CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

087 Bijl04 Bijlage 3 bij toelichting archeologisch onderzoek.pdf

Raadsvergadering 30 oktober 2024, gemeente VenloBij agendapunt: 4.2: Bestemmingsplan Straelseweg 38-40 Velden (RV087)14.540 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

RAPPORTAGE archeologisch bureauonderzoek en verkennend- booronderzoek Straelseweg 38-40 te Velden, in de gemeente Venlo

Rapport archeologisch bureauonderzoek en verkennend- booronderzoek Straelseweg 38-40, te Velden in de gemeente Venlo Opdrachtgever

Pijnenburg Agrarisch Advies en Onroerend Goed Spoorweg 4 5963 NJ Horst

Rapportnummer

24126.001

Versienummer1

2

Datum

29 januari 2024

Opsteller2

De heer N.A.F. Otten en de heer drs. M. Stiekema

Kwaliteitscontrole

De heer drs. A.H. Schutte

1

Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid. 2 VRIJGAVE In onze rapportages en offertes wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Middels ons kwaliteitssysteem worden offertes en rapporten aantoonbaar vrijgegeven.

Econsultancy Archeologisch Rapport

KWALITEITSZORG Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Ook is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteitsen milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn.

Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie. Al onze rapportages worden opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet, NEN en KNA protocollen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. Hierbij wordt opgemerkt dat wetgeving, waaronder wettelijke eisen uit de Erfgoedwet, prevaleert boven de AVG. In het kader van de AVG dient, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, bijlagen met kadastrale uittreksels en namen van opdrachtgevers, door de publicerende instantie, verwijderd dan wel zwart gelakt te worden. RECHTEN © Econsultancy bv, Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld.

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot)

Econsultancy Archeologisch Rapport

INHOUDSOPGAVE ADMINISTRATIEVE GEGEVENS PLANGEBIED SAMENVATTING 1

INLEIDING .................................................................................................................................................. 1

2

BUREAUONDERZOEK ................................................................................................................................. 1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK ..................................................................................................... 18 3.1 3.2 3.3 3.4

4

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................................. 1 Methoden ...................................................................................................................................... 1 Afbakening en huidige situatie van het plangebied ....................................................................... 2 Toekomstige situatie ...................................................................................................................... 4 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................................. 5 Archeologische waarden ................................................................................................................ 9 Beschrijving van het historische gebruik ...................................................................................... 12 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ...................................................................... 15 Conclusie bureauonderzoek ......................................................................................................... 17

Doelstelling en onderzoeksvragen ............................................................................................... 18 Methoden .................................................................................................................................... 18 Resultaten .................................................................................................................................... 19 Conclusie veldonderzoek ............................................................................................................. 19

CONCLUSIE EN ADVIES ............................................................................................................................ 19

LITERATUUR BRONNEN KAARTEN BIJLAGEN

TABELLEN Tabel 2.1 Tabel 2.2 Tabel 2.3 Tabel 2.4 Tabel 2.5

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Verleende bouwvergunningen Gespecificeerde archeologische verwachting

KAARTEN Kaart 1. Kaart 2. Kaart 3. Kaart 4. Kaart 5. Kaart 6. Kaart 7. Kaart 8. Kaart 9. Kaart 10. Kaart 11. Kaart 12. Kaart 13. Kaart 14. Kaart 15. Kaart 16. Kaart 17.

Het plangebied op de topografische kaart (1:25.000) Het plangebied op de kadastrale kaart Het plangebied op een luchtfoto uit 2022 Het plangebied op de gemeentelijke beleidskaart Het plangebied op de Geomorfologische kaart Het plangebied op het actueel hoogtebestand (AHN3) Het plangebied op de bodemkaart Archeologische waarden en onderzoeken rondom het plangebied Het plangebied op de militaire topografische kaart uit 1850-1889 Het plangebied op de topografische kaart 1936 Het plangebied op de topografische kaart 1953 Het plangebied op de topografische kaart 1967 Het plangebied op de topografische kaart 1987 Het plangebied op de topografische kaart 1999 Het plangebied op de topografische kaart 2011 Verstoord en/of niet toegankelijk deel plangebied. Boorpuntenkaart

BIJLAGEN Bijlage 1. Bijlage 2. Bijlage 3. Bijlage 4. Bijlage 5. Bijlage 6. Bijlage 7. Bijlage 8.

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken AMK-terreinen Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Planontwerp Boorstaten

ADMINISTRATIEVE GEGEVENS PLANGEBIED Projectcode

24126.001

Opdrachtgever

Pijnenburg Agrarisch Advies en Onroerend Goed

Toponiem

Straelseweg 38-40

Plaats

Velden

Gemeente

Venlo

Provincie

Limburg

Kadastrale gegevens

Kadastrale gemeente Arcen en Velden, sectie K, percelen 162, 233, 234, 235, 236, 237, 238.

Omvang plangebied

circa 2,4 hectare

Kaartblad

52H (1:25.000)

Centrumcoördinaten (X/Y)

X: 211.617/Y: 382.209

Archeoregio NOaA

5: Limburgs zandgebied

Bevoegde overheid

Gemeente Venlo Postbus 3434 5902 RK Venlo

Uitvoeringsperiode

december 2023 – januari 2024

Uitvoerders

Econsultancy, De heer N.A.F. Otten , BA (archeoloog) en de heer M. Stiekema (Senior KNA Prospector)

Onderzoeksmelding ARCHIS3

Bureauonderzoek: 5487705100 Booronderzoek: 5490645100

Beheer en plaats documentatie

Econsultancy en op termijn het provinciaal depot Limburg

Contactpersoon: drs. J.W. Schotten E: j.schotten@venlo.nl T: 077 – 3596994

SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Pijnenburg Agrarisch Advies en Onroerend Goed in december 2023 en januari 2024 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het plangebied is gelegen aan de Straelseweg 38-40 te Velden in de gemeente Venlo. In het plangebied zal een paardenbedrijf worden gerealiseerd. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een nieuw bestemmingsplan worden opgesteld. Als onderdeel van de bestemmingsplanprocedure moet een ruimtelijke onderbouwing worden opgesteld. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht en wat het effect is van eventuele ingrepen op deze archeologische waarden. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992), de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006) en de Erfgoedwet (2016). Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden.

Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Op basis van het bureauonderzoek heeft het plangebied een hoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Neolithicum en de Romeinse tijd en een middelhoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Paleolithicum, Mesolithicum, Bronstijd, IJzertijd en Vroege Middeleeuwen tot en met Nieuwe tijd. Resultaten inventariserend veldonderzoek Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat het bodemprofiel in het plangebied matig tot sterk verstoord is. Vermoedelijk hangen de verstoringen samen met de bouw van het agrarisch bedrijf in het plangebied.

In combinatie met de aangetroffen diepe verstoringen door de kelders van de voormalige bebouwing kan de gespecificeerde archeologische verwachting voor alle periodes worden bijgesteld naar laag. Advies Op basis van de waargenomen bodemverstoringen en de aanwezigheid van onderkelderde (inmiddels gesloopte) bebouwing op een deel van de nieuwbouwlocatie, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven.

24126.001 versie 2

Bovenstaand advies is van Econsultancy. Er is, op grond van de gebruikte onderzoeksmethode, geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven. Over de aan- of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Venlo), die vervolgens het advies over neemt of niet. Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Venlo wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, volgens artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het is verder raadzaam om ook de gemeente Venlo op de hoogte te stellen.

24126.001 versie 2

1

INLEIDING

Econsultancy heeft in opdracht van Pijnenburg Agrarisch Advies en Onroerend Goed een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied aan de Straelseweg 38-40 in Velden, gemeente Venlo. De initiatiefnemer heeft het voornemen het plangebied te herontwikkelen. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een nieuw bestemmingsplan worden opgesteld. Als onderdeel van de bestemmingsplanprocedure moet een ruimtelijke onderbouwing worden opgesteld. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht en wat het effect is van eventuele ingrepen op deze archeologische waarden. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992), de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006) en de Erfgoedwet (2016). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4).

2

BUREAUONDERZOEK

2.1 Doelstelling en onderzoeksvragen Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld.

2.2 Methoden Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 19‑02‑2018) en volgens de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 19‑02‑2018, protocol 4002), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven volgens specificatie LS06.3

3 SIKB.

24126.001 versie 2

1 / 20

Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht: • • • • •

afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).

Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • • • • • • • • • • • •

het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; een recente topografische kaart; recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3); Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied kaart van de provincie Limburg; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Venlo; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging.

2.3 Afbakening en huidige situatie van het plangebied Afbakening plan- en onderzoeksgebied Het plangebied is het gebied waarbinnen de ruimtelijke ontwikkeling plaats vindt. Het onderzoeksgebied is het gebied waarbinnen voor het bureauonderzoek relevante informatie wordt verzameld. Dit is het gebied in een straal van circa 500 meter rondom het plangebied. Het plangebied ligt aan de Straelseweg 38-40, in het buitengebied op 2,5 kilometer ten noordoosten van Velden, in de gemeente Venlo (kaart 1) en heeft een oppervlak van circa 2,4 ha. Het maaiveld ligt volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN3) rond 20,50 meter +NAP en de centrumcoördinaten van het plangebied zijn X: 211.617/Y: 382.209. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Arcen en Velden, sectie K en beslaat (delen van) percelen 162, 233, 234, 235, 236, 237, 238 (zie kaart 2). Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Het plangebied was tot recent gebruik als melkrundveehouderij, bestaande uit twee woningen en

24126.001 versie 2

2 / 20

vier stallen en schuren, een erf en in het noordoosten van het plangebied een akker (zie kaart 3). Behalve de twee woningen in het noordwesten en zuidwesten van het plangebied is alle bebouwing in het plangebied in januari 2024 bovengronds gesloopt (zie foto 1 en 2).

Foto 1 & 2: Het plangebied op 23 januari 2024

24126.001 versie 2

3 / 20

Ten westen van het plangebied bevindt zich de Straelseweg. De percelen ten noorden en oosten van het plangebied zijn in gebruik als akkerland en grasland. Ten zuiden van het plangebied ligt een kassencomplex. Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan ‘buitengebied’ (vastgesteld 28-05-2009). Volgens dit bestemmingsplan heeft het plangebied geen archeologische dubbelbestemming. 4 De archeologische beleidskaart van de gemeente Venlo geeft echter aan dat het noordwesten van het plangebied ligt binnen een begrenzing van een vindplaats. In het westen ligt een zone met een middelhoge tot hoge archeologische verwachting en het in het zuidoosten van het plangebied ligt een begrenzing van zeer hoge archeologische verwachtging.

Het overige gedeelte heeft een middelhoge archeologische verwachting voor natte gebieden (zie kaart 4). Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen dieper dan 40 cm -mv.5 Milieuhygiënische situatie Om te bepalen of de milieuhygiënische situatie in het plangebied een risico vormt voor de uitvoering van archeologisch veldonderzoek, is het omgevingsloket van gemeente Venlo geraadpleegd.6 Binnen het plangebied is een bodemonderzoek uitgevoerd, waaruit is gebleken dat geen verontreinigingen aanwezig zijn binnen het plangebied en geen vervolgonderzoek noodzakelijk is.

