080 Bijl15 BP toelichting_Bijlage 14 Passende beoordeling.pdf
Tekst van het document
Opdrachtgever: Projectnr: Rapportnr: Status: Datum:
Waterschap Limburg WSL065 20231124-WSL065-RAP-PassendeBeoordeling-4.0 Definitief – 100%-versie 24 november 2023
Opsteller: LSC Verificatie: T 088 - 33 66 333 F 088 - 33 66 099 E info@kragten.nl
RJA Validatie: CVDH
© 2023 Kragten Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Kragten. Het is tevens verboden informatie en kennis verwerkt in dit rapport ter beschikking te stellen aan derden of op andere wijze toe te passen dan waaraan in de overeenkomst toestemming wordt verleend.
5
EFFECTBEOORDELING De verstoringsaspecten oppervlakteverlies, versnippering, verzuring en vermesting door stikstofdepositie, verontreiniging, licht, optische verstoring, geluid, trillingen, mechanische effecten en verandering in populatiedynamiek kunnen allen optreden bij de uitvoering van de werkzaamheden binnen de planlocatie. Deze verstoringsaspecten vinden vaak gekoppeld plaats. Zo worden de werkzaamheden allen uitgevoerd met materieel en personeel, die zorgen voor optische verstoring. Ook zal verlichting van het werkterrein plaatsvinden wanneer (geluid en/of trilling veroorzakende) werkzaamheden worden uitgevoerd in de schemering. Deze verstoringsaspecten zullen dus een gecombineerd effect hebben op de in de omgeving aanwezige soorten en worden in de voorliggende twee hoofdstuk waar mogelijk gecombineerd in de uitwerking.
5.1
Effectafbakening Zoals aangegeven gaat deze passende beoordeling alleen in op de effecten in de aanlegfase, met uitzondering van het verstoringsaspect verontreiniging. Effecten in de gebruiksfase zijn, behalve voor verontreiniging, op voorhand uitgesloten. Uit de voortoets (Kragten, 2023a) is gebleken dat significant negatieve effecten op nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet uit te sluiten zijn voor de volgende verstoringsaspecten: Oppervlakteverlies (1) Versnippering (2) Verzuring door stikstofdepositie (3) (wordt behandeld in hoofdstuk 6) Vermesting door stikstofdepositie (4) (wordt behandeld in hoofdstuk 6) Verontreiniging (7) Verstoring door geluid (13) Verstoring door licht (14) Verstoring door trillingen (15) Optische verstoring (16 Verstoring door mechanische effecten (17) Verandering in populatiedynamiek (18)
5.2
Verontreiniging Op basis van de onderzoeken (Geonius, 2022 en 2023) blijkt dat de waterbodem van de watergang (Lingsforterbeek) deels sterke verontreinigingen (gehalten > interventiewaarde waterbodem) bevat met nikkel. Op basis van de onderzoeksrapportages is niet duidelijk of er plaatselijk ook sprake is van een sterke verontreiniging met arseen; leemte in kennis. De aangetoonde sterke verontreiniging kent hoogstwaarschijnlijk een natuurlijke oorsprong. De oorsprong (bron) zal ook bovenstrooms gezocht moeten worden. Nalevering zal dus mogelijk blijven vanu t de beek en specifiek in het mondingsgebied ook vanuit de Maas. De noodzakelijke en tevens zeer lokale ingrepen (ten behoeve van de aanleg van de kistdam en vispassage) in de waterbodem zijn sanerende maatregelen. Deze graafwerkzaamheden zullen slechts een tijdelijke niet significante verstoring van de waterbodem veroorzaken. Hiermee zijn negatieve effecten op de instandhoudingdoelen van het Natura 2000-gebied Maasduinen uitgesloten. Of aanvullende sanerende maatregelen noodzakelijk zullen zijn is nog niet verder onderzocht; leemte in kennis. Dit onderzoek gaat op korte termijn opgepakt worden. Het ingenomen standpunt van de provincie (provincie Limburg, 2023 – Communicatie via e-mail) houdt in dat dit saneringsonderzoek afgerond moet zijn voordat de definitieve vergunning Wnb gebieden wordt afgegeven.
Dit nader onderzoek dient uitgevoerd te worden om te bezien of een verdere sanering van de waterbodem nuttig en noodzakelijk is om eventuele negatieve effecten op instandhoudingsdoelen in de gebruiksfase te mitigeren. Binnen dit onderzoek dient ook de mogelijk natuurlijke oorsprong en de herverontreiniging afgewogen te worden.
29
Indien vanuit de resultaten van het saneringsonderzoek blijkt dat iets wordt gevonden m.b.t. instandhoudingsdoeleinden (en/of soorten), dan kan dit gevolgen hebben voor de passende beoordeling (en het activiteitenplan) en dus ook voor de aanvraag vergunning (en ontheffing) Wnb. Om te voorkomen dat de aanvraag hierdoor ingetrokken moet worden en vervolgens de nieuwe aanvraag onder de werking van de Omgevingswet (Ow) komt te vallen, wordt het worst-case scenario toegepast. Hierbij is het tijdstip van de aanvraag leidend en kan zodoende voorkomen worden dat het onder de werking van de Ow komt te vallen. Dat betekent dat de aanvraag uiterlijk 31-12-2023 ingediend dient te zijn bij provincie Limburg. Het worst-case scenario houdt in dat er op voorhand rekening mee gehouden wordt dat sanering van de bodem vanwege verontreiniging wel aan de orde is. Het saneringsonderzoek moet hier nog uitsluitsel over gaan geven.
5.3
Oppervlakteverlies, versnippering en mechanische effecten Voor de dijkversterking zijn voertuigbewegingen nodig die kunnen leiden tot bodemverdichting. Dit kan op zijn beurt weer zorgen voor verlies van natuurwaarden en dus oppervlakteverlies en/of versnippering. Om deze reden wordt mechanische verstoring niet apart beoordeeld, maar onder oppervlakteverlies geschaard.
5.3.1
Effecten op habitattypen en leefgebieden Directe effecten van de verstoringsaspecten oppervlakteverlies, versnippering en mechanische effecten zijn relevant voor locaties waar werkzaamheden plaatsvinden binnen de contouren van een Natura 2000-gebied. Onder mechanische effecten vallen verstoring door betreding of golfslag en dergelijke, die optreden ten gevolge van menselijke activiteit. Om dit soort effecten te krijgen, moeten activiteiten in de Natura 2000-gebieden plaatsvinden. Deze storende factor kan leiden tot een verandering van het habitattype en/of verstoring of het doden van fauna-individuen. Het effect is zeer afhankelijk van de kwetsbaarheid (gevoeligheid) van het habitattype. Oppervlakteverlies en versnippering treden op als gevolg van verschillende activiteiten. Hoewel het dijkontwerp voornamelijk voorziet in een versterking buiten de begrenzing van Natura 2000, zal beperkt ruimtebeslag op Natura 2000-gebied Maasduinen optreden. In de aanlegfase zijn de effecten van tijdelijke aard; na afloop van de werkzaamheden verdwijnen deze effecten weer. Gezien er in de aanlegfase effecten optreden die een permanent karakter hebben (o.a. kap van houtopstanden en verdwijnen van vegetaties door vergraving), werken deze effecten door in de gebruiksfase.
Om deze reden wordt het permanente effect van oppervlakteverlies en versnippering geschaard onder de gebruiksfase, hoewel het ontstaat tijdens de aanlegfase. In de afbeelding 11 zijn de aanwezige kwalificerende (zoekgebieden van) habitattypen weergegeven die gelegen zijn binnen en in de nabijheid van de zuidelijke punt van het plangebied. Voor de rest van het plangebied geldt dat deze het Natura 2000-gebied Maasduinen niet doorkruist en hier zodoende geen sprake is van oppervlakteverlies van habitattypen en/of versnippering van leefgebied van soorten door het ruimtebeslag voor het dijktracé. De zuidelijke punt van het plangebied is gelegen binnen het deelgebied Ravenvennen van Natura 2000-gebied Maasduinen. Binnen Landgoed Arcen (oostelijke deel op afbeelding 11) bestaat het Natura 2000-gebied uit een bosgebied. Ten zuiden van de planlocatie op Landgoed Arcen liggen de aangewezen gebieden voor de habitattypes (Zoekgebied) Hoogveenbossen ((ZG)H91D0) en Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) (H91E0C). Zoals te zien is in afbeelding 11 vindt op deze locaties geen overlap plaats van de planlocatie met een van deze habitattypen.
