047 Bijl02 Bp. Herontwikkeling bedrijventerrein Julianastraat te Tegelen; toelichting.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan Herontwikkeling bedrijventerrein Julianastraat te Tegelen Gemeente Venlo Ontwerp
Bestemmingsplan Herontwikkeling bedrijventerrein Julianastraat te Tegelen Gemeente Venlo Ontwerp
Rapportnummer:
P02994
IMRO-identificatienummer:
NL.IMRO.0983.BP202301BTJULIANA-ON01
Datum:
februari 2024
Opdrachtgever:
Gemeente Venlo
Projectteam BRO:
HLe, DEe, Jen, ROs
Concept:
1 februari 2023
Voorontwerp: Ontwerp:
november 2023
Vaststelling: Bron foto kaft:
BRO
Beknopte inhoud:
Bestemmingsplan voor de (her)ontwikkeling van een bedrijventerrein aan de Julianastraat te Tegelen
BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl
Toelichting
Inhoudsopgave
1
Inhoudsopgave 1.Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
4 4 5 6 7
2.Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie 2.3 Landschappelijke inpassing
8 8 9 10
3.Beleidskader 3.1 Rijksbeleid
13 13
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening 3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) 3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.1.5 Wet milieubeheer 3.2 Provinciaal beleid
13 14 15 15 16 17
3.2.1 Provinciale omgevingsvisie 2021 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 3.2.3 Omgevingsverordening 2021 3.3 Regionaal beleid
17 18 19 21
3.3.1 Visie bedrijventerreinen Noord-Limburg (2017) 3.4 Gemeentelijk beleid
21 22
3.4.1 Strategische Visie Venlo 2040 3.4.2 Ruimtelijke Structuurvisie Venlo 2014 3.4.3 Welstandsnota gemeente Venlo 3.4.4 Agenda Groen & Water
22 22 24 25
4.Omgevingsaspecten 4.1 Luchtkwaliteit 4.2 Geluid 4.3 Bodem
27 27 29 29
4.3.1 Algemeen 4.3.2 Onderzoek 4.3.3 Conclusie 4.4 Externe veiligheid
29 30 32 33
4.4.1 Toetsingskader 4.4.2 Quickscan externe veiligheid 4.5 Bedrijven en milieuzonering
33 34 37
Inhoudsopgave
1
4.5.1 Algemeen 4.5.2 Onderzoek 4.5.3 Conclusie 4.6 Water
37 38 39 39
4.6.1 Inleiding 4.6.2 Beleidskader 4.6.3 Kenmerken van het watersysteem 4.7 Ecologie
39 39 40 42
4.7.1 Inleiding 4.7.2 Onderzoek 4.7.3 Conclusie 4.8 Archeologie en cultuurhistorie
42 44 48 49
4.8.1 Archeologie 4.8.2 Cultuurhistorie 4.9 Verkeer en parkeren
49 51 52
4.9.1 Verkeer 4.9.2 Parkeren 4.9.3 Conclusie 4.10 Kabels, leidingen en nutsvoorzieningen 4.11 Vormvrije m.e.r.-beoordeling
52 53 53 53 53
5.Planstukken 5.1 Planonderdelen 5.2 Toelichting op de verbeelding 5.3 Toelichting op de planregels
55 55 55 55
5.3.1 Inleidende regels 5.3.2 Bestemmingsregels 5.3.3 Algemene regels 5.3.4 Overgangs- en slotregels
56 56 57 58
6.Handhaving
59
7.Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Economische uitvoerbaarheid
60 60
7.1.1 Kostenverhaal 7.1.2 Financiële uitvoerbaarheid 7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
60 61 61
7.2.1 Wettelijk (voor)overleg 7.2.2 Inspraak 7.2.3 Terinzagelegging
61 61 62
8.Procedure
Inhoudsopgave
63
2
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 2: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 3: Aanvullend bodemonderzoek Bijlage 4: Onderzoek externe veiligheid Bijlage 5: Quickscan flora en fauna Bijlage 6: Stikstofdepositieberekening Bijlage 7: Quickscan Bedrijven en milieuzonering Bijlage 8: Watertoets Bijlage 9: Advies veiligheidsregio Bijlage 10: Reactienota
Inhoudsopgave
3
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding Het voornemen bestaat om het bedrijventerrein aan de Julianastraat uit te breiden, met dien verstande dat planologisch reeds bedrijventerrein is toegestaan, maar de bedrijfs- en groenbestemming op een iets andere wijze gepositioneerd wordt. Daarnaast zal binnen het plangebied een wadi worden gerealiseerd. De betreffende percelen zijn kadastraal bekend als Tegelen, sectie B, nummers 5944, 5214 en een gedeelte van 5943 en 5215. Het plangebied heeft een omvang van ruim 1,3 ha. De locatie is bebouwd met bedrijven van verschillende categorieën. Aangezien het ruimtelijk initiatief voor de herontwikkeling van het bedrijventerrein niet past binnen het vigerende bestemmingsplan is onderhavig bestemmingsplan opgesteld. Dit bestemmingsplan biedt het benodigde juridisch-planologisch kader om de ontwikkeling van de locatie mogelijk te maken.
Uitsnede topografische kaart ligging plangebied rood omlijnd
Hoofdstuk 1
4
1.2 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen op het bedrijventerrein Kaldenkerkerweg – Emmaplein. De huidige Verbindingswegen N271 en de Rijksweg A73 delen het bedrijventerrein op in een westelijke en oostelijk deel. Het westelijke deel ligt ingeklemd tussen de Kaldenkerkerweg, de Verbindingsweg en het spoor Venlo-Roermond. De Kaldenkerkerweg, Ulingsheide, de bossen van de Jammerdaalse heide, de A74 en de Verbindingsweg begrenzen het oostelijke deel van het plangebied.
Uitsnede luchtfoto ligging plangebied rood omlijnd
In het westelijke deel zijn naast de hoofdfunctie bedrijvigheid tevens enkele woningen aan de Nassaustraat gelegen. Ook is er aan de Broekveldweg een woonwagenlocatie aanwezig. Overige functies in het gebied zijn de voormalige agrarische gronden aan de noordzijde, die nu in gebruik zijn als grasland/paardenwei, de groengebiedjes aan de Verbindingsweg en de grootschalige detailhandel en het horecapand aan de Kaldenkerkerweg.
