CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

080 Bijl20 Regels.pdf

Raadsvergadering 25 september 2024, gemeente VenloBij agendapunt: 6.5: Vaststellen bestemmingsplan Dijkversterking -verlegging Arcen (RV080)20.920 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

28

9.6

Afwijken van de gebruiksregels

9.6.1 Kamerverhuurbedrijf Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van hetgeen in dit bestemmingsplan is bepaald ten aanzien van kamerbewoning, ten behoeve van een kamerverhuurbedrijf en zo kamergewijze bewoning voor meer dan 2 personen per woning toestaan, mits in het kader van een goed woon- een leefklimaat: a. per kamer wordt voorzien in voldoende gebruiks- en leefoppervlakte; b. wordt voorzien in voldoende stallingsruimte voor fietsen en wordt voorzien in voldoende bergruimte voor het opslaan van huishoudelijk afval; c. wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Indien niet op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien, dient te worden aangetoond dat elders in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien; d. het gebruik geen overlast voor het woonmilieu oplevert en geen onevenredige afbreuk doet aan het woonkarakter van de wijk of buurt; Bij de beoordeling of wordt voldaan aan de onder a tot en met d beschreven voorwaarden wordt getoetst aan de 'Beleidsregel kamerverhuur, woningsplitsing en woningomzetting Venlo 2020' als vastgesteld door burgemeester en wethouders van Venlo op 18 februari 2020, met dien verstande dat wanneer deze beleidsregel wordt herzien, aanvragen worden getoetst aan de geldende beleidsregel ten tijde van het indienen van de aanvraag.

9.6.2 Functiewijziging Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 9.1 onder b tot en met f ten behoeve van een andere functie dan toegestaan ter plaatse van de betreffende aanduiding, mits: a. functiewijziging plaatsvindt naar de functie detailhandel, horeca, kantoren of maatschappelijke voorzieningen; b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van omliggende percelen; c. de functiewijziging geen nadelige invloed heeft op de normale afwikkeling van het verkeer en geen onvenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaakt; d. de verkoopvloeroppervlakte bij functiewijziging naar detailhandel niet meer dan 100 m2 mag bedragen, tenzij is aangetoond dat een grotere oppervlakte niet leidt tot verstoring van de distributieplanologische structuur; e. de vloeroppervlakte bij functiewijziging naar kantoren niet meer dan 100 m2 mag bedragen.

9.6.3 Bed and breakfast Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de regels ten behoeve van een bed and breakfast, mits: a. de woonfunctie als hoofdfunctie behouden blijft; b. het gebruik geen hinder voor het woonmilieu oplevert en geen onevenredige afbreuk doet aan het woonkarakter van de wijk of buurt; c. het gebruik geen belemmering voor de omliggende bedrijven oplevert; d. het gebruik naar de aard met het woonkarakter van de omgeving in overeenstemming is; e. degene die de activiteiten in het hoofdgebouw of bijgebouw uitvoert, tevens de gebruiker van het hoofdgebouw is; f. er geen duurzame ontwrichting van de evenwichtige opbouwvan de voorzieningenstructuur ontstaat; g. het niet zodanig verkeersaantrekkende activiteiten betreft die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van verkeer; h. wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein; i. de bed and breakfast-voorziening in bestaande bebouwing wordt gerealiseerd; j. de vloeroppervlakte die in gebruik is ten behoeve van de bed and breakfast niet meer bedraagt dan 40% van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw en de bijgebouwen, met een maximum van 60 m²;

29

Artikel 10 10.1

Groen Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groenvoorzieningen; b. speelvoorzieningen; c. bermen en beplanting; d. waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen en waterpartijen, alsmede waterbergings- en infiltratievoorzieningen; e. ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden': tevens voor de instandhouding en bescherming van de cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en (groene) inrichting van de gronden; f. primaire waterkering. met daaraan ondergeschikt: g. paden; h. verhardingen; i. parkeervoorzieningen; j. hondenuitlaatplaatsen; k. kunstwerken; met de daarbijbehorende: l. voorzieningen van algemeen nut.

10.2

Bouwregels

10.2.1 Gebouwen Op deze gronden worden geen gebouwen gebouwd, met uitzondering van: a. gebouwen ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut, waarvoor de volgende regels gelden: b. de oppervlakte van een gebouw bedraagt niet meer dan 15 m²; c. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 3 m.

10.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. bouwwerken ten behoeve van de primaire waterkering zijn toegestaan; b. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag maximaal 5 m bedragen. c. overkappingen zijn niet toegestaan; d. in afwijking van het bepaalde onder b bedraagt de hoogte van lichtmasten niet meer dan 6 m.

10.3

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing: a. ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; c. ter waarborging van een goede milieusituatie; d. ter waarborging van de verkeersveiligheid; e. ter waarborging van de sociale veiligheid; f. ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding; g. met betrekking tot de in het kader van waterhuishoudkundige voorzieningen alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen te nemen maatregelen ter voorkoming van overlast van hemelwater tengevolge van nieuw op te richten bebouwing en/of aan te brengen oppervlakteverharding.

10.4

Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gebouwen en gronden voor: a. standplaats voor kampeermiddelen; b. opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de

30

c.

bestemming gerichte gebruik van de grond; het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste en vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond.

31

Artikel 11 11.1

Horeca Bestemmingsomschrijving

De voor 'Horeca' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. horecabedrijven in horecacategorie 2 en 3 alsmede een zalencentrum/ zaalverhuur; b. waterhuishoudkundige voorzieningen, alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen; c. primaire waterkering; met daaraan ondergeschikt: d. wegen en paden; e. groenvoorzieningen; f. parkeervoorzieningen.

11.2

Bouwregels

11.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. een gebouw wordt uitsluitend binnen een bouwvlak gebouwd; b. het bouwvlak mag volledig worden bebouwd; c. de goot- en bouwhoogte bedragen niet meer dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven.

