047bijl 9 Bp Hakkesstraat-Hendrikkenhofstraat Venlo - bijlagenboek 2 toelichting.pdf
Tekst van het document
Blad 6
De invulling van de risicocommunicatie dient conform de Wet veiligheidsregio’s door het bestuur van de Veiligheidsregio’s uitgevoerd te worden. De veiligheidsregio ondersteunt en adviseert de gemeenten hierin in voorbereiding op een alarmering bij rampen. Bestrijdbaarheid De bestrijdbaarheid/beheersbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om haar taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard. Hierbij hanteert de regionale brandweer richtlijnen zoals beschreven in de publicatie “Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid” van brandweer Nederland. Bereikbaarheid en bluswatervoorziening Uit bovengenoemde handreiking volgt het advies dat het plangebied en de risicobronnen goed bereikbaar moeten zijn voor hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor in geval van calamiteiten het plangebied en de risicobron goed bereikbaar is. Zorgnorm De brandweerzorgnorm is een aanbevolen opkomsttijd die afhankelijk is van het soort object en de risico’s voor de aanwezige personen. De opkomsttijd bestaat uit een optelsom van de uitruktijd en de aanrijdtijd.
De uitruktijd betreft de tijd die men heeft vanaf het alarmeren totdat men gereed is om te vertrekken naar de plaats van het incident. De uitruktijd voor een beroepskorps ligt lager dan die van een vrijwillig korps, omdat de beroepsmedewerkers zich in de directe nabijheid van de kazerne bevinden. Bij een ongeval met toxische stoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Hiertoe dienen voldoende bluswatervoorzieningen nabij de risicobron aanwezig te zijn. De bereikbaarheid van de risicobron is bij een toxisch scenario maatgevend. Een koude BLEVE is niet te bestrijden omdat de tankwagen of -container meteen explodeert. Gezien de snelle ontwikkeltijd zijn er geen mogelijkheden voor bronbestrijding en primaire effectbestrijding. De effectbestrijding zal daarom gericht zijn op het bestrijden van secundaire branden. Voor het voorkomen van een warme BLEVE dient een aangestraalde tankwagen tijdig te worden gekoeld en de brandhaard te worden geblust. Hiervoor dient voldoende bluswater nabij de risicobron aanwezig te zijn.
4 SAMENVATTING In deze notitie zijn elementen aangedragen die de gemeenteraad kan gebruiken bij de oordeelsvorming inzake de verantwoording van het groepsrisico. Het bevoegd gezag dient in het kader van de ruimtelijke procedure een standpunt in te nemen aangaande de verantwoording van het groepsrisico.
College van burgemeester en wethouders t.a.v mevrouw C. van den Beld Postbus 3434 5902 RK VENLO 1
*Z009380405C*
datum
28 februari 2020
behandeld door
Frank Wulms
Firstwatch document
uw kenmerk
WRO 2019-0002/2020
telefoonnummer
088 - 11 90 628
B08F0CF3A51A40729A594EA64C851252RB
ons kenmerk
Z035056/UIT048258
bijlage(n)
-
RisicobeheersingWRO 2019-0002/2020
onderwerp
Advies externe veiligheid Albertushof Venlo
Geacht college, Op 5 februari 2020 heeft u Veiligheidsregio Limburg Noord advies gevraagd in het kader van het initiatief ‘Albertushof’ te Venlo. De grondslag voor het advies komt voort uit het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Wet Veiligheidsregio’s, artikel 10. Het advies is gebaseerd op de van de gemeente ontvangen gegevens: MER bijlage 6 externe veiligheid quick scan, Beusmans & Jansen d.d. 7 mei 2019; MER bijlage 7 verantwoording groepsrisico bestemmingsplan Albertushof te Venlo, Kragten d.d. 7 mei 2019 Het initiatief betreft de realisatie van een resomeercentrum met aangrenzend een herdenkingspark in het noordelijk deel van het plangebied, in het zuidelijk deel zal huisvesting voor arbeidsmigranten voor bepaalde tijd worden gerealiseerd. Het plangebied is gelegen in Venlo Noord en begrensd door de Hakkestraat, Nijmeegseweg (N271) en Hendrikkenhofstraat. Uit het externe veiligheidsonderzoek blijkt dat de volgende risicobronnen relevant zijn: A67. Het plangebied bevindt zich geheel binnen het invloedsgebied van toxische stoffen, het deel van het plangebied voor het resomeercentrum is gelegen binnen het invloedsgebied van brandbare gassen; N271. Het plangebied bevind zich geheel binnen het invloedsgebied van toxische stoffen.
Aangezien er nauwelijks brandbare gassen over dit deel van de N271 worden vervoerd worden brandbare gassen buiten beschouwing gelaten; Weselseweg. Het plangebied bevind zich geheel binnen het invloedsgebied van toxische stoffen.