Hoofdstuk 1
5
Ook aan de oostzijde van de A73 liggen groengebieden op de steilrand van de Jammerdaalse heide. In dit groengebied staat ook de monumentale watertoren. Ter plaatse is tevens een kleidepot ingericht van Monier (Lafarge). Voor het overige is ook aan de oostzijde de hoofdfunctie bedrijvigheid. Aan de Kaldenkerkerweg staan ook enkele woningen. Meer specifiek is het onderhavige plangebied gelegen in het westelijke deel tussen de Nassaustraat, Julianastraat en de Steilrandweg (N271).
1.3 Vigerend bestemmingsplan Op de planlocatie vigeert het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Kaldenkerkerweg - Emmaplein’, vastgesteld op 8 april 2013. Een groot deel van het thans onbebouwde gedeelte is bestemd als ‘Bedrijventerrein’. Ter plaatse zijn bedrijven toegelaten tot maximaal de milieucategorie 2. Binnen deze bestemming is een ruim bouwvlak opgenomen, waarbinnen tot maximaal 80 % van het bouwperceel mag worden gebouwd.
Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Kaldenkerkerweg - Emmaplein' ligging plangebied rood omlijnd
Hoofdstuk 1
6
Langs de Steilrandzone is een groenstrook gelegen die ingevolge voornoemd bestemmingsplan bestemd is als ‘Groen’. Binnen deze bestemming mogen geen bedrijven worden gerealiseerd. Het voornemen bestaat om de groenstrook te betrekken bij het bedrijventerrein en ook als zodanig te bestemmen, een en ander om aan de zijde van de Julianastraat tot een betere verkaveling te kunnen komen. Het groen wordt vervolgens gecompenseerd aan de zuidwestpunt ter hoogte van de Nassaustraat en ter plaatse wordt dan ook de bestemming ‘Groen’ toegekend. Aan de zijde van de Julianastraat wordt bedrijvigheid tot en met milieucategorie 3.2 mogelijk gemaakt. Daarnaast geldt voor een klein (zuidelijk) gedeelte van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Aan de zuidelijke zijde is voor een klein gedeelte de dubbelbestemming ‘Leiding - Gas’ opgenomen. Tot slot geldt er een gebiedsaanduiding, te weten gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone - weg’. De beoogde herontwikkeling is binnen de kaders van het vigerend bestemmingplan niet toegestaan.
1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de bestaande situatie, het gebiedsprofiel en de stedenbouwkundige en ruimtelijke effecten. In hoofdstuk 3 volgen de uitgangspunten uit het rijks-,provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid, die betrekking hebben op onderhavige locatie. In hoofdstuk 4 volgt de toetsing van de milieu- en overige onderzoeksaspecten op de locatie. In hoofdstuk 5 worden de planstukken beschreven. Hoofdstuk 6 gaat in op de handhaving en hoofdstuk 7 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Tot slot wordt in hoofdstuk 8 de procedure beschreven.
Hoofdstuk 1
7
2.
PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie Het plangebied is gelegen tussen de Nassaustraat, de Julianastraat en de Steilrandweg in de kern Tegelen. Het plangebied ligt op het bedrijventerrein Kaldenkerkerweg - Emmaplein ten oosten van Tegelen. In de huidige situatie zijn er binnen het plangebied bedrijfsgronden en groenvoorzieningen aanwezig. Op het westelijke deel aan de Nassaustraat is een carwash gevestigd. Zuidelijk daarvan is het plangebied ingericht als een groenvoorziening met hoge bomen en enkele paden. De groenvoorziening loopt verder in noordoostelijke richting evenwijdig aan de Steilrandweg (N271). Noordelijk aan de Julianastraat is een braakliggend stuk grond gelegen.
Uitsnede luchtfoto gebied huidige situatie plangebied aangegeven met rode marker
Aan de oostzijde van het plangebied ligt de snelweg de A73. Aan de noordzijde van het plangebied zijn bedrijven gelegen. Ten zuidwesten van het plangebied zijn enkele woningen gelegen behorende
Hoofdstuk 2
8
bij het plangebied ‘Doolhof’. Ten westen van het plangebied ligt de kern van Tegelen. De beoogde locatie voor de herontwikkeling van het bedrijventerrein heeft voor een groot deel reeds de bestemming ‘bedrijventerrein’.
Foto huidige situatie vanaf de Nassaustraat-Steilrandweg (Google maps: september 2021)
Aan de oostzijde van de A73 is het oostelijk deel van het bedrijventerrein ‘Kaldenkerkerweg – Emmaplein’ gelegen. Aan de Kaldenkerkerweg, de Nassaustraat en het spoor liggen de grootste en oudste bedrijven, zoals de langgerekte loodsen van Wienerberger ten behoeve van de vervaardiging en opslag van dakpannen en andere grootschalige bedrijfspanden van diverse andere bedrijven. Tussen de Nassaustraat, Julianastraat en de Steilrandweg is de bedrijvigheid kleinschaliger van aard. Op dit deel is een enkele bedrijfswoning gelegen en tegen het spoor aan is een kleine woonwagenlocatie gerealiseerd. Aan de Kaldenkerkerweg en de Nassaustraat zijn een aantal burgerwoningen gelegen.
2.2 Toekomstige situatie Onderhavig planvoornemen betreft de herindeling van een reeds bestaand bedrijventerrein. De bestemming ‘Bedrijventerrein’ wordt aan oostzijde richting de Steilrandweg uitgebreid, zodat vanuit de Julianastraat tot een betere verkaveling kan worden gekomen. Het groen wordt gecompenseerd aan de zuidwestzijde van het plangebied tussen de Nassaustraat, de Steilrandweg en de rotonde aan het Emmaplein. Op de volgende pagina is een overzichtstekening opgenomen.
Hoofdstuk 2
9
Situatieschets toekomstige indeling plangebied (aangeleverd door opdrachtgever)
Het blauw gearceerde deel met een omvang van 3.495 m2 is reeds in gebruikgenomen door de Carwash. Dit was mogelijk op grond van het vigerende bestemmingsplan. Aan de zuidzjide (achterzijde) van de Carwash ligt een reststrook. Aan de oostzijde van de Carwash is ruimte voor één of twee bedrijfskavels die kunnen worden ontsloten via de Julianastraat. Ter plaatse is beoogd bedrijvigheid tot en met milieucategorie 3.2 mogelijk te maken. Er wordt ingestoken op gasloos verbruik. Het bedrijfsgebouw en de terreininrichting dragen bij aan een ruimtelijke kwalitatieve afronding van het bedrijventerrein en een krachtige entree naar het bedrijventerrein. Het perceel is gelegen in ‘bijzonder’ welstandsgebied. Het bijbehorende beleid is gericht op versterking van de herkenbaarheid en doorontwikkeling van deze structurerende ringweg (verbindingsweg) om Tegelen. Stedelijke ontwikkelingen, zoals het oprichten van een bedrijfsgebouw, kunnen bijdragen aan de ontwikkeling tot een stadsweg met uitstraling. Daanaast is de locatie een zichtlocatie vanaf de A73.