11.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. bouwwerken ten behoeve van de primaire waterkering zijn toegestaan; b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt niet meer dan 2 m, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan niet meer dan 1 m bedraagt; c. de bouwhoogte van een overkapping bedraagt niet meer dan 3 m, met dien verstande dat slechts 1 overkapping per bouwperceel wordt gerealiseerd, de oppervlakte niet meer dan 30 m² bedraagt en deze achter de naar de weg gekeerde gevel wordt opgericht; d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 3 m.

11.3

Nadere eisen

11.3.1 Algemeen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing: a. ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; c. ter waarborging van een goede milieusituatie; d. ter waarborging van de verkeersveiligheid; e. ter waarborging van de sociale veiligheid; f. ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding; g. met betrekking tot de in het kader van waterhuishoudkundige voorzieningen alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen te nemen maatregelen ter voorkoming van overlast van hemelwater tengevolge van nieuw op te richten bebouwing en/of aan te brengen oppervlakteverharding.

11.3.2 Externe veiligheid Burgemeester en wethouders kunnen in verband met het respecteren van het groepsrisico in het kader van externe veiligheid nadere eisen stellen inzake: a. het uitvoeren van gebouwen met preventief lekwerende middelen om deuren/ramen, ventilatiekanalen en schoorsteenkanalen zoveel mogelijk lekdicht te kunnen afsluiten; b. het voorzien van gebouwen van brandwerende gevels en ramen; c. het aanbrengen van beglazing aan gebouwen, zodanig uitgevoerd dat scherfwerking wordt voorkomen; d. de situering van de (nood)uitgangen van gebouwen; e. het aanbrengen van gevelornamenten aan gebouwen;

32

f. g. h. i.

het binnen een gebouw situeren van minder zelfredzame personen; het creëren van vluchtwegen; de centrale ventilatie; het alarmeringssysteem.

11.4

Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 11.2.1 onder a en kan worden toegestaan dat gebouwen buiten het bouwvlak worden gebouwd, mits: a. de oppervlakte van gebouwen buiten het bouwvlak niet meer bedraagt dan 10% van de oppervlakte van het bouwvlak per bouwperceel; b. de afstand tot de perceelgrens niet minder dan 3 m bedraagt; c. de bouwhoogte niet meer dan 4 m bedraagt.

11.5

Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gebouwen en de gronden voor: a. prostitutie en/of seksinrichtingen; b. coffeeshops.

33

Artikel 12 12.1

Natuur Bestemmingsomschrijving

De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. instandhouding, herstel en ontwikkeling van de abiotische, natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden; b. waterhuishoudkundige voorzieningen alsmede waterbergings- en infiltratievoorzieningen; c. primaire waterkering. met daaraan ondergeschikt: d. agrarisch medegebruik; e. instandhouding van het oppervlaktewater; f. extensief recreatief medegebruik; g. paden.

12.2

Bouwregels

12.2.1 Gebouwen Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

12.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. bouwwerken ten behoeve van de primaire waterkering zijn toegestaan; b. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van de bouwwerken ten behoeve van de primaire waterkering, mag maximaal 2 m bedragen.

12.3

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing: a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; c. ter waarborging van een goede milieusituatie; d. ter waarborging van de verkeersveiligheid; e. ter waarborging van de sociale veiligheid; f. ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding; g. met betrekking tot de in het kader van waterhuishoudkundige voorzieningen alsmede waterbergings- en infiltratievoorzieningen te nemen maatregelen ter voorkoming van overlast van hemelwater tengevolge van nieuw op te richten bebouwing en/of aan te brengen oppervlakteverharding.

12.4

Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gebouwen en gronden voor: a. standplaats voor kampeermiddelen; b. het opslaan of bergen van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; c. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste en vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond.

12.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 12.5.1 Verbod Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Natuur' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanleggen of verharden van wegen, paden, banen en andere oppervlakteverhardingen;

34

b. c. d. e.

het veranderen van het huidige maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, egaliseren, afgraven of ophogen; het graven, aanleggen, verbreden, vergroten of dempen van sloten, greppels, watergangen, vijvers of vaarten; het vellen of rooien van houtgewas of het verrichten van werkzaamheden die de dood of ernstige beschadiging van houtgewas tot gevolg kunnen hebben; het bebossen van gronden die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan niet als bos konden worden aangemerkt.

12.5.2 Toegestane werkzaamheden Het in lid 12.5.1vervatte verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

12.5.3 Toelaatbaarheid De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 12.5.1 zijn slechts toelaatbaar, indien hierdoor dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de abiotische, natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden en kwaliteiten van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.

35

Artikel 13 13.1

Recreatie Bestemmingsomschrijving

De voor 'Recreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. dagrecreatieve voorzieningen; b. ter plaatse van de aanduiding 'horeca': horeca als ondergeschikte activiteit; c. waterhuishoudkundige voorzieningen alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen; d. ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden': tevens voor de instandhouding en bescherming van de cultuurhistorisch waardevolle bebouwing; e. primaire waterkering. met daaraan ondergeschikt: f. wegen en paden; g. groenvoorzieningen; h. parkeervoorzieningen.

13.2

Bouwregels

13.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. een gebouw wordt uitsluitend binnen een bouwvlak gebouwd; b. het bouwvlak mag volledig worden bebouwd; c. de goot- en bouwhoogte bedragen niet meer dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven.

13.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. bouwwerken ten behoeve van de primaire waterkering zijn toegestaan; b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt niet meer dan 2 m, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan niet meer dan 1 m bedraagt; c. de bouwhoogte van een overkapping bedraagt niet meer dan 3 m, met dien verstande dat slechts 1 overkapping per bouwperceel wordt gerealiseerd, de oppervlakte niet meer dan 30 m² bedraagt en deze achter de naar de weg gekeerde gevel wordt opgericht; d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van de bouwwerken ten behoeve van de primaire waterkering, bedraagt niet meer dan 3 m.

