080 Bijl14 BP toelichting_Bijlage 13 Voortoets Natura-2000.pdf
Tekst van het document
28
5.3.2
Oppervlakteverlies en versnippering Kenmerk Oppervlakteverlies: Afname beschikbaar oppervlak leefgebied soorten en/of habitattypen (Synbiosys, 2023). Versnippering: Van versnippering is sprake bij het uiteenvallen van het leefgebied van soorten (Synbiosys, 2023). Directe effecten aanlegfase (inclusief vispassage) Directe effecten van de verstoringsaspecten oppervlakteverlies en versnippering zijn relevant voor locaties waar werkzaamheden plaatsvinden binnen de contouren van een Natura 2000-gebied. In de onderstaande afbeelding zijn de aanwezige kwalificerende habitattypen weergegeven die gelegen zijn binnen en in de nabijheid van de zuidelijke punt van het plangebied. Voor de rest van het plangebied geldt dat deze het Natura 2000-gebied Maasduinen niet doorkruist (zie afbeelding 10) en hier zodoende geen sprake is van oppervlakteverlies van habitattypen en versnippering van leefgebied van soorten door het ruimtebeslag voor het dijktracé. De zuidelijke punt van het plangebied is gelegen binnen het deelgebied Leermarksche-, Lommer- en Schandelosche heide van Natura 2000-gebied Maasduinen (zie afbeelding 12). Dit deelgebied betreft een Habitatrichtlijngebied. Binnen Landgoed Arcen (oostelijke deel op de afbeelding) bestaat het Natura 2000-gebied uit een bosgebied.
Op de locatie waar hier de planlocatie het Natura 2000-gebied doorkruist, is voor een deel sprake van een dood areaal bos (hier gaat >1000 vierkante meter bos gekapt worden en waar na afronding van de werkzaamheden herplant plaatsvindt). Ten zuiden van de planlocatie op Landgoed Arcen liggen de aangewezen gebieden voor de habitattypes Hoogveenbossen (H91D0) en Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) (H91E0C). Op deze locatie vindt geen overlap plaats van de planlocatie met een habitattype. De aanwezigheid van het werkmaterieel en de noodzakelijke kap van bomen (totale oppervlakte ca. 8535 m2 en ca. 7% hiervan dat bestaat uit dood hout) zorgt op deze locatie niet voor een merkbare afname (ten opzichte van de huidige oppervlakte van het bosgebied op deze locatie (landgoed Arcen beslaat 436 ha.)) in de beschikbaarheid van geschikt leefgebied zoals rust- en foerageergebied voor aangewezen habitat- en vogelrichtlijnsoorten. Voor alle aangewezen soorten voor Natura 2000-gebied Maasduinen heeft alleen de zwarte specht leefgebied binnen landgoed Arcen. Voor deze soort geldt dat het reguliere bosbeheer waarin dood hout blijft liggen, en de realisatie van heidecorridors waar mieren in de nieuwe bosranden van profiteren, gunstig zijn voor voldoende draagkracht van het gebied. (Provincie Limburg, 2020b).
Men is verder voornemens om bij de aanleg van een verholen kering in de Maasduinen de aanwezige grond onder de roofgrond opzij te zetten en deze weer terug te leggen, opdat de kwaliteit van de grond met de vegetaties behouden blijft. In afbeelding 12 is te zien dat het plangebied in het noordwesten op de kaart over een oppervlakte van 422 m2 het zoekgebied van habitattype Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) doorkruist. Veldbezoek moet uitwijzen of op voorhand negatieve effecten uitgesloten kunnen worden, of dat nader onderzoek naar de instandhoudingsdoelstellingen nodig is. De overige oppervlakten die te zien zijn in afbeelding 12 (in natuurgebied Barbara’s Weerd), waar ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden binnen het Natura 2000-gebied, herbergen geen habitattypen. In Barbara’s Weerd is men voornemens om de grond onder roofgrond op de bestaande dijk die wordt afgegraven her te gebruiken voor de nieuw te realiseren dijk/hoge grond in het gebied. Hiermee streeft men naar het behoud van de aanwezige vegetaties in het gebied. Het gebied zal hiernaast verder worden ingericht voor natuur.
Gezien het gebied weer ingericht gaat worden met natuur en gegeven de tijdelijke aard van de werkzaamheden, kan er zodoende uitgesloten worden dat er sprake is van afname van beschikbaar oppervlak aan leefgebied van soorten en/of habitattypen en het uiteenvallen van het leefgebied van soorten.
29
Afbeelding 12. Ligging van de zuidelijke punt van de planlocatie en de habitattypen in deelgebied Leermarksche-, Lommer- en Schandelosche heide (bron: Atlas Limburg).
30
Indirecte effecten aanlegfase (inclusief vispassage) Indirecte effecten van oppervlakteverlies en versnippering via externe werking zijn mogelijk indien aangewezen Habitatsoorten leefgebied hebben in het projectgebied. Van de aangewezen habitatsoorten voor het Natura 2000-gebied Maasduinen is bekend dat alleen de bever en de kleine modderkruiper leefgebied hebben binnen het projectgebied (NDFF). Voor de overige soorten kunnen negatieve effecten op voorhand worden uitgesloten. Langs de Lingesfortbeek en de watergangen aan de rand van de kasteeltuinen zijn vraatsporen van bever aangetroffen. Een zichtbare burchtlocatie is op geen van deze onderzoekslocaties aangetroffen. Aan de Lingesfortbeek is wel een oud oeverhol aangetroffen (Kragten, 2023a). Volgens de data van de NDFF is een bewoonde burchtlocatie aanwezig in een ruimte onder de watermolen. Inmiddels is bekend dat bever rondom het rad heeft geleefd. Een burcht was hier niet aanwezig. Echter werd de kelder van Graanbranderij De IJsvogel in de winter wel gebruikt als tijdelijke verblijfplaats. Gezien de overlast die dit met zich meebracht, is de kelder nu door derden beverdicht gemaakt. (Graanbranderij De IJsvogel, 2023) Verder zijn langs de Maas vraatsporen waargenomen van bever. Een burchtlocatie is hier niet aangetroffen (Kragten, 2023a).
Ter hoogte van de projectlocatie is een enkele waarneming van de kleine modderkruiper bekend in 2020 in de Lingsforterbeek (NDFF). Ondank de tijdelijke aard van de verstoring kan zonder het nemen van mitigerende maatregelen niet uitgesloten worden dat als gevolg van de werkzaamheden negatieve effecten ontstaan op bever en kleine modderkruiper. Dit onderdeel moet voor de betreffende soorten passend beoordeeld worden Effect gebruiksfase In de gebruiksfase is van oppervlakteverlies en versnippering geen sprake. Met de nieuw aan te leggen dijk wordt de grond die gelegen is binnen Natura 2000-gebied Maasduinen enkele meters opgehoogd, waarop bomen herplant gaan worden (Landgoed Arcen). Tevens is men voornemens om de grond onder de roofgrond van de huidige dijk naar de nieuw aan te leggen dijk te verplaatsen, waarmee deze grond in het gebied herbruikt gaat worden (Barbara’s Weerd en Maasduinen). Hiermee is geen sprake van extra ruimtebeslag binnen het Natura 2000-gebied. Zodoende kan een negatief effect hiermee worden uitgesloten.
5.3.3
Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht Kenmerk Verzuring door stikstof uit de lucht: Verzuring van bodem of water is een gevolg van de uitstoot (emissie) van stikstof (stikstofoxide (NOx), ammoniak (NH3)). Deze verzurende stoffen komen via lucht of water in de grond terecht en leiden aldus tot het zuurder worden van het biotische milieu. De belangrijkste bronnen van verzurende stoffen zijn de landbouw, het verkeer en de industrie. (Synbiosys, 2023) Vermesting door stikstof uit de lucht: Vermesting is in dit geval de 'verrijking' van ecosystemen door stikstofdepositie. Het gaat daarbij om aanvoer door de lucht (droge en natte neerslag van ammoniak en stikstofoxiden) LET OP: vermesting kan ook optreden door nitraat- en fosfaataanvoer via het oppervlaktewater. (Synbiosys, 2023) Effect aanlegfase Tabel 5 toont de oppervlaktes van alle stikstofgevoelige habitattypen die in het gebied voorkomen. Tabel 5. Stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden en de relevant gekarteerde oppervlaktes voor Natura 2000-gebied Maasduinen. Habitattype en leefgebieden
Relevant gekarteerd (ha)*
H2310 Stuifzandheiden met struikhei
23,94
H2330 Zandverstuivingen
96,08
H3130 Zwakgebufferde vennen
55,58
H3160 Zure vennen
19,79
H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden)
59,45
31
Habitattype en leefgebieden
Relevant gekarteerd (ha)*
H4030 Droge heiden
264,48
H6120 Stroomdalgraslanden
< 1,00
H6430C Ruigten en zomen (droge bosranden) H7110B Actieve hoogvenen (heideveentjes)
< 1,00 7,04
H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen
16,64
H9120 Beuken-eikenbossen met hulst
2,61
H9190 Oude eikenbossen
4,32
H91D0 Hoogveenbossen
30,00
H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) H91F0 Droge hardhoutooibossen
33,43 1,40
L3130 Zwakgebufferde vennen
< 1,00
Lg03 Zwakgebufferde sloot
< 0,10
Lg04 Zuur ven
9,21
Lg06 Dotterbloemgrasland van beekdalen Lg09 Droog struisgrasland
3,70 3,67
Lg10 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het zand- en veengebied
49,75
Lg13 Bos van arme zandgronden
2.358,65
Lg14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden
279,92
* De gekarteerde oppervlakte is het daadwerkelijke oppervlak (in ha) waar een habitat voorkomt.
