062Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan Woonzorghuis Manresa.pdf
Tekst van het document
36/101
Conclusie De voorgenomen ontwikkeling op de project locatie is uitvoerbaar met inachtneming van de (toekomstige) verordende regels van de Omgevingsverordening Limburg. Zie hiervoor onder meer de verantwoording in paragraaf 4.1 en hoofdstuk 4 ("Omgevingsaspecten"). 3.3.4 Regionale Woonvisie Noord-Limburg Op 23 september 2020 heeft de gemeente Venlo de 'Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024' vastgesteld en de 'Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg van 20 april 2016' ingetrokken. De nieuwe 'Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024' is een visie waarmee de bestuurders van de 8 Noord-Limburgse gemeenten, waaronder Venlo en de provincie Limburg sturing geven aan het regionale woonbeleid. De 'Regionale structuurvisie Wonen Noord- Limburg 2020-2024' heeft de status van intergemeentelijke structuurvisie op grond van artikel 2.1, lid 4 Wet ruimtelijke ordening (Wro). Daarmee heeft het document een juridische status met een zelfbindend karakter. De 'Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024' wordt verder uitgewerkt in lokaal woonbeleid. Uitgangspunt van de Woonvisie is een in balans zijnde gezonde woningmarkt. De regionale woonvisie is de 2e visie die door de 8 Noord-Limburgse gemeenten in gezamenlijkheid is opgesteld (opvolger van de Regionale Structuurvisie 2016-2020).
In de 2e visie wordt teruggekeken naar de vorige visie, zijn onderdelen uit de 1e visie en nieuwe onderdelen meegenomen en blijft de regio de samenwerking en afstemming voortzetten. Dit wordt gedaan met de partners (corporaties, huurderbelangenverenigingen, ontwikkelaars, makelaars, zorginstellingen et cetera) en met lef en ambitie. In het uitvoeringsprogramma is samenvattend weergegeven welke acties in de regiovisieperiode worden opgepakt. Naast trends en ontwikkelingen zijn in de regionale visie de volgende opgaven geformuleerd: 1. mismatch tussen woningbehoefte en woningvoorrraad: het gaat hierbij om zowel de bestaande woningvoorraad als nieuwbouw. Doordat de samenstelling van de bevolking verandert (ouder worden en toename aantal 1-persoonshuishoudens) ontstaat er een andere woonvraag, die deels aansluit op de bestaande woonvoorraad. Dit betekent enerzijds aanpassen van de bestaande woonvoorraad en anderzijds toevoegen van nieuwbouw gericht op de toekomstige woningbehoefte, met aandacht voor de kwalitatieve vraag en het bevorderen van de doorstroming op de regionale woningmarkt. 2. zoektocht om alle doelgroepen een plek te geven binnen de woningmarkt: in de regio komen verschillende doelgroepen nadrukkelijker naar voren. Die moeten allemaal een plek krijgen binnen de woningmarkt en maatschappij.
Bijvoorbeeld zorgdoelgroepen (vanuit beschermd wonen naar de reguliere woningmarkt) en internationale werknemers de zich hier voor langere tijd willen vestigen. Maar ook woonwagenbewoners. Voor een deel zijn bijzondere doelgroepen afhankelijk van de sociale huursector. De druk op dit segment lijkt dan ook toe te nemen. Niet alleen qua aantallen, maar juist door een concentratie van mensen die door allerlei oorzaken hun weg maar moeilijk kunnen vinden in onze maatschappij. Dit brengt druk op de leefbaarheid met zich mee. In het laatste hoofdstuk is het uitvoeringsprogramma opgenomen. Hierin is samenvattend weergegeven welke acties we in de regiovisieperiode willen oppakken Beoordeling In het voorliggende geval gaat het om een ontwikkeling van een woonzorgcomplex met zorgeenheden, binnen
37/101
het gebied waarop de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg van toepassing is. De realisatie van de nieuwbouw is niet strijdig met de visie van de gemeenten binnen de regio Noord-Limburg. Vanuit het regionaal beleid bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Strategische visie 'Venlo 2040' Op 26 mei 2021 heeft de gemeenteraad van Venlo de strategische visie 'Venlo 2040' vastgesteld. In dit beleidsdocument is de hoofdrichting beschreven van de gewenste toekomstige ontwikkeling voor Venlo. Deze hoofdrichting heeft een abstract karakter en wordt nader geconcretiseerd in onderliggende beleidsdocumenten en de gemeente- begroting. In de strategische visie zijn nieuwe opgaven toegevoegd yen opzichte van de doelstellingen en ambities uit de strategische visie 2030, zoals (de voortgaande) digitalisering, duurzaamheid, energie en klimaat. Als leidraad voor het bestaande ‘stedelijk’ beleid staat de strategische koers overeind: "het zijn van een vitale (in omvang) licht groeiende gemeenschap met voldoende koopkracht om de voorzieningen in stand te houden, om onze economie draaiende te houden". Thuis in Venlo Er wordt ingezet op bescheiden groei van het aantal inwoners. Het aantal Venlonaren met een niet-Venlose oorsprong zal toenemen vanwege de aantrekkingskracht van de Venlose economie. Internationale medewerkers, kenniswerkers en studenten vragen om aantrekkelijke woonmilieus en voorzieningen. Door de toename van het aantal huishoudens vraagt dit om passende woonruimte voor alle doelgroepen, met name de doelgroepen die ondervertegenwoordigd zijn. Woningbouw vindt vooral plaats binnen de huidige stedelijke contouren.
De woningvoorraad zal bovendien een kwaliteitsslag maken gelet op de noodzakelijke verduurzaming. Elkaar ontmoeten krijgt andere vormen. De openbare ruimte en de voorzieningen vervullen daarin een belangrijke rol. Digitalisering en domotica zal een belangrijke rol vervullen bij het langer dan voorheen thuis wonen van inwoners die zorg nodig hebben. De overheid garandeert een fatsoenlijk basisniveau van voorzieningen. Ruimte voor initiatieven De binnenstad heeft in 2040 een andere aanblik. Deze is groener geworden, beken zijn zichtbaar en nog meer een aantrekkelijk woon- en verblijfsgebied met aantrekkelijke voorzieningen. Ook in de wijken en dorpen is er sprake van ontstening en is er werk gemaakt van de klimaatopgave gecombineerd met een kwaliteitsslag in de openbare ruimte. De klimaatopgaven hebben tevens geleid tot een andere samenstelling van energiebronnen. Landbouwgrond heeft hierdoor deels een andere invulling gekregen, desondanks zijn de opbrengsten gegroeid. De ruimte tussen de kernen worden opengehouden en wordt gebruikt voor landbouw, recreatieve en toeristische functies. Natuurwaarden zijn versterkt in combinatie met energieopwekking en klimaatadapatie. Ruimtelijke ontwikkelingen zullen er toe bijdragen dat er aan de westoever een stadsdeel zal ontstaan dat aanvullend is op de historische stadskern.
In de dorpskernen zullen gerichte investeringen bijdragen aan unieke en kwalitatieve hoogwaardige dorpse woonmilieus.
