080 Bijl15 BP toelichting_Bijlage 14 Passende beoordeling.pdf
Tekst van het document
Het resultaat van deze maatregel is dat verstoring door verlichting en optische verstoring van kleine modderkruiper die gebruik maakt van de Lingsforterbeek (zoveel mogelijk) wordt voorkomen. Zorg er op de locatie van de vispassage voor dat er op minimaal 25% van de oppervlakte van de watergang waar de werkzaamheden plaatsvinden geschikt habitat aanwezig blijft. Dit betreft een geschikte inrichting en houdt verder in dat er met deze 25%-maatregel voldoende afstand tot werkzaamheden die verstorende effecten tot gevolg kunnen hebben gehanteerd wordt. Dit kan door de werkzaamheden gefaseerd in ruimte en tijd uit te voeren. Op de locaties waar gewerkt gaat worden dienen vooraf eventueel aanwezige kleine modderkruipers weggevangen en verplaatst te worden naar nabijgelegen geschikte locaties, welke buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden gelegen zijn. Dit wegvangen en verplaatsen dient uitgevoerd te worden door een ecologisch deskundige. o Het wegvangen en overplaatsen van de kleine modderkruiper naar aangrenzend geschikt gebied moet hebben plaatsgevonden voordat de werkzaamheden aanvang nemen. Temperatuur van het water speelt hierbij een rol. Zodoende dient een exacte afvangdatum 46
-
-
-
nader bepaald te worden door een ecologisch deskundige. Dit maatwerkadvies wordt schriftelijk vastgelegd, gedocumenteerd en bij het ecologisch werkprotocol gevoegd. o Het wegvangen kan gebeuren door netten te gebruiken met een maaswijdte van 3 mm en/of door het toepassen van elektrovisserij. o Er wordt gewerkt in één richting van de watergang. Door de werkzaamheden in een zodanige richting uit te voeren, kunnen dieren uitwijken naar de omgeving. o Het gedeelte van het water dat afgegraven moet worden, wordt hierna met een dam/afrastering afgesloten van het overige water, om zo te voorkomen dat afgevangen exemplaren zich weer terug verplaatsen naar het plangebied. o Zuurstofgebrek en ook stress is een belangrijke factor voor kleine modderkruiper en sommige andere vissoorten. Snelheid bij het overzetten is daarom geboden. Alle gevangen exemplaren worden verzameld in visbakken (van 500 liter) of direct overgezet in het dichtstbijzijnde geschikte water. Een verdere uitwerking over de exacte uitvoer van deze maatregel dient door een ecologisch deskundige opgekapt te worden zodra de precieze uitvoer van de werkzaamheden bekend is. o De nieuwe uitzetlocatie moet beantwoorden aan de habitateisen van de betreffende soort. De kenmerken van de nieuwe locatie moeten zoveel mogelijk overeenkomen met die van het oorspronkelijke gebied.
Bij het vergraven van de waterloop vanaf de kant met een kraan met baggerbak blijft altijd de oeverzijde gespaard waar de kraan staat, zodat in het water en/of in de bagger aanwezige dieren zo min mogelijk worden opgesloten en alsnog op de kant belanden. Bij het eventuele zoeken naar modderkruipers door een ecologisch deskundige in het op de kant gezette materiaal, is het van belang dat dit materiaal dun wordt uitgespreid op de locatie waar het uit het water gehaald is. Het op grote bulten deponeren van materiaal maakt het terugvinden van dieren op de kant zeer moeilijk. Op de kant gebracht materiaal wordt direct nagezocht op de aanwezigheid van kleine modderkruipers. De gevonden exemplaren worden verzameld in visbakken (van 500 liter) of direct overgezet in het dichtstbijzijnde geschikte water. Een verdere uitwerking over de exacte uitvoer van deze maatregel dient door de uitvoerend ecologisch deskundige opgekapt te worden. Plaatsen waar overwinteringsconcentraties (bijvoorbeeld in diepere delen van watergangen) van kleine modderkruiper worden vermoed, worden bij werkzaamheden aan de waterloop ontzien bij lage watertemperaturen (tussen 5 – 0 C gemeten op 5 cm onder het wateroppervlakte). Indien dit niet mogelijk is wordt een ecologisch deskundige om advies gevraagd. Dit maatwerkadvies wordt schriftelijk vastgelegd, gedocumenteerd en bij het ecologisch werkprotocol gevoegd.