Significant negatieve effecten kunnen op voorhand niet worden uitgesloten. Een AERIUS-berekening moet aantonen of er sprake is van een tijdelijke toename in stikstofdepositie op gevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Dit dient verder onderzocht te worden in een Passende Beoordeling. Effect gebruiksfase De gebruiksfase van het plangebied betreft het gereed zijnde gebied. Het gebruik is vergelijkbaar met de huidige situatie, waarbij het gebied geoptimaliseerd is onder andere in het kader van de dijkversterkings- en beekherstelopgave. Er is hierdoor in de gebruiksfase geen sprake van een toename van de stikstofdepositie. Significant negatieve effecten door de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstofdepositie op de instandhoudingsdoelstellingen van omliggende stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn op voorhand uit te sluiten. Dit betekent dat het niet noodzakelijk is om een Passende Beoordeling op te stellen vanwege stikstofdepositie en voor de beoogde gebruiksfase geen sprake is van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming.
5.3.4
Verontreiniging Kenmerk Er is sprake van verontreiniging als er verhoogde concentraties van stoffen in een gebied voorkomen, welke stoffen onder natuurlijke omstandigheden niet of in zeer lage concentraties aanwezig zijn. Bij verontreiniging is sprake van een zeer brede groep van ecosysteem-/gebiedsvreemde stoffen: organische verbindingen, zware metalen, schadelijke stoffen die ontstaan door verbranding of productieprocessen, straling (radioactief en niet radioactief), geneesmiddelen, endocrien werkende stoffen etc. Deze stoffen werken in op de bodem, grondwater, lucht. (Synbiosys, 2023). Effect aanlegfase plangebied exclusief vispassage Uit de effectenindicator blijkt dat er voor de activiteit ‘Kust- en dijkverbetering’ binnen Natura 2000-gebied Maasduinen geen habitattypen/leefgebieden, habitat- en vogelrichtlijnsoorten zijn die hiervoor gevoelig zijn. Omdat verontreiniging op veel vlakken effecten met zich mee kan brengen, is dit hieronder wel nader beschouwd. Bekend is dat de uiterwaarden van de Maas door overstromingen in het verleden diffuus
32
verontreinigd zijn geraakt met onder andere zware metalen als gevolg van (historische) lozingen. In 2022 heeft met het oog op de voorgenomen dijkversterking een verkennend (water)bodemonderzoek plaatsgevonden (Geonius, 2022). Dit onderzoek is uitgebreid met een aanvullend (water)bodemonderzoek (Geonius, 2023). Op basis van deze onderzoeken (Geonius, 2022 en 2023) blijkt dat, met uitzondering van boring 29W.2A, op de hoge grond ter hoogte van de Schans overwegend lichte verontreinigingen zijn aangetoond; grotendeels diffuse verontreinigingen als gevolg van overstromingen van de Maas. Langs de provinciale weg (N271) zijn ook lichte verontreinigingen aangetoond. De overige gebieden zijn overwegend schoon. Ter plaatse van boring 29W.2A is in de bovengrond een sterke verontreiniging met arseen aangetoond. Deze boring bevindt zich onder het nieuwe dijktracé. Deze verontreiniging wordt, in combinatie met de graafwerkzaamheden voor het dijklichaam, gesaneerd. Na de sanering zijn er alleen lichte verontreinigingen aanwezig, welke geen ecologische risico’s veroorzaken. Als gevolg van het ontbreken van sterke verontreinigingen (gehalten >interventiewaarde) wordt hiermee zowel in de aanlegfase en de gebruiksfase geen negatief effect op het Natura 2000-gebieden verwacht.
Effect aanlegfase vispassage In tabel 6 is te zien dat uit de effectenindicator blijkt dat er voor de activiteit ‘Watergang’ binnen Natura 2000gebied Maasduinen de volgende habitatsoorten zeer gevoelig zijn voor verontreiniging: bever, kamsalamander, kleine modderkruiper en rivierdonderpad. Gevoelig voor verontreiniging zijn de habitattypen, habitatsoorten en broedvogelsoorten: Stuifzandheiden met struikhei, Zandverstuivingen, Zwakgebufferde vennen, Zure vennen, Vochtige heiden, Droge heiden, Stroomdalgraslanden, Ruigten en zomen, Actieve hoogvenen, Pioniervegetaties met snavelbiezen, Beukeneikenbossen met hulst, Oude eikenbossen, Hoogveenbossen, Vochtige alluviale bossen, Droge hardhoutooibossen, drijvende waterweegbree, gevlekte witsnuitlibel, boomleeuwerik, dodaars, geoorde fuut, grauwe klauwier, nachtzwaluw, oeverzwaluw, roodborsttapuit en zwarte specht. Tabel 6. Effectenindicator 'Maasduinen' en activiteit 'Watergang'.
Verontreiniging Storingsfactor Stuifzandheiden met struikhei Zandverstuivingen Zwakgebufferde vennen Zure vennen Vochtige heiden Droge heiden *Stroomdalgraslanden Ruigten en zomen *Actieve hoogvenen Pioniervegetaties met snavelbiezen Beuken-eikenbossen met hulst Oude eikenbossen *Hoogveenbossen *Vochtige alluviale bossen Droge hardhoutooibossen Bever Drijvende waterweegbree Gevlekte witsnuitlibel Kamsalamander Kleine modderkruiper Rivierdonderpad Boomleeuwerik (broedvogel) Dodaars (broedvogel) Dodaars (niet-broedvogel) Geoorde fuut (broedvogel) Geoorde fuut (niet-broedvogel) Grauwe Klauwier (broedvogel) Nachtzwaluw (broedvogel) Oeverzwaluw (broedvogel) Roodborsttapuit (broedvogel) Zwarte Specht (broedvogel)
7
zeer gevoelig gevoelig niet gevoelig n.v.t. onbekend
33
Op basis van de onderzoeken (Geonius, 2022 en 2023) blijkt dat de waterbodem van de watergang (Lingsforterbeek) deels sterke verontreinigingen (gehalten > interventiewaarde waterbodem) bevat met nikkel. Op basis van de onderzoeksrapportages is niet duidelijk of er plaatselijk ook sprake is van een sterke verontreiniging met arseen; leemte in kennis. De aangetoonde sterke verontreiniging kent hoogstwaarschijnlijk een natuurlijke oorsprong. De oorsprong (bron) zal ook bovenstrooms gezocht moeten worden. Nalevering zal dus mogelijk blijven vanuit de beek en specifiek in het mondingsgebied ook vanuit de Maas. De noodzakelijke en tevens zeer lokale ingrepen (ten behoeve van de aanleg van de kistdam en vispassage) in de waterbodem zijn sanerende maatregelen. Deze graafwerkzaamheden zullen slechts een tijdelijke niet significante verstoring van de waterbodem veroorzaken. Hiermee zijn negatieve effecten het Natura 2000-gebied Maasduinen uitgesloten. Of aanvullende sanerende maatregelen noodzakelijk zullen zijn is nog niet verder onderzocht; leemte in kennis. Het ingenomen standpunt van de provincie (provincie Limburg, 2023 – Communicatie via e-mail) houdt in dat het saneringsonderzoek afgerond moet zijn voordat de definitieve vergunning Wnb gebieden wordt afgegeven.
