CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

472223 Bijl12 Bijlagen bij toelichting Bijl5 Archeologie - Overkoepelend Pve.pdf

Raadsvergadering 11 juni 2025, gemeente VenloBij agendapunt: 5.3: Vaststellen bestemmingsplan en beeldkwaliteitsplan Veilingterrein (401218)12.051 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Locatie

Veilingterrein

| Venlo-Veilingterrein | 24-029

Projectnaam PvE

nummer

| Definitief

Status Plaats IVO

-

te Venlo

binnen

archeologisch

Proefsleuven

(IVO-P)

en

proces

Definitief Onderzoek

Opsteller Naam, Auteur KNA

Bij landbodems: Archeoloog

adres, telefoon,

datum

paraaf

datum

paraaf

ADC

ArcheoProjecten Nijverheidsweg-Noord 3812

Bij landbodems: Senior KNA Archeoloog, controle/goedkeuring

PN

114

Amersfoort

(geanonimiseerd)

LE

(geanonimiseerd) e-:rcheoiogie.n! B (geanonimiseerd) eere ADC ArcheoProjecten

Nijverheidsweg-Noord 3812

PN

114

Amersfoort

(geanonimiseerd)

TE

Opdrachtgever

e-mail

(geanonimiseerd)

Senior

(geanonimiseerd) NR

En

Naam, adres, telefoon, e-mail Aveco

de Bondt

(geanonimiseerd) ostbus

7450 AB Holten

(geanonimiseerd) 0

Goedkeuring bevoegde

(geanonimiseerd) _Me.avecodebondt.nl

overheid

Naam, Gemeente

adres, telefoon,

Gemeente M.

5902

datum

Venlo

(geanonimiseerd)

Postbus

T:

e-mail

3434

0-8

RK Venlo

(geanonimiseerd) nn

(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) ___k Deskundige

namens

(geanonimise rd)

bevoegde

overheid:

(geanonimiseerd) En (geanonimiseerd) MR eeleidsmedewerker Erfgoed Gemeente Venlo, Wonen

Kennisgeving

en

Team

Leven)

depothouder Naam, adres, telefoon,

e-mail

[datum

paraaf

De

Vondst

6411 T:

HK

Raadhuisplein

20

Heerlen

045-5605002

(geanonimiseerd)

(geanonimiseerd) Cont

(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) | (geanonimiseerd) prviimburg.nl le

HOOFDSTUK 1 ADMINISTRATIEVE GEGEVENS ONDERZOEKSGEBIED HOOFDSTUK 2 AANLEIDING EN MOTIVERING VAN HET ONDERZOEK 2. 1 Aanleiding en motivering HOOFDSTUK 3 EERDER UITGEVOERD ONDERZOEK HOOFDSTUK 4 ARCHEOLOGISCHE VERWACHTING 4. 1 Regionale archeologische en cultuurlandschappelijke context 4. 2 Aard en ouderdom van de vindplaats(en) 4. 3 Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en) 4. 4 Structuren en sporen Anorganische artefacten 4. 5 Organische artefacten 4. 6 4. 7 Archeozoölogische , archeobotanische resten 4. 8 Fysisch antropologische resten 4. 9 Motivatie 4. 10 Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen 4. 11 Gaafheid en conservering HOOFDSTUK 5 DOELSTELLING EN VRAAGSTELLING 5. 1 Doelstelling 5. 2 Relatie met NOaA en/of andere onderzoekskaders 5. 3 Vraagstelling 5. 4 Onderzoeksvragen HOOFDSTUK 6 METHODEN EN TECHNIEKEN 6. 1 Strategie Methoden en technieken 6. 2 6. 3 Omgang kwetsbaar vondstmateriaal 6. 4 Structuren en grondsporen 6. 5 Aardwetenschappelijk onderzoek 6. 6 Anorganische artefacten 6. 7 Organische artefacten Archeozoölogische en archeobotanische resten 6. 8 Fysisch antropologische resten 6. 9 6. 10 Overige resten 6. 11 Dateringstechnieken 6. 12 Beperkingen HOOFDSTUK 7 UITWERKING 7. 1 Structuren , grondsporen , vondstspreidingen Analyse aardewetenschappelijke gegevens 7. 2 7. 3 Anorganische artefacten 7. 4 Organische artefacten 7.

5 Archeozoölogische , archeobotanische resten 7. 6 Fysisch antropologische resten Overige resten 7. 7 7. 8 Dateringen Beeldrapportage 7. 9 (DE)SELECTIE EN CONSERVERING HOOFDSTUK 8 8. 1 Selectie materiaal voor uitwerking 8. 2 Selectie materiaal voor deponering en verwijdering 8. 3 Selectie materiaal voor conservering HOOFDSTUK 9 DEPONERING 9. 1 Eisen betreffende depot 9. 2 Te leveren product HOOFDSTUK 10 RANDVOORWAARDEN EN AANVULLENDE EISEN 10. 1 Personele randvoorwaarden 10. 2 Addenda/oplegbladen 10. 3 Overlegmomenten 10. 4 Kwaliteitsbewaking , toezicht , overleg en evaluatie

6 6 6 8 8 8 12 13 13 13 13 13 13 13 13 14 15 15 15 15 15 16 16 17 17 18 18 18 18 18 19 19 19 19 20 20 20 20 20 20 21 21 21 21 22 22 22 22 23 23 23 25 25 25 25 25

3

10. 5 Overige randvoorwaarden en aanvullende eisen 26 10. 6 Openbaarheid en integriteit 26 HOOFDSTUK 11 WIJZIGINGEN TEN OPZICHTE VAN HET VASTGESTELDE PVE 27 27 11. 1 Wijzigingen tijdens het veldwerk Belangrijke 11. 2 wijzigingen 27 11. 3 Procedure van wijziging na de evaluatiefase van het veldwerk 27 11. 4 Procedure van wijziging tijdens uitwerking en conservering 27 LITERATUUR , AFBEELDINGEN EN BIJLAGEN 29 Literatuur 29 Bijlage 1 Lijst met te verwachten aantallen vondsten per vondstcategorie 30 Bijlage 2 31 Samenvatting van dit PvE wanneer specialisten raadplegen Bijlage 3 Tabellen richtlijnen van de depots voor (de)selectie vondsten en monsters in het veld (Fase 1) en selectie voor deponeren (fase 2) 32 Bijlage 4 Verklarende woordenlijst 36 Bijlage 5 Topografische kaart met onderzoekslocatie 37 Bijlage 6 Locatie van het plangebied op de gemeentelijke beleidsadvies- en verwachtingskaart 38 Bijlage 7 Locatie van het plangebied op de Cultuurhistorische Inventarisatiekaart Gemeente Venlo (Bron: Keunen & Van der Veen 2015 kaartbijlage 1 blad 1). 39 Bijlage 8 Overzichtskaart van Romeinse vindplaatsen , opgesteld door L. Keus (ter beschikking gesteld door T. Ernst Beleidsmedewerken Erfgoed gemeente Venlo). 40 Bijlage 9 Ongepubliceerd briefrapport 41 ,

,

,

,

4

40

5

HOOFDSTUK

1

ADMINISTRATIEVE GEGEVENS ONDERZOEKSGEBIED

Projectnaam

Venlo-Veilingterrein

Provincie

Limburg

Gemeente

Venlo

Plaats

Venlo

Toponiem

Veilingterrein

xy–coördinaten ,

208. 690 / 374. 595 208. 935 / 374. 424 208. 669 / 374. 258 208. 523 / 374. 385

CMA/AMK-status

-

Archis-monumentnummer

-

Archis-waarnemingsnummer

-

Oppervlakte plangebied Huidig grondgebruik

HOOFDSTUK 2. 1

2

Ca 7 ha voormalig veilingterrein; voornamelijk verhard (beton of asfalt)

AANLEIDING EN MOTIVERING VAN HET ONDERZOEK

Aanleiding en motivering

Dit Programma van Eisen (PvE) is opgesteld naar aanleiding van de herontwikkeling van het voormalige veilingterrein in Venlo. Het terrein zal worden omgevormd naar een gecombineerde woonen werkplek. Hiervoor is een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk. Op de Archeologische Beleidskaart Venlo valt het plangebied in een zone met een hoge of middelhoge verwachting (bijlage 6). 1 Hier is archeologisch onderzoek verplicht bij ingrepen groter dan of gelijk aan 500 m2 en dieper dan 40 cm –mv. Omdat de voorgenomen plannen deze vrijstellingsgrenzen overschrijden , dient archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden. In het kader van dit proces is reeds een gecombineerd bureau- booronderzoek voor het plangebied uitgevoerd. 2 Dit onderzoek heeft geleid tot het advies om een inventariserend veldonderzoek in het plangebied uit te voeren door middel van het aanleggen van proefsleuven (IVO-P). Dit advies is door de bevoegde overheid overgenomen. 3