38/101
Werken in Venlo In de toekomst bevindt Venlo zich op een sleutelpositie binnen het Europese economische kerngebied. Het logistieke belang van Venlo is gegroeid door digitalisering en robotsering. Er wordt binnen de logistiek ingezet op vergroting van de toegevoegde waarde. Dat geldt ook voor de toegevoegde waarde die Venlo biedt op het gebied van voedselproductie en gezonde voeding. De Brightlands Campus Greenport Venlo heeft haar vleugels uitgeslagen en er vindt fundamenteel en toegepast onderzoek plaats. Met een aanzienlijke economische spin-off als gevolg. Daarmee is het economisch fundament, dankzij de sterke basis op het gebied van de maakindustrie, logistiek en agribusiness, verder verbreed. Meer economie en minder beroepsbevolking biedt ook kansen voor betaald werk. Een keur aan instrumenten en arrangementen zal het in Venlo mogelijk maken om zoveel mogelijk inwoners de kans te bieden op betaald werk, passend bij de mogelijkheden van zowel de werkgever als werknemer. Grenzeloos Wat betreft onze grensligging is het (relatieve) gemak toegenomen waarmee over en weer gebruik wordt gemaakt aan beide zijden van de grens van elkaars kwaliteiten en profiteren van elkaars aanwezigheid. De stedelijke en regionale programmering op een breed scala aan onderwerpen zal hechter geworden.
Gezondheid De ambitie om de "Gezondste regio" te zijn heeft geleid tot een breed aanbod aan economische activiteiten die hieraan invulling geven. Gezonde voeding en een gezonde levensstijl zal ervoor zorgen dat niet alleen de economie, maar vooral ook de inwoners hebben geprofiteerd. De vrijetijdseconomie heeft mede daardoor een stevige impuls gekregen. Venlo is niet alleen omwille van haar historie, winkelaanbod en ligging de moeite van het bezoeken waard, maar ook door de mogelijkheden om te kunnen wandelen, te kunnen fietsen, te kunnen ontspannen en te genieten van al het goede en lekkers dat specifiek in onze regio aan voeding wordt geproduceerd. Rol van de gemeente Venlo In de toekomst is de gemeente in staat op basis van ervaring een onderscheid te maken tussen de verschillende vormen die er bestaan tussen loslaten enerzijds en overnemen anderzijds. De gemeentelijke organisatie heeft ook een transformatie doorgemaakt. Digitalisering heeft het mogelijk gemaakt dat iedere inwoner, op ieder moment van de dag, snel zijn gegevens kan inzien en van onze dienstverlening gebruik kan maken. Beoordeling Onderhavige ontwikkeling draagt bij aan de verdere ontwikkeling van een aantrekkelijk woonklimaat, waarbij nieuwbouw plaatsvindt binnen de kern Venlo ten behoeve van de huisvesting van een specifieke doelgroep, waar een groeiende behoefte aan is.
Het project past binnen de doelstelling en ambities zoals opgenomen in de Strategische visie 'Venlo 2040'.
39/101
3.4.2 Ruimtelijke Structuurvisie Venlo Op 25 juni 2014 heeft de gemeenteraad de Ruimtelijke Structuurvisie Venlo 'Ruimte binnen grenzen' vastgesteld. In deze structuurvisie staat de hoofdlijn van het ruimtelijk beleid voor de gemeente Venlo tot het jaar 2030 beschreven. Hieruit is af te leiden wat er de komende jaren op ruimtelijk gebied wel en niet mogelijk is. In de nieuwe structuurvisie van de gemeente Venlo zijn niet de regels, maar de ambities en opgaven het uitgangspunt. Het is verdeeld in vijf thema's, de zogenaamde 'majeure opgaven'. 1. Drukte in het ommeland: het contrast tussen buitengebied en stedelijk gebied verscherpen door het buitengebied ook daadwerkelijk als buitengebied te behandelen. Dit betekent het combineren van meerdere functies, zoals landbouw, recreatie, waterberging en natuurontwikkeling; 2. Ruimte in de stad: het contrast tussen buitengebied en stedelijk gebied door de beschikbare ruimte in bestaand stedelijk gebied maximaal te benutten; 3. Leven met de Maas: ruimte geven aan de rivier en haar beken om te anticiperen op klimaatverandering; 4. Voorzieningen op maat: zorgen voor vitale en toekomstbestendige clusters van voorzieningen die aansluiten bij de reële behoefte van de samenleving; 5. Robuuste structuren: werken aan een weerbare infrastructuur voor personen- en goederenvervoer.
Daarnaast vraagt het gebruik van de ondergrond en het opwekken van schone energie steeds meer aandacht. Naast deze 'majeure opgaven' gaat de gemeente Venlo uit van drie basisprincipes, aandachtspunten die van toepassing zijn op elk ruimtelijk initiatief. Dit betekent concreet dat gemeente Venlo een initiatief als kansrijker beschouwt als: het de uitgangspunten van Cradle to Cradle (C2C) als vertrekpunt hanteert; de vraag wordt gesteld wat het betrekken van (Duitse) regiogemeenten kan betekenen; het zelf georganiseerd draagvlak geniet. Voor de uitvoering van de structuurvisie streeft de gemeente ernaar om initiatiefnemers, binnen de voorgestelde kaders, de ruimte te geven. Kernopgave Het contrast tussen het stedelijk gebied en het buitengebied wordt kleiner. En dat is jammer, omdat dit een minder afwisselende en daardoor minder aantrekkelijke gemeente oplevert. Steden, dorpen en het buitengebied hebben ieder hun specifieke kwaliteiten. Om die kwaliteiten nog beter tot hun recht te laten komen, wordt het contrast tussen steden, dorpen en het buitengebied de komende jaren versterkt. Het bestaande bebouwde gebied in de stad en de dorpen biedt ruim voldoende capaciteit voor toekomstige stedelijke functies. Het buitengebied wordt - in tegenstelling tot vroeger - steeds meer gebruikt voor typische 'buitengebied-activiteiten', zoals toerisme en recreatie en landbouw.
De gemeente wil het contrast tussen stedelijk gebied en het buitengebied verder vergroten door de specifieke kwaliteiten van zowel de stad als het land te benadrukken. Stad en land moeten elkaar aanvullen in plaats van in elkaar over te gaan. De uitbreidingsruimte van het stedelijk weefsel van stad en dorpen is begrensd door er een 'contour' omheen te trekken. Hierbuiten worden in principe geen stedelijke functies meer toegestaan. De contouren vormen de
40/101
overgangen tussen het stedelijk gebied en het buitengebied. Deze contouren zijn geen 'lijntje' op de kaart, maar stadsrandzones waarin de overgang van bebouwd gebied naar het (open) landschap wordt vormgegeven. Op veel plekken rondom het stedelijk gebied is er sprake van een logische begrenzing. Indien de cultuurhistorische kwaliteiten van een gebied een verdere verdichting van het landschap niet toelaten of verdragen, zijn deze gebieden buiten de contour gelaten. Ruimte in de stad In het stedelijk gebied wordt gestreefd naar maximale benutting van de bestaande beschikbare ruimte, niet om een uitbreiding daarvan. In het stedelijk gebied is door tijdelijk gebruik, hergebruik, multifunctioneel gebruik en slim slopen nog voldoende ruimte aanwezig om nieuwe initiatieven een plaats te geven. Liever wil men bestaande woningen of gebieden aanpassen, dan dat er wordt uitgebreid. Natuurontwikkeling Daar waar mogelijk wil de gemeente natuurgebieden fysiek verbinden en slimme combinaties leggen, ook over de grens. Ontbrekende verbindingen kunnen worden gerealiseerd middels agrarisch natuurbeheer in gebieden met agrarische waarden (lichtgroen op de kaart). Op de kaarten zijn de belangrijkste ontbrekende verbindingen weergegeven (ook deels in stedelijk gebied), deze hebben voor de gemeente prioriteit.