2.3 Landschappelijke inpassing Bij het toestaan van een ruimtelijke ontwikkeling is het van belang dat alle ruimtelijke waarden worden meegewogen. Om de planontwikkeling mogelijk te maken zijn een aantal inrichtingsmaatregelen voorgesteld die op basis van het planvoornemen, de beleidskaders en kennis van het landschap en
Hoofdstuk 2
10
locatie zijn vormgegeven. Nevenstaande schets illustreert de voorgestelde maatregelen, gevolgd door een argumentatie. Het LIP inclusief de compensatie, zijn voorwaardelijk in de planregels geborgd. Het plangebied ligt als het ware ingekapseld door de Steilrandweg, hierdoor is het plangebied vanuit het zuidoosten niet tot nauwelijks zichtbaar. Aangezien de huidige beplanting ter plaatse zal worden verwijderd t.b.v. de nieuwe bedrijfskavel(s), is het voorstel een nieuwe bomenrij aan te planten. Hiermee ontstaat er een strakke begrenzing/ritme aan de oostzijde van het bedrijventerrein. Door te kiezen voor een zuilvormige boom blijft deze groenstrook transparant, waarmee de beeldkwaliteit van de nieuw te vestigen bedrijven gewaarborgd blijft. Ook zijn deze bomen in hun kroonprojectie niet al te groot, waardoor er voldoende ruimte over blijft tussen kroon en gevel. Daarnaast staat het behoud van het huidige groen aan de zuidkant centraal. Ook het onderhoudspad langs de watergang blijft gevrijwaard. Aan de zuidzijde van de carwash is er de mogelijkheid het groen uit te breiden met struiken en bomen. Hiermee wordt er aan gesloten op de meer natuurlijke uitstraling van het reeds aanwezige groen. Daarnaast kan er binnen het inpassingsplan worden voldaan aan de heraanplant (compensatie) van 17 bomen. Concreet zijn de volgende ingrepen voorgesteld: 1. Aanplant 14 zuilbomen; 2.
Aanplant struweel en boomvormers; 3. Behoud bestaand groen; 4. Verwijderen bestaand groen.
Hoofdstuk 2
11
Landschappelijke inpassing
Hoofdstuk 2
12
3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 heeft het Rijk vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI omvat een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio’s; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes.
Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. De nationale overheid richt zich in de NOVI op 21 verschillende nationale belangen: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving;
Hoofdstuk 3
13
9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. Beperken van klimaatverandering; 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuurvoor water en mobiliteit); 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie; 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij. Afweging Voor het planvoornemen zijn met name de prioriteiten ‘duurzaam economisch groeipotentieel’ en ‘sterke en gezonde steden en regio’s’ van belang.
De realisatie van het bedrijventerrein, aansluitend op de bestaande bedrijfsbestemmingen en gelegen op gronden die conform het vigerend bestemmingsplan reeds bestemd zijn voor bedrijvigheid. De ontwikkeling sluit dan ook aan bij deze prioriteiten. Voor het overige is sprake van een kleinschalige en lokale ontwikkeling, waarbij geen nationale belangen uit de NOVI in het geding zijn. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden en in de jaren daarna hebben nog diverse wijzigingen plaatsgevonden. In de AMvB Ruimte zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen.
De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Hoofdwegen en landelijke spoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Natuurnetwerk Nederland, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament, IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde en Ruimtereservering parallelle Kaagbaan.
Hoofdstuk 3
14
Afweging Het Barro heeft voor de genoemde onderwerpen en gezien de aard en kleinschaligheid van het plan, geen gevolgen voor het planvoornemen. 3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) De Rarro is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen en objecten, hoofdwegen en Nationaal Natuurnetwerk-gebieden worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In het Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. Op dit bestemmingsplan zijn geen belangen uit de Rarro van toepassing. 3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat de gemeente verplicht moet toepassen bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt.
In artikel 1.1.1 Bro is gedefinieerd wat een nieuwe stedelijke ontwikkeling is: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie blijkt dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn1. Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voor het bedrijfsgebouw geldt dat vanaf 500 m 2 sprake is van een stedelijke ontwikkeling.
In relatie tot onderhavige ontwikkeling geldt dat er ongeveer 2.673 m2 aan voormalig bedrijventerrein een herbestemming krijgt als Groen (zuidelijke gedeelte aan de Nassaustraat). De strook groen langs de snelweg die een herbestemming krijgt tot bedrijventerrein is circa 2.678 m2. Er is dus ongeveer 1
O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).
Hoofdstuk 3
15
een netto toevoeging van 5 m2 aan bedrijventerrein. Een ladderonderbouwing is voor het planvoornemen dan ook niet vereist. Conclusie Het aantonen van de behoefte door middel van een ladder-onderbouwing wordt in het onderhavige geval niet noodzakelijk geacht. 3.1.5 Wet milieubeheer In artikel 7.2, lid 1 van de Wet milieubeheer is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen: a) die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu; b) ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In lid 2 van hetzelfde artikel zijn als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In artikel 2, lid 5, aanhef en onder b.
van het Besluit milieueffectrapportage, is vastgelegd dat de m.e.r.-beoordelingsplicht ook geldt voor plannen die weliswaar vallen onder een van de in onderdeel D genoemde activiteiten maar waarbij het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D, indien: 'op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben'. Afweging De afweging met betrekking tot de m.e.r.-(beoordelings)plichtigheid van dit bestemmingsplan is opgenomen in paragraaf 4.11.
Hoofdstuk 3
16
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Provinciale omgevingsvisie 2021 Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg is op 1 oktober 2021 vastgesteld door Provinciale Staten en op 25 oktober 2021 in werking getreden. Deze POVI vervangt het ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014).’ De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. Daarnaast is reeds een omgevingsverordening vastgesteld op 17 december 2021 om het beleid juridisch te verankeren. Deze wordt verder behandeld onder paragraaf 3.2.3. De inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening is gelijk aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Tot die tijd blijft de huidige Omgevingsverordening van kracht. Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijk- als in het bebouwde gebied; Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); Klimaatadaptatie en energietransitie.
Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt daarnaast een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Het thema dat in het kader van onderhavig geval hoofdzakelijk van toepassing is betreft het aspect ‘Werklocaties’. Werklocaties Voor de vestiging of uitbreiding van bedrijven is geschikte huisvesting en ruimte noodzakelijk. Dat kan in Limburg een probleem zijn. Soms is er onvoldoende beschikbare ruimte, of voldoet de ruimte niet
Hoofdstuk 3
17
aan de eisen van de gebruikers. Die eisen kunnen bovendien in de toekomst veranderen door digitalisering, verduurzaming, globalisering of robotisering van bedrijfsprocessen. In Noord-Limburg ontstaat druk op grootschalige kavels die met name gebruikt worden door logistieke bedrijven die de corridor van Rotterdam/Antwerpen naar het Ruhrgebied willen benutten. Dit vraagt om het maken van keuzes, ook omdat niet alle logistieke bedrijven evenveel toegevoegde waarde leveren aan de economische structuur. Er is een behoorlijke voorraad aan bedrijventerreinen: ruim 800 ha (11%) is nog beschikbaar. Op de reeds uitgegeven oppervlakte (6.500 ha) zijn ruim 11.000 bedrijfsvestigingen met bijna 220.000 werkzame personen actief. Uitgaand van de situatie op 31 december 2019 en het meerjarig gemiddelde uitgiftepatroon is deze voorraad toereikend voor zo’n 7 tot 10 jaar. Afhankelijk van de vraagontwikkeling kunnen zich echter knelpunten voordoen in soort en kwaliteit van terrein dat nodig is. Vanuit financieel en economisch oogpunt kan het aantrekkelijk zijn om nieuwe gronden te ontwikkelen. Vanuit het oogpunt van circulariteit van bestaande bedrijfsgebouwen en optimaal ruimtegebruik is dat niet altijd de beste keuze. Multifunctioneel ruimtegebruik en herstructurering bieden hier kansen. De kwaliteit van Limburgse bedrijventerreinen is niet overal voldoende.
Het gevolg is dat verouderde bedrijventerreinen leegstaande plekken en panden bevatten. In sommige gevallen leidt dit tot verloedering en criminele activiteiten. Afweging De voorliggende ontwikkeling voorziet in de herontwikkeling van een reeds bestaand bedrijventerrein. Vestiging van het bedrijf in het plangebied is daardoor een passende nieuwe invulling voor het plangebied en in lijn met zorgvuldig ruimtegebruik. Het initiatief past hiermee binnen de Provinciale Omgevingsvisie. 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 ook de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van het POL2014 juridische binding te geven. Na de vaststelling van de Provinciale Omgevingsvisie (POVI) Limburg is een nieuwe Provinciale omgevingsverordening verder uitgewerkt. De inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening is gelijk aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Tot die tijd blijft de huidige Omgevingsverordening van kracht. De Omgevingsverordening 2021 wordt verder behandeld onder paragraaf 3.2.3. Ontwerp wijzigingsverordening Omgevingsverordening Limburg 2014 (samenhang OVL2021) Omdat de Omgevingswet inmiddels is uitgesteld, zijn ten behoeve van enkele onderdelen ontwerp wijzigingsverordeningen ter inzage gelegd. Voor wat betreft bedrijventerreinen is het volgende opgenomen:
Hoofdstuk 3
18
‘De vraag naar (grootschalige) bedrijfsruimte neemt toe. Ook is er een tendens van verdergaande schaalvergroting, hetgeen impact heeft op de (kwaliteit van de) omgeving en het landschap. Tegelijkertijd vragen ontwikkelingen op het gebied van natuur, energie, mobiliteit, klimaatadaptatie en woningbouw om (meer) ruimte. Een en ander vereist een weloverwogen en integrale keuzen ten aanzien van de ruimte die we voor bedrijvigheid willen en kunnen faciliteren (zorgvuldig ruimtegebruik). Daarom heeft de provincie ervoor gekozen om de bedrijfskavelgrootte te maximeren tot 5 hectare. Deze maximale kavelomvang geldt niet alleen voor nieuwe bedrijfsvestigingen op bedrijventerreinen, maar ook voor solitaire bedrijfsvestigingen daarbuiten, bijvoorbeeld in het buitengebied.’ Afweging Uit de kaarten behorende bij de ‘Omgevingsverordening Limburg 2014’ blijkt dat de locatie is gelegen in het beschermingsgebied ‘Boringsvrije zone Venloschol’. Het voornemen tot het maken van een boorput, het aanleggen van een bodemenergiesysteem of het roeren van grond in de Venloschol in gronden beneden 5 meter NAP dient vier weken tevoren schriftelijk te worden gemeld aan gedeputeerde staten. Binnen het plangebied zullen geen diepe grondwaterboringen plaatsvinden.
De ligging binnen deze zone vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling aangezien geen diepe grondboringen of grondwateronttrekkingen voorzien zijn. Het onderhavige bedrijventerrein heeft een omvang van ruim 1,3 ha dat opgedeeld wordt in meerdere bedrijfskavels. Deze ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de ontwerp wijzigingsverordening. De onderhavige ontwikkeling voldoet resumerend dan ook aan het Provinciale beleid. 3.2.3 Omgevingsverordening 2021 Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Op 17 december 2021 heeft Provinciale Staten de nieuwe Omgevingsverordening Limburg (2021) vastgesteld. De inwerkingtreding is voorzien gelijktijdig met de inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingswet. Hoewel de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers. Volgens de kaart ‘Wonen, werken en recreëren’ ligt het plangebied binnen het gebied ‘Bedrijventerreinen’.
Hoofdstuk 3
19
Uitsnede kaart 'Wonen, werken en recreëren' van de Omgevingsverordening 2021 plangebied rood omlijnd
Conform artikel 12.5 van de omgevingsverordening dient de motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de toevoegings- en vestigingsmogelijkheden van bedrijventerreinen het volgende te beschrijven: “Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg laat de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen aan de bestaande voorraad of planvoorraad bedrijventerreinen alleen toe, als dat in overeenstemming is met de Limburgse principes en hoofdstukken 3 (Algemene zonering), 8 (Economie) en 9 (Werklocaties) van de provinciale omgevingsvisie, de regionale visie Bedrijventerreinen Noord-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Noord-Limburg”. Afweging In het voorliggende geval is enkel sprake van een beperkte uitbreiding van vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen aan de bestaande voorraad bedrijventerreinen. De beoogde ontwikkeling omvat gronden die conform het vigerend bestemmingsplan reeds bestemd zijn voor bedrijvigheid en bin-
Hoofdstuk 3
20
nen de structuurvisie reeds zijn aangemerkt als bedrijventerrein (waarbinnen een mix met bedrijvigheid tot milieucategorie 4 voorzien is). Er is enkel sprake van een beperkte toevoeging van het bedrijventerrein. De ontwikkeling is dan ook in overeenstemming met de uitgangspunten van de omgevingsverordening 2021. Daarnaast is er in deze onderbouwing in voldoende mate rekening gehouden met de in artikel 12 van de omgevingsverordening opgenomen instructieregels. Zoals volgt uit de paragraaf ‘Provinciale omgevingsvisie Limburg (POVI)’ past deze ontwikkeling binnen de POVI Limburg. Ook is de ontwikkeling in lijn met de ‘Regionale visie bedrijventerreinen Noord-Limburg 2017’ welke wordt behandeld onder paragraaf 3.3.1.
