CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

087 Bijl01Toelichting bestemmingsplan 'Straelseweg 38-40 Velden'.pdf

Raadsvergadering 30 oktober 2024, gemeente VenloBij agendapunt: 4.2: Bestemmingsplan Straelseweg 38-40 Velden (RV087)13.090 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

BESTEMMINGSPLAN Straelseweg 38-40 Velden Vastgesteld

Document:

Bestemmingsplan “Straelseweg 38-40 Velden”

IDN:

NL.IMRO.0983.BP202319STRLSW3840-VA01

Status:

Vastgesteld

Datum:

03 juni 2024

Auteur:

De heer ing. M.A.A. Thomassen en de heer ing. L.M. Heesen

INHOUDSOPGAVE INHOUDSOPGAVE ................................................................................................................................. 1

1. INLEIDING........................................................................................................................................... 3 1.1 Aanleiding en doel ......................................................................................................................... 3 1.2 Plangebied en begrenzingen ......................................................................................................... 4 1.3 Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................................... 5

2. HUIDIGE SITUATIE ............................................................................................................................ 7 2.1 Algemeen ....................................................................................................................................... 7 2.2 Ruimtelijke structuur ...................................................................................................................... 7 2.3 Functionele structuur ..................................................................................................................... 7

3. PLANBESCHRIJVING ........................................................................................................................ 9 3.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan ............................................................................. 9 3.2 Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten ................................................................................... 9 3.3 Landschappelijke inpassing ......................................................................................................... 10

4. BELEIDSKADER .............................................................................................................................. 12 4.1 Rijksbeleid .................................................................................................................................... 12 4.2 Provinciaal beleid ......................................................................................................................... 14 4.3 Regionaal beleid .......................................................................................................................... 16 4.4 Gemeentelijk beleid ..................................................................................................................... 17

5. RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN .......................................................... 23 5.1 Milieu ............................................................................................................................................ 23 5.1.1 Geluid .................................................................................................................................... 23 5.1.2 Lucht ...................................................................................................................................... 23 5.1.3 Bodem- en grondwaterkwaliteit ............................................................................................. 24 5.1.4 Externe veiligheid .................................................................................................................. 25 5.1.5 Milieuzonering ....................................................................................................................... 26 5.1.6 Geur ...................................................................................................................................... 28 5.2 Kabels, leidingen en straalpaden .................................................................................................

29 5.3 Natuur .......................................................................................................................................... 30 5.4 Water............................................................................................................................................ 31 5.5 Archeologie .................................................................................................................................. 32

Vastgesteld

1

5.6 Cultuurhistorie .............................................................................................................................. 34 5.7 Verkeer en parkeren .................................................................................................................... 35

6. JURIDISCHE TOELICHTING ........................................................................................................... 36 6.1 Toelichting op de verbeelding ...................................................................................................... 36 6.2 Toelichting op de planregels ........................................................................................................ 36

7. HANDHAVING .................................................................................................................................. 38

8. UITVOERBAARHEID ........................................................................................................................ 39 8.1 Economische uitvoerbaarheid ..................................................................................................... 39 8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ............................................................................................... 39 8.2.1 Vooroverleg ex art. 3.1.1 Bro ................................................................................................ 39 8.2.2 Omgevingsdialoog................................................................................................................. 39 8.2.3 Zienswijzenprocedure ........................................................................................................... 39 8.3 Procedure .................................................................................................................................... 39

9. BIJLAGEN......................................................................................................................................... 41 1. Landschappelijk inpassingsplan Straelseweg 38-40 Velden 2. Vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek 3. Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek

Vastgesteld

2

1. INLEIDING

1.1 Aanleiding en doel Op de locatie aan de Straelseweg 38-40 is thans een melkveebedrijf met twee bedrijfswoningen aanwezig. De locatie valt onder de werking van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de voormalige gemeente Arcen en Velden en is daarin bestemd als ‘Agrarische bedrijfsdoeleinden’ met een nadere aanduiding ‘Grondgebonden bedrijf’ en de aanduiding ‘2BW’. De als dusdanig bestemde gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf, waarbij twee bedrijfswoningen zijn toegestaan. Een grondgebonden agrarisch bedrijf betreft een bedrijf, waarvan de productie geheel of overwegend afhankelijk is van het voortbrengingsvermogen van de grond. Een melkveebedrijf met akkerbouwtak wordt beschouwd als een grondgebonden bedrijf. Het huidige gebruik is dan ook passend binnen het vigerende bestemmingsplan. Voor deze locatie is op 25 juni 2010 een Melding Besluit landbouw milieubeheer geaccepteerd voor het houden van 200 melk- en kalfkoeien (A1.100), 140 stuks vrouwelijk jongvee (A3.100) en 4 paarden (K1.100). Daarnaast beschikt het bedrijf over een Wnbvergunning voor het houden van 178 melk- en kalfkoeien (A1.100), 152 stuks vrouwelijk jongvee (A3.100) en 4 paarden (K1.100).

Initiatiefnemer is in de provincie Limburg een van de deelnemers aan de ‘Regeling provinciale aankoop veehouderijen nabij natuurgebieden’ ook wel bekend als de opkoopregeling piekbelasters. Deze regeling heeft tot doel het opkopen van piekbelasters rondom Natura2000-gebieden om de uitstoot van stikstof nabij deze gebieden te reduceren. Deelname aan deze regeling is vrijwillig. De deelname aan deze regeling betekent dat de veehouderijactiviteiten op locatie beëindigd zullen worden.

Afbeelding 1. Ligging en omgeving plangebied (rood omcirkeld)

Vastgesteld

3

Onderdeel van deze regeling is dat alle thans aanwezige bedrijfsgebouwen en bijbehorende voorzieningen zoals de aanwezige sleufsilo’s gesloopt worden. De 2 aanwezige bedrijfswoningen zullen behouden blijven. Vanuit de regeling is het toegestaan om tot maximaal 300 kg NH3 te reserveren voor nieuwe bedrijfsactiviteiten (niet zijnde veehouderij activiteiten) zodat zij niet volledig ‘op slot’ gezet worden. Initiatiefnemer wenst om op locatie Straelseweg 40 een paardenhouderij en akkerbouwtak te realiseren c.q. voort te zetten. De akkerbouwmatige activiteiten vinden namelijk nu ook al plaats. De paardenhouderij activiteiten zullen uitgebreid worden. Qua paardenhouderij gaat het om een bedrijf gericht op het ‘africhten, trainen en/of berijden van paarden en pony’s en/of anderszins beoefenen van de paardensport’. Daarbij is als ondergeschikte activiteit het huisvesten van maximaal 2 ruiters, grooms en/of stagiairs en pensionstalling toegestaan. Omdat het in deze, voor wat betreft de paardenhouderij, niet gaat om fokkerij- en/of vermeerderingsactiviteiten is geen sprake van veehouderijactiviteiten in de beoogde situatie. Daarmee is deze vorm van een paardenhouderij dus passend binnen de uitgangspunten van de regeling. Om te borgen dat er ruimtelijk voldoende scheiding komt tussen het nieuw beoogde bedrijf en de burgerwoning zal het vigerende bouwvlak van vorm veranderd worden.

