elementen is een nadere toetsing niet aan de orde.

5.5.1

Kenmerken huidige watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het projectgebied en de omgeving, kunnen beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, afvalwater en hemelwater.

Grondwater

In het projectgebied zal geen grondwater worden onttrokken. Daarnaast zullen er (geen) activiteiten plaats vinden die het grondwater mogelijk kunnen vervuilen. Er worden ten aanzien van grondwater dan ook geen belemmeringen verwacht.

Oppervlaktewater

17

In het projectgebied zelf en in de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig en zal in de nieuwe situatie geen oppervlaktewater worden gecreëerd.

Afvalwater

Het huidige afvalwater wordt middels het gemeentelijke rioleringsstelsel afgevoerd. Met onderhavige ontwikkeling zal de hoeveelheid afvalwater per saldo niet toenemen.

Hemelwater

Aangezien de hoeveelheid verharding en bebouwing binnen het projectgebied niet toeneemt zal de hoeveelheid te verwerken hemelwater niet toenemen. Conclusie Uit het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat onderhavige ontwikkeling geen belemmeringen vormt voor de afvoer, kwaliteit of infiltratie van water.

5.6

Ecologie

5.6.1

Gebiedsbescherming Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart te worden gebracht en te worden beoordeeld. Wanneer deze mogelijk een negatief effect hebben op beschermde natuur in een Natura 2000-gebied geldt een vergunningsplicht.

De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Het aspect ecologie kent dan ook twee subcategorieën: Natura 2000-gebieden en (beschermde) flora en fauna.

In hoofdstuk 11 van het Bal is bepaald wanneer een vergunning nodig is. Zo is het conform artikel 5.1, lid 1, en onder e Ow verboden om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten. Het verbod geldt: 1. Niet voor een Natura 2000-activiteit in gevallen die zijn aangewezen in een omgevingsverordening. 2. In gevallen aangewezen in een omgevingsverordening niet voor zover het gaat om gevolgen die samenhangen met een bij de omgevingsverordening bepaalde factor die een daarbij bepaalde drempel niet overschrijdt. Er is sprake van een algemene zorgplicht voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht.

Toetsing initiatief 18

Het projectgebied is niet binnen een Natura 2000-gebied gelegen. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden betreffen ‘Schwalm-Nette-Platte mit Grenzwald u. Meinweg’ en ‘Maasduinen’ welke op een afstand van respectievelijk 3,1 en 6,7 kilometer van het projectgebied zijn gelegen. Binnen het projectgebied zullen er geen bouw- en/of sloopwerkzaamheden plaats vinden waardoor het niet noodzakelijk is om een stikstof berekening uit te voeren. Het aspect gebiedsbescherming komt dan ook niet in het geding komt. 5.6.2

Soortenbescherming In de Omgevingswet wordt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen geregeld. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. In dit geval is de definitie van een flora- en fauna-activiteiten een 'Activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Door deze strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • Er soorten aanwezig zijn; en • Welke soorten dat zijn. In artikel 11.27 van het Bal is opgenomen dat degene die een flora- en faunaactiviteit verricht en weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen (bedoeld in artikel 11.23 Bal), verplicht is: a. Alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c.

Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

Toetsing initiatief Aangezien er binnen het projectgebied geen gebouwen gesloopt of gebouwd zullen worden, zal het voornemen naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het projectgebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed.

