CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

055 Bijl03 Bestemmingsplan Gonnenhof Hout-Blerick, toelichting.pdf

Raadsvergadering 22 mei 2024, gemeente VenloBij agendapunt: 6.7: RV055 Planologische procedures Gonnenhof Hout-Blerick13.895 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

pagina 26 van 41

Toelichting bestemmingsplan ‘Gonnenhof’ Hout-Blerick

Groepsrisico Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van de buisleidingen en het LPGtankstation. Deze risicobronnen vormen derhalve geen belemmering voor het planvoornemen. Het plangebied is wel gelegen binnen het invloedsgebied van de rijksweg A73 vanwege de stofcategorieën GF3 (licht ontvlambaar gas), LT1, LT2 (toxische vloeistoffen) en GF2 (brandbaar gas) en binnen het invloedsgebied van de Maascorridor vanwege de stofcategorie GT3 (toxisch gas). Conform artikel 7 van de Bevt dient het groepsrisico beperkt te worden verantwoord (aangaande de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid). Het plangebied (en de toekomstige woningen) is tevens deels gelegen binnen 200 meter van de rijksweg A73. Conform artikel 8, lid 1 van het Bevt dient het groepsrisico uitgebreid te worden verantwoord. Hiervan kan conform artikel 8, lid 2, worden afgeweken indien: •

het groepsrisico niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, of;

•

het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan tien procent toeneemt, en;

•

de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden.

4.5.2 Groepsrisicoberekening Voor het plan is een groepsrisicoberekening uitgevoerd, omdat het plan gedeeltelijk is gelegen binnen een afstand van 200 meter van de rijksweg A73 waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De volledige rapportage van de groepsrisicoberekening is opgenomen in bijlage 5. Het groepsrisico is berekend met het rekenpakket RBM II versie 2.3. Uit de berekeningen van de huidige en toekomstige situatie blijkt dat het groepsrisico maximaal 0,030 maal de oriëntatiewaarde bedraagt. Het groepsrisico neemt niet toe door het planvoornemen ten opzichte van de huidige situatie. Omdat het groepsrisico lager ligt dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Deze verantwoording is opgenomen in hoofdstuk 4 van de rapportage in bijlage 5.

4.6 Water Bij ruimtelijke plannen is het wettelijk verplicht om de gevolgen voor water af te wegen via de watertoets. Rekening dient gehouden te worden met waterhuishoudkundige eisen op zowel de korte als de lange termijn. Het proces van de watertoets voorziet erin dat rekening wordt gehouden met de eisen zoals die vanuit het waterbeheer worden gesteld. Dit is niet alleen van belang voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem. Het is ook belangrijk om zoveel mogelijk te voorkomen dat er problemen met water ontstaan nadat er ontwikkeld is. De volgende aspecten komen onder andere terug in onderhavige waterparagraaf: •

Beleid;

•

Waterhuishoudkundige situatie plangebied;

•

Compensatieopgave planontwikkeling;

•

Conclusie.

pagina 27 van 41

Toelichting bestemmingsplan ‘Gonnenhof’ Hout-Blerick

Beleid Provincie Het provinciaal beleid met betrekking tot het wateraspect is reeds uitgewerkt in het kader van de toetsing aan het provinciaal beleid (zie paragraaf 3.2 van onderhavige toelichting). Hieruit is naar voren gekomen dat het plangebied is gelegen binnen twee relevante zonering, namelijk een ‘Boringsvrije zone’ en ‘Grondwateronttrekkingszone’ van het gebied Venloschol. Binnen dit gebied gelden er restricties voor bepaalde bodemingrepen, grondboringen, grondwateronttrekkingen en infiltraties beneden 5 meter +NAP. Het maaiveld van het plangebied is overeenkomstig de kaarten van de Algemene Hoogtekaart Nederland gelegen op een hoogte van circa 23 meter +NAP. Er worden geen bodemingrepen, dan wel boringen verwacht die tot een diepte van 5 m +NAP of dieper reiken. Indien van toepassing zal voldaan worden aan de regels die gesteld zijn in de Omgevingsverordening. Waterschap Het plangebied is gelegen binnen het beheersgebied van Waterschap Limburg. Het waterschap is naast de beheerder van de waterkwantiteit en waterkwaliteit van het watersysteem tevens de beheerder van de waterkeringen. Waterschap Limburg heeft een waterbeheerplan. In het waterbeheerplan zet het waterschap de koers uit voor het toekomstig waterbeheer in Limburg en geeft zij aan hoe zij invulling wil geven aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten, en voldoende schoon water.