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Visie bedrijventerreinen Noord-Limburg (2017) De regionale visie bedrijventerreinen vormt de nadere uitwerking van het onderwerp werklocaties, opgenomen in de POVI. In de visie worden de ambities, opgaven en principes benoemd, waaronder: De ruimtevraag van bestaande bedrijvigheid dient gefaciliteerd te worden; Nieuw ondernemerschap (starters) wordt gestimuleerd; Er wordt ruimte geboden aan nieuwe bedrijvigheid van buiten de regio op regionale bedrijventerreinen; De kwaliteit van bedrijventerreinen wordt behouden en waar nodig verbeterd door middel van herstructurering en transformatie van bedrijventerreinen (waar noodzakelijk); Ruimtevraag wordt in eerste instantie gefaciliteerd op bestaande terreinen. Voor de ruimtevraag van bestaande bedrijven wordt geprobeerd om deze op het huidig kavel op te vangen (intensiveren). De leegstand dient rond het frictieniveau te liggen. Nieuwe ontwikkelingen mogen niet leiden tot een vergroting van de leegstand. Verder wordt aangegeven dat: Wanneer nieuwe plannen voldoen aan de kwalitatieve vraag van het bedrijfsleven en op een juiste locatie zijn gelegen voor de regio, worden de plannen als een goede toevoeging gezien en kunnen ze tot ontwikkeling komen. De focus voor de regio is gericht op het bestaande bedrijfsleven.
Voor de regio is het van belang dat deze bestaande bedrijvigheid zo snel en goed mogelijk op te vangen, zodat het percentage van verplaatsingen naar buiten de regio zo klein mogelijk wordt. In het kader van intensivering hoeft een beperkte uitbreiding van het huidig kavel (<10%) niet te worden verrekend in het dynamisch voorraadbeheer. Een startend bedrijf moet in zijn eigen gemeente een plek kunnen vinden. Een eerste volgende stap in hun groeiproces moet ook opgevangen kunnen worden in de eigen gemeente.
Hoofdstuk 3
21
Afweging De beoogde ontwikkeling is getoetst aan de regionale visie bedrijventerrein en is in overeenstemming met het uitgangspunt dat eerst bekeken wordt of intensivering op kavelniveau mogelijk is. In het voorliggende geval zijn de gronden binnen het plangebied conform het vigerend bestemmingsplan reeds bestemd voor bedrijvigheid. Derhalve vindt er feitelijk géén uitbreiding van een bedrijventerrein plaats. Deze ontwikkeling heeft derhalve geen invloed op het dynamisch voorraadbeheer. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen de beleidsdoelen uit de Visie bedrijventerreinen Noord Limburg.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Strategische Visie Venlo 2040 Met de Strategische Visie Venlo 2040 heeft de gemeente Venlo het strategische perspectief, geschetst in de visie van 2030, bijgesteld. In de Strategische Visie Venlo 2040 zijn er vier hoofdlijnen waar de gemeente zich op richt: Ruimte voor ontwikkeling; Werken in Venlo. Voor wat betreft onderhavige ontwikkeling zal voornamelijk ‘Werken in Venlo’ van belang zijn. Het streven is om het economisch fundament uit te breiden ondanks de sterke basis die er al ligt mede vanwege de maakindustrie, logistiek en agribusiness lag. Meer economie en minder beroepsbevolking biedt ook kansen voor diegenen die in het verleden minder gemakkelijk aan betaald werk konden komen. De gemeente wil de bewoners dan ook zoveel mogelijk kansen bieden op betaald werk, passend bij de mogelijkheden van zowel werkgever als werknemer. Afweging Het voorliggend initiatief draagt bij aan de verdere ontwikkeling van het aanbod in werkgelegenheid in de regio en versterking van het economisch fundament. De ontwikkeling vindt daarbij plaats op gronden, welke reeds zijn voorzien van een bedrijfsbestemming. De voorliggende ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de Strategische Visie Venlo 2040. 3.4.2 Ruimtelijke Structuurvisie Venlo 2014 Op 25 juni 2014 heeft de gemeenteraad van Venlo de “Ruimtelijke Structuurvisie Venlo” vastgesteld.
In de structuurvisie staat de hoofdlijn van het ruimtelijk beleid voor de gemeente Venlo beschreven. Hieruit is af te leiden wat er de komende jaren op ruimtelijk gebied wel en niet mogelijk is. De structuurvisie geldt voor het hele grondgebied van de gemeente Venlo, met uitzondering van Klavertje 4, Klein Vink en Laerbroeck. Voor deze gebieden bestaan aparte structuurvisies. De ruimtelijke structuurvisie is verdeeld in vijf thema’s, de zogenaamde “majeure opgaven”. Daarnaast zijn er drie aandachtspunten geformuleerd die op elke ruimtelijke beslissing van toepassing zijn, de “basisprincipes”. De majeure opgaven zijn als volgt:
Hoofdstuk 3
22
1. Drukte in het ommeland: het contrast tussen buitengebied en stedelijk gebied verscherpen door het buitengebied ook daadwerkelijk als buitengebied te behandelen. Dit betekent het combineren van meerdere functies, zoals landbouw, recreatie, waterberging en natuurontwikkeling. 2. Ruimte in de stad: het contrast tussen buitengebied en stedelijk gebied door de beschikbare ruimte in bestaand stedelijk gebied maximaal te benutten. 3. Leven met de Maas: ruimte geven aan de rivier en haar beken om te anticiperen op klimaatverandering. 4. Voorzieningen op maat: zorgen voor vitale en toekomstbestendige voorzieningenclusters die aansluiten bij de reële behoefte van de samenleving. 5. Robuuste structuren: werken aan een weerbare infrastructuur voor personen- en goederenvervoer. Daarnaast vraagt het gebruik van de ondergrond en het opwekken van schone energie steeds meer aandacht. Naast deze majeure opgaven wordt er uitgegaan van drie basisprincipes/aandachtspunten die van toepassing zijn op elk ruimtelijk initiatief. Dit betekent concreet dat een initiatief als kansrijker wordt beschouwd als: het de uitgangspunten van Cradle to Cradle (C2C) als vertrekpunt hanteert; de vraag wordt gesteld wat het betrekken van (Duitse) regiogemeenten kan betekenen; het zelf georganiseerd draagvlak geniet. Het contrast tussen het stedelijk gebied en het buitengebied wordt kleiner.