2.4 Toekomstige situatie Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. Het plangebied bestaat thans uit een melkrundveehouderij met 2 bedrijfswoningen. In het kader van een opkoopregeling wordt het melkrundveebedrijf gestaakt en alle thans aanwezige bedrijfsgebouwen en voorzieningen worden op dit moment gesloopt. De woning Straelseweg 38 blijft behouden en wordt omgevormd naar een burgerwoning. De woning Straelseweg 40 blijft ook behouden. Op deze locatie wordt een akkerbouwbedrijf en paardenhouderij voortgezet waarvoor een nieuw bedrijfsgebouw wordt opgericht. Hierbij zal een gebied met een oppervlakte van 13.077 m2 worden bebouwd en vergraven tot een diepte van 50 cm beneden maaiveld (zie bijlage 7). De geplande werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord.

4 Portaal voor Ruimtelijke Plannen. 5 Beleidskaart gemeente Venlo. 6 omgevingsloket.

24126.001 versie 2

4 / 20

2.5 Aardwetenschappelijke gegevens Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel 2.1

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied

Type gegevens

Gegevensomschrijving

Geologie7

Formatie van Beegden; grindige rivierafzettingen (Be3) met langs de westelijke rand Laag van Wijchen; stevige fijnkorrelige overstromingsafzettingen BE2

Maasterrassenkaart8

Maasterras uit het Saalien glaciaal: (370.000 tot 130.000 BP)

Geomorfologie9

Dalvlakteterras

Bodem10

Oostelijk deel: Poldervaaggrond; klei Westelijk deel: Poldervaaggrond; zware zavel

Grondwatertrap

Oostelijke deel: III Westelijk deel: V

Landschappelijke ontwikkeling Het plangebied bevindt zich binnen een gebied met Maasterrassen. Het terrassenlandschap langs de Maas is ontstaan gedurende de verschillende koude en warme perioden van het Kwartair. Tijdens koude perioden heeft de Maas een vlechtend karakter gehad met een brede riviervlakte en een opeenhoping van sedimenten. Gedurende de overgang van een koude naar een warme periode sneed de rivier zich in het rivierterras in. Daarna begon de Maas te meanderen, waarbij de rivier zich concentreerde in één geul en er verschillende sedimenten in de bedding, op de oever en in de naastgelegen komgronden werden afgezet. De oudste terrassen liggen hoog, de jongere lager. Kenmerkend zijn de vele geulen (insnijdingen) binnen de terrasniveaus. De Maas heeft zich herhaalde malen verlegd zodat behalve de huidige rivierloop diverse oude geulen, vaak in de vorm van een meanderbocht, zijn achtergebleven. Deze meanders zijn scherp begrensd en liggen aanmerkelijk lager in het landschap dan de aangrenzende niet-geërodeerde afzettingen. Hierdoor is een landschap ontstaan met grotere en kleinere plateaus die veel steile randen hebben naar de geulen. De meanders zijn meestal opgevuld met jonge rivierklei. Plaatselijk wordt er binnen meanders zand aangetroffen of heeft er enige veenvorming plaatsgevonden (broekveen) wanneer meanders zijn afgesloten.11

7

De Mulder et al., 2003.

8 Van den Berg, 1996. 9 NGR/Wageningen Environmental Research (2019). 10 NGR/Wageningen Environmental Research (2018). 11 Berendsen, 2008/ De Mulder et al., 2003.

24126.001 versie 2

5 / 20

Het plangebied ligt op het meest oostelijke van de Maasterrassen, het Middenterras, dat is gevormd in het relatief koude Saalien (220.000 – 120.000 BP). 12 Ten oosten van het Maasdal bevindt zich het Hoogterras, dat een opvallende steilrand vertoont naar het Middenterras toe. Het Hoogterras bestaat uit middenpleistocene afzettingen van de Rijn. De steilrand is ongeveer 250.000 jaar geleden gevormd en bevindt zich op circa 3 kilometer ten oosten van het plangebied, net over de grens in Duitsland. Aan het eind van het Pleistoceem brak een korte warme periode aan, het Allerød (circa 14.000 - 12.850 BP). Gedurende het Allerød sneed de rivier zich in en vormde afzettingen die samenhangen met een meanderende rivier. Het lager gelegen terras dat is gevormd gedurende het Allerød ligt op ongeveer 900 meter ten westen van het plangebied.13 Gedurende het vroege Holoceen (het Preboreaal, circa 11.500 - 10.500 BP) concentreerde de afvoer zich in enkele meanderende hoofdgeulen ter hoogte van de huidige Maas, op circa 2,5 kilometer ten westen van het plangebied. De Maas ging zich insnijden in de oudere Pleistocene afzettingen, door de afname van de sedimenten waterafvoer in deze relatief warme periode. Gedurende de rest van het Holoceen heeft de Maas het huidige Holocene rivierdal gevormd.

Vanaf hun ontstaan zijn de Maasterrassen aantrekkelijk geweest voor de mens, in eerste instantie voor tijdelijke kampementen van jagers en verzamelaars en later voor permanente agrarische nederzettingen. Mensen vestigden zich met name op de hoogste delen van het terras, met name op oeverwallen en rivierduintjes.14 DINO Het Dinoloket15 is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd.16 De dichtstbijzijnde boring ligt op circa 100 meter ten noorden van het plangebied. Uit de boring blijkt dat de eerste 30 cm -mv bestaat uit matig humeus zand. Hieronder ligt een laag van zeer fijn zand wat reikt tot een diepte van 0,90 meter -mv. Onder het zand ligt een pakket leem van één meter dik. De leemlaag wordt opgevolgd met een pakket matig fijn tot matig grof zand. Hieronder ligt het matig grove zand wat reikt tot een diepte van 3,60 meter -mv. Onder het matig grove zand ligt weer een matig fijn zand tot 4 meter -mv.