5.7

Geluid

Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een of meerdere geluidgevoelige objecten, dient te worden getoetst aan de regels zoals die aangaande het aspect ‘geluid’ zijn opgenomen in de Omgevingswet. 19

Deze regels in de Omgevingswet betreffen enerzijds ‘direct werkende regels’ (regels die rechtstreeks gelden voor bedrijven, burgers en initiatiefnemers bij het uitvoeren van een activiteit) en anderzijds ‘instructieregels’ (algemene regels waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe een taak of bevoegdheid op het gebied van ‘geluid’ moet worden uitgeoefend). 1. Direct werkende regels omtrent ‘geluid’ zijn/worden door de gemeente vastgelegd in het gemeentelijk Omgevingsplan; 2. Instructieregels omtrent ‘geluid’ zijn terug te vinden in het Bkl en de Provinciale omgevingsverordening. Omdat de rijksoverheid in het kader van gezondheid en milieu mensen wil beschermen tegen geluid, zijn er voor wat betreft de verschillende situaties onder 1 en 2 in het Bkl concrete standaard- en grenswaarden vastgelegd. Voldoen aan de standaardwaarde is vanzelfsprekend het hoofduitgangspunt in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. Als voldaan wordt aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag mag echter meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Dit ‘gemeentelijk geluidsbeleid’ kan zij dan opnemen in het gemeentelijke Omgevingsplan overeenkomstig de vereisten uit de instructieregels van het Bkl.

Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarden toestaan als ze voldoet aan de voorwaarden die daartoe in (de artikelen 3, 5 en 8 van) het Bkl zijn opgenomen. Tenslotte kan het bevoegd gezag in een aantal specifieke situaties ook een overschrijding van de grenswaarden toelaten. Deze specifieke situaties en de daarbij behorende randvoorwaarden zijn eveneens terug te vinden in (de artikelen 3 en 5 van) het Bkl.

Toetsing initiatief

In de beoogde situatie is er geen sprake van een gevoeliger gebruik voor het aspect geluid. Dit door het gebruik in het verleden als verzorgingshuis. Derhalve is er geen akoestisch onderzoek benodigd en vormt het aspect geluid geen belemmering voor de ontwikkeling.

5.8

Kwaliteit van de buitenlucht

Om de risico's van luchtverontreiniging voor mens en natuur te beperken, zijn op Europees niveau normen vastgelegd. De Europese richtlijnen Luchtkwaliteit en Gevaarlijke stoffen in de lucht stellen grenswaarden en streefwaarden voor stoffen die de kwaliteit van de buitenlucht beïnvloeden. Deze zijn als rijksomgevingswaarden vastgelegd in paragraaf 2.2.1 van het Bkl. In Artikel 5.50 t/m 5.54 Bkl worden vervolgens de kaders gesteld waarbinnen al dan niet getoetst moet worden aan de luchtkwaliteitseisen. In het kader van een ruimtelijk plan dient het bevoegd gezag te toetsen of aan de (rijks)omgevingswaarden wordt voldaan. Als aan minimaal één van de 20

volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor de beoogde planontwikkeling: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging (een plan is ‘NIBM’ als dat blijkt uit de NIBM-Tool, of als deze valt onder de ‘standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit’ (artikel 5.54 Bkl).). d. Een plan betreft een locatie waarvoor in artikel 5.52 Bkl een uitzondering is opgenomen. Ter plaatse van de te realiseren ontwikkeling dient sprake te zijn van een aanvaardbare luchtkwaliteit. Gemeenten kunnen zelf bepalen welke luchtkwaliteit zij aanvaardbaar vinden bij woningen. Dit kunnen de rijksomgevingswaarden zijn (40 μg/m3 (PM10) en 40 μg/m3 (NO²)), maar gemeenten kunnen ook strengere waarden hanteren. Hiervan zijn drie varianten: • Een scherpere norm, bijvoorbeeld voor fijnstof; • Een resultaatsverplichting voor een rijksomgevingswaarde waar in het Bkl een inspanningsplicht voor geldt; • Voor de lokale omgevingswaarde geldt dezelfde getalswaarde op locaties waar de rijksomgevingswaarde niet geldt.

Toetsing initiatief

De gemeente Venlo hanteert een maximum van 40 μg/m3 (PM10) en 40 μg/m3 (NO²) als grenswaarden. Het projectgebied is, op basis van de concentratiekaarten van het RIVM, getoetst aan de gestelde omgevingswaarden voor fijnstof en stikstof.