In het plan is onder meer vastgelegd hoe men het watersysteem en de waterkeringen op orde wil brengen en behouden. Om haar taak uit te kunnen voeren heeft het waterschap het beleid omgezet naar regelgeving, welke wordt ontsloten via de Keur en bijbehorende Legger. De Keur geeft inzicht in over wat wel en niet is toegestaan in en nabij water, dijken en stuwen. Op de Legger staan alle oppervlaktewateren en dijken aangegeven die Waterschap Limburg in beheer heeft en waarop de Keur van toepassing is. De algemene regels en beleidsregels zijn onlosmakelijk verbonden aan de Keur en geven aan in welke gevallen er een vrijstelling of meldingsplicht kan gelden en hoe bepaalde werkzaamheden in of nabij watersystemen uitgevoerd dienen te worden. De belangrijkste aspecten omtrent de waterhuishouding als gevolg van de beoogde planontwikkeling worden hierna beknopt toegelicht.

pagina 28 van 41

Toelichting bestemmingsplan ‘Gonnenhof’ Hout-Blerick

Figuur 4.3: Uitsnede kaart Legger Waterschap Limburg (plangebied rood omcirkeld)

Aangezien er geen grootschalige ontgrondingen plaats zullen vinden als gevolg van de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen voorzien. Te allen tijde zullen de gestelde regels op basis van de Keur in acht worden genomen bij ontwikkelingen die wel van invloed kunnen zijn. Voor het overige zijn er geen bijzonderheden op de leggerkaart geconstateerd. Voor het overige hanteert Waterschap Limburg ter plaatse van het plangebied het uitgangspunt dat bij de uitbreiding van het verhard oppervlak waterneutraal gebouwd dient te worden in het kader van het aspect hemelwater. Waterschap Limburg heeft aangegeven dat plannen waarbij de toename van de hoeveelheid verhard oppervlak kleiner dan 2.000 m² bedraagt niet hoeven te worden voorgelegd aan het watertoetsloket. Gemeentelijk beleid De gemeente Venlo heeft op basis van het Gemeentelijk Rioleringsplan Venlo 2008-2017 het document ‘Afkoppel beslisboom Gemeente Venlo’ opgesteld. Hierin wordt aangegeven hoe met hemelwater om te gaan bij nieuwe situaties. Waterhuishoudkundige situatie plangebied Uit het verkennend en aanvullend bodemonderzoek komen de volgende gegevens naar voren met betrekking tot de waterhuishoudkundige situatie van het plangebied.

pagina 29 van 41

Toelichting bestemmingsplan ‘Gonnenhof’ Hout-Blerick

Figuur 4.4: Uitsnede tabel bodemopbouw en geohydrologie, verkennend bodemonderzoek

Compensatieopgave planontwikkeling De verhardingsopgave van het te ontwikkelen plan, welke wordt afgezet tegen het relevante beleid omtrent de waterbergingsopgave als gevolg van (de toename van) het verhard oppervlak, bepaald de te compenseren waterberging en de mogelijke oplossingsrichtingen hiervoor. Deze worden hierna belicht. Verhardingsopgave Vanwege het van toepassing zijnde beleid wordt zowel de bestaande als de nieuwe verhardingssituatie inzichtelijk gemaakt. De toename van verharding is immers leidend. De verhardingsopgave van zowel de bestaande als nieuwe situatie is conform opgave verwerkt in onderstaande tabel. Tabel 4.1: Verhardingsopgave type verharding