En dat is jammer, omdat dit een minder afwisselende en daardoor minder aantrekkelijke gemeente oplevert. Steden, dorpen en het buitengebied hebben ieder hun specifieke kwaliteiten. Om die kwaliteiten nog beter tot hun recht te laten komen, wordt het contrast tussen steden, dorpen en het buitengebied de komende jaren versterkt. Het bestaande bebouwde gebied in de stad en de dorpen biedt ruim voldoende capaciteit voor toekomstige stedelijke functies. Het buitengebied wordt - in tegenstelling tot vroeger - steeds meer gebruikt voor typische 'buitengebied-activiteiten', zoals toerisme en recreatie en landbouw. De gemeente wil het contrast tussen stedelijk gebied en het buitengebied verder vergroten door de specifieke kwaliteiten van zowel de stad als het land te benadrukken. Stad en land moeten elkaar aanvullen in plaats van in elkaar over te gaan. De uitbreidingsruimte van het stedelijk weefsel van stad en dorpen is begrensd door er een 'contour' omheen te trekken. Hierbuiten worden in principe geen stedelijke functies meer toegestaan. De contouren vormen de overgangen tussen het stedelijk gebied en het buitengebied. Deze contouren zijn geen 'lijntje' op de kaart, maar stadsrandzones waarin de overgang van bebouwd gebied naar het (open) landschap wordt vormgegeven. Op veel plekken rondom het stedelijk gebied is er sprake van een logische begrenzing.
Indien de cultuurhistorische kwaliteiten van een gebied een verdere verdichting van het landschap niet toelaten of verdragen, zijn deze gebieden buiten de contour gelaten.
Hoofdstuk 3
23
In het stedelijk gebied wordt gestreefd naar maximale benutting van de bestaande beschikbare ruimte, niet om een uitbreiding daarvan. In het stedelijk gebied is door tijdelijk gebruik, hergebruik, multifunctioneel gebruik en slim slopen nog voldoende ruimte aanwezig om nieuwe initiatieven een plaats te geven. Liever wil men bestaande woningen of gebieden aanpassen, dan dat er wordt uitgebreid. Afweging In het stedelijk gebied streeft de gemeente Venlo naar maximale benutting van de bestaande beschikbare ruimte, niet om een uitbreiding daarvan. Ruimtes die weinig gebruikt worden, kunnen intensiever gebruikt worden, verouderde en verloederende (bedrijven)terreinen kunnen worden opgewaardeerd en ‘rotte plekken’ kunnen worden aangepakt. Conform de structuurvisie is het plangebied gelegen binnen de ‘contour stedelijk / dorpsgebied’, waardoor de herontwikkeling van het bedrijventerrein aansluit bij het benutten van de reeds beschikbare ruimte in bestaand stedelijk gebied. Daarnaast is het plangebied aangeduid als ‘kwelzone (buiten het rivierbed)’. Binnen deze gebieden ligt het aandachtspunt bij waterhuishoudkundige maatregelen en hoge ecologische en waterhuishoudkundige waarden. Het beoogde initiatief is verder dan ook in lijn met de uitgangspunten uit de Ruimtelijke Structuurvisie Venlo.
3.4.3 Welstandsnota gemeente Venlo Onderhavig planvoornemen valt binnen welstandsniveau ‘bijzonder’. Gezien het belang van een goede uitstraling van de stad is het beleid gericht op een groen en aantrekkelijk beeld langs de autoweg met een herkenbare en krachtige uitstraling bij de ‘Poorten tot te stad’. De opgave is om de betonnen geluidschermen te combineren met een groene uitstraling van planten. Bij de stadpoorten Eindhovenseweg en Tegelseweg-Zuiderbrug is het de opgave om de herkenbaarheid en karakteristiek van de plek te vergroten ondanks de geluidsschermen. Bij de Steilrandweg - parallel lopend aan de A73 - is het beleid gericht op versterking van de herkenbaarheid en doorontwikkeling van deze structurerende ringweg (verbindingsweg) om Tegelen. Gebiedskarakteristiek Deze autoweg vormt de ruggengraat van Limburg en doorsnijdt de stad en het landschap van Venlo in noord-zuidrichting. Aan de noordzijde van Venlo loopt de autoweg door het werklandschap van Greenpark en Freshpark en biedt daarbij uitzicht op representatieve bedrijfsbebouwing in een bosachtige omgeving. Een stadspoort tot het werklandschap bevindt zich ter plaatse van de Greenportlane. Ten zuiden van de A67 grenst de A73 direct aan diverse woonwijken en doorsnijdt het stedelijk gebied.
De nabije ligging bij de woongebieden van Blerick, Venlo en Tegelen heeft geleid tot geluidwallen en -schermen langs dit traject. De beeldvorming langs de autoweg is gericht op het vergroenen van de betonnen schermen en grondkeringen met planten. Door de glazen schermen blijft een beperkt zicht mogelijk op de achterliggende bebouwing, het stedelijke landschap en de rivier de Maas. Aan de westzijde van Venlo liggen aan de A73 stadspoorten bij de Eindhovenseweg, Napoleonsbaan, Shakespearelaan en Tegelseweg die zowel op de aanliggende wijken als op het centrum gericht zijn.
Hoofdstuk 3
24
Door de geluidsschermen is er beperkt zicht op bebouwing bij de poorten bij de Eindhovenseweg en Tegelseweg. Met een landmark, zoals een goed vormgegeven object of gebouw, dient de herkenbaarheid van deze poorten te worden vergroot. Enkele markante objecten en gebouwen zijn zichtbaar boven de geluidschermen. Met name de flatgebouwen van de Molenbossen, de schoorstenen van de Tegelse keramische industrie, de voormalige Watertoren en de beboste Steilrand zijn daarbij karakteristieke elementen. De Steilrandweg tussen Zuiderbrug en Kaldenkerkerweg loopt parallel aan de A73 en is tevens een ringweg om de noord-oostelijke rand van Tegelen. De uitstraling van deze rand van Tegelen aan de ‘Streekweg’ is van wisselende kwaliteit omdat het open agrarisch gebied doorsneden wordt en slechts in beperkte mate nieuwe ontwikkelingen langs de weg tot stand zijn gekomen. Langs de Steilrandweg zijn op termijn nieuwe stedelijke ontwikkelingen voorzien waardoor de weg zich zal kunnen ontwikkelen van een autoverbinding tot een stadsweg met uitstraling. Waar mogelijk dient de belevingskwaliteit aan de zijde van de kern Tegelen verhoogd te worden en in overeenstemming te worden gebracht met het belang van deze structurerende ringweg. Afweging Het planvoornemen wordt landschappelijk ingepast en voorziet in het toevoegen van groen.