Op de locatie waar de planlocatie het Natura 2000-gebied doorkruist op Landgoed Arcen, is voor een deel sprake van een dood areaal bos (hier gaat >1000 vierkante meter bos gekapt worden en waar na afronding van de werkzaamheden herplant plaatsvindt). De aanwezigheid van het werkmaterieel en de noodzakelijke kap van bomen (totale oppervlakte ca. 8535 m2 en ca. 7% hiervan dat bestaat uit dood hout) zorgt op deze locatie niet voor een merkbare afname (ten opzichte van de huidige oppervlakte van het bosgebied op deze locatie (Landgoed Arcen beslaat 436 ha.)) in de beschikbaarheid van geschikt leefgebied zoals rust- en foerageergebied voor aangewezen hab tat- en vogelrichtlijnsoorten. Voor alle aangewezen soorten voor Natura 2000-gebied Maasduinen heeft alleen de zwarte specht leefgebied binnen Landgoed Arcen. Voor deze soort geldt dat het reguliere bosbeheer waarin dood hout blijft liggen, en de realisatie van heidecorridors waar mieren in de nieuwe
30
bosranden van profiteren, gunstig zijn voor voldoende draagkracht van het gebied (Provincie Limburg, 2020b). Men gaat verder bij de aanleg van een verholen kering in de Maasduinen de aanwezige bouwvoor en de grond onder de bouwvoor opzij zetten en deze na afronding van de werkzaamheden weer in de juiste volgorde terugleggen, opdat de kwaliteit van de grond met de vegetaties behouden blijft. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat de voorliggende werkzaamheden, waaronder bomenkap en de aanleg van een verholen kering, binnen Landgoed Arcen niet leiden tot significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van aangewezen habitat- en vogelrichtlijnsoorten voor Natura 2000-gebied Maasduinen. In het noordwesten van het plangebied doorkruist het plangebied het zoekgebied Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) (ZGH91E0C)2, dat deel uitmaakt van Natura 2000-gebied Maasduinen. De overige oppervlakten die te zien zijn in afbeelding 11 (in natuurgebied Barbara’s Weerd), waar ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden binnen het Natura 2000-gebied, herbergen geen habitattypen. In Barbara’s Weerd is men voornemens om de grond onder roofgrond en de roofgrond zelf op de bestaande dijk die wordt afgegraven her te gebruiken voor de nieuw te realiseren dijk/hoge grond in het gebied. Hiermee streeft men naar het behoud van de aanwezige vegetaties in het gebied.
Het gebied zal hiernaast verder worden ingericht voor natuur.
2
Er is sprake van een zoekgebied wanneer het niet zeker is dat het habitattype aanwezig is, maar er wel aanwijzingen zijn dat een bepaald habitattype aanwezig is.
31
Afbeelding 11. Ligging van de planlocatie en de (zoekgebieden van) habitattypen in deelgebied Ravenvennen ter hoogte van de aan te leggen vispassage en Landgoed Arcen.
5.3.1.1
Ruimtebeslag Zoekgebied Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) In bijlage 3 is te zien dat het plangebied in het noordwesten op de kaart over een oppervlakte van 397 m2 het zoekgebied Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) (ZGH91E0C) doorkruist, dat deel uitmaakt van Natura 2000-gebied Maasduinen. Als gevolg van het ruimtebeslag van de nieuw aan te leggen dijk op deze locatie, de aanleg van tijdelijke werkstroken en werkwegen rondom de dijk en tijdelijke loslocaties, treedt oppervlakteverlies op. Ter plaatse kan (potentieel) leefgebied aanwezig zijn van aangewezen soorten voor Natura 2000-gebied Maasduinen. Dit ruimtebeslag kan dan leiden tot oppervlakteverlies van leefgebieden. In bijlage 3 zijn de locaties met 32
ruimtebeslag (tijdelijk dan wel permanent) door bovengenoemde activiteiten weergegeven. Rondom de dijk zullen werkstroken worden gebruikt. Hoewel dit ruimtebeslag tijdelijk van aard is wordt ook dit beslag beoordeeld, omdat effecten op kunnen treden door het tijdelijk niet beschikbaar zijn van het oppervlak. Ten slotte zullen er loslocaties, depots en aanvoerwegen naar de dijk worden gebruikt. Voor zover deze nieuw worden aangelegd hebben deze een tijdelijk karakter. Omdat ook voor deze tijdelijke maatregelen geldt dat ondanks de tijdelijkheid negatieve effecten mogelijk zijn, zal het ruimtebeslag van deze locaties worden beoordeeld onder oppervlakteverlies. De werkstroken zijn tijdelijk en worden na gebruik hersteld naar de oorspronkelijke situatie. De werkstroken worden in de uiterwaard voorzien van rijplaten. Voor het plaatsen van de rijplaten wordt het maaiveld geëgaliseerd om een vlakke en stabiele rijstrook te krijgen. Het kan zijn dat hiervoor zand tijdelijk wordt verwerkt om een vlakke platenbaan te creëren. Zodra een dijksectie is afgerond, wordt de tijdelijke rijplatenbaan rondom de dijk weggehaald en wordt deze samen met het zand opgeruimd. Nadat de rijplaten zijn weggehaald wordt de ondergrond losgewoeld en daarna doorgezaaid met bloemrijk zaadmengsel dat van natura aanwezig is op deze locatie, zodat de grasmat zich herstelt.
5.3.1.2
Beoordeling huidige staat van Zoekgebied Vochtige alluviale bossen Voor het habitattype Zoekgebied Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) (ZGH91E0C) op de aangewezen locatie gaat straks sprake zijn van een ruimtebeslag over een oppervlakte van 397 m2. Hiervan betreft 319 m2 permanent ruimtebeslag en 78m2 tijdelijk ruimtebeslag (zie bijlage 3). Het habitattype Vochtige alluviale bossen is op deze locatie aangewezen als zoekgebied. Er is sprake van een zoekgebied wanneer het niet zeker is dat het habitattype aanwezig is, maar er wel aanwijzingen zijn dat een bepaald habitattype aanwezig is. Om te kunnen beoordelen wat de impact is van het ruimtebeslag op het habitattype Zoekgebied Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) (ZGH91E0C), wordt gekeken naar de typische flora en fauna van dit habitattype en in hoeverre deze daadwerkelijk aanwezig zijn op locatie (Provincie Limburg, 2022b). In het Ecologisch Beoordelingskader (Bijlsma & Janssen, 2021) staat het volgende uitgewerkt met betrekking tot het kunnen beoordelen van het relatief belang van een (deel)gebied voor karakteristieke soorten. Het relatief belang van een (deel)gebied voor karakteristieke soorten wordt bepaald volgens een samen met het CBS opgestelde methode die gebruikt is voor de Art17-rapportage 2019 van Structuur & Functie.
De methode beoordeelt het aantal karakteristieke florasoorten van een habitattype in km-hokken met dat habitattype uiteindelijk als Goed en niet-Goed, gegeven de voor landelijk gebruik opgestelde lijst van karakteristieke florasoorten (zie de uitwerking in tabel 4). De grenswaarde voor een goede representativiteit geldt vooralsnog alleen voor flora in brede zin (vaatplanten, mossen, korstmossen, kranswieren en paddenstoelen), maar uitbreiding met fauna is voorzien. De maatlat wordt beoordeeld met het aantal waargenomen karakteristieke soorten (cumulatief over zes jaar) per km-hok met het betreffende habitattype (zie afbeelding 17). In het Ecologisch Beoordelingskader is verder opgenomen dat het oordeel ‘Goed’ is als dit aantal groter of gelijk is aan de mediane waarde zoals deze zijn opgenomen in tabel 4.6 in het betreffende rapport en ‘Beduidend’ als het aantal kleiner is dan de mediaan. De score Uitstekend is niet systematisch uitgewerkt, maar wordt soms toegepast als voldaan wordt aan een goede score en als een of meer bijzondere karakteristieke soorten aanwezig zijn. Dit geeft een beeld van de waarde van het betreffende habitattype binnen Maasduinen met vergelijkbare landelijke habitattypen met een gunstige staat van instandhouding.