Dit nader onderzoek dient uitgevoerd te worden om te bezien of een verdere sanering van de waterbodem nuttig en noodzakelijk is om eventuele negatieve effecten in de gebruiksfase te mitigeren. Binnen dit onderzoek dient ook de mogelijk natuurlijke oorsprong en de herverontreiniging afgewogen te worden.
5.3.5
Verdroging Kenmerk Verdroging uit zich in lagere grondwaterstanden en/of afnemende kwel. De actuele grondwaterstand is dan lager dan de gewenste/benodigde grondwaterstand. (Synbiosys, 2023) Effect aanlegfase plangebied exclusief vispassage Uit de effectenindicator blijkt dat er voor de activiteit ‘Kust- en dijkverbetering’ binnen Natura 2000-gebied Maasduinen geen habitattypen/leefgebieden, habitat- en vogelrichtlijnsoorten zijn die hiervoor gevoelig zijn. Omdat voor vrijwel alle habitattypen binnen dit gebied geldt dat een knelpunt is gelegen in verdroging, is dit hieronder wel nader beschouwd. Voor oppervlaktewater zijn alleen de Lommerbroeklossing en de Lingsforterbeek van belang, aangezien dit de enige twee beken in het projectgebied zijn die door een Natura 2000-gebied stromen en/of in verbinding staan met een waterlichaam in een Natura 2000-gebied. Voor oppervlaktewater kan gesteld worden dat de waterstanden in de Lingsforterbeek en Lommerbroeklossing nagenoeg niet veranderen (Kragten, 2023c). De ingrepen, zoals de onderdoorgangen onder de geplande dijken, zijn zo ontworpen dat reguliere jaarlijks voorkomende waterstanden niet veranderen. De nieuwe onderdoorgangen zullen wel enige (beperkte) opstuwing veroorzaken bij piekafvoeren (die eens in de zoveel jaar voorkomen) van maximaal een paar centimeter.
Piekafvoeren zijn echter van dusdanig korte duur (< 1 dag) dat deze geen noemenswaardig effect hebben. Zowel de oppervlaktewateranalyse als de geohydrologische berekeningen laten zien dat er geen veranderingen vastgesteld worden in waterstanden. De ingreep heeft daarmee geen effect op verdroging. Hiermee kunnen significante effecten door verdroging voor Maasduinen en verder weg gelegen Natura 2000-gebieden worden uitgesloten. Effect aanlegfase vispassage In tabel 7 is te zien dat uit de effectenindicator blijkt dat er voor de activiteit ‘Watergang’ binnen Natura 2000gebied Maasduinen de volgende habitattypen en habitatsoorten zeer gevoelig zijn voor verdroging: Zwakgebufferde vennen, Zure vennen, Vochtige heiden, Ruigten en zomen, Actieve hoogvenen, Pioniervegetaties met snavelbiezen, Hoogveenbossen, Vochtige alluviale bossen, bever, gevlekte witsnuitlibel, kamsalamander, kleine modderkruiper en rivierdonderpad. Gevoelig voor verdroging zijn de broedvogelsoorten: dodaars, geoorde fuut en roodborsttapuit.
34
Tabel 7. Effectenindicator 'Maasduinen' en activiteit 'Watergang'. Verdroging Storingsfactor Stuifzandheiden met struikhei Zandverstuivingen Zwakgebufferde vennen Zure vennen Vochtige heiden Droge heiden *Stroomdalgraslanden Ruigten en zomen *Actieve hoogvenen Pioniervegetaties met snavelbiezen Beuken-eikenbossen met hulst Oude eikenbossen *Hoogveenbossen *Vochtige alluviale bossen Droge hardhoutooibossen Bever Drijvende waterweegbree Gevlekte witsnuitlibel Kamsalamander Kleine modderkruiper Rivierdonderpad Boomleeuwerik (broedvogel) Dodaars (broedvogel) Dodaars (niet-broedvogel) Geoorde fuut (broedvogel) Geoorde fuut (niet-broedvogel) Grauwe Klauwier (broedvogel) Nachtzwaluw (broedvogel) Oeverzwaluw (broedvogel) Roodborsttapuit (broedvogel) Zwarte Specht (broedvogel)
8
zeer gevoelig gevoelig niet gevoelig n.v.t. onbekend
Voor de vispassage zal een verdeelwerk gerealiseerd moeten worden benedenstrooms van de duiker onder de Schans (weg). Zie afbeelding 13 voor de locatie van de vispassage. Uit de geohydrologische analyse (Kragten, 2023c) blijkt dat dit verdeelwerk bij lage afvoeren (afvoeren die drie maanden per jaar voorkomen) bovenstrooms voor enige waterstandsverlaging zal zorgen van het verdeelwerk in de Lingsforterbeek. Gezien het verhang in de Lingsforterbeek dempt deze verlaging al na circa 150 meter uit (ongeveer ter hoogte van de onderdoorgang bij Lingsforterweg). Bij hogere afvoeren (winter- en voorjaarsafvoer) loopt de verlaging door tot circa 100 meter bovenstrooms van de Leermarkt onderdoorgang. De effecten van de vispassage werken daarmee niet door tot aan dat deel van de Lingsforterbeek dat in Natura 2000-gebied ligt (namelijk bovenstrooms van de oostelijke kruising met de Lingsforterweg). De zeer droge jaren ’18, ’19, ’20 en ’22 zijn in de effectbeoordeling hierboven meegenomen. Alleen voor het jaar ’22 is deze niet volledig meegenomen, omdat in dat jaar de meetgegevens zijn uitgewerkt en deze zodoende op dat moment nog niet helemaal compleet waren. Echter verandert dit de conclusies niet, aangezien ’18, ’19 en ’20 wel meegenomen zijn (reeks loopt van ’12 tot een deel van ’22). De ingreep heeft hiermee geen effect op verdroging.
Hiermee kunnen significante effecten door verdroging voor Maasduinen en verder weg gelegen Natura 2000-gebieden met de aanleg van de vispassage worden uitgesloten.
35
Afbeelding 13. Locatie Lingsforterbeek en Lommerbroeklossing ten opzichte van Natura 2000-gebieden (grijze vlakken). Effect gebruiksfase In de gebruiksfase is sprake van dezelfde uitgangssituatie zoals hierboven is uitgewerkt voor de aanlegfase. Negatieve effecten door verdroging op Natura 2000-gebieden zijn hiermee uitgesloten.
5.3.6
Vernatting Kenmerk Vernatting manifesteert zich in hogere grondwaterstanden en/of toenemende kwel veroorzaakt door menselijk handelen. (Synbiosys, 2023) Effect aanlegfase plangebied exclusief vispassage In tabel 8 is te zien dat uit de effectenindicator blijkt dat er voor de activiteit ‘Kust- en dijkverbetering’ binnen Natura 2000-gebied Maasduinen de volgende habitattypen zeer gevoelig zijn voor vernatting: Stuifzandheiden met struikhei, Zandverstuivingen, Droge heiden en Oude eikenbossen. Gevoelig voor vernatting zijn de habitattypen en broedvogelsoorten: Stroomdalgraslanden, Ruigten en zomen, Beuken-eikenbossen met hulst, Droge hardhoutooibossen, dodaars en geoorde fuut. Tabel 8. Effectenindicator 'Maasduinen' en activiteit 'Kust- en dijkverbetering'. Storingsfactor Stuifzandheiden met struikhei Zandverstuivingen Zwakgebufferde vennen Zure vennen Vochtige heiden Droge heiden *Stroomdalgraslanden Ruigten en zomen *Actieve hoogvenen Pioniervegetaties met snavelbiezen
Vernatting 9
36
Storingsfactor Beuken-eikenbossen met hulst Oude eikenbossen *Hoogveenbossen *Vochtige alluviale bossen Droge hardhoutooibossen Bever Drijvende waterweegbree Gevlekte witsnuitlibel Kamsalamander Kleine modderkruiper Rivierdonderpad Boomleeuwerik (broedvogel) Dodaars (broedvogel) Dodaars (niet-broedvogel) Geoorde fuut (broedvogel) Geoorde fuut (niet-broedvogel) Grauwe Klauwier (broedvogel) Nachtzwaluw (broedvogel) Oeverzwaluw (broedvogel) Roodborsttapuit (broedvogel) Zwarte Specht (broedvogel)
Vernatting 9
zeer gevoelig gevoelig niet gevoelig n.v.t. onbekend
Het geohydrologisch onderzoek (Kragten, 2023c) laat zien dat de realisatie van de kwelschermen onder de dijken geen significant effect hebben op de grondwaterstanden (geen verandering in gemiddeld laagste grondwaterstand, gemiddeld hoogste grondwaterstand of gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand). Zoals besproken in paragraaf 5.3.5 (Verdroging) hebben de ingrepen geen effect op de oppervlaktewaterstanden binnen en nabij de Natura 2000-gebieden bij de jaarlijkse voorkomende afvoeren. Vanwege de wijzigingen in het dijktraject zal de Lommerbroeklossing, daar waar die onder de N271 richting de Kasteeltuinen stroomt, afsluitbaar worden. Het gebied bovenstrooms de N271 zal net zo vaak bij een Maashoogwater gaan inunderen als nu. De instroom van dit gebied (gelegen tussen Lomm en Arcen) wijzigt namelijk niet. Wel zal het geïnundeerde water na een dergelijke inundatie langer blijven staan, omdat het tijdelijk niet meer via de Lommerbroeklossing weg kan stromen (wat nu wel zou kunnen omdat er in de huidige situatie geen afsluiter is). Iets dergelijks kan eens in de 30 à 50 jaar gebeuren (Betrekkingslijnen 2020-2021). Concreet betekent dit dat eens in de 30 à 50 jaar het water bovenstrooms van de Lommerbroeklossing hoogstens een paar dagen langer blijft staan. Dat zal eenmalig tot een wat grotere vernatting in Natura 2000-gebied Maasduinen leiden.
