CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

067 Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan Koelderstraat ong. Venlo.pdf

Raadsvergadering 30 november 2022, gemeente VenloBij agendapunt: 4.1: RV 67 Vaststellen van bestemmingsplan Koelderstraat ong., Venlo.14.290 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan “Koelderstraat ong., Venlo” Gemeente Venlo Vastgesteld

Bestemmingsplan “Koelderstraat ong., Venlo” Gemeente Venlo Vastgesteld

Rapportnummer BRO:

P04862

Identificatienummer:

NL.IMRO.0983.BP202214KOELDERONG-VA01

Datum:

28 september 2022

Opdrachtgever:

Ruimte voor Ruimte Limburg C.V.

Projectteam BRO:

DAd, JvG

Concept:

februari 2022

Ontwerp:

juli 2022

Vaststelling: Trefwoorden:

Woningbouw, Ruimte voor Ruimte, Koelderstraat, Venlo, gemeente Venlo

Bron foto kaft:

Hollandse Hoogte 4

Beknopte inhoud:

Nieuw bestemmingsplan ten behoeve van de ontwikkeling van één Ruimte voor Ruimte kavel aan de Koelderstraat te Venlo in de gemeente Venlo.

BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl

TOELICHTING

Hoofdstuk 8

50

Inhoudsopgave

pagina

1. INLEIDING

3

2. BESTAANDE SITUATIE

5

3. PLANBESCHRIJVING

8

4. UITGANGSPUNTEN VAN HET BELEID 4.1 Rijksbeleid

10 10

4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening 4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking 4.2 Provinciaal beleid

10 11 11 12

4.2.1 Provinciale Omgevingsvisie (POVI) Limburg 4.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2021 4.3 Regionaal beleid

12 14 16

4.3.1 Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 4.4 Gemeentelijk beleid

16 17

4.4.1 Strategische Visie Venlo 2040 4.4.2 Ruimtelijke Structuurvisie 2014 4.4.3 Woonvisie 2021-2026 4.4.4 Uitgangspunten Dynamische woningbouwprogrammering 4.4.5 Beleidskader particulier opdrachtgeverschap woningbouw in ’t Ven Oost

5. ONDERZOEK 5.1 Milieuaspecten

23 23

5.1.1 Bodem 5.1.2 Geluid 5.1.3 Luchtkwaliteit 5.1.4 Externe veiligheid 5.1.5 Milieuzonering 5.2 Archeologie en cultuurhistorie 5.3 Ecologie 5.4 Leidingen en infrastructuur 5.5 Verkeerskundige aspecten 5.6 Duurzaamheid

Inhoudsopgave

17 17 19 20 21

23 24 24 26 30 31 35 37 37 38

1

5.7 Waterparagraaf 5.8 M.e.r.-beoordeling

39 41

6. PLANSTUKKEN 6.1 Planstukken 6.2 Toelichting op de verbeelding 6.3 Toelichting op de regels

43 43 43 43

7. UITVOERBAARHEID 7.1 Economische uitvoerbaarheid 7.2 Overleg 7.3 Zienswijzen

46 46 46 46

8. PROCEDURE

47

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 2: Quickscan flora en fauna Bijlage 3: Archeologisch onderzoek Bijlage 4: Aerius-notitie

Inhoudsopgave

2

1.

INLEIDING Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op de ontwikkeling van één Ruimte voor Ruimte kavel aan de Koelderstraat (ongenummerd), op de gronden ten oosten van het adres Koelderstraat 35 in Venlo. Op het perceel wordt één Ruimte voor Ruimte woning mogelijk gemaakt op een kavel met een oppervlakte van 1.000 m 2. Met de ontwikkeling van de woning wordt het perceel heringericht, waarbij uiteindelijk één Ruimte voor Ruimte kavel wordt gerealiseerd met één vrijstaande woning. Het plangebied is gelegen aan de noordoostzijde van de stad Venlo, in het gebied ’t Ven Oost in de gemeente Venlo. In de navolgende afbeelding is de ligging van het plangebied weergegeven op de topografische kaart. De planlocatie omvat het perceel, kadastraal bekend als Venlo, sectie U, nummer 928.

Topografische kaart met globale ligging plangebied (rode pijl)

Middels de Ruimte voor Ruimte regeling wordt de mogelijkheid geboden om, in ruil voor de beëindiging van intensieve veehouderijbedrijven of –takken en sloop van de opstallen, woningen te realiseren. Deze sloop heeft begin jaren 2000 plaatsgevonden. De kosten zijn destijds gesubsidieerd door

Hoofdstuk 1

3

Ruimte voor Ruimte Limburg CV. Met de bouw van woningen worden de kosten hiervan terugverdiend. Volgens het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Venlo’ is de voorliggende ontwikkeling niet toegelaten. Middels een herziening van het bestemmingsplan kan deze ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk worden gemaakt. In het voorliggende bestemmingsplan worden de nieuwe bestemmingen voor de gronden wettelijk geregeld, waardoor nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden ontstaan. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, de bijbehorende regels en gaat vergezeld van voorliggende toelichting met bijlagen. Leeswijzer In het volgende hoofdstuk wordt de bestaande situatie rond het plangebied beschreven. Hoofdstuk 3 beschrijft vervolgens de beoogde ontwikkeling. In hoofdstuk 4 volgen de uitgangspunten uit het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid, die betrekking hebben op de locatie. In hoofdstuk 5 volgt de toetsing van het plan aan de milieu- en overige onderzoeksaspecten op de locatie. In hoofdstuk 6 worden de planstukken en de juridische opzet van de regels beschreven en in hoofdstuk 7 is de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan toegelicht. Tot slot wordt in hoofdstuk 8 de procedure beschreven.

Hoofdstuk 1

4

2.

BESTAANDE SITUATIE

Het plangebied waar de voorliggende ontwikkeling is voorzien, is gelegen aan de Koelderstraat (ongenummerd), naast het adres Koelderstraat 35, in het gebied ’t Ven Oost aan de noordoostzijde van de stad Venlo. ’t Ven Oost betreft een gebied dat voorheen voornamelijk werd gebruikt voor glastuinbouw. Het merendeel van de glastuinbouwbedrijven in het gebied is echter niet meer in werking en diverse kassen zijn inmiddels gesloopt. Het plangebied bestaat uit het perceel, kadastraal bekend als Venlo, sectie U, nummer 928. Het plangebied is onbebouwd, grotendeels begroeid met gras en in gebruik als akker-/ grasland. Eveneens bevindt er zich een bomenrij midden op het perceel en aan de oostzijde van het perceel. Op de navolgende luchtfoto is de begrenzing van het plangebied en het huidige gebruik weergegeven.