Het plangebied is gelegen in het zuidelijke deel van de stad. Het wordt begrensd door de Tegelseweg in het westen , de Hagerhofweg en de Velddijk in het noorden en de Wylrehofweg in het oosten (afb. 1; bijlage 5). De zuidgrens wordt gevormd door een waterstroom , de Venlose Molenbeek , en de bebouwing aan de Hulsterweg. De meeste bebouwing op het terrein is gesloopt. Er staan nu nog twee loodsen. Het grootste deel van het terrein is nog wel verhard met asfalt of beton. Het onderhavige PvE is opgezet als een overkoepelend PvE , ook wel paraplu-PvE genoemd , dat geldig is voor het complete plangebied. Omdat het plangebied in meerdere fases ontwikkeld zal worden , zullen er verschillende onderzoeken uitgevoerd moeten worden. Er is thans nog geen zicht op het exacte aantal en de omvang van de verschillende fases , waardoor ook nog niet bekend is hoeveel (proefsleuven)onderzoeken er plaats gaan vinden. Dit overkoepelend PvE is opgesteld om er voor te zorgen dat alle onderzoeken 1 Peeters 2015 , Kaartbijlage 6-B & tabel 2 Nieuwlaat et al. 2023. 3 Toets archeologie , 17 november 2023.

1.

volgens dezelfde methodiek en strategie uitgevoerd worden , en om versnippering tegen te gaan.

Per fase/deellocatie zal nog een addendum/oplegblad op dit PvE opgesteld worden , die gedetailleerde aanvullingen geeft voor de specifieke fase/deellocatie. Dit PvE dient daarvoor als basis , de vertaling naar de praktische uitvoering (bijvoorbeeld welke zones onderzocht moeten worden , welk soort vervolgonderzoek , te onderzoeken oppervlakte en het puttenplan etc. ) worden in de addenda vastgelegd. Op basis van voortschrijdend inzicht kunnen nieuwe aanvullende onderzoeksvragen opgesteld worden. Ook dienen andere afwijkingen ten opzichte van onderhavig PvE toegelicht te worden , bijvoorbeeld eventuele afwijkende archeologische verwachtingen of een aanscherpping van de onderzoeksmethodiek. Op deze wijze dienen de verschillende onderzoeken een samenhangend geheel te vormen. Ieder addendum dient ter beoordeling voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid. De uitvoering van de onderzoeken vindt pas plaats na goedkeuring door de bevoegde overheid.

Afb. 1. Locatie

van

het plangebied.

7

HOOFDSTUK

3

EERDER UITGEVOERD ONDERZOEK

Eerder uitgevoerd onderzoek Bureau- en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) Uitvoerder ADC ArcheoProjecten Uitvoeringsperiode 2023-2024 Rapportage Nieuwlaat , G.P.A.M. , P. Valentijn , L. A. van Sambeek , Velingterrein , Venlo (gemeente Venlo). Een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek , Amersfoort (ADC rapport 5878) In de omgeving van het plangebied zijn verschillende archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat hier echter uitsluitend om bureau- en booronderzoeken en archeologische begeleidingen (zie paragraaf 4. 1). Voor een compleet overzicht van deze onderzoeken wordt verwezen naar het bureauonderzoek. 4 Aanvullend hierop bestaat er nog een ongepubliceerd onderzoek. Het betreft een inventarisatie van vondsten die afkomstig zijn van een akker langs de Hulsforterweg (bijlage 9). Deze akker ligt ten zuidoosten van het veilingterrein en direct ten noorden van Tegelen. Aanleiding was de melding van een hoeveelheid vondsten die gedurende jaren op die akker waren aangetroffen. Deze vondsten betroffen dakpanresten , e e eeuw n. Chr). natuursteen en een hoeveelheid aardewerk uit de Romeinse tijd (2/3 Op basis hiervan is wordt de ligging van een nederzetting (of misschien zelfs een villa) uit de Romeinse tijd verwacht onder de akker of in de nabije omgeving.

Er waren ook wat middeleeuwse scherven aanwezig die mogelijk verband houden met het hof van Wylre. 5

HOOFDSTUK 4. 1

4

ARCHEOLOGISCHE VERWACHTING

Regionale archeologische en cultuurlandschappelijke context 6

Landschap Het plangebied ligt ca. 500 m ten oosten van de huidige loop van de Maas in een dalvlakteterras (code 4E44). In het zuidoosten van het plangebied zijn twee voormalige beeklopen gereconstrueerd , welke vermoedelijk verband houden met de Venlose Molenbeek en/of een al dan niet gekanaliseerde aftakkingen daarvan. Buiten deze zone bestaat het dalvlakteterras in de meest complete opbouw uit beddingafzettingen met daarboven oeverafzettingen (Formatie van Beegden) en vervolgens eolische afzettingen (Formatie van Boxtel). Uit het booronderzoek is gebleken dat deze opbouw door de aanwezige verstoringen zelden als zodanig bewaard is gebleven. Ook natuurlijke bodems zijn vrijwel nergens in het plangebied nog aanwezig. Volgens de bodemkaart komen in het plangebied Loopodzolgronden voor die zijn ontwikkeld in lemig fijn zand (code cY23 VII). De Loopodzolgronden worden gerekend tot de moderpodzolgronden. Deze zijn kenmerkend voor de drogere , hoger gelegen delen van het dekzandlandschap en zijn veelal ontwikkeld in iets lemiger moedermateriaal (bijv. oud dekzand). Het zijn bodems die gunstig zijn voor (pre-)historische landbouw door de fysische en chemische eigenschappen zoals het vochthoudend vermogen en natuurlijke vruchtbaarheid. 4 Nieuwlaat et 5 Deze tekst

al. 2024 , 11-12.

op basis van een niet gepubliceerd briefrapport van F. Reigersman-Van Lidt de Jeude uit 2009 ,

aanwezig bij de gemeente Venlo. 6 Bij paragraaf is gebruik gemaakt van het bureauonderzoek; Nieuwlaat et al. 2024.

8

Archeologie In de (directe) omgeving van het plangebied zijn verschillende archeologische onderzoeken uitgevoerd , maar nog geen proefsleuvenonderzoeken en opgravingen. Bij veel gecombineerde bureau- en booronderzoeken is gebleken dat de bodem tot op grote diepte verstoord was en heeft daarom geen vervolgonderzoek meer plaatsgevonden. Bij enkele locaties is echter nog wel een (deels) intacte B-horizont waargenomen. Bij het booronderzoek in onderhavig plangebied is gebleken dat in een groot deel wel recente verstoringen aanwezig zijn , maar dat de verstoringen niet tot diep in de terrasafzettingen reiken , waardoor archeologische lagen nog wel intact kunnen zijn. Belangrijk hierbij is ook de bevinding uit het vooronderzoek dat de ‘recente verstoringen’ mogelijk ook ophogingslagen kunnen zijn of wellicht toch sporen met archeologisch relevant puin. Het feit dat er nog geen opgravingen in de (directe) omgeving hebben plaats gevonden maakt dat het eventuele archeologische resten in het plangebied een waardevolle aanvulling kunnen zijn voor onze kennis over het verleden van dit buitengebied rondom Venlo , alsmede de mogelijke relatie met de stad in de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Voor wat betreft de Romeinse tijd zou de archeologie in het plangebied meer inzicht kunnen geven in het gebied buiten de Romeinse vicus.

Het is niet uit te sluiten dat er ook nog oudere archeologische resten aanwezig zijn. Het is mogelijk dat er resten vanaf het Laat Paleolithicum aangetroffen worden. In de zone van de natuurlijke beekloop zouden prehistorische resten verwacht kunnen worden die gerelateerd zijn aan rituelen , oversteekplaatsen of visserij. Echter zijn er voor de Romeinse tijd aanwijzingen dat er daadwerkelijk sprake is van een mogelijke vindplaats. De Romeinse tijd De Romeinse vicus lag in het centrum van het huidige Venlo en is vermoedelijk rond het begin van de jaartelling ontstaan. De archeologische resten die in Venlo zijn aangetroffen passen bij een Romeinse nederzetting met een regionaal karakter , in plaats van een ‘standaard’ rurale nederzetting. Vermoedelijk heeft er ook een militaire versterking bij Venlo gelegen. Er zijn diverse vondsten aangetroffen die aanwijzingen vormen voor militaire aanwezigheid , maar de locatie van de legerplaats is nog niet teruggevonden. Naar schatting hebben in de 2de eeuw ongeveer 300 mensen in de vicus van Venlo gewoond. Het was dan ook gelegen op een belangrijke strategische locatie aan de Maas tussen Maastricht en Nijmegen en langs de hoofdweg tussen Keulen en Bavay. Hiermee vormde het tevens een belangrijk steunpunt voor de bevoorrading van de castella langs de limes.

