CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

049 Bijl01 Bestemmingsplan Stationsstraat 44 Steyl, toelichting.pdf

Raadsvergadering 22 mei 2024, gemeente VenloBij agendapunt: 6.3: RV049 Bestemmingsplan Stationsstraat 44 Steyl12.240 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Dit advies is als separate bijlage bijgevoegd. Ontwikkeling groepsrisico Indien een ruimtelijk plan in dit gebied tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dat het groepsrisico niet significant zal toenemen, vanwege: - de afstand tot de plaats van het mogelijke incident; - de aard van incident (blootstelling aan toxisch gas en/of explosie door brandbaar gas); 27

-

de reeds hoge personendichtheden binnen de gemeente Venlo nabij de grote risicobronnen.

Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico door maatregelen bij de risicobron zijn beschreven in het beleidsplan externe veiligheid. De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is binnen het plangebied geen item, vanwege het gegeven dat de: - de beperkte toename van de personendichtheid geen significant effect op het groepsrisico heeft; - kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen in deze gebieden bijzonder klein is. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval De inzet op het spoor is gericht op het blussen van de brand en/of het koelen van de tankwagon en/of het neerslaan van de toxische stof. Dit laatste is ook aan de orde bij een inzet op de A73. De inzet bij de woningen is gericht op het blussen van secundaire branden. Binnen circa 20 meter van de te realiseren woning en bestaande woning aan de Stationsstraat is een ondergrondse brandkraan aanwezig met een capaciteit van circa 75 m3/uur. Deze bluswatervoorziening is voldoende voor een inzet binnen het plangebied. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Er bestaan in verband met de ligging in het invloedsgebied van de N271 met name risico’s in verband met ongelukken: - met brandbaar gas (BLEVE); - met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario).

Voor wat betreft de zelfredzaamheid van de bewoners, wordt ervan uitgegaan dat de bewoners voldoende zelfredzaam zijn. Daarnaast zijn de woningen voor de hulpdiensten voldoende bereikbaar. Toxisch scenario Het plangebied is conform het Beleidsplan externe veiligheid gelegen binnen zone II (invloedsgebied toxische stoffen). Voor zone II geldt dat er aanvullende (bouwkundige) maatregelen kunnen worden geëist. Zo gelden er een verschillende eisen voor het gebruik, de inrichting van het gebied en bouwkundige maatregelen: - Gebruik → aan de criteria voor gebruik wordt voldaan, omdat met de ontwikkeling geen extra kwetsbaar object wordt opgericht. - Inrichting → Aan de criteria voor gebruik wordt volgens de Veiligheidsregio ook voldaan, gezien er sprake is van een goede bereikbaarheid en voldoende bluswatervoorzieningen. - Bouwkundige maatregelen → ten aanzien van toxische gassen is het van belang dat onder andere ramen en deuren goed afsluitbaar zijn om te voorkomen dat toxische gassen de bebouwing binnendringen. Bij het scenario met blootstelling aan een toxisch gas biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze

28

bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Het plangebied wordt veelal alleen blootgesteld aan de gevolgen van een toxische gaswolk bij ‘optimale’ weersomstandigheden (bijvoorbeeld Pasquilklasse F1.5: weinig vermenging met schone lucht), die gedurende het jaar procentueel weinig voorkomen. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen, dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Brandbaar gas (BLEVE); Door het treffen van effect reducerende maatregelen kan de veiligheid van de bewoners van de woningen worden vergroot. Mogelijk maatregelen betreffen: • Een gebouwontwerp/gevelconstructie die voldoende weerstand biedt tegen een drukgolf of explosie; • Toepassen van blinde gevels of brandwerende gevels bij de woningen.

