062Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan Woonzorghuis Manresa.pdf
Tekst van het document
bestemmingsplan
Woonzorghuis Manresa Venlo
DATUM IMRO IDN
2022-11-14 NL.IMRO.0983.BP202203LEUTHER103-VA01
PROJECT PROJECTLEIDER
Bestemmingsplan
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
Venterra BV 20211095
AUTEUR STATUS
Rho adviseurs vastgesteld
Inhoudsopgave
Toelichting
5
Hoofdstuk 1
Inleiding
6
1.1
Aanleiding
6
1.2
Ligging plangebied
6
1.3
Geldend bestemmingsplan
8
1.4
Leeswijzer
9
Hoofdstuk 2
Beschrijving plan
10
2.1
Bestaande situatie
10
2.2
Nieuwe situatie
12
Hoofdstuk 3
Beleidskader
18
3.1
Inleiding
18
3.2
Europees en rijksbeleid
18
3.3
Provinciaal beleid en regionaal beleid
24
3.4
Gemeentelijk beleid
38
Milieu- en omgevingsaspecten
47
4.1
Inleiding
47
4.2
M.e.r.-beoordeling
47
4.3
Archeologie en cultuurhistorie
49
4.4
Bodem- en grondwaterkwaliteit
53
4.5
Milieuzonering
54
4.6
Verkeer en parkeren
57
4.7
Geluid
59
4.8
Waterhuishouding
62
4.9
Luchtkwaliteit
66
4.10
Geur
69
4.11
Externe veiligheid
70
4.12
Natuur, flora en fauna
73
4.13
Kabels en leidingen
82
4.14
Gezondheid
83
4.15
Niet gesprongen explosieven
85
4.16
Duurzaamheid
88
Hoofdstuk 4
3/101
Hoofdstuk 5
Juridische aspecten
91
5.1
Algemeen
91
5.2
Planmethodiek
91
5.3
Verbeelding
91
5.4
Regels
92
5.5
Verantwoording van de regels
95
5.6
Handhaving
96
Hoofdstuk 6
Exploitatie
98
6.1
Financiële uitvoerbaarheid
98
6.2
Wettelijke verplichting voor het opstellen van een exploitatieplan
98
Procedure
100
7.1
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
100
7.2
Omgevingsdialoog
100
7.3
Besluitvorming m.e.r.-beoordeling
100
7.4
Procedure bestemmingsplan
100
Hoofdstuk 7
4/101
Toelichting
Venlo
bestemmingsplan
identificatie
planstatus
identificatiecode:
datum:
status:
NL.IMRO.0983.BP202203LEUTHER103-VA01
05-04-2022 07-07-2022 december 2022
voorontwerp ontwerp vastgesteld
projectnummer:
20211095 Auteur:
Rho adviseurs
5/101
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Het voornemen bestaat om op het perceel plaatselijk bekend Leutherweg 103 in Venlo een woonzorgcomplex met zorgwoningen voor dementerende ouderen in een groene omgeving te ontwikkelen. Het complex zal bestaan uit 20 zorgappartementen en één beheerderswoning.
Afbeelding 1.1: projectlocatie Leutherweg 103 (bron: SatijnPlus architecten) Het college van burgemeester en wethouders heeft door middel van een besluit op 15 juni 2021 aan de initiatiefnemer van de ontwikkeling (Venterra) aangegeven onder voorwaarden medewerking te verlenen aan het initiatief. In voorliggend bestemmingsplan wordt deze ontwikkeling mogelijk gemaakt. De nieuwe bestemming voor de planlocatie wordt planologisch vastgelegd, waardoor ter plaatse nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden ontstaan. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding voor de planlocaties met bijbehorende regels. De toelichting bevat een verantwoording van de inpasbaarheid van het nieuwe woonzorgcomplex op de planlocatie.
1.2
Ligging plangebied
De projectlocatie is gesitueerd aan de oostkant van Venlo tegen een bosrijke steilrand van de Maas in Venlo aan de Leutherweg. Zie afbeelding 1.2.
6/101
Figuur 1.2: projectlocatie woonzorghuis Manresa Het te ontwikkelen woonzorgcomplex met groene omgeving bestaat uit twee percelen, te weten kadastraal bekend gemeente Venlo, sectie F, nummers 4087 en 4254 voor de maatschappelijke en bos bestemming en een klein gedeelte van de percelen 3304, 2884, 2749 en 4251 voor de verkeers- en verblijfsbestemming (zie afbeelding 1.3).
7/101
Figuur 1.3: projectlocatie woonzorghuis Manresa (percelen die betrokken zijn bij de ontwikkeling)
1.3
Geldend bestemmingsplan
Het plangebied is gesitueerd in het bestemmingsplan 'Venlo Oost' (vastgesteld d.d. 2011-11-20), waarbij de locatie de enkelbestemming 'Bos' (artikel 7), 'Maatschappelijk' (artikel 13) met functieaanduiding 'naschoolse opvang', de bestemming 'Verkeer-Verblijfsgebied (artikel 17) en de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie' (artikel 20) heeft. Binnen de bestemming 'Maatschappelijk' is een bouwvlak opgenomen. Dit bouwvlak komt overeen met de huidige bebouwing. Functioneel is het initiatief passend binnen een maatschappelijke bestemming. De nieuwbouw wordt echter voor een deel binnen de bestemming 'Bos' gerealiseerd en niet binnen de bestemming 'Maatschappelijk' en het daarin opgenomen bouwvlak. Om het planvoornemen te kunnen realiseren is een herziening van het geldende bestemmingsplan nodig. Tevens zijn op de gronden van de planlocatie van toepassing: het 'Paraplubestemmingsplan reguleren onbenutte plancapaciteit wonen', vastgesteld op 2020-11-25 het 'Paraplubestemmingsplan kamerbewoning', vastgesteld op 2020-11-25; het 'Paraplubestemmingsplan plattelandswoningen venlo', vastgesteld op 2016-12-21. Zie hiervoor afbeelding 1.4.
8/101
Afbeelding 1.4: geldend bestemmingsplan 'Venlo-Oost' (2011-11-20)
1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de bestaande en de toekomstige situatie. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op de wettelijke en beleidskaders, waarna het plan in hoofdstuk 4 wordt getoetst aan de relevante milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 gaat in op de juridische aspecten van het plan. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de exploitatie waarna ten slotte in hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de bestemmingsplanprocedure waarbij vooroverlegreacties en zienswijzen worden behandeld.
9/101
Hoofdstuk 2
2.1
Beschrijving plan
Bestaande situatie
De projectlocatie is gesitueerd aan de oostkant van Venlo tegen een bosrijke steilrand van de Maas in Venlo. Naast het reliëf (hoogteverschillen) wordt het omringende gebied gekenmerkt door de aanwezigheid van veel groen. Op het plateau bovenaan de steilrand stond Huize Manresa van architect Eduard Cuypers met uitzicht over de stad en het park. De steilrand is van nature bebost. Zie de afbeeldingen 2.1, 2.2 en 2.3.