De vicus zal ongetwijfeld de nodige handelaren en ambachtslieden aangetrokken hebben. Bij het archeologisch onderzoek dat in Venlo heeft plaats gevonden zien we dit ook terug in de grote hoeveelheden aardewerk dat bestemd was voor transport en opslag van producten. 7 De vicus lag op een belangrijk knooppunt van wegen en er zal dan ook een rivierovergang aanwezig geweest zijn. Hier zijn echter nog geen restanten van teruggevonden. De belangrijkste noord-zuidroute lag aan de westzijde van de Maas. Tegenover Venlo , bij het huidige dorp Blerick , heeft waarschijnlijk een statio of nederzetting gelegen , die doorgaans geïdentificeerd wordt als Blariacum , die op de Tabula Peutingeriana aangegeven staat. Van deze mogelijke statio zijn nog geen resten aangetroffen , wel zijn er op de westelijke Maasoever delen van een Romeins wegtracé aangetroffen. 8 Deze weg lijkt aan te sluiten op de veronderstelde weg die in oostwestelijke richting door de vicus van Venlo loopt. Langs de oostelijke maasoever heeft ter hoogte van Venlo ook een weg gelegen die richting Xanten (Vetera) liep. 9 Daarnaast moeten er nog verschillende secundaire wegen geweest zijn die de vicus van Venlo verbond met andere vici en de verschillende villae en rurale nederzettingen in de omgeving.

Het plangebied ligt op enige afstand van de vicus , maar er dient wel degelijk rekening gehouden te worden met bijzondere resten uit de Romeinse tijd. Er zijn 7 Van 8 Van 9 Van

der Velde et al. 2009. der Velde et al. 2009 , 613. der Velde et al. 2009 fig. 22. 5

9

namelijk aanwijzingen voor de aanwezigheid van Romeinse steenbouw. Mogelijk gaat het om de restanten van een villaterrein (villa rustica). In de jaren ’30 van de 20ste eeuw zijn door amateurarcheoloog L. D. Keus verschillende archeologische resten in en rondom het plangebied aangetroffen die door hem geïnterpreteerd zijn als een hoofd- en bijgebouw van een villaterrein. Deze resten zijn echter nooit nader onderzocht of uitwerkt , maar zijn in grote lijnen bekend dankzij de correspondentie tussen Keus en het Rijksmuseum van Oudheden. Overzichtstekeningen die Keus destijds gemaakt heeft maken duidelijk dat er diverse vondstlocaties in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn (bijlage 8-9). Onderstaande tabel geeft een overzicht van de vondstlocaties die voor het plangebied het meest relevant zijn.

Nr. bijlage 9 b

Nr. bijlage 8 16

Vondstomstandigheden Opgegraven door Keus in 1937

h

13a

Losse vondsten

j

-

Losse vondsten

e

13

Losse vondsten

d

15

Losse vondsten

Soort vindplaats/vondsten Villaresten in de vorm van een klein gebouw ‘met geheel uitgebroken funderingen’. Dakpanresten (mogelijk van Romeins gebouw) over een zone van 15x20 m Volgens Keus hoofdgebouw van villacomplex , maar nooit nader onderzocht scherven en dakpanresten’ , locatie terugvonden bij archeologische begeleiding in 2013/2015 , zie onder Materiaaldump ter hoogte van het beektracé

Naast dakpanresten die mogelijk van een Romeins gebouw afkomstig zijn , is er in de omgeving ook een dakpannenoven aangetroffen. Deze vindplaats ligt even ten zuiden van het plangebied op het terrein van de Hulsterhof , niet ver van de huidige begraafplaats. Er zijn meerdere vindplaatsen bekend met resten van Romeinse dakpannen. Een deel kan verwijzen naar de Romeinse dakpanovens waarvan verschillende bij het dorp Tegelen (in Venlo-Zuid) gesitueerd zijn. Tijdens een archeologische begeleiding bij Wylrehof in 2013 , niet ver ten zuiden van het plangebied , is een concentratie van Romeinse dakpannen aangetroffen , die door de onderzoekers als dezelfde afvaldump van de productieplaats beschouwd is. De afwezigheid van scherven van Romeins aardewerk werd als aanwijzing beschouwd dat de resten als ovenafval geïnterpreteerd kunnen worden. 10 Ook bij een archeologische begeleiding die in 2016 langs de zuidwestgrens van het plangebied is uitgevoerd zijn archeologische resten uit de Romeinse tijd aangetroffen , namelijk een waterput en wederom keramisch bouwmateriaal. 11 Deze vondsten zouden mogelijk kunnen samenhangen met het villaterrein. Op basis van deze archeologische onderzoeken en de overzichtskaarten van Keus uit de jaren ‘30 kan aangenomen worden dat het mogelijke villaterrein ten zuiden , oosten en waarschijnlijk ook deels binnen het plangebied gelegen heeft.

12 Middeleeuwen Archeologische resten uit de Vroege Middeleeuwen zijn in de omgeving van het plangebied vooralsnog niet bekend. Het is met name vanaf de 13de en 14de eeuw dat er weer sporen van activiteiten in de omgeving van het plangebied waarneembaar zijn. In de Late Middeleeuwen werd Venlo een belangrijke handelsstad langs de Maas en vanaf de late 15de eeuw werd de stad lid van de Hanze. In het buitengebied van Venlo ontstonden in de Late Middeleeuwen verschillende omgrachte hoven. In de Late Middeleeuwen lagen er ten zuiden en zuidenoosten van het onderzoeksgebied twee 10

Spitzers 2015 , 16-17. Bij het onderzoek zijn in totaal 17 fragmenten verzameld , waaronder ook enkele laatmiddeleeuwse fragmenten. Na afronding van het veldwerk werden nog 14 fragmenten van Romeins bouwkeramiek aangetroffen door de afdeling Archeologie van de gemeente Venlo. 11 Geraeds/Ernst 2019. 12 Nieuwlaat et al. 2024 , afb. 9-10.

10

omgrachte hoven (Wylrehof en Hagerhof). Vooral in het meest zuidelijke deel van het plangebied zouden daarom mogelijk nog archeologische resten aangetroffen kunnen worden uit de Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd die te relateren zijn aan de Wylrehof. Deze hoven zijn naar verwachting in de 13de of 14de eeuw ontstaan en hebben tot ver in de Nieuwe Tijd bestaan , daar ze nog tot in de 20ste eeuw op kaarten staan weergegeven. Bij de twee hierboven genoemde archeologische begeleidingen zijn naast resten uit de Romeinse tijd ook enige resten uit de Late Middeleeuwen aangetroffen. 13 De onderzoekers relateren de laatmiddeleeuwse resten aan de twee omgrachte hoeven. Er zijn echter geen (gebouw)structuren aangetroffen , waardoor er weinig gezegd kan worden hoe deze (mogelijke) relatie precies geïnterpreteerd moet worden. Aangezien veel van het laatmiddeleeuwse materiaal afkomstig is uit verrommelde bodemlagen , is de kans groot dat het om (nederzettings)afval gaat dat bijvoorbeeld samen met bemesting op het terrein terecht gekomen is. Toekomstig onderzoek kan hier meer duidelijkheid over geven. Gezien de omvang van de laatmiddeleeuwse stad Venlo zou het echter ook niet vreemd zijn dat het stadsafval een groot gebied bereikt heeft.

In de 14de eeuw is in de oostelijke helft van het plangebied ook de Venlose Molenbeek aangelegd , die overigens wel nog een natuurlijke voorloper zou kunnen hebben. De loop van de beek is meermaals verplaatst. Nieuwe tijd In de Nieuwe tijd is het terrein hoofdzakelijk in gebruik geweest als agrarische gronden. Historische kaarten laten een percelering zien die de loop van deze beek volgt. Op 19deeeuwse kaarten is geen sprake van bebouwing binnen het plangebied. Ten westen van het plangebied heeft een 19de-eeuwse voorloper van de Tegelseweg gelopen en in het meest zuidelijke deel van het plangebied zijn verschillende wegen aanwezig geweest die gerelateerd waren aan de omgrachte hoeves. De eerste bebouwing binnen het terrein is te zien op een topografische kaart uit 1967 en dit betreft de oudste veilinggebouwen. Het plangebied valt binnen de Duitse Maas-Stellung in de Tweede Wereldoorlog. luchtfotoanalyse blijkt dat in de zuidwestelijke helft van het plangebied meerdere Uit loopgraven lagen . Eén van de loopgraven eindigde centraal in het plangebied bij een geschutstelling (bijlage 7). Langs de noordwestgrens lag in de loopgraaf een serie mangaten. In de noordoosthoek lag eveneens eens loopgraaf met mangaten , maar hier met een mitrailleurstelling. Langs de oostgrens lag een loopgraaf met luchtafweerstelling en direct ten zuiden van het plangebied een versperring.