Wanneer voor het leefgebied van kleine modderkruiper voor een aanzienlijk oppervlak sprake gaat zijn van aantasting, dan dient er op minimaal 25% van de oppervlakte van de watergang waar de werkzaamheden plaatsvinden geschikt habitat aanwezig te blijven. Ter hoogte van de projectlocatie in de Lingsforterbeek heeft deze soort zijn leefgebied. De te vergraven delen van de Lingsforterbeek voor het plaatsen van damwanden en voor de aankoppeling van de vispassage op de Lingsforterbeek, betreffen hiermee drie locatie die elk circa 10 meter breed zijn. Dit oppervlak ligt ruim onder de 25% van het totale leefgebied dat hier in de beekloop aanwezig is, waarmee slechts sprake is van een minimale aantasting. Direct grenzend aan deze werklocatie blijft er ruim voldoende leefgebied intact. In combinatie met het kleine oppervlak waar de werkzaamheden aan de beek worden uitgevoerd, is het zodoende niet aan de orde om binnen het werkgebied zelf ten allen tijde 25% van de oppervlakte van de watergang geschikt te houden als leefgebied. Zodra de exacte uitvoer van de werkzaamheden bekend is, moeten de bovenstaande maatregelen in meer detail uitgewerkt en opgenomen worden in een ecologisch werkprotocol.
5.7.2
Ecologisch werkprotocol In een ecologisch werkprotocol staat omschreven welke maatregelen getroffen worden om effecten op beschermde soorten te voorkomen. Ook staat erin hoe te handelen als deze effecten toch optreden. Er staat onder andere in het ecologische werkprotocol vermeld: in welke periode gewerkt moet worden; welke activiteiten op welke locatie(s) en op welk moment plaatsvinden;
47
6
STIKSTOF Uit de uitgevoerde stikstofdepositieberekening (bijlage 4) is gebleken dat er in de aanlegfase van de planontwikkeling de volgende twee Natura 2000-gebieden zijn waarbij sprake is van een toename in stikstofdepositie: ‘Maasduinen’ en ‘Boschhuizerbergen’ (zie ook tabel 9). Deze en overige Natura 2000-gebieden zijn weergegeven in afbeelding 8 (paragraaf 3.4). Deze grafisch weergegeven Natura 2000-gebieden zijn niet gelijk aan de Natura 2000-gebieden met een relevante bijdrage maar geven slechts een overzicht van de ligging van het plan ten opzichte van nabijgelegen Natura 2000gebieden.
6.1
Afwegingskader inzet percentage emissieloos materieel Uit berekeningen naar conventionele diesel aangedreven mobiele werktuigen blijkt dat vanwege het plan een stikstofdepositie van maximaal circa 9 mol N/ha zal plaatsvinden. Uit de berekening naar de elektrisch (emissieloos) beschikbare mobiele werktuigen blijkt dat vanwege het plan hiermee een maximale reductie mogelijk is die uitkomt op circa 1,8 mol N/ha. Hiermee kan dus een stikstofdepositie reductie van circa 7 mol N/ha bereikt worden op de maximale stikstofdepositie. Bij benadering is er sprake van een recht evenredig verband tussen de stikstofemissie en de stikstofdepositie, echter kunnen de emissielocatie en uitvoeringswijze op lokaal niveau van sterke invloed zijn op de berekende maximale stikstofdepositie. Indien wordt ingezet op slechts een beperkte inzet van emissieloos materieel, zal ook slechts een beperkte stikstofreductie berekend worden. Bij benadering zal bij de inzet van slechts 30% tot 40% emissieloos materieel ook een beperkt theoretische depositie reductie van circa 2 tot 3 mol N/ha worden bereikt. Hiermee blijft een resterende stikstofdepositie van circa 6 ml N/ha vanwege het plan. Deze stikstofdepositie wordt ecologisch niet verantwoordbaar geacht. Derhalve zal in het vervolg een nader ecologische beschouwing worden uitgevoerd op basis van de maximale inzet van beschikbare elektrische werktuigen.
6.2
Onderzoeksmethode stikstofdepositie Voor een uiteenzetting van het opgestelde rekenmodel, de beoogde situatie (inzet mobiele werktuigen, bouwverkeer en omleidingen), de referentiesituatie (landbouw en omleidingen) wordt verwezen naar de opgestelde stikstofrapportage (bijlage 4).