m² huidige

m² beoogde

situatie

situatie

toename/afname

955 m²

2.889 m2

+ 1.934 m2

50 m²

2

1.989 m

+ 1.939 m2

Verharding achterpaden

m²

334 m2

+ 334 m2

Verharding tbv verkeersdoeleinden

m²

1.998 m2

+ 1.998 m2

660 m²

2

0m

- 660 m2

1.665 m²

7.210 m²

+ 5.545 m²

Onverharde ruimte / groen

2

10.405 m

4.860 m²

- 5.545 m2

Totaal perceel

12.070 m2

12.070 m2

- m2

Verharding bebouwing Verharding terrein

Halfverharding Totaal verharding

pagina 30 van 41

Toelichting bestemmingsplan ‘Gonnenhof’ Hout-Blerick

Bergingsopgave De toename van het verhard oppervlak binnen het plangebied bedraagt circa 5.545 m 2. Op basis van het waterschapsbeleid dient het plan zo klimaat neutraal mogelijk te worden ingericht. Omdat de verharding toeneemt met meer dan 2.000 m2 dient het plan te worden voorgelegd aan het waterschap voor advies en ter beoordeling. Aangezien er op basis van de Legger geen oppervlaktewater is gelegen in of nabij het plangebied, zal er geen directe of indirecte lozing plaatsvinden op oppervlaktewateren van het waterschap. Eventuele overloopconstructies zullen worden aangesloten op de gemeentelijke (hemelwater)riolering. Voor het bepalen van de bergingsopgave is aangesloten bij het gemeentelijk beleid en bijbehorende beslisboom. Op basis van deze beslisboom betreft de minimale bergingseis een bui T=10. Daarnaast moet voorkomen worden dat er bij een bui T=100 geen schade ontstaat aan gebouwen. Voor een bui T=10 geldt een bergingseis van 50 mm per m 2 toename verhard oppervlak. Voor onderhavig plan wordt echter uitgegaan van een berging van minimaal 60 mm. Dit resulteert in een benodigde bergingscapaciteit van 5.545 x 0,060 = 332,7 m 3. Voor een bui T=100 geldt dat er rekening moet worden gehouden met 84 mm neerslag.

Hierbij dienen maatregelen te worden genomen om schade te voorkomen aan gebouwen, zoals bijvoorbeeld de aanleg van verhoogde stoepranden, rioolputten of overloopconstructies. Er liggen binnen het plangebied kansen om te voldoen aan de bergingseis. In de huidige vorm voorziet het plan in twee wadi’s in de openbare ruimte. Deze wadi’s zijn waterbergingen in de vorm van verlagingen in de groenzones. Hierin zal het hemelwater worden opgevangen wat valt op de verharding in de openbare ruimte en de opritten naar de woningen. In het kader van de concrete uitwerking van het bouwplan vindt de verdere uitwerking van de infiltratie in het plangebied plaats. In dit kader vindt eveneens de concrete uitwerking van infiltratie van hemelwater afkomstig van de bebouwing en verharding op privé percelen plaats. Indien het gewenst is om de capaciteit van de berging te verlagen is er nog de mogelijkheid om waterdoorlatende / waterpasserende verharding toe te passen. Algemene eisen waterberging De te realiseren waterberging dient te worden aangelegd boven de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG). Op basis van het bodemonderzoek kan geconcludeerd worden dat de grondwaterstand zeer laag is doordat deze op een diepte van ruim 5 meter beneden maaiveld is gelegen. Op basis van dit gegeven is er ruimte aanwezig om de noodzakelijke waterberging beneden maaiveld te kunnen realiseren.

Wel dient in voldoende mate zeker te worden gesteld dat de berging geledigd is voor de navolgende regenbui. Dit kan enerzijds door middel van infiltratie, waarbij de doorlatendheid van de bodem tenminste 0,5 m per dag bedraagt en de grondwaterstand tenminste 1 meter beneden maaiveld is gelegen. Gezien de bodem is opgebouwd uit voornamelijk zand en de grondwaterstand er diep is gelegen ten opzichte van maaiveld, wordt verwacht dat er voldoende infiltratiecapaciteit aanwezig is. Op basis van het grondwaterzakboekje is een K-waarde van minimaal 1 meter per dag te verwachten (http://grondwaterformules.nl/index.php/vuistregels/ondergrond/doorlatendheidper-grondsoort). Anderzijds kan mogelijk een leegloopvoorziening of noodoverlaat van maximaal 1 liter per seconde per hectare gerealiseerd worden op het bestaande gemeentelijke stelsel. Indien noodzakelijk voor de waterdoorlatendheid van de bodem kan ter plaatse van de infiltratievoorziening grondverbetering worden toegepast, dan wel de bodem “losgemaakt” worden. pagina 31 van 41

Toelichting bestemmingsplan ‘Gonnenhof’ Hout-Blerick

Binnen het plangebied zal voorzien worden in een gescheiden rioleringsstelsel voor de gescheiden afvoer van afval- en hemelwater. Conclusie Met inachtneming van voorgaande kan gesteld worden dat een goede waterhuishoudkundige situatie als gevolg van de beoogde ontwikkeling kan worden verzekerd.