Archeologisch verwachtingsmodel Op basis van de resultaten van het vooronderzoek is een archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. Binnen dat verwachtingsmodel is een onderverdeling 14 gemaakt in de volgende periodes en vindplaatsen: Periode: -

Laat Paleolithicum – Vroege Middeleeuwen Neolithicum – Nieuwe tijd Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd

De gespecificeerde verwachting is in het vooronderzoek als volgt samengevat: 15 Karakteristiek datering: complextype(n): Omvang:

13 14 15

Omschrijving PALEOL-VME Tijdelijke kampement , nederzetting , nijverheid of industrie. Tot gehele plangebied

Spitzers 2015; Geraeds/Ernst 2019. Nieuwlaat et al. 2024 Nieuwlaat et al. 2024 , 19-21. Voor de toelichtende tekst; zie: Nieuwlaat et al. 2024 , 18-19.

11

landschappelijke en/of geologische context:

diepteligging: Locatie: soort vindplaats: uiterlijke kenmerken: Conservering: Wordt het archeologisch relevante niveau bedreigd door de voorgenomen werkzaamheden:

Karakteristiek datering: complextype(n): Omvang: landschappelijke en/of geologische context: diepteligging: Locatie: Soort vindplaats: uiterlijke kenmerken: Conservering: Wordt het archeologisch relevante niveau bedreigd door de voorgenomen werkzaamheden:

Karakteristiek datering: complextype(n): omvang:

landschappelijke en/of geologische context: Diepteligging: Locatie: soort vindplaats: uiterlijke kenmerken:

Conservering: Wordt het archeologisch relevante niveau bedreigd door de voorgenomen werkzaamheden:

4. 2

In de top van de C-horizont , of B-horizont indien aanwezig , bestaande uit zandige Maasafzettingen of evt. eolische afzettingen , met name t. h. v. oorspronkelijk hogere delen van het plangebied Onbekend wegens egalisatie van het plangebied. Gehele plangebied Vindplaats met alleen grondsporen Fragmenten vuursteen , natuursteen , aardewerk , keramiek , verbrand bot , houtskool. Mogelijk goed indien later afgedekt door een beschermend pakket. De diepteligging van een eventueel archeologisch niveau is niet bekend. Het is onduidelijk of de geplande ontwikkelingen dit niveau bedreigen.

Omschrijving NEO-NT Ritueel , infrastructuur , visvangst. Enkele meters tot door gehele plangebied In of naast een oude beekloop Onbekend wegens egalisatie van het plangebied. In of langs oude beekloop die door het oostelijk deel van het plangebied liep. Vindplaats met zowel grondsporen als een vondststrooiing Karresporen , houten structuren. Mogelijk goed indien later afgedekt door een beschermend pakket. De diepteligging van een eventueel archeologisch niveau is niet bekend. Het is onduidelijk of de geplande ontwikkelingen dit niveau bedreigen.

Omschrijving LME-NT Nederzetting , infrastructuur , militaire infrastructuur , watermanagement Tot gehele plangebied In zandige Maasafzettingen , in de top van de C-horizont of in omgewerkt pakket hierboven. Onbekend wegens egalisatie van het plangebied. Gehele plangebied Vindplaats met zowel grondsporen als een vondststrooiing , verdedigingswerken Omgewerkte laag , loopgraven , tankgrachten , fragmenten aardewerk , keramiek , houtskool , sintels , verbrand bot. Resten munitie , legeruitrusting. Mogelijk goed indien later afgedekt door een beschermend pakket. De diepteligging van een eventueel archeologisch niveau is niet bekend. Het is onduidelijk of de geplande ontwikkelingen dit niveau bedreigen.

Aard en ouderdom van de vindplaats(en)

12

De

aanwezigheid

is nog niet vastgesteld. Er kunnen archeologische Paleolithicum binnen het plangebied aangetroffen worden. Hierbij dient rekening gehouden te worden met vindplaatsen van uiteenlopende aard. Ter hoogte van de natuurlijke beekloop zouden prehistorische of jongere resten verwacht kunnen worden die gerelateerd zijn rituelen, oversteekplaatsen of visserij. Sporen uit de Romeinse tijd houden mogelijk verband met een villaterrein, waardoor rekeningen resten

vanaf

van

vindplaatsen

het Laat

gehouden

moet worden met Romeinse steenbouw of funderingsresten, maar er ook Romeinse bewoningsporen aanwezig zijn. Laatmiddeleeuwse sporen in het meest zuidelijke deel van het plangebied kunnen mogelijk gerelateerd zijn aan de omgrachte hoeve Wylrehof. Hier kunnen in ieder geval nieuwetijdse (of mogelijk ook laatmiddeleeuwse) wegen aangetroffen worden. Overige sporen uit de Nieuwe Tijd zijn waarschijnlijk vooral gerelateerd aan agrarische landgebruik en percelering. Tot slot kunnen er archeologische resten uit de Tweede Wereldoorlog aangetroffen worden, denk

andere

hierbij

aan:

resten

van

4.3 De

loopgraven, ingegraven slag om Venlo.

stellingen, schuttersputten,

kraters

of andere

fysieke

de

Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en) aanwezigheid van vindplaatsen is nog niet vastgesteld.

4.4 Structuren en sporen De volgende bewoningssporen

kunnen worden verwacht: (haard)kuilen, paalkuilen, opgaand muurwerk, funderingen, afvaldumps, ovenplaatsen gerelateerd aan Romeinse dakpanproductie. Ook sporen van landgebruik als (verkavelings)greppels, sloten, ploegsporen en paden/wegen kunnen aanwezig zijn. Sporen uit de Tweede Wereldoorlog kunnen bestaan uit: loopgraven, ingegraven stellingen, schuttersputten, kraters of andere fysieke resten van de slag om Venlo. Zie ook: paragraaf 4.2.

waterputten

en/of -kuilen,

4.5 Anorganische artefacten Anorganische artefacten van de volgende materialen kunnen worden aardewerk, natuursteen, metaal, keramisch bouwmateriaal en glas. 4.6 Organische artefacten De verwachting voor organische artefacten is en leer zullen alleen in dieper liggende sporen

verwacht:

laag. Organische artefacten zoals hout, matig tot goed geconserveerd zijn.

4.7 Archeozoölogische, archeobotanische resten De verwachting is dat paleo-ecologische resten alleen in verkoolde toestand of onder grondwaterniveau bewaard zullen zijn gebleven. Hierbij moet gedacht worden aan verkoolde

zaden,

Mogelijk kunnen crematieresten.

houtskool

verbrand

en

bot

fysische antropologische

en

resten

Fysisch antropologische resten Menselijke begravingen en/of crematies worden

bot

het

botmateriaal, hout, pollen en zaden. aangetroffen worden in de vorm van

4.8

4.9 Motivatie De gespecificeerde 202416

verwachting

is

gebaseerd

op

niet verwacht.

de

resultaten

van

het vooronderzoek

uit

4.10 Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen*” Er kan wat betreft de bodemopbouw grofweg een onderscheid gemaakt worden de noordwestelijke en de zuidoostelijke helft van het plangebied. Voor het hele

tussen

plangebied geldt

de

Maas,

zie:

(geanonimiseerd) MN

16 17

de

basis

gevormd

beschrijving

berust

op de

(geanonimiseerd) BN et 2. Onderstaande

et al.

2024,

dat

wordt

door

de

terrasafzettingen

van

2024

lithologische beschrijvingen

van

het

booronderzoek;

22-23.