Tabel 4 geeft een overzicht van de karakteristieke soorten flora van H91E0_C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) (Bijlsma & Janssen, 2021). Vervolgens is in tabel 5 het totaal aantal karakteristieke soorten opgenomen (vaatplanten, mossen, korstmossen, paddenstoelen) voor het Habitattype Vochtige alluviale bossen, met drempelwaarden voor de beoordeling van het criterium Karakteristieke soorten op km-hokniveau, zoals deze is opgenomen in het Ecologisch Beoordelingskder. Hier is te zien dat voor het Habitattype Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) de mediaan ligt op 13. In afbeelding 17 is te zien dat het te onderzoeken zoekgebied Vochtige alluviale bossen dat overlap heeft met het plangebied, voor alle drie de periodes (P1 t/m P3) met betrekking tot het voorkomen van het aantal typische soorten planten scoort in de categorie 1-6. Gezien het aantal aanwezige typische soorten hiermee kleiner is dan de mediaan (deze ligt op 13), scoort deze locatie hiermee als ‘Beduidend’ en ‘niet-Goed’. Tevens verklaart de tekst bij de afbeelding dat deze score wordt beoordeeld als ‘zeer ongunstig’. Het habitattype Vochtige alluviale bossen is binnen het Natura 2000-gebied Maasduinen soortenarm en scoort onvoldoende (Provincie Limburg, 2022b).
33
Situatie ter plaatse van Zoekgebied Habitattype Vochtige alluviale bossen (ZGH91E0C) Op 1 mei 2023 heeft een veldbezoek plaatsgevonden op de betreffende locatie (afbeelding 12). Afbeelding 13 – 16 geven een impressie van de situatie ter plaatse. Er is onder andere gekeken naar de aanwezigheid van typische soorten voor het Habitattype Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen). Soorten die tijdens dit bezoek zijn aangetroffen betreffen onder andere: dotterbloem, gele lis, grote brandnetel, liesgras, speenkruid, waterkers, wilg (spec.) en zwarte els. Geen van de karakteristieke soorten flora die zijn opgenomen in tabel 4 (Karakteristieke soorten flora van H91E0_C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) zijn tijdens het veldbezoek aangetroffen.
Afbeelding 12. Ligging plangebied en Zoekgebied Vochtige alluviale bossen en begrenzing van de locatie die in het veld onderzocht is (zwarte belijning).
Afbeelding 13. Zoekgebied Vochtige alluviale bossen gezien vanuit noordelijke richting met wilg als dominante soort.
Afbeelding 14. Lingsforterbeek met aan de zuidzijde bodembedekking voor een groot deel bestaande uit grote brandnetel.
34
Afbeelding 15. Zoekgebied Vochtige alluviale bossen gezien vanuit zuidelijke richting met op de voorgrond groeiplaats van dotterbloem en daarachter bodembedekking bestaande uit grote brandnetel.
Afbeelding 16. Intensief beheerd en door runderen begraasd grasland, uitkijkend op Zoekgebied Vochtige alluviale bossen.
In brongebieden van beekdalen wisselen de beekbegeleidende (Vogelkers-)essenbossen af met natte bossen waarin zwarte els op de voorgrond treedt. Ook deze zogenoemde elzenbroekbossen worden tot het habitattype H91E0 gerekend (Profieldocument, 2008). Op de locatie waar het plangebied overlap heeft met het habitattype Zoekgebied Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) (zie afbeelding 12), is sprake van de aanwezigheid van een vochtig bos. Er is gekeken of dit bos kan worden aangemerkt als Vochtig alluviaal bos of elzenbroekbos. Op deze locatie is zwarte els aanwezig, maar waarbij wilg (spec.) overduidelijk domineert. De aanwezigheid van twee groeilocaties van dotterbloem op deze locatie is kenmerkend voor de toestroom van meer gerijpt grondwater (OBN kennisnetwerk, 2018). Direct grenzend aan deze locatie zijn populieren aangeplant, mogelijk vanuit de gedachte om hier lokaal te verdrogen. Populieren houden van een voedselrijke bodem. Dit wordt bevestigd door de aanwezigheid van grote hoeveelheden grote brandnetel (voorkeur voor (zeer) voedselrijke bodems). Op deze locatie is zwarte els niet de meest voorkomende boomsoort, dit betreft wilg (spec.). Grote brandnetel is op deze locatie in zeer ruime mate aanwezig. Dit kan duiden op een verdroogde situatie. Van een goed ontwikkeld elzenbroekbos is op deze locatie geen sprake.
Ook wordt niet verwacht dat deze zich hier, op basis van de aangetroffen situatie in het veld, op korte termijn gaat ontwikkelen.
Knelpunten Habitattype vochtige alluviale bossen In de Natuurdoelanalyse Maasduinen staat uitgewerkt dat het habitattype H91E0C Vochtige alluviale bossen heeft te leiden onder verzuring als gevolg van de stikstofdepositie. De nutriënten voorraad in de bodem wordt op natuurlijke wijze aangevuld als gevolg van verwering van de bodem. Gevolg is dat de bodem uiteindelijk haar voedingsstoffen verliest, maar dit is een proces van tienduizenden jaren. De drijvende kracht achter dit proces is zuur. Onder natuurlijke omstandigheden kende het zuur hoofdzakelijk een biologische en geologische oorsprong waarbij de mineralen voldoende kationen leverden om het zuur te neutraliseren en de pH van de bodem te stabiliseren. Verzuring door menselijke activiteiten zorgt echter voor een versneld mobiel raken van kationen en daarmee ook de uitspoeling ervan. Omdat de bodem in de Maasduinen al nauwelijks tot geen buffering heeft, is het effect van de verzuring enorm. De versnelde verwering zorgt behalve voor het vrijkomen van basische kationen als calcium en kalium ook voor een flinke toename in het vrijkomen van zure kationen als aluminium die als gevolg van de lage pH in oplossing blijven en tot toxische concentraties leiden. Uit de OGOR meetgegevens tot en met 2021 (Provincie Limburg, 2022b) blijkt dat met name in droge jaren de waterstand onvoldoende is.
Verdroging van de Vochtige alluviale bossen leidt tot een verruiging van de struiklaag en kruidlaag. Dominante vegetaties (stekelvarens, bramen) verdringen de bodemflora. Uiteindelijk kan door verdroging ook een verandering in de boomlaag plaatsvinden. Specifieke soorten als zwarte els worden langzaam verdrongen door zomereiken en ruwe berken en de struiklaag wordt gedomineerd door lijsterbes. Verdroging is een probleem voor Vochtige alluviale bossen. Voor dit habitattype is het herstellen van de hydrologie van belang. 35
Het beekwater bevat tegenwoordig meststoffen afkomstig uit stroomopwaarts liggende landbouwgebieden. Via oppervlakkige afspoeling en uitspoeling komen de meststoffen in de waterloop terecht. Vochtige alluviale bossen zijn van nature niet voedselarm, maar de toename van stikstof (atmosfeer), in combinatie met fosfaat (beekwater) leidt in veel gevallen tot weelderige brandnetelgroei3. Duidelijk is dat de bostypen zeer beperkt in omvang zijn binnen Maasduinen, maar er zijn wel verschillen. De habitattypen Vochtige alluviale bossen, Hoogveenbossen en Oude eikenbossen komen meer verspreid voor en betreffen een minder klein areaal dan de habitattypen Beuken-eikenbossen met Hulst en Droge hardhoutooibossen. Hoewel er in het Aanwijzingsbesluit een behoudsdoelstelling voor areaal geformuleerd is zullen alleen met een aanmerkelijke vergroting van het oppervlakte andere criteria als structuur en functie verbeteren. Gezien de groeiplaatseisen en potenties geldt dit laatste dus ook voor de Vochtige alluviale bossen. Vergroting van het oppervlakte is nodig voor het habitattype om te kunnen voldoen aan instandhoudingsdoel behoud kwaliteit. In de Maasduinen zijn hiervoor voldoende potenties aanwezig.