Fijnstof

De grens voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Voor het vaststellen van de achtergrondconcentratie van fijnstof is de grootschalige concentratiekaart van het RIVM geraadpleegd. Voor het projectgebied blijkt dat de achtergrondconcentratie voor fijnstof circa 13,97 μg/m3 (PM10) bedraagt. Er wordt dus voldaan aan de gestelde grenswaarden.

Stikstofdioxide Voor stikstofdioxide (NO2) geldt een grenswaarde van 40 μg/m3 voor een jaargemiddelde concentratie. De waarde voor stikstofdioxide ter plaatse van het projectgebied bedraagt circa 12,07 μg/m3. Dit betekent dat de hoeveelheid stikstofdioxide beneden de gestelde grenswaarden ligt. Geconcludeerd wordt dat de hoeveelheid fijnstof en stikstofdioxide ter plaatse van het projectgebied beneden de gestelde grenswaarden ligt waardoor de kwaliteit van de buitenlucht door onderhavige ontwikkeling niet in het geding zal komen. Daarnaast heeft de ontwikkeling geen onevenredig negatief effect op de omgeving. Hierdoor levert de luchtkwaliteit geen belemmeringen op voor de voorgestane ontwikkeling. 21

5.9

Geur

De Omgevingswet heeft onder andere tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting vanwege dierenverblijven en veehouderijen. Door het opnemen van geurnormen en/of vaste afstanden in het Bkl, wordt er op dit punt gestreefd naar een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen. Anderzijds dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde ontwikkeling.

Individuele geurhinder In het Bkl zijn in artikel 5.109 standaardwaarden opgenomen die gelden voor landbouwhuisdieren waarvoor (bij ministeriële regeling) geuremissiefactoren zijn opgenomen. Voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactoren gelden de vaste afstanden zoals opgenomen in artikel 5.112 van het Bkl. Gemeenten hebben de bevoegdheid om in hun omgevingsplan afwijkende geurnormen en afstanden op te nemen. Tot het moment dat een gemeente een omgevingsplan heeft vastgesteld, blijven (indien een geurverordening van kracht was onder de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv)), de geurnormen en afstanden uit de geurverordening van kracht. Indien een gemeente geen geurverordening onder de Wgv heeft vastgesteld, gelden de regels zoals opgenomen in artikel 5.109 en 5.112 van het Bkl. De geurhinder dient te worden berekend op geurgevoelige gebouwen. In artikel 5.91 van het Bkl is opgenomen welke gebouwen gedefinieerd zijn als geurgevoelig gebouw. Gemeenten mogen in hun omgevingsplan meerdere gebouwen definiëren als geurgevoelig.

Toetsing initiatief

In de beoogde situatie is er geen sprake van een gevoeliger gebruik voor het aspect geur. Derhalve is er geen geur onderzoek benodigd en vormt het aspect geur geen belemmering voor de ontwikkeling.

5.10

Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in een wettelijk kader. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Bal; 22

• • •

Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal.

Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden.

Plaatsgebonden risico (PR)

Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen zeer kwetsbare gebouwen en locaties geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een streefwaarde.

Aandachtsgebieden

Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Het aandachtsgebied vormt een instrument om het gesprek over veiligheid en bescherming door het treffen van maatregelen te starten. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarbij zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: • brandaandachtsgebied; • explosieaandachtsgebied; • gifwolkaandachtsgebied.

Toetsing initiatief

Met behulp van de Atlas Veiligheid (figuur 4) is gekeken welke risicobronnen in de nabijheid van het projectgebied zijn gelegen.