De gemeente fungeert als intermediair tussen particulieren, waterschap, provincie en belangenorganisaties (op het gebied van natuur en landschap, landbouw etc.) om ervoor te zorgen dat alle actoren een bijdrage leveren aan het ontwikkelen en verbinden. Regionale natuurstructuren wordt zoveel mogelijk gezamenlijk en vanuit een gedeeld belang opgepakt. Er wordt gezamenlijk gewerkt aan goed bereikbare en goed toegankelijke natuurgebieden. Beoordeling In de structuurvisie is het projectgebied aangegeven als woongebied binnen de contour stedelijk/dorpsgebied, waarbinnen ruimte is voor stedelijke dynamiek en groei. Binnen deze contour is het verdichten met woningbouw (specifiek zorgwoningen) in beginsel mogelijk. Zie hiervoor de rode pijl in afbeelding 3.6. Het nieuwe Manresa terrein is daarbij aangeduid als stedelijk gebied met een waardevolle groene uitstraling. Een (woningbouw)ontwikkeling in dit gebied dient de groene identiteit te waarborgen. De beoogde ontwikkeling op het nieuwe Manresa terrein past binnen de basisprincipes van het ruimtelijk beleid van de gemeente Venlo zoals vastgelegd in de Ruimtelijke Structuurvisie Venlo. De ontwikkeling van het woonzorgcomplex Manresa met zorgwoningen is een aanvulling hierop.
41/101
Afbeelding 3.6: uitsnede uit Ruimtelijke Structuurvisie Venlo (2014) - afbeelding Ruimte in de Stad In de regionale Woonvisie 2020-2044 (zie paragraaf 4.1) is aangegeven dat verschillende doelgroepen nadrukkelijker aandacht verdienen, waaronder ook de zorgdoelgroepen. De gemeente Venlo heeft een Woonzorganalyse uitgevoerd. Onderhavige locatie ontwikkeling past hierbinnen. Het gaat om een kleinschalige woonvorm met 24-uurszorg voor dementerende ouderen. Deze doelgroep is groeiend en er is sprake van een verdubbeling van deze doelgroep richting 2050. Het initiatief ziet bovendien op uitsluitend zorg voor dementerende ouderen (de doelgroepen worden niet gemixt), er zijn voldoende ontmoetingsruimtes en er is sprake van goede buitenruimtes. Daarnaast ziet het initiatief op een prijsklasse waar behoefte aan is, blijkend uit de Woonzorganalyse. 3.4.3
Welstand
Algemeen Met de welstandsnota wordt invulling gegeven aan de in artikel 12 van de Woningwet neergelegde verplichting tot vaststelling van een gemeentelijke welstandsnota door de gemeenteraad. De in de welstandsnota neergelegde criteria zijn geen algemeen verbindende voorschriften, maar beleidsregels als bedoeld in Hoofdstuk 4 titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Als beleidsregels vormen zij het kader
42/101
waarbinnen burgemeester en wethouders het welstandstoezicht uitoefenen. Afwijking van deze beleidsregels is mogelijk, mits deugdelijk gemotiveerd. De welstandsnota bevat dus het toetsingskader voor omgevingsvergunningaanvragen voor wat betreft de preventieve beoordeling aan redelijke eisen van welstand. Daarnaast kunnen de in de welstandsnota opgenomen criteria grond vormen voor repressief toezicht, d.w.z. voor handhaving via aanschrijving, indien een bestaand bouwwerk in ernstige mate in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Welstandsnota Op 29 januari 2014 heeft de gemeenteraad van Venlo de “Welstandsnota gemeente Venlo 2013” vastgesteld, die op 6 februari 2014 in werking is getreden. Deze welstandsnota is een beleidsregel zoals bedoeld in titel 4:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Het college van burgemeester en wethouders van Venlo is in beginsel het bevoegde gezag om te beslissen op een bouwaanvraag. Deze welstandsnota geeft het kader aan waarmee de gemeente Venlo kan sturen op de verschijningsvorm van de gebouwde omgeving, de bouwverordening regelt de uitvoering daarvan. Binnen dat kader wordt beoordeeld of bouwaanvragen voldoen aan de ‘redelijke eisen van welstand’, de bouwverordening regelt de uitvoering daarvan.
De beoordeling wordt aangeboden aan het college van burgemeester en wethouders van Venlo, die deze beoordeling meenemen in het besluit een vergunning al dan niet te verlenen. Een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand moet in algemene zin “passen in zijn omgeving”. De term ‘redelijke eisen van welstand’ ligt ten grondslag aan de welstandsadvisering, zoals deze verankerd is in de Woningwet. Advisering aan het college Door een wijziging in het Besluit omgevingsrecht, is met ingang van 1 maart 2013 een einde gekomen aan de wettelijke verplichting om een bouwaanvraag waarvoor redelijke eisen van welstand gelden, voor advies voor te leggen aan de welstandscommissie. Per 1 maart 2013 is een ambtelijke welstandstoets mogelijk zonder een welstandsadvies van de welstandscommissie. Bij een ambtelijke welstandstoets kan het college een oordeel geven over de vraag of een bouwplan in overeenstemming is met redelijke eisen van welstand op grond van onderliggende nota. Over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de ambtelijke welstandstoets is door het college separaat beleid vastgesteld. Welstandsvrij gebied De gemeente Venlo kiest voor meer vrijheid en flexibiliteit door welstandsvrijheid in het welstandsbeleid te introduceren. Het plangebied is gesitueerd in een zogenaamd 'welstandvrij' gebied (zie afbeelding 3.7).
43/101
Afbeelding 3.7: situering planlocatie (blauwe ster) in een welstandsvrij gebied met in rood 'Nieuw Manresa' Wanneer het niveau welstandsvrij aanwezig is, wordt niet vooraf beoordeeld of een bouwwerk voldoet aan de redelijke eisen van welstand. De verantwoordelijkheid voor de ruimtelijke kwaliteit van het bouwplan is aan de initiatiefnemer. Er is wel een stok achter de deur om excessen (buitensporigheden) te voorkomen: de zogenaamde excessen- regeling. De Woningwet biedt het bevoegd gezag de mogelijkheid om repressief tegen excessen op te treden. De regel dat bouwwerken ‘niet in ernstige mate in strijd mogen zijn met redelijke eisen van welstand’ geldt ook voor vergunningvrije bouwwerken en in welstandsvrije gebieden. De wetgever is ervan uitgegaan dat hierbij sprake moet zijn van een overduidelijke overtreding van de regels hetgeen voor eenieder zichtbaar moet zijn. Het gaat in gevallen van een exces om ernstige ontsiering van een bouwwerk of een gedeelte daarvan in relatie tot de omgeving. In een gebied waarvoor een hoog welstandsniveau is vastgesteld, zal er eerder sprake kan zijn van een exces dan in een gebied met een lager niveau. Beeldkwaliteitplan (BKP) of beeldregieplan Aan een planontwikkeling kan een beeldkwaliteitplan worden gekoppeld.