Afbeelding 2.1: historisch kaartmateriaal planlocatie rond 1950
Afbeelding 2.2: historisch kaartmateriaal planlocatie rond 1950
10/101
Afbeelding 2.3: historisch kaartmateriaal planlocatie rond 2000 In het lager gedeelte aan de Leutherweg is in de loop der jaren bebouwing gerealiseerd.
Afbeelding 2.4: ligging locatie in de omgeving (met hoogtelijnen) De huidige bebouwing betreft een karakteristiek gebouw in een groene tuinomgeving, waar tot voor kort een buitenschoolse kinderopvang was gehuisvest. Zie afbeelding 2.5.
11/101
Afbeelding 2.5: bestaande situatie aan de Leutherweg 103 Er is in de directe omgeving voornamelijk sprake van woningbouw en enkele kleinschalige bedrijfjes.
2.2
Nieuwe situatie
Voor de ontwikkeling op de planlocatie is een stedenbouwkundig schetsontwerp opgesteld door SATIJNplus architecten. Dit stedenbouwkundig schetsontwerp is als bijlage 1 bij de toelichting van het plan gevoegd. Gezien de recente ontwikkelingen op het nieuwe woongebied 'Nieuw Manresa' maakt de beoogde ontwikkeling op deze hoek van de Leutherweg het terrein af. Daarnaast biedt de ontwikkeling kansen voor de opwaardering van het openbaar gebied. Zie afbeelding 2.6.
12/101
Afbeelding 2.6: relatie planlocatie met het Nieuw Manresa (bron: SATIJNplus architecten) . Hieronder wordt kort de beoogde herontwikkeling belicht. Voor een totaal beeld wordt verwezen naar bijlage 1.
Afbeelding 2.7: stedenbouwkundige positionering van de nieuwbouwontwikkeling (bron: SATIJNplus architecten)
13/101
De planontwikkeling beoogd de ontwikkeling van een kleinschalig woonzorgcomplex voor dementerende ouderen met 24-uurs zorg in een groene omgeving. Een drielaagse nieuwbouw vormt het decor van de bebouwing op de planlocatie. De nieuwbouw blijft achter de voorgevel van het bestaande huis en markeert aan de noordzijde de entree van het Nieuw Manresapark. Oud- en nieuwbouw zijn geïntegreerd in één ontwerp. Er ontstaat een compact nieuw ensemble. Het materiaalgebruik van de gevels zorgt tevens voor een zachtere overgang naar de natuurlijke groene omgeving. Zie de afbeeldingen 2.8 en 2.9.
Afbeelding 2.8: impressie beoogde ontwikkeling (bron: SATIJNplus architecten)
Afbeelding 2.9: impressie beoogde ontwikkeling (bron: SATIJNplus architecten) Het plan biedt diverse ruimtelijke kansen voor de omgeving: het karakteristieke object Leutherweg 103 blijft behouden, wordt herbestemd en verduurzaamd;
14/101
de zichtlijn vanuit de Leutherweg naar het gebouw blijft gehandhaafd, zodat een verbinding tussen de Leutherweg en de nieuwe ontwikkeling aanwezig blijft; het plan markeert de entree en geeft een kwaliteitsverbetering van de entree van het Nieuwe Manresa wijk aan de noordwestzijde van het plangebied;
het oude trafogebouw krijgt een betere verschijningsvorm, waarbij de trafo onderdeel is van het plan. Het parkeren vindt achter op de kavel plaats. Hierdoor komen de auto's verdiept te staan ten opzichte van het talud en de weg, waardoor het zicht op de beheerderswoning niet wordt vertroebeld. Bij de nadere uitwerking van de positionering van de parkeervoorzieningen en de inrichting van het terrein zal rekening gehouden worden met de setting van het bestaande karakteristieke pand en de tuinsfeer daaromheen. Zie afbeelding 2.10. .
15/101
Afbeelding 2.10: impressie beoogde ontwikkeling (met entree en parkeervoorzieningen (bron: SATIJNplus architecten) Bij de herontwikkeling op de planlocatie zijn de volgende randvoorwaarden in acht genomen: Ruimtelijk en cultuurhistorisch aspect hergebruik vóór nieuwbouw; het bestaande pand maakt onderdeel uit van het ontwerp voor het totaal; het nieuwe gebouw is herkenbaar. Landschappelijk aspect reliëf van de steilrand blijft in tact en is zichtbaar; behoud van het monumentale groen; gebouwen en parkeervoorzieningen worden zoveel mogelijk buiten de bosbestemming gerealiseerd. Verkeer en parkeren opwaardering van de openbare ruimte met een goede aansluiting van de Retraitelaan op de Leutherweg; minimaal 0,5 en maximaal 0,7 parkeerplaatsen per (zorg)woonunit; openbaar parkeren wordt betrokken bij de inrichting. Overige kwalitatieve aspecten toepassing van duurzame materialen; klimaatbestendige inrichting van de buitenruimte (aandacht voor groen en biodiversiteit); oriëntatie van gebouwen en dakvlakken met betrekking tot PV panelen.
16/101
Programma-invulling (globaal)
17/101
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Inleiding
Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor het plan-/projectgebied geldende uitgangspunten weergegeven. Het beleid is in dit bestemmingsplan afgewogen en vertaald in de verbeelding en in de regels.
3.2
Europees en rijksbeleid
3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI), september 2020 De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (hierna: SVIR). De NOVI is op 9 september 2020 vastgesteld op grond van de geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog niet in werking is. De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze omgevingsvisie dan ook gelden als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen.
Dit betekent een land: dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water; met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap; waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland; met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten. dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water; dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld
18/101
in de inrichting van de leefomgeving. Hierdoor ontstaat het volgende beeld: het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. In de NOVI zijn de maatschappelijke opgaven samengevat in vier prioriteiten: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio’s; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit noemen we 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem- verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de mede overheden. Beoordeling Woonzorg huisvesting is relevant, gezien de vergrijzing van Nederland. Tot 2030 moeten er ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden, waaronder mede begrepen huisvesting voor ouderen. Dit zal grote impact hebben op de ruimtelijke ordening.
Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijft. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten tevens een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fiets- en wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad. Met deze aanpak van verstedelijking wordt niet alleen het woningaanbod, maar ook de leefomgevingskwaliteit in de stad verbeterd. Voor dit project zijn de relevante nationale belangen: bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. De belangrijkste keuzes zijn: duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit; ruimte voor overgang naar een circulaire economie; woningbouw in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden; landgebruik meer in balans met natuurlijke systemen. Er is sprake van een zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij onderhavige ruimtelijke ontwikkeling en er is sprake is van een ontwikkeling met het waarborgen en bevorderen van een gezonde en
19/101
veilige fysieke leefomgeving. Er zijn geen nationale belangen in het geding. Het plan voldoet daarmee aan het rijksbeleid zoals dit is vastgelegd in de NOVI. 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd. Onderwerpen waarvoor het rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken.