6.3
Resultaten stikstofdepositieberekening Natura 2000-gebieden NL Stikstof dat geëmitteerd wordt door het materieel dat wordt ingezet tijdens de werkzaamheden (aanlegfase) kan terecht komen op grote afstand van het plangebied. Om te bepalen op welke Natura 2000-gebieden stikstofdepositie optreedt is een AERIUS-berekening uitgevoerd (bijlage 4). Vervolgens is de ligging van stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden op de locaties waar stikstofdepositie optreedt bepaald, en beoordeeld of de kritische depositiewaarde (KDW) van die habitattypen en leefgebieden overschreden is of een overschrijding nadert. Als uitgangspunt wordt gehanteerd dat de werkzaamheden in het kader van het dijkversterkingsprogramma Noordelijke Maasvallei/Dijkring Arcen drie jaar in beslag nemen. De berekeningen zijn uitgevoerd voor het totale project aangezien de uitvoeringsvolgorde afhankelijk is van de aannemer en het startmoment. Door de berekeningen uit te voeren voor het totale project is de projectbijdrage inzichtelijk gemaakt waarbij dit onafhankelijk is van de uitvoering per jaar, maar het equivalent altijd gelijk is. Zie voor de onderbouwing hiervan het stikstofdepositierapport. In eerste instantie is berekend wat de stikstofdepositie als gevolg van het plan is zonder mitigerende maatregelen.
Hieruit bleek direct dat de depositie zonder mitigerende maatregelen te hoog was en zodoende is gezocht naar geschikte mitigerende maatregelen. Om negatieve effecten door stikstofdepositie te kunnen verminderen, worden er voor de duur van dit project landbouwgronden buiten werking gesteld (bijlage 4). Met het nemen van deze maatregel is er tijdens de aanlegfase (aanlegwerkzaamheden en 49
afname optreedt, ondervinden geen negatieve gevolgen van verzuring of vermesting. Een verdere beschouwing van deze gebieden is derhalve niet noodzakelijk.
6.6.1
Natura 2000-gebied Maasduinen Effectbeoordeling Er is sprake van de grootste bijdrage in stikstofdepositie als gevolg van het plan op het habitattype Vochtige alluviale bossen (H91E0C). Binnen Maasduinen is er voor dit habitattype sprake van geen (4 hexagonen) tot een lichte (7 hexagonen) overbelasting (AERIUS Monitor, 2023). In tabel de onderstaande is het planeffect inzichtelijk gemaakt. Dit betreffen alle activiteiten die onlosmakelijk samenhangen met het plan en welke tijdelijk plaatsvinden voor een periode van twee à drie jaar. Dit betreft ook de tijdelijke bijdrage aan stikstofdepositie van het plan op de specifieke instandhoudingsdoelstellingen in beeld gebracht. Het habitattype ‘Ruigten en zomen (moerasspirea) (H6430A)’ is niet stikstofgevoelig. Verder is met het voorliggende plan voor het leefgebied Dotterbloemgrasland van beekdalen (Lg06) geen sprake van een projectbijdrage die groter is dan 0,00 mol/ha en is voor de habitattypen Stroomdalgraslanden (H6120) en Ruigten en zomen (moerasspirea) (H6430C) zelfs sprake van een tijdelijke afname van stikstofdepositie met het voorliggende plan (een gemiddelde afname in depositie voor beide habitattypen van 0,46 mol/ha). Voor deze habitattypen en dit leefgebied is hiermee een toetsing in deze passende beoordeling daarom niet aan de orde.
52
Kwaliteit en knelpunten Het habitattype komt in de Maasduinen in z’n geheel over een redelijke oppervlakte voor, maar de kwaliteit is slechts voor een klein deel goed te noemen, de rest matig. De KDW voor het habitattype H4010A is vastgesteld op 1.071 mol N/ha/jr. Deze wordt overschreden door een achtergronddepositie. Door vermesting ontwikkelt pijpenstrootje sterk, wat ten koste gaat van gewone dopheide en de kwaliteit van het habitattype. Om negatieve effecten van de te hoge achtergronddepositie tegen te gaan is intensief beheer nodig. Verzuring en vermesting zijn niet de enige knelpunten voor H4010A. Ook verdroging is een risico voor de kwaliteit van H4010A. Verlaagde grondwaterspiegels in de aanliggende landbouwgebieden tussen de Maasduinen en de hoger gelegen Rijnterrassen in Duitsland leiden tot verdroging. De toename in de directe omgeving van het areaal graszoden dat bijna jaarrond beregend wordt, zorgt voor extra verdroging. Het gebruik van pesticiden op deze graszoden (en andere landbouwgewassen) vormt mogelijk een extra bedreiging. Een belangrijke voorwaarde voor dit cluster van habitattypen is de hydrologische situatie. Een indirect gevolg van verdroging is dat de mineralisatie van organische stof toeneemt en daarmee meer nutriënten beschikbaar komen voor de vegetatie. Dit versterkt het probleem van vergrassing.