Weergave plangebied op luchtfoto (rood omlijnd)

Hoofdstuk 2

5

Het plangebied wordt aan de noord-, en westzijde omringd door gronden die in gebruik zijn als akker-/ en grasland. Aan de oostzijde wordt het plangebied begrensd door de Koelderstraat, die overgaat in respectievelijk de Genraydelweg en Klagenfurtlaan. Aan de overzijde van de weg bevindt zich eveneens een agrarisch perceel. Ten zuidwesten van het plangebied ligt een reeds bestaande vrijstaande woning met schuur. In de nabije omgeving zijn verder een aantal vrijstaande woningen gelegen met een afwisseling van (voormalige) glastuinbouwbedrijven en onbebouwde percelen. Deze percelen zijn deels in agrarisch gebruik en deels begroeid met bomen/bos. Vigerend juridisch-planologisch kader De planlocatie is gelegen binnen het plangebied van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Venlo’, zoals dat is vastgesteld op 30 maart 2011 door de gemeenteraad van Venlo. Het plangebied is volgens het vigerende bestemmingsplan bestemd tot ‘Agrarisch met waarden.’ Daarnaast zijn de gebiedsaanduidingen ‘middelhoge/hoge archeologische verwachting’, ‘milieuzone – grondwaterbescherming venlo schol’ en ‘robuuste landbouw en natuur’ van toepassing op het gehele plangebied.

Uitsnede vigerend bestemmingsplan met plangebied rood omlijnd

Hoofdstuk 2

6

De voor ‘Agrarisch met waarden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarisch gebruik en de instandhouding, herstel en ontwikkeling van de aanwezige abiotische, natuurlijke, archeologische, landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Daarnaast zijn tuinen toegestaan, indien de gronden direct aansluitend aan een bouwvlak zijn gelegen. Verder zijn instandhouding van het oppervlaktewater, extensief recreatief medegebruik en waterhuishoudkundige voorzieningen toegelaten op deze gronden. Ter plaatse van deze bestemming mag in principe niet worden gebouwd, met uitzondering van bouwwerken die nodig zijn voor de agrarische bedrijfsvoering of voor extensief recreatief medegebruik. Ter plaatse van de aanduiding ‘milieuzone – grondwaterbescherming venlo schol’, die geldt voor het gehele plangebied, is het verboden op of in de gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning putten te boren dieper dan 5 meter boven NAP. De regels uit de Omgevingsverordening Limburg 2014 zijn hierop van toepassing. Aangezien ter plaatse geen diepe grondboringen zijn voorzien, vormt de ligging binnen deze zone geen belemmering. Ter plaatse van de aanduiding ‘robuuste landbouw en natuur’, die eveneens geldt voor het gehele plangebied, zijn de gronden mede aangewezen als een gebied met robuuste landbouw en natuur.

Deze zone omvat de delen van het buitengebied die niet behoren tot het Nationaal Natuurnetwerk (NNN), maar waarbinnen natuur en natuurontwikkeling belangrijke functies vormen naast de landbouw. Binnen deze zone wordt gestreefd naar behoud van aanwezige functies waarbij het behoud en de ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden voorop staat. Tot slot geldt de gebiedsaanduiding ‘middelhoge/hoge archeologische verwachting’ voor het gehele plangebied. In paragraaf 5.2 wordt nader ingegaan op het aspect archeologie. Naast het hierboven beschreven bestemmingsplan ‘Buitengebied Venlo’ is het ‘Parapluplan plattelandswoningen Venlo’ (vastgesteld op 21 december 2016) van toepassing op het plangebied. Op basis van dit paraplubestemmingsplan mogen bedrijfswoningen binnen een agrarisch bouwvlak tevens worden gebruikt als plattelandswoning. Een plattelandswoning betreft een (voormalige) agrarische bedrijfswoning die -naast het gebruik als bedrijfswoning voor het agrarisch bedrijf waarbij de woning behoort- tevens mag worden gebruikt voor bewoning als burgerwoning door derden die geen functionele binding hebben met het bijbehorend agrarisch bedrijf. De plattelandswoning wordt daarbij niet beschermd tegen de milieugevolgen van het bijbehorende bedrijf. Tot slot is het ‘Paraplubestemmingsplan kamerwoning’ (vastgesteld op 25 november 2020) van toepassing op het plangebied.

Volgens dit bestemmingsplan is kamerbewoning in woningen door maximaal twee personen rechtstreeks toegestaan. Daarnaast bevat het bestemmingsplan een afwijkingsbevoegdheid om onder voorwaarden kamersgewijze bewoning door meer dan twee personen mogelijk te maken.

Hoofdstuk 2

7

3.

PLANBESCHRIJVING In dit hoofdstuk wordt het beoogde project beschreven en worden de stedenbouwkundige en ruimtelijke effecten hiervan weergegeven. De ontwikkeling Binnen het plangebied wordt één Ruimte voor Ruimte kavel mogelijk gemaakt met een oppervlakte van 1.000 m2, waarop een vrijstaande woning gerealiseerd mag worden. De bestaande bomenrij zal ten aanzien van het planvoornemen worden gekapt. De voorgevel van de nieuwe woning wordt georienteerd op de Koelderstraat. De ontsluiting op deze weg vindt plaats aan de oostzijde van het perceel. In de navolgende afbeelding is de verbeelding van het plan opgenomen, met daarbinnen het bouwvlak waar de woning gerealiseerd mag worden.

Uitsnede verbeelding

Voor wat betreft de bouw- en gebruiksregels is overwegend aangesloten bij het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Venlo’. Daarnaast zijn de provinciale standaarden gehanteerd voor de maatvoering en situering van deze kavel. Op de kavel is een bouwvlak met een oppervlakte van 500 m 2 geprojecteerd. De afstand van het bouwvlak tot de voorste en zijdelingse perceelsgrenzen is 3 meter. De woning (hoofdgebouw) dient binnen dit bouwvlak te worden gebouwd en mag een maximale op-

Hoofdstuk 3

8

pervlakte (footprint) van 150 m2 beslaan. De inhoud van het hoofdgebouw mag maximaal 900 m3 bedragen. Daarnaast zijn de goot- en bouwhoogte gemaximeerd op respectievelijk 3,5 en 9 meter. Daarnaast mag een oppervlakte van maximaal 100 m2 aan uit- en aanbouwen en bijgebouwen worden gerealiseerd. Op de kavel is tot slot ruimte voor een ruime tuin, voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein en bergings-/infiltratievoorzieningen voor hemelwater. Stedenbouwkundige en ruimtelijke effecten Aangezien er reeds diverse woningen in de omgeving aanwezig zijn, past de nieuw te bouwen woning vanuit functioneel oogpunt in de omgeving. In de omgeving zijn voornamelijk vrijstaande woningen op ruime percelen aanwezig. De nieuwe Ruimte voor Ruimte kavel, waarop eveneens een vrijstaande woning mogelijk wordt gemaakt, past hiermee goed in dit gebied. Qua bouw- en gebruiksregels is overwegend aangesloten bij het Beleidskader particulier opdrachtgeverschap woningbouw in ’t Ven Oost (zie paragraaf 4.4.5). Voor de drie Ruimte voor Ruimte kavels zijn deze randvoorwaarden in principe niet van toepassing, maar is hier waar mogelijk wel bij aangesloten ter verkrijging van een eenduidig stedenbouwkundig beeld. Voor het overige zijn de provinciale standaarden gehanteerd voor de maatvoering en situering van deze drie kavels.