Een beeldkwaliteitplan of beeldregieplan is een samenhangend pakket van intenties, aanbevelingen en/of richtlijnen voor het veiligstellen, creëren en/of verbeteren van de beeldkwaliteit in een bepaald gebied. Het beeldkwaliteitplan
44/101
geeft in woord en beeld voor verschillende schaalniveaus de uitgangspunten aan voor het te ontwikkelen architectonisch en stedenbouwkundig ontwerp. Het is een op de locatie en situatie afgestemd referentiekader voor de stedenbouwkundige en architectonische vormgeving. Een beeldkwaliteitplan kan niet zonder meer worden beschouwd als een wijziging/aanvulling van de welstandsnota. Dit vloeit op de eerste plaats voort uit het feit dat een welstandsnota enkel toetsingscriteria met betrekking tot de architectonische vormgeving kan bevatten. In een beeldkwaliteitplan daarentegen kunnen, naast architectonische aspecten, tevens ruimtelijke randvoorwaarden aan de orde komen. Tevens biedt het BKP prikkels om de kwaliteit te verhogen. Het accent ligt op het stimuleren van de beste landschappelijk, stedenbouwkundige en architectonische kwaliteit. Daarom behelst dit beeldkwaliteitplan tevens aanbevelingen op stedenbouwkundig en architectonisch niveau. De ontwikkelaar streeft een hoog ambitieniveau na als het aankomt op vormgeving en duurzaamheid van het woonzorgcomplex. Voor de aangrenzende ontwikkeling van het gebied Nieuw Manresa is een beeldkwaliteitsplan Nieuw Manresa opgesteld. Dit beeldkwaliteitsplan heeft een inspirerend karakter. Hiermee wordt vooral richting gegeven aan het gewenste sfeerbeeld en ambitieniveau.
Het beeldkwaliteitsplan maakt onderdeel uit van de gemeentelijke welstandsnota, waardoor de status van een aanvankelijk 'welstandsvrij gebied' is gewijzigd naar beeldkwaliteitplan met bijbehorende welstandsbeoordeling, op basis waarvan (op hoofdlijnen) getoetst kan worden aan welstand. Juridische status BKP Een gedeelte van onderhavige ontwikkeling is gelegen in het gebied waar dit beeldkwaliteitsplan geldt. Het beeldkwaliteitsplan geeft echter geen voorschriften, omdat op deze plek geen nieuwe bebouwing was voorzien ten tijde van het vaststellen. Formeel zou het beeldkwaliteitsplan dan ook aangepast moeten worden om nieuwe kaders te scheppen voor deze ontwikkeling. Aangezien het gaat om een particuliere ontwikkeling van beperkte omvang is door de gemeente voorgesteld om het gehele plan te bespreken met de Adviescommissie Welstand en Erfgoed (AWE), ook al is een gedeelte gelegen binnen een welstandsvrij gebied. Daardoor behoeft er geen aangepast beeldkwaliteitsplan te worden opgesteld. 3.4.4 Waardevolle groenopstanden Op 22 februari 2017 heeft de gemeenteraad besloten de Algemene Plaatselijke Verordening Venlo aan te passen. Deze aanpassing is in werking getreden op 7 maart 2017. Door deze aanpassing zijn er minder kapvergunningen noodzakelijk en is het voor de inwoners van Venlo eenvoudiger om te zien of een kapvergunning noodzakelijk is.
Op een gemeentelijke bomenkaart zijn de waardevolle en monumentale bomen en houtopstanden aangeduid. Alleen voor een waardevolle boom of houtopstand is nog een kapvergunning noodzakelijk. In dit bestemmingsplan zijn de waardevolle bomen/houtopstanden voor een deel binnen het plangebied gesitueerd. Bij kap van deze bomen ten behoeve van de planontwikkeling is een gemeentelijke ontheffing voor de kap noodzakelijk. Tevens geldt volgens de vigerende bestemmingsplanregeling (artikel 4.7.1, sub g) een verbod op het vellen en rooien van houtgewas. Er kan echter een omgevingsvergunning voor het rooien van de bomen afgegeven
45/101
worden door de gemeente in combinatie met een herplantplicht. De aard en omvang van de herplantplicht wordt vastgelegd door gemeente en initiatiefnemer van de ontwikkeling, waarbij rekening wordt gehouden met de al uitgevoerde compensatie van ca. 5,55 ha natuurgebied (waarvan 2,705 ha bos) in verband met de ontwikkeling van het nieuwe woongebied Manresa alsmede de inrichting en het beheer van het Manresapark. Zie tevens hiervoor paragraaf 4.12.2.
Afbeelding 3.8: uitsnede uit kaartbeeld waardevolle bomen/houtopstanden (bron: gemeente Venlo)
46/101
Hoofdstuk 4
4.1
Milieu- en omgevingsaspecten
Inleiding
Op grond van de Wet ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie dient de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan te worden aangetoond en dient te worden onderbouwd dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
4.2
M.e.r.-beoordeling
Wettelijk kader Met een milieueffectrapportage (m.e.r.) worden de milieugevolgen van een plan in beeld gebracht. De m.e.r. is gebaseerd op Europese regelgeving. In Nederland is de m.e.r. geregeld in de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. De Wm gaat vooral in op de procedure en de inhoudsvereisten. In het Besluit m.e.r. is geregeld in welke gevallen een m.e.r. moet worden opgesteld. Bij het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.) is een bijlage opgenomen waarin de criteria voor een m.e.r.-plicht (onderdeel C) en een m.e.r.-beoordelingsplicht (onderdeel D) staan. Een beoordelingsplicht houdt in dat moet worden nagegaan of er sprake is van (mogelijke) belangrijke milieugevolgen. Als deze niet kunnen worden uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht. De onderdelen C en D zijn onderverdeeld in 4 kolommen: kolom 1: de activiteit zelf; kolom 2: drempelwaarden activiteit; kolom 3: de kader stellende plannen (zoals een bestemmingsplan); kolom 4: de besluiten. De drempelwaarden van activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel D zijn indicatief. Indien een activiteit wordt genoemd in onderdeel D, maar beneden de drempelwaarde van kolom 2 valt, moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsvinden. Dit geldt zowel voor kaderstellende plannen, zoals een bestemmingsplan, als voor besluiten.
In dit kader is met name 11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. van belang. Het gaat daarbij om: D 11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Van belang of een m.e.r. noodzakelijk is de vraag of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn ten gevolge van de planontwikkeling. Bepalend daarbij is dus of uitgesloten kan worden of de betrokken ontwikkeling aanzienlijke negatieve gevolgen heeft voor het milieu. Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 7 juli 2017 is een wetswijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Eén van de belangrijkste gevolgen van deze wetswijziging is dat vanaf 16 mei 2017 een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden aangevraagd
47/101
door middel van een aanmeldingsnotitie. Dit is een extra stap in de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Het nut van deze notitie is dat al in een vroeg stadium beoordeeld wordt of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. De beslissing van het bevoegd gezag of een milieueffectrapportage moet worden opgesteld, vindt plaats op basis van deze notitie en voordat gestart kan worden met een omgevingsvergunningaanvraag of ruimtelijke procedure. Een aanmeldingsnotitie is vormvrij, maar heeft wel een aantal inhoudelijke voorwaarden. De aanmeldingsnotitie moet in ieder geval informatie bevatten over de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten van de activiteit. Het bevoegd gezag beslist op basis van deze aanmeldingsnotitie of een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Tegen een besluit om af te zien van een milieueffectrapport staat in dit geval geen bezwaar en beroep open. De Raad van State heeft eerder bepaald dat hier sprake is van een zogenaamde beslissing inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit. Volgens artikel 6.3. van de Algemene wet bestuursrecht is een dergelijke beslissing niet vatbaar voor bezwaar en beroep, tenzij ze de belanghebbende –los van het voor te bereiden besluit tot vergunningverlening– rechtstreeks in zijn belang treft.