Beheermaatregelen Omschrijving van de maatregelen: Extra begrazing, bekalken vochtige heiden, peilgestuurde drainage, sloten dempen, aanleg stuwen, plaggen natte terreinen, opslag verwijderen, opbrengen steenmeel en verbeteren kruiden- en faunarijke graslanden (135 ha). Het beoogde doelbereik, om te kunnen spreken van het halen van de instandhoudingsdoelstellingen voor H4010A betreft ‘tegengaan effecten van constante overbelasting met stikstof, toevoer bufferstoffen en herstel mineralenbalans bodem, herstel hydrologie, terugzetten versnelde successie, verdrogings- en successiemaatregel en verbetering kwaliteit’. Het omvormen van naaldbos naar loofbos draagt hoogstwaarschijnlijk bij aan het oplossen van de verdroging. Het criterium oppervlaktebehoefte wordt verbeterd tot goed door het in totaal ca. 100 ha kappen van (naald)bossen tussen relicten van het cluster vochtige heiden en grotere open heidelandschappen. Verwijderen van (een deel van) de wilgenstruwelen rond het Eendenmeer op de Bergerheide vermindert bladinval hier en leidt tot een verbetering in structuur. Belangrijk voor een verhoogd doelbereik en een zo groot mogelijk resultaat van de bovenstaande maatregelen is een grote afname van de stikstofdepositie tot onder de KDW’s.
Indien de stikstofdepositie niet voldoende is gedaald, blijven extra investeringen in beheer noodzakelijk om de negatieve effecten van de stikstofdepositie weg te nemen. Uit de NDA blijkt voor de verschillende maatregelen dat hiervan uiteenlopend wordt verwacht dat deze werken zoals verwacht, dat het onduidelijk is of de voorgenoemde maatregel werkt zoals verwacht, of dat deze nog niet beoordeeld is. De potentiële effectiviteit hiervan beoordeeld als ‘matig en groot’. Effectbepaling en -beoordeling Het beoogde doelbereik voor H4010A betreft ‘tegengaan effecten van constante overbelasting met stikstof, toevoer bufferstoffen en herstel mineralenbalans bodem, herstel hydrologie, terugzetten versnelde successie, verdrogings- en successiemaatregel en verbetering kwaliteit’. Verzuring en vermesting zijn niet de enige knelpunten voor H4010A. Ook verdroging is een risico voor de kwaliteit van H4010A. Een belangrijke voorwaarde voor dit habitattype is de hydrologische situatie. Naast dat stikstof een probleem is voor Vochtige heiden, is het oplossen van verdroging noodzakelijk om te kunnen voldoen aan het instandhoudingsdoel uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. Als gevolg van het plan treedt tijdens de aanlegfase een tijdelijke bijdrage aan stikstofdepositie op van 1,45 mol N/ha.
Hierbij geldt dat op slechts 36,28% van het totale oppervlak van dit habitattype (59,45 ha.) sprake is van een toename in de aanlegfase. Er is in de aanlegfase verder ook sprake van een afname op hexagonen die oploopt tot 0,22 mol/ha. De maximaal berekende toe- en afnames vinden plaats ter plaatse van één hexagoon. Overige berekende hexagonen bevinden zich tussen deze berekende maximale en minimale waardes. Hiermee is gemiddeld genomen voor dit habitattype slechts sprake van een tijdelijke toename in depositie van 0,026 mol/ha.
56
KDW van 714 mol/ha/jaar (Wamelink et al., 2023) wordt overschreden. Soorten als Pijpenstrootje, Knolrus en Pitrus en Vensikkelmos profiteren. De bruine kleur van het water, kenmerkend voor Zure venen kan volledig verdwijnen. Vermesting kan leiden tot dominantie van Pitrus. Vertroebeling treed op door afbraak van veen. Stikstofdepositie leidt tot afname van het leefgebied van de Gevlekte witsnuitlibel en Drijvende waterweegbree. Daling van de grondwaterstand beïnvloed de bufferwerking van het kwelwater voor het habitattype Zure vennen. Hydrologische maatregelen zijn nodig. Verdroging in combinatie met de (sterke) overschrijding van de KDW leidt tot verbossing, struweelvorming en verruiging. Beheermaatregelen Omschrijving van de maatregelen: pe lgestuurde drainage, sloten dempen, aanleg stuwen, verwijderen van organische sedimenten, vrijzetten venoever, plukken van wilgen en berken, ruimen en verwerken vrijgekomen materiaal en deels zagen van berken en laten liggen. Het beoogde doelbereik, om te kunnen spreken van het halen van de instandhoudingsdoelstellingen voor H3160 betreft ‘herstel hydrologie, verwijderen voedingsstoffen, tegengaan van beschaduwing en bladinwaai en tegengaan verlanding, verdrogings- en successiemaatregel vochtige heide’.