Geadviseerd wordt de woningen zoveel mogelijk te voorzien van blinde gevels aan de zijde van het spoor. Hierdoor worden de bewoners beschermd tegen de warmte-effecten bij een incident. Tevens krijgen ze de mogelijkheid om te vluchten. • Beperken van het glasoppervlak en toepassen van scherfwerende beglazing aan de risicozijden. Tevens word geadviseerd om glas toe te passen dat bestand is tegen 0,1 bar piekoverdruk. • Wanneer voor ventilatie een installatie nodig is, is het advies om op een makkelijk te bereiken plaats een noodknop te plaatsen waarmee de installatie uitgezet kan worden zodat er geen ventilatielucht meer van buitenaf wordt ingebracht. De noodknop kan bijvoorbeeld in de meterkast worden geplaatst. Gelet op het feit dat er nog geen sprake is van een concreet bouwplan, is ook nog niet bekend op welke manier het advies van de Veiligheidsregio wordt toegepast. De maatregelen worden voorgelegd aan de initiatiefnemer. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringsSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en via NL-alert. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

5.1.6

Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven

29

ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot een gevoelige functie dient te zijn (zogenaamde richtafstanden). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. De beoogde woning betreffen geen bedrijf of inrichting welke moet worden getoetst aan een minimumafstand tot andere gevoelige objecten. Omdat de beoogde woning een gevoelig object betreft, is gekeken naar de omliggende functies en de bijbehorende aan te houden afstanden tot gevoelige objecten. De richtafstanden welke zijn opgenomen in de VNG-publicatie worden aangehouden om te bepalen of er genoeg ruimte zit tussen bedrijven en gevoelige objecten. Deze afstanden zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ en kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. In het geval dat een locatie is gelegen binnen een ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden met 1 stap worden verkleind. Een gemengd gebied heeft verschillende kenmerken. Dit kan bijvoorbeeld een lint zijn waar meerdere functies naast elkaar zijn gevestigd of een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg is gelegen. Een gemengd gebied kent hierdoor al een hogere milieubelasting, waardoor er kleinere richtafstanden mogen worden aangehouden dan bij een rustige woonwijk. In de omgeving van het plangebied zijn zowel woonbestemmingen als bedrijvigheid aanwezig.

Daarnaast is de planlocatie gelegen aan een doorlopende weg en in de nabijheid van de spoorlijn Reuver – Tegelen, waardoor gesproken kan worden van een gemengd gebied. De aan te houden afstanden conform de VNG-publicatie mogen daarom met 1 stap worden verkleind. In onderstaande tabel is getoetst of voldaan kan worden aan de VNG-afstanden. De richtafstanden zijn reeds met 1 stap verkleind. Adres

Functie

Richtafstand

Vijverlaan 13 en 15 Steenweg 5 Steenweg 7

Kwekerij Modelmakerij Groothandel in vis en zeevruchten Veevoerhandel Riemenwinkel Metaalbewerkingsbedrijf

Steenweg 7a Steenweg 9a Steenweg 11b

Voldaan?

30 meter 30 meter 50 meter

Werkelijke afstand 70 meter 50 meter 80 meter

50 meter 10 meter 100 meter

90 meter 120 meter 165 meter

Ja Ja Ja

Ja Ja Ja

In de tabel is te zien dat aan alle minimumafstanden kan worden voldaan. Gezien het bovenstaande vormt de geprojecteerde woning dan ook geen belemmering voor de omliggende aanwezige bedrijfsfuncties in het kader van het aspect bedrijven en milieuzonering. Ten noorden van het plangebied is een braakliggend perceel met daarop een bedrijfsbestemming gelegen. Het planvoornemen voldoet hierdoor niet aan de afstanden op basis van de handreiking bedrijven en milieuzonering. Echter betreft dit perceel gemeentelijke gronden. De gemeente staat niet positief tegenover de komst van een bedrijf op deze plek. Als gevolg wordt onderhevig planvoornemen als acceptabel bevonden.

30

5.1.7

Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen Bij ontwikkelingen is het van belang om te kijken of er door of nabij het plangebied kabels, leidingen en hoogspanningslijnen zijn gelegen waar rekening mee gehouden moet worden. Kabels en leidingen Uit het bestemmingsplan en de risicokaart (paragraaf 5.1.5) komt naar voren dat er geen kabels in het plangebied aanwezig zijn die een beschermingszone in het kader van de te voeren planologische procedure hebben. Aanvragen hiervoor dienen rechtstreeks ingediend te worden bij de nutsbedrijven. Voor onderhavige ontwikkeling is verder onderzoek niet noodzakelijk.