13

bestaande uit een pakket grindig zand. In het noordwesten wordt dit pakket bedekt door een pakket sterk siltige klei , die is geïnterpreteerd als oeverafzettingen. Ook is hierboven sprake van een enkele decimeters dik pakket matig siltig matig fijn zand; de eolische (=wind)afzettingen. Hierboven bevindt zich een pakket , dat op basis van diverse kenmerken (duidelijk “moderne” puinresten , zandbrokken etc. ) is geïnterpreteerd als recentelijk omgewerkt. In het zuidoostelijke deel van het plangebied is de top van de terrasafzettingen ruim 2 m lager gelegen. Het wordt bedekt door een enigszins heterogeen pakket bestaande uit uiterst siltig , grindig matig fijn zand met veenbrokken. Dit pakket is geïnterpreteerd als beddingafzettingen van een beek. Hierboven bevindt zich een mineraalarm veenpakket , vermoedelijk ontstaan in de restgeul van de beek. Hierboven bevindt zich een dik pakket grindig zand met puinresten. De puinresten in dit pakket hebben geen speciale kenmerken die een datering mogelijk maken en daarom kan , zeker in het licht van de archeologische vindplaatsen in de directe omgeving , niet worden uitgesloten dat het hier gaat om een archeologisch pakket. De twee onderstaande tabellen geven een overzicht van de verschillende bodemlagen in het plangebied. Schematische opbouw boring 16 (representatief voor de noordwestelijke helft plangebied): Pakket

Diepte (cm –mv)

Omschrijving

Interpretatie

1

0 – 50

Omgewerkt pakket

2

50 – 90

Grindig , matig siltig matig fijn zand met puinresten Matig siltig matig fijn zand , enkele puinresten

3 4

90 – 110 110 – 400 (einddiepte)

Sterk siltige klei met roestvlekken Grindig , zwak tot matig siltig , matig fijn tot matig grof zand , plaatselijk met grindlagen

Eolische afzetting/(voormalige) bouwvoor Oeverafzettingen Maasterrasafzettingen

Schematische opbouw boring 41(representatief voor de zuidoostelijke helft plangebied): Pakket

Diepte (cm –mv)

Omschrijving

Interpretatie

1

0 – 40

Omgewerkt pakket

2

40 – 240

3

240 – 330

4

330 – 400 (einddiepte)

Grindig , matig siltig matig fijn zand met puinresten Grindig , matig siltig matig fijn zand met puinresten Grindig , uiterst siltig matig fijn zand met zand- en veenbrokken; bovenin 30 cm mineraalarm veen Grindig , matig siltig , matig fijn zand

Mogelijk archeologisch pakket Beekafzettingen (restgeul- op bedding-) Maasterrasafzettingen

4. 11 Gaafheid en conservering De conserverende eigenschap van zandbodems voor niet-verbrande organische resten is matig tot slecht. Alleen in diepere sporen die tot onder de grondwaterspiegel reiken kan deze vondst- en monstercategorie hier voorkomen. Voor verbrande organische resten en de anorganische vondsten geldt een matige tot goede conservering in zand. Over het hele plangebied zijn wel recente verstoringen aanwezig , maar het booronderzoek heeft aangetoond dat onder deze verstoringen nog kansrijke archeologische lagen aanwezig kunnen zijn. Tevens dient men op te passen met het aanmerken van puinrijke lagen als recente verstoringen , aangezien het hier ook kan gaan om ophogingslagen of om archeologisch relevante lagen/sporen met veel oud keramisch bouwmateriaal.

14

HOOFDSTUK

5

DOELSTELLING EN VRAAGSTELLING

5. 1 Doelstelling Doel van het proefsleuvenonderzoek is het toetsen en aanvullen van de gespecificeerde archeologische verwachting zoals verwoord in de voorgaande hoofdstukken. Op basis van de resultaten wordt de behoudenswaardigheid van aanwezige vindplaats(en) bepaald. Het proefsleuvenonderzoek moet leiden tot een gefundeerd advies over hoe om te gaan met archeologische waarden binnen de geplande ontwikkeling van het gebied. 5. 2 Relatie met NOaA en/of andere onderzoekskaders In deze fase van onderzoek is de beantwoording van de onderzoeksvragen uit onderzoeksagenda’s of -kaders nog niet aan de orde. Als vindplaatsen aanwezig zijn wordt aansluiting gezocht met de NOaA en/of regionale onderzoekskaders (zie onderzoeksvragen). 5. 3 Vraagstelling Zijn er behoudenswaardige archeologische vindplaatsen binnen het onderzoeksgebied aanwezig? En zo ja , hoe kunnen deze waarden gewaarborgd worden (bijvoorbeeld door behoud in situ / mitigerende maatregelen)? 5. 4 Onderzoeksvragen In onderhavig PvE zijn een aantal onderzoeksthema’s uitgezet die voor het onderzoeksgebied relevant geacht worden. Op dit moment is er echter nog weinig bekend over de aan- of afwezigheid van (een) vindplaats(en) in het plangebied. Daarom is de strekking van de meeste onderzoeksvragen nu nog vrij algemeen van aard.

Wanneer er vindplaatsen zijn aangetroffen , dient men , indien dit relevant is , in het evaluatierapport additionele vragen op te stellen. In de oplegbladen dienen voor de verschillende projectfases tevens aanvullende vragen te worden opgenomen die voor de specifieke deellocatie relevant zijn. Belangrijk hierbij is dat de bevindingen van de voorgaande onderzoeken hierbij meegenomen worden. Zie ook paragraaf 2. 1. De volgende onderzoeksvragen dienen op basis van het veldonderzoek in ieder geval zo goed mogelijk te worden beantwoord. Indien op een vraag geen antwoord gegeven kan worden , moet onderbouwd worden waarom dat zo is. Algemeen 1. Zijn er archeologische resten (sporen , structuren , vondsten) aangetroffen? 2. Vormen de archeologische resten behoudenswaardige vindplaatsen? 3. Indien het onderzoek geen archeologische resten of beperkte archeologische fenomenen (bijvoorbeeld alleen losse vondsten) oplevert: welke verklaring is hiervoor te geven? 4. Hoe verhouden de onderzoeksresultaten zich tot de voorgaande onderzoeken binnen en direct buiten het plangebied? 5. Wat kan er op basis van de onderzoeksresultaten gezegd worden over de archeologische verwachting van het direct omliggende terrein binnen en buiten het plangebied? Dient de archeologische verwachting en het daarmee samenhangende selectieadvies voor het deel binnen het plangebied aangepast te worden? 6.

Wat is per archeologische vindplaats in het onderzoeksgebied: a. de ligging , de omvang en begrenzing (verticaal en horizontaal) , b. aard en complextype , c. de vondst- en spoordichtheid , d. de ouderdom en/of de aanwezige archeologische periode(s) , e. de mogelijke informatiewaarde van analyses/determinaties van de vondsten en monsters op basis van de scans , f. de kwaliteit van de resten (gaafheid en conservering)? 7. Is er een ensemblewaarde met vindplaatsen in de omgeving van het plangebied?

15

8.

Het 9.

Welke

mogelijkheden biedt/bieden de vindplaats(en) voor de beantwoording onderzoeksvragen binnen regionale onderzoekskaders of de NOaA? Romeinse

Zijn deze

villalandschap en infrastructuur Romeinse muurresten of funderingssporen aanwezig kunnen zijn? Zo ja, licht deze toe.

van

er

aanwezig

of aanwijzingen

dat

10. Wat is de gaafheid van gebouwen? 11. Zijn er specifieke functies aan het gebouw toe te schijven? En welke functies kunnen uit het vondstmateriaal afgeleid worden? 12. In hoeverre zijn er aanwijzingen voor de aanwezigheid van een Romeins villaterrein

en/of dakpanproductie? 13. Wat

is de

datering van gebouwen? Is er sprake van fasering en kunnen faseringen gedateerd worden? Waaruit bestaan bouwfaseringen?

14. Hoe

verhouden

deze

eventuele Romeinse vondsten en sporen zich tot de eerdere onderzoeken en de bevingen van (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) archeologische 15. Hoe kan een eventuele Romeinse vindplaats begrensd worden? 16. Zijn er aanwijzingen dat de Romeinse gebouwen (of andere structuren) nog een rol gespeeld nadat ze hun primaire functie hadden verloren? 17. Welke invloed had de Romeinse vicus op het eventuele villaterrein (en omgekeerd)? 18. Wat kan er gezegd worden over de Romeinse infrastructuur? Relatie stad en 19. In hoeverre worden aan 20. In hoeverre

platteland in de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd kunnen archeologische resten uit de Late Middeleeuwen gerelateerd de omgrachte hoven buiten het onderzoeksgebied? kunnen archeologische resten gerelateerd worden aan de grote vestingwerken van Venlo? 21. Zijn er sporen die gerelateerd kunnen worden aan de infrastructuur in de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd? 22. Kan er een relatie gelegd worden met historische bronnen (kaartmateriaal, archief, etc.)?