13.3

Nadere eisen

13.3.1 Algemeen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing: a. ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; c. ter waarborging van een goede milieusituatie; d. ter waarborging van de verkeersveiligheid; e. ter waarborging van de sociale veiligheid; f. ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding; g. met betrekking tot de in het kader van waterhuishoudkundige voorzieningen alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen te nemen maatregelen ter voorkoming van overlast van hemelwater tengevolge van nieuw op te richten bebouwing en/of aan te brengen oppervlakteverharding.

13.3.2 Externe veiligheid Burgemeester en wethouders kunnen in verband met het respecteren van het groepsrisico in het kader van externe veiligheid nadere eisen stellen inzake: a. het uitvoeren van gebouwen met preventief lekwerende middelen om deuren/ramen, ventilatiekanalen en schoorsteenkanalen zoveel mogelijk lekdicht te kunnen afsluiten;

36

b. c. d. e. f. g. h. i.

het voorzien van gebouwen van brandwerende gevels en ramen; het aanbrengen van beglazing aan gebouwen, zodanig uitgevoerd dat scherfwerking wordt voorkomen; de situering van de (nood)uitgangen van gebouwen; het aanbrengen van gevelornamenten aan gebouwen; het binnen een gebouw situeren van minder zelfredzame personen; het creëren van vluchtwegen; de centrale ventilatie; het alarmeringssysteem.

13.4

Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 13.2.1 onder a en kan worden toegestaan dat gebouwen buiten het bouwvlak worden gebouwd, mits: a. de oppervlakte van gebouwen buiten het bouwvlak niet meer bedraagt dan 10% van de oppervlakte van het bouwvlak per bouwperceel; b. de afstand tot de perceelgrens niet minder dan 3 m bedraagt; c. de bouwhoogte niet meer dan 4 m bedraagt.

13.5

Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gebouwen en de gronden voor: a. prostitutie en/of seksinrichtingen; b. coffeeshops.

37

Artikel 14 14.1

Verkeer Bestemmingsomschrijving

De voor Verkeer aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verkeersfunctie; b. voet- en rijwielpaden; c. groenvoorzieningen; d. waterhuishoudkundige voorzieningen, alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen; e. parkeervoorzieningen; met daaraan ondergeschikt: f. bermen en beplanting; g. straatmeubilair; h. kunstwerken; met de daarbij behorende: i. voorzieningen van algemeen nut; j. waterstaatkundige kunstwerken (bruggen, sluizen, waterkeringen, voorzieningen ten behoeve van veerdiensten, aanlegsteigers, kades en dergelijke).

14.2

Bouwregels

14.2.1 Gebouwen Op deze gronden worden geen gebouwen gebouwd, met uitzondering van: a. gebouwen ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut en/of wegbeheer, waarvoor de volgende regels gelden: 1. de oppervlakte van een gebouw bedraagt niet meer dan 15 m²; 2. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 3 m.

14.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. bouwwerken ten behoeve van de primaire waterkering zijn toegestaan; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 5 m; c. overkappingen zijn niet toegestaan; d. in afwijking van het bepaalde onder b bedraagt de bouwhoogte van lichtmasten niet meer dan 12 m.

14.3

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing: a. ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; c. ter waarborging van een goede milieusituatie; d. ter waarborging van de verkeersveiligheid; e. ter waarborging van de sociale veiligheid; f. ter waarborging van de brandveiligheid en rampen bestrijding; g. met betrekking tot de in het kader van waterhuishoudkundige voorzieningen alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen te nemen maatregelen ter voorkoming van overlast van hemelwater ten gevolge van nieuw op te richten bebouwing en/of aan te brengen oppervlakteverharding.

14.4

Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gebouwen en gronden voor: a. standplaats voor kampeermiddelen; b. opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken voorwerpen, c. goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; d. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste en vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover

38

zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond.

39

Artikel 15 15.1

Water Bestemmingsomschrijving

De voor Water aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. waterberging; b. waterhuishouding en ecologische natuurwaarden; c. waterlopen en daarbij behorende oevervoorzieningen; d. kruisingen en overbruggingen ten behoeve van verkeersdoeleinden; met de daarbij behorende: e. waterstaatkundige kunstwerken (bruggen, sluizen, waterkeringen, voorzieningen ten behoeve van veerdiensten, aanlegsteigers, kades en dergelijke).

15.2

Bouwregels

Op de gronden als bedoeld in lid 15.1 mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat de bouwhoogte niet meer dan 3 m mag bedragen.

15.3

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing: a. ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; c. ter waarborging van een goede milieusituatie; d. ter waarborging van de verkeersveiligheid; e. ter waarborging van de sociale veiligheid; f. ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding; g. met betrekking tot de in het kader van waterhuishoudkundige voorzieningen alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen te nemen maatregelen ter voorkoming van overlast van hemelwater tengevolge van nieuw op te richten bebouwing en/of aan te brengen oppervlakteverharding.

15.4

Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden voor: a. standplaats voor kampeermiddelen; b. opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; c. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste en vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond.