Groepsrisico Er is sprake van een toename van de personendichtheid in het plangebied. Er zijn geen risicoberekeningen uitgevoerd.
Incident scenario’s Incidenten met gevaarlijke stoffen zijn schaars maar hebben in potentie een zeer grote omvang. Gelet op het vervoer van gevaarlijke stoffen nabij het plangebied moet de hulpverlening rekening houden met de volgende ongevallen: Ongeval met een tankwagen met toxische stoffen A67, Nijmeegseweg, Weselseweg; Ongeval met een tankwagen met brandbare gassen A67. Ongeval tankwagen met een toxische stof Door een ongeval breekt bij een tankwagen gevuld met een toxische stof (bv. ammoniak) de aansluiting van de afsluiter af. Er ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt. Alle vrijgekomen toxische stof verdampt direct en er ontstaat een giftige wolk die zich snel met de wind mee verspreidt. Effecten op het plangebied bij een toxische wolk Afhankelijk van de weersomstandigheden, windrichting en inrichting ligt het plangebied volledig in het effectgebied van de toxische wolk. In verstedelijkt gebied hebben personen die zich buiten begeven een grote kans gewond te raken dan wel dodelijk slachtoffer te worden. De toxische damp kan, door de wind meegevoerd, door natuurlijke en ruimtelijke ventilatie het binnenmilieu bereiken. Optreden hulpverlening: bestrijdbaarheid De inzet van de brandweer richt zich op het afdekken van een toxische vloeistofplas en neerslaan van een toxische damp.
Hiervoor is aan de een bluswatercapaciteit nodig van 2 x 90 m3/uur. Zelfredzaamheid en handelingsperspectief bij een toxische wolk De personen in het plangebied kunnen schuilen in een gebouw indien dat voldoende bescherming biedt of er kan gevlucht worden dwars op de wind. Onduidelijk is of een gebouw voldoende luchtdicht is zodat personen een tijd veilig kunnen schuilen. Daarnaast moeten personen de gevaren herkennen, dan wel snel geïnformeerd worden over de gevaren en het handelingsperspectief. Ongeval tankwagen met een brandbaar tot vloeistof verdicht gas: Bleve. Er kan een warme of een koude BLEVE optreden door externe invloed op de tankwagen. Een koude BLEVE kan worden veroorzaakt door een beschadiging van de tank door een externe impact, bijvoorbeeld een botsing met een ander voertuig. Door de impact op de tankwagen scheurt de ladingtank open. Het gas (bv LPG) komt instantaan vrij en ontsteekt direct. Er ontstaat een vuurbal en een drukgolf. Een warme BLEVE word veroorzaakt doordat een brand de aanwezige druk in de tank doet oplopen. Hierdoor verzwakt en bezwijkt de tankwand. Het gas komt vrij en ontsteekt. Er ontstaat een vuurbal en drukgolf.
Effecten op het plangebied bij een BLEVE Het effect van een BLEVE is hittestraling, overdruk en scherfwerking. Het slachtofferbeeld wordt voornamelijk bepaald door de hittestraling en niet door de overdruk. Gebouwen kunnen bescherming bieden tegen de hittestraling. De hittestraling naar het plangebied zal, afhankelijk van de locatie van de calamiteit op de A67, plaatselijk tussen de 25 en 10 kW/m2 zijn. Hierdoor ontstaat een lichte schade aan gebouwen van het resomeercentrum, er ontstaan geen branden en is er afbladdering van verf en ernstige verkleuringen. Personen onbeschermd in de buitenlucht kunnen slachtoffer (eerstegraads brandwonden) worden. Optreden hulpverlening: bestrijdbaarheid De inzet van de brandweer is gericht op het voorkomen van een BLEVE (dreigende BLEVE = koelen/afschermen van de tank en indien mogelijk afblussen van de hittestralingsbron) of het redden en verlenen van eerste hulp aan slachtoffers en blussen van de in de omgeving ontstane branden nadat de BLEVE heeft plaatsgevonden. Voor het effectief bestrijden van een dreigende BLEVE is een bluswatercapaciteit nodig van in totaal 2 x 90 m3/uur. Zelfredzaamheid en handelingsperspectief bij een (dreigende BLEVE) Het handelingsperspectief bij een dreigende BLEVE op deze afstand is schuilen. De personen die zich in het plangebied begeven zijn overwegend zelfredzaam.
De personen die verblijven in het resomeercentrum en herdenkingspark zijn plaatselijk niet bekend, de personen die verblijven in de huisvesting zijn plaatselijk bekend. In de huisvesting zal sprake zijn van een diversiteit van talen naast het Nederlands.