5.1.8

Trillingen Gelet op de ligging van het plangebied langs het spoor kan binnen het plangebied sprake zijn van trillingen, waarvan dient te worden afgewogen of die aanvaardbaar zijn. Bij nieuwe ontwikkelingen in de omgeving van een spoorlijn wordt dit aspect beoordeeld aan de hand van de SBR richtlijn-B. De SBR richtlijn-B maakt gebruik van streefwaarden die gericht zijn op hinder door trillingen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Overschrijding van deze streefwaarden dient dan ook zoveel mogelijk te worden vermeden. Voorliggend bestemmingsplan betreft een bestemmingsplan waarin het toevoegen van nieuwe woningen mogelijk wordt gemaakt. Om te borgen dat bij deze ontwikkeling aandacht wordt besteed aan trillingen zijn bouwregels opgenomen die borgen dat het bouwen en in gebruik nemen van nieuwe woningen uitsluitend toegestaan is wanneer uit een dynamische berekening van de trillingssterkte blijkt dat - zo nodig door het treffen van maatregelen - wordt voldaan aan de streefwaarden voor 'Wonen nieuwe situatie', zoals bedoeld in Richtlijn deel B van Stichting Bouwresearch.

Daar kan alleen van worden afgeweken indien er geen doelmatige en kosteneffectieve maatregelen mogelijk zijn om de trillingssterkte te verminderen, maar uit een dynamische berekening wel blijkt dat tenminste wordt voldaan aan de streefwaarden voor 'Wonen in bestaande situatie', zoals bedoeld in Richtlijn deel B van Stichting Bouwresearch.

5.2

Water Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. In het verleden werd het water voornamelijk gevormd en waterlopen veranderd naar de wensen van inrichter en gebruikers. De laatste jaren blijkt steeds meer dat dit kan leiden tot waterproblematiek. Hierbij kan worden gedacht aan verdrogingsverschijnselen, maar ook aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevigere weersveranderingen. Bij locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies moeten de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen.

5.2.1

Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2022-2027 van de waterschappen Peel en Maasvallei en Roer en Overmaas, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Provinciaal Waterplan, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn 31

Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). De opgave in het POL2014 inzake het regionale water is het komen tot robuuste en natuurlijk functionerende en veerkrachtige watersystemen. Dit om risico’s tot wateroverlast en watertekort verminderen en ook bij klimaatverandering beheersbaar en maatschappelijk acceptabel te blijven. Er dient te worden voldaan aan de regionale normering voor wateroverlast. Daarnaast is het ontwikkelen van regionale, gebiedsgerichte adaptiestrategieën en het treffen van effectieve maatregelen de opgave voor het omgaan met huidige en toekomstige watertekorten. Een belangrijke voorwaarde hierbij is de beschikbaarheid van voldoende water en de juiste kwaliteit. Op deze manier zijn problemen op het gebied van watertekort in tijden van schaarste beheersbaar en maatschappelijke acceptabel. Een van de doelen van de provincie is om wateroverlast en watertekorten in het regionale watersysteem te beperken door meer ruimte voor water beschikbaar te stellen, de sponswerking te versterken en te anticiperen op de gevolgen van de klimaatverandering.

Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Hierbij spelen verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van ecologische functies stelt het waterschap onder andere dat ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (waar mogelijk) moeten worden verhoogd door peilbeheer. Tevens dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies te worden afgestemd. Naast deze ecologische functies dienen er ook mensgerichte hoofd- en nevenfuncties ten behoeve van industrie- of drinkwater te worden ingepast.