40

Artikel 16 16.1

Wonen Bestemmingsomschrijving

De voor Wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen, waaronder tevens begrepen kamerbewoning (maximaal 2 personen per woning); b. ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening': een nutsvoorziening in de vorm van een rioolgemaal; c. aan huis gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis, zoalsvermeld in Bijlage 2 Lijst aan huis gebonden bedrijven; d. tuinen, erven en onbebouwde erven; e. waterhuishoudkundige voorzieningen alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen; f. primaire waterkering. met de daarbijbehorende: g. hoofd- en bijgebouwen, aan- en uitbouwen; h. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

16.2

Bouwregels

16.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen geldt de volgende regel: a. gebouwen worden uitsluitend gebouwd binnen het aangeduide bouwvlak; b. het bebouwingspercentage van het bouwperceel voor hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde (met uitzondering van bouwwerken ten behoeve van de primaire waterkering), welke hoger zijn 1 m gemeten vanaf het aansluitend terrein, bedraagt niet meer dan 65 %; c. het bebouwingspercentage van het bouwperceel voor hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde (met uitzondering van bouwwerken ten behoeve van de primaire waterkering) welke hoger zijn 1 m gemeten vanaf het aansluitend terrein, bedraagt bij gestapelde bebouwing niet meer dan 80 %;

16.2.2 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. toegestaan zijn grondgebonden woningen; gestapelde woningen (boven- benedenwoningen) zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld'; b. de goot- en bouwhoogte bedragen niet meer dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven; c. hoofdgebouwen worden in de voorgevelrooilijn geplaatst; d. de bebouwingsdiepte van het hoofdgebouw bedraagt bij: e. aaneengesloten woningen, met uitzondering van gestapelde bebouwing, niet meer dan 10 m; f. halfvrijstaande woningen niet meer dan 12 m; g. vrijstaande woningen niet meer dan 15 m; h. de afstand van de vrijstaande gevel tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt minimaal 3 m.

16.2.3 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen gelden de volgende regels: a. aan- en uitbouwen en bijgebouwen worden tenminste 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw - of het verlengde daarvan - gebouwd; b. in hoeksituaties worden aan- en uitbouwen en bijgebouwen, aan de perceelszijde van het hoofdgebouw die direct grenst aan de weg, op een afstand van tenminste 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw - of het verlengde daarvan - gebouwd; c. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen - voorzover ze zijn gelegen buiten het maximale bouwvlak van het hoofdgebouw, zoals hiervoor onder 16.2.2 is aangegeven, bedraagt niet meer dan: 1. 70 m² bij een bouwperceel van maximaal 500 m²; 2. 100 m² bij een bouwperceel groter dan 500 m², met dien verstande dat het maximum bebouwingspercentage als bedoeld in lid 16.2.2 sub f en g niet wordt overschreden; d. de goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen niet meer danl 3,3 m bedraagt en de bouwhoogte niet meer dan 6 m bedraagt;

41

e. f.

de bouwhoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen met een plat dak niet meer dan 3,3 m bedraagt; in afwijking van het bepaalde onder a t/m e van dit lid, mogen aan een hoofdgebouw erkers, luifels en dergelijke worden aangebouwd, met een diepte van maximaal 1,5 m, een oppervlakte van maximaal 6 m² en een hoogte van maximaal 0,25 m boven de vloer van de eerste verdieping.

16.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. bouwwerken ten behoeve van de primaire waterkering zijn toegestaan. b. erf en terreinafscheidingen hoger dan 1 m, maar maximaal 2 m, alsmede overkappingen worden tenminste 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw - of in het verlengde daarvan - gebouwd; c. in hoeksituaties worden erf - en terreinafscheidingen hoger dan 1 m alsmede overkappingen, aan de perceelszijde van het hoofdgebouw die direct grenst aan de weg, op een afstand van tenminste 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw - of het verlengde daarvan - gebouwd; d. de bouwhoogte van andere bouwwerken bedraagt niet meer dan 3 m, met uitzondering van: 1. vlaggenmasten, waarvan de hoogte niet meer dan 5 m bedraagt; 2. speeltoestellen, waarvan de hoogte niet meer dan 3,5 m bedraagt; 3. erf- en terreinafscheidingen, waarvan de hoogte niet meer dan 2 m bedraagt. Het hiervoor in 16.2.1 onder c en d aangegeven bebouwingspercentage wordt tengevolge van het oprichten van andere bouwwerken welke hoger zijn dan 1 meter, gemeten vanaf het aansluitend terrein, niet overschreden.

16.3

Nadere eisen

16.3.1 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen stellen ten aanzien van: a. de situering en/of afmetingen van bouwwerken; b. de kapvorm van gebouwen; c. de aanleg en omvang van parkeergelegenheid op eigen terrein; d. de in het kader van waterhuishoudkundige voorzieningen alsmede (ondergrondse) e. waterbergings- en infiltratievoorzieningen te nemen maatregelen ter voorkoming van overlast van hemelwater ten gevolge van nieuw op te richten bebouwing en/of aan te brengen oppervlakteverharding.

16.3.2 Afwegingskader De toepassing van nadere eisen als bedoeld in 24 onder a t/m c door burgemeester en wethouders is gericht zijn op het voorkomen van een onevenredige aantasting van: a. het straat- en bebouwingsbeeld; b. de woonsituatie (wooncomfort kwaliteit woongenot van de directe omgeving); c. de gebruiksmogelijkheden (op eigen terrein en op aangrenzende gronden); d. de milieusituatie; e. de verkeersveiligheid; f. de parkeerruimte op eigen terrein; g. de sociale veiligheid; h. de brandveiligheid.

16.3.3 Externe veiligheid Burgemeester en wethouders kunnen in verband met het respecteren van het groepsrisico in het kader van externe veiligheid nadere eisen stellen inzake: a. het uitvoeren van de gebouwen met preventief lekwerende middelen om deuren/ramen, ventilatiekanalen en schoorsteenkanalen zoveel mogelijk lekdicht te kunnen afsluiten; b. het voorzien van de gebouwen van brandwerende gevels en ramen; c. het aanbrengen van de beglazing aan gebouwen, zodanig uitgevoerd dat scherfwerking wordt voorkomen; d. de situering van de (nood)uitgangen van gebouwen; e. het aanbrengen van gevelornamenten aan gebouwen; f. het binnen een gebouw situeren van minder zelfredzame personen; g. het creëren van vluchtwegen; h. de centrale ventilatie; i. het alarmeringssysteem.