Hulpverlening Bij de bereikbaarheid voor hulpverleningsdiensten wordt onderscheid gemaakt tussen de bereikbaarheid van de risicobron en het invloedsgebied (plangebied). Bereikbaarheid risicobron De A67, N271 en de Weselseweg zijn vanuit meerdere zijden bereikbaar. Hulpverleningsdiensten kunnen daardoor een incident ongeacht de windrichting veilig benaderen. Bereikbaarheid plangebied Het plangebied is vanaf de Hakkestraat en Hendrikkenhofstraat bereikbaar. Het plangebied is onafhankelijk van de locatie van een incident op de A67, N271 en de Weselseweg en de windrichting van meerdere zijden voldoende bereikbaar. Bluswatervoorzieningen Aan de A67 is onvoldoende bluswater aanwezig voor ongevalsbestrijding op de A67, aan de N271 en de Weselseweg is voldoende bluswater aanwezig. Bij een calamiteit in het noordelijk deel van het plangebied is aan de Hakkestraat voldoende bluswater aanwezig. In het zuidelijk deel van het plangebied (huisvesting) is geen bluswater aanwezig.
Zelfredzaamheid De zelfredzaamheid geeft aan in welke mate de aanwezigen in het effectgebied in staat zijn om zich op eigen kracht in veiligheid te brengen. De zelfredzaamheidstrategie bij een ramp of zwaar ongeval hangt onder meer af van het soort ongeval, het object waarin personen zich bevinden en de (verminderde) zelfredzaamheid van personen in het object of gebouw. Hierbij spelen onder meer de volgende afwegingscriteria een rol: Zelfstandigheid personen; Mobiliteit personen; Vermogen om gevaar in te schatten (o.a. afhankelijk van verstandelijk vermogen); Alarmeringsmogelijkheden; Vluchtmogelijkheden gebouw en gebied; Laat het ongeval zich tijdig aankondigen? Is de dreiging duidelijk herkenbaar? Maatregelen op het gebied van zelfredzaamheid vergroten de mogelijkheden voor de in het effectgebied aanwezige personen om zichzelf op eigen kracht in veiligheid te brengen. De bezoekers van het resumeercentrum en de bewoners van de huisvesting zijn als zelfredzaam aan te merken. Vanwege de bewoning vooral door arbeidsmigranten zal er sprake zijn van een taalbarrière. Onbekend is of de huisvestingsgebouwen voldoende luchtdicht zijn om als veilige schuilplaats te kunnen dienen bij een ongeval met toxische stoffen.
handelingsperspectief Toxisch scenario De zelfredzaamheidsstrategie bij het toxisch scenario is schuilen in een gebouw. De wijze van ventilatie en dichtheid van de gebouwen bepaald de mogelijkheid van schuilen in een gebouw. Bleve scenario De zelfredzaamheidstrategie voor het het BLEVE scenario is afhankelijk van de afstand ten opzichte van de risicobron. De afstand tot de A67 is tussen de 250 en 350 meter, de N271 is tussen de 200 en 325 meter. De zelfredzaamheidsstrategie zal zijn schuilen. Alarmeringsmogelijkheden NL-Alert is een alarmmiddel van de overheid voor alarmering via de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid gericht mensen met een tekstbericht informeren. NL-Alert is met name bedoeld voor noodsituaties. In het bericht staat wat er aan de hand is en wat men het beste kan doen. NLAlert werkt op basis van cell broadcast en niet met sms-berichten. Daardoor werkt NL-Alert óók als het netwerk overbelast is. NL-Alert wordt ingezet bij levens- of gezondheidsbedreigende situaties, zoals een grote brand waarbij giftige rook vrijkomt, bij explosiegevaar of bij een overstroming. Deze alarmering is in de Nederlandse taal en zal mogelijk tot verwarring kunnen leiden bij de huisvesting van arbeidsmigranten. Echter hierin kan een beheerder (24/7) in de communicatie veel betekenen.
Opkomsttijd In het Besluit Veiligheidsregio’s zijn opkomsttijden vastgesteld. Conform dit besluit geldt voor het resomeercentrum een opkomsttijd van 10 minuten (bijeenkomstfunctie) en de huisvesting voor arbeidsmigranten een opkomsttijd van maximaal 8 minuten (woon- of logiesfunctie). Gezien berekende opkomsttijden in de omgeving van het plangebied kan gesteld worden dat de opkomsttijd voor de brandweer binnen de normtijden is, er is geen overschrijding van de opkomsttijd van de brandweer.
