CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

046 bijl01 Bestemmingsplan Rijksweg 53 en Dorperveldstraat ong. Velden - Toelichting.pdf

Raadsvergadering 24 april 2024, gemeente VenloBij agendapunt: 5.9: RV046 Vaststelling bestemmingsplan ‘Rijksweg 53 en Dorperveldstraat ong. te Velden’11.252 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Beperkte verantwoording groepsrisico Een analyse van het groepsrisico kan worden uitgevoerd aan de hand van de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART, januari 2017). Voor het transport van gevaarlijke stoffen over wegen is aan de hand van vuistregels conform de Handreiking risicoanalyse transport (HART) beoordeeld in welke mate het groepsrisico verantwoord moet worden. Uit de toetsing uit deze paragraaf is gebleken dat een beperkte verantwoording van het groepsrisico volstaat voor het onderhavig voornemen. Zelfredzaamheid In dit geval is de locatie binnen het invloedsgebied van de A67 en de N271 gelegen. Indien er zich een ramp voordoet waarbij mogelijk gevaarlijke stoffen zoals toxische gassen vrijkomen, worden deuren en ramen gesloten en vindt het schuilen plaats binnen het bouwwerk. Er wordt gezorgd dat ramen en deuren in het pand goed afsluitbaar zijn, om de kans op mogelijke blootstelling aan giftige stoffen zo klein mogelijk te houden. Daarnaast is de locatie goed ontsloten en zijn er vluchtroutes in verschillende richtingen aanwezig. Aanwezigen in het pand worden gewaarschuwd middels het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert. Verder informeert de veiligheidsregio c.q. gemeente haar inwoners over de handelingsstrategie bij calamiteiten.

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

5.1.6

Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij een wijziging van het bestemmingsplan ten behoeve van

27

woningbouw moet namelijk worden getoetst of ter plaatse van de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en of bedrijven niet in hun belangen worden geschaad Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot een gevoelige functie dient te zijn. De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. De richtafstanden welke zijn opgenomen in de VNG-publicatie worden aangehouden of er genoeg ruimte zit tussen bedrijven en gevoelige objecten. In dit geval is aan de Vilgert (conform het bestemmingsplan) een kleinschalig bedrijventerrein aanwezig. Binnen dit bedrijventerrein zijn uitsluitend bedrijven van milieucategorie 1 en 2 toegestaan. Bedrijven uit milieucategorie 1 en 2 veroorzaken slechts op een zeer beperkte schaal hinder en zijn daarom goed mogelijk bij woningen. Conform de VNG-publicatie dient tot bedrijven met milieucategorie 2 een afstand van ten minste 30 meter te worden aangehouden. Het plangebied ligt op grotere afstand dan 30 meter van deze bedrijven, waardoor dit geen belemmering vormt. De ontwikkeling zorgt er dan ook niet voor dat bedrijven in de omgeving in hun (uitbreidings-)mogelijkheden worden beperkt.

Dit aspect vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

5.1.7

Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen In de nabije omgeving van het plangebied zijn geen kabels, leidingen en/of hoogspanningslijnen aanwezig waarvoor een risicocontour geldt. Dit vormt dan ook geen belemmering.

5.2

Water Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. In het verleden werd het water voornamelijk gevormd en waterlopen veranderd naar de wensen van inrichter en gebruikers. De laatste jaren blijkt steeds meer dat dit kan leiden tot waterproblematiek. Hierbij kan worden gedacht aan verdrogingsverschijnselen, maar ook aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevigere weersveranderingen. Bij locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies moeten de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen. Per 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets te doorlopen. Hierin dient inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente wateradvies in te winnen bij de waterbeheerder. De gemeente en het waterschap kunnen praktische afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen.