42

16.4

Specifieke gebruiksregels

16.4.1 Strijdig gebruik Tot een gebruik strijdig met deze bestemming wordt in elk geval gerekend het gebruik van: vrijstaande bijgebouwen voor permanente of tijdelijke bewoning; a. woningen voor kamerbewoning voor meer dan 2 personen per woning, tenzij sprake is van een bestaande legale situatie; b. opstallen als kamerverhuurbedrijf; c. opstallen voor bed and breakfast; d. gronden voor de voorgevel bij aaneengesloten woonbebouwing; om te parkeren; e. gronden en bouwwerken ten behoeve van een prostitutie en/of seksinrichtingen; f. gebouwen en gronden ten behoeve van prostitutie en/seksinrichtingen.

16.4.2 Aan huis gebonden beroep en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten aan huis Het uitoefenen van een aan huis gebonden beroep en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten aan huis is toegestaan in combinatie met het wonen, mits: a. het bedrijven betreft welke genoemd zijn in Bijlage 2 Lijst aan huis gebonden alsmede bedrijven welke niet in de lijst zijn vermeld, doch naar het oordeel van burgemeester en wethouders, waar het gaat om de verwachting omtrent te vrezen gevaar, schade of hinder of overlast voor de (woon)omgeving, daarmee gelijk te stellen zijn. De in Bijlage 2 Lijst aan huis gebonden bedrijven genoemde bedrijven vallen onder milieucategorie 1 of 2. Bedrijven in een hogere milieucategorie zijn vanwege de mogelijke hinder voor de omgeving in dit verband niet toegestaan; b. de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft; c. de beroeps- en/of bedrijfsoppervlakte niet meer bedraagt dan 40% van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw en de bijgebouwen, met een maximum van 50 m²; d. de beroeps- en/of bedrijfsactiviteiten hoofdzakelijk door de bewoner(s) van het hoofdgebouw zelf worden uitgeoefend; e. de beroeps- en/of bedrijfsactiviteiten het woon- en leefklimaat niet onevenredig aantasten; f. de woning en de bij de woning behorende bijgebouwen aan het Bouwbesluit c.q. de Bouwverordening blijven voldoen; g.

de beroeps- en/of bedrijfsactiviteiten geen parkeeroverlast voor de directe (woon)omgeving veroorzaken of dat hierdoor geen extra parkeervoorzieningen noodzakelijk zijn; h. geen (overig) gevaar schade, hinder of overlast voor de (woon)omgeving ontstaat; i. geen detailhandel wordt uitgeoefend, met uitzondering van detailhandel die ondergeschikt is aan en verband houdt met de ter plekke uitgeoefende kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten; j. geen horeca-activiteiten worden uitgeoefend; k. geen prostitutiebedrijf, seksinrichting of aanverwante activiteiten op erotisch en/of pornografisch gebied wordt/worden uitgeoefend.

16.5

Afwijken van de gebruiksregels

16.5.1 Kamerverhuurbedrijf Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van hetgeen in dit bestemmingsplan is bepaald ten aanzien van kamerbewoning, ten behoeve van een kamerverhuurbedrijf en zo kamergewijze bewoning voor meer dan 2 personen per woning toestaan, mits in het kader van een goed woon- een leefklimaat: a. per kamer wordt voorzien in voldoende gebruiks- en leefoppervlakte; b. wordt voorzien in voldoende stallingsruimte voor fietsen en wordt voorzien in voldoende bergruimte voor het opslaan van huishoudelijk afval; c. wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Indien niet op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien, dient te worden aangetoond dat elders in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien; d. het gebruik geen overlast voor het woonmilieu oplevert en geen onevenredige afbreuk doet aan het woonkarakter van de wijk of buurt; Bij de beoordeling of wordt voldaan aan de onder a tot en met d beschreven voorwaarden wordt getoetst aan de 'Beleidsregel kamerverhuur, woningsplitsing en woningomzetting Venlo 2020' als vastgesteld door burgemeester en wethouders van Venlo op 18 februari 2020, met dien verstande dat wanneer deze beleidsregel wordt herzien, aanvragen worden getoetst aan de geldende beleidsregel ten tijde van het indienen van de aanvraag.

43

16.5.2 Bed and breakfast Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de regels ten behoeve van een bed and breakfast, mits: a. de woonfunctie als hoofdfunctie behouden blijft; b. het gebruik geen hinder voor het woonmilieu oplevert en geen onevenredige afbreuk doet aan het woonkarakter van de wijk of buurt; c. het gebruik geen belemmering voor de omliggende bedrijven oplevert; d. het gebruik naar de aard met het woonkarakter van de omgeving in overeenstemming is; e. degene die de activiteiten in het hoofdgebouw of bijgebouw uitvoert, tevens de gebruiker van het hoofdgebouw is; f. er geen duurzame ontwrichting van de evenwichtige opbouw van de voorzieningenstructuur ontstaat; g. het niet zodanig verkeersaantrekkende activiteiten betreft die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van verkeer; h. wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein; i. de bed and breakfast-voorziening in bestaande bebouwing wordt gerealiseerd; j. maximaal 40% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw en de daarbij behorende bijgebouwen ten behoeve van een bed and breakfast in gebruik is, zulks met een absoluut maximum van 60 m².

44

Artikel 17 17.1

Leiding - Riool Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Riool' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de aanleg, instandhouding en bescherming van een rioolleiding. Al hetgeen in deze regels omtrent de ondergeschikte bestemmingen binnen het gebied met de bestemming 'Leiding - Riool' is toegestaan, is uitsluitend toelaatbaar indien het, gehoord de leidingbeheerder, verenigbaar is met het belang van de leiding(en).