In eerdere uitspraken heeft de Raad van State bepaald dat omwonenden en bijvoorbeeld milieuverenigingen niet als direct belanghebbenden worden gezien. Bij een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient aan de hand van de volgende aspecten te worden beoordeeld of de activiteit inderdaad geen aanzienlijke milieugevolgen kan hebben: de kenmerken van de activiteit (aard, omvang, cumulatie met andere ontwikkelingen); de locatie van de activiteit (kenmerken van het plangebied en de kwetsbaarheid van de omgeving); de mogelijke gevolgen van de activiteit. Beoordeling Het juridisch-planologisch realiseren/mogelijk maken van deze functies is getoetst aan activiteiten uit de Bijlage bij het Besluit m.e.r. De voorgestane planontwikkeling is qua aard en omvang niet te vergelijken met de projecten die in lijst C 'Activiteiten, plannen en besluiten, ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage verplicht is' zijn opgesomd en ligt ver onder de opgenomen drempelwaarden. In de drempelwaardenlijst wordt onder het geval D11.2 genoemd: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft: een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.
Gelet op de aard van de bebouwing in relatie tot een gevoelig gebied en jurisprudentie, kan de ontwikkeling van woonzorghuis Manresa aangemerkt worden als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. De uitgevoerde onderzoeken onderbouwen de conclusie dat gelet op aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot het plangebied en de (directe) omgeving er geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten waardoor een milieueffectrapportage niet noodzakelijk is.
48/101
De uitgevoerde onderzoeken tonen aan dat het realiseren van een woongebied op de projectlocatie voldoet aan de wettelijke eisen en er sprake is van een verantwoorde situatie vanuit milieuoogpunt. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste conclusies beschreven. Procedureel is voorafgaand aan de bestemmingsplanprocedure een bondige aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling ingediend (een bijlage bij het bestemmingsplan). Uit deze notitie blijkt dat uit de beschouwing van de verschillende milieueffecten bij de uitvoering van de voorgestane ontwikkeling, gezien de plaats, omvang en overige kenmerken alsmede de potentiële effecten van het project, er geen sprake zal zijn van nadelige milieugevolgen, waardoor een milieueffectrapportage niet noodzakelijk is. Burgemeester en wethouders heeft een besluit op de ingediende aanmeldingsnotitie in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling genomen. Voornoemde beslissing, dat voor de voor de planontwikkeling géén milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld, is toegevoegd aan het bestemmingsplan (zie bijlage 7).
4.3
Archeologie en cultuurhistorie
4.3.1 Archeologie Het Verdrag van Valletta (Malta) verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard. Het Verdrag van Valletta is door vertaald. Sinds de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) per 1 september 2007 is de gemeente verantwoordelijk voor het archeologiebeleid en heeft de provincie zich hiervan teruggetrokken. In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect archeologie in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: de archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard; er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect archeologie. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden.
De wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en vervangt 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. De belangrijkste verandering voor archeologen is de vervanging van de opgravingsvergunning door een wettelijk geregelde certificering. Dit moet garanderen dat opgravingen volgens professionele kwaliteitsnormen worden uitgevoerd. Een aantal onderdelen van de Monumentenwet 1988 gaat in 2019 over naar de Omgevingswet. Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijven deze onderdelen van kracht binnen het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Voor archeologie gaat het onder meer om: het meewegen van het archeologische belang bij het opstellen van bestemmingsplannen; de mogelijkheid om voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning ter bescherming van
49/101
archeologie; de mogelijkheid van de Minister van OCW om bij (dreigende) schade aan archeologische monumenten na een toeval vondst voorschriften te stellen aan de uitvoering de werkzaamheden of die stil te leggen; de mogelijkheid van het bevoegd gezag of de Minister van OCW om toegang tot een terrein af te dwingen om archeologisch onderzoek te kunnen doen. Beoordeling Met de archeologische waarden hoeft geen rekening te worden gehouden. Het plangebied bevat volgens de Archeologische Beleidskaart Venlo géén archeologische verwachtingswaarde meer. 4.3.2 Cultuurhistorie Gemeenten moeten bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening houden met cultuurhistorische waarden. Deze verplichting, die voorkomt uit het rijksbeleid voor modernisering van de monumentenzorg (MoMo), is vanaf 1 januari 2012 vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel van deze verplichting is te bevorderen dat de cultuurhistorische waarden al bij de start van een planontwikkeling een rol spelen en worden meegewogen in de besluitvorming. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. De wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en vervangt 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988.
50/101
Afbeelding 4.1: afbeeldingsfragment van Cultuurhistorische Inventarisatiekaart van gemeente Venlo Beschermde rijks- of gemeentelijke monumenten zijn objecten met een dermate hoge historische waarde of schoonheid dat naar behoud daarvan gestreefd moet worden, ongeacht de cultuurhistorische waarde van hun directe omgeving. Bij het streven naar behoud zullen wel de eisen van het gebruik van het object meegewogen worden. Het bezit van een nuttige en liefst ook rendabele functie, passend bij het monument, is een belangrijk doel. In het plangebied zijn géén Rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten gelegen. Het gemeentelijk beleid is erop gericht om bestaande cultuurhistorische kwaliteiten zoveel mogelijk te handhaven en te versterken. Instrumenten hiervoor vormen de Monumentenwet 1988 en de gemeentelijke monumenten- en archeologieverordening 2011. Toetsing van de cultuurhistorische waarden vindt plaats aan de hand van de cultuurhistorische waardenkaarten.
51/101
Afbeelding 4.2: foto van bestaand pand Leutherweg 103 Beoordeling De gemeente heeft een Cultuurhistorische Inventarisatiekaart opgesteld. Hierop zijn gegevens opgenomen met betrekking tot landschap (landschapstypen en landschapselementen), bouwkunde, stedenbouw en historische geografie. Bij de voorgenomen planontwikkeling blijven de cultuurhistorisch waardevolle elementen in de directe omgeving (zoals de Lourdesgrot, de bunker en de voormalige Galgenberg) behouden (gesitueerd buiten het feitelijke plangebied). Zie afbeelding 4.1. De direct ten oosten van de nieuwbouw, net buiten het plangebied, gesitueerde schuilkelder uit 1939 zal waarschijnlijk binnen afzienbare tijd worden aangewezen als gemeentelijk monument. Bij de ruimtelijke inrichting van de planlocatie zal hiermee rekening worden gehouden. Tevens zal het karakteristieke pand Leutherweg 103 behouden blijven en geïntegreerd worden in het bouwplan. Zie afbeelding 4.2 voor wat betreft het bestaande pand Leutherweg 103. Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen géén belemmering voor de planontwikkeling binnen het
52/101
plangebied.