5.2.1

Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2022-2027 van de Waterschap Limburg, de Provinciale Omgevingsvisie Limburg, het Provinciaal 28

Waterplan, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). De opgave in het provinciaal beleid inzake het regionale water is het komen tot robuuste en natuurlijk functionerende en veerkrachtige watersystemen. Dit om risico’s tot wateroverlast en watertekort verminderen en ook bij klimaatverandering beheersbaar en maatschappelijk acceptabel te blijven. Er dient te worden voldaan aan de regionale normering voor wateroverlast. Daarnaast is het ontwikkelen van regionale, gebiedsgerichte adaptiestrategieën en het treffen van effectieve maatregelen de opgave voor het omgaan met huidige en toekomstige watertekorten. Een belangrijke voorwaarde hierbij is de beschikbaarheid van voldoende water en de juiste kwaliteit. Op deze manier zijn problemen op het gebied van watertekort in tijden van schaarste beheersbaar en maatschappelijke acceptabel.

Een van de doelen van de provincie is om wateroverlast en watertekorten in het regionale watersysteem te beperken door meer ruimte voor water beschikbaar te stellen, de sponswerking te versterken en te anticiperen op de gevolgen van de klimaatverandering. Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Hierbij spelen verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van ecologische functies stelt het waterschap onder andere dat ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (waar mogelijk) moeten worden verhoogd door peilbeheer. Tevens dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies te worden afgestemd. Naast deze ecologische functies dienen er ook mensgerichte hoofd- en nevenfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater te worden ingepast.

5.2.2

Kenmerken huidige watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied en de omgeving, kunnen beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, afvalwater en hemelwater. Grondwater Uit de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat de planlocatie ligt binnen de boringsvrije zone Venloschol. Het diepe grondwaterpakket mag enkel worden gebruikt ten behoeve van onttrekking voor menselijke consumptie. Voor onttrekkingen ten behoeve van beregening uit ondiep grondwater hanteert het waterschap een stand-still beginsel. In de boringsvrije zone Venloschol geldt voor gebieden welke minder dan 5 meter boven NAP zijn gelegen regels voor het hebben van een boorput, het roeren van grond, het aanleggen en hebben van een bodemenergiesysteem en een verbod werken uit te voeren waardoor de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kan worden aangetast.

29

In het plangebied wordt niet voorzien in dergelijke onttrekkingen, waardoor er met betrekking tot de boringsvrije zone geen belemmeringen zijn. Oppervlaktewater Binnen het plangebied en in de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig en zal in de nieuwe situatie geen oppervlaktewater worden gecreëerd. Afvalwater Het afvalwater afkomstig van de planlocatie zal worden geloosd op het bestaande en aanwezige rioleringsstelsel. In de beoogde situatie worden slechts twee wooneenheden toegevoegd welke zijn/worden aangesloten op het rioleringsstelsel. Gezien de beperkte omvang van de ontwikkeling, worden geen belemmeringen verwacht ten aanzien van het afvoeren van afvalwater.

Hemelwater Het Waterschap Limburg en de gemeente Venlo streven ernaar om bij nieuwbouw en herstructurering regenwater volledig af te koppelen en zoveel mogelijk binnen het plangebied te verwerken. In de huidige situatie wordt het hemelwater dat valt op de daken en erfverharding direct geïnfiltreerd in de grond.

5.2.3

Afkoppel beslisboom De afkoppel-beslisboom van de gemeente Venlo is bedoeld als stappenplan om te bepalen welke eisen er gelden voor de omgang met hemelwater. Om te bepalen of er dient te worden voorzien in een bergings- of infiltratievoorziening en hoe groot de capaciteit moet zijn, is de afkoppel beslisboom doorlopen. Afhankelijk van het oppervlakte van het af te koppelen verharding, dient te worden voorzien in voldoende waterberging. Uit de aanvraag van de vergunning voor het onderdeel ‘Bouwen’ zal blijken welke bergingseis van toepassing is. Naar verwachting is dit ‘bergingseis 3’. In dat geval dient er een waterbergings-/infiltratievoorziening op het eigen terrein dient te worden gerealiseerd ten behoeve van een berging van T10 (50 liter per m²), oftewel een waterberging van 0,05 m³ per m² aan verhard oppervlak. In het kader van de vergunning voor het onderdeel ‘Bouwen’ dient te worden berekening hoe groot de oppervlakte aan verharding is, zodat kan worden bepaald in de capaciteit van de waterbergingsvoorziening waarin dient te worden voorzien. Het plangebied is voldoende groot om te voorzien in een waterbergingsvoorziening. In het kader van het planologische aspect vormt dit geen belemmering.