17.2

Bouwregels

17.2.1 Bouwverbod In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mag binnen de dubbelbestemming 'Leiding - Riool' niet worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze bestemming.

17.2.2 Geen gebouwen Op of in deze gronden worden geen gebouwen gebouwd.

17.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde, geldt dat de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3 m. Op de in lid 17.1 genoemde gronden worden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bedoelde leiding gebouwd.

17.3

Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid17.2 en kan worden toegestaan dat in de andere bestemming gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd, mits: a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de leiding; b. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de betreffende leiding.

17.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 17.4.1 Verbod Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Riool' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanleggen van wegen, paden, banen en andere oppervlakteverhardingen; b. het veranderen van het huidige maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, egaliseren, afgraven of ophogen; c. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen; d. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen; e. diepploegen; f. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving aangegeven en daarmee verband houdende constructies; g. het aanleggen van watergangen of het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen.

17.4.2 Toegestane werkzaamheden Het in lid 17.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

17.4.3 Toelaatbaarheid De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 17.4.1 zijn slechts toelaatbaar, mits: a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de leiding;

45

b.

46

vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder.

Artikel 18 18.1

Waarde - Cultuurhistorie 1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Cultuurhistorie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de in deze gronden voorkomende: a. cultuurhistorische waarden; b. archeologische vindplaatsen. Al hetgeen in deze regels omtrent de ondergeschikte bestemmingen binnen de gebieden met de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie 1' is toegestaan, is uitsluitend toelaatbaar indien, gehoord de gemeentelijke archeoloog en/of de beleidsadviseur monumenten van de gemeente Venlo, het verenigbaar is met het belang van het cultuurhistorisch en archeologisch waardevol gebied.

18.2

Bouwregels

18.2.1 Bouwen Er mag slechts worden gebouwd indien: a. bebouwing mogelijk is krachtens de onderliggende bestemming en; b. de bebouwing aantoonbaar niet leidt tot verstoring van archeologische waarden en/of van cultuurhistorische waarden.

18.2.2 Verstoring archeologisch materiaal en/of cultuurhistorische waarden Geen verstoring van archeologisch materiaal en/of cultuurhistorische waarden in de zin van 18.2.1 onder b vindt plaats indien: a. de ingre(e)p(en) word(t)(en) verricht op minder dan 0,4 m onder het maaiveld; b. het bouwplan of bouwplannen uitsluitend betrekking heeft of hebben op verandering of vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande bebouwde oppervlakte gehandhaafd blijft en de bestaande fundering niet wordt gewijzigd en/of uitgebreid; c. op basis van een archeologisch en/of cultuurhistorisch rapport zoals gesteld in de op het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan geldige Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en het op het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan geldige cultuurhistorische beleid van de gemeente is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische en/of cultuurhistorische waarden (meer) aanwezig zijn.

18.2.3 Voorwaarden archeologische en/of cultuurhistorische verstoring Indien uit het onder lid 18.2.2 onder c bedoelde onderzoek blijkt dat de archeologische en/of cultuurhistorische waarden van de gronden worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische en/of cultuurhistorische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van nader archeologisch onderzoek, waaronder opgravingen conform de op het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan geldende Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties; c. de verplichting de activiteit die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het gebied van archeologische monumentenzorg die voldoet aan de op het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan geldende Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

18.3

Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 18.2.1 indien: a. de archeologische waarden en/of cultuurhistorische waarden niet worden aangetast; b. de nieuwbouw binnen de archeologische waarden en/of cultuurhistorische waarden past dan wel een kwalitatieve bijdrage levert aan de genoemde waarden; c. de archeologische waarden en/of cultuurhistorische waarden van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld tot nihil.

47

18.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 18.4.1 Verboden werkzaamheden Het is verboden op of in gronden welke zijn bestemd als 'Waarde - Cultuurhistorie 1' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het veranderen van het huidige maaiveldniveau door ontginningen, bodem verlagen, egaliseren, afgraven of ophogen; b. het vellen, rooien of aanleggen van diepwortelende beplantingen en/ of bomen, inclusief het verwijderen van stobben; c. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,4 m ten opzichte van het maaiveld, waartoe ook gerekend worden woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage; d. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; e. het uitvoeren van werkzaamheden ter verlaging van de grondwaterstand; f. het graven, aanleggen, verbreden, vergroten of dempen van sloten, greppels, watergangen, vijvers of vaarten;

18.4.2 Toegestane werkzaamheden Het verbod als bedoeld in lid 18.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. betrekking hebbend op normaal onderhoud en beheer; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; d. minder diep reiken dan 0,4 m ten opzichte van het maaiveld en waarbij geen grond blijvend wordt afgevoerd; e. archeologisch onderzoek en/of cultuurhistorisch onderzoek betreffen.

18.4.3 Toelaatbaarheid werken of werkzaamheden De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 18.4.1 zijn slechts toelaatbaar mits: a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van de in lid 18.1 genoemde doeleinden; b. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de archeoloog van de gemeente Venlo.

18.5

Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen in die zin, dat de bestemming 'Waarde Cultuurhistorie 1' (geheel of gedeeltelijk) van de verbeelding wordt verwijderd, als op basis van archeologisch onderzoek, dat voldoet aan de normen van de archeologische beroepsgroep, geen archeologische waarden zijn vastgesteld. Alvorens een wijziging wordt uitgevoerd wordt advies ingewonnen bij de gemeentelijke archeoloog en/of de beleidsadviseur monumenten van de gemeente Venlo.