Een tweede boring die is bekeken ligt circa 150 meter ten zuiden van het plangebied. De eerste 0,70 meter -mv bestaat uit fijn zand, waarbij de eerst 40 cm humeus is, onder het humeuze zand ligt sterk siltig zand. Op 0,70 12

Van den Berg, 1996

13 Wageningen Environmental Research, 2017. 14 Berendsen, 2008/ De Mulder et al., 2003. 15 Dinoloket. 16 DINO boornummers B52H0541 & B52H0548.

24126.001 versie 2

6 / 20

tot 1,10 meter -mv ligt een pakket matig fijn zand. De eerst 20 cm van het pakket is sterk siltig. Onder het zand ligt op 1,10 tot 1,60 meter -mv een pakket leem. De eerste 20 cm betreft zandig leem, de andere 30 cm betreft kleiige leem. Onder het leem bevindt zich een pakket sterk siltige klei, van 1,60 tot 1,90 meter -mv, met daaronder een laag zandige klei van 10 cm dik. Op 2 meter -mv begint een laag zand wat reikt tot 4 meter -mv. Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied op een dalvlakteterras (zie kaart 5). In riviervlakten kunnen door verschillende fasen van insnijding op verschillende niveaus terrasvormen voorkomen. Op de wat hogere terrassen in de dalvlakte ligt dikwijls een pakket dekzand. Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Het Actueel Hoogtebestand Nederland17 vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Uitgaande van het AHN ligt het plangebied op een hoogte van circa 20,5 meter +NAP. Het plangebied bevindt zich op een licht golvend Maasteterras dat in oostelijke richting geleidelijk afloopt.

Het laagst gelegen deel van dit terras bevindt zich daardoor aan de voet van het Hoogterras in het oosten (zie kaart 6). Binnen het plangebied zijn, op een vijver en de bebouwing na, geen significante hoogteverschillen zichtbaar. Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied gekarteerd als Poldervaaggrond; klei en Poldervaaggrond; zware zavel (zie kaart 7) Zware zavel poldervaaggronden treft men aan ten westen van de Maas, in de omgeving van Swolgen, Lottum, Grubbenvorst en Blerick en ten oosten van de Maas, in de omgeving van Arcen, Velden en Schandelo. Vaak liggen ze lang de randen van de oude maasmeanders. De bovengrond bestaat uit matig humeuze of matig humeusarme, fijnzandige, zware zavel. Hieronder bevindt zich plaatselijk roestige, fijnzandige, zware zavel. Op 80 à 100 cm diepte gaat deze laag over in een kleiig, matig grof zand of matig fijn zand. Tussen Velden en Schandelo hebben deze gronden een zeer sterk roestige bovenlaag. Ten oosten van Schandelo vormen deze gronden de oostelijke rand van het oude bouwland met enkeerdgronden. Ze hebben hier een 30 à 40 cm dikke, humushoudend zandbovengrond. Evenals bij de enkeerdgronden opgebracht uit de potstal. Klei poldervaaggronden komen voor ten oosten van Arcen en Venlo. Het zijn zeer stugge gronden die bij opdrogen zeer hard worden en scheuren.

Vrijwel al deze gronden zijn in gebruik als grasland. De 10 à 30 cm dikke bovengrond bestaat uit matig humusarme, fijnzandige, lichte klei. Hieronder volgt een humusarme, lichte klei met roest die naar beneden toeneemt. Op verschillende plaatsen wordt ook het lutumgehalte naar beneden hoger. Dieper dan 70 à 100 cm gaat de klei min of meer geleidelijk over in matig grof zand met roest.18

17 PDOK/Rijkswaterstaat (2018) ‘Actueel Hoogtebestand Nederland 3 WCS. 18 Bodemkaart van Nederland (1:50000) blad 52 oost Venlo Uitgave 1975.

24126.001 versie 2

7 / 20

Boringen en/of sonderingen In het plangebied zijn in het kader van andere bodemonderzoeken (nog) geen boringen dan wel sonderingen gezet waarvan de resultaten gebruikt kunnen worden voor dit bureauonderzoek. Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. Het grondwaterpeil is een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten; hoe beter de ontwatering, hoe slechter de conservering. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Tabel 2.2 geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. Tabel 2.2

Grondwatertrappenindeling19

Grondwatertrap

I

II'

III'

IV

V'

VI

VII"

VIII

GHG (cm -mv)

-

<40

<40

>40

<40

40-80

>80

> 140

GLG (cm -mv)

<50

50-80

80-120

80-120

>120

>120

>120

-

') Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden ") Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld

Het plangebied bevindt zich in een gebied dat wordt gekenmerkt met een grondwatertrap III en V.20 De conservering van metalen en organische resten zal in het plangebied, vanwege de grondwaterstand, niet optimaal zijn.

19 Locher & De Bakker, 1990. 20 BRO Grondwaterspiegeldiepte Model, NGR/WER, 2021.

24126.001 versie 2

8 / 20

2.6 Archeologische waarden Om inzicht te krijgen in bekende archeologische waarden in de omgeving van het plangebied is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), de online database van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.21 Deze database bevat onder meer informatie over archeologische onderzoeken, vondstmeldingen en archeologische monumentterreinen. In kaart 8 zijn de archeologische waarden en onderzoeken in de omgeving van het plangebied weer gegeven. Voor het onderzoek wordt vooralsnog gekeken naar de waarden binnen een straal van 500 meter rondom het plangebied. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. AMK-terreinen De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativi-teit, ensemblewaarde en belevingswaarde).

Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Het plangebied ligt niet binnen een AMK-terrein. Binnen het onderzoeksgebied ligt op circa 300 meter ten zuidwesten een AMK-terrein (zie bijlage 2 en Kaart 8). Het terrein bevat een fundering van (mogelijk) een villa daterend uit de Romeinse tijd.22 Onderzoeksmeldingen Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal zes archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij om bureauonderzoeken, booronderzoeken, een proefsleuvenonderzoek en een opgraving (zie bijlage 3 en Kaart 8). De dichtstbijzijnde onderzoeken die van belang zijn voor het plangebied betreffen: Onderzoeksmelding 2189596100: 280 meter ten zuiden van het plangebied, booronderzoek Muldersweg, Schandelo23 Uit het booronderzoek blijkt dat de natuurlijke ondergrond van het plangebied grotendeels uit sterk variërende vlechtende rivierafzettingen bestaat. Het terras waarop het plangebied ligt, helt af in oostelijke richting, vermoedelijk door tektoniek.

Het oosten van het plangebied is daarom, ook gezien het hoge kleigehalte van de bodem, zodanig vochtig geweest dat hier de kans op de aanwezigheid van archeologische resten laag is. De dekzandafzettingen in het oosten van het plangebied zijn vermoedelijk bij egalisatie en/of ploegwerkzaamheden voor minstens een meter afgetopt. Het in het westen van het plangebied aangetroffen esdek is volgens de bodemkaart de oostelijke rand van het uitgebreider esdek, dat vermoedelijk vanuit het dorp Schandelo op de ten westen van het plangebied liggende terrasrand is aangelegd. Vanwege de wat hogere ligging dan de rest van het terras verder naar het oosten, de aanwezigheid van een intact esdek en de ligging op niet al te grote afstand van de terrasrand geeft het westelijke deel van het plangebied een hoge verwachting voor archeologische resten.

21 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 22 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 23 Stiekema 2008.

24126.001 versie 2

9 / 20

Het feit dat er fragmenten aardewerk uit de Late IJzertijd zijn aangetroffen onderstrepen deze aanname. Uit het verkennend booronderzoek is niet te concluderen of deze fragmenten aardewerk enig verband houden met het archeologische monument ten westen van het plangebied. Onderzoeksmelding 4670560100: 330 meter ten westen van het plangebied, booronderzoek Lingsendijk 20 te Velden24 Binnen het plangebied zijn de verwachte enkeerdgronden aangetroffen. Echter hebben deze ploeglagen de top van het oorspronkelijke bodemprofiel grotendeels opgenomen waardoor er sprake is van een aftopping. Deze aftopping heeft tot gevolg dat eventuele resten uit de periode van de jagers- verzamelaars niet langer in situ zullen worden aangetroffen. De verwachting uit het bureauonderzoek voor de periode Paleolithicum – Mesolithicum kan daarom worden bijgesteld naar middelhoog. Omdat een restant van de B-C overgang aangetroffen kan gesuggereerd worden dat de aantasting van het oorspronkelijke bodemprofiel beperkt is. Gezien in de directe omgeving sprake is van veel resten uit de meer sedentaire bewoningsperioden, kan niet worden uitgesloten dat diepere sporen behouden zijn. De sporen van de meer sedentaire periode vanaf het Neolithicum zijn robuuster en reiken dieper dan de sporen van de jagersverzamelaarsperiode.

Door de mogelijke aanwezigheid van sporen uit de meer sedentaire periode, gecombineerd met de aftopping van het bodemprofiel als gevolg van het aanbrengen van de ploeglaag wordt de verwachting uit het bureauonderzoek voor de periode Neolithicum tot en met Vroege Middeleeuwen bijgesteld naar middelhoog. Voor de periode Late Middeleeuwen tot en met Nieuwe tijd bestaat de kans dat er nog sporen worden aangetroffen die onder of door de oude ploeglaag heen zijn gegraven. Echter heeft de aard van de bodemhorizont een duidelijke invloed op de sporen. Het betreft een ploeglaag die langere tijd in gebruik is geweest. Hierdoor bestaat de kans dat delen van de aanwezige sporen of zelfs de volledige sporen zijn opgenomen in het ploegdek. Derhalve blijft de verwachting voor deze periode middelhoog. Vondstmeldingen In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan negen vondstmeldingen geregistreerd (zie bijlage 4 en Kaart 8). De vondsten die rondom het plangebied zijn gedaan laten zien dat er menselijke activiteiten hebben plaats gevonden in het onderzoeksgebied in de perioden van het Paleolithicum tot en met de Middeleeuwen. Met name uit de perioden Neolithicum en Romeinse tijd zijn er diverse archeologische resten aangetroffen in het onderzoeksgebied.25

Andere bronnen Provinciale archeologische aandachtsgebieden provincie Limburg De Provincie Limburg heeft in maart 2008 besloten haar verantwoordelijkheid voor archeologie te gaan beperken tot waarden van provinciaal belang. Daartoe heeft ze een aantal zgn. archeologische aandachtsgebieden aangewezen. Dit zijn representatieve en relatief gave delen van de verschillende Limburgse cultuurlandschappen met een groot potentieel aan archeologische waarden. De Provincie wil zich inzetten voor het behoud en onderzoek van archeologische waarden in deze gebieden. Het betreft zes soorten gebieden, verspreid over 16

24 Van der Feest & Hagens, 2019. 25 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

24126.001 versie 2

10 / 20

verschillende gemeenten. Volgens de Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied kaart van de provincie Limburg ligt het plangebied niet binnen een Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied. 26 Gemeente Venlo Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de heer Twan Ernst, Beleidsmedewerker Erfgoed van de gemeente Venlo. Hij gaf aan:

De locatie aan de Straelseweg in Velden ligt in (vindplaats 909) en aansluitend (vindplaats 956) aan twee vindplaatscontouren. Deze vindplaatsen staat alleen op onze Archeologische beleidskaart (zie figuur 1) en zijn blijkbaar niet in Archis gemeld; althans er is geen Archis waarnemingsnummer bekend. Het gaat om onze vindplaatsnummers: • 909: september 1978 - vondst van 4 wand-, 2 rand- en 1 bodemfragment(en) uit de Romeinse tijd. De vondstlocatie wordt geïnterpreteerd als afvalkuil. • 986: jaren 80 – 90 20e eeuw – vondst van een vuurstenen bijl en kern uit het Neolithicum. Tevens aardewerkscherven uit de Romeinse tijd. Wegens de Romeinse vondsten is er wellicht sprake van een relatie met de verder westelijk gelegen Romeinse villa(?) uit Schandelo - vondstnummer 908 - die in 1975 is ontdekt (AMK terrein).