Per saldo zal sprake zijn van een verkleining van het bouwvlak. De gemeente Venlo heeft op 23 augustus 2022 per brief, met een aanvulling op 15 november 2022 per mail, aangegeven dat zij in beginsel bereid is om, onder voorwaarden, medewerking te verlenen aan het initiatief. De gestelde voorwaarden hebben hoofdzakelijk betrekking op een goede stedenbouwkundige en ruimtelijke ordening. Medewerking kan verleend worden op basis van een postzegelbestemmingsplan. In onderhavige toelichting, behorende bij het postzegelbestemmingsplan, wordt gemotiveerd dat aan de gestelde voorwaarden voldaan wordt.

1.2 Plangebied en begrenzingen De planlocatie ligt aan de Straelseweg 38-40 ten noordoosten van de kern Velden en aan de rand van het buurtschap Schandelo. Het plangebied is kadastraal bekend als Arcen en Velden K 162, 199 (gedeeltelijk), 215 en 216. Het plangebied is gelegen aan de Straelseweg. De omgeving kenmerkt zich in hoofdzaak door de aanwezigheid van (middel)grote glastuinbouwbedrijven, afgewisseld met andersoortige agrarische bedrijvigheid en burgerwoningen. De Straelseweg is een rustige buitenweg in het buitengebied van Velden. In noordoostelijke richting komt de Straelseweg uit op de landsgrens met Duitsland en gaat deze over in de Grenzweg. In zuidwestelijke richting komt de Straelseweg uit op de weg Schandelo/Schandeloseweg. De Schandeloseweg betreft de doorgaande weg naar de kern Velden. Via de Schandelo komt men in noordelijke richting uiteindelijk uit bij de Rijksweg N271. In zuidelijke richting komt men via de Schandelo uiteindelijk uit aan de rand van de stad Venlo.

Vastgesteld

4

Afbeelding 2. Luchtfoto plangebied (rood omlijnd)

1.3 Vigerend bestemmingsplan Het plangebied valt thans onder de werking van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de voormalige gemeente Arcen en Velden, thans gemeente Venlo, zoals vastgesteld op 28 mei 2009. De locatie heeft daarbinnen de enkelbestemming ‘Agrarische bedrijfsdoeleinden’ met de functieaanduiding ‘G’ en de aanduiding ‘2BW’. De als dusdanig bestemde gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf, waarbij twee bedrijfswoningen zijn toegestaan. Een grondgebonden agrarisch bedrijf betreft een bedrijf, waarvan de productie geheel of overwegend afhankelijk is van het voortbrengingsvermogen van de grond. Een melkveebedrijf met akkerbouwtak wordt beschouwd als een grondgebonden bedrijf. Het vigerende bouwvlak heeft een oppervlakte van circa 18.500 m2. Alle bedrijfsgebouwen en voorzieningen zijn thans binnen het vigerende bouwvlak gelegen. Het huidige gebruik is dan ook passend binnen het vigerende bestemmingsplan. De beoogde wijzigingen zijn niet passend binnen het vigerende bestemmingsplan. Het veranderen van de vorm van het bouwvlak en de daarbinnen beoogde paardenhouderijactiviteiten (inclusief huisvesting) zijn niet passend binnen het huidige bestemmingsplan. Daarmee is sprake van strijdigheid met het bestemmingsplan.

Door het uitwerken van een nieuw postzegelbestemmingsplan wordt de beoogde situatie juridisch-planologisch vastgelegd waardoor deze daarna wel toegestaan is. In onderhavige toelichting wordt gemotiveerd dat bij deze wijzigingen sprake is van een goede ruimtelijke ordening en dat de wijzigingen passend zijn binnen de daarvoor geldende beleidskaders.

Vastgesteld

5

Afbeelding 3. Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan, plangebied indicatief rood omlijnd

Vastgesteld

6

2. HUIDIGE SITUATIE 2.1 Algemeen Het plangebied is gelegen aan de Straelseweg 38-40 ten noordoosten van de kern Velden. Het dorp Velden ligt ongeveer 5 kilometer ten noorden van de stad Venlo en is gelegen in de provincie Limburg. Het dorp Velden telt circa 5.400 inwoners. De Straelseweg vormt een relatief gesloten bebouwingslint, waarbij bebouwing op relatief korte afstand van elkaar is gelegen. Pas ten noorden van het plangebied krijgt de Straelseweg een wat meer open doch nog steeds kleinschalig karakter. Omliggende bebouwing betreft een mix van glastuinbouw, wonen en agrarische bedrijvigheid. De bebouwing binnen het plangebied bestaat thans uit de volgende bebouwing: - Bedrijfswoning Straelseweg 38; - Bedrijfswoning Straelseweg 40; - Melkrundveestal 2.253 m2 - Jongveestal/loods 690 m2 - Jongveestal/loods 938 m2 - Loods 626 m2 - Sleufsilo’s circa 3.500 m2

2.2 Ruimtelijke structuur Het dorp Velden is gelegen in het noordelijk deel van de provincie Limburg tussen de Maas en de landsgrens met Duitsland. Het dorp omvat onder meer de (vroegere) buurtschappen Schandelo, Hasselderheide, Hasselt, Vilgert en Het Vorst. Al voor 1900 was het plangebied zelf in gebruik als bouwland. Het maakte deel uit van een zone met grootschalig open bouwland ten noordoosten van Schandelo. Ten oosten van het bouwland bevond zich een zone met bos en heide. In de eerste decennia van de 20 ste eeuw worden deze percelen ten oosten van het plangebied grotendeels ontgonnen. Na de Tweede Wereldoorlog wordt het bodemgebruik van het open bouwland van Schandelo intensiever van aard. Het toenemende gebruik van teeltvoorzieningen gaat over in de bouw van kassen. In het plangebied zelf vestigt zich in de tachtiger jaren een op varkenshouderij en akkerbouw gericht bedrijf. Vanaf medio 1990 wordt omgeschakeld in een op melkveehouderij en akkerbouw gericht bedrijf, dat zich in de daaropvolgende periode ontwikkelt tot het bedrijf in haar huidige aard en omvang. Het plangebied is anno 2023 gelegen aan de rand van het sterk verdichte glastuinbouwgebied Schandelo. Aan de oostzijde is eerste sprake een open veld, met daarachter gelegen een zone met bos en beplanting nabij de landsgrens.