Bij maatregelen in de waterhuishouding en interne herstelmaatregelen die de eutrofiëring ongedaan maken, zijn er goede mogelijkheden voor uitbreiding van het oppervlak en verbetering van de kwaliteit. Dit habitattype komt over relatief grote oppervlakten voor en de kwaliteit is overwegend matig en lokaal goed. De potenties voor herstel zijn goed. De zure vennen zijns als gevolg van eutrofiëring en verdroging in kwalite t achteruitgegaan. De vegetaties die voorkomen binnen dit habitattype zijn in principe gevoelig voor verzuring en vermesting. Depositieniveaus boven de kritische depositiewaarde kunnen vooral leiden tot vermesting van zure vennen met NOx. In de waterlaag bevordert stikstofdepositie de algengroei, vooral in fosfaatrijke vennen. Hierdoor neemt het doorzicht af en wordt de aquatische veenmosontwikkeling geremd. Wanneer de stikstofdepositie groter is dan veenmossen aan stikstof kunnen opnemen, hoopt stikstof zich op in het bodemvocht van drijftillen en hoogveenvegetaties op de oever en komt het beschikbaar voor hogere planten en algen. Pijpenstrootje neemt hierdoor toe en berken zien kans massaal te kiemen en uit te groeien. Deze soorten komen met name dominant voor onder vermeste omstandigheden indien de hydrologische situatie niet optimaal is en de waterstanden ’s zomers te diep wegzakken.
Lokale/diepe ontwatering of sterke verdroging zijn de belangrijkste knelpunten. Vanwege de zeer geringe buffercapaciteit en voedselrijkdom is dit habitattype bijzonder gevoelig voor verzuring en de hiermee gepaard gaande stikstofaanrijking. Ten slotte zal aangrenzende bosontwikkeling met veel beschaduwing en bladval leiden tot eutrofiëring en eventueel verdroging en uiteindelijk tot het verdwijnen van kenmerkende of bijzondere soorten. De effectiviteit van de voorgenoemde herstelmaatregelen is nog niet beoordeeld. Wel wordt de potentiële effectiviteit hiervan beoordeeld als ‘groot’. Effectbepaling en -beoordeling Het beoogde doelbereik voor H3160 betreft ‘herstel hydrologie, verwijderen voedingsstoffen, tegengaan van beschaduwing en bladinwaai en tegengaan verlanding, verdrogings- en successiemaatregel vochtige heide’. Naast dat lokale/diepe ontwatering of sterke verdroging de belangrijkste knelpunten vormen voor Zure vennen, is het tegengaan van verzuring nodig om te kunnen voldoen aan het instandhoudingsdoelen uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. Volgens de NDA vormt de waterhuishouding de grootste beperkende factor om te kunnen komen tot het beoogde doelbereik. Stikstofdepositie vormt hierbij niet het hoofdknelpunt. Als gevolg van het plan treedt tijdens de aanlegfase een tijdelijke bijdrage aan stikstofdepositie op van 1,27 mol N/ha.
Hierbij geldt dat op slechts 6,42% van het totale oppervlak van dit habitattype (19,79 ha.) sprake is van een toename in de aanlegfase. Er is in de aanlegfase verder ook sprake van een afname op hexagonen die oploopt tot 0,22 mol/ha. De maximaal berekende toe- en afnames vinden plaats ter plaatse van één hexagoon. Overige berekende hexagonen bevinden zich tussen deze berekende maximale en minimale waardes. Hiermee is gemiddeld genomen voor dit habitattype slechts sprake van een tijdelijke toename in depositie van 0,020 mol/ha.
59
Kwaliteit en knelpunten De KDW voor het habitattype H2310 is vastgesteld op 714 mol N/ha/jaar. Deze wordt overschreden door een achtergronddepositie. Het habitattype stuifzandheiden met struikhei heeft onder andere te maken met verzuring en vermesting. Er is sprake van een sterke overbelasting van stikstof. Voor dit habitattype is een overbelasting voor 97% van de oppervlakte in 2030. Het terugdringen van de stikstofdepositie is noodzakelijk. Het ontbreken van voldoende winddynamiek en de sterke overbelasting van stikstof zorgen ervoor dat er versnippering en isolatie optreed voor het habitattype. Herstel van de winddynamiek is noodzakelijk. Structurele verbeteringen naar beoogd doelbereik kan bereikt worden door kappen van (naald)bos in de ordegrootte van enkele honderden hectaren. Daardoor wordt een heidelandschap met natuurlijke dynamiek bereikt dat op de beoordelingscriteria goed scoort en duurzaam kan blijven bestaan. Hiervoor liggen de grootste kansen in deelgebied Bergerheide. Grootschalig herstel van het heidelandschap is alleen zinvol indien de stikstofdepositie wordt teruggebracht tot of onder de KDW. Zolang de KDW nog niet wordt bereikt is voortzetting van de huidige overlevingsmaatregelen noodzakelijk.