Advies Voor de reguliere incidentbestrijding in het plangebied, denk aan medische hulpverlening of brandbestrijding, is het van belang dat het plangebied zodanig ingericht wordt dat de hulpdiensten kunnen optreden. Daarnaast kunnen er maatregelen getroffen worden om de effecten van een incident in de omgeving van het plangebied, zie voorgaande beschrijving, te beperken. Voor de duidelijkheid is er een splitsing gemaakt tussen het resomeercentrum met herdenkingspark en de huisvesting voor arbeidsmigranten. Resomeercentrum met herdenkingspark
Zorg voor ontvluchtingsmogelijkheden in verschillende richtingen, zowel uit het resomeercentrum als ook uit het herdenkingspark;
Zorg voor een mogelijkheid om bij de gebouwen in het plangebied de ventilatie bij natuurlijke ventilatie af te sluiten en bij mechanische ventilatievoorzieningen (luchtbehandelingsinstallatie) voor een goed bereikbare afschakelmogelijkheid, zodat deze tijdens een calamiteit uitgeschakeld kan worden. Situeer de inlaat van de mechanische ventilatie van de risicozijde af (met als doel beperking van binnendringen van gevaarlijke stoffen);
Zorg dat er voor hulpdiensten toegang tot het plangebied is vanuit meerdere zijden. Maak een verbinding tussen het herdenkingspark bij het resomeercentrum en de huisvesting van arbeidsmigranten. Voer deze zodanig uit dat deze voor hulpdiensten bruikbaar is (conform gemeentelijk beleid bluswater en bereikbaarheid). Ga voor mogelijkheden en uitvoering in overleg met de brandweer;
Zorg dat de ontsluiting (bijvoorbeeld een slagboom of een toegangspoort) zodanig is dat er geen belemmering is voor de hulpdiensten. De wijze van ontsluiting dient daarbij te voldoen aan de Intentieverklaring ‘vaste en dynamische wegafsluitingen Limburg Noord’. Ga voor de uitvoering in overleg met de brandweer;
Voor een effectieve bestrijding van een brand in het plangebied is een bluswatervoorziening nodig. Afhankelijk van het ontwerp van het resomeercentrum en situering van de toegang tot het gebouw kan primair worden volstaan met de bluswatervoorziening aan de Hakkestraat. Voor een secundaire bluswatervoorziening kan gekeken worden naar het aanwezige open water (vijvers). Advies is de bluswatervoorzieningen in overleg met de brandweer te bepalen;
Zorg dat de bezoekers van het plangebied op de hoogte zijn van de risico’s die op hen van toepassing zijn door toepassing van de risico communicatie. Deze communicatie moet begrijpbaar zijn en indien nodig in de taal van de desbetreffende bezoeker zijn;
Zorg dat er wordt voorzien in een calamiteitenplan voor het resomeercentrum. Neem in het calamiteitenplan ook de relevante (externe veiligheid) scenario’s en maatregelen mee. Zorg daarbij voor communicatie naar de bezoekers zowel in de gebouwen als ook in het herdenkingspark;
Huisvesting van arbeidsmigranten
Zorg voor ontvluchtingsmogelijkheden uit het plangebied in verschillende richtingen;
Zorg voor een mogelijkheid om bij de gebouwen de ventilatie bij natuurlijke ventilatie af te sluiten en bij mechanische ventilatievoorzieningen (bijvoorbeeld een wtw) voor een goed bereikbare afschakelmogelijkheid, zodat deze tijdens een calamiteit uitgeschakeld kan worden. Situeer de inlaat van de mechanische ventilatie van de risicozijde af (met als doel beperking van binnendringen van gevaarlijke stoffen);
Zorg dat er voor hulpdiensten toegang tot het plangebied is vanuit meerdere zijden. Maak een verbinding tussen de huisvesting van arbeidsmigranten en het herdenkingspark bij het resomeercentrum. Voer deze zodanig uit dat deze voor hulpdiensten bruikbaar is (conform gemeentelijk beleid bluswater en bereikbaarheid). Ga voor de mogelijkheden in overleg met de brandweer;
Zorg dat de ontsluiting (bijvoorbeeld een slagboom of een toegangspoort) zodanig is dat er geen belemmering is voor de hulpdiensten. De wijze van ontsluiting dient daarbij te voldoen aan de Intentieverklaring ‘vaste en dynamische wegafsluitingen Limburg Noord’. Ga voor de uitvoering in overleg met de brandweer;
Voor een effectieve bestrijding van een brand in het plangebied is een bluswatervoorziening nodig. In het plangebied van de huisvesting en het openbaar gebied is geen bluswatervoorziening aanwezig. Binnen dit deel van het plangebied zijn minimaal 2 bluswatervoorzieningen (bij voorbeeld brandkranen) met een capaciteit van minimaal 30 3 m /uur aan te leggen. Advies is deze voorzieningen in overleg met de brandweer te bepalen;
Zorg dat de bewoners van het plangebied op de hoogte zijn van de risico’s die op hen van toepassing zijn door toepassing van de risico communicatie. Deze communicatie moet begrijpbaar zijn en derhalve in de taal van de desbetreffende bewoner zijn;
Zorg dat er wordt voorzien in een beheerplan voor de huisvestingslocatie. Neem in het beheerplan een calamiteitenplan op met daarin ook de relevante (externe veiligheid) scenario’s en maatregelen. Zorg daarbij voor communicatie naar de personen in de bij die personen behorende taal;
Zorg voor regulier (maandelijks) onderhoud en controle van (brand)veiligheidsvoorzieningen in de huisvestingslocatie. Leg deze controles vast in een logboek.