2.3 Functionele structuur Het buitengebied van Velden bestaat in hoofdzaak uit een mix van wonen, natuur en agrarische bedrijvigheid. In het gebied Schandelo is daarbij glastuinbouw de meest voorkomende/bepalende vorm van agrarische bedrijvigheid.

Vastgesteld

7

De Straelseweg vormt een relatief gesloten bebouwingslint, waarbij bebouwing op relatief korte afstand van elkaar is gelegen. Pas ten noorden van het plangebied krijgt de Straelseweg een wat meer open doch nog steeds kleinschalig karakter. Omliggende bebouwing betreft een mix van glastuinbouw, wonen en andersoortige agrarische bedrijvigheid.

Afbeelding 4. Impressie plangebied komende vanuit zuidwestelijke richting via de Straelseweg. Rechts vooraan de woning Straelseweg 38, uiterst links de woning Straelseweg 40 en daartussenin zijn enkele van de bedrijfsgebouwen zichtbaar.

Vastgesteld

8

3. PLANBESCHRIJVING 3.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan De doelstelling van dit bestemmingsplan is gericht op het planologisch mogelijk maken om het vigerende agrarische bouwvlak aan de Straelseweg 38-40 te veranderen waarbij wel een agrarische bedrijfsbestemming behouden blijft. De oppervlakte van het bouwvlak zal per saldo wel kleiner worden. De locatie Straelseweg 38 blijft behouden als tweede bedrijfswoning. Initiatiefnemer wenst om op locatie Straelseweg 38-40 een paardenhouderij en akkerbouwtak te realiseren c.q. voort te zetten. De akkerbouwmatige activiteiten vinden namelijk nu ook al plaats. De paardenhouderij activiteiten zullen uitgebreid worden. Qua paardenhouderij gaat het om een bedrijf gericht op het ‘africhten, trainen en/of berijden van paarden en pony’s en/of anderszins beoefenen van de paardensport’. Daarbij is als ondergeschikte activiteit het huisvesten van maximaal 2 ruiters, grooms en/of stagiairs en pensionstalling toegestaan. Omdat het in deze voor wat betreft de paardenhouderij niet gaat om fokkerij- en/of vermeerderingsactiviteiten is geen sprake van veehouderijactiviteiten in de beoogde situatie. Daarmee is deze vorm van een paardenhouderij dus passend binnen de uitgangspunten van de regeling.

Om te borgen dat er ruimtelijk voldoende scheiding komt tussen het nieuw beoogde bedrijf en de burgerwoning zal het vigerende bouwvlak van vorm veranderd worden. Per saldo zal sprake zijn van een verkleining van het bouwvlak.

3.2 Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten De woning aan de Straelseweg 38 zal onveranderd in stand worden gehouden en zal fysiek niet gewijzigd worden. Deze woning behoudt de functie als tweede bedrijfswoning bij het voort te zetten agrarisch bedrijf gericht op akkerbouw en paardenhouderij. Wel worden de nu nabijgelegen bedrijfsgebouwen volledig gesloopt. Ook de woning aan de Straelseweg 40 zal onveranderd in stand worden gehouden en fysiek niet worden gewijzigd. Deze woning behoudt de functie als bedrijfswoning bij het gewijzigd voort te zetten agrarisch bedrijf gericht op akkerbouw en paardenhouderij. Doordat het agrarische bouwvlak per saldo verkleind zal worden is sprake van een afname van bebouwingsmogelijkheden. Verder vindt een kwaliteitsverbetering plaats doordat de huidige (verouderde) bedrijfsgebouwen gesloopt zullen worden, zie afbeelding 5, en vervangen worden door nieuwe bedrijfsgebouwen. De oppervlakte van het agrarische bouwvlak voor de Straelseweg 40 bedraagt circa 13.500 m2 en de oppervlakte van het bouwvlak voor de Straelseweg 38 bedraagt circa 1.300 m2, de oppervlakte van het huidige agrarische bouwvlak bedraagt circa 18.500 m2. Per saldo dus een afname van circa 3.700 m 2 bebouwingsmogelijkheden.

Vastgesteld

9

Afbeelding 5. Weergave te slopen bebouwing, voorzieningen en verharding

Daarnaast wordt in de volgende paragraaf het landschappelijk inpassingsplan behorende bij dit planvoornemen toegelicht. Ook dit leidt tot een verdere kwaliteitswinst.

3.3 Landschappelijke inpassing Bij het uitwerken van het inpassingsplan is onder andere rekening gehouden met de uitgangspunten zoals die in het Landschapskader Noord- en Midden-Limburg gesteld worden. Het Landschapskader heeft tot doel een kwaliteitsimpuls aan te reiken voor het Noord- en Midden-Limburgse landschap, aan de hand waarvan initiatiefnemers en beleidsmakers kunnen bijdragen aan een aantrekkelijker landschap om te wonen, werken en recreëren. In afbeelding 6 zijn de inpassingsmaatregelen schetsmatig weergegeven. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar het inpassingsplan zelf, zoals dat in bijlage 1 van deze toelichting is opgenomen.

Vastgesteld

10

Afbeelding 6. Impressie landschappelijke inpassing plangebied, nieuwe bebouwing indicatief weergegeven

Vastgesteld

11

4. BELEIDSKADER

4.1 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie In het kader van de invoering van de Omgevingswet heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie die is vastgelegd in artikel 3.1, lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van artikel 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.

Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: ▪ ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; ▪ duurzaam economisch groeipotentieel; ▪ sterke en gezonde steden en regio’s; ▪ toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzen. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteiten van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Conclusie Onderhavig initiatief is op nationaal niveau dusdanig kleinschalig van aard dat het plan geen nadelige gevolgen heeft voor relevante nationale belangen. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden.

In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project

Vastgesteld

12

Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Natuurnetwerk Nederland, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied. Conclusie Geen van de bovengenoemde belangen zijn bij de voorgenomen ontwikkeling in het geding. De beoogde ontwikkeling is kortom niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro. Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen en objecten, hoofdwegen en Natuurnetwerk gebieden worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In het Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. Het radarverstoringsgebied behorende bij de radar op de militaire vliegbasis Volkel beslaat ook de gemeente Venlo. De maximaal toegestane bouwhoogte voor windturbines in dit gebied bedraagt 114 meter ten opzichte van NAP. Conclusie Aangezien het plan geen hoge bebouwing mogelijk maakt (max.

bouwhoogte 10 meter), vormt de voorgenomen ontwikkeling geen belemmering voor het radarverstoringsgebied. Ladder voor duurzame verstedelijking De “Ladder voor duurzame verstedelijking” ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. De ladder is juridisch vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ontwikkeling (Bro). Sinds invoering van de ladder is er veel jurisprudentie ontstaan en is er veel over geschreven. De ladder werd als te ingewikkeld ervaren en zorgde voor veel onderzoekskosten. Per 1 juli 2017 is de regeling daarom gewijzigd. De drie treden uit de oorspronkelijke tekst worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst: “De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied. Binnen het plangebied zijn reeds twee bedrijfswoningen toegestaan en ook aanwezig. Met onderhavig planvoornemen blijven deze twee woningen behouden.