4.7 Flora en fauna In Nederland geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet geeft invulling aan de bescherming van natuurgebieden, van dieren en van planten en vloeit voort uit de Europees vastgelegde natuurwetgeving. De Nederlandse provincies bepalen het natuurbeleid voor hun gebied. Het is noodzakelijk om voorafgaand aan ruimtelijke inrichting en aan ruimtelijke ingrepen te toetsen of de geplande activiteiten geen negatief effect hebben op beschermde leefgebieden, op beschermde planten en of op beschermde diersoorten. Algemeen In het kader van de beoogde ontwikkeling heeft Faunaconsult een quickscan natuurwetgeving uitgevoerd (d.d. 20 december 2022). Het doel van dit onderzoek is om vast te stellen of de natuurwetgeving de geplande ontwikkeling in de weg staat. Conform de quickscan van Faunaconsult hebben de plannen geen direct effect op de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. Wel dient om aan de algemene zorgplicht te kunnen voldoen, onder begeleiding van een ecologische deskundige, een nieuwe verblijfplaats te worden gerealiseerd voor de rustplaats van de steenuil. Een uitgebreide omschrijving van de maatregelen en de benodigde ecologische deskundige begeleiding zijn opgenomen in de quickscan. De quickscan flora en fauna is in bijlage 6 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen.

4.8 Stikstofdepositie De Wet natuurbescherming (Wnb) is het wettelijke kader met betrekking tot de bescherming van de Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Een onderdeel daarvan zijn de Natura 2000-gebieden, waarvan er in Nederland ruim 160 zijn. Natura 2000-gebieden zijn natuurgebieden met een Europese beschermingsstatus en zijn aangewezen onder de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Beide Europese richtlijnen zijn belangrijke instrumenten om de Europese biodiversiteit te waarborgen. Alle Vogel- of Habitatrichtlijngebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van soorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. Veel van de gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot ‘significante (negatieve) effecten’ op het beschermde natuurgebied. Op basis van de Wnb is het niet toegestaan een plan of project te realiseren dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Om de mogelijke stikstofdepositie op de voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden als gevolg van de beoogde ontwikkeling inzichtelijk te maken, is door Stammen projectadvies een berekening stikstofdepositie opgesteld (15221005-R4-16231129, d.d. 29 november 2023). pagina 32 van 41

Toelichting bestemmingsplan ‘Gonnenhof’ Hout-Blerick

Uit de rekenresultaten blijkt dat er ten gevolge van het planvoornemen geen stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Derhalve zijn ‘significante (negatieve) effecten’ op beschermde natuurgebieden ten aanzien van stikstofdepositie uit te sluiten en is een vergunning in het kader van de Wnb derhalve niet aan de orde. De berekening toont aan dat het aspect stikstofdepositie geen beperkingen oplevert ten aanzien van het beoogde planvoornemen. De berekening stikstofdepositie is in bijlage 7 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen.

4.9 Archeologie en cultuurhistorie Sinds 2007 zijn gemeenten wettelijk belast met de zorgplicht van het archeologisch erfgoed. Dat wil zeggen dat men rekening dient te houden met de in de bodem aanwezige, dan wel te verwachten archeologische resten. Met de erfgoedwet wil de overheid het cultureel erfgoed in Nederland beter beschermen. Tot 1 juli 2016 golden verschillende wetten en regels voor behoud en beheer van cultureel erfgoed. Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden en zijn alle wetten en regels ten aanzien van het cultureel en archeologisch erfgoed gebundeld in één wet. Archeologie Door Transect BV is een archeologisch bureau- en veldonderzoek gedaan, het onderzoek is opgenomen in bijlage 8 (Transect BV, rapportnummer 4547, Hout-Blerick Bijenweideweg gemeente Venlo (LB), d.d. 21 april 2023). In het plangebied is op basis van dit onderzoek een hoge archeologische verwachting op resten uit de periode Laat-Paleolithicum – Nieuwe Tijd vastgesteld. In het kader van het wijzigen van het bestemmingsplan wordt geadviseerd om een vervolgonderzoek uit te voeren. Dit onderzoek kan het beste plaatsvinden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase. Hiervoor is een Programma van Eisen opgesteld door Transect BV, dat voorafgaand aan het onderzoek door de gemeente Venlo is goedgekeurd.