5.3

Natuur

5.3.1

Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijnen 30

Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart te worden gebracht en te worden beoordeeld. Wanneer deze mogelijk een negatief effect hebben op beschermde natuur in een Natura 2000-gebied geldt een vergunningsplicht. Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Natura 2000 De planlocatie is niet binnen een Natura 2000-gebied gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Maasduinen’.

Dit gebied is op een afstand van circa 1,6 kilometer meter van de planlocatie gelegen. Woningbouwontwikkelingen kunnen een significant negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden door de bouwactiviteiten, het gebruik van de woningen en een toename van het aantal verkeersbewegingen. Door middel van een Aerius-berekening is berekend of de ontwikkeling al dan niet een belemmering vormt in het kader van het aspect gebiedsbescherming. Uitkomsten tot 0,00 mol per ha/jaar zijn de basis om te kunnen concluderen dat het plan niet vergunningsplichtig is voor de Wet natuurbescherming (Wnb), wat betreft het onderdeel stikstof. Uit de Aerius-berekening (zie bijlage) blijkt dat er als gevolg van de ontwikkeling geen sprake is van uitkomsten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. De ontwikkeling heeft daarmee geen onevenredig significant effect op het gebied van stikstof. Dit aspect vormt geen belemmering.

5.3.2

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Om te bepalen of de ontwikkeling een belemmering vormt ten aanzien van beschermde flora en fauna, is een Quickscan uitgevoerd. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies uit de Quickscan weergegeven. De volledige rapportage is bijgevoegd als separate bijlage.

31

Tijdens het veldbezoek is het gebied beoordeeld op de aanwezigheid van beschermde soorten en de habitatgeschiktheid voor beschermde soorten. Er is extra aandacht besteed aan de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen en vogelnesten in de te slopen kippenschuur. Uit de Quickscan blijkt dat er geen bijzondere flora in het plangebied is aangetroffen, waardoor negatieve effecten zijn uitgesloten. Het onderzoeksgebied vormt een geschikt habitat voor algemene soorten grondgebonden zoogdieren. Echter zijn er ter plaatse geen verblijfsplaatsen aangetroffen, waardoor deze ook niet worden aangetast. Daarnaast zijn er geen sporen van vleermuizen, jaarrond beschermde nesten van vogels of een geschikte biotoop voor overige beschermde soorten aangetroffen. Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.4

Archeologie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een bestemmingsplan of andersoortige planologische regeling dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In dit plan dient te worden aangetoond dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In deze ruimtelijke onderbouwing is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. In de volgende paragraaf wordt verder ingegaan op het aspect ‘landschap en cultuurhistorie’. Conform de gemeentelijke archeologische beleidskaart is de planlocatie gelegen binnen een gebied met een middelhoge archeologische verwachting (figuur 9). Voor deze gebieden geldt dat bij bodemingrepen dieper dan 40 centimeter en een minimale verstoringsoppervlakte van 500 m2 een archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd.

De verwachte bodemverstoring is naar verwachting niet groter dan 500 m2, waardoor geen onderzoek noodzakelijk is. In het kader van de bouwvergunning zal blijken hoe groot de daadwerkelijke verstoringsoppervlakte is. Ten behoeve van de bescherming van eventueel aanwezige archeologische resten, wordt in onderhavig bestemmingsplan een dubbelbestemming opgenomen. In het meest actuele beleid zijn de gebieden met een middelhoge en hoge verwachtingswaarde samengevoegd, waardoor gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde tevens worden aangemerkt als een gebied met een hoge archeologische verwachting. Op de verbeelding is dan ook sprake van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie hoog’.

32

Figuur 9 Archeologische beleidskaart met plangebied rood omkaderd

Gelet op het bovenstaande vormt het aspect archeologie vanuit planologisch oogpunt geen belemmering voor de ontwikkeling.

5.5

Landschap en cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en esembles van een grotere schaal. Conform de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg en de cultuurhistorische inventarisatiekaart van de gemeente Venlo zijn er geen monumenten of cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig binnen de planlocatie. Met onderhavige ontwikkeling zijn de cultuurhistorische en landschappelijke kenmerken dan ook niet in het geding.