Daarmee is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in de ladder voor duurzame verstedelijking. Conclusie Het initiatief valt derhalve niet onder de werking van de ladder en hoeft er dus niet aan getoetst te worden.

Vastgesteld

13

4.2 Provinciaal beleid Omgevingsvisie Limburg Per 25 oktober 2021 is de ‘Omgevingsvisie Limburg’ in werking getreden. De Omgevingsvisie is een strategische en lange termijn (2030-2050) visie op de fysieke leefomgeving en beschrijft onderwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed. Daarnaast worden ook de aspecten gezondheid, veiligheid en een gezonde leefomgeving in de Omgevingsvisie meegenomen. De Omgevingsvisie stelt op strategisch niveau de kaders voor het provinciaal handelen bij toekomstige ontwikkelingen en activiteiten. De Omgevingsvisie bevat daarmee belangrijke keuzes ten aanzien van het te voeren beleid en vormt de basis voor verdere uitwerkingen en plannen en programma’s. In de Omgevingsvisie worden drie hoofdopgaven onderscheiden. Deze opgaven spelen Limburg-breed, de accenten verschillen echter per gebied en per sector. De hoofdopgaven zijn: ▪

▪ ▪

Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; o In stedelijk c.q. bebouwd gebied; o In landelijk gebied; Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); Klimaatadaptatie en energietransitie.

Het toekomstbeeld voor Limburg kan worden gevangen in een indicatieve zonering. Die zonering bouwt voort op de ‘tijdloze’ karakteristiek van de ondergrond, de geomorfologie en het watersysteem, en de typering en ontwikkeling van het ruimtegebruik in de deelgebieden binnen Limburg in de afgelopen decennia. De aan elkaar grenzende zones hebben onderling een sterke samenhang en wisselwerking. Het gaat daarbij om de volgende hoofdtypen met bijbehorende categorieën: ▪ Landelijke gebieden; o Groenblauwe mantel | Natuurnetwerk Limburg (inclusief Natura2000-gebied) | Buitengebied; ▪ Bebouwde gebieden; o Stedelijk gebied | Stedelijk centrum | Landelijke kern | Werklocaties; ▪ Infrastructuren; o (Inter)nationale weg | Provinciale weg | (Inter)nationale spoorweg | (Inter)nationale waterweg | (Lucht)haven | (Inter)nationale leidingstrook. Conform de kaarten die behoren bij de omgevingsvisie is onderhavige locatie gelegen binnen de categorie ‘buitengebied’ behorende bij het hoofdtype landelijke gebieden. Het buitengebied betreft de landelijke gebieden op de Zuid-Limburgse plateaus en op de hogere zandgronden in Noord- en Midden-Limburg, samen zo’n 85.000 hectaren groot. Vergeleken met Noord- en Midden-Limburg zijn er in Zuid-Limburg minder mogelijkheden voor intensieve vormen van grondgebruik op de plateaus. Dit komt door de aard van de ondergrond en de aanwezige omgevingskwaliteiten.

Op de hogere zandgronden van Noord- en MiddenLimburg is, rekening houdend met de droogtegevoeligheid en de kwaliteit van de grondwatervoorraden, een breed scala aan grondgebruiksvormen mogelijk, rekening houdend met de ruimteclaims vanuit de verschillende transitieopgaves. Conclusie Met onderhavig planvoornemen wordt een melkrundveehouderij definitief beëindigd en omgevormd naar een paardenhouderij in hoofdzaak gericht op het trainen, africhten en/of berijden van paarden (niet zijnde veehouderijactiviteiten. De reeds aanwezige akkerbouwtak wordt daarbij ongewijzigd voortgezet. Het plan is dusdanig kleinschalig van aard dat het plan geen beperkingen oplevert voor provinciale belangen. Het plan is dan ook passend binnen de kaders van de provinciale omgevingsvisie.

Vastgesteld

14

Omgevingsverordening Limburg 2014 In de Omgevingsverordening Limburg 2014 is het hoofdstuk Ruimte opgenomen. Het hoofdstuk Ruimte is gericht op de doorwerking van het ruimtelijke beleid van POL2014 naar gemeentelijke ruimtelijke plannen. In artikel 2.2 van het hoofdstuk Ruimte is bepaald dat een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening moet houden met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder duurzame ontwikkeling) waarbij tevens de mogelijkheid tot herbenutting van monumentale en beeldbepalende gebouwen onderzocht moet worden. Met onderhavige ontwikkeling is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling zoals reeds eerder gemotiveerd. De ladder voor duurzame ontwikkeling is daarom niet van toepassing. De Omgevingsverordening bevat -naast de regels in het hoofdstuk Ruimte- regels over diverse andere onderwerpen, zoals de aanwijzing van milieubeschermingsgebieden, waaronder de boringsvrije zones Roerdalslenk en Venloschol. Het plangebied is gelegen binnen de boringsvrije zone van de Venloschol.

Het is in het gebied Venloschol beneden 5 meter +NAP verboden: a) Een boorput te hebben; b) De grond te roeren; c) Een gesloten bodemenergiesysteem te hebben; d) Werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Betreffend perceel ligt op circa 20,5 m +NAP. Dit betekent dat in het kader van de Venloschol in de praktijk de bodem tot een diepte van 15,5 meter geroerd kan worden. Dat is in dit geval echter niet aan de orde. Ook zullen er met dit plan geen nieuwe boorputten gemaakt worden op het perceel. Tevens is of zal er geen sprake zijn van een gesloten bodemenergiesysteem en of het verstoren van bodemlagen. Aan het plangebied is verder de gebiedsaanduiding ‘Milieuzone – grondwaterbescherming Venloschol’ toegekend om diepe boringen zonder de daarvoor noodzakelijke vergunning te voorkomen. Conclusie Daarmee is er geen strijd met de Omgevingsverordening Limburg 2014. Omgevingsverordening Limburg 2021 Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Deze nieuwe Omgevingsverordening Limburg (2021) is op 16 december 2021 door Provinciale Staten vastgesteld.

De Omgevingsverordening Limburg 2021 treedt in werking met ingang van de Omgevingswet op 01-01-2024. Het betreft hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014, maar er staan enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers. Deze nieuwe en gewijzigde onderdelen vinden hun oorsprong in de Omgevingsvisie Limburg (POVI). Onderhavig planvoornemen heeft enkel relatie met onderwerp wonen. De gewijzigde regels ten aanzien van het onderwerp wonen zien vooral toe op het toevoegen van de nieuwe woningen aan de bestaande planvoorraad. Onderhavig planvoornemen ziet niet toe op het toevoegen van een nieuwe woning. Derhalve zullen de regels van de nieuwe omgevingsverordening nagenoeg volledig (beleidsneutrale omzetting) overeenkomen met de huidige regels uit de omgevingsverordening. Reeds in de voorgaande paragraaf is gemotiveerd dat het plan aan deze regels voldoet.