Het Programma van Eisen is opgenomen in bijlage 9. De rapportage van de proefsleuvenonderzoek (fase 1, versie 1.1, d.d. 25 oktober 2023) is opgenomen als bijlage 12. Cultuurhistorie Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg liggen er in het plangebied geen monumenten, cultuurlandschappen of cultuurhistorisch waardevolle elementen. Wel behoren de wegen rondom het plangebied (Groetweg, Bijenweideweg en De Beeretweg) tot een historische wegenstructuur (ouder dan 1806). Het plan heeft echter geen invloed op de instandhouding van de wegenstructuur. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. Voor de voormalige boerderij aan de Bijenweideweg 2 bestaat het voornemen om een aanwijzingsprocedure tot gemeentelijk monument op te starten. De voormalige langgevelboerderij Bijenweideweg 2 vormt samen met de er achter gelegen losstaande stal een nog redelijk gaaf boerderij ensemble. Om deze reden is het pand opgenomen in de herijkingslijst van gemeentelijke monumenten. Dit betekent dat het voornemen bestaat om het complex als gemeentelijk monument aan te wijzen. Vooralsnog is (nog) niet exact bekend wanneer voor het object de aanwijzingsprocedure wordt opgestart. Deze procedure verloopt separaat van de bestemmingsplanprocedure.

Dit bestemmingsplan voorziet in ieder geval in duurzaam behoud door realisatie van 2 extra woningen in de voormalige boerderij. pagina 33 van 41

Toelichting bestemmingsplan ‘Gonnenhof’ Hout-Blerick

4.10

Verkeer en parkeren

Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient voldoende aandacht te worden besteed aan een goede afwikkeling van het verkeer en het faciliteren van voldoende parkeergelegenheid op het eigen terrein als gevolg van het beoogd initiatief. Verkeer Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen’. Het bestemmingsplan voorziet in de realisatie van nieuwe woningen. Navolgende tabel geeft de te verwachten verkeersgeneratie van de nieuwe woningen weer. Tabel 4.2a: Verkeersgeneratie totaal Object

Aantal

Stedelijkheid

Ligging

verkeersgeneratie

Totaal

9

Sterk stedelijk*

Rest bebouwde kom

7,8 – 8,6

73,8**

8

Sterk stedelijk*

Rest bebouwde kom

7,4 – 8,2

62,4**

13

Sterk stedelijk*

Rest bebouwde kom

6,7 – 7,5

92,3**

verkeersgeneratie Koop, huis, vrijstaand Koop, huis, tweeonder-een-kap Koop, huis, tussen/hoek Totaal verkeersbewegingen (afgerond) *

229

Voor het bepalen van de stedelijkheidsgraad is uitgegaan van het aantal omgevingsadressen van de gemeente Venlo in 2022 (1.663 per km2).

**

Er is uitgegaan van een gemiddeld aantal verkeersbewegingen.

Tabel 4.2b: Verkeersgeneratie nieuwe weg Object

Aantal

Stedelijkheid

Ligging

verkeersgeneratie

Totaal

7

Sterk stedelijk*

Rest bebouwde kom

7,8 – 8,6

57,4**

7

Sterk stedelijk*

Rest bebouwde kom

7,4 – 8,2

54,6**

11

Sterk stedelijk*

Rest bebouwde kom

6,7 – 7,5

78,1**

verkeersgeneratie Koop, huis, vrijstaand Koop, huis, tweeonder-een-kap Koop, huis, tussen/hoek Totaal verkeersbewegingen (afgerond) *

191

Voor het bepalen van de stedelijkheidsgraad is uitgegaan van het aantal omgevingsadressen van de gemeente Venlo in 2022 (1.663 per km2).

**

Er is uitgegaan van een gemiddeld aantal verkeersbewegingen.