Figuur 1: uitsnede Archeologische beleidskaart gemeente Venlo

26 Provinciaal Omgevingsplan Limburg.

24126.001 versie 2

11 / 20

2.7 Beschrijving van het historische gebruik In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegenen kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Korte bewoningsgeschiedenis van Velden In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 5. Het dorp Velden behoorde voor de helft aan de heerlijkheid Arcen en voor de helft aan de heerlijkheid Grubbenvorst. Velden had wel zijn eigen Schepenbank. Met name door de aanwezigheid van kasteel is over de geschiedenis van Arcen meer bekend als over die van Velden. Velden was een dorp met een agrarisch, vroom en degelijk karakter. De grote boerenhoeven en de huizen van de dagloners lagen vrij ver uit elkaar verdeeld over de buurtschappen. In 1433 werd er de oudste vereniging binnen de grenzen van de huidige gemeente opgericht, de “suster- en de broederschap” ter ere van O.L. vrouw, St. Andreas en St.

Antonius Abt, een voorloper van het huidige Bastianusgilde. In 1800 worden de vaak kleine communes samengevoegd tot grotere “mairies”. Arcen, Lomm en Velden worden samengevoegd tot één gemeente met de naam “Mairie de Velden”, ressorterend onder het kanton Wankum. Op 9 februari 1801 wordt het gebied tussen Rijn en Maas ingelijfd bij Frankrijk. Na het vertrek van de Franzen in 1814 wordt de gemeente in 1815 ingedeeld bij Nederland en wordt per 1 januari 1816 de gemeente Arcen en Velden opgericht. In 1830 breekt de Belgische opstand uit waarbij de zuidelijke Nederlanden zich los maken van het noorden. Limburg sluit zich hierbij aan en hoort bij België. Door een vredesverdrag in 1839 van Koning Willem I met de opstandige Belgen kwam Limburg en dus ook Arcen, Lomm en Velden weer bij Nederland. Tijdens de Tweede Wereldoorlog hadden de Duitsers hun aanwezigheid laten gelden, maar gechargeerd gesteld begon de Tweede Wereldoorlog voor de gemeente Arcen en Velden pas in 1944. Hoewel de nabijheid van het vliegveld Venlo zich wel degelijk deed gelden, greep de oorlog tot 1944 nauwelijks in het dagelijks leven in. Opmerkelijk was de inrichting door de Duitsers van een schijnvliegveld in 1942 in Schandelo. Vanaf 1944 veranderede de situatie echter.

De mannelijke inwoners werden door de bezetters gedwongen tot het verrichten van allerlei arbeid, er kwam inkwartiering en vanaf de overzijde van de Maas vonden artillerie beschietingen plaats. De gemeente lag in het frontgebied, hetgeen leidde tot doden en gewonden onder de burgerbevolking en aanzienlijke materiële schade.27

27 Heemkunde Arcen.

24126.001 versie 2

12 / 20

Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel 2.3

Geraadpleegd historisch kaartmateriaal

Bron

Periode

Kaartblad

Kadastrale minuut28

1811-1832

Militaire topografische kaart (veldminuut)29

Schaal

Omschrijving plangebied

Bijzonderheden/directe omgeving

Gemeente Ar- 1:2.500 cen en Velden, Sectie C blad 6

Het plangebied is in gebruik als landbouwgrond.

Aan de westgrens van het plangebied loopt een weg. De percelen rondom het plangebied zijn landbouwgronden.

1850-1864

52

1:50.000

Landbouwgrond. Door noordoostelijke hoek staan bomen en de zuidoostelijke hoek betreft heidegebied.

Greppel aan de zuidelijke rand van het plangebied. Vergelijkbare situatie met kadastrale minuut 1811-1832.

Topografische kaart

1936

52H

1:25.000

Het noordelijke deel van het plangebied wordt grasland

Ten oosten van het plangebied loopt een weg en krijgen de percelen een graslandbestemming.

Topografische kaart

1953

52H

1:25.000

Het plangebied bestaat volledig uit landbouwgrond

Vergelijkebare situatie met 1936

Topografische kaart

1967

52H

1:25.000

Het zuidelijk deel van het plangebied is grasland. De rest van het plangebied bestaat nog steeds uit landbouwgrond

Het perceel ten westen van het plangebied is grasland geworden. Circa 250 m ten zuidwesten van het plangebied staat bebouwing. Waarschijnlijk is dit een tuindersbedrijf.

Topografische kaart

1987

52H

1:25.000

In het zuiden van het plangebied staat bebouwing.

Vergelijkebare situatie met 1967.

Topografische kaart

1999

52H

1:25.000

Uitbreiding van de bebouwing richting het noorden.

Ten westen van het plangebied is een tuinderbedrijf gevestigd.

Topografische kaart

2011

52H

1:25.000

Vergelijkbare situatie met 1999

Ten zuiden van het plangebied is een tuindersbedrijf gevestigd.

Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal (zie tabel 2.3) is het plangebied vanaf in ieder geval begin 19e eeuw in gebruik als landbouwgrond. Deze situatie blijft tot 1987 ongeveer hetzelfde met enkele wisselingen van landbouwgrond naar grasland en vice versa. Vanaf 1987 komt er bebouwing binnen het

28 Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. 29 Kadaster Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel).

24126.001 versie 2

13 / 20

plangebied. Dit betreft de bebouwing van een huis en stallen. In 1999 wordt de runderstal en de woning in het noorden van het plangebied gebouwd. De omgeving van het plangebied laat zien dat het voornamelijk in gebruik is als landbouwgrond. Begin 19e eeuw loopt aan de zuidgrens van het plangebied een perceleringsgreppel en aan de westgrens loopt een weg (de huidige Straelseweg). De percelen ten noorden, westen en zuiden van het plangebied zijn in gebruik als landbouwgrond. Het gebeid direct ten oosten van het plangebied is op de 19 e-eeuwse kaarten nog aangegeven als natte woeste gronden. Vanaf 1937 komt op circa 20 meter ten oosten van het plangebied een weg en de percelen ten oosten van het plangebied krijgen een grasland bestemming. Ten zuiden, zuidoosten en westen van het plangebied liggen tuinderbedrijven. De eerste wordt gebouwd rond 1967 ten zuidoosten van het plangebied. Rond 1999 wordt het tuinderbedrijf ten westen gebouwd en als laatste het tuinderbedrijf ten zuiden van het plangebied rond 2011. Bouwhistorische gegevens Bij de gemeente Venlo is het archief van Team Bouw en Milieu geraadpleegd. Tabel 2.4 geeft een opsomming van de verleende bouwvergunningen voor het plangebied. Tabel 2.4

Verleende bouwvergunningen

Jaartal

Omschrijving

Bodemverstoring

1978

Bouw varkensstal

Oppervlakte 580 m2. Geheel onderkelderd tot 1,5 meter -mv

1979

Bouw varkensstal

Oppervlakte 625 m2. Geheel onderkelderd tot 1,5 meter -mv

1979

Bouw bedrijfswoning

Oppervlakte 98 m2. Geheel onderkelderd tot 2,4 meter -mv

1989

Bouw veranda

Oppervlakte 20 m2. Gefundeerd, niet onderkelderd.

1996

Bouw schuur

Oppervlakte 680 m2. Geheel onderkelderd tot 2,0 meter -mv

1997

Bouw carport

Oppervlakte 26 m2. Gefundeerd, niet onderkelderd.

2006

Bouw berging

Oppervlakte 64 m2. Gefundeerd, niet onderkelderd.

Uit de gegevens van de bouwdossiers komt naar voren dat de schuren, stallen en bedrijfswoningen in het plangebied geheel diep zijn onderkelderd. Dit kwam ook naar voren bij het bezoek aan het plangebied, waar door de sloop van de stallen en schuren de diepe kelders duidelijk zichtbaar waren (zie foto’s in paragraaf 2.3). Onder deze gebouwen worden dien ten gevolgen geen behoudenswaardige archeologische resten meer verwacht. Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. 30 Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn.

30 Amersfoort & Kamphuis, 1990/Indicatieve kaart Militair Erfgoed/Jong, 1969 – 1994/ Klep & Schoenmaker, 1995/Ruimingskaart/VEO Bom-

menkaart/Zwanenburg, 1990/Luchtfoto’s RAF.

24126.001 versie 2

14 / 20

Heemkunde Vereniging Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de plaatselijke Heemkundevereniging Stichting Heemkunde Arcen, d.d. 7 december 2023, maar dit heeft binnen het tijdsbestek van de uitvoering van dit onderzoek geen aanvullende informatie opgeleverd.

2.8 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel 2.5

Gespecificeerde archeologische verwachting

Archeologische periode

Gespecificeerde verwachting

Te verwachten complextype/resten

Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld

(Laat-)Paleolithicum

Middelhoog

Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen.

Onder de bouwvoor en in de top van de Maasterrasafzettingen.

Mesolithicum

Middelhoog

Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen.

Onder de bouwvoor en in de top van de Maasterrasafzettingen.

Neolithicum

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen.

Onder de bouwvoor en in de top van de Maasterrasafzettingen.

Bronstijd

Middelhoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen.

Onder de bouwvoor en in de top van de Maasterrasafzettingen.

IJzertijd

Middelhoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen.

Onder de bouwvoor en in de top van de Maasterrasafzettingen.

Romeinse tijd

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen.

Onder de bouwvoor en in de top van de Maasterrasafzettingen.

Vroege Middeleeuwen

Middelhoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen.

Onder de bouwvoor en in de top van de Maasterrasafzettingen.

24126.001 versie 2

15 / 20

Late Middeleeuwen

Middelhoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen.

Onder de bouwvoor en in de top van de Maasterrasafzettingen.

Nieuwe tijd

Middelhoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen.

Onder de bouwvoor en in de top van de Maasterrasafzettingen.

Uit de landschappelijke ligging op een dalvlakteterras van de Maas uit het Saalien, blijkt dat het plangebied vanaf het Paleolithicum bewoonbaar is geweest voor jagers en verzamelaars en vanaf het Neolithicum voor landbouwers. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waargenomen vanaf Paleolithicum tot en met de Middeleeuwen, maar met name uit het Neolithicum en de Romeinse tijd (waaronder zelfs in en direct naast het plangebied). Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar de jagers en verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jagers en verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefden van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels. Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken. Op dit soort locaties was ook drinkwater bereikbaar. 31 Het plangebied ligt op een Maasterras wat een aantrekkelijke locatie is voor mensen uit alle periodes.