Vastgesteld

15

Conclusie Daarmee is het planvoornemen dan ook passend binnen de nieuwe omgevingsverordening. Regeling provinciale aankoop veehouderijen nabij natuurgebieden Om de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden te laten dalen, zijn en worden veel maatregelen getroffen. Een van deze maatregelen is de ‘Regeling provinciale aankoop veehouderijen nabij natuurgebieden’, hierna Regeling. De stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura2000-gebieden in Nederland moet omlaag, daarvoor zijn stikstofreductiedoelen vastgelegd in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering. De Regeling draagt daaraan bij door het aankopen en definitief beëindigen van veehouderijen nabij stikstofgevoelige en overbelaste Natura2000-gebieden. Daarbij is sprake van een gerichte opkoop, de zogeheten ‘piekbelasters’. Deelname aan de Regeling is geheel vrijwillig. Conclusie De met de Regeling beoogde stikstofreductie draagt bij aan het verlagen van de ‘stikstofdeken’ over Nederland. Initiatiefnemer is deelnemer aan de Regeling en draagt op die manier dus bij aan het verlagen van de ‘stikstofdeken’ en het behalen van de stikstofreductiedoelen. Onderhavig bestemmingsplan borgt dat het uitgesloten is dat zich in de toekomst nog veehouderijactiviteiten op deze locatie kunnen plaatsvinden. Dit betreft een van de voorwaarden die gesteld wordt bij deelname aan de Regeling.

4.3 Regionaal beleid Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 De regionale woonvisie is opgesteld om richting te geven aan het woonbeleid voor de komende vier jaar. In de visie wordt nadrukkelijker de link tussen de bevolkingssamenstelling en de bestaande woningvoorraad gelegd. Een van de centrale opgaven is het aanpakken van de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Bij nieuwbouw dient bij voorkeur ingezet te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten. De huishoudprognose van E’til (Progneff) dient als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter is de kwalitatieve toets leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. In de regio zijn uitgangspunten geformuleerd, waaraan alle bouwplannen moeten voldoen die binnen de kwalitatieve richtlijn vallen.

Deze regionale uitgangspunten omvatten de navolgende punten: • Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen; • Gekeken dient te worden naar koppelkansen; • Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot; • Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte; • De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na; • Er wordt gezocht naar aansluiting op de landelijke, regionale en lokale duurzaamheidsdoelen. Conclusie Beide aanwezige bedrijfswoningen worden als dusdanig in stand gehouden. Het plan is dan ook niet in strijd met de regionale woonvisie.

Vastgesteld

16

4.4 Gemeentelijk beleid Strategische visie, Venlo 2040 In de Strategische visie, Venlo 2040 zijn nieuwe opgaven toegevoegd zoals (de voortgaande) digitalisering, duurzaamheid, energie en klimaat. De gemeente Venlo heeft een strategische koers waarin een toekomst met een (bescheiden) bevolkingsgroei en een sterke Europese oriëntatie centraal staan. Daarin staan een aantal thema’s centraal: - Gezondste regio; In 2040 leven we gemiddeld genomen langer en gezonder. De ambitie om de Gezondste regio te zijn heeft geleid tot een breed aanbod aan economische activiteiten die hieraan invulling geven. Onze vrijetijdseconomie heeft mede daardoor een stevige impuls gekregen. - Een (t)huis om van te houden; In 2040, over pakweg 20 jaar, zal veel nog hetzelfde zijn. Er zullen echter ook een aantal zaken nieuw zijn of wezenlijk veranderd. Onze huidige hoofdopgaven zijn naar verwachting nog steeds dezelfde. Een gebalanceerde bevolking, draagvlak voor voorzieningen, kennisontwikkeling en verdienmodellen en een samenleving die, soms met wat begeleiding, zelf zaken oppakt en organiseert. - Ruimte voor ontwikkeling; De binnenstad is groener geworden, historische waterlopen zijn waar mogelijk opnieuw zichtbaar gemaakt. Dat moest ook wel.

De klimaatopgave, in de vorm van warmere zomers en hevige en overvloedige regen, maar ook de veranderende functies in dit gebied maakten dat we de versteende omgeving moesten transformeren tot een aantrekkelijk woon- en verblijfsgebied waar oude historische structuren zichtbaar en/of beleefbaar zijn gemaakt. Om dus tussen ‘noodzakelijk steen’, het groen te versterken. - Werken in Venlo; Van een wat grijze grensgemeente zijn we in 2040 een vitaal onderdeel geworden van het Europees economisch kerngebied, oftewel de blauwe banaan, de economische ruggengraat van Europa die zich vanuit Manchester, de Randstad, de Vlaamse Ruit via de Brabantse stedenrij en Düsseldorf uitstrekt tot Milaan. Dit is de geografische as waarop Europa in 2040 zijn boterham verdient en waarlangs de belangrijkste verkeersaders lopen. - Grenzeloos; Wat niet zal zijn veranderd, is onze ligging aan de Duitse grens. Echt grenzeloos zijn we (nog) niet geworden als grensgemeente, midden in Europa nabij een aantal grote Duitse steden. Wat in 2040 wel is veranderd, is het (relatieve) gemak waarmee we over en weer aan beide zijden van de grens gebruik maken van elkaars kwaliteiten en profiteren van elkaars aanwezigheid. - Rol van de gemeente; We zijn in gesprek met onze inwoners en hebben veel geïnvesteerd in een (ver-) nieuw(d)e relatie tussen gemeentebestuur en inwoners.