Loopgraven uit de Tweede Wereldoorlog 23. Zijn er loopgraven aangetroffen? En zo ja, wat is de opbouw, constructie en afmeting ervan? 24. Zijn er aanwijzingen voor gevechtshandelingen? 25. Is er materiële cultuur in de loopgraven achtergebleven? Zo ja, welke informatie levert deze op? Landschappelijk 26. Hoe

ziet de

bodemopbouw

eruit

en

in hoeverre

is deze

aangetast door latere

ingrepen? 27. Wat

is de

HOOFDSTUK

relatie tussen

6

de

vindplaats

METHODEN

EN

en

het

omringende

landschap?

TECHNIEKEN

6.1

Strategie Uitgangspunt voor de proefsleuvenonderzoeken is dat voor iedere fase een puttenplan opgesteld wordt met proefsleuven van 4 bij 25 m en een dekkingsgraad van 10%. De proefsleuven dienen zo gelijkmatig mogelijk over het onderzoeksgebied verdeeld te worden. Hier kan eventueel, na goedkeuring van het bevoegd gezag, van afgeweken worden wanneer de onderzoeksresultaten daar aanleiding toe geven. Bijvoorbeeld wanneer op basis van resultaten van eerder onderzoek is gebleken dat een bepaalde zone compleet verstoord is en er geen archeologie meer te verwachten is. De proefsleuven dienen zoveel mogelijk dezelfde oriëntatie te hebben. De voorkeur gaat nu

16

uit naar een noordwest-zuidoost oriëntatie , omdat de sleuven dan min of meer haaks liggen op de beek die door het plangebied gelopen heeft. Hier mag in een addendum echter vanaf geweken worden wanneer dat voor de betreffende fase/deelgebied gewenst is. Per fase dient de strategie geconcretiseerd worden in een addendum en zal mede op basis van de bevindingen uit eerdere onderzoeken bepaald worden hoe het puttenplan het beste opgesteld kan worden. Belangrijkste is dat er een samenhangend geheel tot stand komt waardoor de vraagstelling en onderzoeksvragen zo goed mogelijk beantwoord kunnen worden. Noodzakelijke afwijkingen als gevolg van lokale omstandigheden worden altijd door de Senior KNA archeoloog in het veld bepaald in overleg met het bevoegd gezag. 6. 2 Methoden en technieken De uitvoering van de onderzoeken dient conform de KNA 4. 2 en de PvE’s te gebeuren. Tijdens de onderzoeken worden de volgende methoden en technieken gehanteerd: •

• • • • • •

• • •

•

Het ontgraven van de proefsleuven gebeurt met een graafmachine met een dichte bak met gladde snede , waarbij laagsgewijs en in een horizontaal vlak verdiept wordt. Maaiveldvondsten worden , tenzij van belang voor de waardering van de vindplaats , niet verzameld. Vondsten worden per spoor en per vulling verzameld. Vrijgekomen vondsten die niet aan specifieke sporen toegeschreven kunnen worden , worden verzameld in eenheden van 4 x 5 m. Van puntvondsten (gevonden in situ en zonder grondspoor) worden de X- , Y- en Z- coördinaten ingemeten. Tijdens het onderzoek worden het vlak en , indien mogelijk , de stort afgezocht met een metaaldetector om metalen voorwerpen op te kunnen sporen. De putomtrek , hoogte van vlakken en maaiveld , de sporen en coupelijnen worden ingemeten in RD en NAP met behulp van een rTS (robotic Total Station) of GPS (Global Positioning System)(minimale nauwkeurigheid 3 cm). Een selectie van de sporen wordt gecoupeerd. Dit moeten er in ieder geval genoeg zijn om de onderzoeksvragen te beantwoorden. Profielen en coupes worden schaal 1:20 getekend. Tijdens het onderzoek worden foto’s gemaakt van de algemene situatie , de vlakken , profielen , grondsporen en coupes , en sfeerfoto’s voor publicatie. Fragiele en/of belangwekkende vondsten worden op de plaats van aantreffen gefotografeerd.

Bij het aantreffen van oude funderingen , vloeren en muurwerk worden metsel- en voegverbanden , gebruikte metselspecie , steenmaten , versnijdingen en 5- of 10laagsmaten inclusief mortellaag nauwkeurig gedocumenteerd. Ook wordt (indien mogelijk) de onderzijde van de fundering ingemeten (in NAP).

Bij het aantreffen van archeologische resten waarin dit PvE niet voorziet worden onmiddellijk de opdrachtgever , de bevoegde overheid en , indien de afwijking van invloed is op de selectie , conservering of hoeveelheid voor deponeren , de depothouder gewaarschuwd. Bij het aantreffen van vondsten en sporen die buiten de gespecificeerde verwachting vallen worden deze , eventueel en bloc , op de vondstlocatie bewaard en eventueel tijdelijk toegedekt tot duidelijk is wat de onderzoeksstrategie wordt. In gezamenlijk overleg tussen alle betrokken partijen zal bepaald worden hoe met deze resten omgegaan moet worden. Afspraken hierover worden schriftelijk vastgelegd en onderschreven door alle betrokken partijen (zie ook hoofdstuk 11). 6. 3

Omgang kwetsbaar vondstmateriaal

17

Kwetsbaar vondstmateriaal wordt zodanig verpakt dat de conditie van het materiaal zo stabiel mogelijk blijft. Hierbij wordt conform OS11 gewerkt en verwezen naar KNALeidraad ‘Eerste hulp bij kwetsbaar vondstmateriaal’. 6. 4 Structuren en grondsporen Alle sporen en structuren worden in het horizontale vlak ingemeten in RD en NAP , beschreven en gefotografeerd. Uitgangspunt is het behoud in situ van eventueel aanwezige vindplaatsen. Ten behoeve van het vaststellen van de behoudenswaardigheid van de vindplaats(en) en het beantwoorden van de onderzoeksvragen wordt daarom selectief gecoupeerd. Bij het aantreffen van een zeer geringe hoeveelheid sporen (minder dan drie sporen per sleuf) worden alle sporen gecoupeerd en afgewerkt om grip te krijgen op de herkomst en archeologische betekenis van de sporen. Bij het aantreffen van grote sporen in het vlak (diameter > 1 m) , bijvoorbeeld mogelijke beerputten , afvalkuilen , sloten of grachten , wordt eerst middels een edelmanboor en/of guts vastgesteld hoe diep deze reiken. Sporen dieper dan 1 m blijven vooralsnog in situ bewaard en worden alleen gecoupeerd als dit noodzakelijk is voor het vaststellen van de behoudenswaardigheid van de vindplaats. Boringen worden in detail beschreven en van vullingen met organisch materiaal worden (met een edelman en/of guts) monsters genomen. 6.

5 Aardwetenschappelijk onderzoek Bij een eenduidig profiel kan volstaan worden met twee profielkolommen per proefsleuf. Eén aan het begin en één aan het einde van iedere proefsleuf (uitgaande van een lengte van 25 m per proefsleuf). De breedte van een profielkolom dient minimaal 1 m te zijn. Elke kolom wordt gefotografeerd , beschreven en getekend. Bij afwijkende of niet-eenduidige patronen in de bodemopbouw of aanwezigheid van grondsporen in de putwand (te denken valt aan lokale depressies , restanten van oud loopvlak etc. ) wordt een representatief deel van het profiel gefotografeerd en getekend (schaal 1:20). De profielen worden beschreven en getekend op basis van bodemkundige kenmerken , archeologische fenomenen , textuur en kleur. Indien de beek binnen het betreffende onderzoeksgebied ligt dient er ten minste één proefsleuf over de beek geplaatst te worden om zicht te krijgen in de opbouw. 6. 6 Anorganische artefacten Anorganische vondsten worden selectief verzameld met als doel de vindplaats(en) te kunnen waarderen. Behoud in situ is het uitgangspunt. Vondsten worden gedocumenteerd , genummerd en geregistreerd op een daartoe geëigend formulier met bijbehorende digitale bestanden , verwerkt , gesorteerd en zo verpakt dat de conditie van het materiaal zo stabiel mogelijk blijft.