48

Artikel 19 19.1

Waarde - Cultuurhistorie 2 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Cultuurhistorie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende: a. cultuurhistorische waarden; b. archeologische zeer hoge waarden. Al hetgeen in deze regels omtrent de ondergeschikte bestemmingen binnen de gebieden met de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie 2' is toegestaan, is uitsluitend toelaatbaar indien, gehoord de gemeentelijke archeoloog en/of de beleidsadviseur monumenten van de gemeente Venlo, verenigbaar met het belang van het cultuurhistorisch en archeologisch waardevol gebied.

19.2

Bouwregels

19.2.1 Bouwen Er mag slechts worden gebouwd indien: a. bebouwing mogelijk is krachtens de onderliggende bestemming en; b. het bouwplangebied de oppervlakteondergrens van 100 m² van het betreffende archeologische waardegebied niet overschrijdt. c. bij overschrijding van de onder b bedoelde ondergrens, de bebouwing aantoonbaar niet leidt tot verstoring van archeologische waarden en/of van cultuurhistorische waarden.

19.2.2 Verstoring archeologisch materiaal Geen verstoring van archeologisch materiaal in de zin van lid 19.2.1 onder c vindt plaats indien: a. de ingre(e)p(en) word(t)(en) verricht op minder dan 0,4 m ten opzichte van het maaiveld; b. het bouwplan of bouwplannen uitsluitend betrekking heeft of hebben op verandering of vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande bebouwde oppervlakte gehandhaafd blijft en de bestaande fundering niet wordt gewijzigd en/of uitgebreid; c. op basis van een archeologisch rapport zoals gesteld in de op het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan geldige Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en het op het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan geldige cultuurhistorische beleid van de gemeente is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

19.2.3 Voorwaarden archeologisch verstoring Indien uit het onder lid 19.2.2 onder c bedoelde onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van nader archeologisch onderzoek, waaronder opgravingen conform de op het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan geldende Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties; c. de verplichting de activiteit die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het gebied van archeologische monumentenzorg die voldoet aan de ophet moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan geldende Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

19.2.4 Voorwaarden omgevingsvergunning De regels als bedoeld in lid 19.2.3 kunnen alleen aan de omgevingsvergunning worden verbonden indien: a. de bouwwerkzaamheden plaatsvinden binnen een gebied dat een omvang heeft van minimaal 100 m² en; b. de ingre(e)p(en) word(t)(en) verricht op meer dan 0,4 m onder het maaiveld.

19.3

Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 19.2.1 indien: a. de archeologische waarden en/of cultuurhistorische waarden niet worden aangetast;

49

b. c.

de nieuwbouw binnen de archeologische waarden en/of cultuurhistorische waarden past dan wel een kwalitatieve bijdrage levert aan de genoemde waarden; de archeologische waarden en/of cultuurhistorische waarden van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld tot nihil.

19.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 19.4.1 Verboden werkzaamheden Het is verboden op of in gronden welke zijn bestemd als 'Waarde - Cultuurhistorie 2' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het veranderen van het huidige maaiveldniveau door ontginningen, bodemverlagen, egaliseren, afgraven of ophogen; b. het vellen, rooien of aanleggen van diepwortelende beplantingen en/ of bomen, inclusief het verwijderen van stobben; c. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,4 m ten opzichte van het maaiveld, waartoe ook gerekend wordt woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage; d. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; e. het uitvoeren van werkzaamheden ter verlaging van de grondwaterstand; f. het graven, aanleggen, verbreden, vergroten of dempen van sloten, greppels, watergangen, vijvers of vaarten;

19.4.2 Toegestane werkzaamheden Het verbod als bedoeld in lid 19.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het inwerkingtreding van dit plan; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; d. minder diep reiken dan 0,4 m ten opzichte van het maaiveld en waarbij geen grond blijvend wordt afgevoerd en/of het grondoppervlak van de aanlegwerken minder is dan 100 m²; e. archeologisch onderzoek betreffen.

19.4.3 Afwegingskader De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 19.4.1 zijn slechts toelaatbaar mits: a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van de in artikel 19.1 genoemde doeleinden; b. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de gemeentelijke archeoloog en/of de beleidsadviseur monumenten van de gemeente Venlo.

50

Artikel 20 20.1

Waarde - Cultuurhistorie 3 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Cultuurhistorie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende: a. cultuurhistorische waarden; b. archeologische hoge waarden. Al hetgeen in deze regels omtrent de ondergeschikte bestemmingen binnen de gebieden met de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie 3' is toegestaan, is uitsluitend toelaatbaar indien, gehoord de gemeentelijke archeoloog en/of de beleidsadviseur monumenten van de gemeente Venlo, het verenigbaar is met het belang van het cultuurhistorisch en archeologisch waardevol gebied.

20.2

Bouwregels

20.2.1 Bouwen Er mag slechts worden gebouwd indien: a. bebouwing mogelijk is krachtens de onderliggende bestemming en; b. het bouwplangebied de oppervlakteondergrens van 500 m² van het betreffende archeologische waardegebied niet overschrijdt; c. bij overschrijding van de onder b bedoelde ondergrenzen, de bebouwing aantoonbaar niet leidt tot verstoring van archeologische waarden en/of van cultuurhistorische waarden.

20.2.2 Verstoring archeologisch materiaal Geen verstoring van archeologisch materiaal in de zin van 20.2.1 onder c vindt plaats indien: a. de ingre(e)p(en) word(t)(en) verricht op minder dan 0,4 m ten opzichte van het maaiveld; b. het bouwplan of bouwplannen uitsluitend betrekking heeft of hebben op verandering of vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande bebouwde oppervlakte gehandhaafd blijft en de bestaande fundering niet wordt gewijzigd en/of uitgebreid; c. op basis van een archeologisch rapport zoals gesteld in de op het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan geldige Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en het op het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan geldige cultuurhistorische beleid van de gemeente is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

20.2.3 Voorwaarden archeologisch verstoring Indien uit het onder lid 20.2.2 onder c bedoelde onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden zullen worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van nader archeologisch onderzoek, waaronder opgravingen conform de op het moment van ter inzage legging van het ontwerp-bestemmingsplan geldende Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties; c. de verplichting de activiteit die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het gebied van archeologische monumentenzorg die voldoet aan de op het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan geldende Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

20.2.4 Voorwaarden omgevingsvergunning De regels als bedoeld in lid 20.2.3 kunnen alleen aan de omgevingsvergunning worden verbonden indien: a. de bouwwerkzaamheden plaatsvinden binnen een gebied dat een omvang heeft van minimaal 500 m² en; b. de ingre(e)p(en) word(t)(en) verricht op meer dan 0,4 m onder het maaiveld.