We hebben leren kijken en geleerd onderscheid te maken tussen de verschillende vormen die er bestaan tussen loslaten enerzijds en overnemen anderzijds. Deze houding heeft bijgedragen aan de groei van het vertrouwen in de overheid. Voor wat betreft het thema wonen is het volgende opgenomen: er wordt ingezet op bescheiden groei van het aantal inwoners. Woningbouw vindt vooral plaats binnen de huidige stedelijke contouren. De woningvoorraad zal een kwaliteitsslag moeten maken gelet op de noodzakelijke verduurzaming. Verder wordt, niet alleen in binnenstedelijk gebied maar ook daarbuiten, ingezet op ‘ontstening’ van het landschap waaronder natuurlijke infiltratie van regenwater en het waar mogelijk ontstenen en vergroenen van de openbare ruimte. Onderhavig planvoornemen draagt bij aan een ontstening van het buitengebied doordat het bouwvlak in de beoogde situatie kleiner is dan de huidige omvang van het bouwvlak. Per saldo is dus sprake van een afname van bebouwingsmogelijkheden. Daarnaast wordt door realisatie van een landschappelijk

Vastgesteld

17

inpassingsplan het plangebied voorzien van een groen kader. Voor wat betreft woningbouw geldt dat enkel sprake is van het behoud van twee bestaande bedrijfswoningen, er is dus geen sprake van het toevoegen van een nieuwe woning. Conclusie Het planvoornemen is dan ook passend binnen de uitgangspunten zoals opgenomen in de Strategische visie, Venlo 2040. Ruimtelijke Structuurvisie 2014 De Ruimtelijke Structuurvisie 2014 (RSV) is op 25 juni 2014 door de gemeenteraad vastgesteld. De structuurvisie geeft de hoofdlijn aan van het ruimtelijk beleid voor de gemeente Venlo en is een uitwerking van het ruimtelijk domein uit de Visie Venlo 2030. Dit is de nieuwe structuurvisie voor héél Venlo, zowel stad als land, kijkend tot 2030. Na de vaststelling geldt deze structuurvisie als kaderstellend voor alle ruimtelijke initiatieven in de gemeente Venlo. De ruimtelijke structuurvisie is verdeeld in 5 thema’s: 1. Drukte in het ommeland: het contrast tussen buitengebied en stedelijk gebied verscherpen door het buitengebied ook daadwerkelijk als buitengebied te behandelen. Dit betekent het combineren van meerdere functies, zoals landbouw, recreatie, waterberging en natuurontwikkeling; 2. Ruimte in de stad: het contrast tussen buitengebied en stedelijk gebied door de beschikbare ruimte in bestaand stedelijk gebied maximaal te benutten; 3.

Leven met de Maas: ruimte geven aan de rivier en haar beken om te anticiperen op klimaatverandering; 4. Voorzieningen op maat: zorgen voor vitale en toekomstbestendige voorzieningenclusters die aansluiten bij de reële behoefte van de samenleving; 5. Robuuste structuren: werken aan een weerbare infrastructuur voor personen- en goederenvervoer. Daarnaast vraagt het gebruik van de ondergrond en het opwekken van schone energie steeds meer aandacht. Daarnaast wordt uitgegaan van 3 basisprincipes of wel aandachtspunten die van toepassing zijn op elk ruimtelijk initiatief. Dit betekent in feite dat een initiatief als kansrijk wordt beschouwd als: - Het de uitgangspunten van Cradle to Cradle (C2C) als uitgangspunt hanteert; - De vraag wordt gesteld wat het betrekken van (Duitse) regiogemeenten kan betekenen; - Het zelf georganiseerd draagvlak geniet. Het contrast tussen het stedelijk gebied en buitengebied wordt kleiner. En dat is jammer, omdat dit een minder afwisselende en daardoor minder aantrekkelijke gemeente oplevert. Het bestaande bebouwde gebied van stad en dorpen biedt ruim voldoende capaciteit voor de toekomstige ruimtevraag voor stedelijke functies. In het buitengebied is de druk op de ruimte juist hoger geworden. Met de structuurvisie wil de gemeente Venlo het contrast tussen stad en land weer versterken.

In het buitengebied streeft de gemeente Venlo naar een grote diversiteit. Dit vraagt om het combineren van meerdere functies in het buitengebied, maar ook om zuinig ruimtegebruik en zuinig zijn op landbouwgrond. Grote winnaars zijn de kwaliteit van het landschap en de beleving van haar gebruikers. Aan bestaande bedrijven in het buitengebied worden kansen geboden om zich door te ontwikkelen, waarbij de nadruk ligt op innovatie en verduurzaming. In het buitengebied gaat de gemeente zeer terughoudend om met het toestaan van functies die eigenlijk in de stad thuishoren.

Vastgesteld

18

In het stedelijk gebied streeft de gemeente naar het maximaal benutten van de bestaande beschikbare ruimte, juist niet om een uitbreiding daarvan. In het stedelijk gebied is door tijdelijk gebruik, hergebruik, multifunctioneel gebruik en slim slopen nog voldoende ruimte aanwezig of te creëren om nieuwe initiatieven een plaats te geven. Op basis van de RSV is het plangebied gelegen in het buitengebied en aangeduid als ‘cultuurlandschap’ aan de rand van een glastuinbouwconcentratiegebied. Ontwikkelingen in het cultuurlandschap dienen bij te dragen aan een goede balans tussen agrarische productie, natuur, water, recreatie en cultuurhistorie. Verval en verloedering van het buitengebied is niet wenselijk. Van voormalige bedrijfswoningen die worden bewoond door derden, maar waarvan de bedrijfsvoering niet is beëindigd, staan we reguliere bewoning toe. Dit in aansluiting op de Wet Plattelandswoningen en de gemeentelijke beleidsregel ‘Plattelandswoning’. Als het bedrijf wel is beëindigd en de milieuvergunning ingeleverd, is het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning toegestaan. Voorwaardelijk hierbij dat de woning niet gelegen is in een glastuinbouwconcentratiegebied, het bestaande bedrijven niet hindert in de bedrijfsvoering en geen nieuwe óf extra stedelijke functie worden toegevoegd.

Afbeelding 7. Uitsnede structuurkaart, plangebied rood omcirkeld

Onderhavig planvoornemen behelst het definitief beëindigen van een agrarische veehouderijlocatie, waarbij de akkerbouwtak voortgezet wordt en aangevuld wordt met een paardenhouderij welke in hoofdzaak gericht is op het africhten, trainen en/of berijden van paarden. Beide aanwezige bedrijfswoning worden daarbij in stand gehouden. De locatie is niet gelegen binnen een glastuinbouwconcentratiegebied. Door nieuwe bedrijfsactiviteiten toe te staan wordt verloedering van het buitengebied tegengaan. Er is geen sprake van het toevoegen van een nieuwe of extra stedelijke functie in het buitengebied. Verder wordt in hoofdstuk 5 van deze toelichting gemotiveerd dat het plan omliggende bestaande bedrijven niet hindert in haar bedrijfsvoering.