In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, de Ecologische Hoofdstructuur/EHS (nu Goudgroene Natuurzone/GGN genaamd), de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer. Ook is het onderwerp duurzame verstedelijking in regelgeving opgenomen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen. Deze 14 nationale belangen zijn: 1. Rijksvaarwegen; 2. Project Mainportontwikkeling Rotterdam; 3. Kustfundament; 4. Grote rivieren; 5. Waddenzee en waddengebied; 6. Defensie; 7. Hoofdwegen en landelijke spoorwegen; 8. Elektriciteitsvoorziening; 9. Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; 10. Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); 11. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; 12. IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); 13. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde; 14. Ruimtereservering parallelle Kaagbaan. Beoordeling Op het bestemmingsplan voor het woonzorghuis Manresa geldt alleen het belang ten aanzien van de Goudgroene natuurzone (GGN). Hier wordt later in het plan nader op ingegaan.
Verder zijn er géén regels uit het Barro van toepassing op de planontwikkeling.
20/101
3.2.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen en objecten, hoofdwegen en EHS-gebieden worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In het Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. Beoordeling Het radarverstoringsgebied behorende bij de radar op de militaire vliegbasis Volkel beslaat ook de gemeente Venlo. Aangezien het bouwplan geen windturbines hoger dan 114 meter bevat, vormt de voorgenomen ontwikkeling geen belemmering voor het radarverstoringsgebied. Het plangebied is ook niet gelegen in of in de nabijheid van een reserveringsgebied voor uitbreiding van hoofdwegen of delen daarvan. De beoogde ontwikkeling is derhalve niet in strijd met de regels van het Rarro. 3.2.4 Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder is per 1 oktober 2012 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid Bro). Kern van de Ladder was dat de stedelijke ontwikkeling op een locatie pas doorgang kan vinden als op regionaal niveau is aangetoond dat er daadwerkelijk een actuele behoefte aan is en dat de beschikbare ruimte in het stedelijk gebied optimaal wordt benut.
Van belang daarbij was of elders in de regio een soortgelijke ontwikkeling is gepland die reeds in de behoefte kan voorzien. In juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij de afzonderlijke treden zijn losgelaten. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt nu als volgt: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” De eerste en de tweede trede zijn samengevoegd en de derde trede is vervallen. De uitgebreide motivering is beperkt tot 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen' buiten het bestaand stedelijk gebied. Tevens is het begrip 'actuele regionale behoefte' vervangen door het begrip 'behoefte' en wordt een nieuw onderdeel toegevoegd waarmee het mogelijk wordt een dubbele Laddertoets bij flexibele planvorming te voorkomen. Uiteindelijk zal de gewijzigde Ladder via het invoeringsbesluit van de Omgevingswet worden ingevoegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving. De strekking van de Ladder blijft daarbij gelijk.
De Ladder-onderbouwing zorgt ervoor dat de wens om een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken, nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied, maar ook met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte, én voor de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Als de woningbouwontwikkeling voorziet in een behoefte en gepland is binnen bestaand stedelijk gebied dan wordt voldaan aan de Ladder.
21/101
Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, en ook de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Aangezien onderhavig voornemen betrekking heeft op een herontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied en betrekking heeft op een toename van de plancapaciteit is de Ladder voor duurzame verstedelijking van toepassing. Beoordeling Het nieuwbouwproject betreft een stedelijke ontwikkeling die - door middel van een herontwikkeling van een stedelijke locatie - binnen bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Ter plaatse van het plangebied is er op dit moment bestaand, leegstaand vastgoed aanwezig (met specifieke cultuurhistorische waarden) dat via transformatie of herontwikkeling geschikt gemaakt kan worden voor de voorgestane ontwikkeling. Het plan wordt gekenmerkt door nieuwbouw met integratie van bestaande bebouwing, die op een harmonieuze manier tot een samenhangend woningbouwplan zijn gevormd, waarmee een substantiële opwaardering van het plangebied en de omgeving plaatsvindt. Gezien de ligging van de locatie in de nabijheid van het centrumgebied van Venlo zijn de woningen erg geschikt voor een de beoogde doelgroep, dementerende senioren met 24-uurs zorgbehoefte.
De woningen die in het plangebied zijn voorzien passen binnen de bestaande regionale woningbouwafspraken en de woningbouwprogrammering van Venlo. Naast de kwantitatieve afspraak qua behoefte, past de toevoeging ook binnen de regionale kwalitatieve behoefte, aangezien de woningtypen en het woonmilieu aansluiten op het doel en de ambitie om de groeiende bevolkingsgroep met eenpersoons- en tweepersoonshuishoudens (in het kader van de demografische ontwikkeling) binnen Venlo te kunnen huisvesten in een stedelijk woonmilieu met woonzorg behoefte. Kwalitatief wordt in een woonmilieu gerealiseerd, passend bij de gebiedskwaliteiten waarbij de ligging extra aantrekkingskracht geeft. Uitgangspunt is dat de te realiseren woningen aansluiten op een concrete behoefte, zowel kwalitatief als kwantitatief met een woonmilieu, dat niet aangeboden wordt in de directe omgeving. De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan artikel 3.1.6. lid 2 Bro. 3.2.5 Natura 2000 De Europese Unie heeft het initiatief genomen voor 'Natura 2000', een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden op het grondgebied van de lidstaten van de EU. Dit netwerk vormt de hoeksteen van het EU-beleid voor behoud en herstel van biodiversiteit. Alle gebieden die zijn beschermd op grond van de Vogelen/of Habitatrichtlijn zijn ook aangegeven als Natura 2000-gebied.
Het is niet toegestaan om zonder vooraf toegekende vergunning nieuwe activiteiten in deze gebieden uit te voeren. Op ruime afstand van de voorgestane ontwikkeling bevindt zich het Natura-2000 gebied Maasduinen. Het is binnen de kaders van de Europese habitat- en vogelrichtlijn vereist om nieuwe ontwikkelingen en activiteiten die van nadelige invloed zouden kunnen zijn, te beoordelen en te rapporteren. In paragraaf 4.12 ‘Natuur en flora en fauna’ wordt nader op dit aspect ingegaan.