5.2.2

Kenmerken huidige watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied en de omgeving, kunnen beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, afvalwater en hemelwater. Grondwater Uit de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat de planlocatie is gelegen binnen de boringsvrije zone Venloschol. Het diepe grondwaterpakket mag enkel worden gebruikt ten behoeve van onttrekking voor menselijke consumptie. Voor onttrekkingen ten behoeve van beregening uit ondiep grondwater hanteert het waterschap een standstill beginsel. In de boringsvrije zone Venloschol geldt voor gebieden welke minder dan 5 meter boven NAP zijn gelegen regels voor het hebben van een boorput, het roeren van grond, het aanleggen en hebben van een bodemenergiesysteem en een verbod werken uit te voeren waardoor de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kan worden aangetast.

32

In het plangebied wordt niet voorzien in dergelijke onttrekkingen, waardoor er met betrekking tot de boringsvrije zone geen belemmeringen zijn. Oppervlaktewater In het plangebied zelf en in de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig en zal in de nieuwe situatie geen oppervlaktewater worden gecreëerd. Afvalwater Het afvalwater afkomstig van de planlocatie zal worden geloosd op het bestaande rioleringsstelsel. In de beoogde situatie wordt slechts één extra woning gerealiseerd en zal worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel. Gezien de beperkte omvang van de ontwikkeling, worden geen belemmeringen verwacht ten aanzien van het afvoeren van afvalwater. Hemelwater Het Waterschap Limburg en de gemeente Venlo streven ernaar om bij nieuwbouw en herstructurering regenwater volledig af te koppelen en zoveel mogelijk binnen het plangebied te verwerken. In de huidige situatie bestaat een groot gedeelte van het plangebied uit verhard oppervlak in de vorm van bebouwing en verharding. Naast de aanwezige bebouwing, met een oppervlakte van 525 m2, is een groot deel van het perceel verhard zodat dit geschikt is voor de opslag van zand- en grind. In de nieuwe situatie wordt ter plaatse van de bestaande tuin bij de woning een nieuwbouwwoning gerealiseerd.

Daarnaast wordt de verharding op het zuidelijke gedeelte van het perceel (waar in de huidige situatie de opslag van zand en grind plaatsvindt) verwijderd om plaats te maken voor een groene invulling. Hierdoor zal de oppervlakte aan verharding per saldo afnemen waardoor het aspect ‘Water’ geen belemmering vormt voor voorgenomen ontwikkeling.

5.2.3

Afkoppel beslisboom De afkoppel-beslisboom van de gemeente Venlo is bedoeld als stappenplan om te bepalen welke eisen er gelden voor de omgang met hemelwater. Om te bepalen of er dient te worden voorzien in een bergings- of infiltratievoorziening en hoe groot de capaciteit moet zijn, is de afkoppel beslisboom doorlopen. Aan de hand van het definitieve bouwplan, welke wordt opgesteld in het kader van de vergunningaanvraag voor het aspect ‘Bouwen’, dient de toename van de oppervlakte aan verharding te worden bepaald. Op basis van deze oppervlakte zal blijken aan welke bergingseis dient te worden voldaan en hoe groot de capaciteit van de benodigde waterbergings-/infiltratievoorziening dient te zijn. Deze voorziening dient op het eigen terrein te worden gerealiseerd. Gezien de grootte van het plangebied vormt het realiseren van een waterbergings-/infiltratievoorziening geen probleem. In het kader van het planologische aspect vormt dit geen belemmering.

5.3

Natuur

5.3.1

Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de 33

Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijnen Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart te worden gebracht en te worden beoordeeld. Wanneer deze mogelijk een negatief effect hebben op beschermde natuur in een Natura 2000-gebied geldt een vergunningsplicht. Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke.

Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Natura 2000 Het plangebied is niet binnen een Natura 2000-gebied gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Maasduinen’. Dit gebied is op een afstand van circa 6,3 kilometer ten noorden van de planlocatie gelegen. Ontwikkelingen kunnen een significant negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden door onder andere een aanzienlijke toename van het aantal verkeersbewegingen en sloop- en bouwwerkzaamheden. Met AERIUS calculator kan de stikstofdepositie door een ruimtelijke ontwikkeling in kaart worden gebracht. De nieuwste versie van AERIUS (2023.0.1) is sinds 6 november 2023 beschikbaar. Uitkomsten tot 0,00 mol per ha/jaar zijn de basis om te kunnen concluderen dat het plan niet vergunningsplichtig is voor de Wet natuurbescherming (Wnb), wat betreft het onderdeel stikstof. De afstand van het plangebied tot Natura 2000-gebieden in relatie tot de omvang van het plan (realisatie van slechts één woning) is aanleiding om te veronderstellen dat de stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied niet meer zal zijn dan 0,00 mol per ha/jaar. De ontwikkeling zal dan ook geen significante effecten veroorzaken in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Het aspect stikstof vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

Natuurnetwerk Nederland Het plangebied is niet binnen het Natuurnetwerk Nederland gelegen. Het dichtstbijzijnde gebied behorend tot het Natuurnetwerk Nederland is op circa 200 meter ten zuiden van het plangebied gelegen. Gezien de kleinschalige aard van de ontwikkeling en de afstand tot het dichtstbijzijnde gebied, zijn significante negatieve effecten uit te sluiten.

34

5.3.2

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Het komt voor dat bebouwing en groenelementen zoals bomen fungeren als vaste verblijf- of voortplantingsplaats voor dieren. Het verwijderen hiervan kan een negatieve gevolgen hebben voor dieren. In het kader van de Wet natuurbescherming dient te worden bepaald of er al dan niet nader onderzoek dient te worden gedaan naar voorkomende diersoorten. In dit geval worden er binnen het plangebied geen groenelementen verwijderd (het grootste deel van de op Google streetview zichtbare elementen is reeds verwijderd) en worden er geen gebouwen gesloopt. De ontwikkeling heeft dus geen negatieve invloed op eventueel aanwezige flora en fauna. Doordat het zuidelijk deel van het perceel een groene invulling krijgt heeft het planvoornemen een positief effect op de natuur doordat de groen corridor naast de spoorlijn wordt doorgetrokken. Het aspect ‘Natuur’ vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

5.4

Archeologie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een bestemmingsplan of andersoortige planologische regeling dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In dit plan dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In deze ruimtelijke onderbouwing is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. In de volgende paragraaf wordt verder ingegaan op het aspect ‘landschap en cultuurhistorie’. Conform de gemeentelijke archeologische beleidskaart (2015) van de gemeente Venlo is het plangebied gelegen binnen een gebied met een hoge archeologische verwachting (figuur 8).

35

Beleidslijn in de zone met een hoge archeologische verwachting is om het archeologisch erfgoed 'in situ' te bewaren. Als dit niet mogelijk is, wordt geadviseerd om vroegtijdig in de planvorming een archeologisch onderzoek in de vorm van een bureauen inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) te laten uitvoeren. Tijdens dit onderzoek zal informatie worden verzameld op basis waarvan belangenafweging en verdere besluitvorming kan plaatsvinden. Voor gebieden met een hoge of middelhoge archeologische verwachting geldt dat bij bodemingrepen dieper dan 40 centimeter en een minimale verstoringsoppervlakte van 500 m2 een archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. Het ruimtelijk plan omvat enkel het omzetten van de bestaande bedrijfswoning naar burgerwoning en de realisatie van slechts één woning. Het gehele plangebied is weliswaar groter dan 500 m2, maar de te verstoren oppervlakte ten behoeve van de nieuwe woning is kleiner dan 500 m2. Daarnaast grenst de nieuwe woning direct aan het perceel ten westen van het plangebied, waar in 2010 een archeologisch onderzoek is uitgevoerd en vanwege de omvangrijke bodemverstoring is vrijgegeven. De kans is daarom erg groot dat de bodem ter plaatse van de beoogde woning ook dermate verstoord is.