Beheermaatregelen Omschrijving van de maatregelen: extra begrazing, extra plaggen en bekalken droge terrein, opslag verwijderen, opbrengen steenmeel, kleinschalige maatregelen (creëren van kleine open zandige plekjes dan wel struweeltjes) in de huidige al aanwezige habitattypen, opslag verwijderen, verbeteren kruiden- en faunarijke graslanden (135 ha) en effectiviteit van de eerder gecreëerde verbindingszones evalueren. Hierbij wordt tevens getracht natuurlijker bosranden te creëren door kaalkap geleidelijk in dunning te laten overgaan. Het daartoe te kappen bos dient elders te worden gecompenseerd. Het beoogde doelbereik, om te kunnen spreken van het halen van de instandhoudingsdoelstellingen voor H2310 betreft ‘tegengaan effecten van constante overbelasting met stikstof, mozaïekstructuur versterken, successie vertragen, herstel basenvoorraad, afvoer voedingsstoffen herstel mineralen balans bodem, kwaliteit verhogen door kleinschalige maatregelen, herstel connectiviteit, tegengaan effecten overbelasting stikstof en verbetering kwaliteit’. De vegetaties die voorkomen binnen dit habitattype zijn in principe gevoelig voor vermesting en verzuring. Het habitattype is gevoelig voor vermesting doordat de kenmerkende vegetatietypen gebonden zijn aan zeer voedselarme omstandigheden.
Een gebrek aan winddynamiek door omringend bos heeft (samen met stikstofdepositie) geleid tot versnelde vergrassing en verbossing. De resterende landduinrelicten met psammofiele heide zijn bijna overal te klein geworden om een natuurlijke winddynamiek toe te laten. De effecten van de hoge stikstofdepositie kunnen worden tegengegaan door variatie in de intensiteit (plaats en effect) van de beheermaatregelen begrazen, plaggen, extra maaien en opslag verwijderen. De effectiviteit van de voorgenoemde herstelmaatregelen is nog niet beoordeeld, het is nog onduidelijk of de maatregel werkt zoals verwacht, of de maatregel werkt niet zoals verwacht. De potentiële effectiviteit hiervan wordt beoordeeld als matig en groot. Effectbepaling en -beoordeling Het beoogde doelbereik voor H2310 betreft ‘tegengaan effecten van constante overbelasting met stikstof, mozaïekstructuur versterken, successie vertragen, herstel basenvoorraad, afvoer voedingsstoffen herstel mineralen balans bodem, kwaliteit verhogen door kleinschalige maatregelen, herstel connectiviteit, tegengaan effecten overbelasting stikstof en verbetering kwaliteit’.
Naast dat voldoende winddynamiek nodig is om ervoor te zorgen dat versnippering en isolatie teruggedrongen worden, is ook het terugdringen van de stikstofdepositie noodzakelijk om te kunnen voldoen aan de instandhoudingsdoelen uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. Als gevolg van het plan treedt tijdens de aanlegfase een tijdelijke bijdrage aan stikstofdepositie op van 0,87 mol N/ha. Hierbij geldt dat op 70,16% van het totale oppervlak van dit habitattype (23,94 ha.) sprake is van een toename in de aanlegfase. Er is in de aanlegfase verder ook sprake van een afname op hexagonen die oploopt tot 0,09 mol/ha. De maximaal berekende toe- en afnames vinden plaats ter plaatse van één hexagoon. Overige berekende hexagonen bevinden zich tussen deze berekende maximale en minimale waardes. Hiermee is gemiddeld genomen voor dit habitattype slechts sprake van een tijdelijke toename in depositie van 0,025 mol/ha.
65
waterhuishouding. Zolang de KDW nog niet wordt bereikt is voortzetting van de huidige overlevingsmaatregelen noodzakelijk. Verder is vergroting van het oppervlakte nodig voor het habitattype Hoogveenbossen om te kunnen voldoen aan instandhoudingsdoel behoud kwalite t. In de Maasduinen zijn hiervoor voldoende potenties aanwezig. Beheermaatregelen Omschrijving van de maatregelen: sloten dempen, peilgestuurde drainage, aanleg stuwen en omvorming Lommerbroek: uit productie nemen van landbouwgrond, drainage verwijderen, de sterk met fosfaat verrijkte bovengrond af te graven. Het beoogde doelbereik, om te kunnen spreken van het halen van de instandhoudingsdoelstellingen voor H91D0 betreft ‘herstel hydrologie’. Voor Hoogveenbos is in het Aanwijzingsbesluit als een verbetering van de kwaliteit als doel opgenomen. Met betrekking tot oppervlakte is behoud van de bestaande oppervlakte als doel geformuleerd. Hoewel er in het Aanwijzingsbesluit een behoudsdoelstelling voor areaal geformuleerd is, zullen alleen met een aanmerkelijke vergroting van het oppervlakte andere criteria als structuur en functie verbeteren. De effectiviteit van de voorgenoemde herstelmaatregelen is nog niet beoordeeld, of het is nog onduidelijk of de maatregel werkt zoals verwacht. De potentiële effectiviteit hiervan wordt beoordeeld als ‘matig/groot’.