22/101
3.2.6 Archeologie Het Verdrag van Valletta (Malta) verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat ernaar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard. Het Verdrag van Valletta is door vertaald in de Monumentenwet 1988, zoals deze gewijzigd is in september 2007. Sinds deze wijziging van september 2007 is de gemeente bevoegd gezag op het gebied van cultuurhistorie en archeologie. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. De uitgangspunten uit het Verdrag van Valletta (Malta) blijven in de Erfgoedwet de basis van de omgang met archeologie. Gemeenten houden een belangrijke rol in het archeologische stelsel. In bestemmingsplannen houden ze rekening met (te verwachten) archeologische waarden. Dit wordt samen met de andere onderdelen rond de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving overgeheveld naar de toekomstige Omgevingswet. Voor het aspect archeologie wordt verwezen naar hetgeen hieromtrent is opgenomen in paragraaf 4.3. 3.2.7
Waterbeleid
Kaderrichtlijn water Een belangrijk onderwerp in het rijksbeleid is duurzaam waterbeheer. De Europese Kaderrichtlijn Water, die sinds 2000 van kracht is, speelt hierbij een belangrijke rol. De richtlijn moet er immers voor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in Europa in 2015 op orde is. Dit betekent dat de rijksoverheid streeft naar een watersysteem dat zoveel mogelijk de natuurlijke situatie (zonder ingrepen van de mens) benadert. Het streven is onder andere gericht op het behouden en vergroten van de ruimte voor water, waar mogelijk vasthouden van water en verbetering van de waterkwaliteit. De waterbeheerders spelen hierbij een belangrijke rol. In de ruimtelijke plannen, waaronder het bestemmingsplan, is een waterparagraaf opgenomen. Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan is het formele rijksplan voor het nationale waterbeleid. In de Waterwet is vastgelegd dat het rijk dit plan eens in de zes jaar opstelt. Het is de opvolger van de Vierde Nota waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota’s waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan bevat daarom de stroomgebiedbeheerplannen die op grond van de Kaderrichtlijn Water zijn opgesteld. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens structuurvisie.
De grondgedachte voor duurzaam waterbeheer wordt ‘meebewegen met natuurlijke processen waar het kan, weerstand bieden waar het moet en kansen voor welvaart en welzijn benutten’. Voor een duurzaam en integraal waterbeleid is het belangrijk om waar nodig en mogelijk water de ruimte te geven en mee te bewegen met en gebruik te maken van natuurlijke processen, zoals dit bijvoorbeeld wordt toegepast bij Ruimte voor de Rivier. Het rijk vindt het daarbij van belang dat bij alle wateropgaven en -maatregelen maximaal wordt mee gekoppeld met andere opgaven en maatregelen en dat problemen zo min mogelijk worden afgewenteld. In deze toelichting wordt op het aspect waterhuishouding nader ingegaan in paragraaf 4.8.
23/101
3.2.8 Wet milieubeheer In artikel 7.2, lid 1 van de Wet milieubeheer is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen: a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu; b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In lid 2 van hetzelfde artikel zijn als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In artikel 2, lid 5, aanhef en onder b.
van het Besluit milieueffectrapportage, is vastgelegd dat de m.e.r.-beoordelingsplicht ook geldt voor plannen die weliswaar vallen onder een van de in onderdeel D genoemde activiteiten maar waarbij het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D, indien: 'op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben'. De afweging met betrekking tot de m.e.r.-(beoordelings)plichtigheid van dit bestemmingsplan, is opgenomen in paragraaf 4.2. 3.2.9 Overig wettelijk kader Bij het opstellen van ruimtelijke plannen is diverse (milieu)wetgeving van toepassing, waaronder de Wet luchtkwaliteitseisen, (Wamz), de Natuurbeschermingswet, Besluit externe veiligheid, Wet geluidhinder, etc. Op deze aspecten zal in hoofdstuk 4 nader worden ingegaan.
3.3
Provinciaal beleid en regionaal beleid
3.3.1 Provinciale omgevingsvisie Limburg (POVI) Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten van Limburg de Omgevingsvisie Limburg (hierna: POVI) vastgesteld, met inachtneming van de aanvaarde amendementen. De POVI vervangt het in 2014 vastgestelde Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014) en is via een interactief proces met overheden, semi-overheden, belangenorganisaties en burgers opgesteld. De POVI is in werking getreden op 25 oktober 2021.
24/101
De POVI is een strategische en lange termijn visie (2030-2050) op de fysieke leefomgeving. De POVI kijkt echter breder dan enkel naar de fysieke leefomgeving. Dat wil zeggen dat de visie ook ingaat op onderwerpen als gezondheid en veiligheid, economie en sociale aspecten. Dit in onderlinge samenhang en met oog voor de internationale context waarin Limburg zich bevindt. De opzet en scope van de Omgevingsvisie (fysieke leefomgeving in brede zin) sluiten aan bij de nieuwe Omgevingswet (beoogde inwerkingtreding per 01-07-2022). Er is één Provinciale Omgevingsvisie voor het grondgebied van Limburg. Deze omgevingsvisie is opgebouwd uit met elkaar samenhangende en afgestemde (beleids-)modules, zowel gebiedsgericht als thematisch. In de Omgevingswet zijn geen regels gesteld over een verplichting tot actualiseren of een (vaste) termijn waarbinnen een actualisatie van de Omgevingsvisie moet plaatsvinden. Dit biedt de flexibiliteit om, (als dat nodig is) via partiële herzieningen één of meerdere modules van de Omgevingsvisie aan te passen, waarbij de integraliteit van de Omgevingsvisie in de gaten gehouden moet worden. Impulsen hiertoe kunnen voortkomen uit nieuwe college- of coalitieprogramma’s, maatschappelijke ontwikkelingen, monitoring en evaluatie, en wetgeving. De geconsolideerde Omgevingsvisie bevat voor alle modules altijd de actuele versies.
Bij de operationalisering van beleidsdoelen uit een omgevingsvisie spelen programma’s een belangrijke rol. Een
25/101
programma kan een sectoraal of gebiedsgericht karakter hebben en kan verschillende elementen bevatten. Het kan ook kaders stellen voor de uitoefening van bevoegdheden door het bestuursorgaan dat het programma vaststelt. Een programma bevat voor één of meer onderdelen van de fysieke leefomgeving: een uitwerking van het te voeren beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud daarvan; maatregelen om aan één of meer omgevingswaarden te voldoen of één of meer andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken. Overheden kunnen kiezen hoe en waarvoor ze programma’s inzetten. Een omgevingsvisie kan globaal worden gehouden. Het beleid wordt dan verder uitgewerkt in programma’s. Met een specifieke omgevingsvisie kan juist minder met programma’s worden gewerkt. Limburg kiest voor een Omgevingsvisie op hoofdlijnen, waardoor er ruimte is om in samenhang met de vierjaarlijkse bestuurscyclus accenten en prioriteiten te bepalen. Dit kan waar nodig in combinatie met het op onderdelen (modulair) actualiseren van de Omgevingsvisie. Het ligt voor de hand dat wanneer een projectbesluit wordt voorbereid of wanneer de Omgevingsverordening wordt aangepast, dit in de omgevingsvisie of in een programma wordt aangekondigd. Voor enkele onderwerpen zijn programma’s wettelijk voorgeschreven ter implementatie van EU-richtlijnen.