Uiteindelijk is de verwachting dat ook deze eenmalige grotere vernatting de situatie niet veranderd in het Natura 2000-gebied en van aantasting van habitattypen hiermee geen sprake is. Nu kan het gebied al reeds onderlopen vanuit de Maas en in de toekomst ook. Daarbij zal gezien de lage stroomsnelheden het meegevoerde slib/zand vanuit de Maas naar verwachting al veel eerder neerslaan. Gezien deze beperkte terugkeertijd en het feit dat het maar voor een paar dagen is, kan hiermee worden uitgesloten dat er sprake is van significante effecten op omliggende Natura 2000-gebieden. Effect aanlegfase locatie vispassage Uit de effectenindicator blijkt dat er voor de activiteit ‘Watergang’ binnen Natura 2000-gebied Maasduinen geen habitattypen/leefgebieden, habitat- en vogelrichtlijnsoorten zijn die hiervoor gevoelig zijn. Zoals besproken in paragraaf Fout! Verwijzingsbron niet gevonden. (Verzilting) hebben de ingrepen geen effect op de waterstanden binnen en nabij Natura 2000-gebieden bij de jaarlijkse voorkomende afvoeren. De vispassage heeft alleen lokaal effect op de waterstanden, echter werken deze veranderingen niet ver
37
bovenstrooms door. De waterstandsveranderingen liggen daarmee ruim verwijderd van het nabijgelegen Natura 2000-gebied Maasduinen. De ingreep heeft daarmee geen effect op vernatting. Hiermee kunnen significante effecten door vernatting voor Maasduinen en verder weg gelegen Natura 2000-gebieden met de aanleg van de vispassage worden uitgesloten. Effect gebruiksfase In de gebruiksfase is sprake van dezelfde uitgangssituatie zoals hierboven is uitgewerkt voor de aanlegfase. Negatieve effecten door vernatting op Natura 2000-gebieden zijn hiermee uitgesloten.
5.3.7
Verandering stroomsnelheid Kenmerk Verandering van stroomsnelheid van beken en rivieren kan optreden door menselijke ingrepen zoals plaatsen van stuwen, kanaliseren of weer laten meanderen. (Synbiosys, 2023) Effect aanlegfase plangebied exclusief vispassage Uit de effectenindicator blijkt dat er voor de activiteit ‘Kust- en dijkverbetering’ binnen Natura 2000-gebied Maasduinen geen habitattypen/leefgebieden, habitat- en vogelrichtlijnsoorten zijn die gevoelig zijn voor verandering van stroomsnelheid. Voor oppervlaktewater zijn alleen de Lommerbroeklossing en de Lingsforterbeek van belang, aangezien dit de enige twee beken in het projectgebied zijn die door een Natura 2000-gebied stromen en/of in verbinding staan met een waterlichaam in een Natura 2000-gebied. Zoals te zien in afbeelding 13 lopen de Lingsforterbeek en de Lommerbroeklossing beiden door Natura 2000gebied Maasduinen. Aan de Lommerbroeklossing en de Lingsforterbeek vinden echter geen aanpassingen plaats die invloed hebben op de stroomsnelheid in deze beek in dit Natura 2000-gebied. Zo zal de onderdoorgang van de Lommerbroeklossing onder de N271 dezelfde diameter behouden. De enige ingreep die hier plaatsvindt is de onderdoorgang te voorzien van een dubbele afsluiter. Deze dubbele afsluiter wordt alleen gebruikt bij (dreiging van) hoogwater en zal niet jaarlijks gesloten worden.
Deze ingreep in de Lommerbroeklossing zal daarmee geen invloed hebben op de stroomsnelheden in Natura 2000-gebied Maasduinen en verderweg gelegen Natura 2000-gebieden. Hiermee kunnen significant negatieve effecten door verandering in stroomsnelheid voor Maasduinen en verder weg gelegen Natura 2000-gebieden worden uitgesloten. In de Lingsforterbeek vinden bovenstrooms van de watermolen geen ingrepen plaats. De geplande onderdoorgang bij de kistdam nabij de monding van de Lingsforterbeek (benedenstrooms van de watermolen), zal vispasseerbaar ingericht worden. Deze is specifiek gedimensioneerd op gunstige stroomsnelheden voor vismigratie. De onderdoorgang bij de kistdam heeft geen invloed op de bovenstroomse delen van de Lingsforterbeek en de Lommerbroeklossing. Dit omdat de beken respectievelijk tot de watermolen en tot en met de Kasteeltuinen een stuk hoger liggen dan de onderdoorgang. Effect aanlegfase vispassage Uit de effectenindicator blijkt dat er voor de activiteit ‘Watergang’ binnen Natura 2000-gebied Maasduinen geen habitattypen/leefgebieden, habitat- en vogelrichtlijnsoorten zijn die gevoelig zijn voor verandering van stroomsnelheid. De vispassage – en specifiek het verdeelwerk voor de vispassage – zal de stroomsnelheden beperkt beïnvloeden.
Lagere afvoeren (die maximaal drie maanden in het jaar voorkomen) worden via de vispassage geleidt, waardoor de stroomsnelheid bovenstrooms van het verdeelwerk niet veranderen. Bij hogere afvoeren gaat de molentak meestromen. De onttrekking van de vispassage begint op een wat lager niveau dan in de huidige situatie onttrokken wordt. Stroomsnelheid in de Lingsforterbeek zal daarom beperkt toenemen (tot maximaal 0,6 in plaats van 0,5 m/s). De stroomsnelheidsveranderingen vinden echter plaats in het benedenstroomse deel van de Lingsforterbeek en werken door tot circa 100 meter bovenstrooms van de kruisende weg Leermarkt. Aangezien het Natura 2000-gebied Maasduinen ca. 2.800 meter bovenstrooms van de Leermarkt ligt, kan gesteld worden dat de vispassage geen invloed heeft op de stroomsnelheid van de Lingsforterbeek in het aangrenzende Natura
38
2000-gebied. Hiermee kunnen significant negatieve effecten door verandering in stroomsnelheid voor Maasduinen en verder weg gelegen Natura 2000-gebieden met de aanleg van de vispassage worden uitgesloten. Effect gebruiksfase In de gebruiksfase is sprake van dezelfde uitgangssituatie zoals hierboven is uitgewerkt voor de aanlegfase. Negatieve effecten door verandering in stroomsnelheid op Natura 2000-gebieden zijn hiermee uitgesloten.
5.3.8
Verandering overstromingsfrequentie Kenmerk De duur en/of frequentie van de overstroming van beken en rivieren verandert door menselijke activiteiten. (Synbiosys, 2023). Een wijziging in inundatiefrequentie kan de ontwikkeling van flora en fauna beïnvloeden wanneer gebieden langdurig natter of droger worden. Effect aanlegfase plangebied exclusief vispassage In tabel 9 is te zien dat uit de effectenindicator blijkt dat er voor de activiteit ‘Kust- en dijkverbetering’ binnen Natura 2000-gebied Maasduinen de volgende habitatrichtlijnsoort zeer gevoelig is voor verandering overstromingsfrequentie: bever. Gevoelig voor verandering overstromingsfrequentie zijn de habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en broedvogelsoorten: Stuifzandheiden met struikhei, Zandverstuivingen, Stroomdalgraslanden, Ruigten en zomen, Pioniervegetaties met snavelbiezen, Hoogveenbossen, Vochtige alluviale bossen, Droge hardhoutooibossen, kamsalamander, kleine modderkruiper, rivierdonderpad, dodaars en geoorde fuut. Tabel 9. Effectenindicator 'Maasduinen' en activiteit 'Kust- en dijkverbetering'.