Effectbepaling en -beoordeling Het beoogde doelbereik voor H91D0 betreft ‘herstel hydrologie’. Naast dat verdroging een probleem is voor Hoogveenbossen, ondervindt het habitattype negatieve effecten als gevolg van de hoge stikstofdepositie. Volgens de prognoses van Aerius (2022) is voor de Hoogveenbossen in 2030 echter nog sprake van een overbelasting van slechts 18%. Verder is het alleen met een aanmerkelijke vergroting van het oppervlakte mogelijk om andere criteria als structuur en functie te kunnen verbeteren. Volgens de NDA vormt de beperkte omvang van het habitattype de grootste beperkende factor om te kunnen komen tot het beoogde doelbereik. Stikstofdepositie vormt hierbij niet het hoofdknelpunt. Als gevolg van het plan treedt tijdens de aanlegfase een tijdelijke bijdrage aan stikstofdepositie op van 0,07 mol N/ha. Hierbij geldt dat op slechts 59,23% van het totale oppervlak van dit habitattype (30,00 ha.) sprake is van een toename in de aanlegfase. Er is in de aanlegfase verder ook sprake van een afname op hexagonen die oploopt tot 2,67 mol/ha. De maximaal berekende toe- en afnames vinden plaats ter plaatse van één hexagoon. Overige berekende hexagonen bevinden zich tussen deze berekende maximale en minimale waardes. Hiermee is gemiddeld genomen voor dit habitattype sprake van een afname in depositie van 0,038 mol/ha.
Meteorologische omstandigheden zorgen voor variatie in de achtergronddepos tie. Deze kunnen optreden in de orde grootte van 10% (Rijksoverheid, 2023). De maximale projectbijdrage van 0,07 mol N/ha is daarom relatief gezien klein ten aanzien van de nauwkeurigheid waarmee de achtergronddeposities zijn vastgesteld. De tijdelijke bijdrage van 0,07 mol N/ha leidt niet tot significant negatieve gevolgen. Om deze stikstofdepositie in perspectief te stellen: De maximale stikstofdepositie van 0,07 mol N/ha/jaar komt overeen met nog geen 1 gram stikstof per hectare per jaar. Ter vergelijk: als wordt uitgegaan van een gemiddeld gewicht van 2,5 gram voor één eikeltje, dan gaat het hier dus om een hoeveelheid stikstof per hectare die gelijk staat aan het gewicht van nog half eikeltje. De gevolgen van een tijdelijke stikstofdepositie van maximaal 0,07 mol N/ha, zijn derhalve te verwaarlozen. Deze tijdelijke toename veroorzaakt tevens geen significant negatieve effecten op het doelbereik (herstel hydrologie) en de grootste beperkende factor ‘beperkte omvang van het habitattype’, aangezien stikstoftoename (via lucht) niet het hoofdknelpunt is. Hiermee zit het voorliggende initiatief de ontwikkeling van het habitattype niet in de weg. Zodoende zijn significante effecten op instandhoudingsdoelstellingen voor Hoogveenbossen uit te sluiten.
71
overschrijding. Niet onbelangrijk is dat de overschrijding van de KDW voor dit habitattype al decennia lang aan de gang is, waardoor ook veel voedingsstoffen zijn uitgespoeld. Hierdoor heeft het habitattype niet alleen al lang te lijden onder de stikstofdepositie, maar nemen de effecten hiervan op kritische soorten ook toe. De achteruitgang in met name kwaliteit is daarom ook niet zo maar binnen enkele jaren weer te herstellen, maar vraagt om een lange adem. Resetten van het systeem via een passende toevoeging van de juiste, nu verdwenen mineralen, kan de oplossing zijn. Door uitgekiend te kappen draagt deze maatregel tevens bij aan een verbetering van de oppervlaktebehoefte van het habitattype Droge heide. Door verder de wat rijkere gronden in beeld te brengen nabij het habitattype Droge heide in alle deelgebieden, bijvoorbeeld de delen van het heidelandschap die de afgelopen ca. 100 jaar zijn ontgonnen, kan een deel van het criterium Functie worden verbeterd van onvoldoende naar goed. De heide krijgt hierdoor meer variatie wat ook het aandeel karakteristieke soorten zal doen toenemen. Ook hiermee wordt invulling gegeven aan de kernopgave structuurrijke Droge heiden en intern verbinden van Stuifzandheiden en Zandverstuivingen. Evenals elders in het gebied geldt als randvoorwaarde dat de stikstofdepositie naar beneden gaat voor het laten slagen van de maatregelen.