Voor de Provincie zijn vier programma’s verplicht: Actieplan geluid; Regionaal Waterprogramma; Beheerplannen voor Natura 2000-gebieden; Programma’s bij dreigende overschrijding van omgevingswaarde (zwaveldioxiden of stikstof)
26/101
Afbeelding 3.1: uitsnede uit Omgevingsvisie Limburg (Noord-Limburg) De regio Noord-Limburg kenmerkt zich in ruimtelijk, economisch en maatschappelijk opzicht het beste door twee dominante, voor iedereen herkenbare assen: een snelle, hoog-dynamische Oost-West-as en een rustige, meer op (be)leefkwaliteit gerichte Noord-Zuid-as. De hoog-dynamische, economisch-georiënteerde Oost-West-as is de wereld van infrastructuur en logistiek, agrofood, maar ook de maakindustrie in z’n vele gedaanten. Samen wordt werk gemaakt van de Greenport-ontwikkeling, het stimuleren en verder uitbouwen van de reeds aanwezige bedrijvigheid door innovatie en onderwijs en het versterken van de samenwerking met omliggende regio’s. Vanwege haar strategische ligging op de Oost-West-as en de nabijheid van grote afzetgebieden, zoals de regio Eindhoven, de Vlaamse Ruit en het Ruhrgebied, levert de regio een significante bijdrage aan de Nederlandse economie. De regio kent daarnaast een wereld van rust, ruimte en schoonheid, met de Maas als herkenbare kwaliteits-as. Het landschap is afwisselend met het terrassenlandschap van het Maasdal, Maasmeanders, natuur- en bosgebieden, Peelvenen en ontginningsgebieden en gevarieerde landbouwactiviteiten. Juist de afwisseling van landschappen, natuur en cultuur, de nabijheid van steden en dorpen en economische activiteiten en voorzieningen, maakt Noord-Limburg prettig divers.
27/101
Leefomgeving in steden en kernen Door de demografische ontwikkelingen in combinatie met de voortdurende schaalvergroting van voorzieningen staan de aantrekkelijkheid, leefbaarheid en de kwaliteit van het woon-, werk- en leefklimaat onder druk. Dit vraagt om zorgvuldige en soms lastige keuzes. Naast aandacht voor detailhandel en een veilige en gezonde leefomgeving (zoals beschreven in de thematische hoofdstukken), moet hierbij in ieder geval aandacht worden besteed aan de volgende zaken: a. Het behouden van een vitale structuur aan basisvoorzieningen om een aantrekkelijke woon-, werk- en leefomgeving te borgen. Speciale aandacht is nodig voor de bereikbaarheid en toegankelijkheid van voorzieningen voor inwoners in kleine kernen. b. Een prettige woon- en leefomgeving die ook een actieve en gezonde levenswijze stimuleert. De kracht van de regio met haar afwisselende landschappen, rust en ruimte biedt hierbij perspectief. Daarnaast de regio vitale en zelforganiserende gemeenschappen van inwoners, bedrijven, organisaties en verenigingen, waarop gestaag verder wordt gebouwd. c. Een waardige en passende huisvestingsstrategie voor de (tijdelijke) internationale werknemers, die in de pas moet lopen met de keuzes voor de economische focus van de regio. De maatschappelijke acceptatie en het aanpakken van de maatschappelijke effecten verdient hierin expliciet aandacht. d.
De wijze waarop Noord-Limburg voorop kan lopen als regio met duurzame en klimaatbestendige steden en dorpen door ruimte slim en efficiënt te benutten. e. Sociale tweedeling in steden en dorpen en het behoud van vitale gemeenschappen. De toegankelijkheid en bereikbaarheid van voorzieningen op het gebied van zorg, educatie, werk en vrije tijd moet niet afhankelijk zijn van de woonplaats, buurt op bestaande collectieve vervoersvoorzieningen. Met name het groeiend aantal ouderen met een kleine portemonnee is een punt van zorg, maar ook het verschil tussen moderne en de juist wat meer traditioneel georiënteerde jongeren. Transformatie woningvoorraad In de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 wordt nadrukkelijk de verbinding gelegd tussen de (toekomstige) bevolkingssamenstelling en de bestaande woningvoorraad. Uit de regionale analyse die inzicht geeft in de sterke en zwakke segmenten van de woningvoorraad blijkt dat de aandacht met name moet uitgaan naar de bestaande voorraad. De transformatie van de bestaande woningvoorraad naar meer toekomstbestendige woonvormen en woningen speelt ook in Noord-Limburg. Hierbij is speciale aandacht nodig voor het toenemend aantal ouderen, bijzondere doelgroepen (waaronder woonurgenten en internationale werknemers), verduurzaming en de beschikbaarheid van betaalbare woningen.
Daarbij wordt primair gekozen voor inbreiding, aanpassing en functieverandering en slechts beperkt voor uitbreiding in de nabijheid van kleine kernen. Uitbreiding via uitleggebieden vindt slechts in zeer uitzonderlijke gevallen plaats, met als uitgangspunt dat de kwantitatieve en kwalitatieve woonbehoefte leidend is. Nog bestaande planvoorraad wordt kwalitatief en kwantitatief afgestemd op de woonbehoefte. Met het oog op de verwachte leegstand in vrijkomende agrarische bebouwing (VAB) en bijbehorende agrarische bedrijfswoningen als gevolg van het groot aantal stoppende agrariërs, wordt in beginsel ruimte gegeven om een herbestemming van deze locaties/gebouwen te onderzoeken. Daaronder kan ook worden verstaan het omzetten van bedrijfswoningen naar burgerbewoning. De mogelijkheden worden bepaald door het potentieel van het vastgoed en zijn omgeving, vanuit het principe ‘de juiste ontwikkeling (functie) op de juiste locatie’ (zie ook de aanpak van VAB’s in het hoofdstuk Landbouw). Ambitie
28/101
Samen met haar partners wil de provincie een voortreffelijke woon- en leefomgeving realiseren; een leefomgeving waar mensen zich prettig voelen. Het is belangrijk dat mensen kunnen wonen in een zelfgekozen woning en woonomgeving (die past bij hun mogelijkheden en levensfase) waar ze zich thuis voelen. Dit doen we door toe te werken naar een toekomstbestendige Limburgse woningmarkt met voldoende woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek, die waar mogelijk op het juiste moment beschikbaar én betaalbaar zijn. De provincie faciliteert flexibiliteit op de woningmarkt én stimuleert flexibele woonvormen waardoor aan de veranderende woonwensen en –behoeften van een diverse groep mensen tegemoet kan worden gekomen in zowel de bestaande bouw als nieuwbouw. Door in samenhang naar woonopgaven te kijken, legt de provincie op wijk- en buurtniveau de juiste verbindingen tussen sociale en fysieke woonopgaven (wonen, zorg, welzijn en leefbaarheid) en een duurzame, veilige en gezonde leefomgeving met gevarieerde woonmilieus. Daarmee wordt verdere segregatie voorkomen en vindt ruimtelijk sturing plaats door te prioriteren op inbreiding (herstructurering/ herbestemming), conform de principes van de Ladder voor duurzame verstedelijking (zie hiervoor paragraaf 3.2.4. Waarvoor wordt gekozen? De POVI is het richtinggevende kader op hoofdlijnen.