Hierdoor zullen de woningen qua situering en maatvoering goed passen bij de omliggende woningen en ontstaat een eenduidig stedenbouwkundig beeld. Er liggen echter nog geen uitgewerkte bouwtekeningen voor de woningbouw. De stedenbouwkundige kwaliteit van de bebouwing wordt in het kader van de omgevingsvergunningprocedure voor de bouw nader afgestemd met de gemeente Venlo. Er zijn dan ook geen negatieve stedenbouwkundige of ruimtelijke effecten voor de omgeving te verwachten en ook wordt geen afbreuk gedaan aan de cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten van de omgeving.

Hoofdstuk 3

9

4.

UITGANGSPUNTEN VAN HET BELEID In dit hoofdstuk wordt achtereenvolgens ingegaan op het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid.

4.1 Rijksbeleid 4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Op 11 september 2020 is de NOVI naar de Tweede Kamer gestuurd. Met de NOVI wordt geanticipeerd op de Omgevingswet, die op 1 januari 2023 in werking treedt. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kan men in gebieden komen tot betere, meer geïntegreerde keuzes. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:  Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  Duurzaam economisch groeipotentieel;  Sterke en gezonde steden en regio’s;  Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Conclusie Voor de voorliggende ontwikkeling zijn met name de prioriteiten ‘sterke en gezonde steden en regio’s’ en ‘toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied’ van belang.

Middels de realisatie van de Ruimte voor Ruimte kavel in het gebied ’t Ven Oost wordt een bijdrage geleverd aan het nationale belang om te zorgen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. Voor het overige zijn gezien de aard en schaal van deze ontwikkeling geen nationale belangen uit de NOVI in het geding. De ontwikkeling is kortom in overeenstemming met de NOVI.

Hoofdstuk 4

10

4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Nationaal Natuurnetwerk, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied. Conclusie Geen van de bovengenoemde belangen zijn bij de ontwikkeling van het plangebied in het geding. De beoogde woningbouw is kortom niet in strijd met de beleidsregels, zoals deze zijn opgenomen in het Barro. 4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.

De ladder is een motiveringsinstrument dat de gemeente verplicht moet toepassen bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. In artikel 1.1.1 Bro is gedefinieerd wat een nieuwe stedelijke ontwikkeling is: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie blijkt dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn1. Per 1 juli 2017 is de Ladder gewijzigd. Hierbij is de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om te motiveren hoe de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte. Indien de stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, is een motivering nodig waarom men deze niet binnen bestaand stedelijk gebied kan realiseren (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Conclusie Uit jurisprudentie blijkt dat kleinschalige woningbouwplannen geen nieuwe stedelijke ontwikkeling betreffen als bedoeld in artikel 1.1.1 Bro. In lijn met de uitspraak 2 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 juni 2017 is vastgesteld dat een initiatief waarbinnen maximaal 11 woningen worden gerealiseerd, niet wordt gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

1

O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319). 2 ABRS 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724)

Hoofdstuk 4

11

De voorliggende ontwikkeling omvat de toevoeging van één Ruimte voor Ruimte woning. Tevens is het maximaal aantal te realiseren RvR-woningen in dit gebied gemaximaliseerd tot 6 separate woningen, waarvan onderhavige ontwikkeling onderdeel van is. De woningen liggen weliswaar in elkaars nabijheid, maar het totaal blijft te allen tijde onder de grens van 12 woningen. De ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet van toepassing.

4.2 Provinciaal beleid 4.2.1 Provinciale Omgevingsvisie (POVI) Limburg Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. Op 1 oktober 2021 heeft de provincie Limburg de provinciale omgevingsvisie vastgesteld: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg’ (hierna te noemen: POVI Limburg). De POVI Limburg is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan doorontwikkelen. De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. De POVI is op 25 oktober 2021 in werking getreden en vervangt daarmee het Provinciaal Omgevingsplan Limburg uit 2014 (POL2014). Daarnaast wordt een omgevingsverordening uitgewerkt om het beleid juridisch te verankeren. Deze ontwerp-omgevingsverordening wordt besproken in de paragraaf ‘Ontwerp-omgevingsverordening Limburg’. Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk:  Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijkals in het bebouwde gebied;  Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie);  Klimaatadaptatie en energietransitie.

Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt vervolgens een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst.

Hoofdstuk 4

12

Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen;  Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s;  Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Wonen Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en nietcourante bestaande woningvoorraad.

Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Onderhavig plan voorziet in de realisatie van één Ruimte voor Ruimte woning in het buitengebied van de gemeente Venlo. Ten aanzien van het project 'Ruimte voor Ruimte' is de ambitie van de provincie Limburg om de komende jaren samen met gemeenten het project af te ronden door middel van de realisatie van in totaal 900 woningen op planologisch aanvaardbare locaties in het buitengebied. Hiermee worden de in 2001 gemaakte afspraken tussen Provincie, de gemeenten in Noord- en MiddenLimburg en Ruimte voor Ruimte Limburg C.V./B.V. niet gewijzigd door de Omgevingsvisie.

Voor het overige sluit de woning aan bij reeds aanwezige (vrijstaande) woningen in de omgeving waaronder ook andere Ruimte voor Ruimte woningen. Daarnaast wordt voorzien in een kwalitatief wenselijke woning. Het plan past daarmee in Provinciale Omgevingsvisie Limburg.