Het habitattype Droge heide gelegen op de stuifduinen ondervindt gevolgen van de droogte. Vegetaties sterven deels af waardoor stikstof minnende soorten als bramen en grassen nog sneller dominant kunnen worden. Beheermaatregelen Omschrijving van de maatregelen: Extra begrazing, opbrengen steenmeel, extra plaggen en bekalken droge terreinen, opslag verwijderen, kleinschalige maatregelen (creëren van kleine open zandige gplekjes dan wel struweeltjes) in de huidige al aanwezige habitattypen, Effectiviteit van de eerder gecreëerde verbindingszones evalueren. Hierbij wordt tevens getracht natuurlijker bosranden te creëren door kaalkap geleidelijk in dunning te laten overgaan. Het daartoe te kappen bos dient elders te worden gecompenseerd, herstel van de ecologische verbinding tussen de heidegebieden in de Maasduinen, verbeteren kruiden- en faunarijke graslanden (135 ha.), deels plukken, deels afzagen van opslag; meestal laten liggen; soms afvoeren van materiaal of maken van lage rillen en opschonen en verbreden van bestaande verbindingszones. Het beoogde doelbereik, om te kunnen spreken van het halen van de instandhoudingsdoelstellingen voor H4010A betreft ‘tegengaan effecten van constante overbelasting met stikstof, toevoer van bufferstoffen en herstel mineralenbalans bodem.
Kwalificeerbaar naar het habitattype, mozaïekstructuur versterken, successie, afvoer voedingsstoffen, kwaliteit verhogen door kleinschalige maatregelen, herstel connectiviteit, verbetering kwaliteit, [extra] opslag verwijderen, afvoer voedingsstoffen en verbeteren bezonning’. De effectiviteit van de voorgenoemde herstelmaatregelen is nog niet beoordeeld, het is nog onduidelijk of de maatregel werkt zoals verwacht, of de maatregel werkt niet zoals verwacht. De potentiële effectiviteit hiervan wordt beoordeeld als ‘matig/groot’. Effectbepaling en -beoordeling Naast dat het terugdringen van stikstofdepos tie noodzakelijk is, is het tegengaan van verdroging en vergroting van het oppervlakte nodig om te kunnen voldoen aan de instandhoudingsdoelen uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. Als gevolg van het plan treedt tijdens de aanlegfase een tijdelijke bijdrage aan stikstofdepositie op van 0,03 mol N/ha/jaar. Hierbij geldt dat op slechts 29,20% van het totale oppervlak van dit habitattype (264,48 ha.) sprake is van een toename in de aanlegfase. Er is in de aanlegfase verder ook sprake van een afname op hexagonen die oploopt tot 0,73 mol/ha. De maximaal berekende toe- en afnames vinden plaats ter plaatse van één hexagoon. Overige berekende hexagonen bevinden zich tussen deze berekende maximale en minimale waardes.
Hiermee is gemiddeld genomen voor dit habitattype sprake van een afname in depositie van 0,011 mol/ha. Meteorologische omstandigheden zorgen voor variatie in de achtergronddepos tie. Deze kunnen optreden in de orde grootte van 10% (Rijksoverheid, 2023). Een maximale projectbijdrage van 0,03 mol N/ha/jaar is daarom relatief gezien klein ten aanzien van de nauwkeurigheid waarmee de achtergronddeposities zijn vastgesteld.
74
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING
4
2
UITGANGSPUNTEN
5
2.1
Algemeen
5
2.2
Situering Natura 2000-gebieden
7
3
WETTELIJK KADER
8
3.1
Landelijke wet- en regelgeving
8
3.2
Voortoets
8
3.3
Passende beoordeling
8
3.4
Toetsingskader buurlanden
9
4
BEREKENINGSSYSTEMATIEK
10
4.1
Rekenmodel
10
4.2
Beoogde situatie
10
4.2.1
Mobiele werktuigen
10
4.2.2
Bouwverkeer
11
4.2.3
Omleidingen
11
4.3
Referentiesituatie
13
4.3.1
Landbouwgronden
13
4.3.2
Omleidingen
15
5
REKENRESULTATEN EN BEOORDELING
17
6
CONCLUSIE
18
WAB019011 – Planuitwerking Arcen DR65-2021Z36129-WSP-20231027-PP-VTW5.04-Stikstofrapportage-100% Waterschap Limburg
WSP 27 oktober 2023 pagina 3