Daarnaast worden nadere uitwerkingen gemaakt op basis van regionale en lokale woonbehoeften, zoals de Limburgse Agenda Wonen 2020-2023. Deze meer gerichte uitwerkingen zijn noodzakelijk in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma's, agenda's en instrumenten. Enerzijds omdat de woning behoefte verandert en anderzijds omdat er lokale en regionale verschillen zijn in de opgaven ten aanzien van woon- en leefomgeving. Zo bieden we flexibiliteit om opgaven gericht op te pakken en bij te sturen Vanwege het brede maatschappelijke belang van de opgave is gekozen voor een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. In hoofdzaak acteert de provincie vanuit toegevoegde waarde, meestal ondersteunend en aanvullend aan die de partners en via de inzet van (financieel en juridisch) instrumentarium. Indien nodig worden provinciale instrumenten ingezet. Monitoring vormt de basis voor regionale samenwerking. Provinciale monitoring is belangrijk om de Limburgse en regionale woonopgave voortdurend in beeld te hebben. Op basis daarvan kunnen gemotiveerd provinciale en regionale uitwerkingen voor het beleidsveld wonen worden gemaakt. Daarnaast kunnen de regio’s op basis van de monitoringsgegevens hun programmering maken en afstemmen. De woningbouwontwikkelingen worden benaderd vanuit een brede maatschappelijke context.
Dit vraagt een integrale aanpak van locaties en gebieden in de vorm van herstructurering en transformatie/herbestemming in centra, buurten, wijken, dorpen en het buitengebied. Bij het nemen van keuzes wordt rekening gehouden met samenhangende belangen zoals leegstand bij detailhandel, kantoren, maatschappelijk vastgoed, monumenten, etc. Daarnaast wordt de woningopgave altijd bezien in samenhang met veiligheid en leefbaarheid. Met het stimuleren van natuurinclusief en circulair bouwen, de verduurzamingsopgave en het levensloopbestendig maken van bestaande en nieuwe woningen, vraagt de provincie om gebruik te maken van meekoppelkansen voor een klimaatbestendige en -adaptieve woonomgeving. Via het principe van de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt de ruimte in bestaand bebouwd gebied optimaal benut, zowel kwantitatief als kwalitatief. Dat betekent dat eerst leegstaand vastgoed hergebruikt en herbestemd wordt in lijn met de Limburgse principes. Daarvoor wordt samengewerkt met andere beleidsvelden. Wonen is in beginsel alleen maar toegestaan in bestaand bebouwd gebied. Hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van flexibele woonvormen. Voorbeelden hiervan zijn
29/101
tijdelijk permanente bewoning toestaan in recreatieparken toestaan voor de huisvesting van internationale werknemers en/of woonurgenten voor de duur van maximaal tien jaar en onder (nader te bepalen) voorwaarden als verdienmodel voor toekomstige herontwikkeling of sanering van het park, of het herbestemmen van monumentale bebouwing in het buitengebied zijn hiervan voorbeelden (zie hiervoor ook het hoofdstuk Economie). Deze uitzondering – hoewel niet tijdelijk – geldt ook voor Ruimte voor Ruimte woningen. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is niet strijdig met de beleidskaders van de POVI. 3.3.2 De Omgevingsverordening Limburg (POL2014) De Omgevingsverordening is een samenvoeging van de Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening en is uitgebreid met een nieuw hoofdstuk Ruimte. Het hoofdstuk Ruimte bevat regels die gericht zijn op de doorwerking van het ruimtelijke beleid van het POL2014 in gemeentelijke bestemmingsplannen. Op 12 december 2014 is door Provinciale Staten tevens de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. Deze is later nog een aantal keer (partieel) gewijzigd. De Omgevingsverordening is vanuit juridisch-bestuurlijk oogpunt het belangrijkste instrument voor de provincie Limburg om haar provinciale belangen te bewaken.
In de verordening vertaalt de provincie de kaderstellende elementen uit het provinciaal en rijksbeleid in regels die van toepassing zijn op (gemeentelijke) bestemmingsplannen. De regels in de verordening gelden voor gemeenten en niet rechtstreeks voor burgers. Hierna is getoetst aan de voor dit bestemmingsplan relevante artikelen. Goudgroene Natuurzone In de Provinciale Omgevingsverordening Limburg (2014) was het gehele plangebied aangewezen als Goudgroene Natuurzone (GGN), voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS) geheten. Zie afbeelding 3.2. De GGN vormt het Limburgse deel van het Nationale Natuurnetwerk. Binnen de goudgroene natuurzone streeft de provincie naar behoud en beheer van de reeds aanwezige natuur en de ontwikkeling van nieuwe natuur. In de verordening is uitdrukkelijk opgenomen dat een ruimtelijk plan geen activiteiten mogelijk mag maken in de GGN die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten (verbod). De wezenlijke actuele en potentiële waarden van het gebied omvatten niet alleen de aanwezige flora en fauna maar ook de geomorfologische en aardkundige waarden en processen, de waterhuishouding, kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, stilte, donkerte, openheid of juist geslotenheid van de landschapsstructuur.
Ingrepen in GGN De ruimtelijke regelgeving en het ruimtelijk beleid voor Natuurnetwerk Nederland (in Limburg aangeduid als Goudgroene natuurzone) is gericht op het behoud, herstel en de ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN-natuurgebied. De bescherming van deze waarden vindt plaats door toepassing van een specifiek afwegingskader: het zogenaamde “nee, tenzij”-regime. Dat wil zeggen, dat nieuwe plannen en projecten in het NNN-gebied niet zonder meer zijn toegestaan, als het betreffende plan of project de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN-gebied aantasten.
30/101
De omgevingsverordening voorziet in drie type uitzonderingen (activiteiten) op bovengenoemd verbod. Van deze uitzonderingsmogelijkheden is sprake indien het gaat om: een ontwikkeling van groot openbaar belang en er geen reële alternatieven zijn; een 'saldobenadering' bij samenhangende ontwikkelingen een kleinschalige ingreep. Dit betekent een zorgvuldige en houdbare verantwoording, motivering en onderbouwing van de planontwikkeling. Voor het POL geldt dat wanneer ingrepen de wezenlijke kenmerken van het gebied verstoren of versnipperen de schade (verlies aan natuurwaarden) zoveel mogelijk moet worden beperkt door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resterende schade gecompenseerd (financieel, dan wel compensatie in natura) worden. De vraag wanneer sprake is van een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden kan in het kader van NNN niet in algemene zin beantwoord worden. In ieder geval worden alle plannen of projecten gesitueerd in het NNN-gebied, die ertoe leiden dat een deel van het netwerk een andere bestemming moet krijgen en daardoor uit de begrenzing moet worden gehaald als een aantasting aangemerkt. In Limburg zijn compensatieverplichtingen neergelegd in Beleidsregel natuurcompensatie 2018 (Provincie Limburg), een beleidsregel in de zin van artikel 4.81 van de Algemene Wet Bestuursrecht.