Hoofdstuk 4

13

4.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2021 Op 17 december 2021 heeft het college van Gedeputeerde State de Omgevingsverordening Limburg (2021) vastgesteld. Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. De omgevingsverordening heeft van 7 juni tot en met 19 juli 2021 voor eenieder ter inzage gelegen en is op 17 december 2021 door Provinciale Staten vastgesteld. De omgevingsverordening zal pas op 1 januari 2023 in werking treden, tegelijkertijd met de nieuwe Omgevingswet. Hoewel de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers. De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 ook de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van het POL2014 juridische binding te geven. Onderstaand zijn de relevante passages voor het plangebied opgenomen. Volgens de kaart ‘Wonen, werken en recreëren’ ligt het besluitgebied in zijn geheel binnen het gebied ‘Buitengebied’.

De zone ‘buitengebied’ omvat de gronden in het landelijk gebied met een hoofdzakelijk agrarisch karakter. Beleidsmatig liggen de accenten voor deze zone op ontwikkelingsmogelijkheden voor nieuwe bedrijfslocaties voor de landbouw, terugdringen van milieubelasting vanuit de landbouw en de kwaliteit functioneren van de ondergrond. Hoewel er in beginsel wordt gesteld dat er in het buitengebied geen woningenkunnen worden toegevoegd, is er voor Ruimte voor Ruimte kavels een uitzondering opgenomen. Ten aanzien van Ruimte voor Ruimte Noord- en Midden-Limburg is in het POL2014 opgenomen: “Over de uitvoering van de regeling RvR zijn in 2001 afspraken gemaakt tussen de Provincie, de gemeenten in Noord- en Midden-Limburg en Ruimte voor Ruimte CV. Die worden door het POL niet gewijzigd.” In de POVI wordt de ambitie benoemt, om verder het ten aanzien van het project "Ruimte voor Ruimte" de komende jaren samen met gemeenten het project af te ronden door middel van de realisatie van in totaal 900 woningen op planologisch aanvaardbare locaties in het buitengebied. Hiermee worden de in 2001 gemaakte afspraken tussen Provincie, de gemeenten in Noord- en Midden-Limburg en Ruimte voor Ruimte Limburg C.V./B.V. niet gewijzigd door de Omgevingsvisie.

Hoofdstuk 4

14

In artikel 12.1 ‘instructieregels nieuwe planvoorraad wonen’, van de Omgevingsverordening Limburg 2021, wordt gesteld dat nieuwe plannen dienen te voldoen aan de van toepassing zijnde inhoudelijke thema’s zoals opgenomen in de provinciale omgevingsvisie (POVI).

Uitsnede Omgevingsverordening Limburg 2021 (plangebied zwart omlijnd)

Milieubeschermingsgebieden Volgens de kaarten bij de Omgevingsverordening is het plangebied gelegen binnen de boringsvrije zone Venloschol. Het is in het gebied Venloschol binnen en buiten inrichtingen verboden dieper dan 5 meter boven NAP grondwater te onttrekken of water te infiltreren. Aangezien er niet wordt voorzien in de mogelijkheid tot het plaatsen van een dergelijk bodemsysteem en er geen diepe grond-roeringen zijn voorzien bij dit project, wordt voldaan aan de vereisten van de Omgevingsverordening Limburg 2021. Voor het overige is het plangebied niet gelegen binnen milieubeschermingsgebieden of beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap. De voorgenomen ontwikkeling past dan ook binnen het provinciaal beleid.

Hoofdstuk 4

15

4.3 Regionaal beleid 4.3.1 Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 In de Regionale woonvisie geven de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas richting aan de regionale woningmarkt. Een van de centrale opgaven is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Daarover staat aangegeven:  Bij nieuwbouw dient bij voorkeur ingezet te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woon-segmenten. De huishoudprognose van E’til (Progneff) dient als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter is de kwalitatieve toets leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. Daarvoor gelden de volgende regionale uitgangspunten: - Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen; - Gekeken dient te worden naar koppelkansen; - Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot; - Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte; - De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na; - Er wordt gezocht naar aansluiting op de landelijke, regionale en lokale duurzaamheidsdoelen.

Aanvullend wordt tevens het volgende benoemd:  Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte.  Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt.  Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad.  Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling omvat de toevoeging van één Ruimte voor Ruimte kavel. Hoewel de woonvisie stelt dat woningtoevoegingen in principe in kernen moeten plaatsvinden is woningbouw op deze locatie inpasbaar. Zoals in paragraaf 4.2.1 is aangegeven betreft de realisatie van Ruimte voor Ruimte woningen een zelfstandige opgave, die los staat van de woningbouwafspraken in de regionale woonvisies.

De voorliggende ontwikkeling is hierdoor niet in strijd met de uitgangspunten van de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024. Vanuit het regionaal beleid bestaan er kortom geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

Hoofdstuk 4

16

4.4 Gemeentelijk beleid 4.4.1 Strategische Visie Venlo 2040 Met de Strategische Visie Venlo 2040 heeft de gemeente Venlo het strategische perspectief, geschetst in de visie van 2030, bijgesteld. In de Strategische Visie Venlo 2040 zijn er vier hoofdlijnen waar de gemeente zich op richt:  Gezondste regio;  Een (t)huis om van te houden;  Ruimte voor ontwikkeling;  Werken in Venlo. Voor wat betreft onderhavige ontwikkeling zal voornamelijk ‘Een (t)huis om van de houden’ van belang zijn. In 2040, over pakweg 20 jaar, zal veel nog hetzelfde zijn. Er zullen echter ook een aantal zaken nieuw zijn of wezenlijk veranderd. De huidige hoofdopgaven zijn naar verwachting nog steeds dezelfde. Een gebalanceerde bevolking, draagvlak voor voorzieningen, kennisontwikkeling en verdienmodellen en een samenleving die, soms met wat begeleiding, zelf zaken oppakt en organiseert. Wat zeker wel is veranderd, is de verschijningsvorm van deze opgaven en de accenten die de gemeente hierbij op weg naar 2040 hebben gezet. Woningbouw heeft ruimtelijk gezien gedifferentieerd over de gemeente plaats gevonden, waarbij Venlo heeft gebouwd naar behoefte. Voor groepen inwoners die (wat betreft woningaanbod) relatief ondervertegenwoordigd waren, maar ook voor ouderen die langer dan in het verleden zelfstandig thuis wonen.