In paragraaf 5.2.1.3 wordt uitgebreid ingegaan op de instandhoudingsdoelstelling die er voor oppervlakte ligt en de effecten die het Zoekgebied Habitattype Vochtige alluviale bossen ondervindt van de voorliggende ingrepen. Het eindoordeel in de Natuurdoelanalyse Maasduinen voor het habitattype Vochtige alluviale bossen is: nee, tenzij. Dit oordeel houdt in dat blijkt dat met vastgestelde maatregelen verslechtering niet valt uit te sluiten. De herstelpotenties blijken voor dit habitattype laag te zijn: Vergroting van het oppervlakte is nodig voor het habitattype om te kunnen voldoen aan instandhoudingsdoel behoud kwalite t. In de Maasduinen zijn hiervoor voldoende potenties aanwezig. Verdroging is een probleem voor Vochtige alluviale bossen. Voor dit habitattype is het herstellen van de hydrologie van belang. Tabel 4. Karakteristieke soorten flora van H91E0_C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) (Bijlsma & Janssen, 2021).
Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Soortgroep Lippenmos Chiloscyphus polyanthos Mossen Kegelmos Conocephalum conicum Mossen Gewoon diknerfmos Cratoneuron filicinum Mossen Spatelmos Homalia trichomanoides Mossen Rood sterrenmos Mnium marginatum Mossen Groot varentjesmos Plagiochila asplenioides Mossen Geel boogsterrenmos Plagiomnium elatum Mossen Gerimpeld boogsterrenmos Plagionium undultaum Mossen Dwergplatmos Plagiothecium latebricola Mossen Zwartsteelsterrenmos Pseudobryum cinclidiodes Mossen Beekschoffelmos Scapania undulata Mossen Haakveenmos Sphagnum squarrosum Mossen Gewoon thujamos Thuidium tamariscinum Mossen Wolmos Trichocolea tomentella Mossen Gele monnikskap Aconitum vulparia Vaatplanten Muskuskruid Adoxa moschatellina Vaatplanten Bosanemoon Anemone nemorosa Vaatplanten Boskortsteel Brachypodium sylvaticum Vaatplanten Bittere veldkers Cardamine amara Vaatplanten
3
‘’Intern leidt vooral verdroging vaak tot verzuring en vermesting. Periodiek hoge waterstanden stimuleren een goede strooiselafbraak, een betere basenverzadiging, afvoer van stikstof en de vastlegging van fosfaat. Wanneer grondwater niet meer periodiek tot in de humeuze bovengrond stijgt, kan dus tevens verzuring en/of eutrofiering gaan optreden. De strooiselafbraak wordt door de verzuring geremd en er treedt accumulatie van grof organisch materiaal op. Onder de zure omstandigheden verloopt ook nitrificatie, de omzetting van ammonium naar nitraat, minder snel. En omdat er wat dieper in de bodem ook geen natte, zuurstofloze condities meer zijn waaronder nitraat kan worden omgezet in gasvormig stikstof (denitrificatie), nemen de stikstofverliezen uit het systeem af. Fosfaat ten slotte, kan niet meer binden aan met het grondwater meekomend ijzer of calcium en blijft dus in verhoogde mate beschikbaar na verdroging. Aangezien de meeste vochtige bossen van oorsprong enig reliëf bezitten, is het aangetaste oppervlak groter naarmate de daling van de grondwaterstanden groter is. Belangrijker nog is dat de lokale nat-droog gradiënten verdwijnen, en hiermee ook de biodiversiteit’’ (Burg et al., 2016). 36
Nederlandse naam Stijve zegge Elzenzegge Gladde zegge Pluimzegge Hangende zegge Hoge cyperzegge Slanke zegge Verspreidbladig goudveil Paarbladig goudveil Alpenheksenkruid Kleine heksenkruid Moerasstreepzaad Hondstarwegras Schaafstro Bospaardenstaart Reuzenpaardenstaart Knikkend nagelkruid Waterviolier Groot springzaad Grote/Kleine gele dovenetel Boswederik Grote keverorchis Eenbes Groot hoefblad Zwartblauwe rapunzel Witte rapunzel Slanke sleutelbloem Gulden boterbloem Zwarte bes Bloedzuring Blauw gildkruid Grote muur Bosmuur Kleine valeriaan Bosereprijs
Wetenschappelijke naam Carex elata Carex elongata Carex laevigata Carex paniculata subsp. Paniculata Carex pendula Carex pseudocyperus Carex strigosa Chrysosplenium alternaifolium Chrysosplenium oppositifolium Circaea alpina Circaea x intermedia Crepis paludosa Elymus caninus Equisetum hyemale Equisetum sylvaticum Equisetum telmateia Geum rivale Hottonia palustris Impatiens noli-tangere Lamiastrum galeobdolon subsp. Galeobdolon/montanum Lysimachia nemorum Neottia ovata Paris quadrifolia Petasites hybridus Phyteuma nigrum Phyteuma spicatum Primula elatior Ranunculus auricomus Ribes nigrum Rumex sanguineus Scutellaria galericulata Stellaria holostea Stellaria nemorum Valeriana dioica Veronica montana
Soortgroep Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten
Tabel 5. Totaal aantal karakteristieke soorten (vaatplanten, mossen, korstmossen, paddenstoelen) voor de selectie Veluwse, Limburgse en Noord-Brabantse habitattypen (HCode), met drempelwaarden voor de beoordeling van het criterium Karakteristieke soorten op km-hokniveau (Bron: Janssen et al., 2020). HCode Totaal Mediaan H91E0C 54 13
37
Afbeelding 17. Aantal typische soorten van Vochtige alluviale bossen. P1: 2004-2009, P2: 2010-2015 en P3: 2016-2021. Elk km-hok met habitattype is via karakteristieke soorten beoordeeld als gunstig (blauw), matig ongunstig (oranje), zeer ongunstig (rood) of onbekend (doorzichtig, door gebrek aan data). Het kilometerhok welke overlapt met ZGH91E0C is geel omkaderd en wordt aangewezen met zwarte pijl (Bron: verkregen via medewerker provincie Limburg op 11-9-2023).
5.3.1.3
Effectbeoordeling Zoekgebied Habitattype Vochtige alluviale bossen Om te kunnen bepalen of er al dan niet sprake is van significante gevolgen door de voorliggende werkzaamheden die (tijdelijk) oppervlakteverlies en (tijdelijke) versnippering tot gevolg hebben voor Zoekgebied Habitattype Vochtige alluviale bossen, is hiervoor ‘Leidraad bepaling significantie’ (Steunpunt Natura 2000, 2010) gehanteerd, waarvan hieronder relevante teksten zijn opgenomen. De oppervlakte van een habitattype en de omvang van een leefgebied zijn ook onder natuurlijke omstandigheden nooit constant: er treden natuurlijke fluctuaties op. Voor zover fluctuaties toe te schrijven zijn aan concrete projecten (met uitzondering van het beheer dat gericht is op de instandhoudingsdoelstellingen), behoren ze niet tot natuurlijke fluctuaties. Hoe moet nu de instandhoudingsdoelstelling worden geïnterpreteerd? En hoe moet het verwachte effect daartegen worden afgezet? De instandhoudingsdoelstelling is afgeleid van de oppervlakte zoals die aanwezig was op het moment van definitieve aanwijzing. Voor het Habitattype Vochtige alluviale bossen geldt in Maasduinen behoud van oppervlakte. In de Natuurdoelanalyse Maasduinen is als gewenste omgevingsconditie voor dit habitattype voor het ‘Criterium Oppervlakte behoefte’ verder opgenomen dat er sprake is van >20 ha (Elzenbroek) of >10 ha (Elzenbronbos incl.