Vastgesteld

19

Conclusie Het planvoornemen is dan ook passend binnen de uitgangspunten van de RSV. Woonvisie 2021-2026 Op 29 september 2021 heeft de gemeenteraad van Venlo de Woonvisie 2021-2026 vastgesteld. Met de woonvisie wordt koers gegeven aan het woonbeleid voor de komende vijf jaar. De hoofdthema’s zijn: 1. Een robuuste woningvoorraad; 2. Beschikbaarheid en betaalbaarheid; 3. Wonen en zorg. Bij de hoofdthema’s zijn doelstellingen op hoofdlijnen geformuleerd. Dit geeft enerzijds flexibiliteit en ruimte om in te spelen op ontwikkelingen die nu nog niet zijn voorzien of op goede ideeën vanuit de samenleving en de markt. Anderzijds geeft deze visie voldoende duidelijkheid en richting, zodat onze partners weten wat ze van de gemeente Venlo mogen verwachten. Bij de doelstellingen wordt uitgegaan van drie ordenende principes: versnellen, verbinden en vernieuwen: • Versnellen Waar mogelijk worden kansen gepakt om opgaven versneld op te pakken. • Verbinden Wonen staat niet op zichzelf, daarom wordt de verbinding met andere beleidsterreinen gezocht, maar ook met andere opgaven en vraagstukken- wonen kan hierin een deel van de oplossing vormen. • Vernieuwen Hiermee wordt bedoeld dat we open staan voor nieuwe initiatieven, woonvormen en instrumenten om knelpunten binnen het wonen op te lossen. Conclusie Onderhavig plan leidt enkel tot het behoud van twee reeds bestaande bedrijfswoningen.

Het plan is niet in strijd met de woonvisie 2021-2026. Bestemmingsplan “Buitengebied” Het plangebied valt thans onder de werking van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de voormalige gemeente Arcen en Velden, thans gemeente Venlo, zoals vastgesteld op 28 mei 2009. De locatie heeft daarbinnen de enkelbestemming ‘Agrarische bedrijfsdoeleinden’ met de functieaanduiding ‘G’ en de aanduiding ‘2BW’. De als dusdanig bestemde gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf, waarbij twee bedrijfswoningen zijn toegestaan. Een grondgebonden agrarisch bedrijf betreft een bedrijf, waarvan de productie geheel of overwegend afhankelijk is van het voortbrengingsvermogen van de grond. Een melkveebedrijf met akkerbouwtak wordt beschouwd als een grondgebonden bedrijf. Het vigerende bouwvlak heeft een oppervlakte van circa 18.500 m2. Alle bedrijfsgebouwen en voorzieningen zijn thans binnen het vigerende bouwvlak gelegen. Het huidige gebruik is dan ook passend binnen het vigerende bestemmingsplan. De beoogde wijzigingen zijn niet passend binnen het vigerende bestemmingsplan. Het veranderen van bouwvlak en de daarbinnen beoogde paardenhouderijactiviteiten zijn niet passend binnen het huidige bestemmingsplan. Daarmee is sprake van strijdigheid met het bestemmingsplan.

Door het uitwerken van een nieuw postzegelbestemmingsplan wordt de beoogde situatie juridisch-planologisch vastgelegd waardoor deze daarna wel toegestaan is. In onderhavige toelichting wordt gemotiveerd dat bij deze wijzigingen sprake is van een goede ruimtelijke ordening en dat de wijzigingen passend zijn binnen de daarvoor geldende beleidskaders.

Vastgesteld

20

Voor de vormverandering van het bouwvlak is in het vigerende bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen in artikel 25, lid 2. Voor de volledigheid zal aan deze bevoegdheid getoetst worden. Lid 2 ziet toe op vergroting c.q. vormverandering van een agrarisch bouwvlak. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, gehoord de AAB, de bestemming 'Agrarisch gebied', ‘Agrarisch gebied met natuurwaarden’ en ‘Agrarisch gebied met landschappelijke waarden’, te wijzigen in de bestemming ‘agrarische bedrijfsdoeleinden’ indien vergroting alleen kan plaats vinden op de betreffende gronden en nodig is ten behoeve van het vergroten van een tot agrarische bedrijfsdoeleinden bestemd bebouwingsvlak mits: 1. de wijziging nodig is in verband met een voorgenomen uitbreiding van het op het te vergroten bebouwingsoppervlak gevestigde agrarische bedrijf; Het behelst geen uitbreiding, enkel een verkleining met vormverandering om tot een couranter bouwvlak te komen. 2. de wijziging nodig is in verband met een vanwege bedrijfseconomische dan wel vanwege andere zwaarwegende bedrijfsomstandigheden ter plaatse noodzakelijke uitbreiding van het onder a. bedoelde agrarisch bedrijf; Het behelst geen uitbreiding, enkel een verkleining met vormverandering om tot een couranter bouwvlak te komen. 3.

de oppervlakte van het bebouwingsoppervlak op de bestemming agrarische bedrijfsdoeleinden na wijziging niet meer dan 1,5 ha. (voor glastuinbouw 3 ha en voor glastuinbouwbedrijven in de directe nabijheid van het op de plankaart aangegeven glastuinbouwgebied 5 ha.) zal bedragen. Van deze maten kan slechts worden afgeweken indien door toepassing van BOM+ de omgevingskwaliteit ten minste evenredig wordt vergroot; De oppervlakte van het nieuwe, gewijzigde, agrarische bouwvlak bedraagt 13.512 m 2. Daarmee wordt het maximum van 1,5 hectare niet overschreden. 4. er is voldaan aan de eisen die zijn gesteld in de POLuitwerking BOM+. Hieraan wordt voldaan, daartoe is onder andere een landschappelijk inpassingsplan uitgewerkt. Voor de locatie Straelseweg 38-40 te Velden gelden daarnaast ook nog de volgende bestemmingsplannen die van toepassing zijn. Behalve het vigerend bestemmingsplan, “Buitengebied” zoals vastgesteld op 28 mei 2009, gelden ook de volgende plannen: - Parapluplan plattelandswoningen Venlo, vastgesteld 21 december 2016 o Doel van dit parapluplan is om te komen tot een partiële herziening van de bestemmingsplannen in de gemeente Venlo die agrarische bedrijfswoningen mogelijk maken. In deze bestemmingsplannen is het gebruik van agrarische bedrijfswoningen als burgerwoning op dit moment niet toegestaan.

Middels deze partiële herziening worden deze plannen zodanig aangepast dat het gebruik van agrarische bedrijfswoningen door derden die geen functionele binding hebben met het agrarisch bedrijf waar de woning bij hoort, is toegestaan. Aangezien in de beoogde situatie beide woningen een agrarische bedrijfswoning blijven, is dit parapluplan, evenals de bijbehorende planregels, van toepassing op onderhavig initiatief. Derhalve is in de planregels, daar waar van toepassing, aangesloten bij de planregels zoals die in dit parapluplan uitgewerkt zijn. Daarmee wordt aangesloten bij de gemeentelijke systematiek. - Paraplubestemmingsplan kamerbewoning | analoge bestemmingsplannen, vastgesteld 25 november 2020 o Het parapluplan voorziet in één eenduidige regeling voor het toestaan van kamerbewoning aan maximaal 2 personen met betrekking tot de bestemming wonen om zo meer grip te krijgen op overbewoning en daarmee op leefbaarheid in de wijken. Aangezien in de beoogde situatie geen sprake is van de bestemming wonen is dit

Vastgesteld

21

parapluplan, evenals de bijbehorende planregels, niet van toepassing op onderhavig initiatief.