Het plangebied ligt tussen een hoger gelegen rug in het westen, welke dichter bij stromend water heeft gelegen en een lager gelegen moerassig gebied in het oosten. Met name het gebied ten westen van het plangebied lijkt landschappelijk gezien geschikter et zijn geweest voor jagers en verzamelaars. Toch zijn er in het onderzoeksgebied in alle zones wel enkele vuursteenartefacten aangetroffen. Het plangebied heeft daarom een middelhoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Paleolithicum en Mesolithicum. Voor de landbouwers zijn andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie. Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor. Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en een goede afwatering van belang.32 Ook voor landbouwers lijkt het plangebied landschappelijk gezien een matig geschikte locatie voor bewoning te zijn, gelegen tussen een hogere rug in het westen en een nat gebied in het oosten. Toch zijn er archeologische vindplaatsen bekend in en in de omgeving van het plangebied, met name uit het Neolithicum en Romeinse tijd.

Het plangebied heeft daarom een middelhoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit de IJzertijd, Bronstijd en Vroege Middeleeuwen en een hoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Neolithicum en de Romeinse tijd.

31 Louwe Kooijmans et al., 2005. 32 Louwe Kooijmans et al., 2005.

24126.001 versie 2

16 / 20

Vanaf de Middeleeuwen zijn schriftelijke bronnen bekend die de bekende locatiekeuzes en archeologische gegevens kunnen aanvullen. Vanaf de 13e eeuw wordt de locatie langs kruisingen en splitsingen van doorgaande en lokale wegen ook van belang voor de locatiekeuze van een nederzetting. Deze nederzettingen kunnen zijn gegroeid tot de hedendaagse gehuchten en woonkernen. 33 Het plangebied ligt in het buitengebied ten noordoosten van Velden, op de rand van de oude akkergronden. Er zijn geen gegevens bekend van voormalige bebouwing in het plangebied voor de huidige bebouwing uit de tweede helft van de 20 e eeuw. De Straelseweg langs het plangebied gaat wel al zeker 200 jaar terug. Het plangebied heeft daarom een middelhoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. De archeologische resten worden direct aan of onder het maaiveld verwacht. De vondstenlaag wordt verwacht in de eerste 30 cm beneden het maaiveld. Archeologische sporen worden direct beneden het maaiveld verwacht en lopen meestal door tot circa 50 cm -mv, hoewel ook diepere sporen (zoals paalsporen en waterputten) kunnen voorkomen. Deze archeologische resten bestaan hoofdzakelijk uit aardewerk- en/of vuursteenstrooiïngen. Organische resten en metaal zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd.

Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als agrarisch bedrijf. Hierbij was in totaal circa 4.650 m2 van het plangebied bebouwd, grotendeels diep onderkelderd. Dit komt overeen met circa 20 % van de totale oppervlakte van het plangebied. Verder was het (in het noordoosten tot op heden) in gebruik als akkerland. Door ploegen en bouwgraaf en sloopactiviteiten kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk verloren zijn gegaan.

2.9 Conclusie bureauonderzoek Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Op basis van het bureauonderzoek heeft het plangebied een hoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Neolithicum en de Romeinse tijd en een middelhoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Paleolithicum, Mesolithicum, Bronstijd, IJzertijd en Vroege Middeleeuwen tot en met Nieuwe tijd. Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, door middel van boringen. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met als doel om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Ook dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar 33 Renes, 1999.

24126.001 versie 2

17 / 20

zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK

3.1 Doelstelling en onderzoeksvragen Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Ook dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting.

3.2 Methoden Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 19‑02‑2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 19‑02‑2018 protocol 4003), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 22 december 2023 door De heer N.A.F. Otten, BA (archeoloog) en de heer drs. A.H. Schutte (Senior KNA Prospector) een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld. Het veldwerk is uitgevoerd op 23 januari 2024. Het gehele plangebied was vrij toegankelijk. Op de voormalige bebouwde delen van het plangebied konden geen boringen geplaatst worden omdat de kelders en bodemplaten hier nog aanwezig waren. De boringen zijn verspreid binnen het plangebied gezet. Bij het zetten van de boringen is rekening gehouden met de aanwezige verhardingen en gebouwen. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 7 cm) 12 boringen tot maximaal 1,20 meter -mv gezet (zie kaart 16) De boringen zijn lithologisch volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven. 34 De boringen zijn met meetlinten ingemeten (x- en y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld in hoeverre er sprake is van een gaaf bodemprofiel.

Ook is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot.

34 Bosch, 2005.

24126.001 versie 2

18 / 20

3.3 Resultaten Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorstaten en worden in bijlage 8 weergegeven. De bodemopbouw kan als volgt worden beschreven. Bij het booronderzoek zijn matig fijne, zwak tot uiterst siltige, zandafzettingen en sterk zandige leemafzettingen aangetroffen. Bij alle boringen is aan het maaiveld een bouwvoor en/of verstoorde laag aangetroffen, welke alleen bij boring 11 bestond uit sterk zandige leemafzettingen en bij de overige boringen uit zwak tot uiterst siltige zandafzettingen. Deze toplaag bestaat uit een mix van een (voormalige) bouwvoor met bouwzand en is veelal zwak baksteen- of puinhoudend en plaatselijk gevlekt. De dikte van de verstoorde bovenlaag loopt uiteen van 40 cm bij boring 1en 4 tot 90 cm bij boring 9 en 12. Onder de bouwvoor en verstoorde bovenlaag zijn bij alle boringen onverstoorde sterk zandige leemafzettingen aangetroffen. De leemafzettingen zijn grotendeels matig tot sterk gleyhoudend en kunnen worden geclassificeerd als Maasafzettingen, gevormd in het Saalien Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen.

Het gaat hier echter om een verkennend booronderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/313/documents/20383