Venlo heeft daarbij met name gekeken naar (door functiewijziging) vrijgekomen terreinen (o.a. sport). En het voorkomen van ruimtelijke segregatie op basis van woningtypen. (Een beperkte verscheidenheid in woningtypen in een bepaalde kern of wijk). Daarnaast heeft een deel van onze woningvoorraad een kwaliteitsslag gemaakt, mede tegen de achtergrond van de noodzakelijke verduurzaming. Conclusie De realisatie van de voorliggende Ruimte voor Ruimte kavel draagt bij aan de verdere ontwikkeling van een aantrekkelijk woonklimaat binnen de gemeente Venlo, waarbij nieuwbouw plaatsvindt op een perceel in het gebied ’t Ven Oost. Het initiatief is hiermee in overeenstemming met de Strategische Visie Venlo 2040. 4.4.2 Ruimtelijke Structuurvisie 2014 Op 25 juni 2014 heeft de gemeenteraad van Venlo de Ruimtelijke Structuurvisie Venlo unaniem vastgesteld. In de structuurvisie staat de hoofdlijn van het ruimtelijk beleid voor de gemeente Venlo beschreven. Hieruit is af te leiden wat er de komende jaren op ruimtelijk gebied wel en niet mogelijk is. De structuurvisie geldt voor het hele grondgebied van de gemeente Venlo, met uitzondering van Klavertje 4, Klein Vink en Laerbroeck. Voor deze gebieden bestaan aparte structuurvisies.

Hoofdstuk 4

17

In de Ruimtelijke Structuurvisie Venlo zijn niet de regels, maar de ambities en opgaven het uitgangspunt. Nieuwe initiatieven worden in de toekomst nadrukkelijker beoordeeld op het maatschappelijk rendement. Dit rendement wordt bepaald door de mate waarin ontwikkelingen bijdragen aan het bereiken van de ambities van Venlo die zijn vastgelegd in de Strategische Visie 2040. De ruimtelijke structuurvisie is verdeeld in vijf thema's, de zogenaamde 'majeure opgaven'. Daarnaast zijn er drie aandachtspunten geformuleerd die op elke ruimtelijke beslissing van toepassing zijn, de 'basisprincipes'. Majeure opgaven:  Drukte in het ommeland: het contrast tussen buitengebied en stedelijk gebied verscherpen door het buitengebied ook daadwerkelijk als buitengebied te behandelen. Dit betekent het combineren van meerdere functies, zoals landbouw, recreatie, waterberging en natuurontwikkeling;  Ruimte in de stad: het contrast tussen buitengebied en stedelijk gebied verscherpen door de beschikbare ruimte in bestaand stedelijk gebied maximaal te benutten;  Leven met de Maas: ruimte geven aan de rivier en haar beken om te anticiperen op klimaatverandering;  Voorzieningen op maat: zorgen voor vitale en toekomst-bestendige voorzieningenclusters die aansluiten bij de reële behoefte van de samenleving;  Robuuste structuren: werken aan een weerbare infrastructuur voor personen- en goederenvervoer.

Daarnaast vraagt het gebruik van de ondergrond en het opwekken van schone energie steeds meer aandacht. Naast deze 'majeure opgaven' wordt er uitgegaan van drie basisprincipes, aandachtspunten die van toepassing zijn op elk ruimtelijk initiatief. Dit betekent concreet dat een initiatief als kansrijker wordt beschouwd als:  Het de uitgangspunten van Cradle to Cradle (C2C) als vertrekpunt hanteert;  de vraag wordt gesteld wat het betrekken van (Duitse) regiogemeenten kan betekenen;  het zelf georganiseerd draagvlak geniet. Ruimte in de stad Het plangebied is op de kaart ‘Ruimte in stad en dorp’ gelegen binnen de stedelijke contour. In het stedelijk gebied wordt gestreefd naar maximale benutting van de bestaande beschikbare ruimte, niet om een uitbreiding daarvan. In het stedelijk gebied is door tijdelijk gebruik, hergebruik, multifunctioneel gebruik en slim slopen nog voldoende ruimte aanwezig om nieuwe initiatieven een plaats te geven. Liever wil men bestaande woningen of gebieden aanpassen, dan dat er wordt uitgebreid. Binnen het stedelijk gebied streeft de gemeente Venlo naar het opnieuw benutten van terrein en gebouwen die in onbruik zijn geraakt of extensief of inferieur zijn bebouwd. Multifunctioneel gebruik van vastgoed en flexibiliteit in bestemmingsplannen worden hierbij nagestreefd.

Conclusie Het gebied ’t Ven Oost, waarbinnen het plangebied is gelegen, is aangewezen als ‘ontwikkelzone (low-profile)’. In dit deels verouderde glastuinbouwgebied is een transformatie voorzien naar een mix

Hoofdstuk 4

18

van wonen, kleinschalig werken en recreatie, cultuurhistorie, water, natuur en glastuinbouw. De transformatie heeft als vertrekpunt het onderliggende landschap en de bijzondere kwaliteiten van het gebied. De woningbouw heeft een landelijk karakter (max. 10 woningen/ha.), waardoor van een reguliere verstedelijking geen sprake is. De voorgenomen ontwikkeling van een Ruimte voor Ruimte kavel vindt plaats binnen de stedelijke contour van Venlo en is in lijn met de beoogde ‘low profile’ verstedelijking die in het gebied ’t Ven Oost is beoogd. Daarnaast ligt het plangebied volgens de structuurvisie binnen het cultuurhistorisch waardevolle gebied ’t Ven. Dit gebied bestaat uit een oude Maasmeander met reliëfafhankelijke wegen, boerderijen en landgoederen en ‘Fossa Eugeniana’. Laatstgenoemde betreft een onvoltooide kanaalverbinding Maas-Rijn, waarvan de aanleg omstreeks 1626 plaatsvond. In paragraaf 5.2 wordt nader ingegaan op de cultuurhistorische waarde van het plangebied en zijn omgeving. Samengevat is de voorliggende ontwikkeling passend binnen de uitgangspunten van de Ruimtelijke Structuurvisie 2014 en er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. 4.4.3 Woonvisie 2021-2026 In september 2021 heeft de gemeente Venlo de ‘Woonvisie Venlo 2021-2026 – Op weg naar toekomstbestendig wonen’ vastgesteld.

Met het vaststellen van de woonvisie worden de randvoorwaarden geschept om te komen tot een toekomstbestendige woningvoorraad. Om dit te bewerkstelligen werken we met drie hoofdthema’s die in de woonvisie nader worden uitgewerkt: 

Een robuuste woningvoorraad Hiermee wordt een toekomstbestendige woningvoorraad bedoeld, met aandacht voor de bestaande woningvoorraad en nieuwbouw. De opgaven om te verduurzamen wordt gekoppeld aan de aanpak van de bestaande woningvoorraad. Met woningbouw kan een bijdrage worden geleverd aan de aanpak van plekken die transformatie behoeven in Venlo. Hierbij wordt positief gekeken naar wooninitiatieven vanuit de samenleving, wordt ingezet op het pakken van kansen als het gaat om het aantrekken van inwoners van buiten de regio. En wordt ingezet op diverse wijken en dorpen om de leefbaarheid hier te borgen, samen met onze partners, zoals de woningcorporaties.