20.3

Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 20.2.1 indien:

51

a. b. c.

de archeologische waarden en/of cultuurhistorische waarden niet worden aangetast; de nieuwbouw binnen de archeologische waarden en/of cultuurhistorische waarden past dan wel een kwalitatieve bijdrage levert aan de genoemde waarden; de archeologische waarden en/of cultuurhistorische waarden van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld tot nihil.

20.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 20.4.1 Verboden werkzaamheden Het is verboden op of in gronden met de bestemming 'Waarde - Cultuurhistorie 3' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het veranderen van het huidige maaiveldniveau door ontginningen, bodem verlagen, egaliseren, afgraven of ophogen; b. het vellen, rooien of aanleggen van diepwortelende beplantingen en/ of bomen, inclusief het verwijderen van stobben; c. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,4 m ten opzichte van het maaiveld, waartoe ook gerekend wordt woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage; d. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; e. het uitvoeren van werkzaamheden ter verlaging van de grondwaterstand; f. het graven, aanleggen, verbreden, vergroten of dempen van sloten, greppels, watergangen, vijvers of vaarten;

20.4.2 Toegestane werkzaamheden Het bepaalde in artikel 20.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het inwerkingtreding van dit plan; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; d. minder diep reiken dan 0,4 m ten opzichte van het maaiveld en waarbij geen grond blijvend wordt afgevoerd en het grondoppervlak van de aanlegwerken minder is dan 500 m²; e. archeologisch onderzoek betreffen.

20.4.3 Afwegingskader De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 20.4.1 zijn slechts toelaatbaar indien: a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van de in artikel 20.1 genoemde doeleinden; b. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de gemeentelijke archeoloog en/of de beleidsadviseur monumenten van de gemeente Venlo.

20.5

Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen in die zin, dat de bestemming 'Waarde Cultuurhistorie 3' (geheel of gedeeltelijk) van de verbeelding wordt verwijderd, als op basis van archeologisch onderzoek, dat voldoet aan de normen van de archeologische beroepsgroep, geen archeologische waarden zijn vastgesteld. Alvorens een wijziging wordt uitgevoerd wordt advies ingewonnen bij de gemeentelijk archeoloog en/of de beleidsadviseur monumenten van de gemeente Venlo.

52

Artikel 21 21.1

Waarde - Cultuurhistorie 4 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Cultuurhistorie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende: a. cultuurhistorische waarden; b. archeologische lage waarden. Al hetgeen in deze regels omtrent de ondergeschikte bestemmingen binnen de gebieden met de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie 4' is toegestaan, is uitsluitend toelaatbaar indien, gehoord de gemeentelijke archeoloog en/of de beleidsadviseur monumenten van de gemeente Venlo, het verenigbaar is met het belang van het cultuurhistorisch en archeologisch waardevol gebied.

21.2

Bouwregels

21.2.1 Bouwen Er mag slechts worden gebouwd indien: a. bebouwing mogelijk is krachtens de onderliggende bestemming en; b. het bouwplangebied de oppervlakteondergrens van 5.000 m² van het betreffende archeologische waardegebied niet overschrijdt; c. bij overschrijding van de onder b bedoelde ondergrenzen, de bebouwing aantoonbaar niet leidt tot verstoring van archeologische waarden en/of van cultuurhistorische waarden.

21.2.2 Verstoring archeologisch materiaal Geen verstoring van archeologisch materiaal in de zin van 21.2.1 onder c vindt plaats indien: a. de ingre(e)p(en) word(t)(en) verricht op minder dan 0,4 m onder het maaiveld; b. het bouwplan of bouwplannen uitsluitend betrekking heeft of hebben op verandering of vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande bebouwde oppervlakte blijft gehandhaafd en de bestaande fundering niet wordt gewijzigd en/of uitgebreid; c. op basis van een archeologisch rapport zoals gesteld in de op het moment van vaststelling van de beheersverordening geldige Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en het op het moment van vaststelling van de beheersverordening geldige cultuurhistorische beleid van de gemeente is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

21.2.3 Voorwaarden archeologisch verstoring Indien uit het onder lid 21.2.2 onder c bedoelde onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders een of meerdere van de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van nader archeologisch onderzoek, waaronder opgravingen conform de op het moment van vaststelling van de beheersverordening geldende Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie; c. de verplichting de activiteit die leidt tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het gebied van archeologische monumentenzorg die voldoet aan de op het moment van vaststelling van de beheersverordening geldende Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie.

21.2.4 Voorwaarden vergunning De regels als bedoeld in lid 21.2.3 kunnen alleen aan de omgevingsvergunning worden verbonden indien: a. de bouwwerkzaamheden plaatsvinden binnen een gebied dat een omvang heeft van minimaal 5.000 m² en; b. de ingr(e)p(en) wordt(t)(en) verricht op meer dan 0,4 m onder het maaiveld.

21.3

Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 21.2.1 indien: a. de archeologische waarden en/of cultuurhistorische waarden niet worden aangetast; b. de nieuwbouw binnen de archeologische waarden en/of cultuurhistorische waarden past dan wel een kwalitatieve bijdrage levert aan de genoemde waarden;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/307/documents/20189