Storingsfactor Stuifzandheiden met struikhei Zandverstuivingen Zwakgebufferde vennen Zure vennen Vochtige heiden Droge heiden *Stroomdalgraslanden Ruigten en zomen *Actieve hoogvenen Pioniervegetaties met snavelbiezen Beuken-eikenbossen met hulst Oude eikenbossen *Hoogveenbossen *Vochtige alluviale bossen Droge hardhoutooibossen Bever Drijvende waterweegbree Gevlekte witsnuitlibel Kamsalamander Kleine modderkruiper Rivierdonderpad Boomleeuwerik (broedvogel) Dodaars (broedvogel) Dodaars (niet-broedvogel) Geoorde fuut (broedvogel) Geoorde fuut (niet-broedvogel) Grauwe Klauwier (broedvogel) Nachtzwaluw (broedvogel) Oeverzwaluw (broedvogel) Roodborsttapuit (broedvogel) Zwarte Specht (broedvogel)
Verandering overstromingsfrequentie 11
zeer gevoelig gevoelig niet gevoelig n.v.t. onbekend
39
Voor oppervlaktewater zijn alleen de Lommerbroeklossing en de Lingsforterbeek van belang, aangezien dit de enige twee beken in het projectgebied zijn die door een Natura 2000-gebied stromen en/of in verbinding staan met een waterlichaam in een Natura 2000-gebied. De jaarlijkse overstromingsfrequentie zal in zowel de Lingsforterbeek als de Lommerbroeklossing niet veranderen (Kragten, 2023c). In principe staat de nieuwe onderdoorgang in de monding van de Lingsforterbeek permanent open, behalve bij (dreigend) Maashoogwater. In de hoger gelegen delen – oftewel bovenstrooms van de watermolen in de Lingsforterbeek en in de Lommerbroeklossing langs de Kasteeltuinen en verder bovenstrooms – zal sowieso niets veranderen omdat hier geen (relevante) ingrepen zijn voorzien. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de afsluiter onder de N271 in gebruik blijft. Door deze afsluiter te blijven gebruiken bij hoogwater, zal de overstromingsfrequentie tussen Arcen en Lomm rondom de Lommerbroeklossing ongewijzigd blijven. Bij de monding (zie afbeelding 14) zal aan de benedenstroomse zijde van de nieuwe dijk niets veranderen qua overstromingsfrequentie, omdat deze nog steeds volledig bepaald wordt door de Maas. Aan de bovenstroomse/binnendijkse zijde zou de overstromingsfrequentie kunnen veranderen als gevolg van het sluiten van de onderdoorgang.
Er komt echter een permanent gemaal bij de onderdoorgang die de jaarlijkse terugkerende piekafvoeren van de Lingsforterbeek naar de Maas kan verpompen in geval van een Maashoogwater. Nu is de kans klein dat een Maashoogwater samenvalt met een afvoerpiek in de Lingsforterbeek die eens in de 10, 25 of 100 jaar (bijvoorbeeld) voorkomt. Het stroomgebied van de Maas dat relevant is voor een Maashoogwater ligt namelijk in de Ardennen terwijl het veel kleinere stroomgebied van de Lingsforterbeek rondom Arcen ligt. Meteorologisch gezien is de kans heel klein dat het hard en langdurig regent in zowel de Ardennen, als boven Arcen. Daarnaast (ondanks wat in 2021 is gebeurd) zullen Maashoogwaters toch vooral in de winter plaatsvinden en beekhoogwaters vooral in de vroege zomer. De kans is hiermee dan ook erg klein dat de nieuwe onderdoorgang dichtstaat vanwege een Maashoogwater en er een afvoerpiek door de Lingsforterbeek komt die groter is dan een jaarlijkse piek. Het effect van de ingreep op de overstromingsfrequentie is daarom dan ook nihil en niet significant. Hiermee kunnen significant negatieve effecten door verandering in overstromingsfrequentie voor Maasduinen en verder weg gelegen Natura 2000-gebieden worden uitgesloten.
Afbeelding 14. De hoogtekaart rondom de monding van de Lingsforterbeek in de Maas. Effect aanlegfase vispassage Uit de effectenindicator blijkt dat er voor de activiteit ‘Watergang’ binnen Natura 2000-gebied Maasduinen geen habitattypen/leefgebieden, habitat- en vogelrichtlijnsoorten zijn die gevoelig zijn voor verandering van overstromingsfrequentie. Met de aanleg van de vispassage zal geen sprake zijn van een significant effect op de wijziging in overstromingsfrequentie. Er komt bij de watermolen een watertak (de vispassage) bij, waardoor het water zich tijdens een afvoerpiek in de beek beter kan verdelen. Daarnaast ligt de Lingsforterbeek bovenstrooms van de watermolen diep ingesneden, waardoor er sowieso al geen sprake is van frequente overstromingen. Hiermee kunnen significant negatieve effecten door verandering in overstromingsfrequentie voor Maasduinen en verder weg gelegen Natura 2000-gebieden met de aanleg van de vispassage worden uitgesloten.
40
Effect gebruiksfase In de gebruiksfase is sprake van dezelfde uitgangssituatie zoals hierboven is uitgewerkt voor de aanlegfase. Negatieve effecten door verandering in overstromingsfrequentie op Natura 2000-gebieden zijn hiermee uitgesloten.
5.3.9
Verandering dynamiek substraat Kenmerk Er treedt een verandering op in de bodemdichtheid of bodemsamenstelling van terrestrische of aquatische systemen, bijvoorbeeld door aanslibbing of verstuiving (Synbiosys, 2023). Effect aanlegfase plangebied exclusief vispassage In tabel 10 is te zien dat uit de effectenindicator blijkt dat er voor de activiteit ‘Kust- en dijkverbetering’ binnen Natura 2000-gebied Maasduinen de volgende habitatrichtlijnsoort zeer gevoelig is voor verandering dynamiek substraat: kleine modderkruiper. Gevoelig voor verandering overstromingsfrequentie zijn de habitatrichtlijnsoorten: drijvende waterweegbree, gevlekte witsnuitlibel en rivierdonderpad. Tabel 10. Effectenindicator 'Maasduinen' en activiteit 'Kust- en dijkverbetering'.
Storingsfactor Stuifzandheiden met struikhei Zandverstuivingen Zwakgebufferde vennen Zure vennen Vochtige heiden Droge heiden *Stroomdalgraslanden Ruigten en zomen *Actieve hoogvenen Pioniervegetaties met snavelbiezen Beuken-eikenbossen met hulst Oude eikenbossen *Hoogveenbossen *Vochtige alluviale bossen Droge hardhoutooibossen Bever Drijvende waterweegbree Gevlekte witsnuitlibel Kamsalamander Kleine modderkruiper Rivierdonderpad Boomleeuwerik (broedvogel) Dodaars (broedvogel) Dodaars (niet-broedvogel) Geoorde fuut (broedvogel) Geoorde fuut (niet-broedvogel) Grauwe Klauwier (broedvogel) Nachtzwaluw (broedvogel) Oeverzwaluw (broedvogel) Roodborsttapuit (broedvogel) Zwarte Specht (broedvogel)
Verandering dynamiek substraat 12
zeer gevoelig gevoelig niet gevoelig n.v.t. onbekend
41
Aan de beken rondom de Natura 2000-gebied Maasduinen verandert nagenoeg niets qua stroomsnelheid of stroomrichting (zie onder andere paragraaf 5.3.7 en Kragten, 2023c). Geomorfologisch zal daarom ook geen wijziging ontstaan in de dynamiek van het substraat. Ter hoogte van de nieuwe onderdoorgang bij de monding van de Lingsforterbeek zal bij de instroom en uitstroom van de onderdoorgang een beperkte herschikking plaatsvinden van de dynamiek. Aangezien de lokale stroomsnelheden hier lokaal zeer beperkt veranderen, zal deze herschikking zich snel stabiliseren. Hiermee kunnen significant negatieve effecten door verandering in de dynamiek van het substraat (aquatisch) voor Maasduinen en verder weg gelegen Natura 2000-gebieden worden uitgesloten. De uiterwaarden (nagenoeg het gehele jaar droog) worden enkel beïnvloed door afzettingen van sediment als gevolg van een hoogwater. Deze sedimentafzetting is ter plaatse van het Natura 2000-gebied minimaal doordat deze zich veelal op de hoge gronden bevinden. Hiermee kunnen significant negatieve effecten door verandering in de dynamiek van het substraat (terrestrisch) voor Maasduinen en verder weg gelegen Natura 2000-gebieden worden uitgesloten.