Hierdoor draagt het bij aan het zorgen voor een aantrekkelijk beeld langs de autoweg. 3.4.4 Agenda Groen & Water De Agenda Groen & Water draagt bij aan ambities uit de Stadsvisie Venlo, Ruimtelijke- en Sociale structuurvisie en het raadsprogramma Venlo Circulaire en duurzame hoofdstad. Het is beleid voor groen en water op tactisch niveau (schakel tussen strategisch en operationeel beleid) en draagt bij aan de realisatie van doelen uit meerdere raadsprogramma’s. Agenda Groen & Water is primair geborgd in raadsprogramma Venlo Circulaire en duurzame hoofdstad, maar heeft invloed op andere raadsprogramma’s. Daarnaast heeft de Agenda Groen & Water invloed op operationeel beleid (uitvoering en beheer). Rode draad in de Venlose ambities is om ruimte te geven aan de samenleving om zelf keuzes te maken. Agenda Groen & Water biedt een kader voor (burger) initiatieven en geeft antwoord op wat men van de gemeente kan verwachten. Doelstelling van de Agenda Groen & Water is het formuleren van kaders en beleidsregels voor de groenblauwe ambities voor Venlo die een uitnodigend kader bieden voor initiatieven van derden. De gemeente verbreedt de koers van het groen en waterbeleid en richt zich meer op functionaliteit, want groen en water dragen bij aan heel veel verschillende doelen.
Hoofdstuk 3
25
De agenda gaat in op de volgende punten: Multifunctionaliteit; Stad van de toekomst; Kracht van Groen en Gezond in de wijk; ReCreatief Venlo; Natuurlijk Venlo; Het Venlose landschap vertelt; Uitvoering door samenwerking en creativiteit. Conclusie Het planvoornemen draagt bij aan de Agenda Groen en Water door het aanplanten van 14 zuilbomen, struweel en boomvormers. Daarnaast wordt er bestaand groen behouden en versterkt door de nieuwe aanplanting. Het planvoornemen wordt landschappelijk ingepast.
Hoofdstuk 3
26
4.
OMGEVINGSASPECTEN Bij de toekenning van de nieuwe bestemming aan de locatie dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, geur, externe veiligheid en milieuzonering voor de locatie wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van de gewenste ingreep voor de aspecten archeologie en cultuurhistorie, leidingen en infrastructuur, ecologie, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortgekomen bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht. Per paragraaf wordt de achtergrond uiteengezet, waarna wordt aangegeven wat de onderzoeksresultaten en/of conclusies zijn.
4.1 Luchtkwaliteit Algemeen Hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Bij de start van een project moet onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Hierbij moet aannemelijk gemaakt worden, dat luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. De nieuwe regels maken onderscheid in projecten die wel en ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Als een project NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden. Het Besluit NIBM De wet stelt bij een (dreigende) grenswaardenoverschrijding aanvullende eisen en beperkingen voor ruimtelijke plannen die "in betekenende mate" (IBM) leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast moet uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening afgewogen worden of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het plan "niet in betekenende mate" (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uit gegaan van de normen uit de interim-periode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijnstof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden.
Hoofdstuk 4
27
Regeling NIBM In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen, die onder het gelijknamige Besluit hangt, zijn categorieën van gevallen opgenomen die per definitie 'niet in betekenende mate' zijn. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een woningbouwontwikkeling van minder dan 1.500 woningen of een kantoorontwikkeling van minder dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlak. Deze ontwikkelingen hoeven dan niet nader onderzocht te worden op een eventuele bijdrage aan de luchtkwaliteit en hiervoor hoeft geen toetsing aan de grenswaarden plaats te vinden.
Zelfs indien wordt uitgegaan van het ‘worst-case-scenario’ en 20% vrachtverkeer is de bijdrage van het extra verkeer ten gevolge van de realisatie van het planvoornemen niet-in-betekende-mate. Achtergrondwaarden In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 μg/m³ en voor PM2,5 25 μg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 μg/m³. Volgens de Grootschalige concentratie- en Depositiekaarten Nederland van het RIVM bedraagt in 2020 de concentratie PM10 ter plaatse lager dan 18 μg/m³, de concentratie PM2,5 lager dan 10 μg/m³ en de concentratie NO2 ter plaatse tussen de 10 en 15 μg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren door voortschrijdende technologie. Er kan dan ook geconcludeerd worden dat er vanuit het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen bestaan. Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit bestaan er geen belemmeringen voor onderhavig plan.
Hoofdstuk 4
28
4.2 Geluid Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet inzicht worden geboden in de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling vanuit akoestisch oogpunt. Het geluidsaspect is relevant in relatie tot industrielawaai, wegverkeerslawaai en/of spoorweglawaai. Toetsingskader is de Wet geluidhinder en enkele uitvoeringsbesluiten. (Spoor)wegverkeerslawaai Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van geluidsgevoelige objecten dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een onderzoekszone van een (spoor)weg, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een onderzoekszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten, waaronder bijvoorbeeld woningen binnen een dergelijke onderzoekszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen.
Met de herontwikkeling van het bedrijventerrein en de verlegging van de groenstrook wordt er geen geluidgevoelige functie binnen het plangebied toegevoegd. In het kader van onderhavig bestemmingsplan zijn er geen belemmeringen op het gebied van (spoor)wegverkeerslawaai en kan het uitvoeren van een akoestisch onderzoek van (spoor-)wegverkeerslawaai dan ook achterwege worden gelaten. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.3 Bodem 4.3.1 Algemeen Wettelijk kader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft.
Hoofdstuk 4
29
Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van het plangebied of de projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; b. het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; c. het wegnemen van actuele risico's. Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico’s die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. 4.3.2 Onderzoek Verkennend bodemonderzoek Geonius Milieu B.V. heeft een verkennend bodemonderzoek2 uitgevoerd. Dit onderzoek is alleen gericht op het noordoostelijke deel van het plangebied en is als separate bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Onderstaand worden de conclusies en aanbevelingen uit het onderzoek weergegeven.