Restrisico De beschouwde risicobronnen kunnen in relatie tot de plannen leiden tot ongevallen met grote gevolgen voor de omgeving die voor hulpverleningsdiensten lastig beheersbaar zijn. De geadviseerde maatregelen bevorderen de zelfredzaamheid in het plangebied en kunnen de effecten van ongevallen sterk reduceren tot een omvang die beter beheers- of bestrijdbaar wordt geacht door de hulpverleningsdiensten. In de bijgevoegde stukken zijn ontwerptekeningen met verschillende invullingen van het plangebied toegevoegd. Derhalve zijn bovenstaande punten algemeen beschreven. Graag geven we aan gemeente en initiatiefnemer toelichting op de bovenstaande genoemde punten en willen we verder inhoudelijke invulling geven bij de uitwerking van het plan. Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Voor nadere informatie kunt u contact opnemen met Frank Wulms, consulent proactie, telefoonnummer 088 - 11 90 628 of via f.wulms@vrln.nl.
Met vriendelijke groet,
Afdelingshoofd Hannie Baarends Baarends, Hannie
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING HAKKESSTRAAT (ONG.) TE VENLO
Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Hakkesstraat (ong.) te Venlo Opdrachtgever
Ger Driessen Advies Sint Jansweg 15 5928 RC Venlo
Rapportnummer Versienummer
12645.002 D2
Status
Eindrapportage
Datum
26 augustus 2021
Vestiging
Swalmen Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 088 - 5001600 swalmen@econsultancy.nl
Opsteller
Mevr. F.M.W.G. Kiggen
Paraaf
Kwaliteitscontrole
Mevrouw E. Schreurs, MSc
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 5
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 6
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 7 4.1 4.2 4.3 4.4
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN ................................ 10 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
6
Vogels ............................................................................................................................. 10 Vleermuizen.................................................................................................................... 12 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 12 Reptielen, amfibieën en vissen....................................................................................... 14 Ongewervelden............................................................................................................... 14 Vaatplanten..................................................................................................................... 15
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 16 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7
7
Zorgplicht .......................................................................................................................... 7 Soortenbescherming ........................................................................................................ 7 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 8 Houtopstanden ................................................................................................................. 9
Jaarrond beschermde broedvogels (categorie 1 t/m 3) ................................................. 16 Algemene broedvogels ................................................................................................... 16 Teunisbloempijlstaart...................................................................................................... 16 Grote vos ........................................................................................................................ 17 Eekhoorn ........................................................................................................................ 17 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................... 17 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 17
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 18 7.1 7.2
Natura 2000 .................................................................................................................... 18 Natuurnetwerk Nederland............................................................................................... 19
8
HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 21
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 22
Bijlage 1 Bijlage 2
toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 12645.002
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Ger Driessen Advies opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de Hakkesstraat (ong.) te Venlo. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herontwikkeling en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen.
Rapport 12645.002 versie D1
Pagina 1 van 24
2 2.1
GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie (± 3,5 ha) ligt aan de Hakkesstraat (ong.), binnen de bebouwede kom van Venlo. Volgens de topografische kaart van Nederland zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 210.140, Y = 378.235. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.
Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie (rood vlak).
Het plangebied bestaat uit twee deelgebieden, zie figuur 2. Deze deellocatie is gelijk aan die waarvoor in een eerder stadium van deze ontwikkeling reeds een quickscan is uitgevoerd door Faunaconsultancy (Faunaconsult, d.d. 23 januari 2020). Beide deelgebieden betreffen braakliggende terreinen. In het zuidelijk deelgebied bevinden zich enkele grond- en puindepots. Deze zijn afkomstig van de reeds gesloopte bebouwing en grondsanering. Daarnaast bevinden zich in het middendeel van deze locatie enkele trompetbomen en een bomenrij met paardenkastanjes. Deze bomen worden mogelijk bij de voornomen plannen gerooid. Aan de zuidoostzijde bevindt zich een houtsingel met onder meer zomereiken en een enkele Amerikaanse eik en ruwe berk. In het noordelijk deelgebied bevindt zich aan de noordzijde eveneens een houtsingel met onder meer vogelkers, zoete kers, berk, zomereik en es.