Deze beleidsregel is gebaseerd op artikel 2.6.7 van de Omgevingsverordening Limburg 2014. Via deze beleidsregel wordt een nadere uitwerking gegeven aan het natuurcompensatiebeleid zoals beschreven in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (Provincie Limburg 2014), de provinciale nota Natuurbeleid: 'Natuurlijk Eenvoudig' en in voornoemde Omgevingsverordening (Provincie Limburg 2015). In het ruimtelijk beleid zijn de afspraken voor landschap, cultuurhistorie en natuur in één overkoepelende aanpak vastgelegd. Aantasting van wezenlijke waarden en kenmerken in de GGN dient gemitigeerd dan wel gecompenseerd te worden. Afhankelijk van de bestaande waarden (vertaald in vervangingstijd) is de verplichte compensatie 100% tot 200% van het aangetaste oppervlak. De voorwaarden die gelden bij een dergelijke compensatieplicht zijn nader uitgewerkt in de Beleidsregel natuurcompensatie 2018. Verbod op activiteiten die GGN aantasten Activiteiten binnen de GGN mogen de wezenlijke kenmerken en waarden van de GGN niet aantasten. De wezenlijke actuele en potentiële waarden van het gebied omvatten niet alleen de aanwezige flora en fauna maar ook de geomorfologische en aardkundige waarden en processen, de waterhuishouding, kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, stilte, donkerte, openheid of juist geslotenheid van de landschapsstructuur.
Uitzondering voor individuele activiteiten De omgevingsverordening voorziet in drie type uitzonderingen op bovengenoemd verbod. Voor de ontwikkeling in dit bestemmingsplan is van belang dat activiteiten zijn toegestaan die: slechts een beperkte aantasting van de waarden van de GGN veroorzaken; die leiden tot een kwalitatieve versterking van de GGN; de oppervlakte van de GGN ten minste gelijk houdt; en kwaliteitswinst niet wordt gefinancierd uit reguliere middelen voor realisatie GGN.
31/101
Toetsing en conclusie De ontwikkeling van het grotere woongebied Nieuw Manresa, waar het woonzorgcomplex op aanhaakt, heeft gezorgd voor een verbetering van de kwaliteit en samenhang van de Goudgroene natuurzone op gebiedsniveau. De kwaliteit van de GGN is lokaal versterkt: het ontwikkelingsplan op het gehele Manresa terrein voorziet in de versterking van de natuurwaarden op het eigen terrein, vooral aan de randen waardoor de natuurlijke kwaliteit op het Manresa terrein verbetert. De ontwikkeling op het gehele Manresa terrein heeft geen gevolgen voor de oppervlakte van de GGN: als gevolg van de tegenprestatie zal de omvang van de GGN toenemen. Op de locatie waar de tegenprestatie is voorzien komt een nieuwe inrichting met bos, welke op termijn onderdeel zal uitmaken van de GGN en daardoor het oppervlak toeneemt. De kwaliteitswinst wordt niet gefinancierd uit reguliere middelen voor realisatie van de GGN. De tegenprestatie inclusief inrichting en het beheer, het natuurlijk beheer van de terreindelen van SBB en het natuurlijk beheer van het te herontwikkelen gehele Manresa terrein worden geheel gefinancierd door de planontwikkelaar van het Manresa terrein. Door de activiteiten in onderlinge samenhang uit te voeren en te beoordelen verbetert per saldo de kwaliteit van de GGN.
Het gaat daarbij om een verbetering van de kwaliteit op gebiedsniveau, waarbij de oppervlakte van de GGN niet afneemt. Een ontgrondingsvergunnning of anderszins een ontheffing/afwijking op de Omgevingsverordening Limburg is niet nodig omdat met het grotere woongebied Manresa al aan de voorwaarden en (salderings)verplichtingen is voldaan en daardoor het plangebied niet langer onderdeel uitmaakt van het Natuurnetwerk (GGN), zie afbeelding 3.2.
Afbeelding 3.2: kaart natuur Noord-Limburg met planlocatie aangeduid als 'Goud Groene Natuurzone' (Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014)
32/101
Afbeelding 3.3: kaart Natuurnetwerk Noord-Limburg waar de planlocatie niet langer onderdeel van is (Ontwerp Omgevingsverordening Limburg, 2021) 3.3.3
Omgevingsverordening Limburg (2021)
Algemeen Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Hoewel het ontwerp van de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers. Deze nieuwe en gewijzigde onderdelen vinden hun oorsprong in de POVI. In de Omgevingsverordening Limburg staan regels op het gebied van milieu, wegen, water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. Alle regels die betrekking hebben op het omgevingsbeleid zijn ondergebracht in één verordening. De Omgevingsverordening bevat grofweg twee typen regels: instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap; regels voor activiteiten die rechtstreeks voor een ieder gelden of voor specifieke doelgroepen. Op 17 december 2021 hebben Provinciale Staten van Limburg de Omgevingsverordening Limburg (2021) vastgesteld. Doordat de inwerkingtreding van de Omgevingswet echter is uitgesteld tot 1 januari 2023 wordt daarmee automatisch de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening Limburg ook uitgesteld tot die datum.
Tot die tijd blijft de Omgevingsverordening Limburg 2014 gelden. Instructie regels gemeenten In de Omgevingsverordening Limburg staan instructieregels die gemeenten in acht moeten nemen als zij een omgevingsplan vaststellen of wijzigen. In artikel 2.1.1 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 was bepaald dat de instructieregels die waren opgenomen in hoofdstuk 2 van die verordening niet alleen voor ‘bestemmingsplannen’ golden, maar breder voor ‘ruimtelijke plannen’. Hieronder werden niet alleen bestemmingsplannen begrepen, maar onder meer ook wijzigings-of uitwerkingsplannen, beheersverordeningen en omgevingsvergunningen waarmee werd afgeweken van het bestemmingsplan.
33/101
Een soortgelijke bepaling in de omgevingsverordening is onder de Omgevingswet niet meer nodig. Voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geldende instructieregels namelijk rechtstreeks op grond van de artikelen 8.0b en 8.0c van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze artikelen bepalen dat de instructieregels van de Omgevingsverordening voor het vaststellen van een omgevingsplan, overeenkomstig worden toegepast als beoordelingsregel bij het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De overeenkomstige toepassing van de instructieregels bij een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit is niet expliciet geregeld, maar dat is ook niet nodig. Immers het hele omgevingsplan, inclusief binnenplanse vergunningstelsels en daarbij horende beoordelingsregels, moet voldoen aan de instructieregel zoals opgenomen in de omgevings- verordening. De overige ‘ruimtelijke besluiten’ die artikel 2.1.1 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 noemde, hebben onder de Omgevingswet geen vergelijkbare opvolger gekregen. Sinds de provinciale omgevingsverordening van 2014 is er veel veranderd ten aanzien van de woningmarkt en daarom ook ten aanzien van het woningmarktbeleid.