aansluitend beekbegeleidend bos). Het is verder de bedoeling van de instandhoudingsdoelstelling dat de oppervlakte gemiddeld over een langjarige periode niet mag afnemen. Het gaat om het langjarige gemiddelde. Welke periode daarvoor moet worden aangehouden, is afhankelijk van het habitattype. Omdat er in het aanwijzingsbesluit geen periode wordt genoemd, kan er dan het beste worden uitgegaan van een periode van vijf tot tien jaar. Met deze natuurlijke fluctuatie mag rekening worden gehouden bij het beantwoorden van de vraag of de verwachte afname ook echt zal leiden tot het niet halen van de instandhoudingsdoelstelling. De afname zal namelijk alleen dán significant zijn als het langjarig gemiddelde daardoor lager zal worden. Bij de berekening van het langjarig gemiddelde wordt het effect van de ingreep uiteraard niet meegenomen. Wanneer verwacht mag worden dat door natuurlijke fluctuaties een bepaalde afname zó kan worden opgevangen dat het langjarige gemiddelde niet onder de instandhoudingsdoelstelling zal zakken, is er geen
38
sprake van een significant gevolg. Daarvan is onder andere sprake als er een bepaald mechanisme kan gaan optreden, waardoor de veroorzaakte additionele afname alleen tijdelijk is en gevolgd zal worden door een minstens even grote toename waarna het natuurlijke patroon zich weer instelt. Dit wordt ook wel de veerkracht van een gebied genoemd. Om een voorbeeld te noemen: pioniervegetaties fluctueren van nature sterk in oppervlakte. Een ingreep zal niet snel leiden tot een significant gevolg. Een ingreep die leidt tot een tijdelijke afname is in dit geval dus mogelijk wel toegestaan maar een ingreep als permanente bebouwing niet. Het gaat in de instandhoudingsdoelstelling immers niet om ‘behoud van herstelvermogen’, maar om ‘behoud van oppervlakte’. Jaarlijkse fluctuaties in oppervlakte en aantallen in de orde van grootte van tientallen procenten doen zich in de praktijk voor. Dit kan zijn oorzaak vinden in natuurlijke condities in het gebied zelf, maar ook buiten het gebied. Wanneer een effect in de orde van tienden van procenten zich voordoet tegen een spreiding van tientallen procenten per jaar zal minder gauw tot een oordeel ‘significant gevolg’ gekomen worden dan wanneer er sprake is van een effect in de orde van de maximale natuurlijke fluctuatie.
Evenmin kan echter worden gesteld dat een verwachte afname (bijvoorbeeld 5%) die geringer is dan de bandbreedte van de natuurlijke fluctuaties (bijvoorbeeld plus of min 10%) nooit een significant gevolg opleveren. Aangetoond zal moeten worden dat die 5% afname niet zal leiden tot een verlaging van het (toekomstige) langjarige gemiddelde, dus dat de veerkracht de afname kan opvangen.
Conclusies Het aanwezige habitattype Vochtige alluviale bossen binnen Natura 2000-gebied Maasduinen is soortenarm en scoort onvoldoende (provincie Limburg, 2022b). De score die is gegeven aan de onderzochte locatie Zoekgebied Habitattype Vochtige alluviale bossen, kijkend naar de aanwezige karakteristieke soorten die horen bij dit habitattype, is beoordeeld als ‘niet-Goed’ en ‘zeer ongunstig’. Als we verder kijken naar de betreffende locatie met het Zoekgebied Habitattype Vochtige alluviale bossen waar sprake gaat zijn van tijdelijk oppervlakteverlies, dan is hier te zien dat direct grenzend aan deze locatie populieren zijn aangeplant. Populieren houden van een voedselrijke bodem. Vochtige alluviale bossen zijn van nature niet voedselarm, maar de toename van stikstof (atmosfeer), in combinatie met fosfaat (beekwater) leidt in veel gevallen tot weelderige brandnetelgroei. Dit wordt bevestigd door het veldonderzoek dat heeft plaatsgevonden en waarbij grote brandnetel (voorkeur voor (zeer) voedselrijke bodems) op deze locatie in ruime mate aangetroffen is. Tevens kan de aanwezigheid van grote brandnetel duiden op een verdroogde situatie. In AERIUS Monitor is opgenomen dat de totale oppervlakte waarop de varianten van het habitattype Vochtige alluviale bossen daadwerkelijk voorkomen binnen Maasduinen 33,43 ha. bedraagt.
Het oppervlak aan zoekgebied dat tijdelijk verloren gaat bedraagt in totaal 397 m2. Hiervan betreft 319 m2 permanent ruimtebeslag en 78m2 tijdelijk ruimtebeslag (zie bijlage 3). Een oppervlakte van 397 m2 is minder dan een 0,5% van het totale oppervlak waarop het habitattype voorkomt binnen Maasduinen. Dit percentage ligt vele malen lager dan de bandbreedte van natuurlijke fluctuaties van plus of min 10% die worden aangehouden in de ‘Leidraad bepaling significantie’. Op basis van het voorgenoemde kan geconcludeerd worden dat het zeer beperkte en tijdelijke oppervlakteverlies en als gevolg hiervan tevens de tijdelijke versnippering, geen significant negatieve effecten tot gevolg hebben. Zodoende is er geen noodzaak tot het treffen van mitigerende maatregelen. Desalniettemin is er vanuit het project voor gekozen om wel maatregelen te treffen, waardoor het project uiteindelijk juist een versterkend effect gaat hebben op het betreffende Habitattype. Zie hiervoor de uitwerking in paragraaf 5.8.
5.3.2
Effectbeoordeling op Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten Indirecte effecten van oppervlakteverlies en versnippering via externe werking zijn mogelijk indien aangewezen Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten leefgebied hebben in het projectgebied. Van de aangewezen soorten voor het Natura 2000-gebied Maasduinen is bekend dat alleen de bever en de kleine modderkruiper leefgebied hebben binnen het projectgebied (NDFF). Voor de overige soorten kunnen negatieve effecten op voorhand worden uitgesloten. Het is bekend dat bever en kleine modderkruiper hun leefgebied hebben in het deelgebied Barbara’s Weerd (onderdeel van het projectgebied). 39
Langs de Lingesfortbeek en de watergangen aan de rand van de kasteeltuinen zijn vraatsporen van bever aangetroffen. Een zichtbare burchtlocatie is op geen van deze onderzoekslocaties aangetroffen. Aan de Lingesfortbeek is wel een oud oeverhol aangetroffen (Kragten, 2023b). Volgens de data van de NDFF is een bewoonde burchtlocatie aanwezig in een ruimte onder de watermolen. Inmiddels is bekend dat bever rondom het rad heeft geleefd. Een burcht was hier niet aanwezig. Echter werd de kelder van Graanbranderij De IJsvogel in de winter wel gebruikt als tijdelijke verblijfplaats. Gezien de overlast die dit met zich meebracht, is de kelder nu door derden beverdicht gemaakt. (Graanbranderij De IJsvogel, 2023) Verder zijn langs de Maas vraatsporen waargenomen van bever. Een burchtlocatie is hier niet aangetroffen (Kragten, 2023b). Ter hoogte van de projectlocatie is een enkele waarneming (waarneming afkomstig van Waterschap Limburg) van de kleine modderkruiper bekend in 2020 in de Lingsforterbeek (NDFF). Voor beide soorten geldt dat gevoeligheid voor oppervlakteverlies, versnippering en mechanische effecten bekend is. Gezien het gebied weer ingericht gaat worden met natuur en gegeven de tijdelijke aard van de werkzaamheden, kan er zodoende uitgesloten worden dat er sprake is van afname van beschikbaar oppervlak aan leefgebied en het uiteenvallen van het leefgebied van beide soorten.
Hiermee zijn met de voorziene ingrepen binnen deelgebied Barbara’s Weerd significante gevolgen, als gevolg van oppervlakteverlies en versnippering, voor de instandhoudingsdoelstellingen van de aangewezen soorten uitgesloten. Onder mechanische effecten vallen verstoring door betreding, golfslag, luchtwervelingen etc. die optreden ten gevolge van menselijke activiteiten. Verstoring door mechanische effecten kunnen aan de orde zijn bij onder andere heiwerkzaamheden. Er gaan binnen het plangebied stalen damwanden en glazen keringen geplaatst worden. Afhankelijk van de wijze waarop de damwanden en keringen aangelegd gaan worden, brengt het plaatsen van stalen damwanden per definitie de grootste mate van verstoring met zich mee. Als er sprake is van verstoring door mechanische effecten, dan betreft dit verstoring die slechts tijdelijk is van aard. Ondanks de tijdelijke aard van de verstoring kan zonder het nemen van mitigerende maatregelen niet uitgesloten worden dat als gevolg van de werkzaamheden negatieve effecten ontstaan op kleine modderkruiper. Deze mitigerende maatregelen zijn opgenomen in paragraaf 5.7. Bevers kunnen snel wennen aan menselijke activiteiten: ook in de buurt van bebouwing en in woonwijken kunnen bevers aanwezig zijn en van bijvoorbeeld de recreatieve activiteiten in de Biesbosch en Millingerwaard trekken ze zich weinig aan.