Effect aanlegfase vispassage Uit de effectenindicator blijkt dat er voor de activiteit ‘Watergang’ binnen Natura 2000-gebied Maasduinen geen habitattypen/leefgebieden, habitat- en vogelrichtlijnsoorten zijn die gevoelig zijn voor verandering van dynamiek substraat. Het verdeelwerk van de vispassage zorgt voor een zeer beperkte toename van stroomsnelheid bovenstrooms van dit verdeelwerk. Deze beperkte toename ligt – afhankelijk van het afvoermoment – tussen de 0,05 tot maximaal 0,1 meter per seconde (bij piekafvoeren). Deze beperkte stroomsnelheidsverschillen zullen de dynamiek van het substraat niet significant laten veranderen. Deze stroomsnelheidsveranderingen werken door tot circa 100 meter bovenstrooms van de weg Leermarkt. Aangezien het Natura 2000-gebied Maasduinen ca. 2.800 meter bovenstrooms van de Leermarkt ligt, kan gesteld worden dat de vispassage geen invloed heeft op de verandering in de dynamiek van het substraat van de Lingsforterbeek in het Natura 2000-gebied. Hiermee kunnen significant negatieve effecten door verandering in de dynamiek van het substraat voor Maasduinen en verder weg gelegen Natura 2000-gebieden met de aanleg van de vispassage worden uitgesloten. Effect gebruiksfase In de gebruiksfase is sprake van dezelfde uitgangssituatie zoals hierboven is uitgewerkt voor de aanlegfase.
Negatieve effecten door verandering in de dynamiek van het substraat (zowel aquatisch als terrestrisch) op Natura 2000-gebieden zijn hiermee uitgesloten.
5.3.10
Verstoring door geluid en trilling Kenmerk Geluid: Verstoring door onnatuurlijke geluidsbronnen; permanent zoals geluid wegverkeer danwel tijdelijk zoals geluidsbelasting bij evenementen. Geluid is een hoorbare trilling, gekenmerkt door geluidsdruk en frequentie. (Synbiosys, 2023) Trilling: Er is sprake van trillingen in bodem en water als dergelijke trillingen door menselijke activiteiten veroorzaakt worden, zoals bij boren, heien, draaien van rotorbladen etc. (Synbiosys, 2023). Effect aanlegfase plangebied exclusief vispassage De habitattypen van Natura 2000-gebied Maasduinen zijn niet gevoelig voor geluid en trilling. Verschillende instandhoudingsdoelsoorten (bever, kleine modderkruiper en rivierdonderpad), broedvogelsoorten (grauwe klauwier, boomleeuwerik, nachtzwaluw, roodborsttapuit, zwarte specht en oeverzwaluw) als ook typische soorten3 van aangewezen habitats zijn gevoelig voor geluid en/of trillingen. Voor de oeverzwaluw geldt dat deze soort als broedvogel is verdwenen uit Maasduinen (Provincie Limburg, 2020a). Gezien de afwezigheid van deze soort is hiermee een effect in de aanlegfase dan ook niet relevant.
3 De kwaliteit van de habitattypen wordt onder meer bepaald op basis van de aanwezigheid van bepaalde typische soorten
(Ministerie van Economische Zaken, 2014).
42
Wanneer de overige bovengenoemde soorten zich ophouden in (de buurt van) de projectlocatie en er geluid en trilling veroorzakende werkzaamheden worden uitgevoerd, kan sprake zijn van negatieve effecten op de goede instandhouding van deze soorten en (indirect) habitats. Trilling veroorzakende werkzaamheden zijn bijvoorbeeld heien en het slaan van damwanden of palen. Deze verstoringsaspecten zijn van belang wanneer de verstoring optreedt binnen het leefgebied van de hiervoor gevoelige soorten. Het gaat dan zowel om verstoring door effecten die reiken tot in het Natura 2000 leefgebied van aangewezen soorten en tot binnen de habitattypen waar verstoringsgevoelige typische soorten voorkomen. Maar ook wanneer verstoring optreedt in zones buiten het Natura 2000-gebied die door de aangewezen (en voor deze aspecten gevoelige) soorten van het Natura 2000-gebied worden gebruikt als (essentieel) onderdeel van hun leefgebied (bijvoorbeeld als rust- of foerageergebied). Effecten geluid/trilling op broedvogelsoorten Voor de aangewezen broedvogelsoorten grauwe klauwier, boomleeuwerik, nachtzwaluw, roodborsttapuit en zwarte specht geldt dat zij hun leefgebied hebben in het aangewezen Vogelrichtlijngebied welke op ca. 230 m. van het dichtstbijzijnde deel van het projectgebied (Arcen noord) gelegen is (afbeelding 11).
Het gebied dat grenst aan/deels gelegen is binnen het plangebied betreft alleen Habitatrichtlijngebied. Vogelrichtlijngebied ligt hiermee op veel grotere afstand. Grauwe klauwier, boomleeuwerik, nachtzwaluw en roodborsttapuit zijn allen gebonden aan heidelandschappen en/of (met) zandverstuivingen. De meest nabije locatie van een van deze geschikte biotopen (dit betreft Droge heiden (H4030)) binnen Maasduinen ligt op circa 800 m. afstand van het plangebied. Het verste weg gelegen geschikte biotoop Stuifzandheiden met struikhei (H2310) is gelegen op een afstand van ruim 7 km van het projectgebied. Met betrekking tot effecten van geluid en trillingen op deze broedvogels kan worden gesteld dat er ten alle tijden voldoende leefgebied ter beschikking is voor de soorten om zich van de storingsbron te verwijderen. Omdat er daarbij enkel sprake is van een tijdelijke verstoring zijn blijvende, negatieve effecten op voorgenoemde broedvogels binnen Maasduinen daarom op voorhand uitgesloten. In de rapportage van het verkennend flora- en faunaonderzoek dat is uitgevoerd door Kragten (2023b) staat beschreven dat er vanuit gegaan dient te worden dat zwarte specht onder andere op Landgoed Arcen (Habitatrichtlijngebied) zijn leefgebied heeft.
De zwarte specht hakt elk jaar een nieuw nest in een dikke loofboom, vaak een oude beuk, maar ook Amerikaanse eik, grove den en lariks (Vogelbescherming, 2023). De voorliggende werkzaamheden aan het dijktracé kunnen resulteren in een tijdelijke verstoring van broedparen van zwarte specht op Landgoed Arcen. Voor deze soort zijn er geen trendgegevens beschikbaar, waarmee inzichtelijk gemaakt kan worden of de instandhoudingsdoelen met betrekking tot het aantal broedparen (broedvogels) al (ruimschoots) gehaald wordt (SOVON, 2023). Wanneer verstoring van broedparen van deze soort optreedt als gevolg van de werkzaamheden (door geluid en/of trillingen), kan dit een impact hebben op het behalen van het instandhoudingsdoel met betrekking tot het aantal broedparen (bv. door afname broedsucces). Hierdoor is, zonder het nemen van mitigerende maatregelen niet uit te sluiten dat als gevolg van de werkzaamheden negatieve effecten ontstaan. Dit onderdeel moet voor de betreffende soort passend beoordeeld worden. Effecten geluid/trilling op bever Binnen en rondom de volledige projectlocatie is op dit moment al sprake van verstoring door geluid en trilling door menselijke activiteiten in de vorm van onder andere bedrijvigheid, verkeersbewegingen en recreatie.