Beschikbaarheid en betaalbaarheid Een belangrijke opgave is het beschikbaar en betaalbaar houden van de woningvoorraad. In tijden van een krappe woningmarkt staan beide onder druk. Naast de regulier woningzoekenden en nieuwe doelgroepen die we aan Venlo willen binden, is er aandacht voor doelgroepen voor wie het minder vanzelfsprekend is een plek te vinden op de Venlose woningmarkt.

Hoofdstuk 4

19

Wonen en zorg In de woonvisie wordt de koers uitgezet als het gaat om wonen en zorg. Hierbij is oog voor de verschillende doelgroepen en de opgave voor de komende jaren een passend woningaanbod aan te (blijven) bieden.

Ordenende principes Bij deze hoofdthema’s zijn doelstellingen op hoofdlijnen geformuleerd. Dit geeft enerzijds flexibiliteit en ruimte om in te spelen op ontwikkelingen die nu nog niet zijn voorzien of op goede ideeën vanuit de samenleving en de markt. Anderzijds geeft deze visie voldoende duidelijkheid en richting, zodat onze partners weten wat ze van de gemeente Venlo mogen verwachten. Bij de doelstellingen wordt uitgegaan van drie ordenende principes: versnellen, verbinden en vernieuwen:  Versnellen Waar mogelijk worden kansen gepakt om opgaven versneld op te pakken. 

Verbinden Wonen staat niet op zichzelf, daarom wordt de verbinding met andere beleidsterreinen gezocht, maar ook met andere opgaven en vraagstukken- wonen kan hierin een deel van de oplossing vormen.

Vernieuwen Hiermee wordt bedoeld dat we open staan voor nieuwe initiatieven, woonvormen en instrumenten om knelpunten binnen het wonen op te lossen.

Afweging Het initiatief ziet op de realisatie van één nieuwe kwalitatief goede woning binnen een bebouwingslint waar veel woningen zijn beoogd in het kader van het ‘Beleidskader particulier opdrachtgeverschap woningbouw in ’t Ven Oost’. Daarbij zal de nieuw te realiseren woning qua typologie en stedenbouwkundige uitgangspunten aansluiten bij de overige woningen in de nabije omgeving. Dit beleidskader is dan ook als uitgangspunt genomen voor de overige Ruimte voor Ruimte kavels in de omgeving van onderhavig plangebied. Vanuit de Woonvisie 2021-2026 worden dan ook geen belemmeringen verwacht ten aanzien van het onderhavige planvoornemen. 4.4.4 Uitgangspunten Dynamische woningbouwprogrammering De Uitgangspunten Dynamische woningbouwprogrammering vormen de lokale vertaling van de woningbouwkaders die in de voormalige Woonvisie Regio Venlo e.o. 2011-2015 waren vastgelegd. Alle woningbouwinitiatieven worden aan de Uitgangspunten Dynamische woningbouwprogrammering getoetst. Conclusie Het voorliggende plan omvat de ontwikkeling van één Ruimte voor Ruimte woning. Hierdoor is sprake van een netto toevoeging van één wooneenheid aan de voorraad. Bij nieuwe initiatieven voor woningbouw is toetsing aan de uitgangspunten van de dynamische woningbouwprogrammering aan de orde.

Hoofdstuk 4

20

Hierin is opgenomen dat er in principe geen medewerking wordt verleend aan nieuwe woningbouwinitiatieven die nog geen deel uitmaken van de planvoorraad en waarover nog geen afspraken zijn gemaakt. Uitzonderingen hierop zijn locaties die in hoge mate een bijdrage leveren aan de doelen van de stad, of ontwikkelingen die nodig zijn om in de eigen woningbehoefte van een deelgebied te voorzien. Zoals in paragraaf 4.2.1 is toegelicht, hebben de provincie en de Noord-Limburgse gemeenten in het verleden afspraken gemaakt over de Ruimte voor Ruimte regeling. Dit betreft echter geen ‘hard’ afsprakenkader zoals bedoeld in de Uitgangspunten Dynamische woningbouwprogrammering, waardoor sprake is van een zogeheten ‘categorie 2 initiatief’. Medewerking aan een categorie 2 initiatief is onder voorwaarden mogelijk, indien dit vanuit kwalitatief oogpunt gewenst is. In het voorliggende geval is sprake van een kwalitatief gewenste ontwikkeling, waarbij een kwalitatief hoogwaardige woning wordt toegevoegd op een gewenste locatie. Bovendien zijn over het realiseren van de Ruimte voor Ruimte opgave reeds afspraken gemaakt tussen de provincie en de Noord-Limburgse gemeenten (waaronder Venlo). Er zijn daarmee geen belemmeringen vanuit de Uitgangspunten Dynamische woningbouwprogrammering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.4.5 Beleidskader particulier opdrachtgeverschap woningbouw in ’t Ven Oost De gemeenteraad van Venlo heeft op 24 juni 2020 het ‘Beleidskader particulier opdrachtgeverschap woningbouw in ’t Ven Oost’ vastgesteld. Dit beleidskader maakt het onder voorwaarden mogelijk om op een aantal daarvoor aangewezen locaties binnen de bestaande linten maximaal 12 woningen te

Uitsnede stedenbouwkundige plankaart ‘Ruimtelijke notitie ’t Ven oost’ met plangebied in rode cirkel

Hoofdstuk 4

21

realiseren. In ruil voor deze woningbouw moeten de bestaande en veelal verouderde tuinderskassen worden gesloopt. In het gebied ’t Ven Oost zijn naast de bovengenoemde woningbouw een aantal locaties aangewezen die in aanmerking komen voor deelname aan de éénpittersregeling uit de 2e tranche Ruimte voor Ruimte. Dit betreft een eigenstandige provinciale regeling, welke nog steeds actueel is en waarop dit beleidskader niet van toepassing is. Dit betekent dat, naast de mogelijkheden voor het bouwen van woningen conform het beleidskader, de mogelijkheid van het realiseren van de toegezegde Ruimte voor Ruimte kavels blijft bestaan. De mogelijke locaties waar woningbouw is voorzien met gebruikmaking van de Ruimte voor Ruimte regeling zijn wel indicatief weergeven op de stedenbouwkundige plankaart bij het beleidskader. Conclusie In het plangebied wordt een woonkavel mogelijk gemaakt met gebruikmaking van de provinciale Ruimte voor Ruimte regeling. De situering van deze Ruimte voor Ruimte kavel is in overeenstemming met de stedenbouwkundige plankaart zoals opgenomen in de ‘Ruimtelijke beleidsnotitie ‘t Ven Oost’ (zie onderstaande afbeelding).