Van het verjagen of wegvangen van bevers van plekken waar ze bijvoorbeeld om (water)veiligheidsredenen niet gewenst zijn, is bekend dat dit slechts zinvol is als het hooguit suboptimaal habitat betreft. Bij wel geschikt habitat zullen bevers weer spoedig terugkeren (Bij12, 2017). Van de aangrenzende kasteeltuinen is bekend dat de bever zich hier na het wegvangen in het verleden weer opnieuw gevestigd heeft. Daarbij heeft de bever in de toekomstige situatie ook weer de mogelijkheid om verder de Lingsforterbeek op te komen, gezien er geen barrières tussen de Maas en het stroomopwaartse deel ontstaan voor de bever. Na afronding van de werkzaamheden is de functionaliteit van het leefgebied voor bever ter plaatse niet minder geschikt geworden. Op het moment dat de bever door uitvoer van de tijdelijke werkzaamheden in en rondom de Lingsforterbeek besluit de locatie te verlaten, kan op basis van bovenstaande worden aangenomen dat deze soort na afronding van de werkzaamheden weer opnieuw zijn intrede gaat doen op deze locatie. Betreffende de populatieomvang treedt hiermee zodoende geen negatief effect op op de instandhoudingsdoelstelling en zijn significant negatieve effecten uitgesloten. Hiervoor is het treffen van mitigerende maatregelen voor deze soort dan ook niet aan de orde.
5.4
Verstoring door geluid en trillingen De aangewezen soorten voor het Natura 2000-gebied Maasduinen zwarte specht, bever en kleine modderkruiper kunnen mogelijk verstoord worden door geluid en trilling. De verstorende effecten zullen in de hiernavolgende paragrafen per soort beoordeeld worden.
40
5.4.1
Zwarte specht De zwarte specht is voor Natura 2000-gebied Maasduinen aangewezen als Vogelrichtlijnsoort. In tabel 6 is te zien dat men voor dit gebied streeft naar 35 broedparen en behoud van de huidige omvang en kwaliteit van het leefgebied van de soort. Tabel 6. Vogelrichtlijnsoort zwarte specht en instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Maasduinen. Soort Status doel Aantal Omvang Kwaliteit Relatieve Kernopgaven broedparen leefgebied leefgebied bijdrage A236 – Zwarte specht
definitief
35
=
=
B1
= behoud; > uitbreiding; + ontwikkeling nieuw leefgebied; = (<) behoud oppervlakte, maar mag achteruit gaan ten gunste van een andere in besluit met name genoemde waarde. Relatieve bijdrage: A4: >75%; A3: 50-75%; A2: 30-50%; A1: 15-30%; B2: 6-15%; B1: 2-6%; C: <2%.
In tegenstelling tot een veelal negatieve trend van zwarte spechten in Nederland, heeft Maasduinen een stabiele populatie. Zwarte spechten komen overal in de beboste delen van de Maasduinen voor, hoofdzakelijk in de grote aaneengesloten bossen op de droge zandduinen. De verspreiding is vrij homogeen verdeeld over het gebied. De stand is al jaren min of meer gelijk met 29-33 paren. Onder voorbehoud van enige kleine fluctuaties zijn alle geschikte habitats bezet. Zwarte spechten hebben grote territoria die elkaar kunnen overlappen. Daarnaast leggen ze grote afstanden af om voedsel te vinden. In Nederland varieert de gemiddelde nestafstand tussen de 1200 en 1500 meter (van Maanen, 2012). Op basis van deze afstanden worden de werkelijke aantallen broedparen aanzienlijk lager ingeschat. Zo is in 2019 het aantal getelde broedparen 30. In werkelijkheid zal het aantal lager liggen. Op basis hiervan rijst de vraag of de aantallen voor de doelstelling (35) wel realistisch zijn. (Provincie Limburg, 2022b) In de rapportage van het verkennend flora- en faunaonderzoek dat is uitgevoerd door Kragten (2023c) staat beschreven dat er vanuit gegaan dient te worden dat zwarte specht onder andere op Landgoed Arcen (Habitatrichtlijngebied) zijn leefgebied heeft (zie afbeelding 18). Dit gebied grenst aan en is deels gelegen binnen het plangebied.
Zodoende dient bepaald te worden of de voorliggende werkzaamheden aan het dijktracé kunnen resulteren in een tijdelijke verstoring van broedparen van zwarte specht op Landgoed Arcen.
5.4.1.1
Effecten De voorliggende werkzaamheden aan het dijktracé kunnen resulteren in een tijdelijke verstoring van broedparen van zwarte specht op Landgoed Arcen. Wanneer verstoring van broedparen van deze soort optreedt als gevolg van de werkzaamheden (door geluid en/of trillingen), kan dit een impact hebben op het behalen van het instandhoudingsdoel met betrekking tot het aantal broedparen (bv. door afname broedsucces). Hierdoor is, zonder het nemen van mitigerende maatregelen niet uit te sluiten dat als gevolg van de werkzaamheden negatieve effecten ontstaan. In de Natuurdoelanalyse Maasduinen (provincie Limburg, 2022b) is als criterium voor oppervlakte voor zwarte specht opgenomen dat er sprake moet zijn van een ruimtelijk samenhangend bosgebied >300 ha., waarvan tenminste 75 ha. bestaat uit functioneel foerageergebied (overwegend naaldbos: grove den of fijnspar). Landgoed Arcen beslaat circa 436 ha. bosgebied. In 2019 zijn twee territoria van zwarte specht vastgesteld binnen Landgoed Arcen (Natuurgegevens Provincie Limburg, 2023). Broedparen bezitten elk een groot territorium van enkele honderden hectares (Sovon Vogelonderzoek Nederland, 2022). Met aanwezigheid van naaldbos (bestaande uit onder andere grove den), kan op basis van voorgenoemde informatie gesteld worden dat aan het criterium voor oppervlakte voor zwarte specht wordt voldaan.
Uit de bomeninventarisatie die door Kragten is uitgevoerd blijkt dat de onderzochte bomen binnen Landgoed Arcen bestaan uit de soorten beuk, zomereik, grove den en douglasspar, met een stamdiameter variërend tussen de 12 en 64 cm. Voor het criterium kwaliteit broedbiotoop dient er sprake te zijn van een ruime verspreiding van nestbomen: hoge, dikke (>40 cm dbh) en weinig vertakte bomen met gladde stam of dode naaldbomen zonder schors (oude beuk/Amerikaanse eik of dode dennen). Aan meerdere criteria kan op basis van de bomeninventarisatie gesteld worden dat hier in ieder geval aan wordt voldaan binnen Landgoed Arcen.
41
Aan het criterium kwaliteit foerageerbiotoop wordt voor zwarte specht voldaan wanneer er sprake is van een aaneengesloten bos met veel open plekken waar zon op de bodem valt. Er is staand (en liggend) aftakelend en dood hout met houtbewonende keverlarven en mieren als voedsel door gehele bosgebied aanwezig. Het aandeel naaldhout >25%, in het bijzonder grove den en fijnspar, voor foerageren. Er is een open begroeiing van struik- en kruidlaag. Landgoed Arcen bestaat uit een gemengd bos met een groot aandeel Amerikaanse eiken en beuken. Meer richting het oosten zijn oude fijnsparren aanwezig, waaronder ook een deel dode bomen die zijn aangetast door de letterzetter. Verder zijn enkele bosmierennesten op dit landgoed aanwezig en is er verder op een aantal plekke sprake van bosranden met een struiklaag (o.a. kamperfoelie). Hiermee kan gesteld wordt dat ook aan het criterium voor een van voldoende kwaliteit zijnde foerageerbiotoop voor zwarte specht wordt voldaan binnen Landgoed Arcen. Binnen een aanwezig territorium van zwarte specht wordt op Landgoed Arcen circa 0,1 ha. bos gekapt. Met een totale oppervlakte van circa 436 ha. ruimtelijk samenhangend bosgebied, blijft er hiermee ruimschoots voldoende leefgebied en broedbiotoop voor zwarte specht aanwezig binnen het territorium.