Er wordt conform PS06 en OS11 gewerkt en de leidraden Specialistisch onderzoek (KNA-Leidraad Eerste Hulp bij Kwetsbaar 18 Vondstmateriaal en KNA Leidraad anorganisch vondstmateriaal , delen A en B). 6. 7 Organische artefacten Organische vondsten worden selectief verzameld met als doel de vindplaats(en) te kunnen waarderen. Behoud in situ is het uitgangspunt. Vondsten worden gedocumenteerd , genummerd en geregistreerd op een daartoe geëigend formulier met bijbehorende digitale bestanden , verwerkt , gesorteerd en zo verpakt dat de conditie van het materiaal zo stabiel mogelijk blijft. Er wordt conform PS06 en OS11 gewerkt en de leidraden Specialistisch onderzoek (KNA-Leidraad Eerste Hulp bij Kwetsbaar 19 Vondstmateriaal). 6. 8 Archeozoölogische en archeobotanische resten Monsters en resten worden selectief verzameld met als doel de vindplaats te kunnen waarderen. Behoud in situ is het uitgangspunt. Monsters worden gedocumenteerd , genummerd en geregistreerd op een daartoe geëigend formulier met bijbehorende 18 19

https://www. sikb. nl/archeologie/kna-leidraden https://www. sikb. nl/archeologie/kna-leidraden

18

digitale bestanden , verwerkt , gesorteerd en zo verpakt dat de conditie van het materiaal zo stabiel mogelijk blijft. Er wordt conform PS06 en OS11 gewerkt en de leidraden Specialistisch onderzoek (KNA Leidraad Archeozoölogie en Botanie). Botanische en zoölogische monsters worden genomen uit voor couperen en afwerken geselecteerde , kansrijke sporen (gesloten context). 6. 9 Fysisch antropologische resten Er worden geen menselijke begravingen of crematies verwacht. 6. 10 Overige resten Andere resten dan reeds genoemd , worden niet verwacht. 6. 11 Dateringstechnieken Wanneer er onvoldoende dateerbaar vondstmateriaal aanwezig is om de vindplaats te kunnen waarderen , worden monsters genomen voor datering. Dit zullen voornamelijk 14 C- of dendrochronologische dateringen zijn. In het veld wordt bepaald of de betreffende sporen/lagen ook daadwerkelijk geschikt zijn voor bemonstering. Het uitgangspunt is behoud van de vindplaats(en) in situ. Alleen dateringen die noodzakelijk zijn voor de bepaling van de behoudenswaardigheid van de vindplaats of indien deze nodig zijn om de juiste onderzoeksstrategie voor vervolgonderzoek te kunnen bepalen worden uitgevoerd. 6. 12 Beperkingen Voor zover nu bekend zijn er geen beperkingen. Indien er nog OOO-onderzoek (oorlogsmunitie) moet plaatsvinden dient deze onder archeologische begeleiding uitgevoerd te worden.

Hierbij zijn dezelfde methode en technieken van toepassing.

19

HOOFDSTUK

7

UITWERKING

Aangezien het volledige project in meerdere fases uitgevoerd zal worden zal de uitvoering en uitwerking van het archeologisch onderzoek ook in meerdere fasen opgeknipt worden. De uitwerking en rapportage van de onderzoeken zal daarom ook naar verwachting per deellocatie plaats gaan vinden. Elk onderzoek wordt op basis niveau gerapporteerd , waar nodig telkens in een afzonderlijk rapport. Bij het opstellen van de (deel)rapporten dient zorg gedragen te worden voor eenheid in onderzoek en rapportage. In de syntheses van de (deel)rapporten dienen de bevindingen uit eerder uitgevoerde onderzoeken zoveel mogelijk meegenomen te worden. In het rapport van de laatste onderzoeksfase dient een volledige eindsynthese van alle onderzoeksresultaten opgenomen te worden. Op deze wijze wordt de kennis verkregen uit alle archeologisch onderzoeken binnen het plangebied overzichtelijk en toegankelijk gerapporteerd. 7. 1 Structuren , grondsporen , vondstspreidingen Alle aangetroffen sporen en structuren worden uitgewerkt en geanalyseerd vanuit het perspectief van de onderzoeksvragen , met als doel de onderbouwing van de waardering van de vindplaats(en). 7. 2 Analyse aardewetenschappelijke gegevens De landschappelijke context , bodemopbouw en geologie worden uitgewerkt tot het niveau dat nodig is om de onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden.

Hierbij kunnen ook de bevindingen uit eerdere onderzoeksfase gebruikt worden. De uitwerking heeft tot doel de samenhang tussen het landschap en de archeologische vindplaats(en) in voldoende mate te kunnen bepalen , om waardestelling van de archeologische resten mogelijk te maken. 7. 3 Anorganische artefacten Deze categorie vondsten wordt uitgewerkt voor zover nodig voor de beantwoording van de onderzoeksvragen en de waardering van de vindplaats(en). Het vondstmateriaal wordt onderworpen aan een scan. De globale beschrijving van de vondsten wordt opgenomen in een tabel , die ook in het rapport wordt opgenomen. Het beschrijven van de materiaalcategorieën natuursteen , metaal , glas en aardewerk , omvat het tellen en dateren van fragmenten in ABR-perioden. Tevens wordt de conserveringstoestand benoemd (goed , matig , slecht). Bij aardewerk wordt het baksel omschreven (roodbakkend , faience , etc). Herkenbare vormen in metaal (b. v. ‘munt’) en glas (b. v. ‘fles’) worden in de tabel opgenomen. Van natuursteen wordt gemeld of het bewerkt of onbewerkt is , als de vorm herkenbaar is (b. v. ‘wetsteen’) wordt deze ook in de tabel opgenomen. Nadere analyse vindt niet plaats. Wanneer een vooronderzoek zal worden opgevolgd door een vervolgonderzoek (definitief onderzoek) zal in de praktijk veelal volstaan kunnen worden met een scan of beperkte determinatie.

Wanneer de onderzoeksfase is afgerond (zoals bij begeleidingen , doorstart naar opgraving) zal veelal de keuze voor een volledige analyse nodig zijn. Bij voorkeur worden in alle onderzoeksfases dezelfde materiaalspecialisten ingezet. Dit om de eenheid van het onderzoek te garanderen. 7. 4 Organische artefacten De vondsten worden gescand en ingevoerd in de database (materiaal , aantal , gewicht , conserveringstoestand , plaatsing in ABR-periode). Op basis van de scan worden de onderzoeksvragen beantwoord en de mogelijkheden tot specialistische determinatie van het vondstmateriaal en de kennisvermeerdering die dit kan opleveren beschreven. Genoteerd worden materiaalsoort , vorm en datering in ABR-periode. Deze gegevens vormen de basis voor de beargumenteerde waardestelling van de vindplaats(en). 7. 5 Archeozoölogische , archeobotanische resten De archeozoölogische en archeobotanische resten worden beoordeeld op geschiktheid voor analyse. De mogelijkheden tot specialistische determinatie van de resten en de

20

mogelijke kennisvermeerdering die dat kan opleveren worden beschreven. Op basis van de scan worden de onderzoeksvragen beantwoord en een beargumenteerde waardestelling van de vindplaats(en) opgesteld. 7. 6 Fysisch antropologische resten Menselijke resten worden niet verwacht. 7. 7 Overige resten Overige resten worden niet verwacht. 7. 8 Dateringen De dateringen worden alleen uitgevoerd als deze noodzakelijk zijn om tot de waardestelling van de vindplaats te komen , omdat een andere mogelijkheid om te komen tot een (globale) datering ontbreekt. Een datering kan echter ook noodzakelijk zijn voor de bepaling van de meest geschikte onderzoeksmethode bij vervolgonderzoek. Dit speelt voornamelijk bij (vroeg)prehistorische vindplaatsen met aanwezige vondstlaag , waarvan de archeologische periode nog niet duidelijk is. 7. 9 Beeldrapportage De overzichtskaart(en) van alle sporen wordt/worden weergegeven met spoor- of structuurnummers , op een leesbare schaal. Op de overzichtskaart(en) wordt aangegeven wat de verwachte ligging en omvang van de vindplaats(en) binnen het plangebied is. Topografische afbeeldingen worden voorzien van schaalbalk , coördinaten en een noordpijl. Relevante profielkolommen , coupetekeningen en foto’s ter onderbouwing van de behoudenswaardigheid van de vindplaats(en) worden afgebeeld.

21

HOOFDSTUK 8. 1

8

(DE)SELECTIE EN CONSERVERING

Selectie materiaal voor uitwerking

Tijdens veldwerk Sporen worden selectief gecoupeerd. De vondsten en monsters worden verzameld uit deze sporen , van het vlak en uit de laag net boven het sporenvlak. Maaiveldvondsten , tenzij van belang voor de waardestelling van de vindplaats , worden niet verzameld. De nadruk ligt op het behoud van de vindplaats in situ. Uitgangspunt is voldoende materiaal te verzamelen om uitspraken te doen over aard , kwaliteit , complextype , omvang en datering van de vindplaats. Uitwerkingsfase In principe worden alle verzamelde vondsten en monsters worden gescand. Een uitgebreide determinatie van vondsten en monsters vindt alleen plaats als dit noodzakelijk is om tot een goede waardestelling van de vindplaats te komen. Uitgangspunt blijft voldoende materiaal uit te werken om uitspraken te doen over aard , kwaliteit , complextype , omvang en datering van de vindplaats. Indien er materiaal gedeselecteerd wordt voor uitwerking wordt hiervan melding gemaakt in de tekst en de vondst/splitstabel in het (concept-)eindrapport. 8. 2 Selectie materiaal voor deponering en verwijdering Alle vondsten worden in principe gedeponeerd. Wanneer ervoor gekozen wordt bepaalde vondsten of materiaalcategorieën niet te deponeren , wordt de keuze hiervoor door de betreffende materiaalspecialist gemotiveerd. Het selectievoorstel voor deponering wordt voorgelegd aan de depothouder ter goedkeuring.