Indicatief getoetst aan het Besluit en de Regeling Bodemkwaliteit varieert de kwaliteit van indicatief “achtergrondwaarde” tot “industrie”. Op basis van de vastgestelde bodemkwaliteit dient de hypothese “verdacht” ten aanzien van de bovengrond te worden aanvaard en de hypothese “onverdacht” ten aanzien van de ondergrond te worden verworpen. Dit heeft geen consequenties voor de gevolgde onderzoeksstrategie. Er is met voldoende betrouwbaarheid vastgesteld dat op de locatie geen asbest in de bodem aanwezig is. Vervolgonderzoek en maatregelen zijn dan ook niet noodzakelijk. Bij de eventuele afvoer van grond ten behoeve van de bouwwerkzaamheden dient, op basis van onderhavige analyseresultaten, rekening te worden gehouden met verhoogde afzetkosten. Er is met voldoende betrouwbaarheid vastgesteld dat op de locatie geen asbest in de bodem aanwezig is. Vervolgonderzoek en maatregelen zijn niet noodzakelijk. Het verlenen van een omgevingsvergunning of een “bodemgeschiktheidsverklaring” is ter competentie van de overheid. In hoeverre de vastgestelde milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en het verhardings- / funderingsmateriaal een belemmering vormen voor de voorgenomen onroerende zaak op het plangebied bestemd voor de transactie (verkoop) is afhankelijk van hetgeen tussen kopende en verkopende partij wordt overeengekomen.
2
Geonius Milieu B.V., Verkennend bodemonderzoek perceel B 5271 Tegelen, rapportnummer: MA180011.018.R01.V4.0, 19 februari 2020.
Hoofdstuk 4
30
Aanvullend bodemonderzoek Door de combinatie HMB B.V. - Peeters Milieuadvies is een aanvullend bodemonderzoek3 uitgevoerd. Deze is als separate bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Onderstaand worden de conclusies en aanbevelingen uit het onderzoek weergegeven. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde vooronderzoek is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie verdacht is ten aanzien van bodemverontreiniging. Voor de locatie is onderscheid gemaakt in drie verdachte deellocaties. In de onderstaande alinea’s worden de resultaten per deellocatie beschreven en wordt afgesloten met een slotconclusie. Deellocatie A (onderzoekslocatie) Op basis van de resultaten blijkt dat de grond met bijmengingen kolengruis (MMA-5) sterk verontreinigd is met koper. Indicatief getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit wordt de grond beoordeeld als klasse ‘niet toepasbaar’. Gelet op de resultaten van het afperkend onderzoek blijkt dat de koperverontreiniging wordt aangetroffen over een oppervlakte van circa 15 m². De verontreiniging is aangetroffen in het traject van 0,5 tot 1,0 m-mv. De omvang van de verontreiniging is derhalve ingeschat op circa 7 m³. Op basis van de omvang is er geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
In de overige bovengrond met bijmengingen baksteen en/of kolengruis (MMA-1 t/m MMA-4) worden ten hoogste lichte verontreinigingen met zware metalen, PAK en/of minerale olie aangetoond. De grond wordt indicatief beoordeeld als klasse ‘industrie’ of klasse ‘niet toepasbaar’ conform het Besluit bodemkwaliteit. De zintuiglijk schone bovengrond van het mengmonster MMA-6 is niet verontreinigd met de onderzochte parameters. Indicatief getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit wordt de grond beoordeeld als klasse ‘altijd toepasbaar’. In het grondwater zijn lichte verontreinigingen met barium en 1,2dichchloorethenen aangetroffen. Gelet op de aangetroffen verontreinigingen blijft de hypothese voor een verdachte locatie in stand. Deellocatie B (voormalig spoorweg) Ter plaatse van de voormalige spoorweg zijn in de grond met bijmengingen baksteen (MMB- 8 en MMB-9) sterke tot lichte verontreinigingen met PAK en lichte verontreinigingen met zware metalen en minerale olie aangetoond. Op basis van de uitgevoerde uitsplitsing bleek dat een gedeelte verontreinigd is met PAK. Getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit wordt de grond beoordeeld als klasse ‘wonen’ of klasse ‘niet toepasbaar’. Gelet op de resultaten van het afperkend onderzoek blijkt dat de verontreiniging met PAK wordt aangetroffen over een oppervlakte van circa 15 m².
De verontreiniging is aangetroffen in het traject van 0,5 tot 1,0 m-mv. De omvang van de verontreiniging is derhalve ingeschat op circa 7 m³. Op basis van de omvang is er geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De grond ter plaatse van boring B7 c.q. het mengmonster MMB-10 is niet verontreinigd met de onderzochte parameters. Indicatief getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit wordt de grond beoordeeld als klasse ‘altijd toepasbaar’. Het grondwater ter plaatse van deellocatie B is ten hoogste licht verontreinigd met barium. Vanwege het aantreffen van de sterke tot lichte verontreinigingen in de bodem, blijft de hypothese ‘verdachte locatie’ in stand.
3
HMB-Peeters, Verkennend bodemonderzoek, rapportnummer: 23249401A-3, status: definitief (versie 3), d.d. 31 oktober 2023.
Hoofdstuk 4
31
Deellocatie C en N (watergang (droge greppel)) In de veengrond van het mengmonster MMC-7 zijn geen verontreinigingen met de onderzochte parameters aangetroffen. De grond wordt indicatief beoordeeld als ‘altijd toepasbaar’ conform het Besluit bodemkwaliteit. In de humeuze zandgrond (MMC-11) zijn, net zoals bij eerder uitgevoerde onderzoeken, sterke tot lichte verontreinigingen met zware metalen aangetoond. Tevens worden ook nog lichte verontreinigingen met minerale olie, PCB en PAK aangetoond. Getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit wordt de grond beoordeeld als ‘niet toepasbaar’. In de zand grond zonder humeuze bijmengingen (MMC-12) zijn ten hoogste lichte verontreinigingen met zware metalen en minerale olie aangetoond. Gelet op het gehalte minerale olie wordt de grond indicatief beoordeeld als ‘niet toepasbaar’ voor hergebruik. Gelet op de resultaten van het afperkend onderzoek blijkt dat de verontreiniging wordt aangetroffen over een oppervlakte van circa 90 m². De verontreiniging is aangetroffen in het traject van 0,0 tot 0,5 m-slootbodem met een gemiddeld dikte van 50 centimeter. De omvang van de verontreiniging is derhalve ingeschat op circa 45 m³. De verontreiniging is ontstaan na 1987. Voor dergelijke verontreinigingen geldt de zogenoemde ‘zorgplicht voor de bodem’ welke in de Wet Bodembescherming (artikel 13) is vastgelegd.