Zoals hierboven verder staat toegelicht zijn er verspreid door het landgoed tevens voldoende alternatieve geschikte nestbomen aanwezig. Op het moment dat er op de aangewezen locatie binnen Landgoed Arcen werkzaamheden uitgevoerd gaan worden, kan zodoende gesteld worden dat er in het omliggende gebied voldoende geschikte uitwijkmogelijkheden voor zwarte specht aanwezig zijn die in dit gebied hun territorium hebben. Aanvullend hierop betreft zwarte specht, conform de provinciale beleidsregels passieve soortenbescherming van provincie Limburg, een categorie 4 soort. Dit houdt in dat de soort jaarlijks terugkeert naar een specifiek nest, maar voldoende flexibel is om elders een nieuw nest te bouwen. Gezien de verdere functionaliteit van het leefgebied niet in het geding komt, zijn significant negatieve effecten hiermee uitgesloten4. Met het aanplanten van nieuwe struiken en bomen na realisatie van de ingreep, wordt daarbij het verlies van geschikte nestlocaties op termijn opgeheven.
4
Op de nesten voor eenmalig gebruik bestaat een uitzondering. Dit zijn nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze nesten zijn niet jaarrond beschermd. Indien er echter zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden zijn die dit niet rechtvaardigen zijn de nesten toch jaarrond beschermd. Er dient voldoende alternatieve leefomgeving in de omgeving van het plangebied te zijn om zich elders te kunnen vestigen (Provincie Limburg, 2017).
42
Afbeelding 18. Ligging van de planlocatie (rode belijning) en Natura 2000-gebied Maasduinen (oranje vlak) in deelgebied Ravenvennen, met weergegeven het leefgebied van zwarte specht (groene vlak) en van bever en kleine modderkruiper (gele vlak) (bron: Atlas Limburg).
5.4.2
Bever De bever is voor Natura 2000-gebied Maasduinen aangewezen als Habitatrichtlijnsoort. In tabel 7 is te zien dat men voor dit gebied streeft naar uitbreiding van de populatie en behoud van de huidige omvang en kwaliteit van het leefgebied van de soort. Tabel 7. Habitatrichtlijnsoort bever en instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Maasduinen. Soort Status doel Populatie Omvang Kwaliteit Relatieve Kernopgaven leefgebied leefgebied bijdrage H1337 - Bever
definitief
>
=
=
C
= behoud; > uitbreiding; + ontwikkeling nieuw leefgebied; = (<) behoud oppervlakte, maar mag achteruit gaan ten gunste van een andere in besluit met name genoemde waarde. Relatieve bijdrage: A4: >75%; A3: 50-75%; A2: 30-50%; A1: 15-30%; B2: 6-15%; B1: 2-6%; C: <2%.
Bevers komen voor in en langs het Geldernsch-Nierskanaal en Eckeltse Beek en in het Reindersmeer en Straelensch Broek. Ook in waterrijke gebieden buiten het Natura 2000-gebied zijn bevers aanwezig zoals in de Maas, bij Klein Vink en op de Dorperheide. De bevers in beide waterlopen hebben zich op eigen kracht daar gevestigd, waarschijnlijk vanuit de Maas de waterlopen optrekkend. De populatie in het Reindersmeer bestaat uit exemplaren die elders in de provincie zijn weggevangen en hier zijn teruggeplaatst (provincie Limburg, 2022b). Voor bever geldt verder dat deze, binnen de grenzen van Natura 2000-gebied Maasduinen waar sprake is van overlap met het plangebied, zijn leefgebied heeft in de beekmonding van de Lingsforterbeek tussen de kasteeltuinen en de Maas (zie afbeelding 18). In afbeelding 11 is te zien dat een deel van de Lingsforterbeek is aangewezen als ‘Zoekgebied Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)’ van Natura 2000-gebied Maasduinen.
5.4.2.1
Effecten Uit het soortgerichte onderzoek naar bever (Kragten, 2023b) blijkt dat er een vaste rust- en verblijfplaats van de bever aanwezig is langs de Lingsforterbeek in de vorm van een oeverhol. Ook is de verwachting dat er niet zichtbare oeverholen aanwezig zijn langs deze en nabijgelegen watergangen. 43
In de monding van de Lingsforterbeek gaat een vispassage aangelegd worden en worden een kistdam en een gemaal geplaatst. Bevers kunnen snel wennen aan menselijke activiteiten: ook in de buurt van bebouwing en in woonwijken kunnen bevers aanwezig zijn en van bijvoorbeeld de recreatieve activiteiten in de Biesbosch en Millingerwaard trekken ze zich weinig aan. Van het verjagen of wegvangen van bevers van plekken waar ze bijvoorbeeld om (water)veiligheidsredenen niet gewenst zijn, is bekend dat dit slechts zinvol is als het hooguit suboptimaal habitat betreft. Bij wel geschikt habitat zullen bevers weer spoedig terugkeren (Bij12, 2017). Van de aangrenzende kasteeltuinen is bekend dat de bever zich hier na het wegvangen in het verleden weer opnieuw gevestigd heeft. Daarbij heeft de bever in de toekomstige situatie ook weer de mogelijkheid om verder de Lingsforterbeek op te komen, gezien er geen barrières tussen de Maas en het stroomopwaartse deel ontstaan voor de bever. Na afronding van de werkzaamheden is de functionaliteit van het leefgebied voor bever ter plaatse niet minder geschikt geworden. Op het moment dat de bever door uitvoer van de tijdelijke werkzaamheden in en rondom de Lingsforterbeek besluit de locatie te verlaten, kan op basis van bovenstaande worden aangenomen dat deze soort na afronding van de werkzaamheden weer opnieuw zijn intrede gaat doen op deze locatie.
Betreffende de populatieomvang treedt hiermee zodoende geen negatief effect op op de instandhoudingsdoelstelling en zijn significant negatieve effecten uitgesloten.
5.4.3
Kleine modderkruiper De kleine modderkruiper is voor Natura 2000-gebied Maasduinen aangewezen als Habitatrichtlijnsoort. In tabel 8 is te zien dat men voor dit gebied streeft naar behoud van de populatie en behoud van de huidige omvang en kwaliteit van het leefgebied van de soort. Tabel 8. Habitatrichtlijnsoort kleine modderkruiper en instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Maasduinen. Soort Status doel Populatie Omvang Kwaliteit Relatieve Kernopgaven leefgebied leefgebied bijdrage H1149 - Kleine modderkruiper
definitief
=
=
=
= behoud; > uitbreiding; + ontwikkeling nieuw leefgebied; = (<) behoud oppervlakte, maar mag achteruit gaan ten gunste van een andere in besluit met name genoemde waarde. Relatieve bijdrage: A4: >75%; A3: 50-75%; A2: 30-50%; A1: 15-30%; B2: 6-15%; B1: 2-6%; C: <2%.
Het leefgebied van de kleine modderkruiper is in Natura 2000-gebied Maasduinen beperkt tot de Eckeltse Beek en Geldernsch-Nierskanaal (provincie Limburg, 2022b). Voor kleine modderkruiper geldt verder dat deze zijn leefgebied heeft in en rondom de Lingsforterbeek (zie afbeelding 18). In afbeelding 11 is te zien dat een deel van de Lingsforterbeek is aangewezen als ‘Zoekgebied Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)’ van Natura 2000-gebied Maasduinen.
5.4.3.1
Effecten De kleine modderkruiper heeft een voorkeur voor stilstaand tot langzaam stromende ondiepe wateren met een rijke plantenbegroeiing en een zandige of met dunne sliblaag bedekte bodem. De soort komt in vrijwel heel Nederland voor in sloten, vaarten, kanalen, riviertjes, beken, plassen en meren. Kleine modderkruipers zijn met name in de schemering en ’s nachts actief, overdag rusten ze verscholen tussen de vegetatie of ingegraven in de bodem met enkel hun kop eruit stekend. De paaitijd loopt van april tot juli (Ravon, 2023). In de monding van de Lingsforterbeek wordt een vispassage aangelegd en worden een kistdam en een gemaal geplaatst. Trilling en geluid veroorzakende graafwerkzaamheden in de waterloop gaan hiermee een verstorend effect hebben op de kleine modderkruiper. Betreffende de populatieomvang treedt hiermee dan naar verwachting een negatief effect op op de instandhoudingsdoelstelling (behoud). Om te voorkomen dat er negatieve effecten optreden op de soort en de functionaliteit van het leefgebied ter plaatse, dient er zodoende tijdens de aanlegfase gemitigeerd te worden. Deze mitigerende maatregelen zijn opgenomen in paragraaf 5.7.