Rapport 12645.002 versie D1
Pagina 2 van 24
Ten noorden grenst het plangebied aan de openbare weg Hakkesstraat. Ten oosten grenst de locatie aan de Hendrikkenhofstraat met aanliggend bedrijven. Ten zuiden grenst de locatie aan een bedrijventerrein en ten oosten aan een klooster met bijbehorende siertuin en bossen. In de siertuin en aan de zijgevel van het klooster bevinden zich diverse vleermuiskasten. Het betreffen zomerpaarverblijfplaatsen en een viertal kraamkasten. Deze kasten zijn ter compensatie van de reeds uitgevoerde sloop van de bebouwing in het plangebied opgehangen. Tijdens het veldbezoek op 3 augustus zijn deze vleermuiskasten gecontroleerd op aanwezigheid van vleermuizen, middels een zaklamp. Hierbij zijn geen vleermuizen aangetroffen. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
Rapport 12645.002 versie D1
Pagina 3 van 24
Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie (wit omkaderd) en directe omgeving.
Figuur 3. Zuidelijk deelgebied, kijkrichting westelijk.
Rapport 12645.002 versie D1
Figuur 4. Zuidelijk deelgebied, kijkrichting noordwestelijk.
Figuur 5. Zuidelijk deelgebied, kijkrichting oostelijk.
Pagina 4 van 24
Figuur 6. Zuidelijk deelgebied, kijkrichting noordelijk.
2.2
Figuur 7. Noordelijk deelgebied, kijkrichting is oostelijk.
Figuur 8. Noordelijk deelgebied, kijkrichting is zuidelijk.
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen
De initiatiefnemer is voornemens een resomeercentrum te realiseren als ook 29 units voor huisvestiging van internationale werknemers (figuur 9). Mogelijk worden bij de realisatie van de voorgenomen plannen de aanwezige trompetbomen en bomenrij met kastanjebomen gerooid.
Figuur 9. Locatie en beoogde situatie (bron: bestemmingsplan Albertushof, IKL).
Rapport 12645.002 versie D1
Pagina 5 van 24
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 3 augustus 2021. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Limburg opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
Rapport 12645.002 versie D1
Pagina 6 van 24
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op:
het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.
De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1
Zorgplicht
Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2
Soortenbescherming
Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.
Rapport 12645.002 versie D1
Pagina 7 van 24
4.3
Gebiedenbescherming
Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1
Natura 2000
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).
Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit:
bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.
Rapport 12645.002 versie D1
Pagina 8 van 24
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.
De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.
Rapport 12645.002 versie D1
Pagina 9 van 24
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1
Vogels 5.1.1
Broedvogels (nesten jaarrond beschermd, categorie 1 t/m 3 soorten)
Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen de bebouwde kom kunnen dit nestlocaties zijn: huismus, huiszwaluw, grote gele kwikstaart, gierzwaluw, kerkuil, steenuil ransuil, torenvalk en slechtvalk. Van deze soorten kunnen nestlocaties van huismus, huiszwaluw, gierzwaluw, kerkuil en slechtvalk op voorhand worden uitgesloten. Deze soorten zijn afhankelijk van bebouwing voor nestlocaties, welke niet aanwezig is op de onderzoekslocatie. Bosuil Ter plaatse van het zuidelijk deelgebied bevindt zich op de rand van de onderzoeksgrens een bosuilen nestkast. Deze is tijdens het veldbezoek geïnspecteerd en zijn geen sporen van gebruik aangetroffen. Opgemerkt dient te worden dat deze bosuilenkast relatief laag hangt, ca. 2 meter vanaf het maaiveld, voor bosuilen. Overtreding ten aanzien van bosuil kan op basis van de quickscan worden uitgesloten. Grote gele kwikstaart De grote gele kwikstaart broedt en foerageert vrijwel uitsluitend aan de oevers van beken en rivieren, liefst met loofbos of loofbomen omzoomd. De soort broedt in bebouwd gebied en nestelt daar graag vlak bij stromend water in een nis in een muur of onder een brug of bij boomwortels in oevers (bron: Vogelbescherming).
Op en nabij de onderzoekslocatie is geen water aanwezig en zijn daarmee geen geschikte broedplaatsen aanwezig voor grote gele kwikstaart. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van grote gele kwikstaart kan op basis van de quickscan worden uitgesloten. Ransuil en torenvalk De ransuil en torenvalk maken gebruik van bomen om in oude kraaien- of eksternesten te broeden. De bomen in de houtsingel zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten. Deze zijn niet aangetroffen. Echter, het bos behorende bij het klooster bevindt zich op minder dan 75 meter verstoringsafstand van de voorgenomen plannen. Indien in deze bomen grote jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn, hetgeen op basis van de quickscan niet uit te sluiten is, is mogelijk sprake van een overtreding van de Wet natuurbescherming. Aanbevolen wordt om een nesteninspectie uit te voeren binnen de verstoringsafstand van 75 meter in de bladerloze periode. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de ransuil en torenvalk is daarom op voorhand niet uit te sluiten (hoofdstuk 6).