Het voorstel kan als los document of als onderdeel van het concept-eindrapport worden geleverd. 8. 3 Selectie materiaal voor conservering Alle kwetsbare vondsten worden in principe gestabiliseerd gedeponeerd , zodat geen noemenswaardige achteruitgang van het materiaal plaatsvindt. Hiervan kan alleen worden afgeweken als dit in het , door de desbetreffende depothouder/eigenaar van de vondsten goedgekeurde , selectievoorstel voor conservering anders is aangegeven. Wanneer blijkt dat bepaalde vondsten of materiaalcategorieën niet stabiel kunnen worden aangeleverd , wordt de reden hiervoor door de betreffende materiaalspecialist gemotiveerd in het selectievoorstel voor conservering (conform OS11). Het selectievoorstel wordt voorgelegd aan de depothouder ter goedkeuring. Dit wordt als los document of als onderdeel van het concept-eindrapport geleverd. In het eindrapport wordt per categorie kwetsbaar materiaal aangegeven welke werkwijze en selectie gevolgd is en welke vondsten op welke wijze en met welke middelen zijn geconserveerd (conform OS11).

22

HOOFDSTUK

9

DEPONERING

9.1 Eisen betreffende depot Vondstmateriaal en opgravingsdocumentatie dienen binnen twee jaar na afronding van het veldwerk aan het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten van de provincie Limburg worden aangeleverd. De aanvullende eisen die vanuit het depot worden gesteld zijn opgenomen in bijlage 8. Binnen twee jaar na afronding

te

het veldwerk zijn alle conform het PvE gespecificeerde het e-depot (DANS Data Station Archaeology; digitale producten overgedragen onder https://archaeology.datastations.nl) vermelding van het Na onderzoeksmeldingsnummer. verwerking in het DANS Data Station Archaeology krijgt de documentatie een persistent identifier, zodat de data digitaal zijn te traceren. van

aan

Voor

de

fysieke aanlevering

wordt

een

afspraak gemaakt

met

de

depotbeheerder.

Contactgegevens: Provinciaal

depot

voor

bodemvondsten

(geanonimiseerd) T: E:

(geanonimiseerd) 043-3897049/06-N (geanonimiseerd) MM viimburo.nl ep

9.2 Te leveren product Omdat het onderzoek gefaseerd

zal worden uitgevoerd, gericht op verschillende ook per onderzoeksfase plaatsvinden. Dit betekent dat er meerdere rapporten zullen komen. Elk rapport behandelt daarmee primair de onderzoeksresultaten van de betreffende onderzoeksfase, maar er vindt tevens ook reflectie plaats van de eerdere onderzoeksresultaten die hierbij aansluiten. Op die manier moet worden voorkomen dat informatie versnipperd raakt.

deellocaties,

zal

rapportage

waardering van de sporen, monsters en vondsten worden vastgelegd eindrapport. Het eindrapport omvat een samenvatting van het een vooronderzoek, bundeling van de deelrapporten inclusief de waardestelling en het selectieadvies bijbehorende (behoud in situ, behoud ex situ of vrijgave). Het selectieadvies is in overeenstemming met de waardering, het heersend archeologiebeleid en de selectiecriteria. Tot slot wordt in het eindrapport van de afsluitende onderzoeksfase een overkoepelende eindsynthese opgenomen. De

resultaten

de

van

de

in het

Het e

e

eindrapport wordt conform KNA 4.1, protocol 4003 opgesteld. Het concept-eindrapport wordt uiterlijk 4 maanden na einde van het veldwerk geleverd. Het eindrapport wordt in concept ter beoordeling voorgelegd aan de depothouder ter beoordeling van de selectievoorstellen voor deponering en conservering. De depothouder heeft 15 werkdagen om inhoudelijk op de concept-selectievoorstellen te

e

e

e

reageren. Het eindrapport wordt in concept ter beoordeling voorgelegd aan de bevoegde overheid ter beoordeling van de waardering en het selectieadvies (behoud in situ, behoud ex situ of vrijgave). De bevoegde overheid heeft een zes weken de tijd om het concept te toetsen. Het eindrapport wordt in concept ter beoordeling voorgelegd aan de opdrachtgever (inzake de voortgang van de vergunningsprocedure). De

opdrachtgever, de bevoegde overheid en de depothouder ontvangen concept-eindrapport en het eindrapport digitaal (in pdf).

het

23

•

• • •

•

Bij het eindproduct hoort een bewijs van overdracht van vondsten en documentatie. Deze dient tijdig te worden verkregen van het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten van Limburg (voor het contactadres zie paragraaf 9. 1). De digitale GIS-informatie wordt indien gewenst geleverd aan de opdrachtgever en bevoegde overheid als Shapefile-bestand. De digitale documentatie wordt binnen 2 jaar na afronding van het veldwerk overgedragen aan het e-depot. Dreigende overschrijding van de afgesproken termijnen wordt zo spoedig mogelijk aangegeven bij alle betrokken partijen. De nieuwe termijnen worden in overleg opnieuw vastgesteld. Overschrijding door derden kan er toe leiden dat de termijn moet worden verlengd (bv. natuurwetenschappelijke dateringen of waardering van botanische monsters).

24

HOOFDSTUK

10

RANDVOORWAARDEN

EN AANVULLENDE EISEN

10. 1 Personele randvoorwaarden Het onderzoek moet verricht worden door een archeologisch uitvoerder in het bezit van een geldig certificaat BRL SIKB 4000 Archeologie met protocol 4003 IVO/IVO-P. Het onderzoek dient plaats te vinden conform de KNA 4. 1. De dagelijkse leiding in het veld berust bij een (senior) KNA-archeoloog met ruime ervaring in archeologisch onderzoek in deze regio. Zowel voor veldwerk als voor uitwerking , conservering en rapportage is de inzet van de juiste actoren vereist (zie BRL4000 , via sikb. nl). De metaaldetector dient gehanteerd te worden door een deskundig persoon met ervaring in metaaldetectie. 10. 2 Addenda/oplegbladen Het huidige PvE fungeert als een overkoepelend PvE. Ter aanvulling op het PvE wordt per fase een addendum opgesteld voor het specifieke deelgebied. In de addenda wordt verder uitgewerkt hoe het archeologisch onderzoek vorm gegeven moet worden. Onderhavig PvE dient daarvoor als basis , de vertaling naar praktische uitvoering (bijvoorbeeld welke zones onderzocht moeten worden , welk soort vervolgonderzoek , te onderzoeken oppervlakte , aantal proefsleuven , aantal te verwachte vondsten etc. ) worden in de addenda vastgelegd. Ook zal in ieder addendum gereflecteerd worden welke onderzoeksvragen van toepassing zijn , en worden waar nodig aanvullende vraagstellingen geformuleerd.

De addenda worden door de archeologisch uitvoerder opgesteld. In samenspraak met de opdrachtgever worden de mogelijkheden voor het uitvoeren van het archeologisch onderzoek bepaald , zoals de planning van het onderzoek en afstemming van praktische zaken. Vervolgens worden de addenda ter goedkeuring voorgelegd aan de bevoegde overheden (reactietermijn 4 weken). Na goedkeuring kan het archeologisch onderzoek starten. 10. 3 Overlegmomenten Het huidige Programma van Eisen geldt als overkoepelend PvE en zal moeten worden aangevuld met addenda. Deze addenda kunnen worden opgesteld zodra de benodigde informatie daarvoor beschikbaar is (bijvoorbeeld bij definitief vaststellen van de plannen). Ieder addendum wordt bijtijds aan de bevoegde overheden voorgelegd ter goedkeuring. Hiervoor wordt een termijn van minimaal 4 weken aangehouden , of korter in overleg met de bevoegde overheden. De start- en einddatum van iedere archeologische onderzoek(fase) worden gemeld aan de opdrachtgever , de depothouder en de bevoegde overheid. Tijdens het veldwerk wordt bij een langere uitvoeringsduur wekelijks een korte update van het verloop van het project gegeven aan de bevoegde overheid en de opdrachtgever (via mail of telefonisch).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/889/documents/22577