23

Figuur 4 Atlas Veiligheid projectgebied aangegeven met blauwe marker

Transport van gevaarlijke stoffen

Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt sinds jaar en dag plaats via het spoor, over de weg en het water. Regels over vervoer van gevaarlijke stoffen zijn opgenomen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. De regels met betrekking tot de ruimtelijke ordening vallen onder de Omgevingswet. • Risicovol transport over spoorwegen Het projectgebied is niet binnen een aandachtsgebied gelegen van transport van gevaarlijke stoffen over spoorwegen. Dit aspect vormt geen hinder ten aanzien van de ontwikkeling. • Risicovol transport over water- en autowegen Het projectgebied is niet binnen een aandachtsgebied gelegen van transport van gevaarlijke stoffen over water- en autowegen plaats. Dit aspect vormt geen belemmering ten aanzien van de ontwikkeling.

Stationaire risicobronnen

In de omgeving van het projectgebied zijn geen stationaire risicobronnen aanwezig. Het projectgebied is niet gelegen binnen de risicocontour van een stationaire risicobron waardoor dit aspect geen hinder vormt ten aanzien van de ontwikkeling.

Buisleidingen 24

In de omgeving van het projectgebied zijn geen buisleidingen aanwezig. Dit aspect vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Het aspect externe planvoornemen.

5.11

veiligheid

vormt

geen

belemmering

voor

het

Milieubelastende activiteiten

Onder een milieubelastende activiteit wordt verstaan: een activiteit die

nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit. In het Bal worden in

hoofdstuk 3 de hoofdcategorieën van milieubelastende activiteiten benoemd en worden de procedureregels vastgesteld. In hoofdstuk 4 worden voor deze hoofdcategorieën en daarbij behorende nevengeschikte milieubelastende activiteiten de gedragsregels vastgesteld. Daarnaast zijn in het Bal regels opgenomen over thematische onderwerpen, zoals bodem, luchtkwaliteit en industrielawaai, activiteiten bij rijkswaterstaatswerken en -infrastructuur, activiteiten die de natuur beïnvloeden en overige activiteiten van nationaal belang. De beoogde ontwikkeling betreft geen milieubelastende activiteit zoals bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal. Derhalve is toetsing aan de (gedrags-)regels niet aan de orde. Daarnaast is er bepaald of er voldoende ruimtelijke scheiding aanwezig is tussen enerzijds de beoogde ontwikkeling en anderzijds functies in de omgeving. Om e.e.a. hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot een gevoelige functie dient te zijn (zogenaamde richtafstanden). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur.

Het ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen heeft als doel om: • Het al in het ruimtelijk spoor voorkomen, danwel het zoveel mogelijk beperken, van hinder en gevaar voor omliggende gevoelige objecten zoals woningen; • Het voldoende zekerheid bieden aan bedrijven om de gewenste milieubelastende activiteit uit te voeren. De afstanden uit de VNG-publicatie zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustig buitengebied/woonwijk’. Indien er sprake is van een ‘gemengd gebied’ mogen de richtafstanden met 1 stap worden verkleind. De omgevingstypen zijn te definiëren als; • Rustig buitengebied/woonwijk: Een omgevingstype dat gericht is op het principe van functiescheiding. Er komen enkel gebiedsgerichte activiteiten voor waarbij geen tot kleinschalige functiemenging plaatsvindt. Tevens is er weinig verstoring door verkeer. • Gemengd gebied: Een omgevingstype dat gekenmerkt wordt door een matige tot sterke functiemenging. In de directe nabijheid van woningen vinden meerdere verschillende functies plaats in de vorm van winkels, 25

horeca en kleine bedrijven. Met betrekking tot het buitengebied geldt dat sprake is van lintbebouwing met overwegend agrarische en nietagrarische bedrijvigheid.

Toetsing initiatief

De beoogde ontwikkeling is gelegen in een gemengd gebied bestaand uit meerdere woon-, centrum en dienstverleningsfuncties. De aan te houden afstanden conform de VNG-publicatie mogen daarom met 1 stap worden verkleind. In dit geval zijn in de directe omgeving van de planlocatie een aantal dienstverleningsfuncties en een kerkgelegen. In onderstaande tabel is de toets aan de van toepassing zijnde afstanden weergegeven. De werkelijke afstand heeft betrekking op de afstand tussen de beoogde woning en de grens van het bouwvlak van omliggende bedrijven. Locatie

Functie

Richtafstand (meter)

Voldaan?