Vastgesteld

22

5. RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN Dit hoofdstuk bevat een inventarisatie van de verschillende omgevingsaspecten die van invloed zijn op het realiseren van het ruimtelijk beleid. Daarbij komen onder meer de volgende aspecten aan de orde: milieu (geluid, bodem, bedrijfshinder en zonering, luchtkwaliteit), waterhuishouding (riolering en watertoets), externe veiligheid, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en vervoer, kabels, leidingen en overige belemmeringen, alsmede natuur en landschap.

5.1 Milieu 5.1.1 Geluid Een ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Beide bedrijfswoningen Straelseweg 38 en 40 betreffen in de huidige situatie reeds geluidgevoelige objecten. In beide gevallen is geen sprake van het realiseren van nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden voor een geluidgevoelige functie. In de bestaande én nieuwe situatie is sprake van de activiteit wonen. Ook de huisvesting voor ruiters, grooms en/of stagiairs betreft geen nieuwe geluidgevoelige functie (een logiesfunctie is niet geluidgevoelig). Een akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting vanwege spooren/of wegverkeer of industrielawaai is derhalve niet noodzakelijk. Voor een toetsing van geluidbelasting van omliggende bedrijven wordt verwezen naar paragraaf 5.1.5. Het aspect geluid vormt geen beperking voor onderhavig planvoornemen. 5.1.2 Lucht Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm).

Heersende luchtkwaliteit In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is. Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per kmvak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM is de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 8,5 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 14,8 µg/m³ en is de concentratie stikstofdioxide (NO2) 11,9 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³ en voor PM10 40 µg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor het beoogde gebruik.

Vastgesteld

23

Effect op luchtkwaliteit De AMvB ‘NIBM’ legt vast, wanneer een ruimtelijke ontwikkeling niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel ‘niet in betekende mate’ is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uit gegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een ontwikkeling NIBM, als aannemelijk is dat de ontwikkeling een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Door het gewijzigd voortzetten van het agrarische bedrijf zal geen sprake zijn van toename van PM10 of NO2.

Voor wat betreft de akkerbouwtak geldt namelijk dat deze in de huidige vorm voortgezet wordt, deze leidt dus niet tot extra bedrijfsactiviteiten en/of verkeersbewegingen. Voor wat betreft de paardenhouderijactiviteiten geldt dat het houden van circa 30-40 paarden in de beoogde situatie tot aanzienlijk minder emissie van PM10 of NO2 zal leiden dan het houden van 200 melkkoeien en 140 stuks jongvee zoals dat in de huidige situatie plaatsvindt. Daarmee zullen de beoogde wijzigingen voor het agrarische bedrijf per saldo NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit. Het aspect lucht vormt geen beperking voor onderhavig planvoornemen. 5.1.3 Bodem- en grondwaterkwaliteit In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient aangegeven te worden of de plaatselijke bodemkwaliteit geschikt is voor de bestemmingswijziging. Voor onderhavige locatie is derhalve een vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 2, om inzicht te geven in de bodemkwaliteit. Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek blijkt dat er twee verdachte deellocaties aanwezig zijn. Dit betreffen de onverharde druppelzones van de twee meest zuidelijk gelegen stallen. Het overige deel van de locatie wordt beoordeeld als ‘onverdacht’ op het voorkomen van bodemverontreiniging. Conform het meersporenbeleid zijn de verdachte locaties aanvullend onderzocht.

Uit dit aanvullend onderzoek blijkt dat ter plaatse deellocatie A (druppelzone stal 1) de hypothese ‘asbestverdachte locatie’ kan vervallen. In zowel de grove als in de fijne fractie is geen asbest aangetoond en ook geen verhoogd gehalte PCB aangetroffen. Ter plaatse van deellocatie B (druppelzone stal 2) is in de fijne fractie asbest aangetoond, de hypothese ‘asbestverdachte locatie’ blijft derhalve in stand. Het gehalte asbest overschrijdt de grenswaarde c.q. de norm voor nader bodemonderzoek echter niet. Ook is een lichte verontreiniging met PCB aangetoond, maar ook deze overschrijdt de norm niet. Vanwege het feit dat de grenswaarde c.q. de helft van de interventiewaarde voor zowel PCB als asbest niet overschreden wordt, is aanvullend/nader onderzoek niet noodzakelijk. Indien bij de sloop, nieuwbouw of de herinrichting van het terrein grond wordt geroerd, verplaatst, opgebracht en/of van de locatie wordt aan-/afgevoerd dan dient rekening te worden gehouden met de Wet bodembescherming en/of het Besluit bodemkwaliteit.

Vastgesteld

24

Het aspect bodem vormt daarmee geen beperking voor onderhavig planvoornemen. 5.1.4 Externe veiligheid Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport. In de volgende AMvB’s, Ministeriële Regelingen en circulaires zijn risiconormen en/of veiligheidsafstanden opgenomen die relevant zijn voor externe veiligheid bij het vaststellen van een ruimtelijk besluit: − Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) − Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) − Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) − Het Activiteitenbesluit milieubeheer − Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations − Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik − Beleidsplan Externe Veiligheid Venlo 2012-2015 − Planologisch toetsingskader emplacement Venlo Op 25 januari 2012 heeft de veiligheidsregio gemeente Venlo het 'Beleidsplan Externe Veiligheid Venlo 2012-2015’ vastgesteld. Externe veiligheid is geen op zichzelf staand thema maar een integraal onderdeel van het gemeentelijk beleid. Het verbindt de domeinen fysieke omgeving, risicobronnen en mogelijkheden tot beheersbaarheid.

Bij het maken van afwegingen over het gebruik van de ruimte gaat het om het vinden van een goede balans tussen deze domeinen. In het algemeen geldt dat naarmate de afstand tussen een risicobron en de bebouwde omgeving groter is, het risico lager is. Afstand houden is daarom zinvol, maar binnen de stedelijke context erg lastig; de stad is immers behoorlijk vol gebouwd en de vraag naar ontwikkelingsruimte is groot. De insteek van dit beleidsplan is om de schaarse (industrie)grond maximaal te benutten maar met minimale risico’s, waarbij externe veiligheid goed is ingebed in het gemeentelijk planproces. Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Daarbij gaat het enerzijds om de risico’s verbonden aan ‘risicovolle inrichtingen’, waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en anderzijds om het ‘vervoer van gevaarlijke stoffen’ via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen. Ook aan hoogspanningsleidingen zijn externe veiligheidsrisico’s verbonden. Het is een beleidsterrein dat niet alleen gevolgen heeft voor het milieu en de rampenbestrijding, maar vaak ook voor de ruimtelijke ordening. Om voldoende ruimte te scheppen tussen risicobron en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/313/documents/20393