Voor Ruimte voor Ruimte initiatieven is het volgende opgenomen in de beleidsnota: “In 2012 hebben burgemeester en wethouders een 7-tal potentiële woningbouwlocaties aangewezen in ’t Ven Oost die in aanmerking komen voor deelname aan de éénpittersregeling uit de 2e tranche Ruimte-voor-Ruimte. Dit is een eigenstandige provinciale regeling, welke nog steeds actueel is. De mogelijke woningbouwlocaties vallen buiten het toepassingsbereik van dit beleidskader. Dit betekent dat, naast de mogelijkheden voor het bouwen van woningen conform onderhavig beleidskader, de mogelijkheid van het realiseren van de toegezegde Ruimte voor Ruimte kavels blijft bestaan.” Op basis van bovenstaande regeling, kan gesteld worden dat de beleidsnota niet van toepassing is op onderhavige ontwikkeling. Desondanks is rekening gehouden met de maatvoering uit de beleidsnota. Zodoende vindt er aansluiting plaats met de andere woningen die gerealiseerd kunnen worden via de beleidsnota.

Hoofdstuk 4

22

5.

ONDERZOEK Bij de toekenning van de nieuwe bestemming aan de locatie dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, externe veiligheid en milieuzonering voor de locatie wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van de gewenste ingreep voor de aspecten archeologie en cultuurhistorie, leidingen en infrastructuur, ecologie, waterhuishouding, verkeer en duurzaamheid. De hieruit voortgekomen bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht. Per paragraaf wordt de achtergrond uiteengezet, waarna wordt aangegeven wat de onderzoeksresultaten en/of conclusies zijn.

5.1 Milieuaspecten 5.1.1 Bodem In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek3 uitgevoerd in het plangebied. Onderstaand wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage. Onderzoeksresultaten Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig" (VED-HE-NL). De bodem bestaat voornamelijk uit zwakt tot sterk siltig, matig fijn tot matig grof zand. De ondergrond bestaat plaatselijk (traject: 0,5 - 1,0 m -mv) uit sterk zandige leem. De bovengrond is bovendien matig humeus en de ondergrond is bovendien zwak gleyhoudend. In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. De toplaag (traject: 0,0 - 0,3 m -mv) is licht verontreinigd met hexachloorbenzeen, alfa-endosulfan, drins, DDD, DDT en OCB. De bovengrond (traject: 0,0 - 0,5 m -mv) is verder eveneens licht verontreinigd met cadmium. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. Het grondwater is licht verontreinigd met cadmium en nikkel. Deze metaalverontreinigingen zijn hoogstwaarschijnlijk te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van metalen in het grondwater.

3

Econsultancy, Verkennend bodemonderzoek Koelderstraat (ong.) te Venlo, rapportnummer17236.001, d.d. 29 oktober 2021

Hoofdstuk 5

23

De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "heterogeen verdacht" dient te worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, bevestigd. Gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er echter géén reden voor een nader onderzoek. Er zijn op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden eveneens geen aanwijzingen gevonden die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. Econsultancy acht een onderzoek asbest in bodem/puin conform de NEN 5707/5897 dan ook niet noodzakelijk. Conclusie Vanuit de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem zijn er gezien de bovenstaande onderzoeksresultaten geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 5.1.2 Geluid Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de realisatie van geluidgevoelige objecten, dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder (Wgh). In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een onderzoekszone van een (spoor)weg, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen.

In de Wgh is bepaald dat elke weg een onderzoekszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Onderhavig planvoornemen van één RvR-woning wordt op basis van de Wgh aangemerkt als geluidgevoelig object. Vanwege de ligging aan een 60 km/u weg (Koelderstraat) en op basis van de ligging in de onderzoekszone van de Genraydelweg, Genrayweg en de Oude Rijnstraat, dient formeel een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai te worden uitgevoerd. Echter zijn voor omliggende woonkavels reeds onderzoeken uitgevoerd waarbij de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet werd overschreden. Er kan daardoor redelijkerwijs worden aangenomen dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op onderhavige planlocatie ook niet overschreden zal worden. Derhalve is het niet noodzakelijk om een akoestisch onderzoek uit te voeren voor het aspect wegverkeerslawaai. Conclusie Vanuit het aspect geluidhinder van wegverkeerslawaai bestaan er geen belemmeringen voor de voorliggende ontwikkeling. In de omgeving zijn daarnaast geen spoorwegen of gezoneerde industrieterreinen gelegen. Vanuit dat kader bestaan er kortom geen belemmeringen. 5.1.3 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm).

Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering:

Hoofdstuk 5

24

a. b. c. d.

Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:

Woningen (maximaal)

Minimaal 1 ontsluitingsweg

Minimaal 2 ontsluitingswegen

3%-norm

3%-norm

1.500

3.000

Getalsmatige grenzen Regeling NIBM

De realisatie van één nieuwe woningbouwkavel valt ruimschoots binnen de getalsmatige grenzen uit de Regeling NIBM voor woningbouwlocaties. Het project draagt hierdoor niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Hiermee wordt voldaan aan artikel 5.16, lid 1, onder b. Achtergrondwaarden In aanvulling op het bovenstaande is tevens bekeken of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van de gewenste ontwikkeling. Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) van het RIVM lag de concentratie fijnstof (PM10) ter plaatse in 2020 beneden de 18 µg/m³, de concentratie fijnstof (PM2,5) beneden de 12 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) beneden de 20 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 en NO2 40 µg/m³. Voor PM2,5 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde 25 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse in de huidige situatie daarom voldoende voor de realisatie van de nieuwe functie. Conclusie Gezien de bestaande concentraties is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a.

Daarnaast draagt het project niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer.

Hoofdstuk 5

25

5.1.4 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het voorliggende bestemmingsplan maakt de realisatie van een woning mogelijk. Op basis van paragraaf 1, artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn woningen kwetsbare objecten. In het kader van dit plan moet daarom bekeken worden of er sprake is van risicovolle activiteiten in de nabijheid (zoals Bevi-inrichtingen, BRZO-bedrijven en/of transportroutes) of dat in het plangebied zelf risicovolle activiteiten worden toegestaan. Toetsing Door het IPO is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risico veroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven.

Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enzovoorts. De gemeente Venlo heeft voor haar grondgebied het ‘Beleidsplan externe veiligheid Venlo’ vastgesteld. Dit beleidsplan geeft antwoord op de vraag welke risiconiveaus in Venlo acceptabel worden geacht en biedt een richtinggevend kader voor het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Risicovolle inrichtingen Op basis van de risicokaart van het IPO en de belemmeringskaart van de gemeente Venlo zijn er binnen het plangebied en in de directe omgeving geen risicovolle inrichtingen gelegen. De meest dichtbij gelegen risicovolle inrichting ligt op circa 720 meter ten oosten van het plangebied en betreft een tankstation met lpg aan de Herungerberg 312. Deze inrichting heeft een invloedsgebied van 150 meter, dat niet tot het plangebied reikt. Verder naar het oosten ligt de BRZO-inrichting N.V. Rotterdam - Rijn Pijpleiding Maatschappij aan de Manegeweg 9. De terreingrens van deze inrichting ligt op circa 960 meter van het plangebied. Bij deze inrichting vindt opslag van ruwe olie plaats. Het invloedsgebied van deze inrichting reikt niet tot het plangebied.

Hoofdstuk 5

26

Uitsnede risicokaart met globale ligging plangebied (groen omcirkeld)

Buisleidingen Ten noorden en noordoosten van het plangebied vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats door twee RRP-leidingen (Rotterdam-Rijn Pijpleiding) en één DPO-leiding (Defensie Pijpleiding Organisatie). De kortste afstand tussen de DPO-leiding en het plangebied bedraagt circa 590 meter. Deze leiding heeft een uitwendige diameter van 10,75 inch en een maximale werkdruk van 80 bar. De leiding heeft een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van 0 meter. De RRP-leidingen liggen op een afstand van circa 550 meter tot het plangebied. Eén van de leidingen heeft een uitwendige diameter 36 inch en een maximale werkdruk van 43 bar. De andere leiding heeft een uitwendige diameter van 24 inch en een maximale werkdruk van 62 bar. Volgens het ‘Beleidsplan externe veiligheid Venlo’ hebben deze leidingen een invloedsgebied van 36 tot 43 meter. Dit invloedsgebied reikt bij lange na niet tot het plangebied. Voor beide typen leidingen is bekend dat als de personendichtheid minder is dan 255 personen per hectare er geen sprake is van een groepsrisico. De personendichtheid in de omgeving van het plangebied is beduidend lager. Als gevolg van de voorliggende woningbouw zal deze personendichtheid ook zeker niet worden overschreden. Hierdoor leidt het voorliggende plan ten aanzien van deze leidingen niet tot knelpunten met betrekking tot het groepsrisico.

Vanuit het risicovol transport door buisleidingen bestaan er kortom geen belemmeringen.

Hoofdstuk 5

27

Uitsnede belemmeringskaart externe veiligheid gemeente Venlo met globale ligging plangebied (groen omcirkeld)

Transportroutes voor gevaarlijke stoffen over de weg In de omgeving van het plangebied zijn enkele wegen gelegen waarover risicovol transport plaatsvindt, te weten de A67, de Weselseweg en de Klagenfurtlaan. De A67 (wegdeel afrit 41 (Venlo) – Grens Duitsland) ligt op circa 720 meter ten noorden van het plangebied. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze weg is 27 meter en het groepsrisico is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Vanwege de ligging ten opzichte van deze weg zijn er hierdoor geen directe belemmeringen. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van deze weg voor het vervoer van toxische stoffen. Hierdoor is een verantwoording van het groepsrisico nodig. Aangezien het plangebied op meer dan 200 meter afstand tot de weg is gelegen, kan worden volstaan met een beperkte verantwoording. Deze is opgenomen onder het kopje ‘verantwoording groepsrisico.’ Op circa 620 meter ten westen vindt risicovol transport plaats over de Weselseweg. Deze weg heeft een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van 1 meter en het groepsrisico is kleiner dan 0,1 maal de orientatiewaarde. Het invloedsgebied van deze weg is 355 meter. Het plangebied ligt daarmee niet binnen het invloedsgebied van deze weg. Bovendien is het aantal transporten met gevaarlijke stoffen over deze weg sterk afgenomen sinds de opening van de A74.

Hoofdstuk 5

28

Tot slot ligt de Klagenfurtlaan op circa 540 meter ten zuiden van het plangebied. Deze weg heeft een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van 9 meter en het groepsrisico is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Het invloedsgebied van deze weg is 355 meter. Het plangebied ligt daarmee niet binnen het invloedsgebied van deze weg. Daarnaast is, eveneens als de Weselseweg, het aantal transporten met gevaarlijke stoffen over deze weg sterk afgenomen sinds de opening van de A74. Transportroutes voor gevaarlijke stoffen over spoor- en vaarwegen In de wijde omgeving rond het plangebied zijn geen spoorlijnen of vaarwegen gelegen, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De meest dichtbijgelegen spoor- en vaarwegen liggen op meer dan 2,5 kilometer afstand tot het plangebied. Vanuit dit kader bestaan er kortom geen belemmeringen. Verantwoording groepsrisico Vanwege de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebied van de A67 is en beperkte verantwoording van het groepsrisico benodigd. Bij een dergelijke verantwoording dient op basis van artikel 7 van het Bevt aandacht besteed te worden aan de volgende onderwerpen:  De mogelijkheden ter voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval.  De mogelijkheden van personen binnen het invloedsgebied om zichzelf in veiligheid te brengen (zelfredzaamheid).

Bij zone III (vanaf 200 meter tot einde invloedsgebied) dient alleen rekening gehouden te worden met de effecten van een toxische gaswolk. Onderstaande tekst kan overgenomen worden bij een ruimtelijk plan dat zich in deze zone bevindt. Ontwikkeling groepsrisico Indien een ruimtelijk plan in dit gebied tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dat het groepsrisico niet significant zal toenemen, vanwege:  de afstand tot de plaats van het mogelijke incident;  de aard van incident (blootstelling aan toxisch gas);  de reeds hoge personendichtheden binnen de gemeente Venlo nabij de grote risicobronnen. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico door maatregelen bij de risicobron zijn beschreven in het beleidsplan externe veiligheid. De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is binnen het plangebied geen item, vanwege het gegeven dat de:  toename van de personendichtheid geen significant effect op het groepsrisico heeft;  kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen in deze gebieden bijzonder klein is.

Hoofdstuk 5

29

De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Op deze afstand van de risicobron speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet of nauwelijks. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op ruime afstand van het plangebied. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Het plangebied wordt veelal alleen blootgesteld aan de gevolgen van een toxische gaswolk bij ‘optimale’ weersomstandigheden (bijvoorbeeld Pasquilklasse F1.5: weinig vermenging met schone lucht), die gedurende het jaar procentueel weinig voorkomen. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/32/documents/2755