4.4
Bodem- en grondwaterkwaliteit
4.4.1 Inleiding In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient beoordeeld te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functies en geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Uitgangspunt is dat er minimaal historisch onderzoek dient plaats te vinden bij nieuwe ontwikkelingen. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. Indien er sprake is van een verdachte locatie moet het historisch onderzoek worden aangevuld met een verkennend bodemonderzoek conform de geldende norm. Op het moment van schrijven geldt daarvoor de NEN 5740. Bodemonderzoek geeft de kwaliteit van de bodem op een bepaald moment weer. Een bodemonderzoek heeft standaard een geldigheidsduur van 5 jaar, zolang er geen bodembedreigende activiteiten plaatsvinden op de locatie. Een bodemonderzoek jonger dan twee jaar is zonder meer geldig. Bij een ouderdom tussen de twee en vijf jaar, moet door middel van een historisch onderzoek worden onderzocht of er activiteiten hebben plaatsgevonden die de kwaliteit van de bodem nadelig beïnvloed kunnen hebben. Is dit het geval, dan dient minimaal dat deel van het terrein opnieuw onderzocht te worden. Is het bodemonderzoek ouder dan vijf jaar, dan is nieuw verkennend onderzoek vereist.
Doordat op de planlocatie structureel mensen gaan verblijven, waar voorheen (deels) geen sprake is van wonen en verblijf, vanwege de realisatie van het grootse deel van de bebouwing ter plaatse van een bos, is inzicht in de bodemkwaliteit ter plaatse vereist. Gelet op de bestaande boombeplanting (bos) en de daarop jarenlang afgestemde gebruiksfunctie is het niet aannemelijk te verwachten dat de locatie dusdanig verontreinigd is dat een functieverandering naar wonen en verblijf ter plaatse problematisch is. Er is dan ook geen aanleiding te veronderstellen dat de functiewijziging ter plaatse niet uitvoerbaar is. Deze veronderstelling zal echter door middel van een uit te voeren bodemonderzoek volgens NEN 5740 bevestigd moeten worden. 4.4.2 Bodemonderzoek Door Econsultancy is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd conform de NEN5740 en/of NEN5707. De onderzoeksrapportage is integraal bij de toelichting van het bestemmingsplan gevoegd als bijlage 2. Resultaten Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "onverdacht" (ONV). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is.
53/101
De bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot matig siltig, zwak tot matig grindig, zeer fijn tot matig grof zand. De bovengrond is bovendien zwak humeus (tot maximaal 2,0 m -mv). De ondergrond is plaatselijk zwak tot sterk gleyhoudend. In de bodem zijn plaatselijk in verschillende gradaties (zwak tot matig) kolengruis, baksteen en beton aangetroffen. In het opgeboorde materiaal van boring 06 zijn in de ondergrond tevens textiel en dakpannen in zwakke mate waargenomen. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het maaiveld van de onderzoekslocatie, alsmede in de bodem, geen puin(resten) of andere asbestverdachte (plaat-)materialen aangetroffen. De zintuigelijk verontreinigde bovengrond is licht verontreinigd met lood, zink, minerale olie, PCB en PAK. De zintuigelijke schone bovengrond is licht verontreinigd met lood, zink en PAK. De ondergrond is licht verontreinigd met PAK. Het grondwater is licht verontreinigd met cadmium en nikkel. Deze metaal- verontreinigingen zijn hoogstwaarschijnlijk te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van metalen in het grondwater. Conclusie en advies De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "onverdacht" kan worden beschouwd wordt, op basis van de lichte verontreinigingen, verworpen.
Echter, gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de geplande functie en nieuwbouw (bouwen van een bouwwerk) op de onderzoekslocatie. Algemeen Indien er bij werkzaamheden (bouw of inrichting van het terrein) grond wordt geroerd, verplaatst, opgebracht en/of van de locatie vrijkomt en niet op de locatie kan worden hergebruikt en van de locatie wordt afgevoerd, zijn de regels van de Wet bodembescherming het Besluit bodemkwaliteit, het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS houdende grond en baggerspecie (d.d. 2 juli 2020) of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing.
4.5
Milieuzonering
4.5.1 Inleiding Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijven en/of inrichtingen in het plangebied zijn toegestaan. Dit houdt in dat er voldoende ruimtelijke scheiding moet zijn tussen milieubelastende bedrijven/inrichtingen en woongebieden. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. In deze brochure worden richtafstanden gegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. Bij een gemengd gebied geldt een kortere afstand dan bij een rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen dan andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot gemengd gebied.
54/101
4.5.2 Staat van bedrijfsactiviteiten De indeling van de bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten is vastgelegd in de Staat van bedrijfsactiviteiten. Deze staat is gebaseerd op bovengenoemde VNG - brochure. In deze staat worden bedrijfsactiviteiten ingedeeld in een zestal categorieën met potentiële milieuemissies. Op grond van deze staat wordt een beleidsmatige selectie gemaakt van die bedrijfsactiviteiten die in het plangebied worden toegestaan. De bedrijven zijn op basis van de Standaard Bedrijfs Indeling (SBI -codes) in deze staat gerangschikt. Per bedrijfsactiviteit is voor elke ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven. Deze afstand moet in beginsel worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (veelal woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: het betreft 'gemiddelde' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; de richtafstanden hebben betrekking op het omgevingstype 'rustige woonwijk'; de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten. De grootste afstand van de milieucomponenten vormt de indicatie voor de aan te houden afstand van de bedrijfsactiviteit tot een milieugevoelig object. Elk bedrijf c.q.
bedrijfsactiviteit wordt in een bepaalde milieucategorie ingedeeld. De milieucategorie is direct afgeleid van de grootste afstand: categorie 1: grootste afstand 10 meter; categorie 2: grootste afstand 30 meter; categorie 3.1: grootste afstand 50 meter; categorie 3.2: grootste afstand 100 meter; categorie 4.1: grootste afstand 200 meter; categorie 4.2: grootste afstand 300 meter; categorie 5.1: grootste afstand 500 meter; categorie 5.2: grootste afstand 700 meter; categorie 5.3: grootste afstand 1.000 meter; categorie 6: grootste afstand 1.500 meter. Bij dit bestemmingsplan is geen Staat van bedrijfsactiviteiten opgenomen aangezien in het plangebied géén bedrijfsactiviteiten worden toegestaan. 4.5.3 Milieuzonering Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing op milieuhygiënische aspecten is een milieuzonering gehanteerd. Hieronder wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen wonen en bedrijfsmatige functies/activiteiten. Om milieuzonering hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de Staat van bedrijfsactiviteiten als benoemd in paragraaf 4.5.2. In de omgeving van het plangebied zijn géén bedrijven gelegen die een mogelijke beperking met zich mee kunnen brengen ten aanzien van de uitvoerbaarheid van de voorgestane maatschappelijke bestemming, bestaande uit een woonzorgcomplex met zorgwoningen.
Relevante bedrijven in de directe nabijheid betreffen een horeca voorziening, fietsenmaker en tandprothese bedrijf gesitueerd aan kruising Leutherweg/Kapelaan Nassaustraat. Zie afbeelding 4.3 voor de situering van deze
55/101
bedrijvigheid.