De ontsluiting van gemotoriseerd verkeer in het plangebied vindt plaats middels de nieuw aan te leggen weg. Deze zal worden aangesloten op de Helmusweg aan de noordzijde van het plangebied. Ook komt er aan de zuidzijde een ontsluitingsweg op de Bijenweideweg, deze is echter alleen voor langzaamverkeer zoals fietsers en voetgangers. Gezien het geringe aantal verkeersbewegingen zal er sprake zijn van een goede verkeersafwikkeling van het plangebied. Er is op de nieuw aan te leggen weg sprake van 191 verkeersbewegingen per dag. De overige 38 verkeersbewegingen vinden rechtstreeks plaats op de Groetweg, Bijenweideweg en Helmusweg. De omliggende wegenstructuur kan het geringe extra aantal verkeersbewegingen goed opvangen. pagina 34 van 41

Toelichting bestemmingsplan ‘Gonnenhof’ Hout-Blerick

Parkeren Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is gebruik gemaakt van de parkeerkencijfers van het CROW. Hierbij is uitgegaan van een gebied dat is gelegen in de rest van de bebouwde kom en dat sterk stedelijk is, gebaseerd op een adressendichtheid van 1663 per vierkante kilometer. Voor een vrijstaand koophuis geldt een parkeernorm van 1,7 – 2,5, voor een koophuis twee-onder-een-kap geldt een parkeernorm van 1,6 – 2,4 en voor een koophuis tussen/hoekwoning geldt een parkeernorm van 1,4 – 2,2. Tabel 4.3: Verkeersgeneratie Object

Aantal

Stedelijkheid

Ligging

Parkeernorm

Totaal

9

Sterk stedelijk*

Rest bebouwde kom

1,7 – 2,5

18,9**

8

Sterk stedelijk*

Rest bebouwde kom

1,6 – 2,4

16,0**

13

Sterk stedelijk*

Rest bebouwde kom

1,4 – 2,2

23,4**

parkeerplaatsen Koop, huis, vrijstaand Koop, huis, tweeonder-een-kap Koop, huis, tussen/hoek Totaal verkeersbewegingen (afgerond) *

59

Voor het bepalen van de stedelijkheidsgraad is uitgegaan van het aantal omgevingsadressen van de gemeente Venlo in 2022 (1663 per km2).

**

Er is uitgegaan van een gemiddelde parkeerbehoefte.

De gehele parkeerbehoefte als gevolg van het planvoornemen wordt gerealiseerd middels 40 parkeerplaatsen op eigen terrein en de aanleg van 20 parkeerplaatsen op openbaar terrein. Gezien voorgaande is voldoende parkeergelegenheid verzekerd en zijn er met betrekking tot het aspect parkeren geen belemmeringen te verwachten.

4.11

Kabels en leidingen

Binnen of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen aanwezig. Er zijn derhalve geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen voor de voorgenomen planontwikkeling te verwachten. Voorafgaand aan de graafwerkzaamheden zal tevens een Klic-melding worden gedaan om zeker te stellen dat ongeziene kabels en leidingen niet in het geding komen.

4.12

M.e.r.-beoordeling

Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen, waaronder bestemmingsplannen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: •

Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden; pagina 35 van 41

Toelichting bestemmingsplan ‘Gonnenhof’ Hout-Blerick

•

Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten.

Ten aanzien van het eerste criterium geldt dat er in deze situatie géén sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van het tweede criterium geldt het volgende. Een m.e.r.-procedure is noodzakelijk als een besluit wordt genomen over een activiteit waarbij belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De vraag of door voorgenomen activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen veroorzaakt kunnen worden staat dan ook centraal bij het beoordelen of een m.e.r. moet worden uitgevoerd. De Europese Unie heeft in de richtlijn m.e.r. aangegeven bij welke activiteiten er zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven voor welke activiteiten direct een m.e.r.-plicht geldt. Verder zijn in onderdeel D van het Besluit m.e.r.-activiteiten aangewezen waarvoor het niet zeker is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden en waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. In dit kader zijn voor deze activiteiten in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen, waarbij in onderdeel D de drempelwaarden het laagst zijn. Voor de ontwikkeling van de woningen in het plangebied is de categorie stedelijk ontwikkelingsproject relevant. Op de D-lijst van het Besluit m.e.r.

is in categorie 11.2 aangegeven dat een stedelijk ontwikkelingsproject een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit is, wanneer de volgende drempelwaarden worden overschreden: •

een oppervlakte van 100 hectare of meer;

•

een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat of;

•

een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

De ontwikkeling betreft de realisatie van slechts 30 nieuwe woningen. De drempelwaarde voor het uitvoeren van een uitgebreide m.e.r.-beoordeling ligt vele malen hoger. Evenwel dient het bevoegd gezag bij activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Dit middels de zogenoemde ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ en gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: •

de kenmerken van de projecten;

•

de plaats van de projecten;

•

de kenmerken van de potentiële effecten.