0

Werkelijke afstand (meter) 22

Deken van Oppensingel 61a Goltziusstraat 43 Goltziusstraat 39 Goltziusstraat 35 Krefeldseweg 5 Krefeldseweg 4

Dienstverlening

Dienstverlening

0

38

Ja

Dienstverlening

0

55

Ja

Dienstverlening

0

70

Ja

Bedrijf tot cat. 30 3.1 Bedrijf tot cat. 30 3.1

65

Ja

30

Ja

Ja

Uit bovenstaande tabel blijkt dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan de richtafstanden tot omliggende bedrijven daardoor deze niet in hun mogelijkheden belemmerd worden. In de beoogde situatie zal het pand gebruikt worden voor de tijdelijke huisvesting van diverse doelgroepen waarbij dagelijks begeleiding aanwezig is. In de VNG-publicatie is geen aparte categorie opgenomen voor het beoogde gebruik daarom dient uitgegaan te worden van een verpleeghuis. Een verpleeghuis heeft een richtafstand van 30 meter tot omliggende gevoelige functies. Deze richtafstand mag met 1 stap verminderd worden naar 10 meter afstand. Binnen de afstand zijn geen gevoelige functies aanwezig. Verder dient er getoetst te worden aan hoofdstuk 22 van het Omgevingsplan. In paragraaf 22.3.15 worden regels beschreven voor niet-industriële keuken. Binnen het pand is een keuken aanwezig in de gemeenschappelijke ruimte. In deze keuken wordt dagelijks voor de bewoners een warme maaltijd bereidt. De regels in paragraaf 22.3.15 zijn van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen met keukenapparatuur, grootkeukenapparatuur en/of een 26

of meer bakkerijovens. Aangezien gebruik gemaakt kan worden van keukenapparatuur is deze paragraaf van toepassing op de ontwikkeling. In artikel 22.197 lid 1 staan gegevens beschreven die aangeleverd dienen te worden wanneer het gaat om een nieuwe activiteit. Echter staat in lid 3 aangegeven dat deze gegevens niet aangeleverd hoeven te worden wanneer het gaat om het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die wonen op de locatie. Hierdoor is er geen informatieplicht. Conform artikel 22.198 dient het afvalwater dat afkomstig is van het bereiden van voedingsmiddelen te worden geloosd in een vuilwaterriool. Aangezien de ontwikkeling plaatsvindt in een bestaand pand, is het pand reeds aangesloten op het vuilwaterriool. Dit geeft dan ook geen belemmeringen. Als laatste dient conform artikel 22.199 geurhinder te worden voorkomen of worden beperkt. Hiervoor zijn enkele normen voor opgenomen. Deze normen zijn echter niet van toepassing als het bereiden van voedingsmiddelen met keukenapparatuur gebeurt en als het mogelijke effect van de geuremissie van de uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft. Aangezien voldaan wordt aan de voorwaarden is dit niet van toepassing en geeft dit dan ook geen belemmeringen voor de ontwikkeling. Hieruit kan worden verondersteld dat het woon- en leefklimaat ter hoogte van de ontwikkeling aanvaardbaar is.

5.12

Niet-gesprongen explosieven

Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog ontplofbare oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen, blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Voor ontplofbare oorlogsresten zijn geen rijksregels opgenomen in de Omgevingswet. De Omgevingswet biedt decentrale overheden wel de mogelijkheid om zelf decentrale regels op te stellen voor de fysieke leefomgeving.

Toetsing initiatief

Met onderhavige ontwikkeling vinden er geen grondwerkzaamheden plaats waardoor het aspect niet-gesprongen explosieven niet voor belemmeringen zorgt.