Rapport 12645.002 versie D1
Pagina 10 van 24
Steenuil De steenuil heeft een voorkeur voor cultuurlandschappen met allerlei landschapselementen die voor afwisseling zorgen. De steenuil broedt voornamelijk in soort specifieke nestkasten en incidenteel in boomholten. Tijdens het veldbezoek zijn geen geschikte boomholten, geen sporen (zoals braakballen en/of krijtsporen) en speciale nestkasten aangetroffen voor steenuilen. De aanwezigheid van een vaste roest- of voortplantingsplaats kan daarmee worden uitgesloten. Daarnaast biedt het plangebied weinig tot geen geschikt leefgebied voor de steenuil vanwege het ontbreken van open grasland en uitkijkposten voor de soort. 5.1.2
Categorie 4-soorten
In Limburg wordt onderscheid gemaakt tussen de vogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 3), en vogels waarvan voldoende functioneel leefgebied aanwezig moet blijven, de zogenaamde categorie 4-soorten. Deze vogels worden voldoende flexibel geacht om elders een nieuw nest te bouwen. Echter zijn ze wel dusdanig kwetsbaar dat de functionaliteit van hun leefgebied niet in het geding mag komen. Binnen een straal van 2 kilometer van de onderzoekslocatie zijn waarnemingen bekend van categorie 4-soorten als buizerd, oeverzwaluw, sperwer, spotvogel en zwarte specht. Vanwege de ligging en aard van de onderzoekslocatie zal geen essentieel leefgebied voor de buizerd, oeverzwaluw, sperwer en zwarte specht verloren gaan bij de voorgenomen realisatie. Deze soorten hebben hun leefgebied in uitgestrekte bossen afgewisseld met heide en boerenland, moerasbossen, boerenland met bosjes en houtwallen, duinvalleien met struweel, bosjes in steden. Het braakliggend terrein voldoet niet aan de eisen van deze soorten. Spotvogel De spotvogel heeft zijn leefgebied in open boerenland met erfbeplanting, dichte struikgewassen en singels. De onderzoekslocatie bevindt zich in de bebouwde kom en is gelegen aan de rand van industrieterrein. Daarnaast bevindt zich in de houtsingel weinig tot geen dichte struikgewassen.
Hierdoor biedt de onderzoekslocatie weinig tot geen geschikt leefgebied voor de spotvogel. De spotvogel zal eerder zijn leefgebied kiezen in de directe omgeving, bijvoorbeeld agrarische erfpercelen met dichte struwelen. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van categorie 4-soorten kan op basis van de quickscan worden uitgesloten.
Rapport 12645.002 versie D1
Pagina 11 van 24
5.1.3
Overige broedvogels
De bomen op de onderzoekslocatie kunnen nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals ekster, houtduif, zwarte roodstaart, zwarte mees en boomkruiper. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.2
Vleermuizen
Volgens het cursusdictaat “Vleermuizen en Planologie” (Limpens, H., & Regelink, J., 2017) is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, bosvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, watervleermuis, meervleermuis, franjestaart, ingekorven vleermuis, baardvleermuis en Brandt’s vleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen. Bij enkele bomen zijn (oude) spechtenholten aangetroffen. Echter, na een visuele inspectie bleken deze holten ongeschikt als vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen omdat ze niet diep genoeg ingerot zijn. Daarmee zijn verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen uit te sluiten. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Buiten de grenzen van het plangebied bevindt zich een bos (behorende bij kloostertuin), bomen en bebouwing. Eventuele verblijfplaatsen hierin ondervinden door de afstand tot de bouwlocatie en de aard van de ingreep, geen hinder van de ingreep op de onderzoekslocatie, mits geen toename plaatsvindt van nachtelijke verlichting op de aanwezige bomen.
Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het betreft siertuinen en grasvelden. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Door de herinrichting van de onderzoekslocatie worden geen vliegroutes verstoord gezien de houtsingel en de bomerrij met paardenkastanjes geen verbinding hebben met andere landschapselementen. 5.3
Overige zoogdieren
Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten.