In onderhavig toelichting van het bestemmingsplan zijn alle milieukundige aspecten die gemoeid zijn met het plan uiteengezet. Het planvoornemen bestaat uit de realisatie van slechts 30 woningen op bestaande percelen. De locatie van het project bevindt zich binnen bestaand stedelijk gebied. Het project heeft geen belangrijke nadelige ruimtelijke of milieukundige effecten. De milieueffecten van het project zijn niet van dusdanige omvang dat er sprake kan zijn van ‘belangrijke nadelige milieugevolgen’. Gezien voorgaande wordt het optellen van een MER niet noodzakelijk geacht.

pagina 36 van 41

Toelichting bestemmingsplan ‘Gonnenhof’ Hout-Blerick

5 Juridische toelichting 5.1 Inleiding Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan. De structuur van het plan is zodanig dat de verbeelding ervan de primaire informatie geeft over waar gebouwd mag worden (bouwvlak voor bouwen tot een bepaalde goothoogte en bouwhoogte). Bij het raadplegen van het bestemmingsplan dient dan ook eerst naar de verbeelding gekeken te worden. Vervolgens kan men in de regels teruglezen welk gebruik en welke bouwmogelijkheden zijn toegestaan. De ordening van regels is daartoe zodanig opgezet dat bij iedere bestemming een nagenoeg compleet beeld van de regels voor die bestemming is gegeven. Desondanks blijven aanvullend inleidende bepalingen en algemene bepalingen nodig.

5.2 Toelichting op de verbeelding De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en de gewenste functies. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De verbeelding is getekend op basis van een recente kadastrale ondergrond. Op de verbeelding zijn aangegeven:

• • • •

de grens van het plangebied; de (dubbel)bestemmingen van de in het plangebied gelegen gronden; bouwvlakken; aanduidingen waarnaar in de regels wordt verwezen.

De gronden gelegen binnen de grens van het plangebied zijn geregeld binnen dit bestemmingsplan. Een bepaalde kleur geeft aan om welke bestemming het gaat. Deze kleur maakt daarom meteen duidelijk welk artikel uit de regels geraadpleegd moet worden. Bouwvlakken geven de begrenzing weer waarbinnen gebouwen opgericht mogen worden. In de bouwvlakken moeten hoofdgebouwen gesitueerd worden. De overige aanduidingen geven een specifieke situatie weer, waarvoor in de regels een aparte regeling is opgenomen.

pagina 37 van 41

Toelichting bestemmingsplan ‘Gonnenhof’ Hout-Blerick

5.3 Toelichting op de planregels De regels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten: •

inleidende regels;

•

bestemmingsregels;

•

algemene regels;

•

overgangs- en slotregels.

Inleidende bepalingen Hoofdstuk 1 van de regels bevat bepalingen die, net als de in hoofdstuk 3 opgenomen “Algemene regels”, algemeen gelden voor alle bestemmingen zoals opgenomen in hoofdstuk 2. Hoofdstuk 1 bevat de begrippen (artikel 1) en het artikel betreffende de wijze waarop bijvoorbeeld hoogtematen en oppervlaktematen moeten worden gemeten en berekend. In Hoofdstuk 3 zijn onder andere procedureregels, algemene gebruiksregels en flexibiliteitsbepalingen opgenomen. In Hoofdstuk 4 zijn de overgangsregels en de slotregel opgenomen. Bestemmingsregels In dit hoofdstuk worden planregels gegeven voor de binnen het plangebied bestaande functies. Per planregel zijn de doeleinden c.q. de toegelaten gebruiksvormen van de gronden aangegeven. In beginsel is iedere vorm van bebouwing, die past binnen de desbetreffende bestemming tot een bepaalde omvang rechtstreeks (dus zonder voorafgaande omgevingsvergunning voor het afwijken van het plan of wijziging) toegestaan. Indien wordt voldaan aan de voorgeschreven maatvoering (bebouwingspercentage, goothoogte en dergelijke) en wordt gebouwd binnen het aangegeven bouwvlak, kan hiervoor in de regel zonder meer een omgevingsvergunning voor het bouwen worden verleend.