Omdat binnen het overige deel van het plangebied geen bodemingrepen plaatsvinden, wordt het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht. Voor de volledigheid wordt een archeologische dubbelbestemming overgenomen op basis van de archeologische beleidskaart. Het aspect ‘Archeologie’ vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.

5.5

Landschap en cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en esembles van een grotere schaal. Conform de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg betreft het bestaande woonhuis aan de Stationsstraat 44 een ‘Monument Inventarisatie Project’. Het pand is rond het jaar 1889 gebouwd en is van cultuurhistorisch belang omdat het een specimen van een bouwtraditie betreft. Het pand is echter niet in het monumentenregister van de gemeente Venlo opgenomen. Doordat de bestaande bebouwing in voorgenomen ontwikkeling behouden blijft en dit bestemmingsplan niet

36

voorziet in sloop- of (ver)bouwwerkzaamheden met betrekking tot het woonhuis, heeft de ontwikkeling geen negatieve invloed op de cultuurhistorische waarde van het pand aan de Stationsstraat 44. Met onderhavige ontwikkeling zijn de cultuurhistorische en landschappelijke kenmerken dan ook niet in het geding.

5.6

Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.

5.6.1

Mobiliteit De beëindiging van de zand- en grindhandel en de realisatie van één nieuwbouwwoning zal per saldo leiden tot een afname van het aantal verkeersbewegingen. De bestaande infrastructuur heeft voldoende capaciteit om het huidige aantal verkeersbewegingen te verwerken waardoor er in de toekomstige situatie geen belemmeringen te verwachten zijn. Hierdoor is aanpassing van de Stationsstraat en de wegen die hiermee in verbinding staan niet aan de orde.

5.6.2

Parkeren Om te bepalen in hoeveel parkeerplaatsen dient te worden voorzien, is de CROWpublicatie 381 “Toekomstbestendig parkeren” gehanteerd. Conform de parkeernormen voor een vrijstaande koopwoning in ‘rest bebouwde kom’ met een matig stedelijk karakter dient te worden voorzien in minimaal 1,8 en maximaal 2,6 parkeerplaatsen op het eigen terrein. Dat betekent dat voor zowel de bestaande woning als voor de nieuwe woning dient te worden voorzien in minimaal 2 en maximaal 3 parkeerplaatsen. Het perceel is voldoende groot om te voorzien in deze parkeerbehoefte. Het aspect ‘Parkeren’ levert geen belemmering op.

HOOFDSTUK

6.1

6 Uitvoerbaarheid

Inleiding In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn.

6.2

Economische uitvoerbaarheid Bij in voorbereiding zijnde bestemmingsplannen dient op grond van artikel 3.6.1 van Bro in de plantoelichting de economische uitvoerbaarheid van het plan inzichtelijk te worden gemaakt. Wanneer sprake is van een bouwplan zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 van Bro, dient er conform 6.12 van Wro een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. In dit geval is sprake van het (mogelijk maken van) een bouwplan conform artikel 6.2.1 Bro en wordt het kostenverhaal anderszins verzekerd. 37

In dit geval zijn geen aanpassingen nodig in de openbare ruimte door het omzetten van de bestaande bedrijfswoning en het realiseren van een nieuw woningbouwkavel op eigen terrein. Alle ingrepen vinden plaats binnen het plangebied, waardoor tevens geen grondtransacties aan de orde zijn. Een anterieure overeenkomst is derhalve niet noodzakelijk. Van gemeentelijke grondexploitatiekosten is derhalve geen sprake en daardoor geen verplicht kostenverhaal. Eventueel te verhalen kosten (inrit en huisaansluiting riool) worden anderszins verzekerd. Gemeentelijke kosten worden verhaald op basis van de legesverordening.

6.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid In het kader van het wettelijk vooroverleg is dit plan voorgelegd aan de provincie. De opmerking die daaruit voortkwam is gebaseerd op een verouderde tekening. Inmiddels is dit verwerkt in deze plantoelichting. Onderhavig bestemmingsplan wordt ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij eenieder gelegenheid wordt geboden tot het indienen van zienswijzen.

38

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/752/documents/19278