Ingezoomd op de zuidelijke punt van de planlocatie waar deze overlapt met Natura 2000-gebied Maasduinen (afbeelding 12) is in en rond de projectlocatie reeds sprake van verstoring door geluid en trillingen als gevolg van verkeersbewegingen over de Schans, aanwezigheid en/of beweging van mensen in het natuurgebied (recreatie) en een drukke autoweg (N271). Bij een dergelijke, regelmatige en met een zekere frequentie optredende verstoring treedt vaak gewenning op (Warren, et al., 2006). Van soorten die zich, ondanks deze sterke verstoring, hebben gevestigd in de omgeving van de planlocatie kan dan ook worden aangenomen dat deze tot op zekere hoogte gewend zijn aan verstoring door geluid en trillingen en zich hier mogelijk op hebben aangepast. Negatieve effecten op deze soorten als gevolg van een beperkte (en tevens tijdelijke) bijkomende geluidsverstoring bij de werkzaamheden binnen de planlocatie zijn daarom op voorhand uit te sluiten. Voor werkzaamheden die (plotseling) sterke (puls)geluiden en/of trillingen veroorzaken, zoals heien, gaat deze redenatie echter niet op. Hierbij spelen deels andere effecten een rol. Impulsgeluiden kunnen schrik- of vluchtreacties veroorzaken. Hier bestaan aanzienlijke verschillen tussen soort(en)(groepen) in de mate waarin
43
reacties worden veroorzaakt (Kleijn, 2008). Wat de variatie aan gevoeligheid voor impulsgeluiden veroorzaakt is onduidelijk. Wel kan er volgens gewenning optreden bij herhaalde, en vooral bij voorspelbare, blootstelling aan impulsgeluiden (Kleijn, 2008). In ditzelfde onderzoek wordt aangegeven dat er geen informatie beschikbaar is over wat voor effect blootstelling aan impulsgeluiden heeft op de populatiedynamiek. Het zijn de effecten van deze (puls)geluiden en trillingen die relevant zijn voor de effectbeoordeling. De twee meest prominente waterlopen behalve de Maas, de Eckeltsebeek en het Geldernsch-Nierskanaal vormen samen met de habitattypen Beuken-eikenbossen met hulst, Oude eikenbossen, Hoogveenbossen, Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidend; en Droge hardhoutooibossen het leefgebied van de Bever. Grenzend aan het plangebied langs de Lingsforterbeek en de watergangen aan de rand van de kasteeltuinen zijn vraatsporen van bever aangetroffen. Een zichtbare burchtlocatie is op geen van deze onderzoekslocaties aangetroffen. Aan de Lingsforterbeek is wel een oud oeverhol aangetroffen. Volgens de data van de NDFF is een bewoonde burchtlocatie aanwezig in een ruimte onder de watermolen. (Kragten, 2023a) Inmiddels is bekend dat bevers rondom het rad hebben geleefd. Een burcht was hier niet aanwezig.
Echter werd de kelder van Graanbranderij De IJsvogel in de winter wel gebruikt als tijdelijke verblijfplaats. Gezien de overlast die dit met zich meebracht, is de kelder nu door derden beverdicht gemaakt. (Graanbranderij De IJsvogel, 2023) Verder zijn langs de Maas vraatsporen waargenomen van bever. Een burchtlocatie is hier niet aangetroffen (Kragten, 2023a). Uit de effectenindicator blijkt dat bever gevoelig is voor geluid en trilling in relatie tot de voorliggende werkzaamheden. In het kennisdocument van bever (BIJ12, 2017) staat toegelicht dat binnen een straal van 100 meter rondom een burchtlocatie werkzaamheden niet zonder meer doorgang kunnen vinden en mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn. Zodoende kan verstoring van deze soort op voorhand niet worden uitgesloten. Dit onderdeel moet voor de betreffende soort passend beoordeeld worden. Effect geluid/trilling op kleine modderkruiper en rivierdonderpad De twee meest prominente waterlopen behalve de Maas, de Eckeltsebeek en het Geldernsch-Nierskanaal vormen samen met de habitattypen Beuken-eikenbossen met hulst, Oude eikenbossen, Hoogveenbossen, Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidend; en Droge hardhoutooibossen het leefgebied van de kleine modderkruiper en de rivierdonderpad binnen Natura 2000-gebied Maasduinen.
Het leefgebied van beide aangewezen soorten in de waterlichamen van het Natura 2000-gebied Maasduinen staan alleen indirect in verbinding met de projectlocatie via de Lommerbroeklossing en de Lingsforterbeek. Binnen en rondom de projectlocatie is een enkele waarneming van de kleine modderkruiper bekend in 2020 in de Lingsforterbeek (NDFF). In aanwezige wateren binnen en rondom het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van de rivierdonderpad (NDFF). Het aantal studies naar effecten van verstoring door geluid en trillingen bij vissen is nog beperkt. Geluid wordt onder andere door vissen gebruikt voor communicatie bij voortplanting en territoriaal gedrag (Kleijn, 2008). Verstoring als gevolg van de werkzaamheden zoals geluid en trillingen reiken niet/nauwelijks tot binnen dit leefgebied. Trillingen, als gevolg van de werkzaamheden, die binnen het plangebied plaatsvinden zouden immers eerst verschillende waterlopen en/of flinke stukken land moeten ‘passeren’ om vervolgens weer in het water in het leefgebied van deze soort terecht te komen. Uit onderzoek blijkt dat er nauwelijks geluidoverdracht van lucht naar water plaatsvindt (Sweco). Op basis hiervan en gezien de tijdelijke aard van de werkzaamheden, kunnen negatieve effecten op leefgebieden van kleine modderkruiper en rivierdonderpad binnen Natura 2000gebied worden uitgesloten.
Effect aanlegfase vispassage Als er ter hoogte van de te realiseren vispassage damwanden geplaatst gaan worden, dan gebeurd dit trillingsarm. Dit houdt in dat het plaatsen van de damwanden geen trillings- en geluidshinder veroorzaakt voor de omgeving. Voor de aanleg van de vispassage vinden er verder werkzaamheden in de waterloop zelf plaats. Wanneer soorten zich ophouden nabij/binnen de aanleglocatie van de vispassage en er geluid en trilling veroorzakende werkzaamheden in het water worden uitgevoerd, kan hiermee sprake zijn van negatieve effecten op de goede
44
instandhouding van deze soorten en (indirect) habitats. Trilling veroorzakende werkzaamheden zijn bijvoorbeeld graafwerkzaamheden. Dit verstoringsaspect is van belang wanneer de verstoring optreedt binnen het leefgebied van de hiervoor gevoelige soorten. Ondank de tijdelijke aard van de verstoring kan zonder het nemen van mitigerende maatregelen niet uitgesloten worden dat als gevolg van de werkzaamheden negatieve effecten ontstaan. Dit onderdeel moet voor de betreffende soort passend beoordeeld worden. Effect gebruiksfase In de gebruiksfase kan een toename van geluid/trilling ten opzichte van de huidige situatie worden uitgesloten. Zodoende kan een negatief effect op omliggende Natura 2000-gebieden en soorten hiermee worden uitgesloten.
5.3.11
Verstoring door licht Kenmerk Verstoring door kunstmatige lichtbronnen, zoals licht uit woonwijken en industrieterreinen, glastuinbouw etc. (Synbiosys, 2023). Kijkend naar de effectenindicator is geen van de kwalificerende habitattypen/leefgebieden, habitatrichtlijnsoorten en vogelrichtlijnsoorten (broedvogels) aangewezen als gevoelig voor verstoring door licht. Bekend is echter dat kunstmatige verlichting van de nachtelijke omgeving tot verstoring van het normale gedrag van soorten kan leiden. Naar mogelijke effecten is nog vrij weinig onderzoek gedaan. Veel kennis gaat daarom nog niet verder dan het kwalitatief signaleren van risico’s. Met name schemer- en nachtactieve dieren kunnen last hebben van verstoring door licht, doordat zij juist aangetrokken worden of verdreven door de lichtbron. Hierdoor raakt bijvoorbeeld hun ritme ontregeld of verlichte delen van het leefgebied worden vermeden. Effect aanlegfase inclusief vispassage In de uitvoeringsfase kan bouwverlichting (extra (bouw)verlichting ten opzichte van wat in de huidige situatie reeds aanwezig is) binnen de planlocatie nodig zijn. Dit kan zorgen voor lichtverstrooiing binnen de planlocatie en de directe omgeving. De verstoringscontour van lichtverstrooiing is afhankelijk van het type verlichting en de oriëntatie van de lichten.
Effecten verlichting op bever In deelgebied Landgoed Arcen ontbreekt geschikt habitat voor de bever. In het deelgebied Barbara’s Weerd is bekend dat bever leefgebied heeft binnen het projectgebied (zie de uitwerking in 5.3.2). Hiermee is het voorkomen van de habitatsoort bever binnen de verstoringscontour van de werkzaamheden niet uit te sluiten. De hierbinnen aanwezige individuen kunnen als gevolg van de werkzaamheden worden verstoord. Het gaat dan zowel om verstoring van individuen binnen de grenzen van het Natura 2000-gebied Maasduinen, als individuen die gebruik maken van natuurgebieden buiten Natura 2000-gebied als (essentieel) onderdeel van hun leefgebied zoals in dit geval deelgebied Barbara’s Weerd. Dit laatste betreft verstoring middels externe werking. Er gaan binnen het plangebied stalen damwanden en glazen keringen geplaatst worden. Afhankelijk van de wijze waarop de damwanden en keringen aangelegd gaan worden, brengt het plaatsen van stalen damwanden per definitie de grootste mate van verstoring met zich mee. Als er sprake is van verstoring door verlichting, dan betreft dit verstoring die slechts tijdelijk is van aard. Ondank de tijdelijke aard van de verstoring kan zonder het nemen van mitigerende maatregelen niet uitgesloten worden dat als gevolg van de werkzaamheden negatieve effecten ontstaan op bever.