Binnen iedere bestemming is een aantal algemene voorzieningen toegestaan, zoals voorzieningen voor verkeer en verblijf, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, tuinen, erven en verhardingen, voorzieningen voor openbaar nut en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. In iedere bestemming zijn bouwregels opgenomen voor bouwwerken ten behoeve van voorzieningen van openbaar nut. Binnen iedere bestemming is een aantal algemene regels opgenomen. Het betreft de bevoegdheid om nadere eisen te stellen, algemene afwijkingen van de bouwregels en algemene wijzigingsbevoegdheden. Algemene regels Dit hoofdstuk bevat de algemene regels, zoals een anti-dubbeltelregel, algemene bouw-, gebruiks-, aanduidings-, afwijkings-, procedure- en de overige regels. Overgangs- en slotbepaling Dit hoofdstuk bevat bepalingen inzake het overgangsrecht en de slotregel.

pagina 38 van 41

Toelichting bestemmingsplan ‘Gonnenhof’ Hout-Blerick

5.4 Beschrijving bestemmingen Groen De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor plantsoenen, groenvoorzieningen, bermen, beplanting, parken en waterhuishoudkundige voorzieningen. Verkeer - Verblijfsgebied De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor verkeersvoorzieningen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen waaronder bermen en beplanting, straatmeubilair en voorzieningen van algemeen nut. Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen in de vorm van grondgebonden woningen waaronder tevens inbegrepen kamerbewoning van maximaal 2 personen, aan huis gebonden beroepen, tuinen, erven, onbebouwde erven en waterhuishoudkundige voorzieningen.

pagina 39 van 41

Toelichting bestemmingsplan ‘Gonnenhof’ Hout-Blerick

6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie (Grexwet) opgenomen. Centrale doelstelling van de Grexwet is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijke kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. Een exploitatieplan is niet noodzakelijk wanneer de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd zijn. Ten behoeve van dit plan is een anterieure overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer, waarmee het kostenverhaal is verzekerd.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleggen met het bestuur van de bij het plan betrokken waterschap. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Het verslag van het wettelijk vooroverleg is opgenomen in bijlage 15. Omgevingsdialoog Op 22 november 2022 heeft er een informatieavond plaatsgevonden voor de grondeigenaren en de dorpsraad, hier is toelichting op het plan gegeven. Daarna is op 10 januari 2023 een informatieavond georganiseerd waarbij ook omwonenden, belangstellenden en de gemeente Venlo aanwezig waren. Venterra heeft de vragen en suggesties die uit deze avonden voort zijn gekomen meegenomen in de verdere uitwerking van het plan. Het volledige verslag van de omgevingsdialoog is opgenomen in bijlage 10. Omgevingstafel Op 23 maart 2023 heeft de omgevingstafel plaatsgevonden bij de Gemeente Venlo. Aanwezigen waren initiatiefnemer, ketenpartners en de gemeente. Tijdens deze bijeenkomst is het plan uitgelegd door initiatiefnemer.

Vervolgens zijn door andere partijen adviesreacties gegeven waarop waardevolle gesprekken zijn ontstaan om zo het plan te kunnen verbeteren. Deze opmerkingen zijn verwerkt in het verslag van de omgevingstafel, dat is opgenomen in bijlage 11. De uitkomst hiervan is verwerkt in het bestemmingsplan. Zienswijzen Conform artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening wordt het ontwerpbestemmingsplan gedurende een termijn van zes weken ter inzage gelegd. Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen zienswijzen over het bestemmingsplan worden ingediend.

pagina 40 van 41

Toelichting bestemmingsplan ‘Gonnenhof’ Hout-Blerick

Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1 Stedenbouwkundig schetsplan Bijlage 2 Verkennend bodemonderzoek Bijlage 3 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 4 Quickscan externe veiligheid Bijlage 5 Groepsrisicoanalyse Bijlage 6 Quickscan flora en fauna Bijlage 7 Berekening stikstofdepositie Bijlage 8 Archeologisch vooronderzoek Bijlage 9 Programma van Eisen archeologie Bijlage 10 Verslag omgevingsdialoog Bijlage 11 Verslag omgevingstafel Bijlage 12 Archeologisch proefsleuvenonderzoek Bijlage 13 Aanvullend verkennend bodem- en asbestonderzoek Bijlage 14 Groenplan Bijlage 15 Verslag wettelijk vooroverleg

pagina 41 van 41

Toelichting bestemmingsplan ‘Gonnenhof’ Hout-Blerick

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/752/documents/19299