44
5.5
Verstoring door licht en optische verstoring
5.5.1
Effecten In de uitvoeringsfase kan bouwverlichting (extra verlichting ten opzichte van wat in de huidige situatie reeds aanwezig is) binnen de planlocatie nodig zijn. Dit kan zorgen voor lichtverstrooiing binnen de planlocatie en de directe omgeving. De verstoringscontour van lichtverstrooiing is afhankelijk van het type verlichting en de oriëntatie van de lichten. De verlichting kan zorgen voor verstoring wanneer hierdoor het leefgebied van aangewezen soorten van Natura 2000-gebied Maasduinen (tijdelijk) minder geschikt wordt voor deze soorten. Ook kan sprake zijn van een indirecte aantasting van habitattypen wanneer verstoring van de hierbinnen aanwezige habitattypische soorten optreedt. Daarnaast vindt mogelijk optische verstoring plaats door de (verhoogde) aanwezigheid van mensen en groot materiaal binnen de planlocaties. Voor de relevante planlocaties, op meerdere locaties gelegen op korte afstand van/binnen Natura 2000-gebied Maasduinen, kan verstoring door licht en optische verstoring optreden tot binnen de grenzen van het Natura 2000-leefgebied van aangewezen soorten of habitattypen met verstoringsgevoelige habitattypische soorten en/of kan sprake zijn van verstoring door licht en optische verstoring in delen van het leefgebied van aangewezen soorten buiten het Natura 2000-gebied zelf (externe werking).
Er zijn geen habitattypen aanwezig binnen Natura 2000-gebied Maasduinen die gevoelig zijn voor verstoring door licht.
5.5.1.1
Zwarte specht Aangezien er geen negatief of significant negatief effect optreedt op de vegetatie van ieder van de Habitattypen en/of Leefgebieden die binnen de invloedssfeer van de verlichtingscontouren en optische verstoring liggen tijdens de uitvoer van de werkzaamheden, kan worden gesteld dat de geschiktheid van het leefgebied voor zwarte specht niet afneemt: de voedselbeschikbaarheid en het aantal nestlocaties zal niet veranderen. De kleine, tijdelijke projectbijdrage heeft zodoende geen negatief of significant negatief effect op de voor de zwarte specht relevante aangewezen leefgebieden in Maasduinen.
5.5.1.2
Bever Bevers kunnen snel wennen aan menselijke activiteiten: ook in de buurt van bebouwing en in woonwijken kunnen bevers aanwezig zijn en van bijvoorbeeld de recreatieve activiteiten in de Biesbosch en Millingerwaard trekken ze zich weinig aan. Van het verjagen of wegvangen van bevers van plekken waar ze bijvoorbeeld om (water)veiligheidsredenen niet gewenst zijn, is bekend dat dit slechts zinvol is als het hooguit suboptimaal habitat betreft. Bij wel geschikt habitat zullen bevers weer spoedig terugkeren (Bij12, 2017). Van de aangrenzende kasteeltuinen is bekend dat de bever zich hier na het wegvangen in het verleden weer opnieuw gevestigd heeft. Na afronding van de werkzaamheden is de functionaliteit van het leefgebied voor bever ter plaatse niet minder geschikt geworden. Op het moment dat de bever door uitvoer van de tijdelijke werkzaamheden in en rondom de Lingsforterbeek besluit de locatie te verlaten, kan op basis van bovenstaande worden aangenomen dat deze soort na afronding van de werkzaamheden weer opnieuw zijn intrede gaat doen op deze locatie. Betreffende de populatieomvang treedt hiermee zodoende geen negatief effect op, door verstoring door licht en optische storing, op de instandhoudingsdoelstellingen en zijn significant negatieve effecten uitgesloten. Hiervoor is het treffen van mitigerende maatregelen voor deze soort dan ook niet aan de orde.
5.5.1.3
Kleine modderkruiper De instandhoudingsdoelstelling die er ligt voor de kleine modderkruiper voor Natura 2000-gebied Maasduinen betreft behoud van de populatie en behoud van de omvang van en de kwaliteit van het leefgebied. Er dient zodoende voor gezorgd te worden dat de verspreiding van de kleine modderkruiper niet achteruit gaat door de werkzaamheden en dat de omvang en kwaliteit van het leefgebied behouden blijft. Werkzaamheden aan de Lingsforterbeek kunnen tot gevolg hebben dat individuen worden gedood en de functionaliteit van het leefgebied ter plaatse wordt aangetast, waarmee achteruitgang van de populatie optreedt. Om te voorkomen dat er negatieve effecten optreden op de instandhoudingsdoelstellingen voor de soort, dient er zodoende gemitigeerd te worden. Deze mitigerende maatregelen zijn opgenomen in paragraaf 5.7.
45
5.6
Verandering in populatiedynamiek
5.6.1
Effect De storende factor verandering in populatiedynamiek treedt op indien er een direct effect is van een activiteit op de populatie-opbouw en/of populatiegrootte. Er wordt hier vooral gedoeld op de situatie wanneer er sprake is van sterfte van individuen door wegverkeer, windmolens, of door jacht of visserij. (Synbiosys, 2023) Met het uitgevoerde nader soortenonderzoek naar bever (Kragten, 2023b) is bekend dat er binnen en grenzend aan het plangebied een oeverhol en op meerdere locaties vraatsporen aanwezig zijn. Verandering in de populatiedynamiek van bever door sterfte wordt tijdens de uitvoer van de werkzaamheden voorkomen door de mitigerende maatregelen die er in het kader van soortenbescherming onder de Wnb voor deze soort reeds zijn opgesteld. Zie hiervoor het opgestelde Activiteitenplan (Kragten, 2023d). Significant negatieve effecten door verandering in populatiedynamiek voor bever zijn hiermee zodoende u tgesloten. In 2020 is er een enkele waarneming van kleine modderkruiper bekend ter hoogte van de projectlocatie in de Lingsforterbeek (NDFF). Er is zodoende sprake van aanwezigheid van deze aangewezen habitatrichtlijnsoort binnen en in de directe omgeving van de projectlocatie.
Zonder het treffen van mitigerende maatregelen voor deze soort kan op voorhand niet met zekerheid vastgesteld worden dat er met de uitvoer van de werkzaamheden geen sprake is van aantasting van de populatie-opbouw en/of populatiegrootte. In paragraaf 5.7 zijn hiertoe de te nemen mitigerende maatregelen voor kleine modderkruiper opgenomen.
5.7
Mitigerende maatregelen
5.7.1
Mitigerende maatregelen kleine modderkruiper De kleine modderkruiper is aangewezen als Habitatrichtlijnsoort voor Natura 2000-gebied Maasduinen. Gezien deze soort zijn leefgebied heeft binnen het projectgebied, welke ligt binnen en grenst aan Natura 2000-gebied Maasduinen, moet ook gekeken worden naar indirecte effecten via externe werking. De instandhoudingsdoelstelling die er ligt voor deze soort voor Maasduinen, betreft behoud van de populatie in het gebied. Er dient zodoende voor gezorgd te worden dat de verspreiding van de kleine modderkruiper niet achteruit gaat door de werkzaamheden. Om te voorkomen dat er negatieve effecten optreden op de soort, dient er zodoende gemitigeerd te worden voor de volgende storingsfactoren: mechanische effecten, geluid, trillingen, licht, optische verstoring en verandering in populatiedynamiek. Maatregelen: Voer geen werkzaamheden uit in de watergangen in de meest kwetsbare periode kleine modderkruiper (december t/m september) (voortplanting en overwintering) (zie tabel 9). Maak geen gebruik van verlichting na zonsondergang en voor zonsopkomst ter plaatse van watergangen in de meest kwetsbare periode van kleine modderkruiper (december t/m september) (voortplanting en overwintering), bij benadering betreft de periode waarin verlichting gebruikt kan worden oktober en november (zie tabel 9).