Rapport 12645.002 versie D1
Pagina 12 van 24
5.3.1
Streng beschermde soorten
Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: bever, das, steenmarter en eekhoorn. Vaste rust- en/of verblijfplaatsen van de bever en das kunnen op voorhand worden uitgesloten. Bevers komen voor in gebieden waar land overgaat in water, zoals in moerassen, langs beken, rivieren en meren. De das heeft zijn leefgebied in allerlei soorten biotopen, met een voorkeur voor kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, heggen en houtwallen waar voldoende reliëf en schuilmogelijkheden zijn. De waarnemingen van de bever hebben betrekking op de oevers van de rivier “Maas” en nabij het ven “Venkoelen” gelegen in nationaal park “De Maasduinen”. De eerste en tevens laatste waarneming van de das is gedaan in het jaar 2015 en heeft betrekking op een bos circa 500 meter ten zuidwesten van de onderzoeklocatie, ten westen van de N271. Ter plaatse was destijds een in onbruik geraakte burcht waargenomen. Vanwege het ontbreken van sporen en geschikt habitat voor de das en bever op de onderzoekslocatie, kan op basis van de quickscan de aanwezigheid van de bever en das worden uitgesloten op de onderzoekslocatie. Steenmarter De onderzoekslocatie vormt een gering geschikt habitat voor de steenmarter.
Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes maar ook stenenstapels of takkenhopen, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of voortplantingsplaats door deze soort. Bij intensief gebruik van een locatie door deze soort zijn dergelijke sporen vrij eenvoudig aan te treffen. Gelet op het ontbreken ervan kan worden gesteld dat de onderzoekslocatie niet in gebruik is door de steenmarter. Eekhoorn De onderzoekslocatie vormt een gering geschikt habitat voor de eekhoorn. De hoge bomen op de onderzoekslocatie konden door het dichte bladerdek niet goed worden onderzocht op de aanwezigheid van eekhoornnesten. Indien de aanwezige bomen in de houtsingel tijdens de voorgenomen plannen worden gekapt, kunnen vaste rust- of voortplantingsplaats van eekhoorn worden aangetast (zie hoofdstuk 6). Overige streng beschermde soorten Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat kan het voorkomen ervan redelijkerwijs worden uitgesloten. 5.3.2
Licht beschermde soorten
De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als egel, konijn, mol, haas en verschillende muizensoorten. Tijdens het veldbezoek zijn diverse konijnenholen en konijnenkeutels waargenomen. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van konijnen worden vergraven (zie hoofdstuk 6).
Rapport 12645.002 versie D1
Pagina 13 van 24
5.4
Reptielen, amfibieën en vissen
Reptielen Volgens verspreidingsgegevens van RAVON (van Delft et al. 2015) en de verspreidingsgegevens van NDFF kunnen binnen een straal van 2 kilometer van de onderzoekslocatie de hazelworm, gladde slang, levendbarende hagedis, ringslang en de zandhagedis voorkomen. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren van streng beschermde reptielen. De hazelworm heeft een voorkeur voor vochtige, met dichte vegetatie bedekte gebieden zoals bos- en heideterreinen. De gladde slang en de levendbarende hagedis komen vooral voor op (droge) heideterreinen en hoogveengebieden. De zandhagedis is sterk gebonden aan duin- en heidegebieden. De ringslang is gebonden aan waterrijke habitats. Deze liggen veelal op zandgronden en op de overgangen van zandgrond naar veen- en kleigronden (bron: Ravon). De onderzoekslocatie biedt geen geschikt habitat voor reptielen. Amfibieën en vissen Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen een straal van twee kilometer rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 10 jaar de volgende soorten waargenomen: Alpenwatersalamander, kleine watersalamander, gewone pad, knoflookpad, boomkikker en bruine kikker.
Doordat wateroppervlakten als poelen, sloten en plassen op de onderzoekslocatie en in de directe nabijheid ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden voor amfibieën en het voorkomen van vissen op de onderzoekslocatie uitgesloten. De onderzoekslocatie vormt weinig geschikt landhabitat voor algemene amfibieënsoorten als bruine kikker en gewone pad. Op de onderzoekslocatie kunnen deze soorten beschutting vinden tussen de ruigtes (houtsingel) met begroeiing. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve gevolgen ontstaan voor algemene soorten (zie hoofdstuk 6). De waarnemingen van de streng beschermde alpenwatersalamander, knoflookpad en boomkikker hebben betrekking op de nabij gelegen ven “Venkoelen” die is gelegen op circa 1 kilometer in nationaal park “De Maasduinen” ten noorden van de onderzoekslocatie. 5.5
Ongewervelden
Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Tevens hebben libellen water nodig voor voortplanting, welke ontbreekt op de onderzoekslocatie waardoor dat deze soortgroep niet in staat is zich in de huidige situatie te vestigen. Vlinders Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan waardplanten. Volgens (verspreiding)gegevens van de NDFF zijn binnen een straal van twee kilometer de volgende beschermde vlinders waargenomen: teunisbloempijlstaart, grote weerschijnvlinder, kleine ijsvogelvlinder en grote vos. Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten als grote weerschijnvlinder (boswilg) en kleine ijsvogelvlinder (kamperfoelie) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van de grote vos en grote weerschijnvlinder.
Rapport 12645.002 versie D1
Pagina 14 van 24