Samenwerking in de regio blijft belangrijk en om aan de actuele vraag te voldoen is het belangrijk om waar mogelijk belemmeringen weg te nemen. De provincie Limburg beschikt over meer dan voldoende planvoorraad om aan de kwantitatieve vraag te voldoen (2x meer planvoorraad dan de vraag). Of met deze bestaande planvoorraad voldaan kan worden aan de kwalitatieve vraag is niet altijd duidelijk. Daarbij zijn veel gemeenten na de vaststelling van het bestemmingsplan sterk afhankelijk van de bereidheid van de ontwikkelaar/initiatiefnemer om tot realisatie van de woningen te komen. Om van de woningen op papier echte woningen te maken, om te stimuleren dat plannen worden gerealiseerd, in heel Limburg, in steden en op het platteland, is er een realisatie termijn voor woningbouwplannen in de omgevingsverordening opgenomen. Er is een onderscheid gemaakt in plannen die onherroepelijk en nog niet gerealiseerd zijn (op de plank liggen) en plannen die vanaf 2022 in procedure gaan (nieuwe woningbouwplannen). Zo dienen alle onherroepelijke en niet gerealiseerde plannen van vóór 2015, vóór 2025 te zijn gerealiseerd. Indien realisatie niet plaatsvindt, dan zal de gemeente deze plannen voor die termijn heroverwegen.
Voor alle woningbouwplannen die tussen 2015 en 2021 onherroepelijk zijn geworden, geldt dat ze uiterlijk in 2029 dienen te zijn gerealiseerd en anders door de gemeente worden heroverwogen. Voor alle nieuwe woningbouwplannen die vanaf 2022 door de gemeente worden vastgesteld, geldt dat ze binnen vijf jaar dienen te worden gerealiseerd. Heeft de realisatie niet plaatsgevonden, dan worden ze door de gemeente heroverwogen. Voor onherroepelijke niet gerealiseerde woningbouwplannen en nieuwe niet gerealiseerde woningbouwplannen geldt dat de gemeentelijke heroverweging plaatsvindt op basis van de dan geldende actuele kwalitatieve en kwantitatieve behoefte en de dan geldende regionale afspraken en samenwerking. Dankzij de Limburg brede realisatie termijn wordt een toename van de realisaties verwacht. Dankzij de Limburg brede heroverweging kunnen de gemeenten gelijktijdig optrekken en enerzijds bepalen of het plan wordt voortgezet en binnen afzienbare tijd wordt gerealiseerd, of anderzijds bepalen dat het plaats maakt voor een andere passende functie. Daarmee tevens ook plaats makend voor andere woningbouwplannen. De belangrijkste gemeentelijke belemmeringen, afhankelijkheid van derden en de eeuwige houdbaarheid van
34/101
papieren plannen, worden met de instructieregels in de omgevingsverordening weg genomen. Gesteund door de andere instrumenten die de provincie en het Rijk inzetten, wordt de slagingskans van onze gezamenlijke wens om te zorgen voor de realisatie van ‘de juiste woning, op de juiste plek, op het juiste moment’ vergroot. Met deze actualisatieplicht in twee stappen, wordt gestuurd op de planvoorraad die past bij de actuele kwalitatieve en kwantitatieve behoefte, welke tevens ook binnen afzienbare tijd wordt gerealiseerd en anders plaats maakt voor andere woningbouwplannen of functies.
Afbeelding 3.4: uitsnede van kaart 10 'Wonen, werken en recreëren' (bron: Ontwerp Omgevingsverordening Limburg) Instructieregels voor waterschap Vanuit de provincie gelden voor regionale oppervlaktewateren omgevingswaarden, ofwel “normen” voor wateroverlast. Het waterschap is de beheerder van de regionale wateren. Vanuit die positie dient(alleen) het waterschap concrete maatregelen te nemen om de afvoer- en bergingscapaciteit van een regionaal oppervlaktewater te vergroten. Daarom moet het waterschap voldoen aan de provinciale normen voor wateroverlast. Op grond van artikel 2.10, eerste lid van de Omgevingswet moet een omgevingswaarde worden geduid als een resultaatverplichting, inspanningsverplichting of een andere, te omschrijven verplichting. Op grond van de hieronder beschreven aspecten is de omgevingswaarde geduid als resultaatverplichting: het beleid omtrent de normering zoals opgenomen in het Provinciaal Waterprogramma als continuering van het voorgaande Provinciale Waterplan;
35/101
de concrete wijze waarop de normering is vastgelegd in de Omgevingsverordening, waarbij is afgewogen of de te treffen maatregelen haalbaar en betaalbaar, landschappelijk inpasbaar en ecologisch duurzaam zijn; de mogelijkheid om de normering aan te passen op basis van de periodieke beoordeling van de regionale wateren als bedoel in artikel 3.1, tweede lid. Tevens is bepaald dat op grond van artikel 2.10, tweede lid van de Omgevingswet dat aan de resultaatsverplichting om te voldoen aan de normering uiterlijk in 2035 moet zijn voldaan. Hierbij is rekening gehouden met de complexiteit van de opgave, met name in het Zuid-Limburgse Heuvelland en de omvang van de kosten. De omgevingswaarden geven de maximaal toelaatbare kans op overstroming per jaar van aangewezen gebieden aan. Ze zijn gericht op extreme situaties: neerslag- en afvoersituaties die niet vaak voorkomen. Deze omgevingswaarden geven afhankelijk van de functie van het gebied en van het oppervlaktewater aan, aan welke normen de bescherming tegen wateroverlast moet voldoen. Bij de uitvoering van maatregelen om aan deze normen te voldoen wordt rekening gehouden met de gevolgen van het extremer wordende weer, met meer hoosbuien en daardoor een grotere kans op wateroverlast. Bij de normstelling wordt het uitgangspunt gehanteerd dat maatregelen haalbaar en betaalbaar, landschappelijk inpasbaar en ecologisch duurzaam zijn.
De normering regionale wateroverlast bepaalt de opgave inzake wateroverlast door het waterschap. De project locatie is gesitueerd in Overstromingsgebied E (zie afbeelding 3.5) met een gemiddelde overstromingskans van 1:100 voor bebouwing in bebouwde kernen behalve langs beken en in de droogdalen in beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg. Daarbij geldt dat: de norm voor bebouwing alleen geldt voor woonbebouwing, bedrijven en niet voor overige terreinen in stedelijk gebied; de norm voor bebouwing alleen geldt voor water dat over de drempel van bebouwing naar binnen stroomt.
Afbeelding 3.5: uitsnede van kaart 3 'Omgevingswaarden - wateroverlast' (bron: Ontwerp Omgevingsverordening Limburg) Het waterschap is verantwoordelijk voor het realiseren van de bescherming volgens de normen. Daarbij dient het waterschap de maatregelen zodanig te ontwerpen, dat deze ook in het verwachte klimaat van 2050 nog voldoen aan de geldende normen uit de Omgevingsverordening. Daarbij dient steeds uitgegaan te worden van de meest actuele neerslagstatistieken.