Dit onderdeel moet voor de betreffende soort passend beoordeeld worden. Effecten verlichting op broedvogelsoorten Verschillende Vogelrichtlijnsoorten (broedvogels) zijn aangewezen voor Natura 2000-gebied Maasduinen: dodaars, geoorde fuut, grauwe klauwier, boomleeuwerik, nachtzwaluw, roodborsttapuit, zwarte specht en oeverzwaluw. Voor de oeverzwaluw geldt dat deze soort als broedvogel is verdwenen uit Maasduinen (Provincie Limburg, 2020a). Gezien de afwezigheid van deze soort is hiermee een effect in de aanlegfase dan ook niet relevant.
45
Wanneer verstoring van broedparen van deze soorten optreedt als gevolg van de werkzaamheden (door licht), kan dit een impact hebben op het behalen van het instandhoudingsdoel met betrekking tot het aantal broedparen (bv. door afname broedsucces). Voor de aangewezen broedvogelsoorten grauwe klauwier, boomleeuwerik, nachtzwaluw, roodborsttapuit en zwarte specht geldt dat zij hun leefgebied hebben in het aangewezen Vogelrichtlijngebied welke op ca. 230 m. van het dichtstbijzijnde deel van het projectgebied (Arcen noord) gelegen is (afbeelding 11). Het gebied dat grenst aan/deels gelegen is binnen het plangebied betreft alleen Habitatrichtlijngebied. Vogelrichtlijngebied ligt hiermee op veel grotere afstand. Met een afstand van ca. 230 m. tot het plangebied en met tussenliggend bosgebied, is verstoring door verlichting op deze soorten uit te sluiten. Grauwe klauwier, boomleeuwerik, nachtzwaluw en roodborsttapuit zijn allen gebonden aan heidelandschappen en/of (met) zandverstuivingen. De meest nabije locatie van een van deze geschikte biotopen (dit betreft Droge heiden (H4030)) binnen Maasduinen ligt op circa 800 m. afstand van het plangebied. Het verste weg gelegen geschikte biotoop Stuifzandheiden met struikhei (H2310) is gelegen op een afstand van ruim 7 km van het projectgebied.
De leefgebieden van dodaars en geoorde fuut ((ZG)H3130, Lg04, H3130 en H3160) liggen allen op een afstand van ruim 1 km en meer. Gezien de ruimte afstanden tot het plangebied en met tussenliggend bosgebied, is verstoring door verlichting op deze soorten tevens uit te sluiten. Met betrekking tot effecten van verlichting op deze broedvogels kan worden gesteld dat er ten alle tijden voldoende leefgebied ter beschikking is voor de soorten om zich van de storingsbron te verwijderen. Omdat er daarbij enkel sprake is van een tijdelijke verstoring zijn blijvende, negatieve effecten op voorgenoemde broedvogels binnen Maasduinen daarom op voorhand uitgesloten. Effect gebruiksfase In de gebruiksfase kan een toename van verlichting ten opzichte van de huidige situatie worden uitgesloten. Zodoende kan een negatief effect op omliggende Natura 2000-gebieden en soorten hiermee worden uitgesloten.
5.3.12
Optische verstoring Kenmerk Optische verstoring betreft verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen dan wel voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem (Synbiosys, 2023). Kijkend naar de effectenindicator en met ‘Kust- en dijkverbetering’ als activiteit, wordt er aangegeven dat er geen sprake is van de storingsfactor ‘optische verstoring’. Voor de activiteit ‘Watergang’ wordt deze storingsfactor niet uitgesloten. Optische verstoring leidt vooral tot vluchtgedrag van dieren. De soort reageert bijvoorbeeld op beweging omdat een potentiële vijand wordt verwacht. Andersom kan optische verstoring juist ook het uitzicht van soorten beperken waardoor zij potentiële vijanden niet zien naderen. Effect aanlegfase plangebied exclusief vispassage De gevlekte witsnuitlibel is samen met de volgende broedvogelsoorten geoorde fuut en nachtzwaluw gevoelig voor optische verstoring waarbij nachtzwaluw gebonden is aan de overgangen van open structuur naar bos. Gevlekte witsnuitlibel en geoorde fuut komen voor bij zwakgebufferde en zure vennen. Met betrekking tot optische verstoring kan worden gesteld dat, door de ligging van het plangebied aan de rand van het Natura 2000gebied, er ten alle tijden voldoende leefgebied ter beschikking is voor de soorten om zich van de storingsbron te verwijderen.
Omdat er daarbij enkel sprake is van een tijdelijke verstoring zijn blijvende, negatieve effecten op de bovengenoemde broedvogels en gevlekte witsnuitlibel binnen Maasduinen daarom op voorhand uitgesloten. Effect aanlegfase vispassage Binnen de planlocatie gaat tijdens de aanlegfase sprake zijn van een toename van de aanwezigheid van mensen en (groot) materiaal. De zuidzijde van het aan te leggen dijktracé is voor een groot deel gelegen binnen de grenzen van het Habitatrichtlijngebied van Natura 2000-gebied Maasduinen (afbeelding 12). Dit betreffen de natuurgebieden Landgoed Arcen en een deel van de Barbara’s Weerd. Habitatsoorten in Habitatrichtlijngebied kunnen in potentie verstoord raken door de werkzaamheden.
46
Er zijn verscheidene habitatsoorten voor Natura 2000-gebied Maasduinen aangewezen die gevoelig zijn voor optische verstoring. De enige twee soorten uit dit rijtje die voorkomen binnen en in de nabije omgeving van het plangebied betreffen de bever en kleine modderkruiper. Op voorhand kan zonder het nemen van mitigerende maatregelen niet uitgesloten worden dat als gevolg van de werkzaamheden negatieve effecten ontstaan op beide soorten. Dit onderdeel moet voor de betreffende soorten passend beoordeeld worden. Effect gebruiksfase De gebruiksfase van het plangebied betreft het gereed zijnde gebied. Het gebruik is vergelijkbaar met de huidige situatie. Er is hierdoor in de gebruiksfase geen sprake van een toename van optische verstoring ten opzichte van de huidige situatie. Op de locaties waar het plangebied binnen het Natura 2000-gebied Maasduinen gelegen is en/of binnen de invloedssfeer hiervan, is op dit moment geschikt leefgebied aanwezig voor bever, kleine modderkruiper. Gezien bever en kleine modderkruiper in de huidige situatie al binnen en in de nabijheid van het plangebied voorkomen, kan worden uitgesloten dat hier op dit moment sprake is van optische verstoring op deze soorten. Zodoende is een negatief effect door optische verstoring tijdens de gebruiksfase op voorhand uitgesloten.
5.3.13
Verstoring door mechanische effecten Kenmerk Onder mechanische effecten vallen verstoring door betreding, golfslag, luchtwervelingen etc. die optreden ten gevolge van menselijke activiteiten. De oorzaken en gevolgen zijn bij deze storende factor zeer divers. (Synbiosys, 2023) Effect aanlegfase inclusief vispassage Werkzaamheden waar machines bij gebruikt worden kunnen indirect leiden tot mechanische effecten. De verstoringsafstand van deze mechanische effecten is afhankelijk van de uitvoeringswijze alsook van onder andere de bodemeigenschappen. Verstoring door mechanische effecten en trillingen kunnen aan de orde zijn bij onder andere heiwerkzaamheden. De ecologische effectafstanden van trillingen door de grond zijn echter maar klein en vallen in het niet bij de effectafstand van geluidstrillingen. Gevoeligheid voor mechanische effecten is bekend bij de habitatsoorten bever, gevlekte witsnuitlibel, kamsalamander, kleine modderkruiper en rivierdonderpad. In deelgebied Landgoed Arcen ontbreekt geschikt habitat voor deze watergebonden soorten. In het deelgebied Barbara’s Weerd is bekend dat bever en kleine modderkruiper leefgebied hebben binnen het projectgebied. Er gaan binnen het plangebied stalen damwanden en glazen keringen geplaatst worden.