5.13

Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen

5.13.1

Kabels en leidingen Ondergrondse kabels en leidingen zijn belangrijk voor het transport van data, elektriciteit en stoffen zoals gas en water. Sommige ondergrondse leidingen kunnen een risico zijn voor de omgeving. In het gemeentelijk Omgevingsplan zijn normaliter geen of zeer beperkte gebruiksregels voor ondergrondse kabels en

Bij ontwikkelingen is het van belang om te kijken of er door of nabij het projectgebied kabels, leidingen en/of hoogspanningslijnen zijn gelegen waar rekening mee gehouden dient te worden.

27

leidingen opgenomen aangaande ligging, type leiding en gebruikskenmerken. In het kader van een voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling is het echter wel belangrijk om te bezien of er in de omgeving kabels en/of leidingen (al dan niet met veiligheidszone) aanwezig zijn.

Toetsing initiatief

In de directe omgeving van het projectgebied zijn geen kabels en leidingen aanwezig. Deze zullen bij de realisatie van de beoogde ontwikkeling dan ook geen belemmeringen vormen.

5.13.2

Hoogspanningslijnen Hoogspanningsverbindingen zijn essentieel voor het energienetwerk, maar hebben ook effect op (ontwikkelingen in) de omgeving. Zo is vanwege de magneetvelden rondom een hoogspanningsverbinding afstand nodig tot gevoelige functies zoals woningen.

Toetsing initiatief

In de directe omgeving van het projectgebied zijn geen hoogspanningslijnen aanwezig. Hoogspanningslijnen zullen bij de realisatie van de beoogde ontwikkeling dan ook geen belemmeringen vormen.

5.14

Mobiliteit

Het Bkl bevat verschillende rijkinstructieregels voor de instandhouding van de rijksinfrastructuur. Mobiliteit is daarnaast ook een belangrijk aspect dat meeweegt in het kader van de afweging of er sprake is van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Bij nieuwe ontwikkelingen moet in acht genomen worden dat er geen belemmeringen zullen ontstaan voor de omliggende wegen. Daarnaast moeten er ook voldoende parkeerplaatsen voor (deel)auto’s en voor fietsen gerealiseerd worden. Wat voldoende is, is afhankelijk van de locatie en gemeentelijk beleid. Vanuit de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zijn er twee nationale belangen gericht op mobiliteit: - Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; - In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit. Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.

Verkeersgeneratie

Op basis van gemeentelijk beleid of de kencijfers van kennisplatform CROW kan berekend worden of er sprake is van een wijziging van het aantal verkeersbewegingen afkomstig van de locatie en kan worden bepaald of dit gevolgen heeft met betrekking tot de infrastructuur. 28

Toetsing initiatief

In de huidige situatie zijn er verkeersbewegingen afkomstig van de locatie als gevolg van het gebruik van verzorgingshuis. Voor een verzorgingshuis in centrum, in een sterk stedelijk gebied, worden geen verkeersbewegingen weergegeven in de CROW-publicatie waardoor gekeken moet worden naar een serviceflat. Voor een serviceflat op deze locatie wordt gerekend met gemiddeld 0,8 verkeersbewegingen per woning. In de huidige situatie zijn er 118 zorgwoningen aanwezig, wat uitkomt op gemiddeld 94,4 verkeersbewegingen per etmaal. In de beoogde situatie worden van de 118 aanwezige kamers maar 93 kamers gebruikt voor de huisvesting van de diverse doelgroepen. Deze activiteit valt onder kamerverhuur waarbij gemiddeld 1 verkeersbeweging per woning plaats vindt. Dit komt voor de 93 kamers uit op gemiddeld 93 verkeersbewegingen per etmaal. Door de ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen per saldo afnemen. Gelet op het feit dat de huidige infrastructuur het aantal verkeersbewegingen in de huidige situatie kan verwerken, worden er voor de beoogde situatie eveneens geen problemen verwacht. Derhalve behoeft de huidige infrastructuur geen aanpassingen. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/894/documents/24257