Afbeelding 4.3: planlocatie met omliggende bedrijven Conclusie Het realiseren van een woonzorghuis in deze omgeving is passend. De impact van een woonzorggebouw is beperkt, In het kader van onderhavige ontwikkeling is geen nader specifiek onderzoek nodig. Het aspect leefomgeving en bedrijvigheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan. De ontwikkeling zal de in de directe omgeving aanwezige bedrijfjes niet beperken. Andersom zullen deze bedrijfjes het woon- en leefklimaat niet negatief beïnvloeden. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
56/101
4.6
Verkeer en parkeren
4.6.1 Verkeer De planlocatie is aan de westzijde en zuidzijde begrensd door de Leutherweg. Zie afbeelding 4.4.
Afbeelding 4.4: planlocatie met wegenstructuur in omgeving De ontsluiting van het woonzorgcomplex haakt aan op de Leutherweg. Daarnaast is er een langzaamverkeersroute voorzien ten noorden van de beoogde bebouwing die aanhaakt aan de Leutherweg en doorloopt tot het nieuwe woongebied 'Nieuw Manresa'. Deze ontsluiting -het Retraitepad- fungert tevens als calamiteitenroute van het Manresapark. Aangezien in het woonzorgcomplex dementerende ouderen worden gehuisvest zal de verkeersgeneratie bepaald worden door voertuigbewegingen van personeel, bezoekers en leveranciers. Dit zal beperkt zijn in aantal (mvt/etmaal). De in- en uitrit van de locatie bevindt zich aan de westzijde, zodat de verkeersbewegingen vanuit het plangebied
57/101
uitwegen op de Leutherweg. Deze weg is qua aard, omvang en bestaande intensiteit geschikt om de extra verkeersintensiteit op te vangen. Dit resulteert niet in onacceptabele wachttijden bij het binnenkomen of het verlaten van het plangebied.
Afbeelding 4.5: ontsluiting van de planlocatie Op enige afstand aan de Casinoweg loopt een openbaar vervoerlijn (bus) en het treinstation van Venlo is op circa 1,2 kilometer (loopafstand circa 15 minuten) van de planlocatie gesitueerd. Beoordeling Het plangebied is optimaal ontsloten voor het gemotoriseerde verkeer en het fietsverkeer en op korte afstand gesitueerd van openbare busverbindingen en het treinstation. 4.6.2 Parkeren Hoeveel parkeerplaatsen nodig zijn voor bepaalde functies, is vastgelegd in algemene normen. Bij nieuwbouw en bij herstructurering van bestaande functies dient de geldende parkeernorm 'op eigen erf' toegepast te worden. De gemeente sluit hiertoe aan bij de meest recente landelijke parkeernormen (de geldende CROW-publicatie 381 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'). Parkeerbehoefte Op basis van een ligging in gebied 'Rest van de bebouwde kom - matig stedelijk' geldt voor de verschillende typen woningen een parkeernorm. Aan deze parkeernorm dient op eigen terrein te worden voldaan. Hiervoor is op eigen terrein voldoende ruimte. minimaal 0,5 en maximaal 0,7 parkeerplaatsen per (zorg)woonunit. aandeel parkeren is inclusief 0,3 pp voor bezoekers. Parkeervoorzieningen
58/101
Op eigen terrein wordt voorzien in de aanleg van 12 tot 14 parkeerplaatsen voor 20 zorgappartementen en 1 woonzorghuis (echtpaar dat de exploitatie van het woonzorgcomplex verzorgd). Gelet op de doelgroep, dementerende ouderen is de verwachting dat het aantal parkeerplaatsen voor de bewoners laag zal zijn. In de openbare ruimte wordt geen rekening gehouden met de aanleg van extra parkeerplaatsen. Parkeerinvulling Het parkeren vindt achter op de kavel plaats. Hierdoor komen de auto's verdiept te staan ten opzichte van het talud en de weg, waardoor het zicht op de woning niet wordt vertroebeld. Zie afbeelding 4.6. de inrichting buiten het plangebied is indicatief ingetekend.
Afbeelding 4.6: parkeerinvulling op de planlocatie (bron: schetsontwerp Satijnplus Architecten)
4.7
Geluid
4.7.1 Inleiding De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan in een aantal gevallen met ontheffing tot een bepaalde maximum hoogte, mag worden afgeweken. De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen. Volgens de Wet geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Bij de voorkeursgrenswaarde mag worden verondersteld dat het percentage gehinderden beperkt is. Wanneer een maximale ontheffingswaarde wordt overschreden dan is er sprake van
59/101
een locatie die in beginsel niet geschikt is voor de vestiging van een geluidgevoelige bestemming. Bij plannen met geluidbelastingen in de bandbreedte tussen voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde moet er een nadere afweging worden gemaakt in hoeverre bron- en/of overdrachtsmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelastingen te beperken. Voorbeelden van bronmaatregelen zijn een stiller wegdek en een verlaging van de snelheid bij auto's. Geluidschermen en geluidwallen zijn voorbeelden van overdrachtsmaatregelen. In het voorliggende bestemmingsplan is er sprake van een geluidgevoelige functie (zorgwoningen). 4.7.2 Wegverkeerslawaai Langs alle wegen bevinden zich als gevolg van de Wet geluidhinder geluidzones, met uitzondering van woonerven en 30 km/uur-gebieden. Binnen de geluidzone van een weg moet de geluidsbelasting aan de gevel van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen aan bepaalde wettelijke normen voldoen. Het plan ligt in de zone van de Leutherweg en Casinoweg (gezoneerde wegen). De overige wegen in en nabij het plangebied zijn 30 km per uur wegen. Deze wegen en woonerven hebben volgens de Wet geluidhinder geen zone (zijn niet gezoneerde wegen), zodat hiervoor geen hogere waarden kunnen worden aangevraagd of verleend. Onderzoek De bepaling van geluidbelasting van wegverkeerslawaai is alleen van belang bij geluidgevoelige bestemmingen.
In het plangebied worden geen zelfstandige woningen maar zorgkamers (hierna aangeduid als appartementen) geprojecteerd. Formeel gezien is een akoestisch onderzoek niet benodigd aangezien er geen sprake is van het oprichten van een nieuwe geluidgevoelige bestemming, maar van een uitbreiding van een bestaande geluidgevoelige bestemming. Ter plaatse geldt in de bestaande situatie de bestemming 'Maatschappelijk' ten behoeve van maatschappelijk dienstverlening, waaronder begrepen zorg en welzijn. Vanwege dit gegeven is er geen sprake van toetsing aan de Wgh , omdat sprake is van een wijziging van het bestemmingsplan krachtens artikel 76 ,lid 3 van de Wgh. Niettemin is in het kader van een goede ruimtelijke ordening akoestisch onderzoek uitgevoerd. In bijlage 3 is dit akoestisch rapport met betrekking tot wegverkeerslawaai opgenomen. In het rapport zijn ten behoeve van de berekeningen relevante invoer- gegevens meegenomen, waaronder mede begrepen de hoogteligging in het gebied. Hieronder wordt kort ingegaan op de resultatenvan het onderzoek. Resultaten De geluidbelastng is maximaal 50 dB op rekenpunt 02, de bovenste bouwlaag op de meest zuidwestelijke gevel.