5.6

Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.

5.6.1

Mobiliteit Ten behoeve van de reeds bestaande woning vinden in de huidige situatie al verkeersbewegingen plaats. De woning blijft in gebruik ten behoeve van woondoeleinden, maar wordt gesplitst in twee wooneenheden. Daarnaast vinden er in de toekomstige situatie verkeersbewegingen plaats ten behoeve van de nieuw te realiseren woning, waardoor het totaal aantal verkeersbewegingen afkomstig van het plangebied (in theorie) zal toenemen

33

Om te bepalen of het aantal extra verkeersbewegingen een belemmering vormt ten aanzien van het aspect mobiliteit, wordt de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ gehanteerd. Conform de CROWpublicatie dient voor de woningen binnen de bebouwde kom in een gebied met een matig stedelijk karakter te worden uitgegaan van de onderstaande verkeersbewegingen per etmaal. Huidige situatie: • één vrijstaande koopwoning

8,6 verkeersbewegingen

Beoogde situatie: • één vrijstaande koopwoning: • twee twee-onder-een-kapwoningen:

8,6 verkeersbewegingen 16,4 verkeersbewegingen

Ten opzichte van de huidige situatie is er als gevolg van de gewenste ontwikkeling sprake van een toename van 16,4 verkeersbewegingen per etmaal. Het verkeer vanaf het plangebied gaat, al dan niet via de Dorperveldstraat, via de Rijksweg N271 op in het heersende verkeer. De huidige infrastructuur kan de minimale toename van het aantal verkeersbewegingen zonder problemen verwerken en behoeft dus geen aanpassingen. Het aspect mobiliteit levert geen belemmeringen op.

5.6.2

Parkeren Voor het bepalen van het aantal benodigde parkeerplaatsen, zijn de parkeernormen zoals opgenomen in de CROW-publicatie gehanteerd. Conform deze parkeernormen dient voor vrijstaande woningen in ‘rest bebouwde kom’ met een matig stedelijk karakter te worden voorzien in 2,2 parkeerplaatsen, waarvan 0,3 plaatsen voor bezoekers. Hierdoor dient er voor het eigen gebruik te worden voorzien in ten minste 1,9 (afgerond 2) parkeerplaatsen op het eigen terrein. Voor twee-onder-een-kapwoningen dient te worden voorzien in 2,1 parkeerplaatsen, waarvan tevens 0,3 plaatsen voor bezoekers. Dit komt tevens neer op afgerond 2 parkeerplaatsen per woning. Het plangebied is voldoende groot om per woning voldoende parkeergelegenheid te realiseren (zie figuur 10). Met de situering is rekening gehouden dat de realisatie en situering van de parkeerplaatsen niet ten koste gaat van de tuin. Het voorstel is dan ook om het parkeren vanaf de straatzijde te organiseren. Ter hoogte van de huidige inrit kunnen twee parkeerplaatsen worden gerealiseerd bij de woning 2 en ten behoeve van woning 1 is voldoende ruimte voor twee parkeerplaatsen nabij de voordeur. De inritten zullen allen niet breder zijn dan 6 meter.

34

Figuur 10 Indicatieve weergave beoogde situatie met voldoende parkeergelegenheid

35

HOOFDSTUK

6 Uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het ruimtelijk plan aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.

6.1

Economische uitvoerbaarheid Bij in voorbereiding zijnde bestemmingsplannen dient op grond van artikel 3.6.1 van Bro in de plantoelichting de economische uitvoerbaarheid van het plan inzichtelijk te worden gemaakt. Wanneer sprake is van een bouwplan zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 van Bro, dient er conform 6.12 van Wro een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Conform artikel 6.2.1 a onder c van Bro kan hiervan worden afgeweken indien sprake is van verhaalbare kosten welke uitsluitend betrekking hebben op de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen. Voor het planvoornemen zijn enkel vergunningen benodigd die op basis van legesheffing worden geïnd en de kosten derhalve anderszins zijn verzekerd. Het is dan ook niet noodzakelijk om een exploitatieplan op te stellen.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het ontwerpbestemmingsplan heeft ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter visie gelegen, waarbij geen zienswijzen zijn ingediend.

36

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/285/documents/7967