60/101
Geluidbelasting ten gevolge van de Leutherweg per gevelzijde en per bouwlaag na aftrek van 5 dB conform art. 110g Wgh. Op de begane grond zijn geen appartementen gesitueerd. Voor 6 woonkamers wordt de voorkeurswaarde van 48 dB overschreden. Het betreft 3 woonkamers op de eerste verdieping met een geluidbelasting van maximaal 49 dB. En 3 appartementen op de tweede verdieping waarvan 2 appartementen een geluid- belasting van 49 dB hebben en 1 een geluidbelasting van 50 dB. Geluidmaatregelen in de vorm van geluidarm asfalt of een geluidscherm zijn gelet op de beperkte overschrijding van de (voorkeurs)waarde van 48 dB financieel niet doelmatig. Er speelt geen relevante cumulatie van geluid met andere geluidbronnen. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelastingen van zowel de Casinoweg als de Leutherweg voldoen aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Rond het plangebied zijn geen 30 km/uur-wegen aanwezig die een relevante geluidbelasting zullen veroorzaken. Aangezien de gemeente Venlo geen geluidbeleid kent dat ook voor een uitbreiding van een bestaande geluidgevoelige bestemming van toepassing is, dient derhalve getoetst te worden aan de wet en is het verlenen van een hogere grenswaarde niet noodzakelijk om medewerking te kunnen verlenen aan het planvoornemen om zorgkamers te realiseren.
De geluidsbelasting is niet zodanig hoog, waardoor extra aandacht besteed dient te woren aan het binnenniveau (door middel van gevelwering). Er is sprake van een verantwoord woon- en leefklimaat. 4.7.3 Railverkeerslawaai Ten westen van de projectlocatie liggen de spoortrajecten Venlo-Maastricht en Venlo-Kaldenkirchen op meer dan 500 meter van het te ontwikkelen woonzorghuis Manresa. Ook railverkeerslawaai "werkt" met het systeem van zones (aandachtgebieden) rond spoorwegen. Langs een aantal spoorwegen zijn op grond van de Regeling geluidplafondkaart milieubeheer, zones aangewezen waarbinnen akoestisch onderzoek moet worden verricht. De basis voor het bepalen van de breedte van de zone
61/101
is vastgelegd in artikel 1.4a lid 1 van het Besluit geluidhinder (Bgh). Het plangebied ligt niet binnen de wettelijke zone van deze spoorbaantrajecten. Het aspect railverkeerslawaai is dan ook niet aan de orde op onderhavig plan. 4.7.4 Industrielawaai Het plangebied ligt niet in de zone van een industrieterrein in de zin van de Wet geluidhinder, waarop de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers is toegestaan. Ook het spooremplacement is geen gezoneerd terrein en heeft derhalve geen geluidscontour. Het aspect industrielawaai is dan ook niet aan de orde op onderhavig plan. 4.7.5 Luchtvaartlawaai Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedssfeer van een luchtvaartterrein. Beoordeling In bovenstaande alinea's zijn de diverse geluidsbronnen in de nabijheid van het plangebied in beeld gebracht. Geconcludeerd kan worden dat het geluid geen belemmering oplevert voor de ontwikkeling van het plangebied met zorgwoningen in een woonzorgcomplex.
4.8
Waterhuishouding
4.8.1
Beleidskader
Rijk Vanuit het Europese beleid vormen de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), het Europees Milieu- en natuurbeleid en het Verdrag van Malta de belangrijkste beleidsstukken. Op Rijksniveau zijn dit met name de Vierde Nota Waterhuishouding (NW4) en het Waterbeleid 21e eeuw: Anders omgaan met water (WB21). De Vierde Nota Waterhuishouding beschrijft de hoofdlijnen van het rijksbeleid voor de waterhuishouding. Hoofddoelstelling van beleid is 'het hebben en houden van een veilig en bewoonbaar land en het instandhouden en versterken van gezonde en veerkrachtige watersystemen, waarmee een duurzaam gebruik blijft gegarandeerd'. Voor de verschillende watersystemen is specifiek beleid ontwikkeld. Naar aanleiding van de wateroverlast in het afgelopen decennium heeft de Commissie Waterbeheer 21e eeuw een advies geschreven over de toekomstige inrichting van het watersysteem in Nederland, inclusief de relatie met de ruimtelijke inrichting. Op basis van de principes: 'anders omgaan met waterbeheer', 'ruimte voor water' en 'meervoudig ruimtegebruik' heeft de commissie een aantal aanbevelingen gedaan, waarvan de belangrijkste zijn: introductie van de trits 'vasthouden-bergen-(gedoseerd) afvoeren; watertoets; stroomgebiedsbenadering. Provincie Vanuit het Provinciale beleid zijn provincie brede uitgangspunten ten aanzien van het Waterbeheer opgenomen
62/101
en wordt ingegaan op de rol en taak van de regionale waterbeheerders. In de "Blauwe waarden" staat het behoud en herstel van een veerkrachtig watersysteem centraal. Daarbij komen onder andere de doelstellingen en ambities voor waterkwaliteit, retentie, waterbodemkwaliteit, beekherstel, verdrogingsbestrijding en erosiebestrijding aan bod. Het provinciaal waterbeleid is vastgelegd in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL) van 2014 en is nader geconcretiseerd in de POL-aanvulling Provinciaal Waterplan 2010-2015 op grond van de vereisten van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Deze POL-aanvulling is in 2015 opgevolgd door het Provinciaal Waterprogramma 2016- 2021, conform de 6-jarige plancyclus van de KRW. Dit programma maakt deel uit van het tweede nationale Stroomgebiedbeheerplan Maas. Waterschap Limburg Vanuit waterschap Limburg is het Waterbeheerplan 2016-2021 een belangrijk beleidsdocument voor het aspect water waarmee rekening gehouden dient te worden. In het kader van het beleid van zowel het waterschap dient binnen het projectgebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. Concreet betekent dit dat er sprake moet zijn van gescheiden schoon- en vuilwaterstromen die afzonderlijk worden verwerkt.
Vanuit het Waterschap Limburg gelden daarbij de volgende uitgangspunten: afkoppelen van 100% van het verhard oppervlak, waarbij de beslisboom verantwoord afkoppelen van toepassing is; water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit); de trits vasthouden-bergen-afvoeren is van toepassing, waarbij hergebruik dan wel infiltratie van schoon regenwater de voorkeur heeft; verontreiniging van het water dient door bronmaatregelen voorkomen te worden; grondwateroverlast dient voorkomen te worden; een gelimiteerde afvoer naar het oppervlaktewatersysteem is toegestaan. Een deel van het beleid van het waterschap ligt vast in de Keur (01-04-2019). De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit beken en andere wateren. Ook kent de Keur gebods- en verbodsbepalingen over zaken die niet mogen in of om watergangen, dijken en lijnvormige elementen. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om water of dijken, heeft met de Keur te maken. Bij afvoer en lozing van hemelwater afkomstig van nieuw aangelegd verhard oppervlak wordt het stand-still beginsel (waterneutraal bouwen) gehanteerd.
Dit wil zeggen dat er bij een toename van het verhard oppervlak het debiet van de lozing uit een gebied niet toe mag nemen. Ook bij kleine ontwikkelingen vangt de initiatiefnemer zijn eigen water op. Waterschap Limburg hanteert geen ondergrens. Dynamische bergings-/infiltratie- voorzieningen dienen minimaal gedimensioneerd te worden op een inhoud van 100 mm. Als infiltreren aantoonbaar niet of nauwelijks mogelijk is kan een dynamische bergings-/ infiltratievoorziening aangelegd worden met leegloopvoorziening. Om afwenteling naar benedenstrooms te voorkomen mag hiermee
63/101
in Limburg maximaal 2 l/s/ha geloosd worden. Er dient boven de inhoud van de dynamische berging een waking gehanteerd te worden van minimaal 25 centimeter. Geadviseerd wordt een waking van 50 centimeter te hanteren. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. 4.8.2